Ilja Leonard Pfeijffer: de redacteur dwaalde rond in de jeugdmicronatie van de Boekenweekauteur, rekent uit hoeveel decennia aan Revisor-schrijvers je voor dertig euro kan kopen, en verandert op pagina 32 van mening over het Boekenweekgeschenk.

*

Het is Boekenweek, en al is de losse nummerprijs van De Revisor niet zover meegestegen dat je er altijd een Boekenweekgeschenk bijkrijgt, zijn er genoeg redenen om je als Revisorlezer te verheugen. De auteurs van de Boekenweek zijn oud-redacteurs: Ilja Leonard Pfeijffer (redacteur van 2001/1 tot 2009/6) schreef het geschenk, Marieke Lucas Rijneveld (2016) het essay. Alleen Bart Moeyaert, de auteur van het Boekenweekgedicht, heeft geen Revisor-achtergrond.

Mensen blijven zich afvragen waar het Revisorproza uit de jaren zeventig en tachtig is gebleven, zelfs toen we een vacature hadden. (Die tweet blijkt verwijderd.) Eerlijk gezegd ben ik te weinig literatuurhistoricus om te begrijpen wat dat dan is en wanneer Revisorproza gewoon literair proza is geworden, maar er zijn ook na volledige redactiewisselingen als in 2009-2010 dingen hetzelfde gebleven. Zo was er de afgelopen twintig jaar onafgebroken een classicus lid van de redactie. Maar een nieuwe redactie wil ook nieuwe dingen doen, en zo is de volledige Revisor-productie van Pfeijffer alleen in het rijke externe archief van de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren te vinden. Rijnevelds werk vind je daarentegen grotendeels op derevisor.nl (plus een plukje in de DBNL).

Een aardige aanleiding om de nieuwste Revisor te combineren met Pfeijffers werk, is de digitale expositie die het Literatuurmuseum wijdt aan Mocanië, de fictieve staat die Pfeijffer ontwierp. Hij schreef erover in Brieven uit Genua (2016) en sprak erover tijdens Zomergasten. In de podcast POM, Jonge jaren, vraagt Ernst-Jan Pfauth hem er extra over door. Ik vraag me af: is Mocanië nu een micronatie?

Terzijde. Een handvol weetjes

  • Wie De Revisor én het essay koopt, heeft recht op het geschenk: € 14,50 + € 5,- is drie decennia Revisor-kwaliteit.
  • Een eerdere Revisor-redacteur die het Boekenweekgeschenk schreef, was Thomas Rosenboom. P.F. Thomése (1998/1 tot 2001/4) had natuurlijk gemoeten — maar zou die wel willen? —, en Kees ’t Hart voor het essay. En Oek de Jong (1998/2 tot 2000/4)? Zijn Zwarte schuur is bij de Libris Boekhandels nu slechts € 8,99. Dus € 14,50 + € 8,99 + € 5,- = vier decennia Revisor-kwaliteit.
  • Ik gun de Nederlandse lezer Gustaaf Peek (2010 tot 2015/2) nog dit decennium als Boekenweekgeschenkauteur. Hij schreef ook een van de minst theoretische liefdeszinnen van Nederland:

    ‘Straks kom ik lieverd je moet stoppen je moet stoppen liefste het is te lekker mijn godin ik hou van je je gaat niet stoppen je wil m’n zaad wil je me proeven wil je m’n zaad proeven ik ga je geven wat je wil in je mond liefste in je hete mond heb je me gemist ik kom liefste ik kom in je mond ik —’

    Uit Godin, held. € 12,99. Zijn nieuwste heet A.D.. € 23,99. Daarmee ben je nog sneller klaar.

  • Van Jan van Mersbergen (2010 tot en met 2020) weet je dat hij het kan, hij schreef een mooie novelle voor de Week van het Venlose verhaal, Oase. Zijn nieuwste heet Mijn pa is nooit alleen. € 21,99. Zijn doorbraakroman Naar de overkant van de nacht (€ 12,99) moet je wel aanvullen met het essay. Maar dan heb je wel geheid feest, ook buiten het Boekenbal.
  • Thomas Heerma van Voss (2015 tot 2022-2) is pas na deze generatie aan de beurt, maar je kunt ook gewoon zijn nieuwe verhalenbundel, Passagiers/achterblijvers aanschaffen. Krijg je het Boekenweekgeschenk gratis bij: € 21,99.
  • Maar na een jaar met alleen maar mannelijke auteurs is het tijd voor een van de beste schrijfsters van Nederland: Manon Uphoff (redacteur van (2004/2 tot 2009/6)). We bereiden je er op voor met een Uphoff-themanummer, dat eind deze zomer gaat verschijnen. Tot dat moment kun je Vallen is als vliegen voor precies € 15,- aanschaffen.
  • Marjolijn van Heemstra (2016) of Bernke Klein Zandvoort (2017 tot 2021) voor het gedicht. Ook Reistijd, bedtijd, ijstijd (€ 21,99) en Veldwerk (€ 17,99) geven recht op een geschenk.
  • De Boekenweek gaat eigenlijk meer over rekenen dan over lezen.

Van gedetailleerde fantasie tot micronatie?

Het is geweldig wat Pfeijffer bedacht heeft: de geografie, het wegennetwerk, stadsplattegronden, geld, literatuur, een eigen taal (met eigen alfabet), en het is prachtig hoe het Literatuurmuseum dat in een virtuele vorm goot. Het doet denken aan wat Walter van den Berg in De Revisor beschrijft, de staat die hij als dertienjarige ontwierp, maar waarvan hij de naam vergeten is…

‘Het probleem is dat ik die naam en de rest van de inhoud van het schriftje in geheimschrift heb gespeld.
Het was meer een boekje dan een schriftje trouwens, met een harde kaft, A5-formaat, zwart en met een rode rug en rode hoekjes. Ik denk dat het bij de hema op het Osdorpplein vandaan komt en dat ik het daar rond 1983 heb gestolen.
Ik stal dat boekje niet uit noodzaak, maar uit gewoonte; ik heb in die tijd vrij veel uit de hema op het Osdorpplein gestolen.’

Pfeijffers taal is evenmin eenvoudig te reconstrueren, maar hijzelf kent de taal in ieder geval nog.
En kijk, Mocanië en Van den Bergs land zijn geen fysiek bestaande plekken met de al dan niet grappig bedoelde pretentie de concurrentie aan te gaan met landen als Nederland, Groot-Brittannië en Frankrijk. Ze hebben geen ambities tot een nationale staat. Maar het denken over wat zo’n staat nodig heeft, dat is even interessant als hoe die gedachten botsen met de werkelijkheid.

De fictie wordt volwassen: mensen en verhalen

In de literatuur van deze stichters van fictieve staten worden andere dingen belangrijker dan de details in het decor. De mensen, hun beweegredenen, hun daden. En, bij Pfeijffer heel nadrukkelijk: de manier waarop we daarover vertellen. Dat geeft zijn werk iets van een spel waarbij het voorop staat de regels aan te passen. Als hij in de eerste pagina’s zijn hoofdpersoon Carmen introduceert, een ontevreden (openingszin: ‘Wordt ontevredenheid tevredenheid als je je erbij neerlegt?’) oudere vrouw die evenementen organiseert voor de lokale bibliotheek, laat hij haar denken:

‘Zo vraagt ze zich nu af wat verloren momenten zijn. Als alle momenten als confetti op de ochtend na het feest door de tijd worden opgeveegd en geen enkel ogenblik op de onstuitbare teloorgang kan worden herwonnen, hoe kunnen sommige momenten dan meer verloren zijn dan andere? Elk uur wordt ze een uur ouder, ongeacht of ze energiek vooruitblikt of melancholisch over vroeger mijmert, en het gevolg daarvan is dat er steeds minder is om naar uit te kijken en steeds meer vroeger om te betreuren.’

De confettizin, met de grote woorden en gezochte beeldspraak, gecombineerd met de daaropvolgende zin met rijk aangezette clichés, doet het ergste over deze vrouw vrezen. Verderop zegt ze: ‘Klinkt dat pompeus? Het kan haar weinig schelen hoe het klinkt, want het is zo.’ Oei. Na een leven als de vrouw van de tweede man in diplomatieke dienst, van tennis en sherry en een onvervulde kinderwens (herhaal dit driemaal, dan weet de lezer het), leeft deze vrouw de levens van personages in de literatuur, liefst zonder open eindes – want die biedt het leven al genoeg.

Maar Pfeijffer, die zelf even later als ongenaakbaar personage optreedt in de bibliotheek op uitnodiging van Carmen, gunt haar zo’n leven in de literatuur – al stelt Carmen meermaals vast dat ze daar te gewoon voor is. Ze keert terug naar Monterosso, ooit de plek waar ze haar eerste liefde beleefde (een Boekenweekauteur die het Boekenweekthema verwerkt, dat is uiterst prijzenswaardig), voor een week vakantie. Ze raakt bevriend met de B&B-houdster (‘Uiteraard tutoyeren zij elkaar, want in de wereld van de private kamerverhuur is het altijd vakantie.’), en verzucht op enig moment over het slot van Liefde in tijden van cholera: ‘Het is bijna jammer dat er tegenwoordig geen epidemieën meer bestaan.’

Op dat moment begon mijn sympathie te schuiven. Carmens zelfbeeld wordt rijker, aardiger voor zichzelf, en ze beleeft warempel een verhaal. Ondertussen haalt Pfeijffer grappen uit zoals na een cliffhanger op te merken: ‘Carmen heeft een hekel aan cliffhangers.’ En daarop door te gaan, om pas na een tijdje de belofte van die cliffhanger in te lossen.

Auke Hulst: de redacteur pakte de doorbraakroman erbij, en stuitte op het thema van ons nieuwste nummer, op het streven naar autonomie, en ziet de stilistische souplesse, hoe de micronatie smaak krijgt.

*

Auke Hulst, De Mitsukoshi Troostbaby Company & Kinderen van het ruige land

Over ruim twee weken spreek ik Auke Hulst over zijn voor de Libris Literatuurprijs genomineerde roman De Mitsukoshi Troostbaby Company bij Boekhandel het Martyrium. Je las me er al eerder over.

Maar nu #31: Micronaties in de (virtuele) winkels ligt (bestel hem! Abonneer je! Maak een dansje en verzin je eigen valuta!), licht ik een van de vele aspecten in deze ambitieuze roman uit: in zijn prachtige coming-of-ageroman Kinderen van het ruige land schrijft Hulst al over een vrijstaat die de vader van hoofdpersoon Kai op zou hebben gericht, de basis van een schimmige eerste roman, Vrijstaat. Ook in deze doorbraakroman al zijn er flarden van een tweede roman. Eerst beschrijft hij het gegeven dat uitgangspunt wordt van Kais roman:

‘Sinds in 1959 het gas was ontdekt, had de overheid miljarden verdiend aan de rijkdom onder hun voeten, maar zelf zag de lokale bevolking er weinig van. Als Koeweit zich van Irak kon afscheiden, onder dekking van machtige vrienden, waarom zouden zij hier dan geen Vrijstaat kunnen uitroepen? Alleen maar omdat ze domme boeren waren, met hooivorken in plaats van Leopard-tanks? Zijn vader hoorde het de mensen zeggen, in het clandestiene café van de krankzinnige broers, of wanneer hij bij winkeliers en tuinders kwam die hem hun gepeperde energierekeningen lieten zien. Je betaalde je helemaal scheel voor iets wat recht onder je voeten werd weggepompt! Vader kwam oorspronkelijk van buiten, maar hij voelde zich een van hen. Dit was hún gas. Verdomme, dit was zíjn gas.
[…]
In het jaar 1983 riep hij de Vrijstaat uit. Het ging gepaard met een exacte kaart van de nieuwe grenzen — die niet geheel toevallig het verspreidingsgebied van de krant volgden — en met een pamflet waarin hij zijn politieke ideeën uiteenzette. Hij stelde zijn kandidatuur voor de functie van president, die hij, bij gebrek aan tegenkandidaten, ook direct maar bekleedde.
Twee maanden later was hij dood.

Het zijn vloeiende zinnen, maar Hulst weet de voorstelbare boosheid heel goed te verwoorden, met slechts één uitroepteken, één Verdomme, wat vraagtekens en maar twee keer nadruk. Het rolt, de bijvoeglijk naamwoorden zijn spreektalig, ‘domme’, ‘clandestiene’, ‘krankzinnige’ (fijne alliteratie, Hulst!), ‘gepeperde’. En de daadwerkelijke onafhankelijkheidsverklaring is dan weer bijna zakelijk geformuleerd, met subtiele bijstellingen. En dan die allerzakelijkste vaststelling op de volgende regel.
Alsof op dat uitroepen de ultieme onafhankelijkheid vanzelfsprekend volgt.

En ja, ‘in fictie zou [Kai] zijn vader weer tot leven kunnen wekken’. ‘Stel dat de Vrijstaat die zijn vader voor ogen had gestaan daadwerkelijk was uitgeroepen, met vader aan het hoofd,’ bedenkt Kai enkele tientallen pagina’s verder.

‘Nederland zou verarmd zijn, deze streek zou een Koeweit op kleigrond zijn geworden. Het dorp zou veranderen in een stalen gebit van hoogbouw, boeren ruilden hun tractoren in voor Bentley’s en Jaguars. Alles was anders in de wereld die hij zich voorstelde: zijn vader was er nog, moeder was verdwenen vlak na Kais geboorte…’

Ja, die beelden: een Koeweit op kleigrond, een stalen gebit van hoogbouw. En natuurlijk is het een verbeelding van een verlangen zelfstandig te zijn die bij uitstek past bij de naar volwassen vrijheid en zekerheden snakkende hoofdpersoon, die tegelijk de gevaren van die grenzeloosheid ziet. De fragmenten die we vervolgens lezen gaan over een sprekende dode vader, de Vrijstaat is slechts achtergrond, maar het spel bevalt Hulst.

Een eigen vlag en munt

Want er zit meer in, de micronatie leent zich voor geweldige fictie. In zijn nieuwste roman keert hij terug naar de essentie. De Kaj [sic!] in deze roman is een paar decennia later geboren, de technische mogelijkheden zijn groter, maar Hulst beperkt zich tot de droom van autarkie.

‘Hij noemde het huis Castello, het hart van Wilde Hoek. Dat was wat hem betreft een land op zich, inclusief eigen vlag en eigen munt, waarvan hij een zakje vol had laten slaan door een fabrikant van blikken sportmedailles. Zelf was hij bij autoproclamatie president voor het leven geworden. Hij had ervoor gezorgd dat we zo min mogelijk met de wereld te schaften hadden: er was een waterput geslagen, hij hakte hout voor de hypermoderne cv-houtkachel, op een deel van het dak lagen zonnepanelen en in de wierde lag een verzonken septic tank waarin zeker honderd jaar aan excrementen opgeslagen zou kunnen worden. Hij had zijn tomatenkas, zijn groentetuin, er was een kleine gaard en soms slachtte hij eigenhandig een kip, die dan nog een tijdje wanhopig met de vleugels sloeg terwijl het bloed uit de nek pruttelde. De ware Beter Leven-kip, zei vader, die zichzelf een rechtse autonoom noemde, een soort Robert Heinlein in ribbroek en schipperstrui. Dat juist hij columns moest schrijven voor de krant die zich later met de Partij zou alliëren…’

‘Autoproclamatie’ is korter en krachtiger, en de bijbehorende politieke daden zijn concreter en tegelijk smakelijk amateuristisch. De blikken sportmedailles, het slaan van een waterput en het hypermodern houthakken (ook hier zie je Hulsts lol in alliteratie), de honderd jaar aan excrementen en de wanhopige kip. Een en al kleur. Overigens redt deze micronatie het niet, in tegendeel tot Kais fantasie in Kinderen; de Partij besluit het gaswinningsbied verder uit te putten en voor bewoners af te sluiten.
Hulsts politieke hoofdlijn in de nieuwe roman zit dan ook meer in de subtiele verwijzingen naar deze technologisch-totalitaire VVD-variant dan in deze kleine onderneming, zoals het persoonlijke sowieso meer in balans is met de grote filosofische, literaire en maatschappelijke kwesties. Het kleine verdriet, de rouw en obsessie staan tegenover de vraag naar menselijkheid en kunstmatigheid, de flexibiliteit van (autobiografische) verhalen en de wenselijkheid van robotisering.

(Overigens bleek er ook een lijntje te trekken van Kinderen van het ruige land (maar ook De Mitsukoshi Troostbaby Company) naar ons landschapsnummer. Hulst schrijft over alles.)

Ambo|Anthos gaf De Mitsukoshi Troostbaby Company uit, en dus ook Kinderen van het ruige land. Lees op Athenaeum.nl een fragment. Daan Stoffelsen interviewt Auke Hulst bij Het Martyrium op zaterdag 16 april.

Julie Otsuka: de redacteur las een klein kunststuk van consequente perspectieven en gevarieerde opsommingen over de omgangsvormen in het water en met een verdwijnend geheugen.

*

Daan Stoffelsen: Julie Otsuka, De zwemmers (vertaling Lucie Schaap)

Perspectief dus. Na de lyrische aanbeveling van mijn Athenaeum-collega Ghizlan en de al even enthousiaste tweet van @EdithLeest begon ik eindelijk eens aan een dunner boek (140 pagina’s!) dat speelt met consequent perspectief (zie ook Hulst en Weeda en misschien kan ik ook nog wat over Heitman schrijven) en met de nobele kunst van het opsommen, een boek dat nu eens absurd, dan weer uiterst schrijnend is. Dat gaat over hoe je moet zwemmen in gezelschap, en hoe om te gaan met dat wat je vergeet. Zoals dat hoort, zit veel daarvan al in de eerste pagina. Ik citeer ruim:

‘Het zwembad bevindt zich in een grote grotachtige ruimte diep onder de grond, vele meters onder de straten van onze stad. Sommigen van ons komen hier om te herstellen omdat we geblesseerd zijn. We hebben last van een zwakke rug, platvoeten, uiteengespatte dromen, een gebroken hart, angstgevoelens, zwaarmoedigheid, levensmoeheid, de gebruikelijke bovengrondse aandoeningen. Anderen van ons werken op de nabijgelegen universiteit en zijn tijdens de lunchpauze liefst hierbeneden, in het water, ver weg van de onverbiddelijke blikken van onze collega’s, de kille glans van onze schermen. Sommigen van ons komen hier om aan ons teleurstellende huwelijk te ontsnappen, al is het maar een uurtje. Velen van ons wonen in de buurt en houden gewoon van zwemmen. Een van ons, Alice, een gepensioneerde laborante met beginnende dementie, komt hier omdat ze dat altijd al heeft gedaan. En ze mag dan misschien de cijfercode van haar kluisje niet meer weten of vergeten zijn waar ze haar handdoek heeft neergelegd, maar zodra ze het water in glijdt weet ze wat ze moet doen. Dan heeft ze een lange, vloeiende armslag, een krachtige beenslag, een heldere geest. “Daarboven,” zegt ze, “ben ik gewoon een oud vrouwtje. Maar hierbeneden, in het zwembad, ben ik mezelf.”’

Ik voel me zelf in het zwembad een oud vrouwtje (tenminste als ik de borstcrawl oefen), en als ik zelf ga opsommen, de komma’s aaneenschakel, de zinnen verleng tot hele verhalen, dan krijg ik geheid commentaar van mijn redacteur, maar voilà: zo kan het dus ook. De eerste persoon meervoud is niet al te nadrukkelijk, die opsomming in zin drie gaat prachtig van flauwe fysieke zwaktes via romantische idealen en DSM-achtige klachten (die des avonds komen) tot een mooie samenvatting: dit is gedoe van buiten. Hier in het water gaat het beter, hier vloeit het, hier zijn we onszelf.
En heel soepel duikt Alice op, de vrouw wier geest verdwijnt, en die na twee wij-hoofdstukken nadrukkelijker op de voorgrond treedt. Dat derde hoofdstuk, ‘Diem Perdidi’, opent met een ander vertelperspectief: ‘Ze weet nog hoe ze heet.’ Maar zoals in het eerste hoofdstuk de lijstjes met gebruikers van het zwembad, de regels, je bedenkt het maar, en in het tweede vermoedens over de oorzaak van de barst in de bodem volgen, somt Otsuka hier op wat Alice nog weet – en niet weet.

‘Ze weet nog hoe ze heet. Ze weet hoe de president heet. Ze weet hoe de hond van de president heet. Ze weet in welke stad ze woont. En in welke straat. En in welk huis. Het huis met die grote olijfboom, waar de straat een bocht maakt. Ze weet welk jaar het is. Ze weet welk jaargetij het is. Ze weet op welke dag jij geboren bent. Ze weet dat ze een andere dochter had voordat jij geboren werd – Ze had je vaders neus, dat was het eerste wat me aan haar opviel – maar ze weet niet meer hoe die dochter heette. Ze weet hoe de man heet met wie ze niet getrouwd is – Frank – en bewaart zijn brieven in een la naast haar bed. Ze weet dat jij ooit een man had, maar weigert te onthouden hoe je ex-man heet. Die man, noemt ze hem.’

Otsuka varieert, ze breidt uit, ze zoomt in, ze citeert, subtiel voert ze de tragedies van een doodgewoon leven op, en het niet-weten is nog niet zo algemeen als later, het heeft nog iets begrijpelijks. Maar zestien pagina’s later is de meeste kennis weggevloeid. Dan een u-hoofdstuk (‘U bent hier vandaag omdat u gezakt bent voor de test.’), en ten slotte een je-hoofdstuk (‘Waardoor kwam het, vraag je je af, dat ze begon te vergeten?’), als Alice echt verdwijnt.

Ja, dit is prachtig, het is pijnlijk, het is geestig, en het is goed gedaan. Otsuka creëert afstand en intimiteit met haar perspectiefkeuzes, overzicht met haar opsommingen, en een tragedie van barsten en wegzinken. Eigenlijk wilde ik me nog afvragen waarom Otsuka in Neptunusnaam met dat zwembad begint, maar ik realiseer me dat ze me zoveel beeldspraak cadeau heeft gegeven, dat ik geen recht van vragen heb.

Lebowski gaf De zwemmers uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Lisa Weeda: de redacteur las een genomineerde roman die even universeel als persoonlijk als actueel is – en noemt acht redenen om het boek te lezen.

*

Daan Stoffelsen: Lisa Weeda, Aleksandra

We doen het eens anders. Deze (semi-)wekelijkse leesimpressie is een lijstje. Voor veel goede boeken zijn er meerdere redenen om ze te lezen. Voor Lisa Weeda’s romandebuut Aleksandra is er een hele lijst te maken. Laten we met acht beginnen.

  1. Aleksandra staat in allerlei bestverkocht-lijstjes (van Scheltema, Athenaeum, de boekhandels die hun lijstjes aan NRC aanleveren, De Bestseller60, ook al hebben boekenkopers niet overal verstand van (de top-3 van die Bestseller60 is eh… eigenaardig).
  2. Aleksandra stond terecht in de top-3 van de Boekhandelsprijs, en boekverkopers hebben er meer verstand van.
  3. Aleksandra staat terecht op de shortlist van de Libris Literatuurprijs, en juryleden hebben er nog meer verstand van (maar zie mijn opmerkingen voorafgaand aan mijn stuk van vorige week).
  4. Lisa Weeda, wier grootmoeder Aleksandra Oekraïense is, begrijpt al sinds de separatisten in haar voorouderlijke Donbass opkwamen, wat nabije oorlog betekent. Dat bleek al in haar verhaal ‘Indexen voor verwijtbaarheid’ (2016) en haar chapbook De benen van Petrovski. Ze heeft familie in de steden die nu in het nieuws zijn.

    ‘Steeds meer mensen verdwenen, zoals eerder gebeurde op de Krim; mensen waren een paar dagen weg en doken compleet in elkaar geslagen weer op. Mensen raakten zoek. Mensen werden vermoord teruggevonden op vreemde, verlaten plekken. Mijn oudtante Nina woonde plotseling aan de frontlinie en sliep alleen nog maar in haar kelder, er ging een avondklok in, dag en nacht werd er geschoten en gebombardeerd, onze neef Igor werd bedreigd voor roebels en moest dat een paar maanden later met zijn leven bekopen. Er was te weinig eten. Er was dagen achtereen geen elektriciteit, geen stromend water, geen internet.’

  5. De constructie is bijzonder. Wie het feuilleton ‘Spiegel’ (2018) leest, weet dat Weeda meer is dan een verteller van familieverhalen. In Aleksandra voert ze het Paleis van de verloren Don Kozak op, een soort geheugenpaleis, een fictieve locatie voor oude verhalen. Er is een grandioze propagandafilm voor waarover haar overgrootvader vertelt, die ertussenin is gebleven in, het midden (‘in ons land, in onze familie verdwijnen mensen soms om nooit meer helemaal terug te keren, die blijven voor altijd in het midden. Tussen komen en gaan’). Een fantastische plek…

    ‘Het is in principe niets. Dit paleis bestaat niet. Of, eigenlijk, het had moeten bestaan, maar het is gebleven bij een papieren droom van de leiders van je oma’s geboorteland. Het had het hoofdkwartier voor de wereldrevolutie moeten worden. Mensen riepen: hier gaan we alles verzamelen wat ons land rijk is, alle creativiteit van onze boeren en arbeiders! Dit paleis zou alle vrienden en vijanden laten zien dat we in staat waren om, hoe zeiden ze het ook alweer, de zondige aarde te bedekken met een monument waarvan anderen alleen maar konden dromen.’

  6. … waarin haar overgrootvader Weeda’s aan hoofdpersoon Lisa allerlei oude geschiedenissen kan vertellen, en nieuwere, aangevuld met Aleksandra’s eigen herinneringen. Maar nog meer uit eigen hand zijn de verhalen van een vertellers-wij (een ongewoon perspectief), de voorouders, oude Donbass-kozakken die de vorm van witte herten met gouden geweien en een pijl in hun rug hebben aangenomen. Geestachtige, mythische figuren.

    ‘Wij zijn maar voorouders. Wij voelen de grond nog wel onder onze hoeven, maar kunnen er niet meer op lopen.’

  7. Die twee perspectieven geven Weeda de kans om over bijna de hele droevige twintigste eeuw (en geloof me, in Oekraïne gaat die gewoon door) te vertellen, met allerhande bolsjewieken, nazi’s, maffiose separatisten, Russisch sprekenden, Oekraïens sprekenden en vooral slachtoffers van een geschiedenis van bloed en zwarte grond. Veel beelden blijven hangen (die propagandafilm, de gaten in de aarde waar voorraden en een naaimachine verborgen worden voor de sovjets, het afpersen en dreigen, het vluchten en berusten.
  8. Om een universele geschiedenis te vertellen die even persoonlijk als actueel is.

De Bezige Bij gaf Aleksandra uit.Lees op Athenaeum.nl een fragment.

Auke Hulst: de redacteur las een van de genomineerden voor de Libris Literatuurprijs en tevens een van de auteurs van Waar was ik, o ja, die zijn empathie niet op de proef stelt, sterker nog: ondanks de science fiction-overdrive overtuigt de roman, hij is rijk en raak geschreven.

*

Daan Stoffelsen: Auke Hulst, De Mitsukoshi Troostbaby Company

Eigenlijk is dat wat je continu probeert: de ander begrijpen. Empathie. Wees extreem mild voor Baudet, verzin een rationele Poetin, vindt waarheid in Viruswaarheid (woordzoeker. Extra opgave: vind ‘Rus’). Laat AI-aanbevelingen voor bibliotheken maar schuiven (gebruik geen geweld, stemming duister), retweet niet dagelijks @ishetalgestort, vergeef de zevenjarige confetti-importeur (je kunt klaar zijn met carnaval, confetti blijft opduiken). Als lezer doe je niet anders, en daardoor begrijp je niet maar vergeef je de jury van de Libris Literatuurprijs dat ze Gustaaf Peeks A.D. hebben gepasseerd, en in een later stadium sympathieke, sterke boeken van Rob van Essen, Gilles van der Loo en Marie Kessels.

Als lezer – en maar een thuiswerker ver van mijn boekhandel, geen recensent of jurylid – zoek je ordening, samenhang. Waarschijnlijk is de gedachte vooral geweest: dit zijn de beste boeken, misschien ook: dit is een mooi divers lijstje. Maar misschien besprak die jury ook een heel technische diversiteit, in perspectief. De genomineerde boeken van Dros en Kuypers staan nog ergens digitaal op me te wachten, maar wat me nu al opviel: zowel Weeda als Heitman voeren naast een eerste persoonsverteller voorouders op, zichtbaar als herten (‘Wie stierf, werd een hert met een gouden gewei, een witte vacht en een gouden pijl in de rug. We werden het symbool dat we in ons leven als insigne op onze borst droegen. “Dit hert is niet dood,” zeiden we tegen elkaar, “maar het gaat ook niet echt goed met dat dier.”’) of onzichtbaar, in een wij-perspectief. En het werkt!

Beter in de eerste persoon

Meer daarover later. Van Marissings roman heeft een consequent ik-perspectief, maar Hulsts De Mitsukoshi Troostbaby Company, in omvang en hoeveelheid thema’s en genres tot nu toe de ambitieuste van de shortlist, gaat ook óver literatuur, en problematiseert zijn keuze in de helft van de roman. De ik-verteller van het ene deel, Auke van der Hulst (1997), is in gesprek met zijn redacteur.

‘Ik vraag me wel af of je niet beter kunt beginnen bij de eerste keer dat ze seks hebben – zonder aanloop, zonder backstory. En of het misschien beter zou werken in de eerste persoon. Dan zou je nóg dichter bij het geobsedeerde kunnen komen en kunnen spelen met de onbetrouwbaarheid van zo’n vertelstem.’

Stilte, en: ‘Ik staarde in pseudogedachten in het niets.’ En dan hardop: ‘Elke roman heeft een eigen sfeer, een eigen stem. Daar kun je een beetje invloed op uitoefenen, maar het is vooral iets wat ontstaat. Dit is de toon die natuurlijk voelt. Als ik de toon te uitdrukkelijk moet bedenken wordt alles artificieel.’

Wacht, ik ga even terug naar de verhaallijnen. De Mitsukoshi Troostbaby Company is een logboek, voor een soort begeleidend Privé-domeindeel, vermengd met de eigenlijke roman, De lasso van de tijd. Uitgangspunt voor beide boeken is: de ik/Kaj had een giftige relatie die beëindigd werd met een afgebroken zwangerschap, en hij rouwt er nog steeds om. In het ‘logboek’, dat over zo’n tien jaar van nu speelt, heeft hij soelaas gevonden in een ‘troostbaby’, een levensecht robotmeisje dat deels gebaseerd is op het DNA van de ex van destijds en de ik. Het vaderschap staat hem goed, maar hij durft haar niet alles te zeggen, en worstelt met eigen opvoedingsissues. In de ‘roman’ gaat de science fiction in overdrive: Kaj reist terug naar de tijd, ruimt zijn vroegere ik uit de weg en doet het beter.

Overtuigend en rijk en raak

Dat is wel een woeste vertelstructuur, want wie eenmaal iets menselijks toelaat bij een robot, of tijdreizen mogelijk acht, moet dat consequent doen (hier volgen plotspoilers): het meisje groeit (in ieder geval intellectueel), en wie eenmaal terug kan reizen, kan dat nog eens doen. Toch is dat goed te doen, want die rouw en de vaderlijke liefde zijn heel overtuigend. (Toen ik de PDF doorzocht op ‘perspectief’ stuitte ik op zinnige woorden:

‘Iemand verliezen was makkelijk; het tweede verlies, iemand opgeven, een stuk moeilijker – het was een heidens karwei te doen alsof ze niet bestond. Hij probeerde niet aan haar te denken, dacht aan niets anders. Weer waren ze uit elkaar, langer dan voorheen. Zij leefde voort, vulde de leegte die ze had achtergelaten en alle andere leegte, hij was dood in haar ogen, dat wist hij zeker – hij vóélde zich dood in elk geval, hoewel voelen een eigenschap van de levenden is. (Hoe dat in verhaalvorm te gieten? Iets vanuit het perspectief van een spookverschijning die een verbleekte wereld waarneemt waarin alleen zij alle kleur heeft behouden? Maar niet nu, hij heeft geen afstand, alleen maar rauwe pijn die op papier zou worden gekotst.)’

) Hulsts robotmeisje Scottie is bovendien levensecht, de dilemma’s van de adoptievader zijn herkenbaar (‘Wat denkt ze allemaal? Wat weet ze? Het is brieven lezen in het donker…’). En tussendoor zegt hij dus zinnige dingen over literatuur en leven. Over wat kunstmatig is en niet, over volwassenheid en het vermogen te handelen (‘Hij zit ineengedoken op de achterbank, net hoog genoeg om over de rand van het portier te kunnen kijken – een kinderperspectief, een machteloos perspectief.’). Over abortus natuurlijk, over science fiction en literatuur. Hij verwerkt zijn eigen levensgeschiedenis, die het gros van de lezers zal herkennen uit Kinderen uit het Ruige Land, opgeplust met een paar decennia. Wijsheden, gevatte opmerkingen (‘Vink aan: I am not a robot. Terwijl machines ons die vraag stellen. Ze vragen nooit of we mensen zijn.’) — en dan zijn er nog aantekeningen die niet pasten, en terechtkwamen in onze Privé-domeinspecial Waar was ik, o ja (koop dat nummer mensen!). Het komt zo op een rijtje erg vol over, maar Hulst doseert en formuleert raak.

Ja, maar. Maar ja!

Ja, het is een enorm boek (dunner, met nog meer perspectiefwisselingen en minder thema’s, en ook heel goed: Julie Otsuka’s De zwemmers (vertaling Lucie Schaap), daarover later meer), dat zal in combinatie met de late verschijning in 2021 de eigenaardige afwezigheid op de eindejaarslijstjes verklaren. En ja, tegenover het teveel aan actie in vooral Lasso staat ook veel getheoretiseer. De celebrale Auke Hulst verduistert af en toe de persoonlijkere en vertellende (ook hier is een citaat bij: ‘Literatuur komt voort uit het rijk van de geest, een binnenwereld die expansief en onbegrensd is – afbakening daarvan is tegennatuurlijk. Wie piketpalen slaat reduceert – om redenen van commercie of literair tribalisme – een continuüm tot kasten, tot kluisters. Wat ik beoog is cerebraal én intuïtief, een literatuur die geleefde, gedroomde én verzonnen geschiedenis vervlecht, die put uit mijn autobiografie én de vorm van toekomstgeschiedenis aanneemt.’).

Maar het is een heel sterk boek. Het artificiële blijft tot de plot beperkt – iets wat je niet van elke genomineerde kan zeggen -, het is heel natuurlijk geschreven. Als dit boek de Libris Literatuurprijs 2022 wint, hoef ik voor de verandering de jury niets te vergeven. Dat zou ik volledig begrijpen.

Ambo|Anthos gaf De Mitsukoshi Troostbaby Company uit. Lees op Athenaeum.nl een fragment. Daan Stoffelsen interviewt Auke Hulst bij Het Martyrium op zaterdag 16 april.

Agustín Fernández Mallo: de redacteur kwam micronaties tegen in een intrigerende mozaïekroman, en het spel tussen bureaucratie en de menselijke conditie.

*

Daan Stoffelsen: Agustín Fernández Mallo, Nocilla Dream, vertaald door Adri Boon

In korte tijd — op de tijdschaal van mijn twaalfjarig redacteurschap — ben ik groot fan geworden van themanummers. Van literaire thema’s, van maatschappelijke thema’s. Micronaties, het door Lotte Lentes opgeworpen onderwerp voor De Revisor 31, onttrekt zich aan die indeling. Want ja, buitenrechtelijke staatsvorming gaat over autonomie en vrijheid en grenzen — maar de mensen achter die minilandjes zijn niet zelden fabulerende dilettanten, stranger than fiction. Dus is het ook niet verwonderlijk dat er in #31 ijzersterke fictie staat. Wel gek dan, dat er zo weinig romans in me opkomen die spelen met het onderwerp. Dat zal aan mij liggen, of aan het moment dat ik deze vraag opwierp op Twitter: de kracht van Twitter, vorige week nog zo bejubeld, kwam slechts op Leonard Wibberleys The Mouse That Roared (1955, over Grand Fenwick), Kurt Vonneguts Cat’s Cradle (1963, over San Lorenzo), en Agustin Fernández Mallo’s Nocilla-trilogie (2006, Adri Boons vertaling is van 2021).

Het eerste deel van die mozaïekachtige roman, Dream, speelt zich grotendeels af in de woestijn van Nevada, rondom eenlingen van allerlei soort, letterlijke grensgevallen. Stuk voor stuk hebben ze fascinerende verhalen, die Fernández Mallo ook nog eens meermalen herschrijft, zodat er opeens iemand anders met een koffer vol gevonden foto’s opduikt bij een andere prostituee. Ook de chronologie is moeilijk te vatten, en de associaties tussen de verhaallijnen zijn af en toe nogal los. Ik voelde me bovendien niet zelden nogal dom door de filosofische en wetenschappelijke uitstapjes (de auteur is ook natuurkundige), maar als ik iets welwillender naar mezelf ben, moet ik zeggen: dit boek intrigeert, en inmiddels ben ik met deel 2 bezig.

Vanaf hoofdstuk 39 (van de 119) duiken er micronaties en hun bewoners op: ‘Via de digitale snelweg wenst Ted alle internetters ter wereld een gelukkig nieuwjaar, maar in het bijzonder hen die net als hij in een micronatie wonen en werken.’ Dat concept licht de verteller toe, beginnend bij Sealand (waarover Nicole Kaandorp een levensecht verhaal heeft geschreven voor #31), verwijzend naar verschillende overzichten en duikend in Teds eigen micronatie, Isotope Micronation, ‘een soort grote kubus […] begraven onder een lege vlakte van zo’n 77.000 m2, een darm van beton die uitgestrekt bijna 600 kilometer lang zou zijn’. De vorige bestemming was het zogenaamde Radioactive Waste Management Center. Fascinerend genoeg, maar dit detail geeft net iets meer smaak:

‘In die megagrote onderaardse kubus hebben de 178 bewoners zoveel ruimte dat er gerust een maand kan verstrijken zonder dat ze elkaar ook maar één keer tegenkomen, en als ze elkaar dan tegenkomen is dat meteen voldoende reden om elkaar een maand lang niet meer los te laten om erachter te komen hoe het hun vergaat. Ze weten dat de dag waarop iemand op weg naar een zaal of galerij onverwacht mocht sterven, het heel lang zal duren voordat diegene gevonden wordt, maar dat geval heeft zich nog niet voorgedaan: de micronatie bestaat nog maar tien jaar en vanuit dat perspectief zijn de bewoners nog onsterfelijk. Een van de “micronationale pleziertjes”, gereguleerd door de Afdeling Wetenschappen van de microstaat, ressorterend onder het Knooppunt Economie en Invordering, bestaat erin eens per week op een paar speciaal voor dit doel voorgedrukte formulieren de naam aan te kruisen van de ingezetene van wie men inschat dat hij of zij de eerste zal zijn die het loodje legt.’

Bureaucratie en de condition humaine in één bizar gegeven gevat.

Ook de non-place-ambassadeur van Elgaland & Vargaland duikt op, ook al zo’n man die een roman op zich zou verdienen. Maar dat is de lol van dit boek: Nocilla Dream is als een bibliotheek van mogelijke romans in verschillende fases van wording, en we mogen ze allemaal tegelijk lezen. Verder in Nocilla Experience!

Koppernik gaf de Nocilla-trilogie uit. Op Athenaeum.nl staat een toelichting door vertaler Adri Boon.

Tonke Dragt & Rindert Kromhout, Els Pelgrom: de redacteur las twee jeugdboeken die micronationaliseren in het hoofd, kosmopolieten maken van kinderen — terwijl moderne micronaties juist verengen.

*

Daan Stoffelsen: Els Pelgrom, Het verloren paspoort, en Tonke Dragt, Wie achter deze deur verdwaalt

Binnen de kaders van je hoofd mag je denken wat je wil, binnen de muren van je huis mag je veel doen wat je wil, en ook binnen de grenzen van dit land heb je grote vrijheid. Volstaat dat? En op basis waarvan bepaal je dat? En wat dan? Wordt het dan

  • Ik vertrek (voorspelbare soap) of
  • Verzet! (een titel die door twee oud-redacteuren van dit tijdschrift gebruikt is, dus wel literair moet zijn)
  • of bevries je in oneindige contemplatie (mijn reflex, vrees ik, werktitel: De dood van de essayist)?

Zoals gebruikelijk zit er lange tijd tussen het aanzoeken van schrijvers, het begeleiden van hun schrijven, en de uiteindelijke publicatie van De Revisor. Het zal gek overkomen dat ik nu schrijf over iets wat op zijn vroegst eind maart 2022 zal verschijnen, maar zo’n themanummer geeft nú focus aan mijn lezen, overal zie ik snippers werkelijkheid die raken aan wat er het tijdschrift komt te staan. De Revisor 2022-1 gaat over Micronaties, ‘landen die niet bestaan. Landen die beweren onafhankelijk te zijn, maar niet als zodanig worden erkend of serieus genomen’, zoals Lotte Lentes het in haar Redactioneel zal verwoorden.

(De formuleringen in dit stukje zullen wat futuristisch blijven.)

2022: Zuidland

In de afscheidsreportage van Zuid-Afrika-correspondent Bram Vermeulen in de NRC onderzoekt hij waarom hij zich maar niet thuis is gaan voelen in zijn standplaats. Hij spreekt ontheemden en daklozen, maar reist ook af naar een boerderij waar men een republiek heeft uitgeroepen, Zuidland. De ‘president’ van deze nieuwe staat zegt: ‘We zijn alles kwijt geraakt in dit land: onze cultuur, onze erfenis, alles wordt ons afgenomen. Het ANC domineert ieder aspect van ons leven. De enige manier om van ze af te komen, is door afscheiding.’

Een micronatie dus, waarin al de eerste politieke conflicten hebben plaatsgevonden – een terugkerend fenomeen, lees ik in Jorie Horsthuis’ bijdrage aan ons nummer. Horsthuis maakt samen met Floor Koomen De Facto, een site over dit onderwerp, en ze is dus dé expert.

1982: Het Koninkrijk der Kosmopolieten

De Facto is een veelzeggende formulering. ‘De jure, they may be part of another country, but de facto, they operate as an independent entity,’ schrijven Horsthuis en Koomen, er is iets gecreëerd wat aan wetten lijkt te ontsnappen maar toch werkelijk is. En daar komt een andere tegenstelling in beeld, die tussen feit en fictie.

Bij verschijning van Wie achter deze deur verdwaalt, van Rindert Kromhout en Tonke Dragt met Dragt-achtige illustraties van Linde Faas (2021), werd de ‘paspoortaffaire’ in herinnering geroepen. In 1982 schreef Els Pelgrom bij het tienjarig jubileum van Uitgeverij Kosmos Het verloren paspoort, een kinderboek in de vorm van een echt paspoort, vormgegeven door Max Velthuijs. Vanwege die gelijkenis probeerden kinderen er geld mee op te nemen bij de bank (ging dat dan toen zo?!), en besloot Justitie het uit de handel te halen. Bertram Mourits vat de kwestie samen op Literatuurmuseum.nl, en hij verwijst daar naar een artikel uit 2001 van Joke Linders, dat nu op de DBNL terug te lezen is. Want het staartje is dat Tonke Dragt op dat moment een stapeltje Verloren paspoorten kocht, en daarmee een levendig spel begon te spelen: ze bedacht formulieren waarop je je kleur stem moest invullen en de ‘wereld-vreemde landen’ waar je een visum voor wilde, Velthuijs maakte stempels, er werd gecorrespondeerd tussen allerlei kinderboekenschrijvers en genootschappen.

Terug naar 1982: het verhaal van Het verloren paspoort is eenvoudig, maar het boekje is door de vormgeving wel de moeite waard. Het half-Italiaanse meisje Rossella krijgt haar eigen paspoort en besluit ermee naar haar vader te reizen, een beroemde filmacteur in Rome. Al in de eerste pagina’s krijgt het reizigersvirus haar te pakken:

‘Ze liep de hele weg naar het station, at onderweg patat en een kroket, maar de tijd ging zo langzaam voorbij dat ze dacht dat alle klokken in de stad waren stil blijven staan. Ze keek naar de etalages, naar de mensen en de trams. Zij had geen huis meer, leek het, zij woonde nergens. Vreemd dat al die mensen op straat in Amsterdam bleven! Zo voelt het dus als je alleen op reis gaat, begreep ze.’

Het is toegankelijk proza, toegesneden op jonge lezers, maar het sentiment is herkenbaar. De wereld komt lós als je vertrekplannen hebt, je laat het vertrouwde achter. Letterlijk. Als haar paspoort ingenomen wordt in de trein, volgen twee tekstloze pagina’s met Duitse en Zwitserse stempels.

(Ik kan dat nu met eigen ogen zien, dankzij de Kracht van Twitter, en met name de snelle reactie en het grote vertrouwen van Raymond Frenken, die me Het verloren paspoort uitleende, ingepakt in een landkaart. Want het boekje is dus daadwerkelijk nergens meer te vinden – tenzij tegen woekerprijzen.)

Het paspoort raakt kwijt, en een Italiaanse jongen, Umberto, vindt het en vervalst het, zodat hij mee kan reizen naar Amerika. Hij ontmoet zelfs Rosella (‘Hij knipoogde zijn langzaamste knipoog,’ dat wil ik ook kunnen) en ‘voordat ze een uur in de lucht waren, vertelden ze elkaar sterke verhalen en deden samen spelletjes’. Grote Avonturen volgen, aanstekelijk maar wat kort (het boekje bevat maar 64 pagina’s) uiteengezet door Pelgrom. Denk Kuifje, denk Hollywood, zonder rafelrandjes maar erg leuk. In een verhaal, in je hoofd, kán het.

2021: Forumland

Politiek kan me al langer niet tot razernij brengen, en mijn weloverwogen stemgedrag heeft geen enkel strategisch effect, maar ik volg met enige fascinatie de wendingen in het politieke leven van een van onze jongste fractievoorzitters. Ooit verkocht ik boeken in de winkel waar hij, twee jaar jonger dan ik, kind aan huis was, nu staat hij volop in de publieke aandacht met ongerijmde oproepen tot verzet tegen het politieke systeem waar hij zelf zijn podium aan verdient. Ook hij speelt continu met wet, feit en fictie, en zijn meest speculatieve stap om zich buiten de werkelijkheid te plaatsen is wat hij over ‘Forumland’ oppert. Een toevluchtsoord, met eigen grondgebied, app en munt.

Moeilijk serieus te nemen, alhoewel je daarmee zijn volgelingen onderschat. Een statenlid berekende al dat het ledental het inwonertal van een land als San Marino oversteeg, en schreef: ‘Wijs maar een stuk land aan voor ca. 100.000 mensen en dan maken wij daar de mooiste en beste staat ter wereld van. Mooie gebouwen, geen moderne kunst, goed onderwijs en geen coronagekte.’

We zijn nog niet zover, traditioneel begint een micronatie met het grondgebied, alvorens het rechtstelsel om te gooien: autonomie heeft een plek nodig. Vooralsnog komt het niet buiten de hoofden van enkele Sanmarinezen Foruminariërs. Er is nog geen paspoort uitgegeven.

2021: Het Koninkrijk der Kosmopolieten (bis)

In 2021 verscheen dus Wie achter deze deur verdwaalt, een variatie op Tonke Dragts paspoortaffaire. Een schoolklas van de Max Velthuijsschool, waarin de kinderen allemaal namen van Dragt-personages dragen (en een uit haar lievelingsboek, De geheime tuin), leert Lavinia Morgenster kennen, een schrijfster als Tonke Dragt, die een deur in haar huis heeft die leidt naar het Koninkrijk der Kosmopolieten.

Met behulp van Meester Tom en de schrijfster bemachtigen de leerlingen paspoorten, tekenen ze visa, en komen ze door de deur. Na alle werkelijkheid, waarin Dragt en Kromhout hoofdrollen speelden, en haar roerigere eerdere schoolroman De zevensprong is dit een wat braaf, veilig boek. Ja, deze kinderen hebben nog meer dan Rosella problemen thuis: gescheiden ouders (waarvan hoofdpersoon Laurenzo ook een vader in Italië heeft), onveilige thuissituaties en allerlei diagnoses. Er zitten mooie vondsten in (spoilers!), zoals de rol van kat Iwan de Verschrikkelijke (rechtstreeks uit De Zevensprong) als ambassadeur van het Koninkrijk, en het slot, dat letterlijk tot reflectie oproept. Maar nee, verder dan een boodschap van verbroedering, van lezen en fantaseren strekt dit boek niet.

Dat is overigens heel veel waard. Waar het fabuleren van de politieke leider een kleinere en engere wereld creëert, stimuleren Pelgrom en Kromhout & Dragt het zoeken van ruimte en openheid. Want ook binnen deze muren en grenzen is er veel mogelijk, zoals gevaarlijke onzin uitspreken en stimulerende jeugdliteratuur schrijven. Daar heb je geen eigen staat voor nodig, alleen een paspoort in gedachten.

Wie achter deze deur verdwaalt is door Leopold uitgegeven.

 

Olga Tokarczuk: de redacteur las een fris, geestig, eigenaardig pistooltje met een klassiek aura en een behartenswaardig activisme.

*

Daan Stoffelsen: Olga Tokarczuk, Jaag je ploeg over de botten van de doden (vertaald door Charlotte Pothuizen en Dirk Zijlstra)

Deze rubriek, nu al een tijdje (bijna) solo gevuld, is op zoek naar een nieuwe vorm. Moet het korter, gevarieerder? Toen we in de zomer van 2016, op initiatief van interim-poëzieredacteur Marjolijn van Heemstra (Stadsdichter van Amsterdam! Groslijst Dublin Literary Award!) begonnen aan een variant op This Week’s Reading van The Paris Review, deden we alle vier mee. We waren soms summier, en er deden ook films en muziek mee. Wel volledige kunstwerken. Maar waarom zou een woord — zoals Trouw een woord van de dag kiest, vandaag is dat ‘onbesnut’ of een zin — zoals we een tijdje op deze site deden — niet ook mogen? Een kleur — #7e6c3b is de steunkleur van de komende Revisor) — een onooglijk insect, een stuk zwerfafval? Een detail van de dag of week dat de moeite waard is om mee te nemen naar een volgende, dat iets zegt over de redacteur als observateur, als lezer?

Het is iets waarover we de komende tijd gaan nadenken.

Maar tot dat moment gebruik ik dit hoekje in de literaire speeltuin die De Revisor is, om verslag te doen van wat ik lees. Ik ben bezig in twee romans, een essaybundel, een dagboek uit 1942-1944 en een uit 1966-1967. Maar ik las Olga Tokarczuks Jaag je ploeg over de botten van de doden uit. Een boek dat in 2009 in het Pools verscheen, maar pas ná haar Nobelprijs voor de Literatuur in vertaling (De Geus had al eerder werk van haar uitgebracht, ere wie ere), en dat door die prijs al een klassiek aura heeft. Maar het is vooral fris: het verhaal van een oudere vrouw op het Poolse platteland die een reeks mysterieuze doden onderzoekt, is geestig, eigenaardig en spannend (de bibliotheek heeft er een pistooltje opgeplakt!). De thematiek — hoe gaan wij om met dieren, hoe leven we met ze, eten we ze, bejagen we ze — is uiterst actueel.

Het is vooral fris omdat de vertelster, mevrouw Janina, zo’n energie heeft, ondanks allerlei vage klachten, door haar rechtvaardige eco-activisme (ze probeert jachtbijeenkomsten te verstoren en een mis voor St. Hubertus), haar feminisme, omdat ze zo heerlijk en eloquent boos kan zijn:

‘Woede zorgt ervoor dat je verstand helder en scherp wordt, dat je meer ziet. Zij maakt zich meester van de andere gevoelens en heerst over het lichaam. Het lijdt geen twijfel dat alle wijsheid uit Woede ontstaat, omdat Woede in staat is alle grenzen te overschrijden.’

De lerares Engels leent frases van William Blake (de titel is er een van), wiens werk ze met een oud-leerling vertaalt, en bekwaamt zich in de astrologie. Ze is telkens een van de eerste getuigen bij de crime scenes, ontdekt dat de moorden al in de sterren geschreven stonden. Haar hoofdlettergebruik geeft dieren rechten en emoties en klachten belang. Haar tegendraadse meningen verrassen, roepen soms een lach op:

‘Ik dacht bij mezelf dat hij een heel goed Mens was, die Boros. En het was goed dat hij zo zijn Kwalen had. Gezondheid is een onzekere toestand en belooft niets goeds. Je kunt beter gewoon ziek zijn, dan weet je tenminste waar je aan doodgaat.’

En ze maken haar telkens kleurrijker. Ze is niet alleen in staat tot Woede, maar ook tot liefde (kleine letter) en tot ingrijpende interventies. Uiteindelijk is Jaag je ploeg over de botten van de doden inderdaad een heel ingenieus pistooltje, wat klassieker dan Eva Meijers De nieuwe rivier,  met een sympathieke, complexe moordenaar. En het leverde mij het inzicht op dat astrologie bedrijven, het controleren en repareren van zomerhuisjes in de winter, het vertellen van verhalen en het vermoorden van slechte mensen gewoon verschillende manieren zijn om het leven structuur te geven. Om de wereld beter te maken.

De Geus gaf Jaag je ploeg over de botten van de doden uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Alejandro Zambra: de redacteur las een mooie roman met twee concurrerende en even passende titels, die geestig en sexy en interessant is.

*

Daan Stoffelsen: Alejandro Zambra, Bijna een vader

Waarom heet Brigitte Coopmans’ vertaling van Poeta chileno in het Nederlands Bijna een vader? Susanne Langes vertaling heet ook al Fast ein Vater, maar die van Megan McDowell Chilean Poet?

(En waarom heeft niemand mij vertelt dat de geweldige Jazmina Barrera Zambra’s echtgenote is? Je krijgt ook niets te horen als je niet naar Amsterdamse schrijverscafés en Spaanstalige wikipediapagina’s gaat.)

(En waarom heeft de Franse uitgever het opgegeven om Zambra uit te geven?)

Het is een serieuze vraag aan de uitgever — ik weet dat je dat niet aan vertalers mag vragen, al meermalen is in de vertalersrubriek op Athenaeum.nl geboekstaafd dat ze daar wel over nadenken maar niet altijd gelijk krijgen — maar ik heb wel een idee. Behalve dat Bijna een vader, Zambra’s grootste roman tot nu toe, aanstekelijk over liefde en seks gaat…

(Lees maar eens de eerste pagina’s; het beeld van de twee tieners, ‘praktisch naakt en trillend van angst’ onder een enorme poncho, raak je niet meer kwijt: ‘De ponchomethode bood Carla en Gonzalo de kans om ondanks alle hindernissen zo’n beetje alles uit te vreten, behalve dan de fameuze, sacrale, zo gevreesde maar ook langverwachte penetratie.’)

… en coming-of-ageachtig is, gaat het nadrukkelijk over vaderschap, of eigenlijk stiefvaderschap. De tienergeliefden raken elkaar uit het oog, maar ontmoeten elkaar jaren later, gaan weer afspreken, gaan weer samenleven — met haar zoontje uit een ander huwelijk. Gonzalo groeit in zijn nieuwe rol, en stelt op gegeven moment vast dat je een heel leven stiefvader blijft. Of die overtuiging helemaal standhoudt als Carla en Gonzalo met elkaar breken, weet ik eigenlijk niet, maar feit is dat de breuk mede veroorzaakt wordt door Gonzalo’s ambities als Chileense dichter.

Bijzonder genoeg, maar door Zambra geestig en overtuigend toegelicht, wil ook zijn stiefzoon Vicente dichter worden. In een hilarisch derde deel volgen we hem en de Amerikaanse gringa Pru, die net verlaten is door haar vriendin en op zoek is naar een onderwerp voor een journalistieke reportage. Zij interviewt een groot aantal dichters van allerlei pluimage en bezoekt een dichtersfeest, en ik moet denken aan verhalen van Erik Lindner en Jan Baeke over literaire festivals, en het plan van Bernke Klein Zandvoort om de Mexicaanse literaire scene in te duiken. Bizar en volstrekt geloofwaardig in ieder geval. Pru leert daar belangrijke dingen over die wereld:

‘Maar het is een betere wereld. Ietsje beter. Het is een echtere wereld. Minder saai. Minder treurig. Ik bedoel, Chili is klassenbewust, machistisch, streng. Maar de wereld van de dichters is iets minder klassenbewust. Een klein beetje maar. Ze geloven in elk geval nog in talent, misschien geloven ze wel te veel in talent. En in de gemeenschap. Ik weet niet, ze zijn vrijer, minder bekakt. Ze mengen meer.’

En dan komen de titelvarianten — eerder al vermengd in de zin ‘“Mijn stiefvader is een slechte dichter,” stelde hij zich voor dat Vicente zou antwoorden.’ — samen in een vierde deel, waar de stiefzoon en -vader elkaar weer treffen. Heel opzienbarend zijn de verhalen van Carla, Gonzalo en Vicente niet, maar ze zijn geestig en met mooie details doorspekt. Bovendien is de verteller prettig aanwezig. De bomen op een plaatselijke begraafplaats spelen een rol. Gonzalo heeft de namen geleerd om ze aan Vicente te vertellen, maar bedenkt zich kort daarop: ‘Als je de namen van de bomen niet kent, verzin je ze gewoon.’ Dat breidt Zambra twaalf pagina’s later uit: ‘En als je de namen van de bomen niet kent, verzin je ze gewoon, bedacht hij die nacht somber, terwijl hij Carla met bedrevenheid befte.’

Met bedrevenheid beffen, ik wil niet eens weten wat er in het Spaans stond, voor deze alliteratie dank ik Brigitte Coopmans hartelijk. En Zambra voor de bijwoordelijke bepaling in deze bijstelling. En sowieso fijn, een verteller die zich niet verstopt. Aan het slot van het eerste, jeugddeel:

‘Santiago is groot genoeg om langs elkaar heen te kunnen leven en Carla en Gonzalo hadden elkaar dus nooit meer tegen hoeven te komen, maar op een avond, negen jaar later, gebeurde dat toch, en het is dankzij die ontmoeting dat dit verhaal voldoende bladzijden heeft om als een roman te kunnen worden beschouwd.’

Dus hoewel het toegankelijke verhaal door verwantschap wordt gekleurd, en ook doet nadenken over wat iemand een vader maakt, krijgt het boek smaak door Zambra’s portrettering van schrijvers, door zijn perspectief op literatuur, door de vertelstructuur. Ik had voor Chileense dichter gekozen, maar ‘dichter’ vind ik ook niet lekker bekken —Bijna een vader loopt beter, en verkoopt hopelijk beter.

Mijn voorstel, na die eerdere vraag, aan de uitgever: als deze roman eenmaal een bestseller is (en dat móét!) dan mag er een cultherdruk komen met de oorspronkelijke titel. Plan?

Meridiaan gaf deze roman uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

P.S. Per abuis verscheen in een Insta-story over de boeken op mijn nachtkastje de titel Bijna een zoon. Die titel zou echt niet kloppen, want hoewel de vaders schimmig zijn in deze roman, is volstrekt helder wie de zoons zijn. Gecorrigeerd.

Marcel van Ool: de redacteur las bij ons landschapsnummer een essay-cultuurgeschiedenis-pamflet over het landschap en de natuur, en leerde veel en engageerde zich.

*

Daan Stoffelsen: Marcel van Ool, Het innige landschap. Een kleine geschiedenis van de Plek

Het rommelt al een tijdje in mijn hoofd, ik merk ministaatjes op in de krant, en denk na over autonomie en thuisgevoel. En realiseer me dat ik nog nooit een roman over micronaties gelezen heb. Of heb ik iets gemist? Themanummers, zoals in dit geval het eerste van 2022, brengen het denken op gang. Maar ook lang na het verschijnen van zo’n nummer komen onderwerpen terug. Ik scheer me nog steeds met mijn essay van destijds, mijn interesse voor literaire bevallingen is niet afgezwakt, en het landschap, tja, daar ontsnap je niet aan.

We zouden dat nummer, het derde van 2021, vieren met de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed en Staatsbosbeheer in hun kantoor in Amersfoort. Dat was een paar persconferenties geleden. Een van de beoogde sprekers was Marcel van Ool, die ook de geschiedenis van het 120-jarige Staatsbosbeheer schreef. Hij stuurde me zijn essay Het innige landschap. Een kleine geschiedenis van de Plek op als troost. Tenminste, zo las ik het.

Het innige landschap begint persoonlijk, maar is vooral een betoog voor een beter contact met onze natuurlijke omgeving en een cultuurgeschiedenis van hoe we door de eeuwen heen natuur, en het landschap, hebben beleefd en gewaardeerd. Dat laatste is een bijna canoniek verhaal, met namen als Rousseau, Goethe, Emerson, Thoreau, Van Eeden, Thijsse, Wolkers, Nescio, maar Van Ool introduceert mij ook in het denken en schrijven van Elisabeth Maria Post, Susan Fenimore Cooper en Margaret Walker. Hij brengt me terug bij Emily Dickinson – wier werk en leven ik amper ken, maar die eerder door Gerbrand Bakkers De omweg tot leven kwam. Hij beschrijft en is kritisch, observeert met smaak en een prettige toon.

Natuurlijk is zijn definitie van ‘de Plek’ wat tentatief: een vanzelfsprekende locatie, buiten, wilder dan de tuin (maar Frances Hodgson Burnetts Geheime tuin zou er wel onder vallen, denk ik), iets wat zich laat ontdekken, bijna alsof je een grote liefde ontmoet. ‘Het gebeurt één, misschien twee keer in een leven dat er sprake is van zo’n topofilie.’ Topofilie, mooi! En: ‘De Plek kan buiten verdwijnen of aangetast worden, maar zit altijd in jou.’

Dat is natuurlijk iets wat Bernke Klein Zandvoort en ikzelf in ons landschapsnummer aanraakten: dat landschap van je jeugd is verdwenen. Of je geliefde landschap, überhaupt, iets wat Marjoleine de Vos mooi laat zien. Al weet ik niet of het tuinderijbedrijf van mijn ouders zo’n Plek was. Misschien de vlier achterop het land, die zo groot was dat mijn kleine ik erin kon klimmen en zitten en weg kon zijn van iedereen. Van Ool merkt ook op, in verband met migratie, dat ‘geboortegrond en Plek niet altijd samenvallen, al is er tussen die twee soms wel een bijzondere verbintenis’. Eerder denk ik dat mijn nieuwe omgeving, hier in ‘s-Hertogenbosch, een trage topofilie op gang heeft gebracht. Dat is iets wat twee kanten opgaat – met instemming citeert Van Ool de woorden van Yosemite-beschermer John Muir: ‘We are in the mountains and they are in us.’

Je omgeving wordt je eigen, wordt je thuis. Bijzonder genoeg noemt Van Ool ook in deze context ‘autonomie’, iets wat Goethe toekende aan zijn geliefde landschap, en zo komen we toch in de buurt van ‘Micronaties’. Maar terwijl ministaatjes afgrenzen en beperken, laat Van Ool zien dat een betrokkenheid bij de natuurlijke omgeving je dichter bij álle natuur, het milieu, het klimaat kan brengen. Hij pleit voor landschapsbiografieën, het vertellen van verhalen over je plekken, fijnmazige overlegstructuren, en kinderen het groen (of het blauw) in brengen om bij hen herinneringen te kweken. Ontroerende anekdotes. Dat kleine eigene kan de hele wereld helpen.

(En voor we nu gaan tegensputteren dat ‘een beter milieu begint bij jezelf’ achterhaald is als de grote vervuilers niets doen: wie gaat bij onze ministersploeg, of in ieder geval het kwartet dat zich met klimaat en natuur bezighoudt, vragen wat hún Plek is? Wie gaat naar de CEO’s van de grote bedrijven? Waar wandelen díé met hun hond? Waar zijn zíj opgegroeid? En wat klimaatverandering, maar ook andere menselijke ingrepen, met dat landschap heeft gedaan of nog gaat doen? Laten we het klein maken, en kijken welke grote stappen er nodig zijn.)

Het innige landschap is uitgegeven door KNNV Uitgeverij.