Evie Wyld: de redacteur las een indrukwekkende roman van vossen, wolven, mannen – en sterke vrouwen die zich staande houden in een duistere geschiedenis.

*

Daan Stoffelsen: Evie Wyld, Wij zijn de wolven

Alles met wolven is goed. Vossen mogen ook. Die voorkeur is niet heel erg beredeneerd, maar ik denk dat het hem hier in zit: literatuur gaat over mensen, hun aard, hun gedrag, hun omstandigheden. Ook als het over (niet-menselijke) dieren gaat, ze zijn de bewegende, denkende, onberekenbare contrastvloeistof bij de vertrouwde mensdieren. Of misschien is het, zoals Richard de Nooy eens noteerde als useless writing tip: ‘One of the best-kept secrets of world-class authors is that, at some point in their career, they all worked with wild animals.’ Evie Wyld heeft in haar derde roman, The Bass Rock, vooral een symbolische rol voor wolven (21 maal genoemd) en vossen (24 maal) weggelegd, en op de vertaling van Astrid Huisman en Roos van de Wardt heeft de uitgeverij meteen de aanlokkelijke titel Wij zijn de wolven geplakt. Die symbolische rol zit in de wolfman, de verpersoonlijking van een angstbeeld, en in een vergelijking als: ‘”Ben jij een vos of een wolf?” Ik zeg niets. “Vossen ruiken de dood, die komen meteen aandraven.”‘ Of, uit de contemporaine verhaallijn:

‘”Word jij wel eens bang van jezelf?” vraagt ze terwijl ze de rand van haar vloeitje natmaakt. “Kijk jij wel eens zo lang naar jezelf in de spiegel dat je iets anders begint te zien? Alsof er iemand anders onder je huid zit. Heb je ooit in de spiegel gekeken en opzettelijk een lelijk gezicht getrokken, je tanden ontbloot, gegromd en gegrauwd en toen ineens beseft dat er iets anders in je zit dat je niet laat ontsnappen? Alsof wij de wolven zijn, en er daarom op ons wordt gejaagd.”‘

De vrager is in beide gevallen een heks. De zeventiende-eeuwse Sarah wordt vervolgd, en opgenomen door een domineesgezin op de vlucht, de eenentwintigste-eeuwse Maggie doet haar eigen zin, verdient geld bij als sekswerker en dringt zich op bij Viv, de huisbewaarder van het familiehuis met uitzicht op Bass Rock. Allebei denken ze expliciet na over de verhouding tussen man en vrouw, zetten ze hun seksualiteit in en hebben ze een bijzondere band met de natuur. Zij zijn het uitgesprokenst in deze indrukwekkende roman die thema’s als femicide en kindermoord, misbruik en geweld onderzoekt aan de hand van drie verhalen:

  1. wat schetsmatig dat van dat meisje Sarah,
  2. klassieker dat van Ruth, die net na de Tweede Wereldoorlog met Peter – veteraan, weduwnaar en vader van twee zoons – getrouwd is en die bij the Bass Rock is gaan wonen,
  3. en heel eigentijds dat van Viv, wier vader onlangs is overleden.

Die drie lijnen, aangevuld met een aantal vignetten van gruwelijke geweldsdaden tegen vrouwen.

De roman is veel voller, al weet Wyld het gevoel van té te vermijden: er zijn in deze roman ook zussen die het beter lijken te hebben gedaan, moeilijke moeders en grootmoeders, assertieve bedienden. Er is een dood meisje dat regelmatig opduikt. Er zijn onduidelijke familiebanden, kostschooldrama’s, er wordt overspel gepleegd, gezwegen en keihard gelogen. En gedreigd: een verblijf in een sanatorium, een scheiding, geweld.

Er zijn mannen kortom, en ontzettend veel slachtoffers, maar vrouwen als Ruth en Viv houden zich staande met veel drank, humor en een scherp observatievermogen – elementen die de duisternis naar achter duwen. Zo treft Ruth de knuffel van haar zoon aan, achtergelaten nu hij naar de kostschool gaat. ‘Zijn lichaam moest nu het gevoel hebben dat er iets ontbrak.’ Er zijn prominentere souvenirs van overledenen in de roman, lapjes stof, een kistje met tanden, maar Wyld verwoordt hier heel mooi hoe fysieke objecten rouw kunnen dragen en draagbaar kunnen maken.

Viv merkt elders op, over een jongen zonder gêne met wie ze gaat daten: ‘Wat moet het heerlijk zijn om door het leven te kunnen gaan zonder dat het je kan schelen wat het van je denkt.’ Ik denk dat die aantrekkingskracht van het wilde dier ook zit in het fysieke, in het vermoeden dat er bij vossen en wolven een natuurlijker verbinding is tussen lichaam en geest. Maar is geweld deel van die natuur? Dat is een belangrijke vraag, die Wyld oproept. Belangrijker, en daarin dekt zowel de oorspronkelijke als de Nederlandse titel de materie niet, is de vraag hoe je je als vrouw kan gedragen – zonder dat het je kan schelen wat het leven van je denkt? Zo eenzaam, vies en slordig, cynisch, verslaafd en liefdevol als je maar wilt, onderstreept Wyld, want Wij zijn wolven is juist ook een ode aan deze eenlingen.

Roos van Rijswijks recensie maakte me destijds nieuwsgierig.De Bezige Bij geeft Wij zijn de wolven uit, en biedt ook een leesfragment (PDF).

W.G. Sebald, Len Howard (en Eva Meijer en Bart Koubaa en Jazmina Barrera): de redactie las een eigenzinnig, gedurfd en voortreffelijk geschreven boek tussen alle genres in, en zoekt het vogelen in de literatuur.

*

Thomas Heerma van Voss: W.G. Sebald – De ringen van Saturnus

 In de documentaire Patience (with Sebald), die me werd aangeraden door de beminnelijke collega-schrijver Maarten van Riel, wordt een wandeling gevolgd die W.G. Sebald naar het schijnt in de jaren negentig maakte door Oost-Engeland en die de basis vormt van zijn De ringen van Saturnus (vertaald door Ria van Hengel). Op een charmant trage wijze proberen de Britse makers te achterhalen welke afstanden hij precies in welke volgorde aflegde, welke gebouwen hij wanneer zag. Er worden routekaarten en archiefbeelden van stal gehaald, evenals foto’s die Sebald zelf al lopende maakte en die worden vergeleken met beelden van die plekken in het echt. De documentaire deed me twee dingen beseffen: 1) Zulke documentaires, waarin een boek dat geen bestseller is tot in detail en uit oprechte fascinatie wordt uitgeplozen, bestaan niet over boeken van de laatste jaren. (Wat uiteraard wel weer goed te verklaren is.) 2) De wandeling van Sebald  was op zichzelf niet opzienbarend, dat werd-ie pas toen hij er woorden aan gaf.

De ringen van Saturnus dus. Een vol boek, met lange zinnen en dichte pagina’s die zonder inspringingen of losse alinea’s voort denderen. De stijl is vitaal en associatief, Sebald beschrijft in losse hoofdstukken hoe hij door delen van de streek Suffolk trekt, waarbij hij veel oog heeft voor (steevast tragische) passanten en erop los mijmert. Dan staat hij bij de kustlijn en denkt hij in een adem aan vloten van eeuwen geleden, aan oorlogen op zee, hij beschrijft de wereldwijde haringvangst en verklaart de liefde aan de felle, na vangst meteen verdwijnende schubkleuren, waarna hij binnen een paar pagina’s refereert aan de holocaust en vervolgens verder wandelt.

Regelmatig moest ik terugbladeren om te zien hoe Sebald het ene onderwerp nou weer met het andere heeft verbonden, maar hij presenteert het allemaal logisch en onontkoombaar, en in die meanderende, soms wat stroperige, toch meeslepende stijl verbindt hij steeds weer individuele lotgevallen en overpeinzingen met de grootste wereldgeschiedenis. De Chinese massamoord van eeuwen geleden duikt op, maar ook flarden van de Eerste Wereldoorlog, hij vindt een in detail nagemaakte piramide op miniatuurformaat en daalt in zijn geheugen af naar zijn geboortegrond in Duitsland. Wat al die overpeinzingen en flarden delen is, los van de secure en breedsprakige stijl, dat alles vroeg of laat uitkomt in onverbiddelijke destructie, en in de catastrofes die mensen vooral gedurende de 20ste eeuw over zichzelf hebben afgeroepen. (In dat kader is de ondertitel Een Engelse pelgrimage ook zo misleidend, want mensen die een pelgrimage ondernemen vinden vaak zielenrust terwijl de ziel van deze verteller juist steeds zwarter kleurt.)

‘Op elke nieuwe vorm ligt reeds de schaduw der vernietiging. De geschiedenis van elk individu, van elke gemeenschap en van de hele wereld verloopt namelijk niet in een boog die zich steeds ruimer en fraaier welft, maar in een baan die na het bereiken van de meridiaan omlaag voert, het donker in.’

Dit noteert Sebald vrij terloops in een van de eerste hoofdstukken. Ruim honderd bladzijdes later, wanneer hij een gesprek aanknoopt met een langslopende vrouw: ‘Terugblikkend zag ze nu, zei ze, dat de geschiedenis uitsluitend bestaat uit de rampen en aanvechtingen die golf na golf over ons heen slaan als over de kust van de zee, zodat wij in de loop van al onze dagen op aarde niet één ogenblik bleven dat werkelijk vrij is van angst.’

In Patience (with Sebald) wordt trouwens niet alleen de tocht van Sebald nagelopen, er wordt ook gereflecteerd op zijn stijl en werkwijze. Iemand werpt in een voice-over de vraag op: liep hij die afstand werkelijk in het korte tijdsbestek dat De ringen van Saturnus suggereert, deed hij er niet veel langer over? Een andere spreker – in mijn herinnering een collega-auteur – wijst erop dat een aanzienlijk gedeelte van dit boek verzonnen is: de ontmoetingen, de gesprekken, zelfs de historische feitjes. De vraag die opdoemt: is dat erg? Het boek is bewust niet uitgegeven als roman, omdat over alles de zweem van het waargebeurde heen hangt. Tegelijkertijd leeft Sebald zich duidelijk op alle niveaus uit, ook wat betreft waarheidsvinding. Een ander feitje dat in Patience (with Sebald) wordt genoemd is dat hij zijn boeken het liefst in álle genres tegelijk wilde onderbrengen. Misschien heb ik te weinig van Sebald gelezen om zulke brede uitspraken te doen, maar toch: hij schrijft zo eigenzinnig, zo gedurfd en zo voortreffelijk, dat naast kafkaesk ook sebaldiaans van mij voortaan een genreaanduiding mag worden.

De Bezige Bij gaf De ringen van Saturnus uit. In 2012 schreef Daan Stoffelsen al en passant over De ringen van Saturnus.

Daan Stoffelsen: Len Howard, Vogels als huisgenoten

Op dokteradvies ben ik deze dagen heel veel buiten. Ik wandel en kijk vogels. Mijn triomfen zijn klein en meestal bruin: graspieper, rietgors, rietzanger. Ik hoor de kleine karekiet maar ik zie hem niet. Zojuist zag ik wel mijn eerste sprinkhaanzanger. Gelukkig zijn er ook boerenzwaluwen en een enkel blauwborstje, en als er maar een beetje een bosje is een koolmees. Je herkent die beestjes op geluid, en daarin is de koolmees, een van de sociaalste vogeltjes, ook een van de diverste. Dus leende ik, weer helemaal in Eva Meijer-sferen, Len Howards Vogels als huisgenoten (vertaling Gr. Grose-Roolfs), dat Meijer inspireerde tot de geweldige, kalme roman Het vogelhuis. Daar zit biografie en verhaal in, psychologie, sfeer:

‘Gemaaid gras, laag licht, late zomer; na een paar hete windstille weken is het gaan waaien, de herfst is te ruiken. Ik maak een lijst van de nesten in de tuin en zet erbij wie ze afgelopen jaar gebruikt hebben – de merels in de klimop, de mussen in de heg (twee paar), de koolmezen in de verschillende bomen. Ik loop alles langs om te kijken of ik niets vergeten ben. Ik heb de vaste vogels namen gegeven – ik vergis me nog regelmatig, maar als ze lang genoeg blijven zitten, zie ik wie wie is. Ze zijn allemaal net anders getekend en gekleurd, hebben stuk voor stuk een andere manier van bewegen, van reageren. Sommige vogels zijn luidruchtig en bruusk in hun bewegingen, anderen verdwijnen bijna onopgemerkt. Ik begin ze ook aan hun zang te herkennen, zowel aan hun liedjes als aan hun stem. In Londen zag ik ze als een groep – er was een oude koolmees in het park die ik herkende, en in de boom voor Thomas’ boot woonde een stelletje dat we volgden, maar ik had er geen idee van dat ze zo van elkaar verschillen. Zien heeft tijd nodig. In Londen was er veel te veel afleiding.’

Dat is Meijers versie van Len Howard. Deze vrouw, professioneel musicus, kocht een huis in Sussex en opende het voor de vogels om zich heen. Ze bouwde een band met ze op. In Vogels als huisgenoten beschrijft ze hoe de vogels zich gedragen, en overtuigt ze je ervan dat ze slim en sociaal zijn, en zowel uiterst empathisch als uiterst aggressief kunnen zijn. Ze neemt de tijd en ziet veel. In het begin laat ze zelf ook zien hoe geestig ze is:

‘Wie altijd in gezelschap van een groot aantal vogels leeft, krijgt met allerlei praktische problemen te maken: het huis moet steeds worden schoongemaakt, alles loopt kans door de vogels vernield te worden, de kamers zien er altijd uit of ze een grote beurt krijgen, met kranten over de meubels en alle boeken afgedekt. En dan de persoonlijke problemen: ik kan bijna nooit ongestoord slapen. ‘s Zomers, als de nachten kort zijn, sluit ik ‘s avonds de ramen om de vogels buiten te houden. Dan worden ze boos: ze gaan woedend op de ruiten hameren en willen binnengelaten worden. Trouwens, ze doen altijd hun best om te zorgen dat ik me met niets anders bezighoud.’

Maar veel vaker observeert Howard alleen maar, en komt ze tot een soort antropologie maar dan met dieren in verhalende stijl, waar de observator of verteller uit verdwenen is. Die wat opsommerige non-fictie leidt tot andere dan persoonlijke problemen. De veelheid van vogeltjes leidt onvermijdelijk tot verwarring, zozeer dat Howard, als we een flink eind in het hoofdstuk ‘Koolmezenbiografie’ zijn, maar een stamboom introduceert. Jane, Grijsje, Dikkie, Krullenbol, Mops, Monocle, Sterretje, Kabouter… En je mist een baken: wie is de ik nu eigenlijk? Dat heeft Meijer dus mooi opgelost met die roman, maar het maakt Howards boek minder leesbaar. Blijft staan dat Vogels als huisgenoten enorm leerzaam is:

‘Vogels hebben verschillende manieren om te vragen om voedsel. Kronkel streek altijd op mijn schouder neer en keek mij dan smekend aan. Als ik zei: “Ik heb niets”, veranderde haar uitdrukking. Ze leek dan opeens boos, vloog van mijn schouder af en ging vlak voor me zitten, me strak aankijkend. Zei ik: “Zal ik wat halen?”, dan vloog ze begerig en vol verwachting naar de deur.’

Je vraagt je niet zelden af of ze haar huisgenoten niet tezeer mens maakt, maar het omgekeerde kun je natuurlijk ook stellen: mensen blijken maar al te dierlijk te zijn.

*

Jazmina Barrera schrijft in Vuurtorenberichten (vertaald door Joep Harmsen en Merijn Verhulst) over verzamelingen, en als Jonathan Franzen, fervent vogelaar, een vuurtoren bezoekt, ziet ze parallellen. ‘Franzen reist de wereld over om zoveel mogelijk soorten vogels te zien. De vogels vertegenwoordigen voor hem de overblijfselen van een rijk dat met uitsterven wordt bedreigd, een dat wij mensen bijna omver hebben geworpen, maar waar we “nog altijd onverschillig tegenover staan”.’ Verschilligheid is inderdaad waardoor ik me tijdens mijn wandelingen op prescriptie onderscheid van de andere mensen, die oortjes in hebben en hier de rietzangers, daar de fitissen en verderop de zwartkoppen niet horen. Aandacht. Of het me een beter mens maakt – in de niet-medische zin – weet ik niet, maar zo voelt het niet. Eerder volg ik Barrera’s redenering:

‘Verzamelen is een vorm van escapisme. Wie zijn aandacht, verlangen en wil steekt in iets vreemds, in zijn schoonheid, zijn volgorde, zijn classificatie en accumulatie, voorkomt gebreken en leegtes. In vervoering raken kan rustgevend zijn in zijn herhaling, als een mantra. Het verzamelen van, bijvoorbeeld, vuurtorens geeft je een richting, hoe arbitrair ook. Op die manier wordt het niet alleen een vorm van vluchten, maar ook van construeren. Je kunt creëren via de vlucht.’

Tegelijk voel ik me minder een verzamelaar dan een student. Ik leer ze kennen, die uitstervende getuigen van de wildernis, als een vreemde cultuur. Hun geluiden een vreemde taal, hun uiterlijk nog verre van geïndividualiseerd. Het voelt respectloos, als een pakketreistoerist in een ver land. Maar ja, die vogels vliegen telkens weg voor ik een gesprek kan beginnen.

*

In 2015 schreef ik een klein essay, ‘De vogels van proza’ (te lezen in de DBNL), waarin ik boeken besprak en dingen als: de beloning die een vogel kan bieden, de verrassing in een scène, de wens tot ornithogonia. Zou ‘ornithogenese’ niet beter zijn? Ik bekende daarin: ‘Ik ben geen vogelaar.’

Inmiddels zeg ik: een beginnend vogelaar, zoals je ook beginnend overspannen kan zijn, of een beginnende vluchteling. Nee, dat is een ander beginnen, je kunt nog terug naar nul. Maar een koolmees en een pimpelmees zul je altijd blijven onderscheiden.
Bart Koubaa schreef zijn De vogels van Europa in 2014, en inmiddels heb ik de Vogelgids van Europa in huis. Koubaa beschrijft dat beginnen, als lid van een groepje, ‘uitverkoren’, ‘lid van een geheim genootschap’. In het hoofdstuk ‘Rietzanger’:

‘Eddie had iets gespot in het riet langs het meer, ik keek door de verrekijker van de koorleider – ik had er zelf nog geen – en merkte de dunne streep op die als een smalle wenkbrauw over het oog van het vogeltje liep.
“Een rietzanger,” probeerde ik wat onzeker.
“Nee joh, is veel te groot, het is een karekiet,” fluisterde Eddie. “Kijk, hij is zijn nest aan het bouwen.”
“Schitterend, Eddie,” fluisterde de koorleider zonder de vogel gezien te hebben en hij nam zijn gids, bladerde erin en las stilletjes…’

Eddies zelfmoord, jaren later, en de verdenking van iets ongehoords tussen de koorleider en zijn jeugdvriend, brengt de verteller tot een zoektocht. Zijn hoofdstukjes hebben de namen van vogels – maar niet zelden wordt de verkeerde vogel geïdentificeerd, of is hij slechts passant: ‘Oké, zei ik tegen mezelf toen ik op mijn eerste vrije maandagochtend in jaren met een kop koffie in de hand naar een acrobatisch pimpelmeesje in de tuin stond te kijken. Misschien zei ik: “Olé.”‘

De grote karekiet, want dat is de vogel die Eddie zag, is inmiddels ‘schaars in Nederland’.
De koolmees is afwezig in De vogels van Europa.
Ik heb als beginnend muzieklezer door Len Howards beschrijving geen beter begrip van de talloze geluiden van de koolmees gekregen.

Beginnen en verzamelen, verrast en verward, zo gaan we verder.

Vogels als huisgenoten werd uitgegeven door Cossee. Net als Het vogelhuis. Lees een fragment daaruit op Athenaeum.nl. De vogels van Europa kwam bij Querido uit, er is een fragment uit te lezen bij Athenaeum. Het is nog in de ramsj te koop.

Jazmina Barrera: de redacteur las het tweede, frisse essayboek van een Mexicaanse schrijfster over vuurtorens en verzamelingen en literatuur – en probeert vergelijkingen uit.

*

Daan Stoffelsen: Jazmina Barrera, Vuurtorenberichten

Heeft vergelijken zin? Het fantastische Words Without Borders stelde die vraag: ‘”Brazil’s Virginia Woolf.” “Sebaldian.” An heir to Flaubert, Stendhal, Sterne… Comps—or comparative titles/authors—are ubiquitous in publishing, particularly when it comes to international literature.’ Maar verhullen ze niet meer dan ze verduidelijken? Goede vraag, al denk ik dat zolang je een debutant niet vergelijkt met Borges, Cervantes, Kafka en Woolf, het doorgaans wel helpt. En als je uitlegt waar de overeenkomsten in zitten: hoe is Jazmina Barrera’s Vuurtorenberichten (vertaald door Joep Harmsen en Merijn Verhulst) te vergelijken met boeken van Valeria Luiselli, Arjen van Veelen en Charlotte Van den Broeck?

Uiteindelijk is zo’n vergelijking voor mij een manier om grip te krijgen op wat ik aantrekkelijk vind in een boek of een schrijverschap, wat werkt, en hoe dat anders werkt dan bij andere boeken of schrijvers. De Luiselli-associatie komt door afkomst (Mexico, New York) en uitgeverij (Karaat), het onbevangen persoonlijk-essayistische, het onthecht kosmopolitische, het verhalende naast het onderzoekende. Ook Barrera haalt Walter Benjamin aan, ook Barrera reist rond, in dit geval voor haar eigen interesse: vuurtorens. Dus schrijft ze ook over Alexandrië (die ‘zou voor altijd de stad blijven van de vuurtoren, die als een enorm spook in de geschiedenisboeken werd opgenomen’), net als Arjen van Veelen, met zijn obelisken-obsessie (en Irene Vallejo, vanzelfsprekend, maar dan met focus op de beroemde bibliotheek).

Ze leest Virginia Woolf en Walter Scott, ze zoekt vuurtorens op en denkt na over deze eigenaardige verzameling en het concept verzamelen:

‘Dat is de paradox van verzamelingen: ze leiden de aandacht af van het gebruik van dingen en verleggen die naar het voorwerp zelf, precies zoals in de poëzie de nadruk ligt op de taal zelf en niet meer op zijn doel van het overbrengen van een boodschap, of zoals bij ready-mades: wanneer een uit zijn context gehaald voorwerp niet langer een urinoir is maar iets heel anders wordt — zij het dat je een vuurtoren niet uit zijn context kunt halen. In ieder geval niet helemaal, want de middeleeuwse Engelsen bouwden Romeinse vuurtorens om tot kerk- en kasteeltorens. Maar op het moment dat ze verwijderd werden van de zee, waren ze al geen vuurtorens meer.’

Dit is zo’n fijn onbegrensde redenering: we verlaten de gevaarlijke landtong kortstondig voor de poëzie en de moderne kunst, en daarmee wordt de vuurtoren zelf kunst, en meteen daarna weer oude geschiedenis. Knap gedaan. Vanzelfsprekend komen de schrikbreukelingen en de waanzinnige vuurtorenwachters aan bod, de verschillende bouwvormen (en ook lichtschepen, zoals bij Mathijs Deen), de dood en de eenzaamheid. Er zit dan ook iets melanchisch in dit boek, iets morbides: zoals Charlotte Van den Broeck obscure gebouwen van suïcidale architecten opzoekt, zo zoekt Barrera monumenten van redding en zelfvernietiging op.

Meer dan Luiselli, Van Veelen en Van der Broeck heeft Barrera sociale contacten tijdens haar zoektocht – vriendinnen, familie, reizigers – maar die mensen blijven wat schematisch, de vuurtorens worden interessanter. Ze is openhartig over zichzelf, maar komt het meest tot leven in het laatste, Spaanse deel van het boek, dat ze als een reisdagboek heeft opgeschreven. Daarin schrijft ze ook over medereizigers en een dode vuurvlieg en de verslagen van Walter Scott. Heel geestig reflecteert ze hier ook op de vorm van haar schrijven:

‘29 juni

Het valt me op dat ik over Scott in de tegenwoordige tijd praat en over mijn reis in de verleden tijd. Voor mijn gevoel is wat Scott zoveel jaren geleden is overkomen meer in het heden dan wat ik zelf meemaak. Voor mijn gevoel zijn de ervaringen van anderen op papier heel vaak veel dichterbij dan wat ik in levenden lijve heb ervaren. Bijvoorbeeld wanneer hij het heeft over dode walvissen. Scott ziet honderden dode walvissen op het strand liggen. Honderden door walvisvaarders achtervolgde en vermoorde walvissen, die daar nu liggen als een massaal gestrande, onverslaanbaar geachte oorlogsvloot. Ik kan ze zien, ik zie ze beter en nog gedetailleerder dan de vissen die ik de afgelopen dagen in de zee heb gezien.’

Dat tijdsgebruik viel mij ook al op, en de reflectie op haar lezer- en schrijverschap is aanstekelijk. En dan die oorlogsvloot! Kijk, je kunt vergelijken wat je wil, maar uiteindelijk gaat erom dat een schrijver zichzelf is, en dat een boek vermaakt en intrigeert en je blik verandert – tot het zelf een referentie wordt bij de volgende stappen in je leesgeschiedenis. Dat doet Vuurtorenberichten.

Uitgeverij Karaat gaf Vuurtorenberichten uit.

Jesse van Amelsvoort en Michiel Driebergen in Armada, Kesia Smit in De Gids en Marc van Oostendorp en Leonie Cornips op Neerlandistiek.nl: de redacteur zocht en vond perspectieven op meertaligheid – naast die van het komende nummer.

*

Daan Stoffelsen: meertaligheid in Armada, De Gids, Neerlandistiek.nl

Themanummers zorgen voor een bepaalde gevoeligheid, ook ver nadat je er nog iets mee kan doen. Ik bedoel, ‘’n Brasa van talen’ is samengesteld, nagekeken en nog eens nagekeken, en is nu naar de drukker; we verwachten het nummer 22 april. Maar toen aan de achterzijde van De Nederlandse Boekengids de nieuwe Armada binnenkwam, thema ‘minderheidsliteratuur’, bleek het onderwerp voor mij niet afgesloten te zijn. Ik begon meteen nieuwsgierig te bladeren: zouden de wereldliteratuurlezers en -wetenschappers iets toevoegen aan wat onze auteurs over het onderwerp schreven? Natuurlijk.

De kracht van dit literaire tijdschrift is het introduceren van literaturen en auteurs, je warm maken voor nieuwe boeken en gedichten, vertaald en onvertaald. En als het dus over minderheidsliteraturen gaat of meertaligheid, dan via die auteurs en nieuwe boeken. Ondanks die route levert Armada nog mooie aanvullingen op. Jesse van Amelsvoort merkt in zijn Redactioneel op:

‘De Franse structuralist Roland Barthes schreef in De nulgraad van het schrijven (1953) dat taal voor de schrijver een comfortabele, natuurlijke omgeving is. Als de bijdragen aan deze Armada iets laten zien, is het wel dat taal misschien comfortabel aan mag voelen, maar dat zeker niet altijd is: waar taal is, is politiek. Tegelijkertijd maakt deze Armada duidelijk dat we niet per se in nationale termen over literatuur hoeven te denken. De natiestaat drukt verhoudingen tussen mensen, taal en literatuur op een vaste manier uit, en laat daardoor een spanningsveld toe met wat zich daarbuiten afspeelt.’

Ik weet niet of taal altijd politiek is – de voorbeelden in dit nummer zijn evident, maar voor de meertaligen in ‘’n Brasa van talen’ is het eerder cultureel of sociaal: het gaat om hoe je je verhoudt tot je ouders en grootouders, tot je vrienden, tot de mensen op school of op werk. En tot wat je leest en schrijft. Maar dat taal niet voor elke schrijver comfortabel en natuurlijk is, onderstrepen onze auteurs wel. Aleksandar Hemon schrijft bijvoorbeeld (in de vertaling van Toon Theuwis): ‘Ik besefte dan ook dat ik de komende tijd niet in het Bosnisch kon schrijven, omdat de taal door de oorlog een richting uitging die ik niet kon bevroeden; en dat ik pas in het Engels zou kunnen schrijven als ik die taal even goed beheerste als een Engelstalige schrijver.’

Comfort kost tijd en inspanning. Michiel Driebergen beschrijft het meertalige Lviv (Lvov, Lwów, Lemberg), en noteert: ‘In Lviv word je alleen gezond oud als je verlies kunt accepteren, weet Boris Dorfman. “Dos lebn setzt zich fort waiter.”’ Dorfman is de laatste spreker van het Jiddisch in de stad, die zich wel bewuster wordt van de rijkdommen die meertaligheid biedt:

‘De stad stelt zich intussen meer en meer open voor de eigen veeltalige geschiedenis. Soms gebeurt dat vanzelf: op sommige plekken bladdert de verf van de muren, en dan verschijnen plotseling de winkelopschriften van de jaren dertig: “boter en melk”, “chocolade” of “hoeden te koop”: niet in het cyrillisch, maar in het Pools, Duits en Jiddisch. Een jaar of tien geleden werden de stadsbewoners er wat nerveus van, en schilderden ze vlug-vlug de reclames weg. Nu wordt de verf er behoedzaam afgekrabd, om de talen van weleer in ere te herstellen.’

Behoedzaam afkrabben dus, want taal is een ruttiaans vaasje, zij het niet zo broos als de waarheid. Ook in Armada: Zweeds in Finland, Armeens in Turkije, Afrikaans, Sami, Russisch-Duits, Jiddisch, en hoe literatuur ‘born translated’ wordt. Lees dat tijdschrift! (Via de Boekengids of armadawereldliteratuur.nl, dat even niet bijgewerkt lijkt te zijn.)

Een heel ander perspectief op meertaligheid vind je op Neerlandistiek.nl, de website die trouw over elke nieuwe Revisor bericht, maar ook over al het andere literaire en taalkundige. Waar in De Revisor volwassen schrijvers terugkijken of hun tweede taal terugvinden, komen hier bijvoorbeeld onderzoeken naar meertaligheid bij kinderen aan bod. Marc van Oostendorp vertelt daar bijvoorbeeld over. Leonie Cornips is ook een naam om te volgen, bijvoorbeeld in het artikel ‘Het alledaagse maar zo complexe verschijnsel meertaligheid’. Daar schrijft ze:

‘Het verschijnsel meertaligheid in Nederland van nu en vroeger is en was alledaags maar is sinds de negentiende eeuw ook zeer complex en gelaagd. Om meningen over taal en meertaligheid te kunnen nuanceren zou er in de samenleving meer begrip en kennis, en in alle lagen van het onderwijs meer aandacht moeten komen voor talige en sociale aspecten van meertaligheid: de samenhang tussen maatschappelijke ongelijkheid en de aandacht voor achterstandsdenken en de roep om de eentalige burger die alleen Nederlands spreekt, de beleving en talige vormgeving van nationale en sociale identiteit(en) en de daarmee gepaard gaande processen van in- en uitsluiting door diverse actoren zoals school, media en de sprekers zelf.’

Nuance en aandacht dus. Meer daarvan zie je ook in het nieuwe nummer van De Gids, dat als thema ‘Rotterdam’ voert (en ons eigen Rotterdamse redacteur opvoert). Kesia Smit schrijft daarin over hoe haar eigen moedertaal, het Sranantongo, overgenomen en verbasterd wordt door andere Nederlanders in een straattalige context. Er zit wat verdubbeling in deze illustratie, maar helder is het wel:

‘Het ene na het andere verhaal werd verteld door mijn collega’s, doorspekt met straattaal, om de verhalen extra “saus” te geven. Het woord pisi (dat “stukje” betekent) werd overmatig gebruikt in de verkeerde context. Bijvoorbeeld: Ben je een pisi boos? Een woord dat, zodra je het letterlijk vertaalt, natuurlijk niet klopt, maar kennelijk verward werd met “beetje”.’

In een andere context spreek je dan geloof ik van ‘cultural appropriation’. Interessant genoeg realiseert Smit zich tijdig dat Sranantongo feitelijk ook een mengelmoestaal was, een soort straattaal, en dat dit een natuurlijke taalkundige verandering is – waarin zij haar eigen weg moet vinden om het ‘Surinaamse deel van haar identiteit te koesteren en over te dragen’.

Behoedzaam lezen en oordelen, met nuance afkrabben – het lijkt wel literatuur. 22 april verschijnt ‘’n Brasa van woorden’.

(P.S. Ik schreef hier eerder over een essay van Sulaiman Addonia. Zijn roman verschijnt ook 23 april in de vertaling van Irwan Droog bij uitgeverij Jürgen Maas: Stilte is mijn moedertaal.)

Word abonnee van Armada of De Gids. Maar eerst van De Revisor!

Caroline Reeders, Bernke Klein Zandvoort: de redacteur las een opgewekt en opmerkzaam verslag van een ziekte en gedichten die leiden naar een wonderland dat heel werkelijk is.

*

Daan Stoffelsen: Bernke Klein Zandvoort, Veldwerk & Caroline Reeders, U mag even plaatsnemen

Deze week las ik mannelijke schrijvers. Dat doe ik dus nog wel. Sander Kollaards eerdere verhalen zijn gebundeld met wat verspreid werk in De laatste dag van de koning, als een monument voor het schrijverschap van de Libris Literatuurprijswinnaar – heel chic van Uitgeverij Van Oorschot – en ik ontdek hem nu. ‘Ontdekken’ klopt niet helemaal natuurlijk, het is niet het eerste wat ik van hem las – dat winnende boek dus en zijn mooie brieven aan Roos van Rijswijk (lees Binnenpost), maar de flinters autobiografie en vooral de sebaldiaanse indirecte rede bevallen me erg. Ook: Ted van Lieshouts Wat is kunst? Begin een eiland…, dat geestig en informatief is en mooi gemaakt en genomineerd voor de Woutertje Pieterseprijs. Binnenkort meer op Athenaeum.nl.

Twee andere boeken heb ik net uit, en een derde sijpelt door mijn dagen heen, daar lees ik telkens wat in. Voor die eerste twee boeken is het dé week. Caroline Reeders neemt afscheid als mijn directeur bij Athenaeum Boekhandels (en wordt directeur bij AtlasContact), en Eva Meijer schreef het essay voor de Maand van de Filosofie. De week van Bernke Klein Zandvoorts essay valt in juni, als ze de Grote Poëzieprijs wint.

Hun stemmen zijn goed gezelschap, al voel ik me bij alle drie niet bevoegd uitgebreid over ze te schrijven, door de nabijheid en door gesprek aan expertise in de filosofie of poëzie. Maar dat geeft ook vrijheid en lucht. Ik kan gewoon blijmoedig citeren en zeggen wat ik mooi vind. Over Eva Meijer houd ik het hier kort, want op Athenaeum.nl schrijf ik uitvoeriger. Dit vind ik mooi:

‘Als we bijna bij het huisje zijn vliegen ganzen over – een soort zegening. Ik wijs Doris erop, maar haar interesse ligt lager, en ze heeft gelijk, daar gebeurt ook van alles, er liggen zandhopen en naalden en eikels. En gevallen bladeren, die zijn ook een zegening, konden wij maar verkleuren, ik zou het elk jaar doen.’

Mee-verkleuren zou ook natuurlijk beter kloppen: het licht en de temperatuur doen zoveel met een mens, net als iets terugkerends als een voorbijrijdende trein of een ingrijpend incident als een dodelijke ziekte. Vanbinnen of verborgen gebeurt er van alles, waarom mag je dat niet zien?

*

Uit ‘De ander’, uit Veldwerk:

‘in een bed naast de spoorlijn waar treinen overdag
elk kwartier een stilte raasden door onze gesprekken
daar waren we op gestemd
toch werd in die stilte elke keer de ander als een ander zichtbaar’

Het is moeilijk kiezen uit Klein Zandvoorts bundel, gedicht na gedicht leidt ze me regel na regel door een wonderland dat heel werkelijk is. Hier: het gegeven dat je pauzeert als de trein voorbijkomt, is mooi. Het stemmen is sterk, ook in deze ellips: afstemmen is natuurlijker maar minder rijk aan associaties. En dan dat die stilte ruimte maakte voor een groot ongemak, je uit de vertrouwdheid van die ander haalde. Ze gebruikt geen ingewikkelde woorden, maar ze herhaalt wel en suggereert al zo die dubbelheid, die splitsing. Maar ze gaat in de rest van het gedicht verder, de ik is bang niet te kunnen vertalen, poetst weg, stelt scherp en wacht – om in een scène van heel kort geleden uit te komen die het hier beschreven effect dieper onderzoekt. Geweldig. (Op Athenaeum.nl staan drie (andere) gedichten voorgepubliceerd, en wordt er een voorgelezen.)

*

Toen ik Caroline Reeders’ bundel korte, literaire updates van haar ziektegeschiedenis las, had ik net Anne Boyers schrijnende, woedende, pijnlijke kankerboek Het ontsterven gelezen. Die boeken zijn niet te vergelijken, hun medische dossiers ook amper geloof ik. Reeders is opgewekt en opmerkzaam, en ze geeft en passant uitstekend advies. ‘Ik wil mezelf en anderen niet te lang gijzelen in een interactie over mijn gezondheid,’ schrijft ze, en stelt vast:

‘Eigenlijk is de beste vraag, zo ontdek ik, een simpele vraag met een korte horizon. Hoe gaat het vandaag? Ik leer snel dat je altijd kunt antwoorden alsof de vraag zo is gesteld.’

Er is een alinea waarin ze voor de spiegel (Klein Zandvoort schrijft: ‘met de blik van een buitenstaander kijk ik in de spiegel
naar mijn gezicht / naar de tekening van tijd / waar ik zelf nooit bij lijk te zijn geweest’) staat, en beschrijft hoe haar bovenlichaam gekleurd en getekend is door de operatie en behandelingen. Die alinea voelt te pijnlijk persoonlijk om hier te citeren. En er is een hilarische ‘eenakter’ waarin C, de ‘Cone beam scan’ in dialoog gaat met R, de radiotherapeutisch laborant (‘C: Whhhhhuuuuuu… wukwukwuk… whuu hu hu hu huh… R: Nog ietsjes.’). Ze wisselen de ervaringen en levenslessen af die de kern vormen van U mag even plaatsnemen, een boek dat licht en optimistisch mag eindigen – als het betere afscheid.

Nijgh & Van Ditmar gaf U mag even plaatsnemen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Querido gaf Veldwerk uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Anthea Bell over W.G. Sebald: de redacteur stuitte op een mooie beschrijving van vertalerscorrespondentie en, midden in de mist van onvertaalbaarheid, een prachtig citaat over een ballingschap in taal.

*

Daan Stoffelsen: Anthea Ball, ‘A Translator’s View’, en W.G. Sebald, Austerlitz

Ik lees wat minder. Wat korter ook. Ik las een mooi essay van Anthea Bell (1936-2018), de bekroonde vertaler van de Asterix-reeks, Kafka, Freud, Zweig, Hans Christian Andersen, Saša Stanišic, Hans Magnus Enzensberger – en W.G. Sebalds Austerlitz. Daarover gaat haar beschrijvende essay ‘A Translator’s View’ in Five Dials #26, een bewerking van een gesproken bijdrage aan de BBC uit 2011. Ik kwam het op spoor toen ik op zoek was naar meertalige auteurs, en de inleidende woorden waren veelbelovend:

‘After thirty years teaching at the University of East Anglia, he could easily have written in English, but he preferred to write in his native language and be translated. How closely would I be able to reproduce his unique voice in English? That is always the translator’s aim. The process itself, I’ve found, cannot be described without the use of metaphor, so we speak figuratively of finding the right voice, or of translation as a performance art like acting, or of trying to get inside the author’s mind.’

Ze vertelt vervolgens veel over de communicatie rond het vertaalproces, een uitgebreide variant van de stukken in de Athenaeum-vertaalrubriek, en Sebald blijkt een ouderwetse briefschrijver te zijn, en een goede gesprekspartner: ‘Some of these points ran to several exchanges in our correspondence, and it was interesting to be working with an author whose own English was so good. Because of that very fact, I think, if occasionally I insisted that one phrase sounded better in English than another, he would accept it.’

Ze schrijft dat Sebald ‘knew that language develops of its own accord, and his account of Austerlitz’s nervous breakdown, when language itself fails him, is eloquently moving’. Ik twijfel of die ‘and’ hier daadwerkelijk wat illustreert of vooral een bruggetje is naar dit citaat, en terwijl we ver afgedwaald zijn van mijn oorspronkelijke interesse in naar andere gebieden, citeert ze die beschrijving, veel minder uitgebreid dan in het boek overigens. Daar stond het zo:

‘If language may be regarded as an old city full of streets and squares, nooks and crannies, with some quarters dating from far back in time while others have been torn down, cleaned up and rebuilt, and with suburbs reaching further and further into the surrounding country, then I was like a man who has been abroad for a long time and cannot find his way through this urban sprawl any more, no longer knows what a bus stop is for, or what a back yard is, or a street junction, an avenue or a bridge The entire structure of language, the syntactical arrangement of parts of speech, punctuation, conjunctions and finally even the nouns denoting ordinary objects were all enveloped in an impenetrable fog.’

Ik moet denken aan Jannie Regnerus’ Wolkenpaviljoen, waar de stad een beeld is voor het geweten (‘Nu Luut veertig is en achteromkijkt, is zijn geweten bebouwd. Op de groene velden zijn bouwwerken verrezen en er is ook al verval. Luut heeft zijn falen ondergebracht in schimmige stegen, in krotten waarvan hij de ramen en deuren met planken heeft gebarricadeerd. Uitgerekend deze panden hebben zichzelf tot beschermd stadsgezicht verklaard, ze weigeren hun grond af te staan. Het liefst zou hij ze met een sloopkogel neerhalen en de vrijgekomen kavels met koolzaad en papaver inzaaien.’). Ik blijk dat al eerder volledig geciteerd te hebben, een bewijs van de kracht van het beeld, of van de herhaling, en ook toen moest ik aan Jan van Akens variant op het geheugenpaleis denken: ‘innerlijke stadskwartieren’ waarin straten en huizen kennis bevatten.

Maar wat Bell natuurlijk interesseerde, althans dat moet ik aannemen want ze springt snel verder, was het zeer sebaldiaanse beeld van de terugkeer van de balling, de ‘urban sprawl’ en het verdwalen, de ondoordringbare mist. Nee, het is meer dan dat beeld van de balling. Want al kan een stad onherkenbaar blijken bij terugkeer, een bushalte herken je nog wel, toch? De functies van elementen kun je dan nog wel duiden. Sebalds beeld is veeleer als dat van de immigrant in een totaal andere cultuur. En dat is daadwerkelijk beangstigend: geen vertaling van een bekende werkelijkheid meer weten te maken.

‘Wenn man die Sprache ansehen kann als eine alte Stadt, mit einem Gewinkel von Gassen und Plätzen, mit Quartieren, die weit zurückreichen in die Zeit, mit abgerissenen, assanierten und neuerbauten Vierteln und immer weiter ins Vorfeld hinauswachsenden Außenbezirken, so glich ich selbst einem Menschen, der sich, aufgrund einer langen Abwesenheit, in dieser Agglomeration nicht mehr zurechtfindet, der nicht mehr weiß, wozu eine Haltestelle dient, was ein Hinterhof, eine Straßenkreuzung, ein Boulevard oder eine Brücke ist. Das gesamte Gliederwerk der Sprache, die syntaktische Anordnung der einzelnen Teile, die Zeichensetzung, die Konjunktionen und zuletzt sogar die Namen der gewöhnlichen Dinge, alles war eingehüllt in einen undurchdringlichen Nebel.’

Bell kiest voor het veel minder gebruikelijke ‘urban sprawl’ boven ‘agglomeration’, dat ook in het Engels bestaat. Maar ongetwijfeld is hier een betekenisverschil, is dit een valse vriend. Maar hoe kun je zoiets vanbuiten een taal vaststellen?

Tot slot zocht ik deze passage in de Nederlandse vertaling van Ria van Hengel en vond hem niet, alsof de Nebel en fog de grenzen en het Kanaal overstoken waren in een ultieme poging de onvertaalbaarheid van alles te onderstrepen, en werd toen gered door de vertaalster zelf die me de goede pagina mailde:

‘Wanneer je taal kunt beschouwen als een oude stad, met een wirwar van straten en pleinen, met wijken die lang geleden gebouwd zijn, met afgebroken, gesaneerde en nieuwe stadsdelen en steeds verder het land in groeiende buitenwijken, dan leek ik op iemand die door een lange afwezigheid niet meer bekend is in deze agglomeratie, niet weet waar een bushalte voor dient, wat een binnenplaats, een kruispunt, een boulevard of een brug is. De hele structuur van de taal, de sytnactische rangschikking van de afzonderlijke delen, de interpunctie, de voegwoorden en uiteindelijk zelfs de namen van de gewone dingen, alles was in een ondoordringbare nevel gehuld.’

De werkelijkheid is immers wel vertaalbaar, zij het dat je het absurde niet weg kunt redeneren (ja, ook ik heb gestemd en ben teleurgesteld), en dat alle taal en alle werkelijkheid context heeft. Ja, wie afbeeldingen zoekt via Google vindt heel andere dingen op ‘Hinterhof’ dan op ‘back yard’; ‘binnenplaats’ blijkt in onze taal vooral iets van kastelen te zijn, niet van oude binnensteden. En als je die methode doorzet naar ‘Agglomeration’/’urban sprawl’/’agglomeratie’, dan ontdek je dat die eerste term vooral scheikundige plaatjes oplevert. Je zal maar terugkeren naar je geboortestad en alles in deeltjes en verbindingen zien uiteenvallen – terechte keuze van Bell.

Zo kom je van meertaligheid in je eigen achtertuin terecht. Natuurlijk is de volgende stap Austerlitz te herlezen, en ik krijg er enorme zin van, maar mijn voornemen vooral vrouwen te lezen, een voornemen dat tot nu toe mooie resultaten heeft opgeleverd, staat dat nog even in de weg. Voor een regenachtige vakantie.

Bells essay is te lezen bij Five Dials. Austerlitz is uitgegeven door De Bezige Bij. Een fragment eruit is te lezen op Athenaeum.nl.

Jhumpa Lahiri: de redacteur las op aangeven van de vertaalster een boek over het verwerven van een derde taal als literaire schrijftaal, las er stukken van Sulaiman Addonia en Abdelkader Abdolah bij en dacht na over de wonderen en wonden van meertaligheid, luxe en vlucht, en het plezier van een nieuwe taal.

*

Daan Stoffelsen: Jhumpa Lahiri, Met andere woorden

We zijn de redactie van ons nieuwe nummer aan het afronden, ‘’n brasa van talen’, een nummer waarin meertalige schrijvers dat aspect van hun leven en schrijven onderzoeken in literatuur. Het wordt een omarming, mooi en rijk, een nummer dat de Nederlandse taal verbindt met sprekers en schrijvers in het Verre en Nabije Oosten, Amerika, Groot-Brittannië. Dat talenten een podium biedt, vormen onderzoekt om met meerdere tongen te spreken en een nieuwe kant van gevestigde schrijvers uitlicht.

Dat laatste doet Manon Smits, een ambachtsvrouw die jaar in jaar uit genomineerd wordt voor de Europese Literatuurprijs, heel mooi. Vertalers zijn natuurlijk ergens ook meertalig, zij het dat de migratie- en integratieachtergronden nogal eens ontbreken, maar in haar stuk bespreekt ze drie meertalige schrijvers wier romans zij vertaalde. Een van hen: Jhumpa Lahiri, die met haar debuut de Pulitzerprijs won. (Nilanjana Sudeshna Lahiri heet ze eigenlijk, Jhumpa was haar bijnaam; Robin Shimanto Reza schrijft in ons nummer in het voorbijgaan iets over Bengaalse naamtradities.)
Aangemoedigd door Smits las ik Jhumpa Lahiri’s vijfde boek en haar Italiaanse debuut Met andere woorden, een memoir, of een essay, over het verwerven van een derde taal. Lahiri, die met het Bengaals opgroeide, en in het Engels haar literaire debuut maakte, raakte verliefd op het Italiaans, besloot te emigreren en koos voor deze taal als haar literaire taal. Dat het geen gemakkelijke keuze was, maakt ze wel duidelijk, maar het levert ook los daarvan interessante literatuur op, en inzicht in migratiepijn.

Ik heb geen recht van spreken. Ik werkte onlangs voor het eerst in vijftien jaar mijn papieren cv bij, en stelde vast dat mijn Frans, Duits en Italiaans behoorlijk weggezakt waren. Daar kon ik geen e-mailcorrespondentie meer in voeren, laat staan een gesprek over literatuur. Die concentratie op één, hoogstens twee talen, is toch wel een verarming. Maar het is ook een luxe dat ik blijkbaar al enige tijd zonder kan. Geen recht van spreken dus, maar lezen mag altijd.

In ons voorjaarsnummer ‘’n brasa van talen’ komen verschillende meertalige schrijvers aan het woord, en Shimanto Reza heeft een vergelijkbare achtergrond als Lahiri: Bengaals, Nederlands, Engels – en hij woont nu in Rome. Esha Guy Hadjadj brengt Nederlands en Hebreeuws in, maar onderzoekt zijn Arabische accent. Pete Wu een Chinese taal. We hebben Fries, het dialect van het land van Altena, Arabisch. Onze auteurs zijn hoogstens tweede- of derdegeneratie migranten, op Aleksandar Hemon na, die gedwongen door de Joegoslavië-oorlog in de Verenigde Staten bleef.

Lahiri en Valeria Luiselli, van wie we ook een memoir opnamen, hadden de luxe van de keuze. Ik las daarentegen op LitHube een essay van Sulaiman Addonia, die met een Eritrese en Ethiopische achtergrond vluchtte naar Londen, en nu in Brussel woont:

‘The letting go of languages in order to learn a new one wasn’t new to me. It is tied to my life trajectory of leaving one country to start a new life in another, and of parental abandonment. The sort of departures that leaves wounds. A new language meant loss for me, already in my childhood when I was about three.’

Nieuwe talen slaan wonden, schrijft hij: ‘The losses and gains of father and mother tongues planted the idea of language’s wonders and wounds in my young mind.’ Wonderen en wonden, in het Nederlands rijmt het nog beter. (Het Etymologisch woordenboek over ‘wonder’: ‘Herkomst zeer onzeker. Er wordt wel gedacht aan de wortel pie. *uen– “slaan, verwonden” (IEW 1108, zie ook wond) in een betekenis “plotseling optredende gebeurtenis”, maar dat lijkt wat vergezocht’.)

Misschien is het de verworvenheid van de literaire schrijver, dat zij of hij de positieve kant van de migratie en de nieuwe taal kan zien, die maakt dat dit een positief gestemde Revisor wordt. De oorlog en de vlucht blijven weg, behalve bij Aleksandar Hemon, al kan die de wonderen ook zien. Ook Lahiri benadrukt de positieve kant, maar merkt telkens op dat de taalverwerving voor het literaire schrijverschap iets moeizaams heeft. De beeldtaal echo’t wat lotgenoten met minder luxe moesten doen:

‘Wanneer ik in het Italiaans schrijf, voel ik me een indringer, een bedrieger. Het lijkt een valse, onnatuurlijke bezigheid. Ik merk dat ik een grens heb overschreden, dat ik me verloren voel, dat ik op de vlucht ben. Dat ik echt een buitenlander ben.’

Over racisme gaat dit boek ook, even. Maar er is ook een puur talig conflict:

‘Hoezo ben ik op de vlucht? Door wat word ik achternagezeten? Wie zou mij willen tegenhouden?
Het meest voor de hand liggende antwoord zou zijn: de Engelse taal. Maar volgens mij is het niet zozeer het Engels op zich, als wel alles wat dat heeft gesymboliseerd voor mij. Het heeft zowat mijn hele leven gestaan voor een uitputtende strijd, een pijnlijk conflict, een voortdurend gevoel van mislukking waaruit zowat al mijn angsten voortkomen. Het stond voor een cultuur die ik moest veroveren, moest interpreteren. Ik was bang dat het stond voor een breuk tussen mij en mijn ouders. Het Engels is een aspect van mijn vermoeiende, lastige verleden. Ik ben het beu.
Toch was ik dol op de taal.’

Dat is echt wat anders dan Addonia beschrijft, en hoe Kader Abdolah, in zijn uitgebreide essay over dit onderwerp in een nummer van Ons Erfdeel uit 1996 de vlucht verbindt aan zijn schrijverschap:

‘Ik dacht dat mijn vlucht een mislukte operatie was. Een grote vergissing. Ik dacht dat het beter geweest zou zijn als ik mijn land niet verlaten had. Beter dood in mijn vaderland, dan als een werkloze schrijver thuis te moeten zitten, in een vreemd land.
Constant probeerde ik om mijn vlucht een betekenis te geven. De wind omdraaien, maar de wind draaide niet om.’

Het is een interessant essay, waarin ik het beeld van de wind omdraaien kan waarderen, maar Abdolahs neiging om zijn worsteling met parabels en een droom te illustreren, vind ik eerder verduisteren dan verhelderen.

Terug naar Met andere woorden: de oude Lahiri schreef over de wereld van haar ouders, de nieuwe over die van haarzelf. Pijnlijk is dat, eenzaam vooral. Ze vergelijkt zichzelf met Beckett, Nabokov, Conrad, kosmopolitische auteurs in de categorie Luiselli met een langere onderdompeling in hun nieuwe schrijftalen en zegt: ‘Wat ik doe – het wagen te schrijven in het Italiaans terwijl ik amper een jaar in Italië woon – is anders, afwijkend, waardoor ik een nog grotere eenzaamheid ervaar, bijna een andere dimensie van eenzaamheid. Ik vraag me af of er anderen zijn zoals ik.’

Ongetwijfeld. Kijk, ze beschrijft met ruimhartige verwijzing naar Ovidius hoe het leren van een nieuwe taal en vooral erin schrijven, een ware metamorfose is: ‘Zoals ik eerder al aangaf, zie ik het feit dat ik in het Italiaans schrijf ook als een vlucht. Als ik mijn linguïstische metamorfose ontleed, realiseer ik me dat ik probeer ergens van los te komen, mezelf te bevrijden.’ Maar ja, Ovidius’ metamorfosen zijn door de goden bewerkstelligd, een vlucht is gedwongen. Dit is echt een keuze, het voorrecht van de tweede generatie, en meestal beschrijft Lahiri haar proces ook zo. Het is niettemin opvallend dat het blijkbaar voelt als zo ingrijpend en verdrietig: geen wonderen zonder wonden.

Maar los van die psychologische en maatschappelijke kant is Met andere woorden zeer lezenswaardig. Lahiri beschrijft een hergeboorte, een wording, de onzekerheden en de valkuilen van een nieuwe taal. Ik krijg ook weer zin in het Italiaans (goed voor mijn cv) door de zinnetjes en de woorden die Lahiri rondstrooit, en het is heel mooi om te zien – Manon Smits beschrijft dat ook in haar essay – hoe haar taal complexer wordt. De zinnen worden langer, ze neemt meer afstand, gebruikt meer idioom, tot ze in een epiloog komt op een analyse van haar boek als het resultaat van ‘een manier van schrijven die zowel autobiografischer als abstracter is’, heel persoonlijk maar niet altijd zo tastbaar. Minder geworteld in de werkelijkheid. Misschien is dat wat een nieuwe taal doet, maar er ontstaat al gaande dit boek een groter vertrouwen, en misschien is Waar ik nu ben (2018, vertaling 2019) al weer concreter.

Met andere woorden is uitgegeven door Atlas-Contact. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Bregje Hofstede: de redacteur las een razendinteressant boek over slaap met mooie zinnen en radicaal zelfhulpadvies.

*

Daan Stoffelsen: Bregje Hofstede, Slaap vatten. Hoe een slapeloze de nacht terugwon

Na een sterk essay (van Anne Boyer, mijn eerste indruk las je hier al) en een sterke essaybundel (van Helen Macdonald, ik schreef erover voor Athenaeum) laadde ik een handvol wat oudere boeken op mijn apparaat – lezen in de lockdown, ver van mijn boekhandel, is grotendeels papierloos. Ik begon aan het recentste, Bregje Hofstedes nieuwe boek. Ik lees haar werk graag, ze weet introspectie en het fysieke mooi te combineren in sterke romans. Maar wat ze in Slaap vatten doet, moet je denk ik persoonlijke journalistiek noemen: ze is onderzoeker en onderzoeksobject in een zoektocht naar wat slapeloosheid is (psychisch, chemisch), wat het veroorzaakt en wat eraan te doen is.

Razendinteressant, al is Hofstede precies zoals in het eerste deel van De herontdekking van het lichaam minder een literair schrijver dan een journalist. (Een deel stond dan ook al in Vrij Nederland.) Maar het begint sterk met een jeugdherinnering aan de Melkweg, met toegankelijk taalgebruik, veel rijm, een goede afwisseling van complexe en elliptische zinnen.

‘Het kostte me moeite om te geloven wat hij zei: dat de Melkweg er altijd was, maar dat je hem thuis alleen niet zag. Ik vond het gek dat iets zo onbevattelijk groots, dat ook nog licht geeft, toch aan het zicht kon worden onttrokken, door straatlantaarns, koplampen, portiekverlichting. Dat je iets zo fundamenteels onzichtbaar kunt maken met iets zo onbelangrijks.
Ik sliep goed in die tijd. Gedachteloos. Ik sliep zoals ik ademde.’

Wat was er veranderd? Ik type dit na een beroerde nacht, maar Hofstede had alleen maar beroerde nachten. Was het eten, koffie, alcohol, schermgebruik? Was het gevolg van haar kunstenaarsovergevoeligheid, of oorzaak? Wat is de overeenkomst met depressie en angststoornissen? Wat doet context? Ze interviewt deskundigen, die ze kort en effectief karakteriseert (‘een dertiger wier Nederlands doorspekt is met Engelse termen, vanwege de tijd die ze als slaaponderzoeker doorbracht in Harvard. […] En die effecten [van slaapgebrek] zijn echt dreadful.’), ze voedt me met nieuwe kennis (koffie onderdrukt vermoeidheidsreceptoren, voor de industriële revolutie was het heel gebruikelijk dat mensen ‘s nachts wakker werden, wat klusjes deden en dan verder sliepen) en leidt uiteindelijk in een zelfhelpboekstijl naar de factoren die je kunt beïnvloeden.

Na het onderzoek wordt het boek dan ook echt een verhaal: Hofstede koos voor een verhuizing naar een Frans dorpje en hervond haar slaap. Werd zwanger. Slaap vatten eindigt als een idylle. Hofstede biedt alternatieven voor deze ommezwaai, maar dat voelt toch als decafé of alcoholvrij bier of je telefoon in zachte kleuren. Als symptoombestrijding. Ja:

‘Ik bied mijn eigen ervaring niet aan als recept maar als illustratie. Mijn bedoeling is om een denkrichting te openen in een situatie waaruit misschien geen uitweg lijkt te zijn: chronische slapeloosheid. […] Ik kan me voorstellen dat de veelomvattende suggesties in dit boek intimiderend zijn. Zeker als je op dit moment heel moe bent. Je zou zelfs kunnen stellen dat niemand in zijn eentje in staat is om de dingen waarover ik schreef echt te veranderen. Als je de slaapproblemen waar zo veel mensen last van hebben bij de wortel wilt aanpakken, moet je ver voorbij de zelfhulp kijken. Financiële onzekerheid, tijdsdruk, ontworteldheid en eenzaamheid zijn thema’s die zo groot zijn, zo alomtegenwoordig en zo vervlochten met de manier waarop de wereld momenteel werkt, dat je ze alleen écht kunt veranderen met politieke middelen. Uiteindelijk raakt de kwestie van slaap aan de vraag: wat voor wereld willen we? In wat voor wereld zouden we de slaap weer kunnen vatten?’

Het zijn goede vragen, de vragen die áchter de onderzoeksvragen liggen, en die een essayistischer, literairder vervolg zouden kunnen inleiden. De antwoorden die Hofstede vond zijn mooi en overtuigend, maar ontstijgen toch niet altijd de oppervlakte van het zelfhulpboek. Ik hoop dan ook dat zo’n goede schrijfster ook weer een roman schrijft, of een verhalenbundel: wrijving, ongemak, pijn, karaktertekening. Maar als dromen je doel is, dan moet je het dromen niet laten. Wat voor wereld wil je? Slapen kan nog, lezen kan nu, stemmen kan straks.

Das Mag gaf Slaap vatten uit. Lees op Athenaeum.nl een fragment uit het Melkweg-hoofdstuk.

William Faulkner, Roos van Rijswijk: de redactie las eindelijk een intrigerende, knappe, stugge klassieker, en een prijswaardige verhalenbundel van een oude bekende.

*

Thomas Heerma van Voss: William Faulkner, As I Lay Dying

Eindelijk las ik William Faulkners As I Lay Dying, een roman die ik zo vaak op overzichtslijstjes met de beste romans ooit tegenkwam en waarover ik zo veel lof hoorde (onder andere op deze website van ex-collegaredacteur Jan van Mersbergen), dat hij me bij voorbaat lichte angst inboezemde. Er was de afgelopen eeuw zo’n gewicht aan de roman toegekend, kon ik die nog wel helder beoordelen, enigszins vergelijkbaar met hoe andere mensen dit boek jaren of zelfs decennia geleden lazen? Eerlijk gezegd weet ik het nog steeds niet. Ik weet ook nog steeds niet helemaal wat ik van As I Lay Dying vind. Intrigerend, knap, stug, raar, onbegrijpelijk: tijdens het lezen bekropen al deze oordelen me. Ik kreeg zelden echt zin om verder te lezen, maar vervolgens loonde het wel om me weer te verdiepen in alle verschillende personages die aan het woord komen, in Faulkners secuur afgewogen taal die echt knap per perspectief verschilt.

‘I can remember how when I was young I believed death to be a phenomenon of the body; now I know it to be merely a function of the mind – and that of the minds of the ones who suffer the bereavement. The nihilists say it is the end; the fundamentalists, the beginning; when in reality it is no more than a single tenant or family moving out of a tenement or a town.’

Hier is Darl aan het woord, de voornaamste verteller van de roman. Zijn moeder Addie overlijdt – de eerste vijftig pagina’s van de roman is ze nog net in leven – en kort gezegd is de roman het langgerekte verslag van hoe Addie naar haar begraafplaats wordt vervoerd, door haar man en haar vijf kinderen, die allemaal aan het woord komen. Iedereen heeft een passende eigen toon: die van de jongste telg Vardaman zit vol herhalingen en kinderlogica (‘my mother is a fish’), echtgenoot Anse praat in zwaar en soms voor mij onnavolgbaar dialect, en Darl zelf neemt helder en precies het woord, al zitten er door zijn stream of consciousness-monologen en zijn opgetekende dialogen soms flarden die meer bij een alwetende verteller lijken te passen (over het zuidelijke, Amerikaanse landschap, de vlaktes, de dieren, de immense regenstorm die losbarst nadat Addie is overleden). Het is bijzonder knap hoe Faulkner via steeds andere focalisatie de hele familie tot leven roept, alle onderlinge misverstanden en verwijten subtiel opvoert, hoe hij zo één gehavend gezin in al haar meerstemmigheid neerzet – al zorgden die perspectiefwisselingen er ook voor dat ik met niemand echt ging meeleven. En dat ik me meer dan eens een beetje onnozel bleef voelen, of in elk geval zonder werkelijk grip op alle dwarsverbanden en symboliek.

Ik las As I Lay Dying met negen anderen, als onderdeel van een (online) leesclub met enkel collega’s. Het bleek dat meerdere mensen waren overgeschakeld op het Nederlands omdat ze de roman te ingewikkeld vonden. Ik bleef bij het Engels omdat ik alle accenten en dat dialect in het origineel wilde meekrijgen (vaak kreeg ik er pas vat op als ik hardop meelas met de pagina’s). Na twee uur waren we met de leesclub nog geenszins over de roman uitgepraat: over het door Faulkner zo krachtig beschreven contrast tussen stad en platteland, over al het leed dat de personages met zich meedragen, over de vraag of er iets van humor in de roman zit (ik kon het niet ontdekken, maar dat zal ook wel aan mij liggen), over de aard van sommige bruuske wendingen (een gebroken been dat in cement wordt gestort, dieren die verdwijnen, een plotselinge brand). Ook na afloop bleef ik aan Faulkners verhaal denken. Dat doe ik nu nog steeds, en het is lang geleden dat een romanwereld zich zo overtuigend in mijn hoofd wurmde.

In de boekhandel zijn verschillende edities van As I Lay Dying te vinden, de Nederlandse vertaling van Rien Verhoef, Terwijl ik al heenging, is bij Boekwinkeltjes te koop.

Daan Stoffelsen: Roos van Rijswijk, De dwaler

Hoera! Het is de Week van het Korte Verhaal, een week die zoals veel themaweken deze coronacrisis wat stilletjes verloopt. We hebben wel een winnaar van de J.M.A. Biesheuvelprijs: Mensje van Keulen met Ik moet u echt iets zeggen. Een mooie winnaar! Het openingsverhaal, ‘Nu weet je wie Bob is’, is erg geestig, en ‘In het donker’ loopt heel mooi beheerst uit de hand. Van Keulen is een ambachtsvrouw, die het drama beperkt tot één ruimte, een paar mensen, niets groots maar wel heel pijnlijk.

(Ik schreef eerder – is het niet elke week Week van het Korte Verhaal? – over de andere genomineerden, Rob van Essen (Biesheuvelprijs 2015, en ook dit jaar mijn favoriet) en Joost de Vries.)

Maar ik wilde je echt iets zeggen over de eerste verhalenbundel van Roos van Rijswijk, een bundel die net als Annelies Verbekes Treinen en kamers opgaat voor de Biesheuvelprijs 2022 en zeker shortlistwaardig is. De dwaler bevat 21 verhalen, waarvan er drie voor De Revisor geschreven werden of althans bij ons gepubliceerd werden, ‘Een zee’ (2012) is de eerste. Daarna won ze de Anton Wachterprijs met haar romandebuut Onheilig (2016), deed ze mee aan Het Personage met ‘De Dwaler’ (2019) en droeg ze bij aan het Kooimannummer, met ‘Oefeningen in onvoltooidheid’ (ook 2019). Ze schreef overal voor hoor (en was overal: ik heb met haar samengewerkt in 2011 en daarna kwam ik haar telkens weer tegen), er ontbreekt een enkel verhaal en er zit ook nieuw werk in, meer om een indruk te geven van de tijdspanne: negen jaar jong schrijverschap.

Een chronologie zit er niet in, al zijn de laatste twee verhalen duidelijk de nieuwste, door corona gekleurd (Van Rijswijk schreef erover op derevisor.nl), en heb ik het gevoel dat de vrijere, lyrische verhalen recenter zijn. Maar de bundel opent kraakhelder, met George Saunders-achtige verhalen, absurd, science fiction-achtig. Het einde van de wereld is nooit ver weg, we leren de mensheid op zijn slechtst kennen, en de mens op zijn liefst. Op Athenaeum.nl staat een voorpublicatie uit ‘Seven Year Itch’:

‘Er brandt een kaarsje op het bureau van Ed omdat het vandaag precies zeven jaar geleden is dat Ed en Jopie van de weg gereden werden – meer doen ze er niet meer aan. Hoe mooi het ochtendlicht aan het eind van de vroege herfst de kamer van haar man verguldt, de rust haast tastbaar in de kamer vangt; Ans was het vergeten. Zo opgeruimd als nu was het toen hij nog leefde nooit. Zo schoon ook niet, Ed Dorrepaal stond erop zelf zijn ruimte te onderhouden en vergat daarbij regelmatig de ruiten, of een hoek van het tapijt. Zijn kamer ziet er ouderwetser uit dan de hare, terwijl hij zich bezighield met bytes en zij met boeken. De sporen van zijn bewegingen zijn allang uitgewist door die van Jopie en haarzelf, ze haalt eens per week een lap door het kantoor. De uSoul, die op het bureau staat, moet ze met een speciaal doekje doen. Dat doet ze niet, en daardoor is het apparaat dofzwart geworden.
Haar man zit in dat dofzwarte ei.’

Heel helder proza over een wereld die aan die van Ewoud Kiefts De onvolmaakten doet denken, op een akelige manier is alles online verbonden. Met personages die Ans, Ed en Jopie heten, slachtoffers van een lullig ongeluk – Ed is omgekomen, Jopie heeft kunstbenen, Ans gebruikt het speciale doekje niet. Ik zei echt: Ed is omgekomen. Maar ik moet zeggen: hij leeft voort in zijn uSoul, een eigen, revolutionair ontwerp, en nu is hij dus weg. Een grootse geschiedenis van liefde, techniek en het verlangen te vluchten – in een kort verhaal.

Want lang zijn ze niet, deze korte verhalen, ze passen met zijn allen in zo’n tweehonderd pagina’s, maar zes zitten boven de tien pagina’s. Tussen mijn favorieten van de afgelopen tijd – Verbeke, Van Essen, Sarah Hall – komt dat dan wat ielig over, maar de kwaliteit is hoog. Ik ben minder fan van haar sociaal-realistischer verhalen, maar Van Rijswijks magisch-realisme is geweldig. Het lyrische titelverhaal kan de bundel dragen, het is een associatieve droomtocht door een ziekenhuis vol geesten (daar heeft Van Rijswijk iets mee) en vogels, en net als twee jaar geleden toen ze het voorlas in Grand Hotel Amrâth begrijp ik het niet helemaal maar ga ik er helemaal in op. Zo begint het:

‘Je zoekt tussen alle kleuren van een sleetse regenboog de blauwe lijn op de vloer, zoals de receptionist je zonder op te kijken van zijn scherm opdraagt. Onder zijn overhemd ritselen zijn veren. Hij wordt moe van je, dat zie je zo, en vind je ’t gek: die man ziet de hele dag mensen die denken dat niemand het ooit zo zwaar had als zij. Mensen met hun ruggen te recht, vol krachtige lijdzaamheid, mensen die niet vragen waar de afdeling waar ze naartoe moeten ligt maar die zeggen: het hart van mijn dochter, het bloed van mijn man, de longen van mijn broer. Jij noemde alleen het kamernummer en moest het luider herhalen, tot tweemaal toe, het leek of je de naam van je vader door de hal brulde.’

Die tweede persoon, dat ‘sleetse’ en ‘hun ruggen te recht’, ‘mensen die niet vragen maar zeggen’, en ja, de ritselende veren, het is meteen al heel erg sterk. Mocht je komende week tijd hebben voor het korte verhaal, lees dan deze rijke bundel, en zeg me na: kanshebber voor de J.M.A. Biesheuvelprijs 2022.

Querido gaf De dwaler uit.

Anne Boyer: de redacteur begon aan een talig, onomfloerst persoonlijk en hard essayboek over kanker – dat het intieme overstijgt.

*

Daan Stoffelsen: Anne Boyer, Het ontsterven

Het thema is omgeslagen naar kanker. Ik ben begonnen aan Anne Boyers essayboek Het ontsterven (The Undying, vertaald door Henny Corver), dat gisteren verscheen; ik lees een eerste proef met passende traagheid op mijn e-reader. De Amerikaanse dichteres (geen familie van Marian Boyer (1954-2013), wier post-operatieve roman Fantastisch lichaam ik destijds heel indringend vond) kreeg er een Pulitzer voor, en ik begrijp dat wel. In korte hoofdstukken, met kernachtige alinea’s, beschrijft ze onomfloerst de val van de patiënt, de pijn en het ongemak. Ze haalt er klassieke en moderne literatuur bij, en toont een betrokkenheid die het persoonlijke overstijgt.

In haar voorwoord is ze al snoeihard en trekt ze het maatschappelijker dan alleen het lichamelijke en persoonlijke, om te besluiten met een talige invalshoek:

‘Iedereen die borstweefsel heeft kan borstkanker krijgen, maar het zijn vooral vrouwen die er de desastreuze gevolgen van ondervinden. Bij vrouwen met borstkanker kunnen die desastreuze gevolgen de vorm hebben van voortijdige dood, een smartelijk sterfproces, ziekmakende behandelingen, ziekmakende nawerkingen van behandelingen, verlies van partners, inkomen en vermogen. Maar die rampspoed is vaak ook het gevolg van het maatschappelijke moeras waarin je bij kanker belandt — klassenpolitiek, achterstelling van vrouwen, ongelijke overlevingskansen op grond van ras, het roterende schema van warrige instructies en brute mystificaties.

Zijn weinig ziektes zo rampzalig voor vrouwen als borstkanker, nog veel minder ziektes veroorzaken zoveel pijn en leed. Die pijn en dat leed worden niet alleen veroorzaakt door de ziekte zelf, maar ook door wat erover wordt geschreven, of niet geschreven, of door de vraag of erover moet worden geschreven, of op welke manier. Borstkanker is een ziekte die zich presenteert als een ontregelende vormkwestie.’

Ik voel toch even aan mijn eigen borstweefsel. Kanker is al langer een belangrijk onderwerp voor mij, het lift al een kleine dertig jaar mee, sinds mijn moeder het voor de eerste keer kreeg, en nog lang nadat ze eraan overleed. Het is persoonlijk – voor mij, voor vele andere direct of zijdelings getroffenen, en dus ook voor Boyer. Maar Boyer maakt er meer van, op het moment dat het een ‘ontregelende vormkwestie’ wordt, is het een literair thema. En dan is dit wat schrijvers moeten doen: niet beschrijven, maar inschrijven, ómschrijven. Dus het medisch-analytische in de zorg duiden, de opgelegde positiviteit veroordelen, de terminologie kraken. Ja:

‘We worden ziek, “vallen” ziek, en onze ziekte valt onder de harde hand van de wetenschap, valt op glaasjes onder zelfverzekerde microscopen, valt in verbloemende leugens, valt in medelijden en public relations, valt in nieuwe pagina’s geopend op je browser en nieuwe boeken op de plank. Dan is er dit lichaam (mijn lichaam) dat slecht overweg kan met onzekerheid, een leven dat onder de uitheemse terminologie van de oncologie openbreekt en dan in de kloof van die taal valt.’

Hier heeft Henny Corver vast zitten zwoegen. ‘Fall ill’ zal er gestaan hebben, maar ‘vallen’ is zo essentieel, ook verderop, dat dit oneigenlijke gebruik gerechtvaardigd is, poëtisch zelfs, en niet zoals de ‘uitheemse terminologie van de oncologie’. Ik las vorige week Lieke Marsmans Wereldkankerdag-gedicht, dat met opgewekte verhoudingen van een op drie begint, en in vrije val eindigt:

‘En een op de drie krijgt kanker. Ziet de arts de gang op komen, weet eigenlijk de uitslag al. Die blik: de proclamatie van een ramp. — Ziet het gewone leven op een sloepje stappen, is de galeislaaf bij zijn eigen zinken.’

Zo werkt literatuur: het heel prozaïsche van de aanzegging, en dan het beeld van zelfvernietigende onderwerping. Daar schrijft Boyer ook over. Ze las natuurlijk Susan Sontag, maar ook Aelius Aristides, die naar de tempel van Asclepius ging om mogelijke therapieën in zijn dromen te ontvangen, en ze leest alle chemotherapiebijsluiters, zodat ze, als de echtgenoot in de Noorse film Hope (2019, bekeken via Picl) PubMed als haar ‘nieuwe beste vriend’ lijkt te beschouwen. Ze scheidt de dodelijke ziekte van de vernietigende behandeling; voor haar eerste behandeling draagt de verpleegster een beschermend pak, het toegediende middel komt samen met mosterdgas in de bloedbaan. We bestrijden dood met dood.

Ze ziet ook de bureaucratie, en draait het om:

‘Ik ben ziek en vrouw. Ik noteer zelf mijn naam. Bij elke afspraak krijg ik een uitdraai uit de centrale database die ik moet aanvullen of fiatteren. Zonder ons zouden de databases leeg zijn.’

En maakt eindeloos vergelijkingen die de ziekte de gezonde wereld in trekken.

‘In de week voor de chemo is het alsof je je voorbereidt op een winterstorm, of een winterstorm en een logé, of een winterstorm, een logé en een bevalling; of het is misschien ook alsof je je voorbereidt op al deze drie plus een vakantie, griep en een korte maar hevige depressie, terwijl je nog nahikt van de vorige storm, logé, bevalling, vakantie, griep en depressie.’

Nóg een winterstorm! Een indrukwekkend boek over ziekte en vrouwen en pijn en woede en bedden en de afwas – en dan moet ik nog 55% lezen.

En ik zag dus Hope, waarin regisseuse Maria Sødahl haar eigen ziekteverhaal gefictionaliseerd heeft: een fatale hersentumor, net voor kerst. Een vreselijk vonnis, zeker als je hebt kennisgemaakt met haar lieve samengestelde gezin, dat ook de niet-perfecte balans tussen haar en haar oudere echtgenoot ondermijnt. Bizarre stemmingswisselen, pijnlijke eerlijkheid en ontroerende momenten wisselen elkaar af. Bijzonder overtuigend, goed gedoseerd en gespeeld, met bijna-identieke ziekenhuiskamers en autoritten met wezenlijke gesprekken, en van die vragen die je jezelf gaat stellen: hoe zou ik reageren, hoe zou ik helpen, voelen, aanraken?

Kunst belicht het onzichtbare, en dat doet zo’n film veel directer dan een boek. Maar het thema dringt zich weer bij me naar de voorgrond en met Boyers boek ontpopt het zich als een nieuwe lens op het lichaam en de wereld.

Het ontsterven verschijnt bij AtlasContact.