Caroline Reeders, Bernke Klein Zandvoort: de redacteur las een opgewekt en opmerkzaam verslag van een ziekte en gedichten die leiden naar een wonderland dat heel werkelijk is.

*

Daan Stoffelsen: Bernke Klein Zandvoort, Veldwerk & Caroline Reeders, U mag even plaatsnemen

Deze week las ik mannelijke schrijvers. Dat doe ik dus nog wel. Sander Kollaards eerdere verhalen zijn gebundeld met wat verspreid werk in De laatste dag van de koning, als een monument voor het schrijverschap van de Libris Literatuurprijswinnaar – heel chic van Uitgeverij Van Oorschot – en ik ontdek hem nu. ‘Ontdekken’ klopt niet helemaal natuurlijk, het is niet het eerste wat ik van hem las – dat winnende boek dus en zijn mooie brieven aan Roos van Rijswijk (lees Binnenpost), maar de flinters autobiografie en vooral de sebaldiaanse indirecte rede bevallen me erg. Ook: Ted van Lieshouts Wat is kunst? Begin een eiland…, dat geestig en informatief is en mooi gemaakt en genomineerd voor de Woutertje Pieterseprijs. Binnenkort meer op Athenaeum.nl.

Twee andere boeken heb ik net uit, en een derde sijpelt door mijn dagen heen, daar lees ik telkens wat in. Voor die eerste twee boeken is het dé week. Caroline Reeders neemt afscheid als mijn directeur bij Athenaeum Boekhandels (en wordt directeur bij AtlasContact), en Eva Meijer schreef het essay voor de Maand van de Filosofie. De week van Bernke Klein Zandvoorts essay valt in juni, als ze de Grote Poëzieprijs wint.

Hun stemmen zijn goed gezelschap, al voel ik me bij alle drie niet bevoegd uitgebreid over ze te schrijven, door de nabijheid en door gesprek aan expertise in de filosofie of poëzie. Maar dat geeft ook vrijheid en lucht. Ik kan gewoon blijmoedig citeren en zeggen wat ik mooi vind. Over Eva Meijer houd ik het hier kort, want op Athenaeum.nl schrijf ik uitvoeriger. Dit vind ik mooi:

‘Als we bijna bij het huisje zijn vliegen ganzen over – een soort zegening. Ik wijs Doris erop, maar haar interesse ligt lager, en ze heeft gelijk, daar gebeurt ook van alles, er liggen zandhopen en naalden en eikels. En gevallen bladeren, die zijn ook een zegening, konden wij maar verkleuren, ik zou het elk jaar doen.’

Mee-verkleuren zou ook natuurlijk beter kloppen: het licht en de temperatuur doen zoveel met een mens, net als iets terugkerends als een voorbijrijdende trein of een ingrijpend incident als een dodelijke ziekte. Vanbinnen of verborgen gebeurt er van alles, waarom mag je dat niet zien?

*

Uit ‘De ander’, uit Veldwerk:

‘in een bed naast de spoorlijn waar treinen overdag
elk kwartier een stilte raasden door onze gesprekken
daar waren we op gestemd
toch werd in die stilte elke keer de ander als een ander zichtbaar’

Het is moeilijk kiezen uit Klein Zandvoorts bundel, gedicht na gedicht leidt ze me regel na regel door een wonderland dat heel werkelijk is. Hier: het gegeven dat je pauzeert als de trein voorbijkomt, is mooi. Het stemmen is sterk, ook in deze ellips: afstemmen is natuurlijker maar minder rijk aan associaties. En dan dat die stilte ruimte maakte voor een groot ongemak, je uit de vertrouwdheid van die ander haalde. Ze gebruikt geen ingewikkelde woorden, maar ze herhaalt wel en suggereert al zo die dubbelheid, die splitsing. Maar ze gaat in de rest van het gedicht verder, de ik is bang niet te kunnen vertalen, poetst weg, stelt scherp en wacht – om in een scène van heel kort geleden uit te komen die het hier beschreven effect dieper onderzoekt. Geweldig. (Op Athenaeum.nl staan drie (andere) gedichten voorgepubliceerd, en wordt er een voorgelezen.)

*

Toen ik Caroline Reeders’ bundel korte, literaire updates van haar ziektegeschiedenis las, had ik net Anne Boyers schrijnende, woedende, pijnlijke kankerboek Het ontsterven gelezen. Die boeken zijn niet te vergelijken, hun medische dossiers ook amper geloof ik. Reeders is opgewekt en opmerkzaam, en ze geeft en passant uitstekend advies. ‘Ik wil mezelf en anderen niet te lang gijzelen in een interactie over mijn gezondheid,’ schrijft ze, en stelt vast:

‘Eigenlijk is de beste vraag, zo ontdek ik, een simpele vraag met een korte horizon. Hoe gaat het vandaag? Ik leer snel dat je altijd kunt antwoorden alsof de vraag zo is gesteld.’

Er is een alinea waarin ze voor de spiegel (Klein Zandvoort schrijft: ‘met de blik van een buitenstaander kijk ik in de spiegel
naar mijn gezicht / naar de tekening van tijd / waar ik zelf nooit bij lijk te zijn geweest’) staat, en beschrijft hoe haar bovenlichaam gekleurd en getekend is door de operatie en behandelingen. Die alinea voelt te pijnlijk persoonlijk om hier te citeren. En er is een hilarische ‘eenakter’ waarin C, de ‘Cone beam scan’ in dialoog gaat met R, de radiotherapeutisch laborant (‘C: Whhhhhuuuuuu… wukwukwuk… whuu hu hu hu huh… R: Nog ietsjes.’). Ze wisselen de ervaringen en levenslessen af die de kern vormen van U mag even plaatsnemen, een boek dat licht en optimistisch mag eindigen – als het betere afscheid.

Nijgh & Van Ditmar gaf U mag even plaatsnemen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Querido gaf Veldwerk uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Anthea Bell over W.G. Sebald: de redacteur stuitte op een mooie beschrijving van vertalerscorrespondentie en, midden in de mist van onvertaalbaarheid, een prachtig citaat over een ballingschap in taal.

*

Daan Stoffelsen: Anthea Ball, ‘A Translator’s View’, en W.G. Sebald, Austerlitz

Ik lees wat minder. Wat korter ook. Ik las een mooi essay van Anthea Bell (1936-2018), de bekroonde vertaler van de Asterix-reeks, Kafka, Freud, Zweig, Hans Christian Andersen, Saša Stanišic, Hans Magnus Enzensberger – en W.G. Sebalds Austerlitz. Daarover gaat haar beschrijvende essay ‘A Translator’s View’ in Five Dials #26, een bewerking van een gesproken bijdrage aan de BBC uit 2011. Ik kwam het op spoor toen ik op zoek was naar meertalige auteurs, en de inleidende woorden waren veelbelovend:

‘After thirty years teaching at the University of East Anglia, he could easily have written in English, but he preferred to write in his native language and be translated. How closely would I be able to reproduce his unique voice in English? That is always the translator’s aim. The process itself, I’ve found, cannot be described without the use of metaphor, so we speak figuratively of finding the right voice, or of translation as a performance art like acting, or of trying to get inside the author’s mind.’

Ze vertelt vervolgens veel over de communicatie rond het vertaalproces, een uitgebreide variant van de stukken in de Athenaeum-vertaalrubriek, en Sebald blijkt een ouderwetse briefschrijver te zijn, en een goede gesprekspartner: ‘Some of these points ran to several exchanges in our correspondence, and it was interesting to be working with an author whose own English was so good. Because of that very fact, I think, if occasionally I insisted that one phrase sounded better in English than another, he would accept it.’

Ze schrijft dat Sebald ‘knew that language develops of its own accord, and his account of Austerlitz’s nervous breakdown, when language itself fails him, is eloquently moving’. Ik twijfel of die ‘and’ hier daadwerkelijk wat illustreert of vooral een bruggetje is naar dit citaat, en terwijl we ver afgedwaald zijn van mijn oorspronkelijke interesse in naar andere gebieden, citeert ze die beschrijving, veel minder uitgebreid dan in het boek overigens. Daar stond het zo:

‘If language may be regarded as an old city full of streets and squares, nooks and crannies, with some quarters dating from far back in time while others have been torn down, cleaned up and rebuilt, and with suburbs reaching further and further into the surrounding country, then I was like a man who has been abroad for a long time and cannot find his way through this urban sprawl any more, no longer knows what a bus stop is for, or what a back yard is, or a street junction, an avenue or a bridge The entire structure of language, the syntactical arrangement of parts of speech, punctuation, conjunctions and finally even the nouns denoting ordinary objects were all enveloped in an impenetrable fog.’

Ik moet denken aan Jannie Regnerus’ Wolkenpaviljoen, waar de stad een beeld is voor het geweten (‘Nu Luut veertig is en achteromkijkt, is zijn geweten bebouwd. Op de groene velden zijn bouwwerken verrezen en er is ook al verval. Luut heeft zijn falen ondergebracht in schimmige stegen, in krotten waarvan hij de ramen en deuren met planken heeft gebarricadeerd. Uitgerekend deze panden hebben zichzelf tot beschermd stadsgezicht verklaard, ze weigeren hun grond af te staan. Het liefst zou hij ze met een sloopkogel neerhalen en de vrijgekomen kavels met koolzaad en papaver inzaaien.’). Ik blijk dat al eerder volledig geciteerd te hebben, een bewijs van de kracht van het beeld, of van de herhaling, en ook toen moest ik aan Jan van Akens variant op het geheugenpaleis denken: ‘innerlijke stadskwartieren’ waarin straten en huizen kennis bevatten.

Maar wat Bell natuurlijk interesseerde, althans dat moet ik aannemen want ze springt snel verder, was het zeer sebaldiaanse beeld van de terugkeer van de balling, de ‘urban sprawl’ en het verdwalen, de ondoordringbare mist. Nee, het is meer dan dat beeld van de balling. Want al kan een stad onherkenbaar blijken bij terugkeer, een bushalte herken je nog wel, toch? De functies van elementen kun je dan nog wel duiden. Sebalds beeld is veeleer als dat van de immigrant in een totaal andere cultuur. En dat is daadwerkelijk beangstigend: geen vertaling van een bekende werkelijkheid meer weten te maken.

‘Wenn man die Sprache ansehen kann als eine alte Stadt, mit einem Gewinkel von Gassen und Plätzen, mit Quartieren, die weit zurückreichen in die Zeit, mit abgerissenen, assanierten und neuerbauten Vierteln und immer weiter ins Vorfeld hinauswachsenden Außenbezirken, so glich ich selbst einem Menschen, der sich, aufgrund einer langen Abwesenheit, in dieser Agglomeration nicht mehr zurechtfindet, der nicht mehr weiß, wozu eine Haltestelle dient, was ein Hinterhof, eine Straßenkreuzung, ein Boulevard oder eine Brücke ist. Das gesamte Gliederwerk der Sprache, die syntaktische Anordnung der einzelnen Teile, die Zeichensetzung, die Konjunktionen und zuletzt sogar die Namen der gewöhnlichen Dinge, alles war eingehüllt in einen undurchdringlichen Nebel.’

Bell kiest voor het veel minder gebruikelijke ‘urban sprawl’ boven ‘agglomeration’, dat ook in het Engels bestaat. Maar ongetwijfeld is hier een betekenisverschil, is dit een valse vriend. Maar hoe kun je zoiets vanbuiten een taal vaststellen?

Tot slot zocht ik deze passage in de Nederlandse vertaling van Ria van Hengel en vond hem niet, alsof de Nebel en fog de grenzen en het Kanaal overstoken waren in een ultieme poging de onvertaalbaarheid van alles te onderstrepen, en werd toen gered door de vertaalster zelf die me de goede pagina mailde:

‘Wanneer je taal kunt beschouwen als een oude stad, met een wirwar van straten en pleinen, met wijken die lang geleden gebouwd zijn, met afgebroken, gesaneerde en nieuwe stadsdelen en steeds verder het land in groeiende buitenwijken, dan leek ik op iemand die door een lange afwezigheid niet meer bekend is in deze agglomeratie, niet weet waar een bushalte voor dient, wat een binnenplaats, een kruispunt, een boulevard of een brug is. De hele structuur van de taal, de sytnactische rangschikking van de afzonderlijke delen, de interpunctie, de voegwoorden en uiteindelijk zelfs de namen van de gewone dingen, alles was in een ondoordringbare nevel gehuld.’

De werkelijkheid is immers wel vertaalbaar, zij het dat je het absurde niet weg kunt redeneren (ja, ook ik heb gestemd en ben teleurgesteld), en dat alle taal en alle werkelijkheid context heeft. Ja, wie afbeeldingen zoekt via Google vindt heel andere dingen op ‘Hinterhof’ dan op ‘back yard’; ‘binnenplaats’ blijkt in onze taal vooral iets van kastelen te zijn, niet van oude binnensteden. En als je die methode doorzet naar ‘Agglomeration’/’urban sprawl’/’agglomeratie’, dan ontdek je dat die eerste term vooral scheikundige plaatjes oplevert. Je zal maar terugkeren naar je geboortestad en alles in deeltjes en verbindingen zien uiteenvallen – terechte keuze van Bell.

Zo kom je van meertaligheid in je eigen achtertuin terecht. Natuurlijk is de volgende stap Austerlitz te herlezen, en ik krijg er enorme zin van, maar mijn voornemen vooral vrouwen te lezen, een voornemen dat tot nu toe mooie resultaten heeft opgeleverd, staat dat nog even in de weg. Voor een regenachtige vakantie.

Bells essay is te lezen bij Five Dials. Austerlitz is uitgegeven door De Bezige Bij. Een fragment eruit is te lezen op Athenaeum.nl.

Jhumpa Lahiri: de redacteur las op aangeven van de vertaalster een boek over het verwerven van een derde taal als literaire schrijftaal, las er stukken van Sulaiman Addonia en Abdelkader Abdolah bij en dacht na over de wonderen en wonden van meertaligheid, luxe en vlucht, en het plezier van een nieuwe taal.

*

Daan Stoffelsen: Jhumpa Lahiri, Met andere woorden

We zijn de redactie van ons nieuwe nummer aan het afronden, ‘’n brasa van talen’, een nummer waarin meertalige schrijvers dat aspect van hun leven en schrijven onderzoeken in literatuur. Het wordt een omarming, mooi en rijk, een nummer dat de Nederlandse taal verbindt met sprekers en schrijvers in het Verre en Nabije Oosten, Amerika, Groot-Brittannië. Dat talenten een podium biedt, vormen onderzoekt om met meerdere tongen te spreken en een nieuwe kant van gevestigde schrijvers uitlicht.

Dat laatste doet Manon Smits, een ambachtsvrouw die jaar in jaar uit genomineerd wordt voor de Europese Literatuurprijs, heel mooi. Vertalers zijn natuurlijk ergens ook meertalig, zij het dat de migratie- en integratieachtergronden nogal eens ontbreken, maar in haar stuk bespreekt ze drie meertalige schrijvers wier romans zij vertaalde. Een van hen: Jhumpa Lahiri, die met haar debuut de Pulitzerprijs won. (Nilanjana Sudeshna Lahiri heet ze eigenlijk, Jhumpa was haar bijnaam; Robin Shimanto Reza schrijft in ons nummer in het voorbijgaan iets over Bengaalse naamtradities.)
Aangemoedigd door Smits las ik Jhumpa Lahiri’s vijfde boek en haar Italiaanse debuut Met andere woorden, een memoir, of een essay, over het verwerven van een derde taal. Lahiri, die met het Bengaals opgroeide, en in het Engels haar literaire debuut maakte, raakte verliefd op het Italiaans, besloot te emigreren en koos voor deze taal als haar literaire taal. Dat het geen gemakkelijke keuze was, maakt ze wel duidelijk, maar het levert ook los daarvan interessante literatuur op, en inzicht in migratiepijn.

Ik heb geen recht van spreken. Ik werkte onlangs voor het eerst in vijftien jaar mijn papieren cv bij, en stelde vast dat mijn Frans, Duits en Italiaans behoorlijk weggezakt waren. Daar kon ik geen e-mailcorrespondentie meer in voeren, laat staan een gesprek over literatuur. Die concentratie op één, hoogstens twee talen, is toch wel een verarming. Maar het is ook een luxe dat ik blijkbaar al enige tijd zonder kan. Geen recht van spreken dus, maar lezen mag altijd.

In ons voorjaarsnummer ‘’n brasa van talen’ komen verschillende meertalige schrijvers aan het woord, en Shimanto Reza heeft een vergelijkbare achtergrond als Lahiri: Bengaals, Nederlands, Engels – en hij woont nu in Rome. Esha Guy Hadjadj brengt Nederlands en Hebreeuws in, maar onderzoekt zijn Arabische accent. Pete Wu een Chinese taal. We hebben Fries, het dialect van het land van Altena, Arabisch. Onze auteurs zijn hoogstens tweede- of derdegeneratie migranten, op Aleksandar Hemon na, die gedwongen door de Joegoslavië-oorlog in de Verenigde Staten bleef.

Lahiri en Valeria Luiselli, van wie we ook een memoir opnamen, hadden de luxe van de keuze. Ik las daarentegen op LitHube een essay van Sulaiman Addonia, die met een Eritrese en Ethiopische achtergrond vluchtte naar Londen, en nu in Brussel woont:

‘The letting go of languages in order to learn a new one wasn’t new to me. It is tied to my life trajectory of leaving one country to start a new life in another, and of parental abandonment. The sort of departures that leaves wounds. A new language meant loss for me, already in my childhood when I was about three.’

Nieuwe talen slaan wonden, schrijft hij: ‘The losses and gains of father and mother tongues planted the idea of language’s wonders and wounds in my young mind.’ Wonderen en wonden, in het Nederlands rijmt het nog beter. (Het Etymologisch woordenboek over ‘wonder’: ‘Herkomst zeer onzeker. Er wordt wel gedacht aan de wortel pie. *uen– “slaan, verwonden” (IEW 1108, zie ook wond) in een betekenis “plotseling optredende gebeurtenis”, maar dat lijkt wat vergezocht’.)

Misschien is het de verworvenheid van de literaire schrijver, dat zij of hij de positieve kant van de migratie en de nieuwe taal kan zien, die maakt dat dit een positief gestemde Revisor wordt. De oorlog en de vlucht blijven weg, behalve bij Aleksandar Hemon, al kan die de wonderen ook zien. Ook Lahiri benadrukt de positieve kant, maar merkt telkens op dat de taalverwerving voor het literaire schrijverschap iets moeizaams heeft. De beeldtaal echo’t wat lotgenoten met minder luxe moesten doen:

‘Wanneer ik in het Italiaans schrijf, voel ik me een indringer, een bedrieger. Het lijkt een valse, onnatuurlijke bezigheid. Ik merk dat ik een grens heb overschreden, dat ik me verloren voel, dat ik op de vlucht ben. Dat ik echt een buitenlander ben.’

Over racisme gaat dit boek ook, even. Maar er is ook een puur talig conflict:

‘Hoezo ben ik op de vlucht? Door wat word ik achternagezeten? Wie zou mij willen tegenhouden?
Het meest voor de hand liggende antwoord zou zijn: de Engelse taal. Maar volgens mij is het niet zozeer het Engels op zich, als wel alles wat dat heeft gesymboliseerd voor mij. Het heeft zowat mijn hele leven gestaan voor een uitputtende strijd, een pijnlijk conflict, een voortdurend gevoel van mislukking waaruit zowat al mijn angsten voortkomen. Het stond voor een cultuur die ik moest veroveren, moest interpreteren. Ik was bang dat het stond voor een breuk tussen mij en mijn ouders. Het Engels is een aspect van mijn vermoeiende, lastige verleden. Ik ben het beu.
Toch was ik dol op de taal.’

Dat is echt wat anders dan Addonia beschrijft, en hoe Kader Abdolah, in zijn uitgebreide essay over dit onderwerp in een nummer van Ons Erfdeel uit 1996 de vlucht verbindt aan zijn schrijverschap:

‘Ik dacht dat mijn vlucht een mislukte operatie was. Een grote vergissing. Ik dacht dat het beter geweest zou zijn als ik mijn land niet verlaten had. Beter dood in mijn vaderland, dan als een werkloze schrijver thuis te moeten zitten, in een vreemd land.
Constant probeerde ik om mijn vlucht een betekenis te geven. De wind omdraaien, maar de wind draaide niet om.’

Het is een interessant essay, waarin ik het beeld van de wind omdraaien kan waarderen, maar Abdolahs neiging om zijn worsteling met parabels en een droom te illustreren, vind ik eerder verduisteren dan verhelderen.

Terug naar Met andere woorden: de oude Lahiri schreef over de wereld van haar ouders, de nieuwe over die van haarzelf. Pijnlijk is dat, eenzaam vooral. Ze vergelijkt zichzelf met Beckett, Nabokov, Conrad, kosmopolitische auteurs in de categorie Luiselli met een langere onderdompeling in hun nieuwe schrijftalen en zegt: ‘Wat ik doe – het wagen te schrijven in het Italiaans terwijl ik amper een jaar in Italië woon – is anders, afwijkend, waardoor ik een nog grotere eenzaamheid ervaar, bijna een andere dimensie van eenzaamheid. Ik vraag me af of er anderen zijn zoals ik.’

Ongetwijfeld. Kijk, ze beschrijft met ruimhartige verwijzing naar Ovidius hoe het leren van een nieuwe taal en vooral erin schrijven, een ware metamorfose is: ‘Zoals ik eerder al aangaf, zie ik het feit dat ik in het Italiaans schrijf ook als een vlucht. Als ik mijn linguïstische metamorfose ontleed, realiseer ik me dat ik probeer ergens van los te komen, mezelf te bevrijden.’ Maar ja, Ovidius’ metamorfosen zijn door de goden bewerkstelligd, een vlucht is gedwongen. Dit is echt een keuze, het voorrecht van de tweede generatie, en meestal beschrijft Lahiri haar proces ook zo. Het is niettemin opvallend dat het blijkbaar voelt als zo ingrijpend en verdrietig: geen wonderen zonder wonden.

Maar los van die psychologische en maatschappelijke kant is Met andere woorden zeer lezenswaardig. Lahiri beschrijft een hergeboorte, een wording, de onzekerheden en de valkuilen van een nieuwe taal. Ik krijg ook weer zin in het Italiaans (goed voor mijn cv) door de zinnetjes en de woorden die Lahiri rondstrooit, en het is heel mooi om te zien – Manon Smits beschrijft dat ook in haar essay – hoe haar taal complexer wordt. De zinnen worden langer, ze neemt meer afstand, gebruikt meer idioom, tot ze in een epiloog komt op een analyse van haar boek als het resultaat van ‘een manier van schrijven die zowel autobiografischer als abstracter is’, heel persoonlijk maar niet altijd zo tastbaar. Minder geworteld in de werkelijkheid. Misschien is dat wat een nieuwe taal doet, maar er ontstaat al gaande dit boek een groter vertrouwen, en misschien is Waar ik nu ben (2018, vertaling 2019) al weer concreter.

Met andere woorden is uitgegeven door Atlas-Contact. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Bregje Hofstede: de redacteur las een razendinteressant boek over slaap met mooie zinnen en radicaal zelfhulpadvies.

*

Daan Stoffelsen: Bregje Hofstede, Slaap vatten. Hoe een slapeloze de nacht terugwon

Na een sterk essay (van Anne Boyer, mijn eerste indruk las je hier al) en een sterke essaybundel (van Helen Macdonald, ik schreef erover voor Athenaeum) laadde ik een handvol wat oudere boeken op mijn apparaat – lezen in de lockdown, ver van mijn boekhandel, is grotendeels papierloos. Ik begon aan het recentste, Bregje Hofstedes nieuwe boek. Ik lees haar werk graag, ze weet introspectie en het fysieke mooi te combineren in sterke romans. Maar wat ze in Slaap vatten doet, moet je denk ik persoonlijke journalistiek noemen: ze is onderzoeker en onderzoeksobject in een zoektocht naar wat slapeloosheid is (psychisch, chemisch), wat het veroorzaakt en wat eraan te doen is.

Razendinteressant, al is Hofstede precies zoals in het eerste deel van De herontdekking van het lichaam minder een literair schrijver dan een journalist. (Een deel stond dan ook al in Vrij Nederland.) Maar het begint sterk met een jeugdherinnering aan de Melkweg, met toegankelijk taalgebruik, veel rijm, een goede afwisseling van complexe en elliptische zinnen.

‘Het kostte me moeite om te geloven wat hij zei: dat de Melkweg er altijd was, maar dat je hem thuis alleen niet zag. Ik vond het gek dat iets zo onbevattelijk groots, dat ook nog licht geeft, toch aan het zicht kon worden onttrokken, door straatlantaarns, koplampen, portiekverlichting. Dat je iets zo fundamenteels onzichtbaar kunt maken met iets zo onbelangrijks.
Ik sliep goed in die tijd. Gedachteloos. Ik sliep zoals ik ademde.’

Wat was er veranderd? Ik type dit na een beroerde nacht, maar Hofstede had alleen maar beroerde nachten. Was het eten, koffie, alcohol, schermgebruik? Was het gevolg van haar kunstenaarsovergevoeligheid, of oorzaak? Wat is de overeenkomst met depressie en angststoornissen? Wat doet context? Ze interviewt deskundigen, die ze kort en effectief karakteriseert (‘een dertiger wier Nederlands doorspekt is met Engelse termen, vanwege de tijd die ze als slaaponderzoeker doorbracht in Harvard. […] En die effecten [van slaapgebrek] zijn echt dreadful.’), ze voedt me met nieuwe kennis (koffie onderdrukt vermoeidheidsreceptoren, voor de industriële revolutie was het heel gebruikelijk dat mensen ‘s nachts wakker werden, wat klusjes deden en dan verder sliepen) en leidt uiteindelijk in een zelfhelpboekstijl naar de factoren die je kunt beïnvloeden.

Na het onderzoek wordt het boek dan ook echt een verhaal: Hofstede koos voor een verhuizing naar een Frans dorpje en hervond haar slaap. Werd zwanger. Slaap vatten eindigt als een idylle. Hofstede biedt alternatieven voor deze ommezwaai, maar dat voelt toch als decafé of alcoholvrij bier of je telefoon in zachte kleuren. Als symptoombestrijding. Ja:

‘Ik bied mijn eigen ervaring niet aan als recept maar als illustratie. Mijn bedoeling is om een denkrichting te openen in een situatie waaruit misschien geen uitweg lijkt te zijn: chronische slapeloosheid. […] Ik kan me voorstellen dat de veelomvattende suggesties in dit boek intimiderend zijn. Zeker als je op dit moment heel moe bent. Je zou zelfs kunnen stellen dat niemand in zijn eentje in staat is om de dingen waarover ik schreef echt te veranderen. Als je de slaapproblemen waar zo veel mensen last van hebben bij de wortel wilt aanpakken, moet je ver voorbij de zelfhulp kijken. Financiële onzekerheid, tijdsdruk, ontworteldheid en eenzaamheid zijn thema’s die zo groot zijn, zo alomtegenwoordig en zo vervlochten met de manier waarop de wereld momenteel werkt, dat je ze alleen écht kunt veranderen met politieke middelen. Uiteindelijk raakt de kwestie van slaap aan de vraag: wat voor wereld willen we? In wat voor wereld zouden we de slaap weer kunnen vatten?’

Het zijn goede vragen, de vragen die áchter de onderzoeksvragen liggen, en die een essayistischer, literairder vervolg zouden kunnen inleiden. De antwoorden die Hofstede vond zijn mooi en overtuigend, maar ontstijgen toch niet altijd de oppervlakte van het zelfhulpboek. Ik hoop dan ook dat zo’n goede schrijfster ook weer een roman schrijft, of een verhalenbundel: wrijving, ongemak, pijn, karaktertekening. Maar als dromen je doel is, dan moet je het dromen niet laten. Wat voor wereld wil je? Slapen kan nog, lezen kan nu, stemmen kan straks.

Das Mag gaf Slaap vatten uit. Lees op Athenaeum.nl een fragment uit het Melkweg-hoofdstuk.

William Faulkner, Roos van Rijswijk: de redactie las eindelijk een intrigerende, knappe, stugge klassieker, en een prijswaardige verhalenbundel van een oude bekende.

*

Thomas Heerma van Voss: William Faulkner, As I Lay Dying

Eindelijk las ik William Faulkners As I Lay Dying, een roman die ik zo vaak op overzichtslijstjes met de beste romans ooit tegenkwam en waarover ik zo veel lof hoorde (onder andere op deze website van ex-collegaredacteur Jan van Mersbergen), dat hij me bij voorbaat lichte angst inboezemde. Er was de afgelopen eeuw zo’n gewicht aan de roman toegekend, kon ik die nog wel helder beoordelen, enigszins vergelijkbaar met hoe andere mensen dit boek jaren of zelfs decennia geleden lazen? Eerlijk gezegd weet ik het nog steeds niet. Ik weet ook nog steeds niet helemaal wat ik van As I Lay Dying vind. Intrigerend, knap, stug, raar, onbegrijpelijk: tijdens het lezen bekropen al deze oordelen me. Ik kreeg zelden echt zin om verder te lezen, maar vervolgens loonde het wel om me weer te verdiepen in alle verschillende personages die aan het woord komen, in Faulkners secuur afgewogen taal die echt knap per perspectief verschilt.

‘I can remember how when I was young I believed death to be a phenomenon of the body; now I know it to be merely a function of the mind – and that of the minds of the ones who suffer the bereavement. The nihilists say it is the end; the fundamentalists, the beginning; when in reality it is no more than a single tenant or family moving out of a tenement or a town.’

Hier is Darl aan het woord, de voornaamste verteller van de roman. Zijn moeder Addie overlijdt – de eerste vijftig pagina’s van de roman is ze nog net in leven – en kort gezegd is de roman het langgerekte verslag van hoe Addie naar haar begraafplaats wordt vervoerd, door haar man en haar vijf kinderen, die allemaal aan het woord komen. Iedereen heeft een passende eigen toon: die van de jongste telg Vardaman zit vol herhalingen en kinderlogica (‘my mother is a fish’), echtgenoot Anse praat in zwaar en soms voor mij onnavolgbaar dialect, en Darl zelf neemt helder en precies het woord, al zitten er door zijn stream of consciousness-monologen en zijn opgetekende dialogen soms flarden die meer bij een alwetende verteller lijken te passen (over het zuidelijke, Amerikaanse landschap, de vlaktes, de dieren, de immense regenstorm die losbarst nadat Addie is overleden). Het is bijzonder knap hoe Faulkner via steeds andere focalisatie de hele familie tot leven roept, alle onderlinge misverstanden en verwijten subtiel opvoert, hoe hij zo één gehavend gezin in al haar meerstemmigheid neerzet – al zorgden die perspectiefwisselingen er ook voor dat ik met niemand echt ging meeleven. En dat ik me meer dan eens een beetje onnozel bleef voelen, of in elk geval zonder werkelijk grip op alle dwarsverbanden en symboliek.

Ik las As I Lay Dying met negen anderen, als onderdeel van een (online) leesclub met enkel collega’s. Het bleek dat meerdere mensen waren overgeschakeld op het Nederlands omdat ze de roman te ingewikkeld vonden. Ik bleef bij het Engels omdat ik alle accenten en dat dialect in het origineel wilde meekrijgen (vaak kreeg ik er pas vat op als ik hardop meelas met de pagina’s). Na twee uur waren we met de leesclub nog geenszins over de roman uitgepraat: over het door Faulkner zo krachtig beschreven contrast tussen stad en platteland, over al het leed dat de personages met zich meedragen, over de vraag of er iets van humor in de roman zit (ik kon het niet ontdekken, maar dat zal ook wel aan mij liggen), over de aard van sommige bruuske wendingen (een gebroken been dat in cement wordt gestort, dieren die verdwijnen, een plotselinge brand). Ook na afloop bleef ik aan Faulkners verhaal denken. Dat doe ik nu nog steeds, en het is lang geleden dat een romanwereld zich zo overtuigend in mijn hoofd wurmde.

In de boekhandel zijn verschillende edities van As I Lay Dying te vinden, de Nederlandse vertaling van Rien Verhoef, Terwijl ik al heenging, is bij Boekwinkeltjes te koop.

Daan Stoffelsen: Roos van Rijswijk, De dwaler

Hoera! Het is de Week van het Korte Verhaal, een week die zoals veel themaweken deze coronacrisis wat stilletjes verloopt. We hebben wel een winnaar van de J.M.A. Biesheuvelprijs: Mensje van Keulen met Ik moet u echt iets zeggen. Een mooie winnaar! Het openingsverhaal, ‘Nu weet je wie Bob is’, is erg geestig, en ‘In het donker’ loopt heel mooi beheerst uit de hand. Van Keulen is een ambachtsvrouw, die het drama beperkt tot één ruimte, een paar mensen, niets groots maar wel heel pijnlijk.

(Ik schreef eerder – is het niet elke week Week van het Korte Verhaal? – over de andere genomineerden, Rob van Essen (Biesheuvelprijs 2015, en ook dit jaar mijn favoriet) en Joost de Vries.)

Maar ik wilde je echt iets zeggen over de eerste verhalenbundel van Roos van Rijswijk, een bundel die net als Annelies Verbekes Treinen en kamers opgaat voor de Biesheuvelprijs 2022 en zeker shortlistwaardig is. De dwaler bevat 21 verhalen, waarvan er drie voor De Revisor geschreven werden of althans bij ons gepubliceerd werden, ‘Een zee’ (2012) is de eerste. Daarna won ze de Anton Wachterprijs met haar romandebuut Onheilig (2016), deed ze mee aan Het Personage met ‘De Dwaler’ (2019) en droeg ze bij aan het Kooimannummer, met ‘Oefeningen in onvoltooidheid’ (ook 2019). Ze schreef overal voor hoor (en was overal: ik heb met haar samengewerkt in 2011 en daarna kwam ik haar telkens weer tegen), er ontbreekt een enkel verhaal en er zit ook nieuw werk in, meer om een indruk te geven van de tijdspanne: negen jaar jong schrijverschap.

Een chronologie zit er niet in, al zijn de laatste twee verhalen duidelijk de nieuwste, door corona gekleurd (Van Rijswijk schreef erover op derevisor.nl), en heb ik het gevoel dat de vrijere, lyrische verhalen recenter zijn. Maar de bundel opent kraakhelder, met George Saunders-achtige verhalen, absurd, science fiction-achtig. Het einde van de wereld is nooit ver weg, we leren de mensheid op zijn slechtst kennen, en de mens op zijn liefst. Op Athenaeum.nl staat een voorpublicatie uit ‘Seven Year Itch’:

‘Er brandt een kaarsje op het bureau van Ed omdat het vandaag precies zeven jaar geleden is dat Ed en Jopie van de weg gereden werden – meer doen ze er niet meer aan. Hoe mooi het ochtendlicht aan het eind van de vroege herfst de kamer van haar man verguldt, de rust haast tastbaar in de kamer vangt; Ans was het vergeten. Zo opgeruimd als nu was het toen hij nog leefde nooit. Zo schoon ook niet, Ed Dorrepaal stond erop zelf zijn ruimte te onderhouden en vergat daarbij regelmatig de ruiten, of een hoek van het tapijt. Zijn kamer ziet er ouderwetser uit dan de hare, terwijl hij zich bezighield met bytes en zij met boeken. De sporen van zijn bewegingen zijn allang uitgewist door die van Jopie en haarzelf, ze haalt eens per week een lap door het kantoor. De uSoul, die op het bureau staat, moet ze met een speciaal doekje doen. Dat doet ze niet, en daardoor is het apparaat dofzwart geworden.
Haar man zit in dat dofzwarte ei.’

Heel helder proza over een wereld die aan die van Ewoud Kiefts De onvolmaakten doet denken, op een akelige manier is alles online verbonden. Met personages die Ans, Ed en Jopie heten, slachtoffers van een lullig ongeluk – Ed is omgekomen, Jopie heeft kunstbenen, Ans gebruikt het speciale doekje niet. Ik zei echt: Ed is omgekomen. Maar ik moet zeggen: hij leeft voort in zijn uSoul, een eigen, revolutionair ontwerp, en nu is hij dus weg. Een grootse geschiedenis van liefde, techniek en het verlangen te vluchten – in een kort verhaal.

Want lang zijn ze niet, deze korte verhalen, ze passen met zijn allen in zo’n tweehonderd pagina’s, maar zes zitten boven de tien pagina’s. Tussen mijn favorieten van de afgelopen tijd – Verbeke, Van Essen, Sarah Hall – komt dat dan wat ielig over, maar de kwaliteit is hoog. Ik ben minder fan van haar sociaal-realistischer verhalen, maar Van Rijswijks magisch-realisme is geweldig. Het lyrische titelverhaal kan de bundel dragen, het is een associatieve droomtocht door een ziekenhuis vol geesten (daar heeft Van Rijswijk iets mee) en vogels, en net als twee jaar geleden toen ze het voorlas in Grand Hotel Amrâth begrijp ik het niet helemaal maar ga ik er helemaal in op. Zo begint het:

‘Je zoekt tussen alle kleuren van een sleetse regenboog de blauwe lijn op de vloer, zoals de receptionist je zonder op te kijken van zijn scherm opdraagt. Onder zijn overhemd ritselen zijn veren. Hij wordt moe van je, dat zie je zo, en vind je ’t gek: die man ziet de hele dag mensen die denken dat niemand het ooit zo zwaar had als zij. Mensen met hun ruggen te recht, vol krachtige lijdzaamheid, mensen die niet vragen waar de afdeling waar ze naartoe moeten ligt maar die zeggen: het hart van mijn dochter, het bloed van mijn man, de longen van mijn broer. Jij noemde alleen het kamernummer en moest het luider herhalen, tot tweemaal toe, het leek of je de naam van je vader door de hal brulde.’

Die tweede persoon, dat ‘sleetse’ en ‘hun ruggen te recht’, ‘mensen die niet vragen maar zeggen’, en ja, de ritselende veren, het is meteen al heel erg sterk. Mocht je komende week tijd hebben voor het korte verhaal, lees dan deze rijke bundel, en zeg me na: kanshebber voor de J.M.A. Biesheuvelprijs 2022.

Querido gaf De dwaler uit.

Anne Boyer: de redacteur begon aan een talig, onomfloerst persoonlijk en hard essayboek over kanker – dat het intieme overstijgt.

*

Daan Stoffelsen: Anne Boyer, Het ontsterven

Het thema is omgeslagen naar kanker. Ik ben begonnen aan Anne Boyers essayboek Het ontsterven (The Undying, vertaald door Henny Corver), dat gisteren verscheen; ik lees een eerste proef met passende traagheid op mijn e-reader. De Amerikaanse dichteres (geen familie van Marian Boyer (1954-2013), wier post-operatieve roman Fantastisch lichaam ik destijds heel indringend vond) kreeg er een Pulitzer voor, en ik begrijp dat wel. In korte hoofdstukken, met kernachtige alinea’s, beschrijft ze onomfloerst de val van de patiënt, de pijn en het ongemak. Ze haalt er klassieke en moderne literatuur bij, en toont een betrokkenheid die het persoonlijke overstijgt.

In haar voorwoord is ze al snoeihard en trekt ze het maatschappelijker dan alleen het lichamelijke en persoonlijke, om te besluiten met een talige invalshoek:

‘Iedereen die borstweefsel heeft kan borstkanker krijgen, maar het zijn vooral vrouwen die er de desastreuze gevolgen van ondervinden. Bij vrouwen met borstkanker kunnen die desastreuze gevolgen de vorm hebben van voortijdige dood, een smartelijk sterfproces, ziekmakende behandelingen, ziekmakende nawerkingen van behandelingen, verlies van partners, inkomen en vermogen. Maar die rampspoed is vaak ook het gevolg van het maatschappelijke moeras waarin je bij kanker belandt — klassenpolitiek, achterstelling van vrouwen, ongelijke overlevingskansen op grond van ras, het roterende schema van warrige instructies en brute mystificaties.

Zijn weinig ziektes zo rampzalig voor vrouwen als borstkanker, nog veel minder ziektes veroorzaken zoveel pijn en leed. Die pijn en dat leed worden niet alleen veroorzaakt door de ziekte zelf, maar ook door wat erover wordt geschreven, of niet geschreven, of door de vraag of erover moet worden geschreven, of op welke manier. Borstkanker is een ziekte die zich presenteert als een ontregelende vormkwestie.’

Ik voel toch even aan mijn eigen borstweefsel. Kanker is al langer een belangrijk onderwerp voor mij, het lift al een kleine dertig jaar mee, sinds mijn moeder het voor de eerste keer kreeg, en nog lang nadat ze eraan overleed. Het is persoonlijk – voor mij, voor vele andere direct of zijdelings getroffenen, en dus ook voor Boyer. Maar Boyer maakt er meer van, op het moment dat het een ‘ontregelende vormkwestie’ wordt, is het een literair thema. En dan is dit wat schrijvers moeten doen: niet beschrijven, maar inschrijven, ómschrijven. Dus het medisch-analytische in de zorg duiden, de opgelegde positiviteit veroordelen, de terminologie kraken. Ja:

‘We worden ziek, “vallen” ziek, en onze ziekte valt onder de harde hand van de wetenschap, valt op glaasjes onder zelfverzekerde microscopen, valt in verbloemende leugens, valt in medelijden en public relations, valt in nieuwe pagina’s geopend op je browser en nieuwe boeken op de plank. Dan is er dit lichaam (mijn lichaam) dat slecht overweg kan met onzekerheid, een leven dat onder de uitheemse terminologie van de oncologie openbreekt en dan in de kloof van die taal valt.’

Hier heeft Henny Corver vast zitten zwoegen. ‘Fall ill’ zal er gestaan hebben, maar ‘vallen’ is zo essentieel, ook verderop, dat dit oneigenlijke gebruik gerechtvaardigd is, poëtisch zelfs, en niet zoals de ‘uitheemse terminologie van de oncologie’. Ik las vorige week Lieke Marsmans Wereldkankerdag-gedicht, dat met opgewekte verhoudingen van een op drie begint, en in vrije val eindigt:

‘En een op de drie krijgt kanker. Ziet de arts de gang op komen, weet eigenlijk de uitslag al. Die blik: de proclamatie van een ramp. — Ziet het gewone leven op een sloepje stappen, is de galeislaaf bij zijn eigen zinken.’

Zo werkt literatuur: het heel prozaïsche van de aanzegging, en dan het beeld van zelfvernietigende onderwerping. Daar schrijft Boyer ook over. Ze las natuurlijk Susan Sontag, maar ook Aelius Aristides, die naar de tempel van Asclepius ging om mogelijke therapieën in zijn dromen te ontvangen, en ze leest alle chemotherapiebijsluiters, zodat ze, als de echtgenoot in de Noorse film Hope (2019, bekeken via Picl) PubMed als haar ‘nieuwe beste vriend’ lijkt te beschouwen. Ze scheidt de dodelijke ziekte van de vernietigende behandeling; voor haar eerste behandeling draagt de verpleegster een beschermend pak, het toegediende middel komt samen met mosterdgas in de bloedbaan. We bestrijden dood met dood.

Ze ziet ook de bureaucratie, en draait het om:

‘Ik ben ziek en vrouw. Ik noteer zelf mijn naam. Bij elke afspraak krijg ik een uitdraai uit de centrale database die ik moet aanvullen of fiatteren. Zonder ons zouden de databases leeg zijn.’

En maakt eindeloos vergelijkingen die de ziekte de gezonde wereld in trekken.

‘In de week voor de chemo is het alsof je je voorbereidt op een winterstorm, of een winterstorm en een logé, of een winterstorm, een logé en een bevalling; of het is misschien ook alsof je je voorbereidt op al deze drie plus een vakantie, griep en een korte maar hevige depressie, terwijl je nog nahikt van de vorige storm, logé, bevalling, vakantie, griep en depressie.’

Nóg een winterstorm! Een indrukwekkend boek over ziekte en vrouwen en pijn en woede en bedden en de afwas – en dan moet ik nog 55% lezen.

En ik zag dus Hope, waarin regisseuse Maria Sødahl haar eigen ziekteverhaal gefictionaliseerd heeft: een fatale hersentumor, net voor kerst. Een vreselijk vonnis, zeker als je hebt kennisgemaakt met haar lieve samengestelde gezin, dat ook de niet-perfecte balans tussen haar en haar oudere echtgenoot ondermijnt. Bizarre stemmingswisselen, pijnlijke eerlijkheid en ontroerende momenten wisselen elkaar af. Bijzonder overtuigend, goed gedoseerd en gespeeld, met bijna-identieke ziekenhuiskamers en autoritten met wezenlijke gesprekken, en van die vragen die je jezelf gaat stellen: hoe zou ik reageren, hoe zou ik helpen, voelen, aanraken?

Kunst belicht het onzichtbare, en dat doet zo’n film veel directer dan een boek. Maar het thema dringt zich weer bij me naar de voorgrond en met Boyers boek ontpopt het zich als een nieuwe lens op het lichaam en de wereld.

Het ontsterven verschijnt bij AtlasContact.

Renée van Marissing: de redacteur las een bedaagde, geslaagde roman met een lichte toon bij zware thema’s.

*

Daan Stoffelsen: Renée van Marissing, Onze kinderen

De titel van de vierde roman van Renée van Marissing, redactielid van Terras, blijft een boek lang vragen oproepen. Onze kinderen is het verhaal van twee volwassen dochters, Mia en Iris, en hun vader. En van Mia en Sally, want Sally krijgt een kind.

Komt bij dat Mia en haar vriendin Sally een kind verwachten. Het verhaal begint lief.

‘De buik van mijn vader is zachter dan die van Sally,
maar in omvang zijn ze elkaars gelijke. Als ik mijn vader
omhels, voel ik zijn buik. Het is een prettig gevoel,
hij heeft hem al zolang ik me kan herinneren. Toen ik
een jaar of vijf, zes was, zaten mijn hoofd en zijn buik op
dezelfde hoogte. Als ik dan mijn armen om hem heen
sloeg, lukte het niet mijn handen elkaar te laten raken
en als ik mijn oor tegen zijn overhemd drukte, kon ik
soms de geluiden binnen in hem horen.
Sinds een jaar of twintig scheelt het nog maar een
paar centimeter in lengte tussen hem en mij.
Als je een ei op je hoofd zet, zijn we even lang, zegt
hij.
Ze zitten naast elkaar op de bank, mijn vader en Sally.
Twee blote buiken, ze hebben hun kleren omhooggetrokken.
Ze lachen, naar elkaar, naar mij, naar de telefoon
waarmee ik een foto maak.’

Dít is een warme herinnering, toch? Van Marissing schrijft ongecompliceerd, maar haar vakmanschap openbaart zich in de opbouw van de roman. Want na dit eerste hoofdstuk, waarin Mia uit eten gaat met haar vader die slecht blijkt te kunnen slikken, zijn we opeens op een begrafenis. Zijn begrafenis. ‘Iris heeft haar toespraak in lettergrootte 16 geprint en na elke zin een enter ingevoegd, zodat ze de draad niet kwijtraakt tijdens het spreken. Ze praat tegen onze vader, af en toe knikt ze met haar hoofd zijn kant op, maar het lukt haar niet naar de kist te kijken.’

Mia’s onbevangen blik toont ons de uitvaart, de eerste reacties: ‘Mooi gesproken, net, zegt een vrouw. Ze is Fries, hoor
ik. Een heel andere kant van Nico. Dank u wel, zegt Iris. Is dat zo, een andere kant? vraag ik. Ja toch, zegt de vrouw.’ Het is het begin van een kanteling, die Van Marissing onder de oppervlakte laat gebeuren. Dat warme gevoel van die eerste paragraaf blijft wel, door Mia’s geestige, laconieke observaties, maar pas laat realiseer je je waarom het leegruimen van het vaderlijke huis zo’n gedoe is, waardoor Mia zo weinig betrokken lijkt bij de zwangerschap van haar vriendin.

‘Ik durf het bijna niet te zeggen, maar van alle herinneringen aan papa die de laatste tijd komen bovendrijven is er niet één gezellig, zegt Iris.’

Onze kinderen is meer dan een warm, bedaagd boek, het is een genuanceerde geschiedenis van een gebroken gezin, van emotionele afstand en alcoholisme. Gedurende het boek herinnert Mia zich meer, van kinderdagen in de kroeg, nieuwe gezinnen waarin Mia en Iris niet pasten, verwaarlozing, een auto-ongeluk. Nee, de kinderen is niets écht aangedaan, maar dat maakt deze vadergeschiedenis niet minder pijnlijk.

(Dat auto-ongeluk was in een eerdere versie al op onze site te lezen in ‘Zomeravond’. Zo vond ik bij het uitruimen van onze bibliotheek (de raamloze ruimte waar vier boekenkasten met dubbele rij en onze desktop staan) een Paris Review met Rachel Cusk en Jenny Offill erin, ongelezen, en realiseerde ik me hoeveel eerder ik van Cusks werk had kunnen houden. Mensen, léés die literaire tijdschriften, de literatuur van morgen staat erin. Word bijvoorbeeld abonnee van De Revisor.)

Van Marissings kracht ligt in de combinatie van haar lichte toon en de zware thema’s, en onwillekeurig denk je: dit boek is de begrafenisrede van Mia, een gemengd verhaal, lief, verdrietig, woedend. Ik kan me de woedende toespraak uitstekend voorstellen, maar het mooie is dat ook aan het slot van het boek, als je die heel andere kant hebt gezien, toch de warmte van het begin navoelt.

Querido gaf Onze kinderen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Annelies Verbeke: de redacteur las de nieuwe, mooie, knappe verhalenbundel van de Biesheuvelprijswinnaar, die vermaakt en intrigeert en prikkelt om de klassieken te gaan lezen.

*

Daan Stoffelsen: Annelies Verbeke, Treinen en kamers

In de week van verschijnen kreeg Annelies Verbeke meteen twee mooie, grote stukken – een in NRC Handelsblad en een in Trouw. Ik, net begonnen in haar nieuwste verhalenbundel, bladerde snel door. Mijn mening vormde zich nog. Maar terwijl Thomas de Veen en Gerwin van der Werf heel andere elementen uitlichten en loven of bekritiseren, hun enthousiasme deel ik: wat een mooie, knappe bundel is dit.

De grote gemene deler tussen de verhalen is dat Verbeke – ze won met haar vorige bundel de J.M.A. Biesheuvelprijs – zich liet inspireren door de wereldliteratuur, van een Mesopotamische priesteres van vier millennia geleden tot Gullivers reizen en Moby Dick, maar tegelijk de actualiteit verslaat met HSP’s, incels en scholieren met thuisonderwijs. Plus: Verbekes ambachtelijkheid die elke vorm aankan, en de afwisseling van vertelplezier en maatschappelijke betrokkenheid.

In haar openingsverhaal, ‘Deserteren’ (een verkorte versie van de gelijknamige novelle), staat een van mijn favoriete Verbeke-personages centraal: de auteur. Dit ietwat depressieve alter ego van Verbeke heeft wel eens in De Revisor gefigureerd, maar ook in Hallelujah, en hier treffen we haar aan in een zelfgegraven graf in het park. Twee deelpersoonlijkheden van haar trekken haar eruit en betrekken haar in een groepsessie met Elaine N. Aron (die van Hoog Sensitieve Personen. Hoe blijf je overeind als de wereld je overweldigt), Goethe, Mann, Werther, Lotte en Charlotte, met absurdistische trekjes.

‘“Misschien kunnen we dat overslaan,” oppert de auteur, geërgerd over de vanzelfsprekendheid waarmee Elaine onmiddellijk de rol van gespreksleider naar zich toe trekt. “Maar van u, waarde heer Von Goethe, excellentie, wil ik wel graag weten welke Goethe u bent, de echte of die van Mann?”
“O,” zegt Goethe, met een stem die even zacht en hoog is als die van Werther, krabbend aan zijn enorme voorhoofd, kijkend naar de wiebelende neuzen van zijn schoenen, en dan van Mann naar de auteur. “Daar komt u me met een vraag… Eerlijk gezegd ben ik daar zelf ietwat over in de war.”’

Dit vind ik grappig, en goed gedaan. Want hoe metaliterair wil je het hebben? Het personage, dat we wel mogen identificeren met de schrijver zelf, vraagt een ander personage of die zelf de schrijver Goethe is of het personage van een andere schrijver. Goethes verwarring is uiterst verklaarbaar. Ook mooi: het contrast tussen de eerste alinea van dit citaat, waarin de auteur nogal hoogdravend is, en de tweede, waarin ‘waarde heer Von Goethe, excellentie’ nogal suf overkomt. En dat beletselteken, die puntjes… die vertaalt Verbeke ook in woorden, die stem, dat krabben, dat kijken, ze vertraagt heel effectief.

Dat metaliteraire is ontegenzeggelijk ook een nadeel: verhaal na verhaal heb ik het idee dat ik allusies mis. Een studie Klassieke Talen (die slechts van pas komt bij het verhaal in verzen ‘Verloren zang’, dat Odysseus in Moria plaatst) en mijn focus op moderne Nederlandse en vertaalde literatuur nadien helpt me niet echt. En bij een enkel verhaal voelt de wereldliteraire inzet wat gezocht. Maar de motto’s bij de verhalen sturen wel je denkrichting.

En bovenal zijn het sterke verhalen op zich, die variëren in vorm van een praatje van een conducteur tot dat homerische verhaal, met naast ik- en hij-perspectief ook veel tweede persoonsverhalen. Het incelverhaal heeft iets dystopisch, er zitten kluchtige scènes tussen en een nachtmerrie. Geslaagde verhalen, met een aantal paarden en fatale schoten als motieven er licht doorheen geweven, maar vooral grote variatie in toonzetting en thematiek.

Verbeke heeft – de klassieken blijven relevant – tijdloze thema’s te pakken: identiteit, (gefnuikte) liefde, jaloezie, strijd en frustratie. En de coronamaatregelen worden heel natuurlijk ingebed in de verhalen. In ‘Orewoet’, het korte, lyrische Hadewijch-verhaal waarin een liefde op afstand beperkt wordt, schrijft Verbeke:

‘Wij waren dit verloren en vergeten, de eenwording, het verlangen ernaar, de orewoet. Nu de grenzen sluiten en de treinen tot stilstand komen, voelen wij onze handen. Nu gruwt ons slechts het verlies.’

En in ‘Wétiko’, een verhaal dat volgt op het nachtmerrieverhaal ‘Vleermuis’, ontdekt een scholier tijdens het thuisonderwijs de Spaanse, zestiende-eeuwse schrijver Bartolomé de las Casas, die de genocide op de oorspronkelijke bewoners van Amerika beschreef. ‘Je hebt een droom gehad. Een opeenstapeling van verschrikkingen, dat weet je nog, maar de concrete beelden ben je kwijt. Wel is er dat woord: Wétiko,’ opent Verbeke, en na enig googelen naar de oorsprong van dat woord: ‘Al voor het ontbijt ben je wijzer en stiller geworden en heb je het gevoel dat er ter hoogte van je maag een gat is ontstaan.’

‘Het is geen honger. Verder dan een banaan en een kop thee kom je niet. Je ontwijkt de bezorgde blik van je moeder. Soms verdenk je haar ervan dat ze hoopt op anorexia, zodat haar obsessie omtrent je eetgewoonten meer bestaansrecht verkrijgt. Maar zulke dingen zou je niet over haar moeten denken, ze houdt van je.’

Verstandig en tragisch, zulke gedachten, in een verhaal dat puberfrustraties in lockdown verbindt met trieste wereldgeschiedenis – en een levensles van Churchill. Treinen en kamers vermaakt en intrigeert, verveelt niet, en prikkelt tot het (her)lezen van de klassieken. Perfect voor literatuurwetenschappers, of professionele lezers met honger naar meer dan een boterham met kaas en een kop thee.

Treinen en kamers is uitgegeven door De Geus. Op Athenaeum.nl staat een fragment uit ‘Wétiko’.

Maggie Nelson: de redacteur las een oorspronkelijk essay in 240 delen over een kleur, over pijn en rouw, dat ook vragen over genre oproept.

*

Daan Stoffelsen: Maggie Nelson, Bluets

In de vierde aflevering van deze rubriek, ruim vier jaar geleden, schreef ik over Maggie Nelsons The Argonauts (2015), een boek over queerness en over transformatie door genderoperatie en zwangerschap. ‘Ik weet niet of ik het half begrijp,’ schreef ik, maar ook: ‘Dat zijn interessante en belangrijke vragen. Ze stelt ze continu: wat is identiteit, hoe ben je jezelf, met wie, lichamelijk en geestelijk?’ Het heeft even geduurd, maar mede door de vertaaloefening van Nicolette Hoekmeijer en Mia Martin in Terras, heb ik Nelsons boek uit 2009 besteld bij de boekhandel, Bluets. Ik heb het mezelf moeilijk gemaakt door de Nederlandse vertaling (mei 2021 bij Atlas Contact, reserveer hem vast bij je boekhandel) niet af te wachten, en in het Engels te lezen. Maar ook voor dit boek geldt: razendinteressant. Droevig ook, en geestig. Zo begint Nelson:

‘1. Suppose I were to begin by saying that I had fallen in love with a color. Suppors I were to speak this as though it were a confession; suppose I shredded my napkin as we spoke. It began slowly. An appreciation, an affinity. Then, one day, it became more serious. Then (looking into an empty teacup, its bottom stained with thin brown excrement coiled into the shape of a sea horse) it became somehow personal.

2. And so I fell in love with a color—in this case, the color blue—as if falling under a spell, a spell I fought to stay under and get out from under, in turns.’

De gedachte heeft iets geestigs: verliefd op een kleur, onder de betovering van blauw. Iets origineels, zoals Heather Christle deed met huilen en tranen, en net als bij die essayiste wordt Nelson nu eens intiem persoonlijk en dan weer bijna academisch afstandelijk. In 240 kleine essays van enkele alinea’s tot een enkele zin, genoemd naar de korenbloem (maar dan in het Frans, Nelson komt pas laat erachter dat die prachtige blauwe bloem een doodnormale Engelse naam heeft), onderzoekt ze de kleur blauw, perceptie, pijn, het fysieke en emotionele en intens liefdesverdriet. Rouw. Goethe komt langs en Wittgenstein (denk hier een zwetende emoji) en Gertrude Stein en Marguerite Duras en Leonard Cohen en Joni Mitchell. Een psycholoog die beweert dat ‘some crying is simply “maladaptive, dysfunctional, or immature.”‘ Waarop Nelson schrijft:

‘94. —Well then, it is as you please. This the dysfunction talking. This is the disease talking. This is how much I miss you talking. This is the deepest blue, talking, talking, always talking to you.’

Zo gaat ze van droge wetenschappelijke nonsens naar de persoonlijke pijn achter het boek in snoeiend korte, licht variërende zinnen, ‘talking, talking, always talking to you’. Wikipedia noemt dit een ‘poetry collection’, maar Nelson is primair een essayist. Talig is Bluets heel sterk en verzorgd (voorzover ik dat kan beoordelen bij het Engels) maar poëzie is het niet; ik lees lopende prozazinnen. Het boek heeft wel iets ongrijpbaars, met mooie inzichten en pijnlijke observaties. Zo schrijft ze naar aanleiding van Leonard Cohens ‘Famous Blue Raincoat’, dat hij besluit met ‘Sincerely, L. Cohen’, dat het haar minder alleen doet voelen…

‘… in composing almost everything I write as a latter. I would even go so far as to say that I do not know how to compose otherwise, which makes writing in a prism of solitude, as I am here, a somewhat novel and painful experiment.’

Dus zijn de Bluets brieven? Zo lijkt het dus niet alleen om kleur en pijn en gemis te gaan, maar ook om taal en genre. Alleen al die laatste kwestie maakt dit een bundel om te herlezen, en straks in vertaling.

Bluets verscheen bij Jonathan Cape in het Verenigd Koninkrijk (ik kocht het bij Athenaeum) en verschijnt in mei bij Atlas Contact.

Sheila Sitalsing: de redacteur las een persoonlijke, profetische, pijnlijk en stilistisch sterke columnbundel die een jaar omvat dat nog niet afgelopen lijkt te zijn.

*

Daan Stoffelsen: Sheila Sitalsing, Dagboek van een krankzinnig jaar

Ik ben fan van Sheila Sitalsing. Niet genoeg om er weer de Volkskrant voor in huis te halen, die ik om de woordspelige koppen en flinterdunne cultuurpagina’s voor een saaiere krant heb ingeruild, maar ze schrijft haar wisselcolumn zo scherp, geestig en empathisch dat ik me toch steeds laat verleiden op een twitterlink te klikken. Of naar Topics.nl te surfen, waar ik via mijn abonnement op misschien wel de degelijkste krant van Nederland ook Volkskrantstukken mag lezen, maar daar ontbreken dan weer de columns vanaf 18 september tot de jaarwisseling.

Maar nu is er Dagboek van een krankzinnig jaar, een boek dat bewijst dat bundelen meer kan zijn dan het opbakken van oude prakjes (de grote uitzondering was natuurlijk al Marja Pruis). Deze verzameling geeft daadwerkelijk een representatief beeld van 2020, een jaar dat nog niet afgelopen lijkt te zijn. Corona, de toeslagenaffaire, Rutte, De Jonge beheersen de kranten nog steeds. Op Athenaeum.nl publiceerde ik voor uit een column van 29 januari, die zo begint:

‘Het allerliefste wat ik heb kwam thuis met een snotneus. De woorden “zie je wel”, en “meter afstand houden”, en “inkwartieren”, en “moeten we de buren niet waarschuwen” vielen.’

De kracht van Sitalsing zit hem in de stijl: superlatief lief maar onzijdig, dat botst en valt op, en dan zoiets doodnormaals als een snotneus. Althans, dat was tóén doodnormaal, en dat is ook Sitalsing: ze is scherp op het profetische af. Pas een kleine maand later werd de eerste besmetting in Nederland geciteerd, de anderhalve meter en de quarantaine volgden daarna pas. De column gaat dan ook vooral over Wuhan in lockdown. Precies zo vooruitziend merkt Sitalsing begin november op over Hugo de Jonge: ‘Misschien heeft hij meteen daarop gedacht aan het geëlleboog dat nu volgen gaat, en aan het “Waarom wíj niet?!” dat onvermijdelijk zal klinken wanneer het ministerie straks (later? over een halfjaar? over een jaar? nooit, omdat we na langdurig gebruik hoorntjes blijken te krijgen van het Pfizer-vaccin?) schaarse vaccins moet gaan verdelen.’ En ik heb het me een heel jaar niet gerealiseerd, maar Sitalsing meer dan tienmaal: ‘Nog even doorbijten, en er zijn verkiezingen.’

Sitalsing is niet alleen persoonlijk (ze schrijft niet zelden over mensen ‘in mijn directe omgeving’ en wat ‘het elfjarig kind naast me op de bank’ vindt, haar observatievermogen is blijkbaar erfelijk) en profetisch, maar ook pijnlijk precies als het om hooggeplaatsten gaat. Mark Rutte krijgt wel enige sympathie als coronapremier, maar niemand weet het teflon en de marketingglans beter te duiden dan Sitalsing. De koning krijgt maar liefst drie venijnige brieven van Sitalsing, geopend met ‘Lieve koning’ en doorspekt met presocratische relativering:

‘Het gaat hard, zou je denken, maar dat is schijn. Want alles stroomt, maar tegelijk verandert er weinig. Inzicht geven in uw precieze uitgaven gaat de premier zo laat en summier mogelijk doen, en wie in de regering komt vergeet de stoere voornemens over de koning doorgaans op de drempel van de Trêveszaal.’

Sitalsing volgt de verkiezingen in Suriname en wekt mijn geloof in de democratie weer op (kippenvel!), ziet vluchtelingen en #blacklivesmatter-demonstranten (‘Toen in de grote vergaderzaal van de Tweede Kamer het begrip ‘Zwarte Piet” viel, en toen dat tot wijdverspreide berichtgeving leidde (Rutte: “Ik begrijp de pijn”), wist je: we zijn weer thuis.’), schrijft over de juridische rommel rond coronaboetes (en besluit: ‘Arme boa’s.’) en kan het niet laten over de cda te schrijven (‘En zo ging deze column toch gewoon weer over het cda.’).

Ze is rechtvaardig en geestig, en telkens weer scherp. Toch maar weer die krant? In ieder geval reserveer ik vast Dagboek van een krankzinnig jaar II: 2021. Verschijningsdatum 11 januari 2022?

De Bezige Bij gaf Dagboek van een krankzinnig jaar uit. Op Athenaeum.nl staat dus een fragment – maar het boek is bij elke boekhandel te bestellen.