Hannah van Binsbergen, Arie Storm, Klaas Knooihuizen: de redactie las een romandebuut dat lekker verteld en grappig is en mooi tempo heeft, en twee proefopstellingen in romanvorm, een vol filosofische dialogen en beschouwingen en een soepele, mijmerende.

*

Jan van Mersbergen: Klaas Knooihuizen, Geel is de kleur van de zomer

Al in de winter, nog voor de corona-ellende, kreeg ik het manscript van de nieuwe Klaas Knooihuizen opgestuurd. Het was een stapel printjes, op A4, met erg brede regels. Misschien dat ik daarom zo lang gewacht heb om het te lezen. Regels waar geen eind aan lijkt te komen nodigen niet uit tot lezen. Misschien liet ik het liggen omdat ik het werkelijke geel van de zomer wilde zien tijdens het lezen, in navolging van de titel: Geen is de kleur van de zomer.
Smoesjes, want uitnodigen tot lezen doet Klaas Knooihuizen altijd.
In december 2017 schreef ik al een keer over zijn bundel Toen wij naar Oostenrijk gingen, liepen er paarden en koeien op de weg. Toen viel het me op dat Knooihuizen over alles kan schrijven, muziek, een gebouw, een dier in de keuken, het maakt niet uit. Mijn conclusie: De vertelling is altijd groter dan het verhaal.

En deze week verscheen dus zijn roman, bij Thomas Rap. Een roman waarvan je bij het omslag al weet: deze vertelling is ook groter dan het verhaal. We lezen over een jongen die in Rotterdam zit opgescheept met een hondje. Het is een beetje een onbeholpen jongen die cool doet en tegelijk dingen verkeerd doet, want anderen lachen om hem, zeker als hij met het kleine hondje buiten is.
Toch vangt de verteller andere personages even makkelijk, zoals een vrouw: ‘De vrouw is ongezond dun en toch heeft ze een onderkin. Wat moet ze veel verdriet hebben.’
Dat zinnetje duwde me door het hele boek heen, want ik was direct weer bij de manier van vertellen die Knooihuizen zo goed beheerst: laconiek, helder, grappig en speels. In de volgende alinea kruizen twee schepen elkaar die allebei hetzelfde vervoeren. Dat is zinloos, want de een brengt zwart grind stroomopwaarts en de ander stroomafwaarts, en Knooihuizen ziet dat en laat op zijn beurt zien dat schrijven vaak niet veel meer is dan goed kijken.

Eigenaardige jongen toch, die hoofdpersoon en verteller. Hij gaat naar een sollicitatie in een trainingsbroek en kan zich niet voorstellen dat er genoeg auto’s zijn om alle files die op de radio bij de verkeersinformatie genoemd worden te kunnen maken. Liefde gaat hem niet aan – denkt-ie.
Hem wordt gevraagd op een hondje te passen, maar ‘toen ik Elmar vertelde dat ik best op die hond van hem wilde passen. Had ik er niet bij nagedacht dat ik in vreemde huizen ’s nachts bang ben.’

Toch begrijpt hij ook veel. Zo is studeren alleen een excuus om je uit verstikkend dorp te bevrijden, meer niet. Een pand dat opgetrokken is uit bakstenen die ooit wit moeten zijn geweest sluit niet aan bij de gemoedelijke sfeer die het bedrijf dat daarin gehuisvest is op probeert te roepen. Meisjes, hij weet wel hoe meisjes zijn.
Als hij hoort dat er in een pretpark in Chili een dak van een spookhuis is gewaaid en een Amerikaan een condoom in een zak sla heeft gevonden zegt hij: ‘Van alles wat er op de wereld gebeurde was er maar weinig wat er werkelijk toe deed.’
Als zijn huisgenoot aan een boot timmert: ‘Ieder ander mens zou er gek van worden, maar ik vond het wel rustgevend.’
Als hij de dokter haar handen ziet wassen: ‘Ze waste haar handen langdurig met desinfecterende zeep, alsof ik een of andere smerige zwerver was.’
Bij een rol vuilniszakken: ‘Het was de twaalfde zak van een rol van twintig. De negende als je van binnen naar buiten telt, maar wie doet dat nou?’
Hij weet dat de vlag van Letland een smallere witte baan tussen twee donkerrode banen heeft en de vlag van Estland heeft een zwarte baan. Die vlaggen staan me helder voor ogen. Ik zag ooit een onweerslucht: de grond was wit, de donkerwolk zwart en daarboven hing het blauw. Het was de vlag van Estland.

Dit soort typeringen kan een nogal lijzig relativerend personage opleveren, een sukkelaar die veelvuldig te zien zijn in de Nederlandse letteren, vooral in debuten en boeken van oudere schrijvers die zich vastbijten in het idee dat hun personages nu eenmaal onbeholpen moeten zijn, nietsnutten, zoals deze schrijvers vaak aangeven: ‘Ik schrijf omdat ik niks anders kan dan schrijven.’
Knooihuizen kan een heleboel dingen, én hij schrijft erg goed. En zijn personage is gelaagder.

Ergens noemt hij een Spaanse schrijver die in een roman een hoofdpersoon na een wilde nacht laat ontwaken naast het levenloze lichaam van de vrouw met wie hij die avond seks heeft gehad. Javier Marías moet dat zijn. Of zijn er naast Denk morgen op het slagveld aan mij meer Spaanse romans die zo beginnen?

Rode draad is, naast het hondje dat voor drama zorgt en op een gegeven vervangen moet worden door een nieuw hondje, Chantal, een meisje dat hij bij zijn werk heeft leren kennen. Ze heeft dreadlocks. Een crusty dus, zouden ze in mijn stamcafé zeggen. De jongen valt voor haar.
‘Chantal leek me het type dat standaard tien minuten te laat op elke afspraak verscheen, maar ze zat al aan het bier toen ik precies om half negen het café binnenstapte.’
Heerlijk zinnetje, net als de andere zinnen die ik hierboven aanhaalde: lekker verteld, grappig en mooi tempo.
Als hij met Chantal naar bed gaat lezen we een echte goeie seksscène. Niet een schrijver die de lezers wil laten zien hoe seks werkt, wat seks allemaal kan doen, welke maatschappelijke factoren spelen: geen romantisch gedweep of gespeelde hardheid, geen machtsspelletjes. Hij gaat met het meisje naar bed. Dat is het. De knieën van de jongen begonnen pijn te doen en hij rook nog de frikandel die ze gegeten had. Knooihuizen durft te benoemen wat er fysiek gebeurt, en dat is als het om seks gaat niet alleen gehijg, gepoch, geveinsde toestanden, en zeker geen metaforen. Een verademing.

Ik las Geel is de kleur van de zomer met veel plezier. Het is precies het boek wat ik van Knooihuizen verwachtte en waar ik naar uitkeek. Nu alleen nog een mooie kaft erom, dan kan mijn stapeltje A4-tjes en het gele mapje waar ik ze ingestopt heb, met behulp van een perforator, bij het oud vuil, en zet ik deze Knooihuizen pontificaal in de kast.

Thomas Rap gaf Geel is de kleur van de zomer uit.

Daan Stoffelsen: Arie Storm, List en leed, en Hannah van Binsbergen, Harpie

Gesprekken tussen een escort/baliemedewerker en de duivel, of een ruilactie tussen auteur en personage: romans zijn altijd kunstmatig, maar debutante (in proza – ze won al de VSB Poëzieprijs met haar poëziedebuut) Hannah van Binsbergen en de door de wol geverfde Arie Storm (in alles behalve poëzie) zetten hun proefopstellingen wel erg aan. En blijkbaar zijn er manieren om het toch vanzelfsprekend te maken, want waar de een met moeite een wat natuurlijker slot bereikte, schreef de ander een soepele roman.

Om met die laatste te beginnen: ik heb me erg vermaakt met List en leed. De premisse is goed gevonden: de schrijver Arie Storm (de ik in de roman) heeft met een roman gerommeld met de werkelijkheid, maar dat kán gerepareerd worden, als Arie Storm van plaats ruilt met zijn personage August Voois (de hij, in parallelle hoofdstukken). Storm heeft namelijk een roman geschreven waarin de hoogleraar die August Voois ontsloeg, stierf en weer opdook. Niet lang daarna overleed de man op wie dat personage gebaseerd was. Een probleem, stellen Chuck Ramkissoon en Holden Caulfield van de firma List & Leed, realiteitsreparaties, vast.

Storm bouwt dat knettergekke gegeven subtiel op, geloofwaardig ook, met twee personages die op elkaar lijken (maar August Voois heeft duidelijk minder geschreven en nagedacht als romanpersonage, die heeft wat in te halen na de ruil), herinneringen aan een Haagse jeugd, een naakt slapende vrouw, allerlei literaire verwijzingen (ik mis de helft, ongetwijfeld) en beschouwingen over wandelen. Wandelen?!

‘Ik dacht de laatste tijd vaak over lopen, of wandelen, na; vaker dan me lief was. Wandelen was tegenwoordig erg in de mode; het was, zoals inmiddels bekend, in mijn opvatting iets wat verveelde oudere dames en heren graag deden – een vorm van kitsch. […] Daar stond tegenover dat lopen, wandelen of flaneren wel degelijk in een literaire traditie paste in de vorm van het type van de slenteraar, gewoonlijk een jonge man die zonder grote haast over straat loopt, kijkend, observerend, reflecterend. Ik had eens gelezen dat hij de wereld in wordt gestuurd als de duif van Noach om er verslag van uit te brengen. Het is een verkenner die nauw verbonden is met iemand anders – in mijn geval: ik als wandelaar was het personage dat op pad was, namens mijzelf, dat wil zeggen de schrijver die thuisbleef en zijn voordeel deed met de indrukken die hij, ik dus, als wandelaar had opgedaan. Zoiets. Ik wist niet of ik dit zelf nog helemaal kon volgen. Het had iets schizofreens.’

Ik ben zelf een fervent wandelaar, en ik heb ook weleens geschreven over hoe wandelen literair vormgegeven kan worden (Sebald, Cole, ik zal die stukken overzetten van de oude site), maar sinds ik in Twan Huys’ Wandellust heb gelezen, begrijp ik Storms punt. Het wordt al snel truttig. En het mooie is, dat Storm hier ook prettig kletserig is, twijfelend, zoekend – en dat hij raakt aan iets wat klopt. Essayistisch, terwijl je ook het gevoel hebt dat er met je gespeeld wordt, en die laatste drie zinnen zou je ook op andere momenten in het boek gebruiken. Het is postmodernistisch spel, en voor een relatief ongeschoolde lezer als ik is dan de referentie Paul Auster, maar dan met humor. Rob van Essen, maar dan beperkt tot de huiselijke sfeer.

Ik ken Arie Storm overigens persoonlijk, hij is de man van mijn redacteur. Dat zou mijn mening kunnen beïnvloeden over dit boek, maar ik geloof dat het boek ook los van Storms persoon lezenswaardig is en interessant. Kijk, ik ken Storms recensies als niet flauw en belezen tegen het intimiderende aan. Ik kende zijn romans nog niet, ik vreesde ze vanwege zijn stukken en de reputatie van doordrenkt te zijn met literatuur, en deze roman verraste me daarom, en hij bevalt me: nadenkend, mijmerend bijna, geestig en afgerond. Zoiets. Ik weet niet of ik dit zelf nog helemaal kan volgen.

*

Hannah van Binsbergen ken ik niet. Wel weet ik dat in Trouw een ongekend felle bespreking van dit boek verscheen, en dat is ongebruikelijk bij een debuut. Ik begrijp wel dat je negatief kan zijn over dit boek: de opstelling is wat houterig, door de nadruk op het amorele wel erg nadrukkelijk moralistisch en dus ouderwets. De dialogen zijn filosofisch, de situaties zijn meteen op de spits gedreven, en het basisgenre is natuurlijk simpelweg de coming-of-age, en daar kan ik moeilijk van houden. Maar dat wil niet zeggen dat de duivel geen geweldig personage is of dat Van Binsbergen onzinnige dingen zegt.

‘Er zijn weinig dingen zo verstikt in betekenis als een vrouwenlijf. Het duizenddingendoekje van de zichtbare wereld. Het beeld van de schoonheid, maar ook het object waarvan de schoonheid het vaakst in de waagschaal ligt. Duizenden blikken per dag vragen zich af of dit een mooi exemplaar is, of dit acceptabel is, hoe dit lijf is ten opzichte van het eigen lijf. Jouw schoonheid schaadt mijn schoonheid. De poses en contexten waarin het naakte vrouwenlijf mag verschijnen zijn altijd hetzelfde. Met de blik van een onverschillige minnaar zien alle blote meisjes er hetzelfde uit, uitgevoerd in verschillende maten en kleuren. Het is onvoorstelbaar hoe weinig je eigenlijk naar de details kijkt.’

Ik vind die tweede zin erg goed getroffen, en de laatste twee, de rest wat serieus en stellig, beschouwend. Het mist de duivelse humor. Het recensentencliché is dan: we kijken uit naar een volgende roman. Maar tot dat moment hebben we een aantal sterke gedachten over vrouwelijkheid.

Prometheus gaf List en leed uit, Pluim gaf Harpie uit.

Jennifer Nansubuga Makumbi, Judith Fanto en Colm Tóibín: de redactie las een feest van een Oegandese roman, een sympathiek debuut en een knappe hervertelling van een Griekse mythe. Onbekende en oude verhalen in nieuwe boeken.

*

Jan van Mersbergen: Jennifer Nansubuga Makumbi, Kintu

In de kast vond ik een oud boekje staan van Alexander McCall Smith, Het geheim van de krokodil (vertaald door Ineke van Bronswijk), de originele titel: The No. 1 Ladies’ Detective Agency. Het is een zeer goed geschreven vlot boek dat speelt in Botswana. Ik las het opnieuw en haalde Google Maps erbij. Als ik een plaatsnaam tegenkwam – Kgale Hill, Gaborone, Mafikeng, Mahalapye – dan zocht ik die plaatsen op en wandelde ik op streetview eerst even door de straten. Opvallend: altijd mensen op straat. Ook opvallend: erg stoffig en gortdroog, dat land.
Botswana is zo’n vijftig jaar onafhankelijk en er wonen iets meer dan twee miljoen mensen, en dat terwijl het veertien keer groter is dan Nederland. Vergelijkbaar dus met Frankrijk, iets groter nog, en maar zo weinig mensen. En erg droog. En warm. je ziet, ik probeer een beeld te krijgen.
De hoofdpersoon van deze roman is Mma Ramotswe, een speurder. In ieder hoofdstukje laat McCall Smith zien wat zij doet en tegelijk laat hij andere personages aan het woord, zeer speels en goed gedaan.

Nu zijn er in Afrika nog veel meer landen waar ik iets van wil lezen. Mijn streven: een roman lezen uit ieder Afrikaans land. Ik heb er al een heleboel gehad, Nigeria, Egypte, Marokko, en Algerije als ik Albert Camus meereken, maar er zijn er nog veel over en het is voor mij totaal onontgonnen terrein, dus ik plaatste op Instagram een oproepje: Tips gevraagd, boeken die spelen in Afrika.
Er kwamen een paar bruikbare tips en het bleek heel fijn dat ik mijn romans uitgeef bij een literaire topuitgeverij die direct in actie kwam. De volgende dag lag er een pakketje voor de deur, met de postbode op corona-veilige afstand, dat niet door de brievenbus paste: een dikke rode roman die speelt in Oeganda: Kintu (vertaald door Josephine Ruitenberg) – veel dank daarvoor!
Het onbekende schrikt af, het onbekende trekt aan. Het begint al bij de naam van de schrijfster: Jennifer Nansubuga Makumbi. Jennifer is haar voornaam, dat begreep ik nog wel, maar bestaat haar achternaam uit Nansubuga en Makumbi, of is Nansubuga misschien haar tweede voornaam? In Engelse interviews gebruiken ze alleen Makumbi, dat is een stuk eenvoudiger, maar waar laat je dan Nansubuga? Ik neem aan dat Jennifer Nansubuga niet haar voornaam is. En net als bij García Márquez weet ik nooit of je zo’n boek nou bij de N van Nansubuga of bij de M van Makumbi in de kast moet zetten.
Veel vragen, en één zekerheid: ik ging deze roman niet in de kast zetten, ik ging direct lezen, en het was een feest.

Kleine moeilijkheid is niet alleen de naam van de schrijfster, de namen van de personages en de benamingen van allerlei gebruiken, rituelen, zaken en verbanden zijn erg moeilijk.

‘Kintu was op weg naar Lubya om eer te bewijzen aan Kyabaggu, de nieuwe kabaka.’


En een alinea verderop: ‘Kintu wist niet wat hij van Kyabaggu moest verwachten, maar het zou roekeloos zijn om een grote groep bambowa mee te nemen.’
Ik moet erg oefenen op de namen, de plaatsnamen, en die laatste woordjes moet ik maar aan zien te vullen, en toch is het heel goed te begrijpen. Het leest zoals bij de Smurfen, zonder een vergelijking te maken tussen Afrika en Smurfenland natuurlijk, je moet als schrijver tegenwoordig heel goed weten wat je wel en niet kunt zeggen, maar als grote Smurf (de kabaka) zegt: ‘We moeten zo snel mogelijk naar de Smurftoren om die laatste koffer te smurfen,’ dan weet ieder kind, geholpen door een paar tekeningen, wat ze moeten gaan doen.

Nu was ik bij Kintu erg gauw over die moeilijke namen heen, behalve bij sommige passages, zoals in: ‘Kyabaggu’s mannen namen Kintu en zijn gezelschap mee via een nieuwe route. Zo hoefden ze niet om te reizen over Nateete, Wakaliga en Lubaga, maar zetten ze direct koers naar Mpiimelebela via Kitunzi, door Bulange aan de voet van de Namirembe-heuvel.’
Op die namen moet ik even hard kauwen als mijn spellingcontrole, die de halve tekst voorziet van rode kringeltjes, zeker als in de volgende zin nog de vlaktes van Kyandondo genoemd worden, die gemakkelijk onder water liepen. Die namen blijven me niet bij, wel het water op de vlakte, en verder blijft er sprankelende literatuur over die me aan het handje meenam, Afrika in, ongeacht de plaatsnamen en de namen van de personages.Allereerst de prachtige levendige zinnetjes die op vrijwel iedere bladzijde te vinden zijn, kort, beeldend, warm, mooi. Ik weet dat er mensen zijn die stellen dat je niet zo maar zinnetjes uit een boek mag halen om iets aan te tonen, maar mijn idee is eerder dat voorbeelden kunnen aantonen hoe proza werkt en dit zijn stuk voor stuk zinnetjes die iedere schrijver in zijn eigen boek zou willen opnemen, of in ieder geval bieden ze een inkijkje in de beeldende manier van vertellen die Nansubuga Makumbi subliem beheerst:

  • ‘Bovendien was seks met een condoom zoiets als op een snoepje zuigen met het papiertje er nog om.’
  • Als iemand een wijd T-Shirt aantrekt: ‘Toen hij zich omdraaide, golfden de Chicago Bulls om zijn schouders.’
  • Als een man net de hersens ingeslagen is: ‘Kamu’s rechteroog keek nog steeds strak voor zich uit.’ Een zin die honderd bladzijden verderop in de roman terugkomt als: ‘Kanu’s rechteroog kijkt strak voor zich uit.’
  • Over grenzen van de zorg van een moeder die vier tweelingen kreeg: ‘Ze gaf de baby’s borstvoeding tot ze gingen rondrennen.’
  • Als een jongen op zijn moeder is gaan lijken; ‘… lang, statig en met het knapste gezicht dat ooit door een baarmoeder was geboetseerd.’
  • Als het wandeltempo wat te laag is zegt een man: ‘De slakken likken aan mijn hielen.’
  • ‘De slaap is een dief.’
  • ‘Hij voelde zich verraden door het rotsblok en de boom.’

Zo kan ik nog wel even doorgaan, na vijftig bladzijden heb ik mijn pen en papier weggelegd en ben ik werkelijk gaan lezen.

Naast die mooie zinnetjes werd ik overvallen door een mooie Afrikaanse logica die dit boek anders maakt dat Westerse literatuur.
In een interview dat ik op internet vond stelde Nansubuga Makumbi dat literatuur niet in Europa is ontstaan. Nou heb ik geen idee waar literatuur ontstaan is, ik denk dat iedere cultuur zo zijn eigen manieren van vertellen heeft. Ik zoek het tegenwoordig bij de spreektaal van de polder waar ik opgegroeid ben, die is even waardevol als de spreektaal van Botswana of Oeganda, maar wel anders.
De vertelcultuur en logica van Afrikaanse verhalen is in ieder geval bijzonder. Een zoon die zojuist doodgeslagen is komt ’s nachts weer terug, en het is geen droom, het is echt. En volstrekt normaal. In plaats van een paginalange droomduiding geeft Nansubuga Makumbi simpelweg het gesprekje weer.

Over een gebied dat o Lwera heet:

‘O Lwera speelde spelletjes met je geest. Zijn wapen was de illusie. Oriëntatiepunten in de verte leken zo aanlokkelijk dichtbij dat naïeve reizigers zichzelf onmogelijke doelen stelden en daardoor de plekken waar je kon uitrusten vaak voorbijliepen. Onervaren reizigers zwoeren dat o Lwera op het moment dat ze hun voeten optilden de grond onder hen zodanig verschoof dat ze terugliepen naar waar ze vandaan kwamen, waardoor ze het beangstigende gevoel kregen dat ze liepen maar niet vooruit kwamen.’

Die logica van verplaatsing en illusie in een uitgestrekt droog Afrikaans gebied doet me direct denken aan de logica van Carnaval. Die is namelijk precies hetzelfde. Maak je een dansje of wil je van de ene plaats naar de andere, dan draait de aarde onder je zware carnavalsschoenen door zodat je op dezelfde plek blijft staan en niks anders kunt dan daar maar even blijven.
Ik denk dat Afrikanen de logica van Carnaval in ieder geval beter kunnen begrijpen dan veel Hollanders.

Die logica zit in ieder hoofdstuk.
Als een man getrouwd is met een jong meisje dat nog in de groei is en hem voorbij groeit, en eigenlijk toch nog kind blijft en geen seks met de oude man wil, zeggen anderen: ‘Hij had haar direct zwanger moeten maken,’ dan was hij van het probleem af geweest.

Kintu zelf is gek van een jonge vrouw die een van een tweeling is, de jongste. Hij moet eerst met de oudste trouwen, dan volgt die jongste vanzelf wel, maar dat wil hij niet. Ze bieden hem de oudste er gratis bij aan, hij wil nog steeds niet. Pas als ze hem kinderen schenkt gaat hij overstag.
Een andere man heeft niet genoeg aan zijn vrouwen en neemt er af en toe een man bij, dat is logisch want het begint bij zijn seksuele drive. Een aannemelijke redenering, die in de roman verkondigd wordt door een zojuist onthoofde legeraanvoerder. Hij waarschuwt wel: ‘Probeer nooit uit nieuwsgierigheid een man. Voor veel mensen is dat net als een rivier: een stroom die maar één kant op gaat en nooit meer terugkomt. Als je eenmaal het diepe gekreun van een man hebt gehoord, zijn vochtige, harige huid hebt gevoeld en de geur van mannelijk zweet hebt ingedronken, wil je nooit meer een vrouw aanraken.’
Het zijn patronen en gedachtegangen die wij heel vaag nog ergens uit een ver verleden herkennen. Oud en verfrissend tegelijk.

Literatuur kan dan niet in Europa uitgevonden zijn, ergens is het wel fijn dat we in Europa heel veel van deze oude gebruiken en stammenrituelen ingewisseld hebben voor gelijke rechten tussen verschillende leeftijden, geslachten, geaardheid. Toch is het wonderlijk erover te lezen, zeker omdat Nansubuga Makumbi geen onderwerp schuwt en er steeds een draai aangeeft die je niet direct doet terugverlangen naar die oude tijd, maar wel je gedachten verbreedt, en dat is de winst van lezen over Afrika, van binnenuit.
Wat ieder boek nodig heeft: een verhaal van a naar b dat buiten landschap, personages en plaatselijke kleur om gaat, en gelukkig begrijpt Nansubuga Makumbi dat. De proloog is een inleiding die in het heden speelt, met een gruwelijke moord. Het eerste hoofdstuk is een reis naar de koning, door Kintu zelf, langs de eerder genoemde moeilijke plaatsnamen. Ergens weet de lezer: Kintu gaat daarheen en hij gaat dit en dit doen. Dat geeft richting. Dat maakt dat je over de moeilijke namen heen leest en wegdroomt en aan Carnaval denkt, tot Kintu werkelijk bij de koning is.
Dit verhaal is een scheppingsverhaal. Geen roman over Afrika zoals we gewend zijn, en zoals buitenlandse uitgevers dat graag zien: over de kolonisatie, over armoede, vluchten, over corruptie, oorlog en honger. Live Aid, maar dan in boekvorm. Het Dave Eggers-perspectief, waarin eigenlijk Amerika centraal staat.
Kintu is van binnenuit. Onze Westerse invloed ontbreekt. Zelfs de complete kolonisatie wordt overgeslagen, want de schrijfster maakt een sprong van 1750 naar onze tijd.
Mooi!

In een interview in de Volkskrant, afgelopen zaterdag, zegt ze:

‘Toen ik aan Kintu begon, bedacht ik: als ik over het kolonialisme ga schrijven, dan gaan mijn Europese lezers weer alleen naar zichzelf kijken. Maar ik wil dat ze ook eens kijken naar ons, de Oegandezen, hoe mooi we zijn, hoe lelijk, hoe wat dan ook. Russische klassiekers gaan ook niet over kolonialisme: als ik die lees, ga ik een Russische wereld binnen. Zoiets wil ik ook.’
Op die manier schrijven Nederlandse schrijvers over Nederland.

In het interview geeft ze tevens uitleg over haar naam:

‘Nansubuga is mijn eigen naam, in mijn clan en volk krijgt iedereen een persoonlijke naam. In Oeganda noemt iedereen me zo. Jennifer is natuurlijk een christelijke naam. Makumbi is een mannennaam, die van mijn grootvader.’

Is me nog niet helemaal duidelijk waar Kintu in de kast moet komen te staan, maar ik zoek zeker een plekje tussen de romans die ik graag nog een keer open zal slaan om passages terug te lezen.

Uitgeverij Cossee gaf Kintu uit.

Daan Stoffelsen: Judith Fanto, Viktor

Kan het goedkomen met een boek dat op de eerste pagina al zo schrijftalig is, dat ‘ofschoon’ opduikt? (‘Ofschoon geen van de andere familieleden mijn grootvaders radicale hartstocht voor Mahler deelde, vervulde de componist, toen toch al zestig jaar dood, in ons dagelijks leven een levendige rol.’) ‘Hetgeen’ volgt twee pagina’s verder. (‘Eindeloos konden we staren naar het smoezelige zwart-witportretje van wat volgens onze grootouders ooit het mooiste meisje van Wenen was, dat wil zeggen: voordat de nazi’s haar met één kogel de dood injoegen, hetgeen zoals gewoonlijk werd samengevat met de woorden: “Laura? Die leeft niet meer.”‘)

Viktor is een roman in twee delen, die parallel aan elkaar verteld worden: de historische roman, de schelmenroman van een fantastische figuur, Viktor, die in het Wenen van de jaren dertig en veertig twaalf ambachten beoefent en elk meisje krijgt dat hij wil, en uitgroeit tot de held van zijn familie, en de coming-of-age-roman in een joodse familie van een ik die veel weg heeft van de auteur (Judith Fanto, ik kende haar niet), die zich ontworstelt aan de a-religieuze zwijgcultuur en in de pijnlijke geschiedenis duikt.

Het is een heel sympathiek boek, zowel Viktor als Geertje die zich Judith gaat noemen zijn aangename figuren met een vlotte babbel en een scherpe geest, en je gunt Geertje haar ontwikkeling en ontdekkingen, en Viktor een uitweg (al geldt ook hier helaas het vaste holocaustantwoord: ‘Viktor? Die leeft niet meer.’). Fanto snijdt goed in de gebeurtenissen, ze vertelt niets te veel, legt niet te veel uit en daardoor blijft de geschiedenis fris. Het is ook wat braaf, en dat zit hem dus in de af en toe schrijftalige stijl (nota bene bij de contemporaine verhaallijn) en de iets te nette uitgeschreven dialogen – die zijn wel scherp, maar ze doen onnatuurlijk ‘af’ aan:

‘”Begrijp je dan niet dat het zionisme de nazi’s in de kaart speelt? Wacht tenminste tot dit alles weer is overgewaaid! Goebbels heeft zelf gezegd: we laten de joden ongemoeid zolang ze zich gedeisd houden.”
“Dat heeft Goebbels helemaal niet gezegd! Hij zei: ‘… zolang zij zich terugtrekken achter hun vier muren en het Duitse volk niet beledigen met de eis gelijk te worden behandeld’. Ik wil me niet onzichtbaar maken en worden gedoogd. Ik wil leven.”
“Ach meisje, dat is toch allemaal retoriek! Jullie zijn zo jong, jullie denken in absolute termen en hebben nog niet de ervaring dat de meeste situaties in werkelijkheid genuanceerder liggen.”
“Jong?” zei Viktor. “Vader, mag ik u erop wijzen dat Schubert op mijn leeftijd en Mozart op de leeftijd van Felix hun levenswerk al hadden voltooid?”‘

Viktor kent bovendien een chronologische opbouw en er zit geen greintje kwaad in de personages, en verwacht een minimum aan bloot en bloed. Dat wreekt zich vooral in het eerste deel, waarin Viktor en Geertje nog heel jong zijn, en als Trouw het boek niet tot Boek van de Week had benoemd, had ik het weggelegd. Maar ik las door – en uit, en dit verhaal is inderdaad de moeite van het vertellen waard. Viktor is een geweldige held, een womanizer en een echte ondernemer, die bescherming tegen antisemitisch geweld aanbiedt en zelfs het bezet houden van je plaats in de wachtrijen voor uitreisvisa, die met uit de wapenverkoop verkregen geld zijn vader loskoopt en zich als de beschermer opwerpt van de familie. Je gunt hem veel meer dan ‘Hij leeft niet meer’. Maar de roman Viktor is enige compensatie voor dat gemis.

Uitgeverij Ambo|Anthos gaf Viktor uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Thomas Heerma van Voss: Colm Tóibín, Het huis van de namen

Kort samengevat komt het hierop neer: Agamemnon gaat zijn dochter Iphigeneia offeren, want er is hem aangezegd dat de wind dan van richting zal veranderen, wat cruciaal is voor de oorlog die hij voert. Zijn vrouw Klytaimnestra wordt woedend, zint direct op wraak en gaat een relatie aan met Aigisthos, en samen plannen ze hoe ze Agamemnon zullen vermoorden als hij terugkomt. Hun zoon Orestes wordt intussen onder niet helemaal duidelijke voorwendselen in ballingschap gestuurd, tijdelijk opgesloten in een niemandsland buiten de stad en zijn weg terug moet te vinden. En dan is er ook nog de andere dochter, Elektra, die op haar beurt weer een sluw moordplan ontwikkelt omdat ze haar vader wil wreken.

Dit is een samenvatting van een mythe die ik op school kreeg onderwezen en de samenvatting van Colm Tóibíns Het huis van de namen. Een wonderlijke roman, waarvoor Tóibín zich heeft gebaseerd op onder meer De Oresteia van Aischylos, Elektra van Sopohocles en ook op werk van Euripides. Dit staat keurig opgesomd in het dankwoord, waarin hij ook benadrukt dat de roman ‘grotendeels ontsproten [is] aan mijn verbeelding’. Ik baalde tijdens het lezen op meerdere plekken dat ik het bronmateriaal niet goed kende, dat ik niet precies kon nagaan waar hij de verhalen naar zijn eigen hand zette, waar hij fantaseerde en waar hij in elk geval qua gebeurtenissen reproduceerde.

Wat ik wel weet: Tóibín doet een paar heel interessante dingen met de klassieke mythes. Zo weert hij eigenlijk alle religieuze of mythische lagen uit het verhaal. Er zijn geen gesprekken met goden, er richten zich geen hogere machten tot de personages, er wordt niet van bovenaf gestuurd – wat de personages iets raar aards krijgt. Zeker door de strakke, opsmukloze stijl die  Tóibín hanteert. Soms beweegt hij als een camera bijna langs mee met de personages. Alsof hij daarmee heeft willen zeggen: de gebeurtenissen spreken voor zich, het offer en de wraak, dat zijn al zulke grootse daden, daar hoeven geen beelden of metaforen bij.

Deze keuze pakt goed uit, om te beginnen omdat Tóibín kernachtig en krachtig schrijft, bijvoorbeeld wanneer er een hond sterft:

‘De hond stribbelde niet tegen toen ze hem optilden. Ze droegen hem naar de plek waar Mitros en de oude vrouw begraven lagen en daar bleven ze bij het dier zitten wachten. Gedurende de dag ging de een of de ander voedsel en water halen, maar de hond taalde er niet naar. Hij jankte alleen zachtjes, maar algauw hield ook dat op. Ze bleven bij het dier zitten wachten, spraken er zachtjes tegen en ook tegen Mitros en de oude vrouw, zelfs nadat de duisternis was ingevallen. Toen bleven ze allebei zwijgend zitten en werd de stilte alleen verbroken door de haperende ademhaling van hond. Totdat het ademen helemaal ophield.’

Mooi, die heldere toon, en die stilistische keuze van Tóibín pakt extra goed uit omdat veel gebeurtenissen hierdoor iets vreemd aards krijgen: dat offer van Agamemnon, sláát het eigenlijk wel ergens op als je alle contact met de goden en poëtische bombast eruit haalt? Hij doet het opdat de windrichting verandert, cruciaal voor de naderende strijd, en inderdaad, die windrichting verandert ook na het offer, maar niet direct; wie zegt dat dit niet gewoon zo ging, dus dat het offer dat dit hele verhaal in beweging. Bij veel gebeurtenissen en wendingen in Het huis van de namen kun je je dit afvragen: welk doel dienen ze, sláán ze weloverwogen wel ergens op?

Fijn is bovendien dat Tóibín geen hapklare antwoorden geeft of zijn personages ergens de maat neemt – zoals hij tegen het einde van de roman ook niet uitschrijft dat Orestes wegkwijnt en, in navolging van zijn vader, niet doorheeft wie er tegen hem samenspannen en wat ze precies in hun schild voeren. Sowieso laat Tóibin fraai zien hoe achterbaks en ondoorgrondelijk de politiek is, vol onbetrouwbare wachten en warrige dwarsverbondjes; elders in de roman toont hij fraai terloops hoe leeg de wereld nog is in deze tijd van Agamemnon, hoe weinig steden en huizen er zijn.

Zo valt er genoeg knaps in Het huis van de namen te ontdekken, ik krijg aldoor de indruk dat Tóibín precies weet wat hij doet, en waarom hij voor een bepaald register of specifieke toon heeft gekozen. Tegelijkertijd kwamen de personages geen van allen helemaal tot leven. De roman wordt beurtelings verteld door de ogen van Klytaimnestra (twee gedeeltes van het boek), Orestes (drie gedeeltes), Elektra (één gedeelte) en voor geen van hen ging ik werkelijk iets voelen, ik leefde mee met wat ze beleefden maar niet met hun leefwereld, hun gevoelens, want die houdt Tóibín min of meer verborgen. De vraag die dit bij mij opriep was: waarom wilde hij uitgerekend dit verhaal vertellen? In de roman zelf geeft hij daar geen antwoord op, en ik vind het prijzenswaardig dat hij dit verhaal over sluwe politiek, offers en scheve familieverhoudingen niet expliciet aan de huidige tijd verbindt. Tegelijkertijd kwam er ook steeds een vraag bij me op die ik niet helder kon beantwoorden: waarom specifiek deze mythes, waarom nu?

De Geus gaf Het huis van de namen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Christine Otten, Richard Yates: de redactie las een gevangenisroman met twee overtuigende vertelstemmen, en herwaardeert een roman met een sterke verhalende stijl én genuanceerde psychologie.

*

Jan van Mersbergen: Richard Yates, Revolutionary Road

Eerst zag ik de verfilmping, op de Vlaamse zender, zonder onderbrekingen, met Leonardo DiCaprio en Kate Winslet in de hoofdrollen: Revolutionary road. Mooie film over een schrijnende scheve relatie. Veel ruzie, veel zwijgen, wat mijn dochter van 12 moeilijk vond. Toen zocht ik in mijn boekenkast naar het boek. Dat had ik er ooit in staan, maar ik kon het niet meer vinden, dus bestelde ik een nieuw exemplaar (vertaald door Marijke Emeis), en afgelopen weken las ik de roman.
Her en der zei ik er al iets over, en de reacties waren allemaal zeer positief: geweldig boek, zo mooi, heerlijk.
Dat klopt allemaal, en steeds had ik het gevoel dat ik dit boek eerder had moeten lezen.
Andere reactie: Heb je dit nog niet gelezen?
Sommige boeken heb je dus simpelweg nog niet gelezen. Ik heb alleen dit jaar al zeker tien boeken gelezen die niemand kent en die minstens zo goed zijn, maar ik begrijp dat lezen geen wedstrijd is. het is wachten op het juiste moment.

Waarom kon ik Revolutionary road twintig jaar geleden niet lezen? Ik denk dat ik het te veel vond, te vol, te slim uitgelegd, te duidend. Nu denk ik er heel anders over en ben ik erg onder de indruk van de verhalende stijl van Yates die toch in iedere alinea de psychologie in duikt. Heel genuanceerd, heel precies, heel beeldend, want meestal duidt Yates niet in theorie maar in handeling gekoppeld aan gevoel.
Zoals in de volgende zin:

‘Hij maakte met zijn vrije hand zijn boord los, zowel om zijn hals af te koelen als geruststelling te ontlenen aan het volwassen gedistingeerde gevoel van een zijden das en een chic overhemd.’

De handeling is eenvoudig: boord los maken. In mijn favoriete proza, Amerikaans proza van buiten de steden, zou de zin hier opgehouden zijn. Yates voegt er nog wat aan toe, en dat is goed te volgen, hoewel het ver van mijn spreektaal af staat. Het gaat om de geruststelling. Dat brengt alles samen. Dat maakt de psychologie van een jasje en een dasje opeens meer dan alleen dat kakpak. Het geeft aan dat de man in dat pak onzeker is, en die kleding nodig heeft voor zijn vertrouwen. Het is duiden, en toch nog ruimte laten. Dat is bijzonder. Woordje als ‘het volwassen gedistingeerde gevoel’ zal ik niet gauw in een verhaal of roman opnemen, hier zijn die woordjes slechts een aanzetje tot net even wat meer, en die meerwaarde brengt Yates in bijna iedere alinea.
Yates beschrijft hoofdpersoon Frank en zijn mannelijkheid, als hij in de tuin stukken rots aan het uithakken is:

‘En als hij bij de ernst van deze gedachte zijn ogen neersloeg kon hij behagen scheppen in de aanblik van zijn eigen gebogen mannendijbeen, dat zich mager spande onder de oude olijfgroene soldatenbroek, en in zijn mannenonderarm die daar hing – die haalde het misschien niet bij de hand van zijn vader maar was toch nuttig en lang niet slecht – zodat zijn slapen nu pijn deden van geestdrift en triomf toen hij een stuk rots uit de zuiging van een holte vol witte wormen tilde en dat over de bevende bladaarde om en om naar beneden liet rollen, want hij was een man.’

Ook hier een heleboel uitleg en details, maar de basis is dat je de handeling net nog voor je ziet, en tegelijk is het getob van deze man volkomen helder. Hij worstelt met de stenen, met zijn vader, diens handen, met zijn eigen fysiek, zelfs met de aarde. Als ik zelf stenen uitgraaf of hout sta te zagen of ander fysiek werk doe – dat gebeurt soms – dan voel ik gelukkig nooit deze piekerige onstopbare gedachten. Als ik Yates lees weet ik: dat is mijn kracht. Er zijn blijkbaar een heleboel mannen in de middenklasse, met huizen en gezinnen, die zich bijzonder moeizaam verhouden tot zo ongeveer alles, en deze schrijver weet dat te vangen in sterk proza.

Dus wat ik ook steeds voel als ik Revolutionary road lees: medelijden. Met de personages en hun machteloosheid en verwrongenheid, maar ook met de schrijver die aan een eenvoudige handeling niet genoeg heeft. Yates kent geen personage dat gaat vissen. Hij zal de visser aan de waterkant laten twijfelen, tobben, nadenken, zwoegen. En dat terwijl vissen nou bij uitstek een moment is waarop mensen tot rust kunnen komen. Die rusteloosheid was het misschien wel die me ruim twintig jaar geleden dit boek weg deed leggen, en die me daar nu aan doet terugdenken. Ik kan deze roman nu goed lezen, ik vind het nog steeds proza dat pijnlijk veel biedt.
Proza dat zo precies en duidend is, dat ik er moe van wordt – is dat een kracht of een gebrek? Het antwoord is al gegeven: het is een gebrek van de lezer, want Yates pakt je met Revolutionary road helemaal in en imponeert op een dusdanig gemakkelijke manier dat het bijzonder is. Het is zoals Roger Federer een onmogelijke bal slaat: waar andere tennissers hijgend en zwetend net die bal zullen raken, ziet dat er bij Federer moeiteloos uit.

Frank en zijn vrouw zijn actuele personages. Als ze ruzie hebben sluit April een lange monoloog af met: ‘Val me niet in de rede.’
Dat zie je in onze tijd ook vaak in discussies gebeuren, vooral op tv: voordat de ander ook maar iets heeft gezegd, of zelfs maar overwogen heeft om iets te gaan zeggen, zegt de eerste al: ‘Laat me uitpraten.’
Dat soort types zijn Frank en April. Ze houden vast aan een betoog, ze trekken redenaties door en denken vooral aan zichzelf. Yates zet ze keihard neer. Alle details, alle kleine woordjes en speldenprikjes die een personage kan zenden weet hij te vangen. De kleinburgerlijke gedachten, het gemopper, de zelfoverschatting, het medelijden, het dromen en de machteloosheid, alles komt samen in een geweldige mix die samen het huwelijk van Frank en April vormen.
Yates houdt van zijn personages, maar hij haat ze net zo veel.
Als het net weer even goed lijkt te gaan tussen die twee, als ze plannen maken om naar Parijs te verkassen, beschrijft Yates de kinderen van Frank en April, in een paar prachtige levendige ritmische zinnen:

‘Er was één troost: ze konden gaan slapen zonder bang te zijn over een uur te worden gewekt door de abrupte, bonkende, hijgende, met deuren slaande geluiden van een ruzie; dat was kennelijk allemaal verleden tijd. Ze konden nu liggen soezen bij het geluid van vriendelijke stemmen in de woonkamer, een geluid waarvan het ingewikkeld ritmisch stijgen en dalen langzaam de vorm van hun dromen zou worden. En als ze later wakker werden en zich omdraaiden om met hun tenen een nieuw koel plekje tussen de lakens te zoeken wisten ze dat het geluid er nog zou zijn – één stem diep en zwaar en de ander zacht en bekoorlijk, die praatten en praatten, even werkelijk en geruststellend als een blauwe bergketen die je van verre ziet liggen.’

Dat is natuurlijk echt genieten: een alinea die aangeeft dat het huwelijk weer op orde lijkt te zijn, er weer plannen en dromen zijn, hoe onrealistisch ook, en waarin het zoeken van een koel plekje onder de lakens door een paar kindertenen verbonden wordt aan het schitterende decor van een blauw bergketen in de verte.
Hoe ver weg en groot, hoe dichtbij en klein dit proza ook is, in alles trekt het de lezer naar zich toe, en dat is een uitzonderlijke kracht die in feite iedere schrijver zoekt.
Redacteuren van literaire tijdschriften zullen in een passage uit Revolutionary road misschien niet vinden wat ze zoeken. Buurman Shep Campbell kreeg in de fabriek de reputatie een snob te zijn en hij maakte zijn eenvoudige vrouw bang ‘want hij was een slechtgehumeurde luisteraar van klassieke muziek en een chagrijnige lezer van literaire kwartaaltijdschriften geworden.’
Daar moest ik hardop om lachen.

De Arbeiderspers geeft Richard Yates uit.

Daan Stoffelsen: Christine Otten, Een van ons

Drie uur over perspectief: als Eva Meijers gemeenschapsmystery een in een groep wisselend perspectief heeft, en bijvoorbeeld Dido Michielsens droevige levensverhaal van een njai, Lichter dan ik, één derdepersoonsperspectief, dan heeft Christine Otten er in Een van ons twee. Twee stemmen, en ze verschillen duidelijk van elkaar, en dat vind ik goed werken.

Eén is Luc, een levenslang gevangene in de gevangenis bij Zutphen. Hij schrijft op momenten ademloos, en op andere momenten met een ruwe lyriek. Ademloos:

‘Wat de opdracht was werd me niet duidelijk, maar op een gegeven moment gingen ze voorlezen wat ze hadden geschreven en hoorde ik J, zijn stem herken ik uit duizenden, hij zit op de B1, die gast heeft een heel eigen stijl van praten, van formuleren, een beetje ingehouden, plechtig, alsof hij over ieder afzonderlijk woord nadenkt voor hij het uitspreekt, hij is een stuk jonger dan ik, hij traint de jonge jongens in de gym hierbeneden, kickboksen, het schijnt dat hij buiten een hele grote was, ik mag hem, maar daar gaat het niet om […]’

Geen nette afgebakende zinnen, maar in één ruk, niet te veel clichés (‘uit duizenden’), licht straattalig (‘die gast’), maar wel precies geformuleerd. En ruwe lyriek, in reactie op het verzoek van een schrijfdocente, Katrien, die in de gevangenis elke woensdagochtend een workshop geeft.

‘Ze wil dat ik mijn verhaal opschrijf. Ze heeft geen idee. […] Maar waarom in hemelsnaam zou ik haar vertellen dat haar uitnodiging aan mijn diepste angst raakt, namelijk: dat er wel degelijk tijd verstrijkt. Dat het alleen buiten mij om gaat. En dat de innerlijke rust waarop ik zo fier ben, het evenwicht dat ik denk gevonden te hebben in de herhaling, in iedere dag hetzelfde doen, in aaneengeregen monotone dagen en nachten als één langgerekte tegenwoordige tijd, berust op een vergissing.’

In die lyrische passages zit meteen een valkuil, of misschien moet ik het in hemelsnaam vanuit mezelf verwoorden: die raken een allergie van mij. Zo expliciet emoties verwoorden, zo’n diepgravende duiding, dat is me snel te sentimenteel en abstract. Onnatuurlijk. En daarmee ongeloofwaardig: wie schrijft dit zo op? Maar vaker is Luc simpelweg stug, beschrijft hij de spanning tussen hem, andere gevangenen, de schrijfdocente, de bewakers, en dat is heel knap gedaan, met een overtuigende toon.

In de alternerende hoofdstukken lezen we Katriens kant van het verhaal. Ze overtuigt Luc niet van deelname aan de workshops, maar krijgt andere gretige leerlingen, waaronder echte talenten, met goede verhalen. Ze lijkt ook te hopen op eigen inspiratie, goed materiaal, maar wordt ook geconfronteerd met haar eigen schuldgevoel.

‘Zeg niet dat hij makkelijk praten heeft, of dat mijn moeders gezondheid te broos is of dat ze gelukkig is in het huis waar ze woont, de kamer die we zo hebben ingericht dat het lijkt of ze in haar oude flat aan de IJssel is, thuis, of dat de zorg daar persoonlijk is, warm, de sfeer gemoedelijk, volks, precies waar mijn moeder van houdt of dat ik iedere week op bezoek ga twee uur heen van deur tot deur twee uur terug, dat ik geniet van iedere minuut dat we samen zijn en dat mijn moeder nooit klaagt en blij is met een verse bos bloemen een bezoekje een kus, dat ze een vechter is net als haar vader, die worstelaar was acrobaat een pistool had in de oorlog, dat ik hoop dat ik op hem lijk en op haar en zoveel van mijn moeder hou dat het soms is of mijn dagen geteld zijn niet de hare. Het boek. Niet mijn moeder, het boek.
“Je boek,” zegt ik.’

Eigenlijk komt Katrien hier net zo ademloos over als in die eerste passage van Luc. De taal is iets meer doorsnee, maar je mist ook bij haar komma’s en toch is het toch leesbaar, en het komt eerlijk over, die omgang met de clichés rond bejaarde ouders en het ongemak.

Otten bouwt een spanning op tussen de twee vertellers; Luc lijkt dwars door Katrien heen te kijken, te zien dat haar intenties niet zuiver zijn, en Katrien verwacht meer van hem. Het decor helpt daarbij, want zoals Luc zegt tegen Katrien: ‘In een bajes is niets vrijblijvend. Het lijkt soms of je dat niet helemaal snapt.’ De spanning zit hem ook in de plotlijn van het geslaagde manuscript van dat ene talent, ‘je boek’, waarover Katrien gemengde gevoelens heeft, en of Lucs geheime dagboek naarbuiten komt. Toch moet ik vaststellen, enkele dagen na lezing, dat het verhaal van Een van ons niet blijft hangen. Wel die vertelstem, en Luc is dan ook een personage dat ik wel een ruimer boek had gegund.

De Geus geeft Een van ons uit.

Eva Meijer, David Vann: de redactie las een moordmysterie dat natuur en mens in gesprek brengt, en een roman die de balans zoekt tussen verbondenheid en op zichzelf staan.

*

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, De nieuwe rivier

Het staat er niet, maar ik dacht het wel: heeft Thomas nou drie uur aan één stuk over perspectiefwisselingen gepraat?

  • Schrijfopdracht 1 bij die column: verwerk er een perspectiefwisseling in, vanuit de kat (‘Waarom praat baard zoveel? Hallo baard! Hier ben ik! Kijk me aan, kijk me aan…’).
  • Schrijfopdracht 2: schrijf de hele column vanuit het perspectief van de kat. Maak hem niet dommer dan hij is.


Drie uur voor perspectief, dat is ook eigenlijk een goede tijdsinvestering; wie een verhaal vertelt, in wiens hoofd je bent, maakt alles uit. Thomas laat het zelf zien in zijn laatste roman, waarin hij van derde naar eerste persoon gaat, en het is vaak een van de eerste grote grepen die Jan voorstelt bij een ingezonden verhaal.

Ik zou mijn drie uur denk ik beginnen met: ik ben allergisch voor alwetende vertellers. En zelfs voor wisselende personale perspectieven, dat de derdepersoonsverteller telkens verandert. Om dat vervolgens af te zwakken: Marijke Schermer heeft een fantastische roman geschreven waarin het wél werkt, Valeria Luiselli ook, en Peter Buwalda heeft voor zijn perspectiefwisselingen een hele set regels opgesteld, en ondanks dat (of juist daardoor) komt het heel natuurlijk voor.

Eva Meijers nieuwe roman, De nieuwe rivier, is wat losser met die perspectiefwisseling. Na een paar hoofdstukken met één duidelijke verteller, beschrijft ze een ontmoeting:

‘ Janet wil net de grote weg op rijden als er een donkere man in een oude groene Volkswagen aankomt. Het is de geoloog die ze eergistermiddag in café De kleine onschuld over de rivier interviewde – iemand die Engels spreekt en met wie ze op een normale manier een gesprek kan voeren. Ze toetert.
Rafel remt af. Hij wrijft over zijn nek. Hij heeft gedroomd dat hij aangeraakt werd door de hand des doods.’

Onze verteller weet zowel over Janet iets als over Rafel (zo’n droom!). Terwijl we over sommige personages niets (of aanvankelijk niets) te weten komen. En van een enkeling komen we niet alles te weten! Perspectiefgevoelig als ik ben, zou ik dan liever van iedereen wat lezen – of van maar één persoon. Maar het verhaal van De nieuwe rivier is het verhaal van een groep mensen rondom een ecologische ramp, overstromingen en een mysterieuze moord, een groep die uitdunt met telkens weer een nieuwe mysterieuze moord, en het klopt: samen tasten ze in het duister.

Mijn aanvankelijke jeuk ebde weg, want Meijer weet dit groepsmysterie – zijn er criminelen aan het werk, of activisten, of is het de natuur zelf die (à la Olga Tokarczuks Jaag je ploeg over de botten van de doden) wraak neemt op de mensen die haar misbruiken? – uitstekend uit te bouwen. Het is vaag, maar het is raak, met flarden journalistiek (die Janet is een Britse journalist) en poëzie (de eerste dode bleek een dichter) en scherpe associaties:

‘Het land was niet bestand tegen de kracht van deze aanhoudende natheid na een lange periode van droogte. Lagen harde aarde waren zo droog dat ze het water tegenhielden dat ze goed konden gebruiken. Zo gaat het vaak. Je wenst iets en als het in je schoot valt kun je er niet mee omgaan, weiger je het te ontvangen, zodat alles blijft zoals het was, hooguit wat treuriger.’

Die laatste zin is prachtig, een vermenselijking van de natuur, of vice versa, en in die zin is haar nieuwe roman een mooie voortzetting van de strijd met een ander genre (de ecothriller, zegt Das Mag, die dit boek bij uitzondering uitgeeft) die ze met Dagpauwoog, Het vogelhuis, Dierentalen en De soldaat was een dolfijn al voerde. Voorwaarts past er ook goed bij: een doorgaand gesprek tussen mensen en de natuur.

Das Mag geeft De nieuwe Rivier uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: David Vann, Caribou Island

Als een echtpaar in de roman Caribou Island van David Vann (vertaald voor Arjaan van Nimwegen) naar een verlaten plek gaat om daar een hut te bouwen en daar te gaan leven, gaat alles mis. Typerend voor de hyper-modus waar de personages van Vann in verkeren. De man, Gary, had een wild plan, zijn vrouw Irene doet mee. Ze doet niet mee omdat ze een stel zijn dat gingen samen doet.

‘Irene ging erin mee omdat zij kon straffen zodra ze het ondergaan had. haar beurt kwam nog. En zo hadden ze elkaar dat al decennialang aangedaan, onweerstaanbaar. Mooi, dacht ze dan. En dat betekende: wacht maar af.’

Op het moment waarop Irene dat denkt laden ze een boot vol boomstammen om die naar een eiland ergens in een meer te brengen. Ze laden de boot vol als die op het strand ligt en door het gewicht krijgen ze de boot niet meer in het water geduwd. Gary besluit de boot met zijn auto een zetje te geven. Dat lukt, maar de boot raakt beschadigd. Het regent vreselijk, ze hebben het koud. Ze bereiken toch het eiland. Ze stuiten op een rotskust, veel te hard. Het blijft regenen, alles gaat mis. Toch blijft dit stel in de laatste fase van hun relatie bij elkaar. Ze ploeteren. Het verhaal is tragisch, duidelijk en grappig.

David Vann was de verrassingsgast bij de eerste editie van De Vertellers van Helmers, in november 2018. Hij logeerde bij vrienden. Ik had hem daarvoor al een keer ontmoet. Toen hij een jaar later weer bij de vrienden in Amsterdam op bezoek was zocht ik hem weer op en spraken we lang over schrijven, vertellen, vissen, over wonen aan het water, over boten. Vann is een vermakelijke verteller. Als je hem leert kennen dring je beter door tot de stem die in al zijn boeken zit: die wordt grappiger.
Als Irene zich schrap zet in de boot omdat ze al voorziet dat Gary in zijn onhandigheid veel te hard vaart en ze knallen op de rotsen, dan zegt ze alleen: Jezus, Gary.
Dat kenmerkt hun relatie. Vloeken, maar er toch in blijven hangen.
Het liefst wil Irene alles opgeven, of opnieuw beginnen, met Gary. Wat er gekozen wordt maakt niet zo veel uit, alsof er geen verschil is tussen het opgeven van een relatie of het opnieuw beginnen in een relatie. Dat herken ik van de gesprekken met Vann. Keuzes zijn er, maar de richting is altijd onzeker. Daarom ook een wild plan: een hut bouwen, ergens. Grond kopen, gaan jagen en vissen, ondanks de kou. Vuurtje stoken.

Ik trok Caribou Island uit de kast uit de kast omdat ik de laatste tijd veel lees over zelfgekozen eenzaamheid, misschien een thema van een nieuw boek. Deze roman vult die ideeën op een rijke manier aan. Alle personages zijn verbonden, maar ook op zichzelf. De balans daartussen, daar gaat het om.
Vann laat zien en verklaart, en doet dat is een treffende balans. Als er net wat informatie bij de handeling moet dan geeft hij uitleg, maar in een paar woorden. geen uitgebreide psychologie, alleen een aanvulling. Dan weer een bladzijde of twee met een scène die als een film laat zien wat de personages doen. Het echtpaar verstrikt in elkaar, met eigen motieven, de dochter die bedrogen wordt, haar broer die een slap figuur is. Om beurten komen de personages langs in mooie filmische scènes die allemaal voldoende ruimte laten om de beelden er zelf bij te laten ontstaan, in je hoofd.
Ik had deze roman al gelezen en denk nu weer: wat goed gedaan.
Een boek om op geschikte momenten uit de kast te halen, om rustig te lezen, om je eraan te herinneren hoe je proza doseert, hoe je verschillende personages net voldoende meegeeft om ze tot leven te wekken, hoe je tempo bepaalt en soms sprongen kunt maken, hoe het verhaal logisch blijft en alle motieven in elkaar grijpen.

De Bezige Bij gaf Caribou Island uit.

Colum McCann: de redactie las een indrukwekkende roman over een onderwerp waar je beter niet over kunt schrijven en dat leverde een geweldig boek op.

*

Jan van Mersbergen: Colum McCann, Apeirogon

Er zijn onderwerpen waar je maar beter niet over kunt schrijven. Ze zijn te ver weg of juist te bekend, er is al genoeg over geschreven, ze zijn te moeilijk, je kunt er geen partij in kiezen, het conflict is onmogelijk en onoplosbaar, als je erover schrijft verandert het leed bij ieder woord in sentiment. Onderwerpen waar je ver vandaan moet blijven.
De Tweede Wereldoorlog is erg moeilijk, want hoe voeg je daar vijfenzeventig jaar en duizenden romans later nog iets aan toe? Onderwerpen waar moraal aan kleeft zijn moeilijk: activisme, politieke achtergronden, de hippietijd. De beste boeken gaan hierover, maar een nieuw goed boek hierover maken lijkt een onmogelijke opgave.
De Palestijns-Israëlische kwestie is misschien wel het allermoeilijkste onderwerp, want daar komen moraal, partijdigheid, keuzes, politiek, onoplosbaarheid en onmogelijkheid, blinde koppigheid en idiote vastheid samen. Colum McCann schreef er toch een boek over: Apeirogon (vertaald door Frans van der Wiel), een onmogelijke titel maar wel een schitterend gelaagd, fragmentarisch en raak boek. Een prestatie van formaat.

Schrijven over twee personages, de een Palestijn, de ander Israëli, die vrienden worden. Mijn eerste gedachte is: Neem je moeder in de maling. Het verhaal is echter waargebeurd, en het leed van deze twee werkelijk bestaande figuren is ook echt. Dan blijft nog steeds de vraag over hoe je dat leed, dat inmiddels al in vele kranten is beschreven, in een roman verpakt.
McCann begrijpt hoe dat moet. Met lef. Met beelden. Met woorden die langs het sentiment schuren. Met ruimte die doorgaans in het conflict ontbreekt omdat het conflict totaal dichtgetimmerd is, iets wat bij een roman wel kan maar wat een vreselijk boek oplevert.
Hij begint met trekvogels. Doet denken aan het liedje van Klein orkest. Alleen de vogels vliegen van Oost naar West-Berlijn. Het is allemaal bekend, maar gesitueerd in Israël zijn de vogels anders, massaler in aantal, kleurrijker, lichter, blinkend in de zon.
Een jongen moet de gevangen vogel ringen en besluit twee ringen aan een ketting om zijn hals te hangen. Twee ringen, twee mannen van verschillende afkomst, aan een ketting, bij elkaar. Daar loert het sentiment.
McCann sluit dit korte hoofdstukje over Tarek, de jongen, echter af met: ‘Tarek voelde de ringen tegen zijn keel tikken toen hij twee maanden later met zijn oudere broer naar de Maagd Mariastraat ging om stenen te gooien.’
Dan volgt een witregel.

Het volgende korte hoofdstukje komt gauw, maar eerst kan de lezer tijdens die witregel nog even genieten van die mooie heldere zin waarin McCann vertelt wie die jongen is, een Palestijn, een stenengooier, met een broer, waarin hij de locatie aangeeft, het conflict nergens benoemt, maar klein maakt als een ring aan een ketting, als twee ringen samen aan een ketting. Die witregel was nodig. De lezer kan op adem komen.
Alles staat er, en toch is het proza bondig, zit er handeling en richting in de zin, wordt het personage groter, wordt Israël kleiner. Precies wat het conflict nodig heeft.
En dit is nog maar het begin. Deze zin staat op bladzijde 18, en ik weet nu al: McCann gaat niet alleen het complete Palestijns-Israëlische conflict slopen, hij gaat mij ook slopen, met deze krachtige woorden.
Ik leg het boek even weg. Duizend-en-één hoofdstukjes, dat heb ik al gezien. Van 1 naar 500, en dan 1001, en dan terugtellen van 499 naar 1. Lieve hemel, ik ben pas bij 10.
Even daarvoor heeft hij beschreven hoe kleine zangvogeltjes trekken, hoe ze kwetsbaar zijn, hoe ze in Frankrijk gegeten worden, zoals door François Mitterrand, de oud-president die volgens een bizar ritueel dat doet denken aan de Zonnekoning, die een vogeltje met botjes en al opeet, een ortolaan, en anderhalf jaar daarna sterft.
Ik ben nog maar bij het vijftiende hoofdstukje en McCann pakt direct uit op een manier die William Faulkner toepaste in As I Lay Dying, door korte fragmentjes onderling te koppelen, want er iets echt wel iets aan de hand met die mensen in Israël, met de trekvogels, met de snelweg en de tijd die verspringt van zomer- naar wintertijd zodat Israël en Palestina voor een paar dagen een uur ongelijk lopen, ik heb gelezen over een man op de snelweg, over vliegende vogels en eetbare vogels, over kogels die in Noord-Ierland knieën verbrijzelden, over Mitterrand die een vogeltje at, de andere aanwezigen hoorden de botjes kraken, en dan volgt bikkelhard hoofdstuk 15:

‘De kogel die Abir doodde, reisde vijftien meter door de lucht voor hij in haar achterhoofd sloeg en haar schedelbot kraakte alsof het een kleine ortolaan was.
Ze was naar de kruidenier gegaan om snoep te kopen.’

Ik heb hier zelf weer een witregel nodig. Ik zit nu al stuk. De samengeraapte beelden doen hun werk. Het sentiment was nergens te bekennen, het zit nu wel in mijn hoofd en lijf. Ik tril ervan. Het leed van een vader die zijn dochter verloren heeft, daar kunnen geen woorden tegenop, dat kan alleen op papier gezet worden in een verzameling beelden die in het hoofd van de lezer moeiteloos aan elkaar gekoppeld worden.
Krakende botjes. Een kogel die doel treft. Verlies. Een meisje dat naar de kruidenier loopt om snoep te kopen.
McCann laat me voor het eerst voelen hoe het Palestijns-Israëlische conflict in elkaar zit. Ik begrijp er nog steeds helemaal niks van, maar ik moet wel bijna huilen.

Ik wil weten hoe hij dat doet. Hoe hij een ingewikkeld, oneindig, wereldlijk probleem persoonlijk maakt en het leed van dat probleem bij de lezer neerlegt, niet als beklag of statement of als manifest, enkel en alleen het leed.
Ik weet al lang hoe je dat kunt doen, in mijn eigen romans pas ik dezelfde technieken toe, maar ik ging een dergelijk onderwerp uit de weg. McCann niet. Hij dook in een oneindige verzameling beelden en persoonlijke verhalen en voert die op met losse draadjes en hij geeft de lezer de kans deze gewelddadige wereld te ontvouwen zodat die wereld verandert in een wonder.
Dat is de kracht van literatuur. Dit is de grootste taak die een schrijver op zich kan nemen.
Dat is wat Colum McCann aangegaan is, en hij laat zien dat het kan. Na dit begin gaat deze anekdotische verbindende roman nog heel lang door. Ik weet nu al: dit is goud.
Geen wollige blatende metaforen opdreunen die niks meer dan leegte overbrengen, maar de zwaarst mogelijke materie omtoveren tot een ballon, zoals die van kunstenaar Banksy op het omslag van Apeirogon.
Ik zou wil alleen nog maar verder lezen, ademloos, want ik weet dat er nog heel veel moois gaat komen en dat ik niet moet proberen dat allemaal in een stuk over deze roman moet zien te pakken. Deze aanzet is genoeg. Ik sluit af met een witregel.

Ik haal adem en lees verder, een eindeloze rij korte hoofdstukjes die pauzes nodig hebben en samen toch een in elkaar gedrukt verhaal vormen dat je bang maakt, want dit wereldlijke onoplosbare probleem voel je opeens tot in je tenen.

Jeanine Cummins, Sandro Veronesi: de redactie las de heisa en vervolgens de middelmatige roman waarover de heisa ging, en een kochiaanse klassieker van twintig jaar gelezen.

*

Thomas Heerma van Voss: Jeanine Cummins, Wie omkijkt

Nee, ik las American Dirt niet wegens de commotie, waar veel anderen al zinnige dingen over hebben geschreven, ook in Nederland – Arjen van Veelen voerde de roman op in zijn mooie essay over de dreiging van literaire zuivering. Toch was het boek zonder die commotie vermoedelijk niet onder mijn aandacht gekomen. Ik las het afgelopen weken in de Nederlandse vertaling (door Carola van der Kruk-de Boer en Annet Niewold-de Boer) met de weinig geslaagde titel Wie omkijkt; dat haalt het niet bij hoe Cummins het boek zelf heeft genoemd. Ook vreemd: de ondertitel die op het omslag van de Nederlandse editie is gezet door uitgeverij Mozaïek: ‘Een wanhopige moeder en haar zoontje op de vlucht voor de wraak van het drugskartel.’

Die zin dekt de lading wel van dit verhaal van een kleine vijfhonderd pagina’s, dat van begin tot eind draait om die vlucht. Ook klinkt het nogal thrillerachtig: wanhoop, op de vlucht, wraak, een drugskartel. Van zulk groot taalgebruik bedient Cummins zich in dit romandebuut ook steeds. Op zich is er niets tegen een beetje een voortrazend verhaal, er is zelfs niets mis met af en toe een thrillerelement in een roman, alleen vinkt American Dirt wel nagenoeg elk thrillercliché af in dit rommelige, weliswaar vlot lezende maar uiteindelijk vreemd lege geheel.

Voortdurend wordt er in American Dirt van perspectief gewisseld, niet alleen van die inderdaad wanhopige moeder Lydia (al word ik geen moment echt onderdeel van haar wanhoop) naar haar ongeloofwaardig wijze zoontje Luca (hoe oud is die jongen? ik kreeg er maar geen beeld bij), maar ook naar passanten door heel Mexico; iemand op een vliegveld, mensen met wie ze samen door Mexico vluchten en bovenop een trein springen. Sowieso heeft Cummins de neiging om alles uit te leggen over de drugsoorlogen in Mexico: hoe de onderlinge verhoudingen liggen, wie er allemaal corrupt zijn, hoe gevaarlijk het is, wanneer het geweld verhevigt. Vaak bedient ze zich daarbij van de taal van een journalist, die passages invoegt om de lezer op de hoogte te stellen; het is niet de taal van een romanschrijver die zich inleeft in haar romanpersonages, en zeker niet van een personage dat op de vlucht is.

Zo worden voortdurend dingen uitgelegd: ‘Omdat het in hun cultuur heel gebruikelijk is dat volwassen kinderen voor hun bejaarde ouders zorgen, is het überhaupt al redelijk ongewoon dat Lydia’s moeder een spaarrekening had.’ Alle Mexicaanse tekstjes die in het boek voorkomen, worden vervolgens vertaald. De peso’s waarmee Lydia betaalt worden keurig omgerekend in dollars. Alsof Lydia en Luca zulke zaken eens rustig overdenken terwijl ze opgejaagd worden. Alsof alle informatie over drugsoorlogen niet vanzelfsprekend is voor de personages, aangezien ze er al jaren door wordt omringd.

Interessant zou het juist worden als je dingen – gewoontes, geweldsuitbarstingen – te lezen krijgt die als gewoon worden gezien waarvan je als lezer denkt: dit ben ik helemaal niet gewend, dan creëer je spanning. Maar Cummins lijkt zich hebben voorgenomen niks verwarrend of dubbelzinnig te maken voor de lezer. En dan is er ook nog de rest van haar stijl. Die had veel goed kunnen maken: niet alles qua perspectief of informatiedosering hoeft immers helemaal te kloppen als je dit boek gewoon beschouwt als een spannende easy read, en niet als een fijnbesnaarde, psychologisch afgewogen karakterstudie of iets dergelijks. Maar stilistisch rammelt American Dirt: ik zette voortdurend streepjes in de kantlijn, het ene moment geïrriteerd en het andere vooral verbaasd, want Cummins had toch, meldde de achterflap, tien jaar in de uitgeverswereld gewerkt, ze zat bij een agentschap en er was een miljoen dollar voorschot voor dit boek betaald, dan had er toch wel fatsoenlijke redactie op losgelaten kunnen worden?

Een paar voorbeelden. Lydia voelt iemands ergens ‘bezorgdheid als een vloek in de ruimte hangen’ (wat betekent dat?), waardoor haar hart ‘als een razende tekeer’ gaat én ze zich opgejaagd voelt; angst ‘slaat haar om het hart’; een paar regels later ‘treft [iets] haar als een donderslag bij heldere hemel’. Elders treft iets haar ‘als een mokerslag’; er klinkt ‘oorverdovende stilte’, als ze rondrijden, ziet Luca een rij huizen ‘langs flitsen als kaarten in een kaartspel’ (hoe werkt dat?), vlak daarna registreert hij ‘een baldakijn van schaduwrijke bomen [die] de straat overwelft’ (welk kind praat of denkt in hemelsnaam zo?). En dit zijn alleen nog maar voorbeelden van de eerste honderd bladzijdes, waarna Cummins overigens zelf eens opmerkt: ‘Hoeveel ze ook houdt van taal, in sommige gevallen is geen enkel woord toereikend.’ 

Je kunt zeggen: het is flauw om zulke zinnen te citeren, iedereen formuleert weleens ongelukkig. Maar deze taal is niet alleen clichématig, hij onderstreept ook hoe Cummins haar verhaal heeft opgebouwd: alles voor de nadrukkelijke emotie en het grote gebaar, alles voor de thrillerachtige vaart, alles voor de begrijpelijkheid. Rondom alle commotie was ik nog wel geneigd haar bij te vallen, of tenminste om te denken: iedereen moet over alles kunnen schrijven. (Wat overigens ook niet echt werd betwist, zelfs niet door criticasters.) Maar nu ik American Dirt heb gelezen denk ik vooral: dit is een erg middelmatige roman, geen enkele heisa waard.

Jan van Mersbergen: Sandro Veronesi, In de ban van mijn vader

Het zal voor de Nederlandse markt een beter titel zijn: In de ban van mijn vader (vertaald door Rob Gerritsen), maar de originele Italiaanse titel van de roman van Sandro Veronesi was: La forza del passato, en voor zover ik weet is forza Italiaans is voor kracht en passato staat voor passé, voor het verleden. De kracht van het verleden is de titel die ik dit keer bij het herlezen van deze roman in mijn hoofd had. Die titel past goed.
De manier van vertellen van Gianni Orzan, de hoofdpersoon die Veronesi opvoert, deed me denken aan hoe Herman Koch zijn verhalen vertelt: in duidelijke strakke zinnen maar wel met de nodige twijfel, zonder dat het ergens twijfelachtig wordt. Dat is een belangrijk verschil. Sommige vertellers zijn warrig, andere vertellers zoeken maar laten zich niet door de mogelijkheden en keuzes tijdens dat zoeken overmeesteren waardoor de vertelling strak blijft. Zoals bijvoorbeeld de scène waarin Gianni op aandringen van een van zijn gasten beneden bij de voordeur aan de intercom luistert wat de anderen die nog boven zijn over hem zeggen, nu hij het huis uit is. Een typische Kochiaanse scène, trouwens. Gianni besluit te luisteren, en wat hij opvangt doet hem geen goed:
‘Het valt me moeilijk dit te vertellen, zwaar zelfs, maar ik geloof dat het belangrijkste is: die twee waren vrienden van me, en het feit dat ze zo over mij, mijn vrouw, mijn huis en mijn gasten konden spreken heeft me zeer geschokt.’
Het is moeilijk te vertellen, valt hem zwaar, hij gelooft iets, het belangrijkste… Je hoort deze verteller een zin in elkaar zetten die zijn twijfel laat zien, maar het is wel een zin die de vertwijfeling van de vertelling voor is. Het blijft helder en te volgen. Nergens heb ik het idee dat deze verteller meer weet dat wat hij vertelt of boven zijn zoektocht in woorden staat. Zijn twijfel wordt ook geen pose.
Hij is wel expliciet, want even verderop staat: ‘Het zijn dingen die je uit het lood slaan.’ Hij weet wat er gebeurt, hij volgt de stapjes. Hij laat de lezer echter niet vertwijfeld achter, hij maakt de lezer alleen deelgenoot van zijn verhaal.
Dus met veel plezier luisterde ik naar Gianni, die erachter komt dat zijn vader, die net overleden is, geen gewone Italiaanse conservatief was maar een Russische contraspion. In vlotte scènes brengt een taxichauffeur hem dit nieuws, nadat de taxirit in een angstrit overging omdat Gianni een pistool zag, als de chauffeur hem de tas later terug komt brengen maakt het nieuws hem minder bang maar zet het wel zijn leven op zijn kop. Die flaptekstzin uit de jaren negentig staat ook op deze flap: ‘Gianni’s wereldbeeld begint te wankelen.’
Dat kleine verhaal pakt natuurlijk groot uit, zit verstopt in mooie persoonlijke verhalen, met een overzichtelijk tijdsbesef en een slim schakelen tussen verteltijd en de tijd die geweest is, zoals de eerste zinnen van de roman na de vraag of Gianni een droevig mens is: ‘Dat vroeg ze aan me, die journaliste. Het is de laatste vraag.’
Met de vraag begint het boek, wie de vraag stelde staat in de verleden tijd, Gianni geeft zelf aan dat het de laatste vraag is waarna hij over de prijsuitreiking vertelt en het hoofdstuk afsluit met het antwoord op de vraag: ‘Niet meer.’
Bijzonder slim en speels gedaan. Dat doet Veronesi steeds: het verhaal zijn beloop laten maar daar wel af en toe van afwijken, een zijpad zoeken, soepel weer terugkeren naar het hoofdverhaal. Het levert levendig proza op. Het duurt even voor ik de zinnen die de hoofdstukjes aaneenrijgen kan laten varen en meer ga voor de zinnen die de sfeer neerzetten, die de verteltoon van Gianni markeren: ‘Hij steekt een sigaret op, de ellendeling,’ is een korte alinea die los in een lang betoog van de taxichauffeur staat als ze in een restaurant een enorme hoeveelheid spaghetti eten die door een meisje op rolschaatsen voor hen op tafel is gezet.
Ik weet: Gianni is negen maanden gestopt met roken. En die man rookt. Die sigaret doet me meer dan het verhaal dat de tafel over gaat, over de vader van Gianni. Hij moet dat verhaal horen, het is een verrassende wending, maar zijn stoppen met roken is zijn eigen korte verleden dat ook een rol speelt.
Daarom: De kracht van het verleden, in plaats van de vader. En het fijne aan boeken waarin alles samenkomt is dat, wanneer je ze leest, alles ook daadwerkelijk samenkomt. Net als in de restaurantscène een Kochiaanse vraag opdoemt omdat hij de rolschaatsende ober slecht behandelde – hoeveel spuug van obers zullen we in ons leven gegeten hebben? – komt de titel letterlijk terug aan het einde van die scène, als Gianni vertelt dat de schrijver Giorgio Bassani ooit de stem van Orson Welles deed in een film, waarna een gedicht van Bassani aangehaald wordt: De kracht van het verleden. Niks vader, al gaat het gedicht wel over geboren worden, maar volstrekt indirect.
Het vervolg van deze roman waaiert uit. Gianni ziet zijn zekerheden hem ontglippen. Ergens jammer dat hij kinderboekenschrijver is en dat hij de gebeurtenissen gebruikt in zijn nieuw te schrijven kinderboek over Pizzano Pizza, zijn kinderboekenheld, die stukken kan ik missen. Wel mooi dat de vertwijfeling in zijn leven groter wordt maar het proza helder blijft. Dat was de opdracht die Veronesi zichzelf opgelegd heeft, en daarin is hij zeer goed geslaagd. Altijd fijn om een boek dat inmiddels al weer twintig jaar oud is te herlezen en te zien dat de klassieke status die het boek destijds is toegedicht terecht is.

Sebastian Barry, Wytske Versteeg: de redactie las een rustige roman met een soepele, sobere verteller, en een indringend essay over misbruik, kwetsbaarheid en taal.

*

Jan van Mersbergen: Sebastian Barry, Duizend manen

Een samengesteld gezin in een tijd waarin je dat niet verwacht, op een plek waar je dat niet verwacht. Sebastian Barry combineert in zijn nieuwe roman Duizend manen, vertaald door Jan Willem Reitsma, een gezinssituatie die je verwacht bij een hedendaagse sitcom zoals Modern family of Two and a Half Men met het wilde westen. Het werkt goed, vooral omdat hij Winona, de hoofdpersoon van Indiaanse afkomst, heel soepel laat vertellen.

‘Nou, ik barste gewoon in tranen uit toen ik hem zag aanrijden want zo was de toestand waarin ik verkeerde.

Winona vertelt. In de zin staan geen komma’s. Ze vertelt wat ze voelt. Het is expliciet. Ze is duidelijk. Ze probeert te beschrijven wat ze voelt, en het aangeven dat ze tranen had helpt.

De laatste weken heb ik mopperende reacties gekregen op de manier waarop ik op mijn site over boeken schrijf. Abdelkader Benali noemde het ‘close reading’, en hij gaf aan dat hij daar erg van houdt. Hij is een schrijver, en eigenlijk pluis ik proza na voor lezers die de technische kant van het schrijven interessant vinden, en schrijvers vinden dat interessant, daar zijn ze dagelijks mee bezig.
Een boekverkoper vond dat ik erg veel woorden nodig had om te zeggen dat het een kutboek is. Dat is nou precies het verschil tussen een kwalificatie en een analyse met daarbij hopelijk een uitleg die aangeeft waarom het boek een kutboek is, zonder die term natuurlijk te gebruiken. Schrijvers vinden kwalificaties niet prettig. Lezersreacties die aangeven wat het boek met de lezer doet kunnen ze over het algemeen wel waarderen. Die doen, als het goed is, recht aan het werk van de schrijver, omdat het lezen daarna ook gezien wordt als werk.
Een andere typische reactie was dat ik enkele zinnen uit een boek haal, uit de context, en aan de hand van die zinnen een heel boek kwalificeer. Dat doe ik wel, zinnen als voorbeeld gebruiken, want enkel roepen dat het hele boek geweldig is heeft voor mij minder waarde dan die ene zin die geweldig is, of juist niet geweldig. Het gaat echter niet om het complete boek, het gaat om de stijl, om de toon, om de vertelling, om de stelligheid, om de kracht van de vertelling, om de keuzes die een schrijver maakt, om de afstand tussen ik-verteller en lezer, tussen schrijver en personages, tussen schrijver en lezer. Dat spel, dat beschrijf ik.

De verteller van Barry heeft een groot minderwaardigheidscomplex. Interessante tegenstelling. Haar is van jongs af aan, als Indianenwees, duidelijk gemaakt dat ze niks is. Ze telt niet mee. Ze weet het. Ze is nog minder dan de slaven die nu weliswaar vrij zijn maar nog niks te zeggen hebben. Oud-slaven worden in de stad in elkaar geslagen. Nu ze bij twee mannen woont, een landlord, en twee oud-slaven, is Winona nog altijd de laagste in de rangorde. Ze weet het, ze kent haar positie.

Winona overkomt hetzelfde, ze wordt mishandeld en verkracht. Daar vertelt ze over. Niet in beschouwende passages, niet aan de hand van filosofische referenties, want die heeft ze niet. Ze vertelt hoe ze van onder vernield is.

Als in een roman een verteller opgevoerd wordt, en dat is een keuze van de schrijver, die totaal twijfelachtig is, zoals Johan Harstad doet in Max, Mischa & het Tet-offensief dan is iedere zin die hij formuleert op die keuzes terug te voeren. Zijn verteller twijfelt en houdt de lezer aan een lijntje. Hij is vertwijfeld, maar dat hoeft de vertelling nog niet twijfelachtig te maken. Een verteller kan heel goed iets stelligs zeggen, vanuit vertwijfeling, op een manier die de lezer doet geloven dat hij juist twijfelt. Die gradaties schuilen in een enkel woordje. Dat doseren is wat een schrijver doet, zodat de lezers iets voelen wat aansluit bij het verhaal, de personages, de leeservaring op zich.

Winona twijfelt niet, ze weet echter tegelijk niet wat er precies met haar gebeurd is. Dat is een ander soort twijfel dan het geharrewar van Harstad, dat bladzijden duurt. Barry kiest ervoor een Indianendochter het heft in eigen handen te laten nemen. Nu doet het verhaal er weinig toe, de vertelling is het belangrijkste, daarmee brengt Barry de lezer bij het gevoel dat verstopt zit in deze mooie roman. Mooi, omdat de lezer de kans krijgt iets te voelen.

Barry laat zijn hoofdpersoon vertellen over de slavenhutten, via het oud-slavenmeisje. ‘Er waren drie dozijn geweest. Daarbinnen, zei ze, was de mensheid een boek zonder omslag.’
De alinea houdt hier op. Geen sentiment, alleen het beeld van een boek zonder omslag. Dat is fladderig, dat valt uit elkaar, dat is kwetsbaar, dat is naamloos. De lezer heeft hier eigenlijk een witregel nodig om dit beeld even in te laten werken. Om zelf het beeld af te kunnen maken in je hoofd. Het is niet helemaal duidelijk, maar ergens in je hersenen ontstaat iets wat Barry vaag voor ogen heeft.
Geen losse vertelling die maar doordramt en de lezer overdondert met lege zinnetjes, zoals Harstad doet. Sla het vuistdikke boek maar open en je vindt altijd zo’n zinnetje.

Wacht even, dat doe ik.

‘Omdat ik hoe dan ook een spoor wilde achterlaten, rookte ik een laatste sigaret terwijl ik rondjes door de kamer liep en ik blies uit alle macht de rook tegen de muren, probeerde met mijn hand de nicotine voor eeuwig en altijd in het behang te wrijven.’

Daar hebben we Max weer, de verteller van Harstads opgehemelde roman. Lukraak een zinnetje. Scrollen door het boek op internet, stoppen, cursor stil. Daar istie. Een zonde, maar wel weer een zin die me direct duidelijk maakt dat ik te maken heb met een acteur die een pose aanneemt, die effect wil, van zijn eigen handelen. Ik verzin het niet hoor, het staat er. Een ik-verteller die een sigaret opsteekt omdat hij een spoor wilde achterlaten. Het is geen roker, hij wil iets bereiken met het roken van een sigaret. Terwijl hij rondjes door de kamer liep blies hij de rook uit. Uit alle macht, ook nog. Tegen de muren. Ik zie hem draven. Blazen. Een scène, jawel. Hij zet het nog even aan door de nicotine, niet de rook, het behang in te wrijven. Doe je best maar. lastig om de nicotine van de rook te scheiden, maar dat terzijde.

Ik bedoel maar, de ene schrijver brengt zijn beelden op een andere manier dan de andere schrijver. Het mannetje dat Harstad opvoert brengt iets anders over als de verteller van Barry. Mijn voorkeuren geef ik graag aan. Niet om lezers op een of ander spoor te zetten. Lezen is altijd lezen, maar wel hoop ik dat de technieken achter een boek, achter een hoofdstuk, zelfs achter een enkel zinnetje, op een of andere manier meegenomen worden in een analyse van het boek.

Laatst werd een recensent geïnterviewd. Hij zei dat het objectief analyseren van een boek onzin is. Nu heeft hij zeer sprekende persoonlijke voorkeuren, vooral voor vrouwelijke schrijvers, zelfs zo sterk dat wanneer er een nieuw boek verschijnt van een vrouw en je weet dat hij het gaat bespreken, het bijna mogelijk is die recensie al te schrijven voor hij verschenen is. Toch spreekt het idee van persoonlijk over boeken schrijven me erg aan.
Waarom bevalt dit boek van Sebastian Barry me zo goed, en dat van Harstad niet? Waarom denk ik bij de ene verteller: stel je niet aan, en neemt de andere verteller mij moeiteloos mee haar verhaal in? Dat is het verhaal dat ik als lezer en als schrijver hier graag wil vertellen.
Vanzelfsprekend heeft dat te maken met wie ik ben, met wat ik kan waarderen, met de manier waarop er vroeger in de polder tegen me gepraat werd, welke waarden daar belangrijk waren, welke waarden me naar de stad dreven, waarom ik wel voor schrijven kon kiezen en niet voor muziek maken. Het heeft te maken met mijn reactie om mijn omgeving, want een roman is een zelfgekozen andere omgeving die ik op bepaalde momenten binnenlaat. Is dat in de winter en de dagen zijn kort en donker, dan leest een boek al anders dan in de schaduw op een zonnige dag met een koud drankje naast je. Dat speelt ook mee. Maar vooral kunnen romans en vertellingen aangeven wie je bent, als lezer, als mens.
Dat ontdekken, dat uitpluizen, dat is een andere manier van lezen dan enkel vluchten voor wie je bent door te verdrinken in een dik boek. Dat sla je dicht, onder de indruk, maar over jezelf heb je niks geleerd.

Terug naar Duizend manen, en dat andere boek.
De stellige manier van vertellen van Winona, die op geen enkel moment een pose aanneemt of vreemde handelingen verzint om haar gevoel over te brengen, die zeg maar geen nicotine in het belang wrijft om wanhopig aan anderen, die er op dat moment niet eens bij zijn, maar die pas later als toehoorders / lezers de pineut zijn, te laten zien welke gevoelens er in haar borrelen, neemt het heft in eigen handen.
Dat doet ze. Direct. Ze kronkelt niet honderd bladzijden met dat besluit in haar hoofd en reacties in haar lijf, al vertelt ze wel dat ze nadat ze verkracht was over haar hele lichaam trilde. Dat trillen draagt bij aan het overbrengen van wat haar overkomen is zonder toneel te spelen, dat voelt de lezer meteen. Ze schaamt zich bijna dat ze trilde, zo vertelt ze het. Als de jongen op wie ze misschien een oogje had bij de boerderij komt aanrijden en Winona hem niet wil zien, dan beschrijft ze het trillende oude paard waar hij op zit. Dat trillen is precies hetzelfde beschreven.
Ik blijf denken aan de verteller van Harstad die nicotine in het behang wrijft. Sorry hoor, maar wat zou Barry van zo’n personage en zo’n handeling gemaakt hebben?

‘Je kunt niet je hele leven een tranenfontein zijn,’ zegt Winona.
Winona is zo veel sterker, de vertelling is zo veel sterker. Ondanks die tranen, ondanks dat trillen in haar beschadigde lijf. Wat Duizend manen zo veel sterker maakt is de overdrachtelijkheid. Waar Harstad zijn verteller schreeuwend en poserend voor je zet laat Barry zijn vertelster onder je huid kruipen. De ene wil je het liefst wegsturen, als een verkoper die aan de deur staat, deze Winona wil ik vasthouden en beschermen. Een romanpersonage waar je voor wilt zorgen, als lezer. Is dat niet het mooiste compliment? Is dat niet wat schrijvers moeten zien te bereiken?

Soms is het taalgebruik van Winona erg formeel, overdreven formeel. Zo noemt ze advocaat Briscoe steeds ‘de advocaat Briscoe’, en formuleert ze: ‘Ik had de indruk dat de advocaat Briscoe vanaf zijn eerste verschijning vreugde in hem schepte.’ Briscoe vond iemand leuk, maar ze zegt het wat stijfjes. Een manier van spreken die me in De ondergrondse spoorweg van Colson Whitehead erg tegenstond, niet ontoevallig ook een boek over slaven in Amerika, maar hier begrijp ik het wel, voel ik het wel, past het bij de verteller. Het grote verschil: Barry laat een ik-verteller dit zeggen, van binnenuit. Whitehead vertelt zelf zo.

‘Ze spraken over hun opleiding aan de jongensacademie in Paris die ze allebei in verschillende jaren hadden bijgewoond.’

Dat zijn geen vertaalfoutjes, dat is de stem van Winona zoals Barry hem bedacht heeft, de stem van een Indianenmeisje tussen slaven. Die volgen geen opleiding, in hun beleving woon je een opleiding bij. Die afstand tot opleiding zit compleet in haar stem. Mooi.

Had ik al verteld dat in deze roman, Duizend manen, de twee oude mannelijke personages die voor Winona zorgen dezelfde mannen zijn als die in Dagen zonder eind, de roman van Barry die in drie jaar geleden las? Ik kwam er pas achter toen ik al zestig pagina’s op weg was in deze nieuwste. Barry legt niet de nadruk op die mannen, op hun verleden, op hun relatie die duidelijk homoseksueel is, maar dus niet dusdanig benoemd.
Het verschil tussen de vertellers is zo opvallend en eenvoudig, en een gevoelskwestie. Dat kan iedereen. Over het vertellen en opschrijven zeggen beide vertellers iets. Vergelijk de Max van Johan Harstad met de Winona van Sebastian Barry.
Max: ‘Ik schrijf dit tenslotte voor jullie, voor ons, voor mezelf. Ik schrijf dit voordat ik het vergeet.’
Winona: ‘Ik weet die dingen dus ik schrijf ze op.’
Bepaal zelf maar welke insteek, toon en zegswijze je voorkeur heeft.

Duizend manen vraagt wel iets van de lezer. Het vraagt niet achterover te leunen en je te laten overrompelen, het vraagt een traag leestempo, aandacht voor zinnetjes, een pauze, en weer verder op pad met Winona.
Ze weet: alle rivieren komen uit in de zee. Ze had de sheriff kunnen doodschieten, maar ze deed het niet. ‘Maar net als de rivier, later, kwam het allemaal op hetzelfde neer.’ Daarmee sluit ze het zesde hoofdstuk af nadat ze verteld heeft dat ze de sheriff dood had kunnen schieten en ‘dan een verhaal had gehad dat door een plotse wending was geraakt.’
Dat heeft het boek wel, maar dat weet ze zelf niet.
Ik besteed weer erg veel woorden, ruim tweeduizend, aan een roman die waarschijnlijk de zestigduizend woorden maar net haalt. De verhouding bespreking : roman is één op dertig. Dat zou een eis voor boekbesprekingen in kranten moeten zijn, in plaats van driehonderd lovende woorden over een boek van duizend maal zoveel woorden.
Dat zijn de Duizend manen uit de titel.
Mocht je niks te doen hebben, deze weken, thuis, lees dan dit boek. Lees het heel rustig, dit boek, want het zit vol indringend gevoel.

Querido gaf Duizend manen uit. Lees een fragment op Athenaeum.nl.

Daan Stoffelsen: Wytske Versteeg, Verdwijnpunt

Het nieuwe boek van Wytske Versteeg, een essay, Verdwijnpunt, begint prachtig, met een beeldspraak die duisternis en kwetsbaarheid oproept:

‘Misschien zou dit boek stekels moeten hebben. En ook een kaft niet van gewoon karton, maar van een materiaal met het soort rotsachtige hardheid waaraan je je kunt stoten en bezeren. Of ik zou het in waterverf moeten maken in een huidkleur die bijna doorzichtig is, of anders van glas dat breekt als je het aanraakt.’

En dat klopt, dit boek is openhartig en hard, gegroeid vanuit een geschiedenis van misbruik en aanranding, van depressie ook, verwijdering van geliefden, zelfmutilatie, zelfmoordverlangen. De autobiografische gegevens die Versteeg aanreikt, hakken erin of schrijnen, ze raken je. De feiten zijn verschrikkelijk. Maar Versteeg mijdt sentiment (‘niet zonder me af te vragen of die woorden niet al te groot, te melodramatisch zijn voor iets wat zo vaak voorkomt als seksueel geweld’), ze zoekt naar taal die past, naar hoe het schrijverschap bij haar past ook. Ze bevraagt taal. Wat is ‘trauma’, vraagt ze zich bijvoorbeeld af:

‘Een traumatische gebeurtenis doorboort de huid – de grens tussen mijzelf en de wereld buiten mij – en verstoort de samenhang van levend weefsel. Het is een moment als een klap of een snee of een schok, waardoor een plotselinge scheiding ontstaat. Als ik mezelf tijdens het koken per ongeluk in mijn duim snijd, zal ik mijn beweging staken zodra ik de pijn van de snee voel. […] Een onhandige beweging met een keukenmes beschadigt de huid van mijn vinger, maar er zijn ook ongerechtigheden die schade toebrengen aan mijn “tweede huid”: mijn reputatie, waardigheid of zelfbesef.’

Wat een grote woorden, dacht ik: waardigheid, zelfbesef. Maar Versteeg illustreert het overtuigend. Ze verdiept de metafoor die ‘trauma’ is in psychische zin, en laat zien hoe het een mens kan beïnvloeden, en deel is van een maatschappij. Of de lichamelijkheid van ons ik, daar schrijft ze ook over: ‘Stay in touch, zeggen de Engelsen, keep in touch, blijf zo dicht bij mij dat ik je kan aanraken, dat ik mijn arm kan uitstrekken om de contouren van je lichaam af te tasten, er zeker van te zijn dat jij het nog steeds bent, al liggen er jaren en kilometers tussen ons in. […] Out of touch, dat ben ik, niet meer in staat om aangeraakt te worden, ook niet als de fysieke afstand opgeheven wordt en we weer in dezelfde kamer zijn.’

Minder dan Manon Uphoff, die met Vallen is als vliegen een monument oprichtte voor het misbruikte kind én een geweldige roman schreef, tast Versteeg de gebeurtenissen zelf amper af – nu doe ik het ook, het ontwijken (‘Waar ik vermeed, en nog altijd vermijd, een naam te geven aan wat er gebeurd was, zocht ik wel naar de meest passende woorden om de pijn te beschrijven die ermee samenhing.’) – maar kijkt ze naar de tijd daarna. Hoe het tussen jou en de omstanders (haar ouders) komt te staan, hoe het je zelfvertrouwen beschadigt, je vertrouwen in anderen, hoe het je schokt en doet wankelen en omver werpt. Hoe uiteindelijk één persoon je kan helpen, misschien zelfs helen (waarom die term passend is, weet ze ook overtuigend te zeggen).

Maar dat dit boek niet per se de afsluiting is. (‘We willen niet dat iemand uit de afgrond terugkeert zonder iets voor ons mee te nemen; we willen helemaal niet horen dat het er gewoon alleen maar zwart is. Maar als er al iets is wat je kunt meenemen, als er iets is wat je kunt leren van ervaringen die je net niet doden, dan is dat niet in woorden uit te drukken, niet zonder onmiddellijk te verschrompelen tot een cliché, iets wat duizenden mensen al duizenden keren eerder hebben gezegd.’)

Dit alleen al, beschreven in een zuivere stijl, is een prestatie. Maar Verdwijnpunt is, in de persoonlijke, zoekende vorm die ik het liefst zie, ook een essay. Versteeg heeft zich ingelezen, en verwerkt soepel citaten uit de wetenschappelijke literatuur en de filosofie, uit romans, gedichten en memoires. Ik moest denken aan Manon Uphoff dus, maar ook aan Eva Meijer, die in De grenzen van mijn taal haar depressies onderzocht, en dat verbond met literatuur, taal, filosofie, psychologie.
Verdwijnpunt is net als dat essay literaire non-fictie: niet de plot, die is triest genoeg een verhaal van velen, maar de verwerking doet ertoe: die is gevoelig en intelligent. En prachtig geschreven. Ik heb veel geleerd en hoop meer te leren na herlezing over pijn, geweld, verdriet, kwetsbaarheid, taal.

Querido gaf Verdwijnpunt uit. Lees een fragment op Athenaeum.nl.

Henry Roth, Teju Cole: de redactie las een roman van 85 jaar geleden met trage uitgebreide scènes waarin van alle personages een mooi beeld geschetst wordt en waarin steeds bijzonder scherpe tekenende zinnetjes terugkomen, en een essay over vertalers en hulpverleners aan de grens – en hoe ze beide groepen De oversteek verzorgen.

*

Jan van Mersbergen: Henry Roth, Noem het slaap

Ruim vijfentachtig jaar oud is Noem het slaap, de oorspronkelijke titel Call it sleep klinkt een stuk beter, de bildungsroman van Henry Roth, en nog steeds leest het boek ontzettend goed. We volgen David, een jonge Pools-Oostenrijkse immigrant die in 1907 als tweejarige in New York aankomt. Zijn Joodse familie bestaat uit zijn liefdevolle moeder en geschifte vader.
Meteen in een van de eerste scènes moet de jongen als hij een jaar of zeven is het kantoor binnengaan waar de vader gewerkt heeft om diens spullen op te halen: wat kleren en het geld dat hij nog tegoed heeft. De jongen wordt vriendelijk ontvangen, krijgt de spullen vrij soepel mee, wat de vader later erg tevreden stemt, maar de jongen komt er ook achter dat zijn vader in het kantoor mensen met een hamer heeft bedreigd. Hij verzwijgt het incident, draagt het vervolgens als een last met zich mee.
Dat zal David vaker doen. Als een meisje dat hij hem in het gebouw in een ander appartement woont hem in een kast duwt en kust en aan hem wil zitten, een MeToo-scène van bijna honderd jaar oud met een meisje als dader en een jongen als slachtoffer, probeert hij het meisje voortaan te ontlopen. Hij denkt er wel heel vaak aan.

Een bildungsroman, dan weet je: dat verhaal begint in de jongste jeugd en de schrijver gaat de tijd nemen. Dat gebeurt in Noem het slaap ook. Roth – geen familie van de bekendere Philip Roth – schrijft trage uitgebreide scènes waarin van alle personages een mooi beeld geschetst wordt en waarin steeds bijzonder scherpe tekenende zinnetjes terugkomen.
Als de vader de jongen naar zijn voormalige kantoor stuurt en de jongen hetgeen hij moet zeggen herhaalt en probeert te onthouden zegt de vader: ‘Zeg het in het Engels, idioot.’
Als de moeder vertelt over haar jeugd in Oost-Europa blijkt ze uit een zeer welgestelde familie te komen. Ze hadden wel vijf bedienden. Ook vertelt de moeder over mensen die dood gaan: ‘Ze sluiten hun ogen voor een slaap van eeuwige jaren.’ Die mensen worden begraven, en het is voor altijd. Alles wat de moeder daarna vertelt dringt niet meer echt tot David door. Hij blijft in zijn hoofd maar herhalen: ‘Donker. In het gras. Eeuwige jaren…’

Pijnlijk is het als David zich niet lekker voelt en zijn vader hem tijdens het eten beschimpt. Er is een huisvriend op bezoek. Een vreemde man, Luter. De jongen is misselijk, zegt iets geks, de vader zegt dat hij de soep moet eten: ‘Nou komt er nog wat van?’
En verderop: ‘Gedurende de rest van de maaltijd at David heel voorzichtig, zo nu en dan heimelijk opkijkend om te zien of hij soms iets deed wat zijn vader mishaagde. Naar Luter waagde hij het geen moment te kijken, uit angst dat alleen het zien al van die man hem zo in verwarring zou brengen dat hij nog meer blunders zou begaan. Toen zijn moeder het dessert voor hem neerzette, was hij al met zichzelf aan het overleggen of er niet een manier was om zich terug te trekken, een plekje waar hij zich verstoppen kon terwijl ze toch dachten dat hij er was, of tenminste niet anders verwachtten.’

Die arme jongen. Roth beschrijft precies zijn gedachten en overwegingen, in een huiselijke scène die levendig en rustig tegelijk is. Roth vertelt erg veel, doet niet aan show, don’t tell, maar schenkt je wel een beeld van deze jongen met genoeg informatie en tempo zodat je zelf dat beeld kunt vormen. Het laatste stukje, inleving, laat hij aan de lezer over. Dat lukt hem erg goed.
Zijn vader is een ellendeling, de vriend van zijn vader een waardeloos figuur, jongens in de buurt pesten hem, jagen hem op. Je hoopt steeds dat David iemand vindt die aardig voor hem is, zo simpel is de emotionele lading van dit boek. De verwachting en de hoop die Henry Roth bij de lezer dumpt komt neer op mededogen. Een klein menselijk omzien naar deze jongen. Het is een harde manier van schrijven en een verhaal vertellen: zo’n ventje allerlei ellende mee laten maken zodat de lezer op dat spoor gezet wordt.

Daan Stoffelsen: Teju Cole, ‘Carrying a Single Life: On Literature and Translation’

Alsnog was ik op het Boekenbal, om mensen handen te geven en te zoenen en te spreken en mee te dansen (ik zit nu in provinciale quarantaine, op advies van de overheid), en als illustratiemateriaal bij Gilles van der Loo‘s blog bij Tirade. Dank daarvoor aan onze uitgeverij! Natuurlijk zette het gesprek zich voort over het Boekenweekessay, en op het nippertje liep ik Arie Storm tegen het lijf, die vond dat ik vier dingen veel explicieter en zwaarder had moeten zeggen, en zijn laatste punt heeft duurzame waarde voor elk Boekenweekessay: maar het ís helemaal geen essay!

Nu is die genreaanduiding swoieso sterk gedevalueerd (Sjoerd de Jong merkte afgelopen weekend op dat het ‘zo langzamerhand een parapluterm voor alle stukken waarin de pen wat losjes wordt gevoerd’ is), maar ik denk dat Arie en ik het wel eens zouden worden over dat een persoonlijk perspectief, een onderzoekende geest (en blijk van onderzoek) en twijfel als basis horen bij het essay. Rancune, een oppervlakkige overtuiging en belediging zijn dan een wat beperkte invulling.

Je zou, in lijn met Gerwin van der Werfs pleidooi voor betere, bijzonderder Boekenweekgeschenken met meer experiment – ‘Sta toe dat het mislukt (dat doet het nu ook, vaak zelfs) -, hopen op échte essayisten, die hebben we toch nog wel, de Hanlo Essayprijs kan elk tweede jaar weer een mooie shortlist samenstellen, en we hebben waardige P.C. Hooftprijswinnaars in dat genre.

Maar ik vrees dat dit een stap te ver is: de Boekenweek is voor elk boek en elke lezer (en niet-lezer), en de wendbaarheid op tv van iemand als Akyol lijkt voor het bereik onontbeerlijk. Daarom stel ik voor dat De Revisor volgend jaar het thema volgt en opdracht geeft tot twee of drie essays. Dit speciale themanummer – ik hoop op ‘Mijn beste vriend. Boeken over honden’ of ‘Kedengedeng. Literatuur en seks’, maar democratie, Scandinavië en de Noordzee mogen ook – vullen we verder met vertaalde literatuur en de tien grootste ongepubliceerde talenten van de Nederlandse literatuur. We laten het nummer de dag voor de Boekenweek verschijnen en maken het € 15,-, je krijgt het bij aankoop het Boekenweekgeschenk, en de redactie verzorgt in het voorprogramma van het Boekenbal een mimevoorstelling.

(Noot aan de redactie: niet alles in bovenstaande alinea is een grap.)

Nu is de Boekenweek bijna klaar, en dan komt het volgende hoogtepunt: ons nieuwe nummer! ‘De oversteek‘ is ‘een nummer over water en land, eiland en overkant, beweging en isolatie, standpunt en migratie’, met Jeroen van Kan, Mathijs Deen, A.L. Snijders, Jan van Mersbergen, Emily Kocken, Marjolijn van Heemstra, Cynan Jones, Laura Broekhuysen, Miek Zwamborn, Roberta Petzoldt, Iduna Paalman, Ocean Vuong, Bart Koubaa en Erik Lindner. Mooie line-up, vind ik, maar zoals bij elk nummer kwam op het laatste moment iets langs wat zó goed had gepast… Vorig nummer, ‘Huid’, was dat Naomi Rebekka Boekwijts verhaal ‘Psychiatrische dagen‘, dat we toen online hebben gepubliceerd.

Nu is het een essay van Teju Cole. Teju Cole is een van mijn favoriete schrijvers, een stilist, een sombere romancier, met oog voor schoonheid en onrecht – ik heb zijn Open stad als een van de vijf beste romans van de afgelopen twee decennia genoemd. Dit stuk, een bewerking van een ‘keynote address’ bij het Haus der Kulturen der Welt, Berlijn, 18 juni 2019, trekt vertaling in ons thema: ‘The translator, then, is the ferry operator, carrying meaning from words on that shore to words on this shore.’

Jona Hoek (voor Cynan Jones) en Astrid Staartjes (voor Ocean Vuong) deden dat natuurlijk ook al impliciet, maar Cole wijst op de inventiviteit van vertalers. Het persoonlijke perspectief: zijn Italiaanse vertaalster heeft een woord verzonnen, ‘nerità’, om de volle betekenis van ‘blackness’ recht te doen in zijn essay, zijn Duitse worstelde met een eerste zin van Open City. Ik vind dat geweldige verhalen, ik verzamel ze niet voor niets op Athenaeum.nl, ze wijzen je op de beweeglijkheid en starheid tegelijk van taal, en Cole doet nog meer. Hij stapt over naar veermannen en -vrouwen in een concretere zin van het woord: de reddingswerkers in de Middellandse Zee en aan de Mexicaanse grens. (Het is bemoedigend dat de aanklacht tegen Scott Warren, vanwege zijn hulp aan de Amerikaanse grens, is ingetrokken – dat haalde deze publicatie niet.) En dan stelt hij een verrassende vraag:

‘Can we draw a link between the intricate and often modest work of writers and translators, and the bold and costly actions of people like Pia Klemp and Scott Warren? Is the work of literature connected to the risks some people undertake to save others? I believe so—because acts of language can themselves be acts of courage, just as both literature and activism alert us to the arbitrary and essentially conventional nature of borders.’

Een voorbeeld is een Turkse filmmaker en hoogleraar die protesteerde tegen het geweld tegen de Koerden, en nu door de overheid aangeklaagd is. Hier gaat een intellectueel standpunt over in een levensbedreigende, of althans een-leven-in-vrijheid-bedreigende situatie. En: ‘My friend finds herself in great danger for her stand, and so now it is her turn to be ferried to greater safety, because she did the right thing, and we must, too.’

‘What we can go to literature for is both larger and smaller than any cliché about how it makes us more empathetic.’ Nee: ‘Literature does not stop the persecution of humans or the prosecution of humanitarians. It does not stop bombs.’ Maar: ‘I offer this: literature can save a life. Just one life at a time.’

Is dat zo? Coles intentie is zuiver (maar ja, dat beweerde Akyol ook, nadat hij alle kleine kinderen van het literaire schoolplein had weggepest), dat is evident, en intentie en de langere-termijngevolgen zijn denk ik ook wat de oversteek mogelijk maakt tussen het schrijven en vertalen op je thuiswerkplek en het levensgevaarlijke werk bij de grenzen. ‘Contrary to the general noise of the culture around us, writing has reminded me in some modest but essential way of things that people don’t want to be reminded of. Inside this modest thing called literature, I have found reminders to myself to negate frontiers and carry others across, and reminders of others who carry me, too.’

We hebben mensen nodig om ons te redden, te dragen, en mensen om ons eraan te herinneren dat er mensen gered moeten worden – dit essay is zo’n herinnering.

‘Carrying a Single Life: On Literature and Translation’ verscheen bij The New York Review of Books.

Özcan Akyol, Arnon Grunberg: de redactie las, solo ditmaal, het Boekenweekessay dat ondanks mooie idealen pesterig leest, en een roman die ergens over gáát maar de conflicten iets te gekunsteld opzoekt.

*

Daan Stoffelsen: Özcan Akyol, Generaal zonder leger, en Arnon Grunberg, Bezette gebieden

Vanaf morgen Boekenweek! Vandaag dus de nieuwe Arnon Grunberg, en vooruit, vast het Boekenweekessay. Dat deed wat stof opwaaien, en dat begrijp ik, want Özcan Akyol zegt zinnige dingen: het boekenvak, de literatuur, schrijvers en lezers zouden beter af zijn met een bredere blik. Minder gericht zijn op hoge literatuur en academische analyse. Minder zeuren over bestseller-verhalenvertellers, minder elitair, minder incestueus, minder conservatief. Bevlogen schrijvers voor de klas. Mediatraining? Meer engagement! Akyol denkt dwars, rebelleert.

Het thema is ‘Rebellen en dwarsdenkers’, en het valt op dat niet alleen de essayist, maar ook de Boekenweekgeschenkauteur lijken aan te haken bij dat thema. Alleen is de toonzetting heel anders: Annejet van der Zijl schreef een warme liefdesgeschiedenis over een stel dat elkaar vindt in hardcore slavernijgebied en het ontvlucht. Zij, een geboren slavin, hij een Nederlandse burgemeesterszoon en internationale zakenman. Ze worden gelukkig in de onderduik. Hun verhaal is een voetnoot bij de slavernijgeschiedenis van Charlottesville, en die naam zou een alternatieve titel voor Leon en Juliette kunnen zijn, zo belangrijk is dit steeds sterker radicaliserende decor voor het persoonlijke verhaal, zoveel ook weet Van der Zijl erover te vertellen. Maar ze maakt die voetnoot menselijk, waardig, een verrassend verhaal.

Akyol verrast niet: al decennia zijn er mensen binnen de elite die vooruitstrevender zijn dan de rest, zoals Baudet en Wilders tegen de politieke elite strijden. De elite is avantgarde. En hoewel zijn punten dus zinnig zijn – als mijn samenvatting inderdaad Akyols boodschap is, schaar ik me achter deze generaal -, zijn ze niet nieuw. Maar hoe stellig Akyol in Generaal zonder leger (een mooi beeld! ‘Schrijvers zonder lezers. Desondanks blijven ze met veel aplomb anderen uitleggen hoe het allemaal moet.’) ook is, hij roept nog vragen op. Het essayistische, de twijfel is aan de lezer: is Akyol zelf nu een lezer of een niet-lezer, wanneer komt Akyols eigen grote geëngageerde roman, heeft iedere schrijver wel Akyols talenten als literair ambasseur op tv en voor de klas? Maar vooral, een vraag die me het meest dwars zit:

Valt Akyol de juiste mensen aan? Bestaat ‘het boekenvak’, incestueus en conservatief als hij het noemt, uit boekhandelaren uit de provincie, oude en jonge schrijvers die niet van hun werk kunnen leven, juryleden, een klein links tijdschrift, een professor uit Groningen? Zijn zij representatief? Heerst daar echt het dédain dat hij beschrijft? Gaat hij ze vanavond treffen op het Boekenbal, tussen de concerndirecteuren, boekenchefs van grote kranten, bestsellerauteurs, Prometheus-collega’s en mediamensen? Waarom maakt Akyol hen zo belangrijk, waarom schopt hij naar beneden?

(Voor ‘hen’ mag je ook ‘ons’ lezen, ik woon ook in de provincie en oordeel over literatuur.)
(Oh, en ik vroeg me ook nog af wie buiten de grachtengordel, buiten het boekenvak deze kwestie interessant vindt, maar de vraagstelling moet dus eigenlijk omgekeerd zijn: wie buiten de provincie? Behalve De Groene Amsterdammer zit geen van Akyols zondebokken aan de gracht.)

Kijk, het is lullig dat hij bekritiseerd wordt omdat hij een mediapersoonlijkheid is, en ook lullig voor Lucinda Riley, maar hoe zuiver zijn intenties ook zijn, door de manier waarop hij zijn idealen uitdraagt, wordt hij een Greta Thunberg die Trump-tweets verstuurt. Een draai aan het thema: ‘Pestkoppen en plaaggeesten’.

(De vrijdag voor de Boekenweek is te laat om echt iets nieuws te zeggen, maar ik las met instemming Jamal Ouariachi’s stuk in NRC, de systeemkritische reacties van jonge schrijvers in de Volkskrant, en reacties van Joost Baars en Jan-Willem Anker op Twitter.)

*

Voordat ik boos werd over het Boekenweekpamflet, wilde ik het dus over Arnon Grunberg hebben, een schrijver die plagen in zijn poëtica heeft staan, maar minder op de man. Hij zet de menselijke waanzin nét iets aan, draait het conflict op, gooit er paradoxen in waarbij je stil moet blijven staan. Bezette gebieden is een bizarre achtbaan van Amsterdam via Zeeland en retour hoofdstad naar een illegale nederzetting op de Westelijke Jordaanoever naar Jeruzalem, van grensoverschrijdend professioneel gedrag tot doodswens van vader, literaire toeëigening van andermans verhalen, de mediadynamiek rond vermeende schandalen, politieke discussie over de bezette gebieden, antisemitisme en erotiek, religie, tot dat alles en de liefde.

Als mijn samenvatting enigszins klopt, dan is het een wonder dat dit boek leesbaar is. En dat is het – zelfs als je, zoals ik, niet goed bent in ironisch lezen. Ik ben geen fan van Grunbergs oeuvre, en daarin werd ik óók bevestigd, maar het werkt, en dat is interessant.

Hoofdpersoon Kadoke (bekend van Moedervlekken), psychiater, wordt uit zijn ambt gezet na een beschuldiging van werken buiten de protocollen (dat kan hij uitleggen) en seksueel misbruik (dat betwist hij). Tegelijk wordt die beschuldiging verwerkt in een roman van de nieuwe geliefde van zijn vermeende slachtoffer, en belandt hij in een trial-by-media, inclusief stuntelig tv-optreden, meningen en opiniestukken van mensen die het boek niet hebben gelezen en zelfs een eenpersoonsdemonstratie bij de uitreiking van de literaire prijs waar de roman voor genomineerd is.

(Ik las Bezette gebieden parallel aan Thomas Heerma van Voss’ boek, die een soortgelijke dynamiek beschrijft, maar dan rond autobiografisch schrijven, en wat levensechter. En natuurlijk moest ik bij het lezen van Akyols boek hieraan denken, dat is eigenlijk zo’n opiniestuk van iemand die zijn slachtoffer niet leest of zich in hem verdiept, ditmaal voorafgaand aan het tv-optreden.)

Kadoke wordt een paria. Hij valt. ‘Het vallen maakt hem duizelig, vaag kan hij zich een gevoel van duizeligheid herinneren als hij aan zijn eerste verliefdheid denkt. Alsof de maatschappelijke val en de verliefdheid iets gemeen hebben, de sensatie van vrijheid.’ (Bizarre associatie, maar toch ga je denken: zit er iets in?) Dan dient zich een ver familielid aan uit Israël, die rabiate dingen zegt over de Joodse zaak, en met wie Kadoke opeens seks heeft. Wordt hij verliefd op haar?

‘Maar Kadoke heeft even geen oog voor vader, hij is een verliefde ezel, verliefd op zijn eigen projecties, maar was het ooit anders? Anat heeft alweer teruggeschreven: “Je bent onuitstaanbaar, Kadoke, je vertoont alle onuitstaanbare trekken van een zelfhatende geassimileerde Jood, maar ik zal ophouden met die hoofdletters, belangrijk is namelijk dat je hierheen komt. De rest doet er niet toe. Al zou ik het op prijs stellen dat je de Eeuwige met hoofdletters schrijft of het gewoon over Hasjem hebt, De Naam. Wij weten wat wij bedoelen als wij ‘De Naam’ schrijven.”’

Allemachtig. Maar Kadoke gaat, met zijn vader die het liefste dood wil, naar deze verre achternicht Anat toe. Hij wordt onthaald als een verlosser, iemand die haar eindelijk kinderen kan bezorgen, er is een huwelijk, er is bizarre seks, er komen geen kinderen maar wel een affaire. Telkens accepteert Kadoke de situatie snel – al kan hij de viesheid bij zijn schoonfamilie moeilijk niet zien – en schijnbaar zonder overgang is er weer een nieuw conflict, en hoewel het in zekere zin rond is op de laatste pagina, had weer een nieuwe confrontatie me niet verrast.

Want dat is het interessante: telkens roept Grunberg tegenstellingen op. Zo is Kadoke een tegenstander van de Israëlische annexatie, maar hij woont tussen de kolonisten, Anat wil een Joodse man, maar kickt op de Holocaust, en ze streeft naar een liefdeloos huwelijk.

‘Met haar hand, haar zachte hand, in de zijne blijft hij zitten, luisterend naar het gesnurk van vader en eindelijk zegt hij: “Anat, laat me meer zijn in jouw leven dan een dekhengst. Ik verlang naar jouw liefde en je zult me nu vast weer ervan beschuldigen dat ik te lang onder de christenen heb geleefd, en ik begrijp jouw bezwaren tegen de liefde, voor zover het doordachte, weloverwogen bezwaren zijn, voor zover ze meer zijn dan intuïtieve afkeer, maar ik verlang naar je begeerte, dat is wat ik bedoel, ik verlang naar iets wat jij me misschien niet kunt geven, maar is dat niet de kern van de liefde, of je dat nu liefdeloosheid noemt of niet, dat je altijd verlangt naar iets wat de ander niet te geven heeft?
[…]
Ik weet waar ik ben, in een religieuze nederzetting, en toch vraag ik het je, want alles wat verboden is gebeurt, ik vraag het je omdat ik mezelf zou vervloeken als ik het niet zou vragen: begeer mij, dan zal ik jou begeren. Wat kunnen we elkaar anders geven? Behalve de liefdeloosheid, laat het de tederste liefdeloosheid zijn die mensen zich kunnen voorstellen.” Anat ondersteunt haar hoofd met haar vrije hand en zegt: “Woorden, woorden, woorden, wat een woorden. Heb je ook zoveel gesproken met je patiënten? Geen wonder dat je geen psychiater meer mag zijn.”’

Kadoke tekent zelf voor de tegenstellingen, Anat gaat er hard tegenin, en vervolgens hebben ze seks. Je probeert zijn gedachten te volgen: ‘Hij hoopte op liefde, hij kreeg een huwelijk, dat overkomt wel meer mensen. Het is niet zozeer spijt die hem overvalt als wel toch twijfel: kan liefde echt een noodsprong zijn? Of blijft de noodsprong altijd door de liefde heen kieren?’ En niet zelden denk je: eh, nee, maar het tempo is hoog, en ik heb regelmatig gelachen. En dan kan Grunberg ook nog teder zijn – vooral in het laatste deel van de roman.

Toch ben ik nog geen fan. Ja, het is spannend wat Grunberg doet, de slagvelden in zijn boeken doen ertoe, het gaat over liefde en dood, over overgave en de dingen waarvoor je vecht, en het decor is niet alleen maatschappelijk relevant, het kiert overal doorheen. Het gáát ergens over. Grunberg is geëngageerd – iets wat Özcan Akyol vast fantastisch vindt – en niet per se partijdig, en bovendien: zijn engagement strekt zich uit van het kwaad tot de liefde, en van het intiemste tot het grootste. Plus: Grunbergs gegoochel met abstracties geeft een begrip als liefde een veel grotere reikwijdte. Maar de seksscènes, toch een aspect van liefde zou je zeggen, zijn plat en kil, en de roman als geheel is zichtbaar geconstrueerd, je ziet de poppenspeler aan de touwtjes trekken, nergens vergeet je dat dit spel is. Beslissingen lijken lukraak, verliefdheden zijn plotseling, de confrontatie is gezocht, en de aforismen of sofismen van Kadoke zijn niet zelden precies wat sofismen zijn: leeg taalspel.

Moeten we dit aan Özcan Akyol aanraden voor ná Lucinda Riley’s zesde, Zon? Liever misschien onze eindejaarsfavorieten – je krijgt er bij de boekhandel een mooi geschenk bij.

Generaal zonder leger is een uitgave van de CPNB, Bezette gebieden van Lebowski. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Grunberg heeft in de Boekenweek een bescheiden tournee, waarbij hij ook Athenaeum aandoet.

Thomas Heerma van Voss en het korte verhaal: de redactie las een geslaagde roman over de menselijke conditie en de discussie over een ondergewaardeerd mooi genre.

*

Daan Stoffelsen: Thomas Heerma van Voss, Condities

‘“De arts is net weggeroepen voor een spoedje, voorlopig moet je het met mij doen. Ik heb begrepen dat je erge buikpijn hebt. Ellendig. Wat voel je nu?”
“Zwakte,” fluister ik. “En gêne.”’

Het is in de slotfase van Condities, de nieuwe roman van Thomas Heerma van Voss – onze collega hier, maar om enige afstand te creëren noem ik hem Heerma van Voss, zijn personage heet Vincent Pek, die noemen we Vincent, en Vincent Peks personage heet Gregor -, het is in de slotfase dus dat Vincent zijn bepalende conditie kernachtig samenvat. Erge buikpijn, dat is het feit, maar het gevoel is er een van zwakte en gêne. Je zou zeggen dat je die pijn ook voelt, maar dat is een minder subjectieve ervaring, en in het geval van Vincent Pek kun je het beter een toestand noemen, een zeurende achtergrondsituatie. Vincent lijdt aan de Ziekte van Crohn, een chronische darmziekte waarmee goed te leven valt maar die in extreme varianten of fases alles lam kan leggen – behalve je stoelgang.

De menselijke conditie is, in het geval van Vincent Pek en zijn personage, dat hij veel van hemzelf meegeeft, die van de patiënt: leven met een lichaam dat niet functioneert. Het helpt Vincent dat hij schrijver is, zijn werkplek thuis heeft privacy en een toilet nabij, maar zelfs voor zijn vriendin probeert hij zoveel mogelijk te verbergen. Seks is geen vanzelfsprekendheid. Sport evenmin. En dan lukt het ook nog niet met zijn nieuwe boek.

Dat Vincent Pek schrijver is – het element dat Haro Kraak er voor de Volkskrant uitpikte en dat Lucas Zandberg zonder blijk te geven iets gelezen te hebben in een opiniestuk in dezelfde krant ‘creatiefloos’ noemde -, is volgens mij dan weer minder essentieel voor deze roman. Maar het drijft wel het verhaal: Vincent besluit, op aanmoediging van zijn uitgever, een autobiografisch verhaal rond Gregor uit te bouwen tot een roman. Maar wat vertel je? Dik je aan, laat je dingen weg, voeg je dingen toe? Alles mag in de literatuur, maar dit is de voorwaarde: als er maar iets van jezelf in je roman zit, dan wordt je op alles aangesproken alsof het jouw leven is – of dat van anderen. In een tv-interview zeker:

‘“En voelt het dan niet gek om dat donorschap, de praktijk op die afdeling, te verwerken naast de ziekte die je door en door kent? Eigen je je dan niet iets toe waar je niets van weet en wat voor sommige mensen juist héél belangrijk is, net zoals die Crohn voor jou?”
Ik eigen me niks toe, zou ik eerlijk kunnen antwoorden. Maar heeft ze recht op die waarheid? Ik gun het haar niet. En daarmee zou ik het mezelf alleen maar moeilijker maken, een tv-studio is de slechtst denkbare plaats voor zo’n ontboezeming. “Tja, ik heb natuurlijk research gedaan.” Een waardeloze zin. Onvaste stem, zoekende toon.’

Die paradox van de mediacultuur – of eigenlijk de hele complexe tegenstelling tussen wat eigen is, wat privé, en wat publiek mag of moet zijn – licht Heerma van Voss pijnlijk scherp toe (levensechter dan Grunberg overigens, die een vergelijkbare dynamiek beschrijft in Bezette gebieden). Natuurlijk volgen er opiniestukken van mensen met een mening die geen boeken lezen, natuurlijk lezen ook dierbaren mee – Vincents boek legt een vergrootglas op wat hij verborgen wilde houden. En juist dan speelt zijn ziekte op.

Dat is meer plot dan ik wilde weggeven, maar die plot illustreert wel het punt dat ik wil maken: Condities gaat over een mens, een patiënt, een schrijver, in die volgorde, en verbindt lichamelijkheid, eenzaamheid, zwakte en gêne. Zo’n psychosomatisch samenspel van thema’s zie ik amper (Hanna Bervoets’ roman is een positieve uitzondering), en juist doordat deze ziekte niet extreem of dodelijk is, dringt de conclusie zich op dat dit niet iets particuliers is, iets van (Crohn-)patiënten. Dit gaat over ons allemaal.

Maar daarnaast is Condities ook gewoon een geslaagde roman. Natuurlijke dialogen, sterke scènes, en een vanzelfsprekendheid in de relaties tussen Vincent en zijn vriendin, ouders, schoonouders. Staat zijn persoonlijkheid echte verbinding in de weg, zijn werk, of zijn ziekte? En dan die technische ingreep: Heerma van Voss neemt in de eerste driekwart van de roman de ruimte, uitgebreid terugblikt op een eerdere relatie en op zijn ziekteverloop. Daar is alles normaal, leefbaar, bijna vlak, hoewel het wel onderhoudend en interessant is, en zelfs even extatisch als een medicijn aanslaat. Daar hanteert Heerma van Voss ook een derde persoonsperspectief. Afstand.
Iets na pagina driehonderd gaat hij over op een ‘ik’, in deel 2, ‘De verlossing’, en wordt alles scherper. De pijn, de betrokkenheid bij de hoofdpersoon, de conflicten die sluimerden: mokerslagen volgen elkaar dan op. Nabijheid.

Je kunt je afvragen, zoals Vincents uitgever ook doet bij De diagnose, of die eerste persoon niet de hele roman lang had kunnen mokeren – maar wellicht had je dan een Grunbergachtig boek gehad, immer intens – en waren de pijn, zwakte en gêne niet zo invoelbaar geweest.

Das Mag geeft Condities uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Zondag 15 maart wordt Heerma van Voss geïnterviewd bij het Martyrium, de enige boekhandel die in de roman voorkomt.

Jan van Mersbergen: het korte verhaal

De week van het korte verhaal is alweer voorbij. Het kreeg bij DWDD en in de geschreven media een beetje aandacht. Ieder jaar moet het korte verhaal opgekrikt worden in aanzien. Daar kunnen allerlei redenen voor zijn, dat de week van het korte verhaal precies in de week voor Carnaval gehouden wordt zegt genoeg. Dan zijn erg veel mensen met de voorbereidingen op dit immense religieuze openluchtfeest bezig en heeft niemand tijd om te lezen, ook niet het korte werk. Maar Carnaval is weer voorbij, tijd om een beetje bij te lezen, de treinreis terug duurt twee uur.

In de Volkskrant, de krant die recensies steeds korter maakt, schreven Annelies Verbeke en Mohammed Benzakour een betoog waarin herhaaldelijk het belang van het korte verhaal aan bod kwam.
In Nederland wordt raar naar het korte verhaal gekeken, daar begint het stuk mee. Wie er raar kijkt buiten Carnaval om, is onduidelijk. Verderop beweren kwade tongen dat ‘korte verhalen als vingeroefeningen, opstapjes naar het ware werk: de roman. Wat een onnozelheid.’ Wie dat beweert wordt niet benoemd. In Japan is het korte verhaal groter dan de roman, in Amerika ook, hier verschijnen amper bundels en de korte verhalenprijs waarvan ik de naam niet eens wil noemen werd niet uitgereikt.
Zorgelijke vragen, onduidelijke antwoorden; het slaat allemaal de plank mis. Roepen dat het korte verhaal belang heeft zonder te laten zien wat de kracht van een kort verhaal heeft geen zin, het benadrukt alleen maar dat het korte verhaal niks voorstelt. Zoals met die prijs, het signaal dat nu gegeven wordt is: de meeste verhalen zijn niet te pruimen.
Laatst bij een literaire avond werd de gast van de volgende editie tot twee maal toe aangekondigd als ‘onderschatte schrijver’. Daar komt die schrijver op deze manier dus nooit vanaf.
Een zinnetje in het betoog van Verbeke en Benzakour gaf aan wat het probleem van korte verhalen is:

‘Verhalenbundels verwachten van de lezer dat deze telkens weer onvoorbereid plaatsneemt in de huid van een nieuw personage, openstaat voor een narratief of stijlexperiment en op zoek gaat naar een doortimmerde eenheid in de ogenschijnlijke fragmentatie. Met die manier van lezen zijn blijkbaar weinigen vertrouwd. Een situatie van onbekend maakt onbemind? Of hebben auteurs hier zelf schuld aan?’

Dat eerste klopt precies. Onvoorbereid gaan lezen, steeds nieuwe personages die je niet kent, snippers. Korte verhalen lezen is vermoeiend. Schrijvers hebben daar geen schuld aan, lezers hebben daar geen zin in. Lezers willen langere tijd meeleven met een personage. Een roman van bijna vierhonderd bladzijden verzekert je geen kwaliteit, maar biedt wel het vooruitzicht dat je met dit verhaal en deze personages een weekje onder de pannen bent en niet steeds opnieuw hoeft te beginnen.
Waarom stelt niemand in de week van het korte verhaal de vraag: Hoeveel verhalen kun je lezen in een week?
Je zou zeggen: Een stuk of twintig, drie per dag, dat moet zeker lukken. Maar dat lukt dus niet.
En dat is tevens het sterke punt van een kort verhaal: een goed kort verhaal voelt alsof je een complete roman gelezen hebt. Na een goed kort verhaal moet je even uitrusten. Even juist niks meer lezen. Belangrijke eigenschap van het genre, dat in deze promotionele week vergeten wordt, want het zegt lezers: doe maar niet.

*

Mooi genre hoor, ook in Amerika gewaardeerd en op waarde geschat, maar je moet er wel bij vertellen wat het doet.
In de Volkskrant proberen Verbeke en Benzakour het:

‘Een goed kort verhaal is een vak apart. Het omvat de puurste vorm van vertelkunst. Elke zin vereist perfectie en efficiëntie. Hakmes en slijpsteen dienen, in alle bloemrijkheid, streng gehanteerd. Elke zin wordt minutieus afgewogen, vaak minutieuzer dan bij romans, om de simpele reden dat bij een geringe lengte onvolkomenheden sterker opvallen. De plot moet, zoals James Joyce al opmerkte, in een kort tijdsbestek vloeien naar een epifanie.’

Dat effect is heftig door de afwisseling, dat effect is veelvormig door de variatie. Een kleine wereld die opeens volledig en enorm is, en dan weer verdwenen. daar moet de lezer het mee doen.
Avond aan avond aardappelen, vlees en groente, dat is een roman. Een passage wat appelmoes erbij, maar verderop weer terug naar de basis. Een kort verhaal is een bijzonder gerecht, zoals bijvoorbeeld de inktvis die ik maanden terug in Kiev at. Daarna heb ik geen inktvis meer gegeten.

*

Ik hou van het korte verhaal, maar dwepen met het genre hoeft niet. Dat werkt eerder averechts.
Er zijn tijdschriften [waaronder dit tijdschrift, Tirade, De Gids, Hollands Maandblad, Terras – red.] die bijzonder sterke verhalen publiceren. Die tijdschriften hebben amper lezers, maar in de week van het korte verhaal hoor je bij DWDD, waar een uitgever aan mocht schuiven die af en toe nog een verhalenbundel publiceert, niemand over de plaatsen waar verhalen te lezen zijn, en in het artikel in de Volkskrant, door twee schrijvers, ook niet. De betogen zijn preken voor eigen parochie, zeker als er uit de tv-stal ook nog een bekende opgetrommeld worden om een verhaal van Herman Pieter de Boer voor te lezen.
Aardig verhaaltje, maar wel erg kort, met een minieme spanningsboog, wat ouderwets geformuleerd, en vooral expliciet anekdotisch; een vrouw komt verschikt uit de keuken, brokken roet ploffen omlaag, iemand roept gesmoord of schreeuwt, een emmer water wordt leeg gesmeten. De essentie van het korte verhaal waaraan maanden aan gewerkt en geschaafd is tonen aan de hand van een enkele pagina die in een uurtje toch echt wel op papier staat. Exemplarisch voor DWDD. Het is hetzelfde als aandacht vragen voor werkelijk bijzondere liedcultuur en een oudje van Herman van Veen laten horen:

Spetter, pieter, pater
Lekker in het water
Ga maar vast naar huis
Ik kom een druppel later

Juichen om een genre, maar alleen een behapbaar lollig stukje laten horen, waarschijnlijk uit angst voor het effect van een echt goed verhaal op tv.
Na een echt goed verhaal moet de tv een tijdje uit op om adem te kunnen komen. Even niks.
Leuk verhaaltje voor je gaat slapen? Na een goed kort verhaal kun je helemaal niet slapen.
Niemand bekommert trouwens zich om de lezers, behalve dat die wat verwijten krijgen: in andere landen kopen lezers dit wel! Dat de leescultuur daar totaal anders is wordt voor het gemak vergeten. Het blijft een intellectueel verwijt aan lezers, en eigenlijk ook aan schrijvers, uitgevers, literaire prijzen: niemand ziet ons staan.
Nogmaals: dit gaat van Calimero geen vette kip maken.

*

Verhalen moeten geschreven maar ook gepubliceerd worden. De uitgeverij waar mijn romans verschijnen geeft amper verhalenbundels uit. Dat is de markt. Als je een betoog houdt over een kleine niche in die markt, laat dat zien wat daar voor moois in ronddobbert. Geef de mensen de kans ze te lezen maar niet zonder waarschuwing: dit is top, maar het is vermoeiend. Dit zijn geen snacks. Soms moet je even kauwen.
Show, don’t tell, met een klein voorbehoud.
Bij de vertellersavonden in café Helmers laten Gilles van der Loo en ik iedere editie vijf gasten een verhaal voorlezen dat ze echt goed vinden zonder dat er zes herhaald wordt dat het goed is, of geweldig, of zo mooi, zo mooi. Soms zegt wel iemand dat het verhaal mooi is, meestal na afloop van een verhaal, soms alleen door een korte hoofdknik.
De opzet is: we laten zien hoe een goed verhaal een minuut of zeven een kroeg stil krijgt. Dat gebeurt, terwijl de bar gewoon open is. Tot achterin café Helmers hangt een concentratie en de oorzaak is een verhaal en het spel tussen schrijver en lezers, of toehoorders. Op zo’n moment voelt iedere aanwezige hoe bijzonder een verhaal kan zijn.