Renée van Marissing: de redacteur las een bedaagde, geslaagde roman met een lichte toon bij zware thema’s.

*

Daan Stoffelsen: Renée van Marissing, Onze kinderen

De titel van de vierde roman van Renée van Marissing, redactielid van Terras, blijft een boek lang vragen oproepen. Onze kinderen is het verhaal van twee volwassen dochters, Mia en Iris, en hun vader. En van Mia en Sally, want Sally krijgt een kind.

Komt bij dat Mia en haar vriendin Sally een kind verwachten. Het verhaal begint lief.

‘De buik van mijn vader is zachter dan die van Sally,
maar in omvang zijn ze elkaars gelijke. Als ik mijn vader
omhels, voel ik zijn buik. Het is een prettig gevoel,
hij heeft hem al zolang ik me kan herinneren. Toen ik
een jaar of vijf, zes was, zaten mijn hoofd en zijn buik op
dezelfde hoogte. Als ik dan mijn armen om hem heen
sloeg, lukte het niet mijn handen elkaar te laten raken
en als ik mijn oor tegen zijn overhemd drukte, kon ik
soms de geluiden binnen in hem horen.
Sinds een jaar of twintig scheelt het nog maar een
paar centimeter in lengte tussen hem en mij.
Als je een ei op je hoofd zet, zijn we even lang, zegt
hij.
Ze zitten naast elkaar op de bank, mijn vader en Sally.
Twee blote buiken, ze hebben hun kleren omhooggetrokken.
Ze lachen, naar elkaar, naar mij, naar de telefoon
waarmee ik een foto maak.’

Dít is een warme herinnering, toch? Van Marissing schrijft ongecompliceerd, maar haar vakmanschap openbaart zich in de opbouw van de roman. Want na dit eerste hoofdstuk, waarin Mia uit eten gaat met haar vader die slecht blijkt te kunnen slikken, zijn we opeens op een begrafenis. Zijn begrafenis. ‘Iris heeft haar toespraak in lettergrootte 16 geprint en na elke zin een enter ingevoegd, zodat ze de draad niet kwijtraakt tijdens het spreken. Ze praat tegen onze vader, af en toe knikt ze met haar hoofd zijn kant op, maar het lukt haar niet naar de kist te kijken.’

Mia’s onbevangen blik toont ons de uitvaart, de eerste reacties: ‘Mooi gesproken, net, zegt een vrouw. Ze is Fries, hoor
ik. Een heel andere kant van Nico. Dank u wel, zegt Iris. Is dat zo, een andere kant? vraag ik. Ja toch, zegt de vrouw.’ Het is het begin van een kanteling, die Van Marissing onder de oppervlakte laat gebeuren. Dat warme gevoel van die eerste paragraaf blijft wel, door Mia’s geestige, laconieke observaties, maar pas laat realiseer je je waarom het leegruimen van het vaderlijke huis zo’n gedoe is, waardoor Mia zo weinig betrokken lijkt bij de zwangerschap van haar vriendin.

‘Ik durf het bijna niet te zeggen, maar van alle herinneringen aan papa die de laatste tijd komen bovendrijven is er niet één gezellig, zegt Iris.’

Onze kinderen is meer dan een warm, bedaagd boek, het is een genuanceerde geschiedenis van een gebroken gezin, van emotionele afstand en alcoholisme. Gedurende het boek herinnert Mia zich meer, van kinderdagen in de kroeg, nieuwe gezinnen waarin Mia en Iris niet pasten, verwaarlozing, een auto-ongeluk. Nee, de kinderen is niets écht aangedaan, maar dat maakt deze vadergeschiedenis niet minder pijnlijk.

(Dat auto-ongeluk was in een eerdere versie al op onze site te lezen in ‘Zomeravond’. Zo vond ik bij het uitruimen van onze bibliotheek (de raamloze ruimte waar vier boekenkasten met dubbele rij en onze desktop staan) een Paris Review met Rachel Cusk en Jenny Offill erin, ongelezen, en realiseerde ik me hoeveel eerder ik van Cusks werk had kunnen houden. Mensen, léés die literaire tijdschriften, de literatuur van morgen staat erin. Word bijvoorbeeld abonnee van De Revisor.)

Van Marissings kracht ligt in de combinatie van haar lichte toon en de zware thema’s, en onwillekeurig denk je: dit boek is de begrafenisrede van Mia, een gemengd verhaal, lief, verdrietig, woedend. Ik kan me de woedende toespraak uitstekend voorstellen, maar het mooie is dat ook aan het slot van het boek, als je die heel andere kant hebt gezien, toch de warmte van het begin navoelt.

Querido gaf Onze kinderen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Annelies Verbeke: de redacteur las de nieuwe, mooie, knappe verhalenbundel van de Biesheuvelprijswinnaar, die vermaakt en intrigeert en prikkelt om de klassieken te gaan lezen.

*

Daan Stoffelsen: Annelies Verbeke, Treinen en kamers

In de week van verschijnen kreeg Annelies Verbeke meteen twee mooie, grote stukken – een in NRC Handelsblad en een in Trouw. Ik, net begonnen in haar nieuwste verhalenbundel, bladerde snel door. Mijn mening vormde zich nog. Maar terwijl Thomas de Veen en Gerwin van der Werf heel andere elementen uitlichten en loven of bekritiseren, hun enthousiasme deel ik: wat een mooie, knappe bundel is dit.

De grote gemene deler tussen de verhalen is dat Verbeke – ze won met haar vorige bundel de J.M.A. Biesheuvelprijs – zich liet inspireren door de wereldliteratuur, van een Mesopotamische priesteres van vier millennia geleden tot Gullivers reizen en Moby Dick, maar tegelijk de actualiteit verslaat met HSP’s, incels en scholieren met thuisonderwijs. Plus: Verbekes ambachtelijkheid die elke vorm aankan, en de afwisseling van vertelplezier en maatschappelijke betrokkenheid.

In haar openingsverhaal, ‘Deserteren’ (een verkorte versie van de gelijknamige novelle), staat een van mijn favoriete Verbeke-personages centraal: de auteur. Dit ietwat depressieve alter ego van Verbeke heeft wel eens in De Revisor gefigureerd, maar ook in Hallelujah, en hier treffen we haar aan in een zelfgegraven graf in het park. Twee deelpersoonlijkheden van haar trekken haar eruit en betrekken haar in een groepsessie met Elaine N. Aron (die van Hoog Sensitieve Personen. Hoe blijf je overeind als de wereld je overweldigt), Goethe, Mann, Werther, Lotte en Charlotte, met absurdistische trekjes.

‘“Misschien kunnen we dat overslaan,” oppert de auteur, geërgerd over de vanzelfsprekendheid waarmee Elaine onmiddellijk de rol van gespreksleider naar zich toe trekt. “Maar van u, waarde heer Von Goethe, excellentie, wil ik wel graag weten welke Goethe u bent, de echte of die van Mann?”
“O,” zegt Goethe, met een stem die even zacht en hoog is als die van Werther, krabbend aan zijn enorme voorhoofd, kijkend naar de wiebelende neuzen van zijn schoenen, en dan van Mann naar de auteur. “Daar komt u me met een vraag… Eerlijk gezegd ben ik daar zelf ietwat over in de war.”’

Dit vind ik grappig, en goed gedaan. Want hoe metaliterair wil je het hebben? Het personage, dat we wel mogen identificeren met de schrijver zelf, vraagt een ander personage of die zelf de schrijver Goethe is of het personage van een andere schrijver. Goethes verwarring is uiterst verklaarbaar. Ook mooi: het contrast tussen de eerste alinea van dit citaat, waarin de auteur nogal hoogdravend is, en de tweede, waarin ‘waarde heer Von Goethe, excellentie’ nogal suf overkomt. En dat beletselteken, die puntjes… die vertaalt Verbeke ook in woorden, die stem, dat krabben, dat kijken, ze vertraagt heel effectief.

Dat metaliteraire is ontegenzeggelijk ook een nadeel: verhaal na verhaal heb ik het idee dat ik allusies mis. Een studie Klassieke Talen (die slechts van pas komt bij het verhaal in verzen ‘Verloren zang’, dat Odysseus in Moria plaatst) en mijn focus op moderne Nederlandse en vertaalde literatuur nadien helpt me niet echt. En bij een enkel verhaal voelt de wereldliteraire inzet wat gezocht. Maar de motto’s bij de verhalen sturen wel je denkrichting.

En bovenal zijn het sterke verhalen op zich, die variëren in vorm van een praatje van een conducteur tot dat homerische verhaal, met naast ik- en hij-perspectief ook veel tweede persoonsverhalen. Het incelverhaal heeft iets dystopisch, er zitten kluchtige scènes tussen en een nachtmerrie. Geslaagde verhalen, met een aantal paarden en fatale schoten als motieven er licht doorheen geweven, maar vooral grote variatie in toonzetting en thematiek.

Verbeke heeft – de klassieken blijven relevant – tijdloze thema’s te pakken: identiteit, (gefnuikte) liefde, jaloezie, strijd en frustratie. En de coronamaatregelen worden heel natuurlijk ingebed in de verhalen. In ‘Orewoet’, het korte, lyrische Hadewijch-verhaal waarin een liefde op afstand beperkt wordt, schrijft Verbeke:

‘Wij waren dit verloren en vergeten, de eenwording, het verlangen ernaar, de orewoet. Nu de grenzen sluiten en de treinen tot stilstand komen, voelen wij onze handen. Nu gruwt ons slechts het verlies.’

En in ‘Wétiko’, een verhaal dat volgt op het nachtmerrieverhaal ‘Vleermuis’, ontdekt een scholier tijdens het thuisonderwijs de Spaanse, zestiende-eeuwse schrijver Bartolomé de las Casas, die de genocide op de oorspronkelijke bewoners van Amerika beschreef. ‘Je hebt een droom gehad. Een opeenstapeling van verschrikkingen, dat weet je nog, maar de concrete beelden ben je kwijt. Wel is er dat woord: Wétiko,’ opent Verbeke, en na enig googelen naar de oorsprong van dat woord: ‘Al voor het ontbijt ben je wijzer en stiller geworden en heb je het gevoel dat er ter hoogte van je maag een gat is ontstaan.’

‘Het is geen honger. Verder dan een banaan en een kop thee kom je niet. Je ontwijkt de bezorgde blik van je moeder. Soms verdenk je haar ervan dat ze hoopt op anorexia, zodat haar obsessie omtrent je eetgewoonten meer bestaansrecht verkrijgt. Maar zulke dingen zou je niet over haar moeten denken, ze houdt van je.’

Verstandig en tragisch, zulke gedachten, in een verhaal dat puberfrustraties in lockdown verbindt met trieste wereldgeschiedenis – en een levensles van Churchill. Treinen en kamers vermaakt en intrigeert, verveelt niet, en prikkelt tot het (her)lezen van de klassieken. Perfect voor literatuurwetenschappers, of professionele lezers met honger naar meer dan een boterham met kaas en een kop thee.

Treinen en kamers is uitgegeven door De Geus. Op Athenaeum.nl staat een fragment uit ‘Wétiko’.

Maggie Nelson: de redacteur las een oorspronkelijk essay in 240 delen over een kleur, over pijn en rouw, dat ook vragen over genre oproept.

*

Daan Stoffelsen: Maggie Nelson, Bluets

In de vierde aflevering van deze rubriek, ruim vier jaar geleden, schreef ik over Maggie Nelsons The Argonauts (2015), een boek over queerness en over transformatie door genderoperatie en zwangerschap. ‘Ik weet niet of ik het half begrijp,’ schreef ik, maar ook: ‘Dat zijn interessante en belangrijke vragen. Ze stelt ze continu: wat is identiteit, hoe ben je jezelf, met wie, lichamelijk en geestelijk?’ Het heeft even geduurd, maar mede door de vertaaloefening van Nicolette Hoekmeijer en Mia Martin in Terras, heb ik Nelsons boek uit 2009 besteld bij de boekhandel, Bluets. Ik heb het mezelf moeilijk gemaakt door de Nederlandse vertaling (mei 2021 bij Atlas Contact, reserveer hem vast bij je boekhandel) niet af te wachten, en in het Engels te lezen. Maar ook voor dit boek geldt: razendinteressant. Droevig ook, en geestig. Zo begint Nelson:

‘1. Suppose I were to begin by saying that I had fallen in love with a color. Suppors I were to speak this as though it were a confession; suppose I shredded my napkin as we spoke. It began slowly. An appreciation, an affinity. Then, one day, it became more serious. Then (looking into an empty teacup, its bottom stained with thin brown excrement coiled into the shape of a sea horse) it became somehow personal.

2. And so I fell in love with a color—in this case, the color blue—as if falling under a spell, a spell I fought to stay under and get out from under, in turns.’

De gedachte heeft iets geestigs: verliefd op een kleur, onder de betovering van blauw. Iets origineels, zoals Heather Christle deed met huilen en tranen, en net als bij die essayiste wordt Nelson nu eens intiem persoonlijk en dan weer bijna academisch afstandelijk. In 240 kleine essays van enkele alinea’s tot een enkele zin, genoemd naar de korenbloem (maar dan in het Frans, Nelson komt pas laat erachter dat die prachtige blauwe bloem een doodnormale Engelse naam heeft), onderzoekt ze de kleur blauw, perceptie, pijn, het fysieke en emotionele en intens liefdesverdriet. Rouw. Goethe komt langs en Wittgenstein (denk hier een zwetende emoji) en Gertrude Stein en Marguerite Duras en Leonard Cohen en Joni Mitchell. Een psycholoog die beweert dat ‘some crying is simply “maladaptive, dysfunctional, or immature.”‘ Waarop Nelson schrijft:

‘94. —Well then, it is as you please. This the dysfunction talking. This is the disease talking. This is how much I miss you talking. This is the deepest blue, talking, talking, always talking to you.’

Zo gaat ze van droge wetenschappelijke nonsens naar de persoonlijke pijn achter het boek in snoeiend korte, licht variërende zinnen, ‘talking, talking, always talking to you’. Wikipedia noemt dit een ‘poetry collection’, maar Nelson is primair een essayist. Talig is Bluets heel sterk en verzorgd (voorzover ik dat kan beoordelen bij het Engels) maar poëzie is het niet; ik lees lopende prozazinnen. Het boek heeft wel iets ongrijpbaars, met mooie inzichten en pijnlijke observaties. Zo schrijft ze naar aanleiding van Leonard Cohens ‘Famous Blue Raincoat’, dat hij besluit met ‘Sincerely, L. Cohen’, dat het haar minder alleen doet voelen…

‘… in composing almost everything I write as a latter. I would even go so far as to say that I do not know how to compose otherwise, which makes writing in a prism of solitude, as I am here, a somewhat novel and painful experiment.’

Dus zijn de Bluets brieven? Zo lijkt het dus niet alleen om kleur en pijn en gemis te gaan, maar ook om taal en genre. Alleen al die laatste kwestie maakt dit een bundel om te herlezen, en straks in vertaling.

Bluets verscheen bij Jonathan Cape in het Verenigd Koninkrijk (ik kocht het bij Athenaeum) en verschijnt in mei bij Atlas Contact.

Sheila Sitalsing: de redacteur las een persoonlijke, profetische, pijnlijk en stilistisch sterke columnbundel die een jaar omvat dat nog niet afgelopen lijkt te zijn.

*

Daan Stoffelsen: Sheila Sitalsing, Dagboek van een krankzinnig jaar

Ik ben fan van Sheila Sitalsing. Niet genoeg om er weer de Volkskrant voor in huis te halen, die ik om de woordspelige koppen en flinterdunne cultuurpagina’s voor een saaiere krant heb ingeruild, maar ze schrijft haar wisselcolumn zo scherp, geestig en empathisch dat ik me toch steeds laat verleiden op een twitterlink te klikken. Of naar Topics.nl te surfen, waar ik via mijn abonnement op misschien wel de degelijkste krant van Nederland ook Volkskrantstukken mag lezen, maar daar ontbreken dan weer de columns vanaf 18 september tot de jaarwisseling.

Maar nu is er Dagboek van een krankzinnig jaar, een boek dat bewijst dat bundelen meer kan zijn dan het opbakken van oude prakjes (de grote uitzondering was natuurlijk al Marja Pruis). Deze verzameling geeft daadwerkelijk een representatief beeld van 2020, een jaar dat nog niet afgelopen lijkt te zijn. Corona, de toeslagenaffaire, Rutte, De Jonge beheersen de kranten nog steeds. Op Athenaeum.nl publiceerde ik voor uit een column van 29 januari, die zo begint:

‘Het allerliefste wat ik heb kwam thuis met een snotneus. De woorden “zie je wel”, en “meter afstand houden”, en “inkwartieren”, en “moeten we de buren niet waarschuwen” vielen.’

De kracht van Sitalsing zit hem in de stijl: superlatief lief maar onzijdig, dat botst en valt op, en dan zoiets doodnormaals als een snotneus. Althans, dat was tóén doodnormaal, en dat is ook Sitalsing: ze is scherp op het profetische af. Pas een kleine maand later werd de eerste besmetting in Nederland geciteerd, de anderhalve meter en de quarantaine volgden daarna pas. De column gaat dan ook vooral over Wuhan in lockdown. Precies zo vooruitziend merkt Sitalsing begin november op over Hugo de Jonge: ‘Misschien heeft hij meteen daarop gedacht aan het geëlleboog dat nu volgen gaat, en aan het “Waarom wíj niet?!” dat onvermijdelijk zal klinken wanneer het ministerie straks (later? over een halfjaar? over een jaar? nooit, omdat we na langdurig gebruik hoorntjes blijken te krijgen van het Pfizer-vaccin?) schaarse vaccins moet gaan verdelen.’ En ik heb het me een heel jaar niet gerealiseerd, maar Sitalsing meer dan tienmaal: ‘Nog even doorbijten, en er zijn verkiezingen.’

Sitalsing is niet alleen persoonlijk (ze schrijft niet zelden over mensen ‘in mijn directe omgeving’ en wat ‘het elfjarig kind naast me op de bank’ vindt, haar observatievermogen is blijkbaar erfelijk) en profetisch, maar ook pijnlijk precies als het om hooggeplaatsten gaat. Mark Rutte krijgt wel enige sympathie als coronapremier, maar niemand weet het teflon en de marketingglans beter te duiden dan Sitalsing. De koning krijgt maar liefst drie venijnige brieven van Sitalsing, geopend met ‘Lieve koning’ en doorspekt met presocratische relativering:

‘Het gaat hard, zou je denken, maar dat is schijn. Want alles stroomt, maar tegelijk verandert er weinig. Inzicht geven in uw precieze uitgaven gaat de premier zo laat en summier mogelijk doen, en wie in de regering komt vergeet de stoere voornemens over de koning doorgaans op de drempel van de Trêveszaal.’

Sitalsing volgt de verkiezingen in Suriname en wekt mijn geloof in de democratie weer op (kippenvel!), ziet vluchtelingen en #blacklivesmatter-demonstranten (‘Toen in de grote vergaderzaal van de Tweede Kamer het begrip ‘Zwarte Piet” viel, en toen dat tot wijdverspreide berichtgeving leidde (Rutte: “Ik begrijp de pijn”), wist je: we zijn weer thuis.’), schrijft over de juridische rommel rond coronaboetes (en besluit: ‘Arme boa’s.’) en kan het niet laten over de cda te schrijven (‘En zo ging deze column toch gewoon weer over het cda.’).

Ze is rechtvaardig en geestig, en telkens weer scherp. Toch maar weer die krant? In ieder geval reserveer ik vast Dagboek van een krankzinnig jaar II: 2021. Verschijningsdatum 11 januari 2022?

De Bezige Bij gaf Dagboek van een krankzinnig jaar uit. Op Athenaeum.nl staat dus een fragment – maar het boek is bij elke boekhandel te bestellen.

Stefan Hertmans: de redacteur las een indrukwekkende reconstructie met dramatisch invulwerk.

*

Daan Stoffelsen: Stefan Hertmans, De opgang

Thuisonderwijslezen is versnipperd lezen. Korte verhalen. Columns. Ik verwacht snel wat te kunnen schrijven over Sheila Sitalsings nieuwe boek Dagboek van een krankzinnig jaar, een bundel columns uit 2020 die verrassend houdbaar blijken, en Maggie Nelsons Bluets, een essay in korte stukken over de kleur blauw, verlies en depressie.

Maar ik pakte ook Stefan Hertmans’ De opgang op, dat tweemaal door redacteurs van De Groene Amsterdammer als beste boek van 2020 werd genoemd, en vijfmaal in totaal in de eindejaarslijstjes van Nederlandse en Vlaamse kranten en weekbladen. Een van mijn hiaten in de Nederlandse literatuur is Hertmans’ bekroonde Oorlog en terpentijn, maar ik las wel zijn epische boek De bekeerlinge. Mijn sterkste associaties bij De opgang waren echter Jeroen Olyslaegers’ Wil en Herman Van Goethems 1942, een roman en een monografie in dagboekstructuur die de collaboratie in Antwerpen reconstrueerden.

Hertmans onderzoekt namelijk de vorige bewoner van zijn huis, Willem Verhulst (1898-1975) die door zijn systematische verraad in hoge kringen van de bezetter kwam. Er zijn wonderbaarlijk veel bronnen over die man: een boek door zijn zoon, een tegenpublicatie van zijn dochter, dagboeken van de echtgenote, NIOD-achtige documentatie. Daarnaast heeft Hertmans zijn eigen herinneringen aan de eerste rondleiding door het sterk verwaarloosde pand. Het grootste deel van De opgang is reconstruerend: Hertmans beschrijft scènes in het leven van deze Willem. Het is bewonderenswaardig wat hij te weten is gekomen. Al twijfel je of de citaten en het ‘smoezelen’ echt uit een bron komen – het lijkt ver weg:

‘Later zou hij vaak zeggen dat hij vanaf dat moment de Belgische staat was gaan haten. Rond diezelfde tijd komt hij te weten dat zijn oudere broer Edward gesneuveld is aan het front, maar dat lijkt ver weg voor hem. Zelf is hij, vanwege dat blinde oog, afgekeurd voor legerdienst. Met een Vlaamse cycloop als ik kunnen de Franstalige officieren aan den IJzer niets beginnen, lacht hij tegen een meisje met wie hij zit te smoezelen.’

Hertmans schrijft het boek als een steeds nadere kennismaking. ‘De man die ik wil leren begrijpen komt langzaam in beeld,’ schrijft hij, en inderdaad, de overspeligheid en slechtheid van deze man krijgt steeds steviger contouren. Hij heeft lijsten met doden op zijn naam staan, betekende weinig voor zijn gezin en kwam ook na zijn vervroegde vrijlating nooit tot inkeer. Net als vele van zijn bondgenoten overigens – Bart De Wever figureert in het laatste deel van het boek als lofredenaar op Verhulsts minnares, die de negentig gehaald heeft met haar Vlaams-nationalistische gedachtegoed.

Een stevig en indrukwekkend verhaal, maar Hertmans vult daar wel veel bij in. ‘Harmina, door iedereen Mientje genoemd, kan de scène niet uit haar gedachten krijgen: die bevende, stotterende, smekend naar haar hand tastende, gedurende een paar tellen blinde Willem.’ Bij zulk drama tast ik naar een bron. Heeft ze dat echt gezegd? Opgeschreven? Deze Mientje, de echtgenote in spe en echte held van het verhaal, begint immers pas jaren later aan dagboeken. Ik wil het wel geloven, maar zij, de ware held van dit verhaal, komt pas echt tot leven als Hertmans daadwerkelijk ruim gaat citeren uit die dagboeken.

Misschien is dat een smaak die gevoed is door de tweets van Capitoolbestormingen, toeslagendrama en coronacijfers: het echte, rauwe wint het bij mij van de fictie. Dus liever het documentaire 1942 – of, in de volle wetenschap dat het verhaal voor rekening van de schrijver is – de roman Wil, en niet zo’n mengvorm.

De Bezige Bij gaf De opgang uit.Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Niet alleen schrijvers uitdagen nieuwe literatuur te schrijven, maar ook lezen, lezen, lezen: goede literatuur bestaat bij gratie van goede literatuur. Vandaar deze rubriek, vandaar ook weer dit jaar een ‘Dit jaar gelezen’. Was 2020 een bleek jaar? Het had kleur genoeg om de beste boeken te noemen – en Tove Ditlevsens Kopenhagentrilogie werd meermalen genoemd.

*

Maureen Ghazal

  • Marjolijn van Heemstra , Reistijd, bedtijd, ijstijd
    Een bundel vol kwetsbare en rake zinnen die samen een leven doorlopen en zowel dichtbij komen als uitzoomen op een wereld en universum die ook niet altijd lineair blijken te zijn. Na het lezen galmen de gedichten ons wankelende tijdsbesef na.
    ‘Wat als wij de laatste krimp zijn/ van een stoffige implosie,/ het finale inhaleren/ van de vroegste hap naar adem?’
  • Bernke Klein Zandvoort, Veldwerk
    Een prachtige dichtbundel met bijzondere observaties en gedachtes die vragen om herlezing. De gedichten zetten aan ook zelf zorgvuldiger waar te nemen. Het begint bij de omslag die op het eerste ogenblik uit bloemen en planten lijkt te bestaan maar bij beter kijken toch iets anders ontvouwt. De bundel bevat een verwondering en speelsheid die al weerklinkt in de inhoudsopgave.
  • Isabella Hammad, De Parijzenaar
    Een historische roman gebaseerd op de eigen familiegeschiedenis van Isabella Hammad, vertaald door Gerda Baardman en Jan de Nijs. De Brits-Palestijnse auteur beschrijft het leven van de Palestijnse Midhat Kamal die rond de eerste wereldoorlog naar Parijs trekt om te studeren en na zijn studie als ‘Parijzenaar’ terugkeert naar Palestina. Hammad beschrijft in uitvoerige stijl het leven tussen verschillende werelden in, de Britse overheersing en de Arabische onafhankelijkheidsstrijd. Een intrigerend en urgent verhaal over een land en zijn geschiedenis die maar weinig klinkt.
  • Raoul de Jong, Jaguarman
    In het boek gaat Raoul de Jong op zoek naar zijn onbekende voorvader: Jaguarman. Tijdens die zoektocht ontdekt hij meer over zijn Surinaamse wortels, gaat hij op expeditie in zijn geliefde Amazone en brengt hij een ode aan zijn Surinaamse helden. In elke zin weerklinkt de noodzaak dat dit geschreven moest worden. Het is ontroerend, pijnlijk, spiritueel, maar kent ook een grote lichtheid. Het leert de lezer vooral dat de geschiedenis van Suriname uit een grote hoop en levenskracht bestaat. Een boek dat ik iedereen zou willen aanraden.
  • Tove Ditlevsen, De Kopenhagentrilogie
    Een portret van een schrijver, geboren in 1917 in Denemarken, die van kinds af aan met een enorme drijfveer en kracht schrijft in een omgeving waarin ze niet altijd geacht wordt te schrijven. Een prachtige reeks met zorgvuldige zinnen (vertaald door Lammie Post-Oostenbrink) over het ontworstelen aan het milieu waarin ze opgroeit, haar ontwikkeling als schrijver, en de continue strijd die ze moet voeren voor onafhankelijkheid.

Thomas Heerma van Voss

Toen De Groene Amsterdammer me eerder deze maand vroeg om een overzicht van mijn beste boek van het jaar, kon ik niets bedenken: ik had te weinig gelezen, vond ik, en van de titels die ik wel had gelezen kwam er niet één nadrukkelijk bovendrijven – er was zo veel goed, Gerbrand Bakker, Merijn de Boer, momenteel ben ik bezig met Lize Spit. Voor het overzicht op deze website heb ik louter gekeken naar de boeken die ik voor De Groene Amsterdammer las. Mijn twee favorieten:

Szczepan Twardoch, De koning

De koning, dat werd genomineerd voor de Europese Literatuurprijs in de vertaling van Charlotte Pothuizen,  vertelt het verhaal van de zeventienjarige Moisje Bernstein, die bokst in het Warschau anno 1937. Het resultaat is een vlot lezende, strak geschreven en strak vertaalde, nergens opgeklopte vertelling over boksen en over oorlog voeren, over de verschillen tussen die twee en over de ondoorzichtige krachten die uiteindelijk zelfs de stoerste vechters klein krijgen.

Tove Ditlevsen, Kindertijd

Een favoriet op alle eindejaarslijstjes, en begrijpelijk: Tove Ditlevsen (1917–1976) schrijft namelijk buitengewoon sfeervol, haar taal is secuur en indringend in haar Kopenhagentriologie (vertaald door Lammie Post-Oostenbrink). De afgelopen tijd las ik het sterke tweede deel, Jeugd, en dat heeft dezelfde bedwelmende kracht als Kindertijd. Dat eerste boek staat vooral in het teken van dromen. In kernachtige hoofdstukken beschrijft Ditlevsen terugblikkend haar vroegste jeugd. Ze groeit op als een eenling tussen twee wereldoorlogen in, en ze beseft gelijktijdig twee dingen die elkaar niet uitsluiten: op een dag kan ik gelukkig weg uit dit leven, en ook: op een dag verlang ik terug naar sommige vroegste momenten van ‘vreemd, oneindig broos geluk’.

Daan Stoffelsen

Marja Pruis noemde 2020 ‘een vreemd, stroperig jaar’ in De Groene Amsterdammer, en dat herken ik. Ik vond 2020 bleek. 2019 was evident het jaar van Manon Uphoffs grootse roman Vallen is als vliegen, en dat Valeria Luiselli met Archief van verloren kinderen een geweldig boek had geschreven, bleek ook toen het als een van de beste romans van de eenentwintigste eeuw genoemd werd in datzelfde weekblad. (Net als Vallen is als vliegen overigens.) Rijpe en harde boeken zijn dat, die uitnodigen tot her- en herlezing, tot bewondering en gesprek. Dat lijkt me het beste criterium voor een eindejaarslijstje: herinner je je dit boek over een paar jaar nog? Was het belangrijk, maakte het indruk, zoals NRC Handelsblad het omschrijft?

En dan vrees ik voor dit jaar. Natuurlijk heb ik niet alles gelezen. Heel veel buitenlandse literatuur niet, en Ali Smiths kwartet, Tove Ditlevsens trilogie en Annie Ernaux’ laatste roman wil ik graag gaan lezen, net als essays van Joan Didion, Annie Dillard en Vivian Gornick in Nederlandse vertaling. (Wat is het goed dat zoveel essayistiek vertaald wordt!) Marieke Lucas Rijnevelds tweede roman en Stefan Hertmans nieuwe boek heb ik nog niet uit. En aan Esther Gerritsen en David Van Reybrouck ben ik nog helemaal niet begonnen.

En natuurlijk was ik, zoals velen onder ons, dit jaar een andere lezer, een ander mens. Na het Boekenbal ging bijna alles online, ik was de enige echte thuiswerker bij de boekhandel. Ik was niet eenzaam en ik was niet ziek, ik mag niet klagen. Maar de beperkingen bedrukten me wel. Misschien durf ik daarom niet te juichen.

Maar goed, ik keek terug in deze leesrubriek, en vulde hem met wat namen aan. En dan is het toch wel een rijk jaar, waarin schrijvers daadwerkelijk wat durfden. Ze waren open en nieuwsgierig, ze zochten nieuwe vormen en eigen onderwerpen, ze hadden humor en inzicht.

Vroeg in 2020 verscheen Wytske Versteegs Verdwijnpunt, dat uitgaande van een geschiedenis van misbruik en aanranding, van depressie ook, verwijdering van geliefden, zelfmutilatie, zelfmoordverlangen, de taal onderzoekt voor al die ellende, de pijn betast en het sentiment woorden geeft. Een essay dat me raakte, en door zijn ernst en zachtheid boven de rest van 2020 uittorent. Heather Christles Het boek der tranen (vertaald door Koen Boelens en Helen Zwaan) is veelvormiger en bedrieglijk luchtiger over een verwant onderwerp. Laten we praten, laten we vertellen, laten we onderzoek doen, zeiden die boeken me, en die pijnlijke openheid, al is het niet altijd leuk, trof me ook bij Sinan Çankaya, Daan Borrel en Thomas Heerma van Voss. Zo moet het: persoonlijk, verhalend, pijnlijk – en met oog voor de beste vorm.

Maar laten we het ook over fictie hebben. Drie van mijn beste boeken verschenen juist later in het jaar, en zijn juist geestig, gedreven door vertelplezier. In omvang van groot naar klein: Merijn de Boers roman De saamhorigheidsgroep, die opvallend veel genoemd wordt in de eindejaarslijstjes, is vol lust, humor en weemoed, Rob van Essens nieuwste verhalenbundel Een man met goede schoenen is enorm geestig, inventief en melancholisch, en Mathijs Deens novelle Het lichtschip is even exotisch als oerhollands, even overtuigend als bizar. Ik was ook onder de indruk van de hardheid van het romandebuut van Simone Atangana Bekono en het visionaire van het romandebuut van Ewoud Kieft. Oeuvres om te volgen.

Laten we dat doen. Volgen. En lezen, herlezen. Op naar het nieuwe jaar!

Emma van Meyeren: de redacteur las een mooi denkend document over rouw en verwerking, het fysieke en rituele – met rake formuleringen.

*

Daan Stoffelsen: Emma van Meyeren, Ook ik ben stukgewaaid

Deze zondagochtend was mijn stiefmoeder overleden, ik reisde per trein en ov-fiets naar mijn vader, en ik las. Emma van Meyeren, een jonge journaliste die schrijft over muziek en feminisme, verloor tien jaar geleden haar moeder, en in drie essays onderzoekt ze het karakter van blijvende rouw. Ook ik ben stukgewaaid heet dit debuut, en het is een mooi, klein document, dat uitgaat van de onzin dat rouw verdwijnt, verwerkt kan worden. (Het kan, is mijn ervaring, zijn scherpste randjes verliezen, de intensiteit neemt af, maar na ruim twintig jaar kan ik nog huilen om het verlies van mijn eigen moeder.)

Freud, schrijft Van Meyeren, beweerde dat al: ‘Normale rouw lost zich volgens hem vanzelf op door het verstrijken van de tijd. Gebeurt dit niet, dan is er volgens Freud sprake van gecompliceerde rouw, dat samenvalt met melancholie.’ Dat is ongerichter, of eigenlijk allesomvattender. ‘Totalitair’ noemt Van Meyeren dat.

Zo heb ik de term melancholie nooit begrepen. Maar Van Meyeren laat interessante dingen zien, benadrukt het fysieke van rouw, de rol van (zelfontworpen) rituelen, en kijkt met een voor mij frisse blik naar Marieke Lucas Rijnevelds romandebuut, en introduceert Chantal Akerman bij mij. Die filmmaker filmde en schreef over de band met haar moeder en over hun gedeelde liefde voor kwark, een band die misschien wel na haar moeders dood leidde tot haar eigen zelfdoding. De suggestie is te sterk, zeker als Van Meyeren zegt dat er maar een aantal maanden tussen zat – het was meer dan een jaar.

Het zijn denkende veeleer dan verhalende essays die, zoals dat hoort, oproepen tot herlezing en doordenken. Niet alles wat ze schrijft, overtuigt me, maar Van Meyeren formuleert raak.

‘De transformatie van een leven met iemand naar een leven met de herinnering aan iemand vraagt om een heroriëntatie. […] Het vinden van een rouwperspectief is een exacte en onherleidbare zoektocht naar een lens die werkt. Een zoektocht die voelt alsof ik op de stoel van een opticien zit tijdens een oogmeting terwijl er op hoog tempo voor mijn ogen klepjes worden gedraaid, geopend en gesloten. “Is dit beter, slechter of zie je geen verschil?”

Het antwoord daarop is zowel bij de opticien als in rouw meestal dat ik het verschil niet direct kan zien.’

Exact én onherleidbaar? Mmm. Maar de ogentest is een prachtig beeld, dat evengoed voor Van Meyerens rouw staat als voor de tastende manier waarop ze daarover nadenkt.

Ook ik ben stukgewaaid is uitgegeven door Chaos.

Leanne Shapton en Maggie Nelson in Terras #19: de redacteur las een rijk nummer met vertrouwde kwaliteit en verrassingen.

*

 

Daan Stoffelsen: Terras #19 Naar Water

Dit is geweldig: ik schreef hier 20 november over Leanne Shapton, en ik meldde op het nippertje dat er een vertaling van een fragment uit Swimming Studies in Terras zou verschijnen. En nu ligt het nummer op de mat. Dank, redactie.

Naar water, op het omslag zo typografisch zo geschikt dat er ook Awater te lezen is, en ‘Rat’ en zoveel auteurs en vertalers herbergt dat een opsomming à la De Revisor op het omslag niet gepast had, is een heel rijk nummer. Het is een breed uitgolvend nummer dat vissen, zwemmers, genderfluïditeit, overstroming, droogte en Herakleitos aandoet. Misschien is het thema té ruimhartig, maar dat geeft niet aangezien de individuele bijdragen overtuigen. Behalve Shapton tref ik Maggie Nelson, Laura Broekhuysen, Miek Zwamborn, Erik Lindner en Renée van Marissing aan, en vertalers als Heleen Oomen, Nicolette Hoekmeijer en Rokus Hofstede, maar ik word vooral verrast door voor mij nieuwe schrijvers, en ik heb nog lang niet alles gelezen in tijdens mijn literaire jutterstocht.

Toch nog even Shapton. Koen Boelens vertaalde ‘Wasgoed’, over een bezoek aan de Hampstead Heath Ladies’ Pond, een zwemvijver met natuurwater. Een mooi essay dat ‘baden’ – recreatief zwemmen – en sportzwemmen verbindt.

‘Ik zwem, waarbij ik de bewegingen van mijn ledematen uitvergroot om warmte op te wekken, zet dan met mijn gezicht naar beneden koers naar de verste reddingsboei, naar de twee vrouwen. Daar aangekomen kijk ik weer op. Een van de vrouwen vertelt over haar kind, dat aan school moet wennen. De ander maakt instemmende, meelevende geluidjes. Ik vraag me af: zijn ze hier als vriendinnen gekomen of in de vijver bevriend geraakt? Hoelang zwemmen ze al in zulk koud water? Zal er ooit iemand met mij mee gaan zwemmen in ijskoude vijvers? Ik maak nog een rondje en mijn lichaam voelt warm, maar het is de warmte van een klap: bloed dat door het weefsel raast.’

Doodgewoon proza, dat van het fysieke, individuele even afbuigt naar een sociologische overweging om weer terug te keren naar zichzelf, de eenzaamheid van de zwemster en het vooruitzicht alleen te blijven (lees ook Inger Bråtveits ‘Dit is water’). En dan die warmte van een klap: een beeld dat je meteen begrijpt, het is warm maar niet comfortabel. Er volgen ook geuren trouwens, Shapton verbindt alle zintuigen. En ja, er zit verwantschap tussen de ontbering die deze vrouwen doorstaan en het racen, maar tegelijk is de jeugdanekdote die ze oproept, van een nacht in een vreemd huis waarin ze haar race in gedachten oefent met een stopwatch, zo mijlenver verwijderd van het gekeuvel van de dames.

Bij Miek Zwamborn komen we wieren en vissen tegen en de dichter Seth Crook – haar inleidende essay is net zo interessant als de daaropvolgende poëzie. En vertaler Nicolette Hoekmeijer, je kent haar van Kiran Desai, Edwidge Danticat, Edward St. Aubyn, Nathan Englander, Toni Morrison en Candace Bushnell, geeft met Mia Martin een fantastisch inkijkje in hun vertaalproces. Ze vertaalden drie ‘Bluets’ uit de gelijknamige bundel van Maggie Nelsen, die beginnen met Herakleitos’ ‘Je kunt niet twee keer in dezelfde rivier stappen’. Telkens in drie variaties, laten ze de diepte zien van het vertaalproces, en ze lichten ook toe waarover ze twijfelden: ‘In het woordje “version” kwamen al vertalende al deze vragen samen. “Variant” en “interpretatie” hebben we beiden overwogen als vertaling; “lezing” werd gekozen om het element van persoonlijke interpretatie te laten doorklinken.’

Zo nodigt een literair tijdschrift uit tot verder lezen – terwijl ik het nog niet eens uit heb.

Bestel Terras bij Terras. Of bij de boekhandel natuurlijk.

Vladimir Nabokov, Rob van Essen: de redactie las een meesterwerk waarin de vorm werkelijk iets over het verhaal zegt, en een belcampische verhalenbundel die de werkelijkheid eerst subtiel, dan stormachtig verdraait.

*

Thomas Heerma van Voss: Vladimir Nabokov, Bleek vuur

Afgelopen week werd me door De Groene Amsterdammer gevraagd wat mij boeken van het jaar zijn, en anders dan voorgaande jaren leverde ik niets in: ik kwam er gewoonweg niet uit. Te weinig nieuws gelezen, al met al. Wel enkele boeken die ik sterk vond, zo was ik geïntrigeerd door Merijn de Boers De Saamhorigheidsgroep, maar ik las geen boek waarbij ik dacht: dit is het boek van 2020. Misschien kan dat ook niet, misschien is het flauw om dan niet alsnog een paar titels te noemen. Maar wat wellicht ook meespeelde, is dat ik nu juist afgelopen week een roman uitlas die ik wél verpletterend goed vond, beter dan al het andere wat ik dit jaar las.

Bleek vuur, het boek dat Nabokov uitbracht kort na zijn internationale doorbraak met Lolita, is ontwrichtend, zeer origineel, grappig, slim, op een vreemde manier ook ontroerend; het boek (ik las het in de vertaling van Peter Verstegen) duwde me een draaikolk van uiteenlopende emoties in – waarvan mijn bewondering uiteindelijk het grootst is. Wat een schrijver. Wat een meesterwerk. Ik ben nog niet uitgedacht over het boek, in zekere zin is mijn denken erover pas begonnen, dus dit is geen gedegen analyse, alleen een paar korte eerste indrukken.

Het idee van Bleek Vuur is jaloersmakend sterk. De roman is opgedeeld in drie delen: een inleiding, een gedicht, en (het lijvigste deel van het boek) annotaties bij dat gedicht. Die annotaties en inleiding zijn geschreven door Kinbote, een typisch Nabokov-personage, eloquent, intellectueel, jaloers, af en toe vreemd woedend. Het gedicht is geschreven door de overleden Shade, een vermaard dichter naast wie Kinbote leefde. Kinbote krijgt dat gedicht in handen, en al in de inleiding stelt hij dat de omgeving van Shade daar niet blij mee is:

‘Het dikke venijn van de afgunst begon in mijn richting te spuiten zodra de universitaire tuindorpbewoners beseften dat John Shade mijn gezelschap meer op prijs stelde dan dat van enig ander.’

En even verderop:

‘Onze hechte vriendschap stond op dat hogere, puur intellectuele plan waar men kan bekomen van emotionele problemen in plaats van ze te delen.’

Deze zinnen zijn kenmerkend voor Bleek Vuur, en voor de hoogdravende, soms tamelijk ridicule taal van Kinbote. Het mooie: die taal past bij hem, en in Bleek Vuur trekt hij in zekere zin een langdurig rookgordijn op van fraaie, scherpe, komische formuleringen en annotaties:

‘Ik begrijp niet wat dit [fragment] met fietsen te maken heeft en vermoed dat deze wending van Shade een werkelijke betekenis heeft. Zoals andere dichters vóór hem lijkt hij zich hier te hebben laten meeslepen door misleidende eufonie.’

En:

‘Volgens de kalender had ik hem maar enkele maanden gekend, maar er bestaan vriendschappen die hun eigen innerlijke tijdsduur schepen.’

Iemands rimpels ‘zitten scheef, iemand verschijnt in ‘tamelijk conventioneel maar schoon ondergoed’, en zo gaat het maar door. Niets wordt zomaar plompverloren medegedeeld, alles wordt in geuren en kleuren beschreven, Nabokov strooit met adjectieven en bijstellingen, zonder uitzondering doeltreffend. Mijn exemplaar staat onder de streepjes en uitroeptekens, en wat nog los van de vele sterke vondsten zo knap is aan dit boek: die vorm zegt werkelijk iets over het verhaal, de centrale thema’s passen perfect bij de vorm waarin die beschreven zijn.

Want meer en meer blijkt Kinbote een leugenachtig, tamelijk wereldvreemd type, hij rekt de grenzen die hij zichzelf in zijn annotaties stelt steeds verder op, bekent dingen die hij eerst geheim wil houden, gaat in intrigerend verkapte vorm in op zijn verleden, waarin hij vluchtte uit het Zembla. Her en der las ik al dat dit metaforisch slaat op Nabokovs eigen verhuizing van Rusland naar Amerika, elders las ik overtuigende theorieën die erop neerkwamen dat Kinbote en Shade eigenlijk hetzelfde personage zijn.

Zo las ik deze roman niet, maar wat ik al schreef: ik ben nog niet uitgedacht over Bleek Vuur. Nu las ik vooral een verhaal met een prachtig springerige opzet – doordat het merendeel de vorm van annotaties heeft kan Nabokov heel makkelijk springen tussen de ene scène en de andere – en een toon die het getroebleerde hoofdpersonage onvergetelijk tot leven roept. Mijn boek van het jaar.

De Bezige Bij gaf Bleek vuur uit, er is nog een e-book beschikbaar. Gedrukte, tweedehands edities, vind je op Boekwinkeltjes.nl.

Daan Stoffelsen: Rob van Essen, Een man met goede schoenen

De beste reden om aan Belcampo te denken, is Belcampo’s oeuvre. Zijn beroemde verhalen (‘Het grote gebeuren’, ‘De dingen de baas’), zijn beste verhalen (‘De surprise’, onlangs verfilmd (maar door mij herinnerd onder de boektitel De ideale dahlia), ‘Avontuur in Amsterdam’) en in zijn algemeenheid zijn vermogen om iets fantastisch te creëren met een vertrouwenwekkende ik-verteller in een bekende wereld. Belcampo was voor mij de brug van de jeugdliteratuur (Beckman, Terlouw, Hartman) naar de volwassenenliteratuur.

Een andere, concrete aanleiding zal ook hebben meegespeeld: ik stuurde De surprise, een gelegenheidsbloemlezing met Georgina Verbaan op het omslag, als Sinterklaascadeau naar mijn neefje en nichtje.

Maar dat is niet de enige reden dat ik aan Belcampo denk: Een man met goede schoenen ademt op momenten Belcampo. Er zijn dubbelgangers en tijdreizigers, Amsterdam is vaak het decor, die ik is enorm vertrouwd – zoals Belcampo zijn huisartspraktijk inzette, doet Van Essen dat met zijn schrijversrol – en er is telkens een vlaagje absurdisme dat niet zelden aanwakkert tot een verbijsteringwekkende storm. Meestal is het ook enorm geestig (hardop lachen, dat heb ik de afgelopen (her)leesperiode wel gemist), door een vondst (een shortcut naar mijn middelbare school, ‘In de kelder van de Kruidenier’, die had ik ook wel gewild, maar is dat wel praktisch? Van Essen beantwoordt de vraag) of een zijdelingse opmerking.

‘Langzaam kwam er meer leven in de avond. De leden van de groepjes waar het koninklijk paar langs was geweest, praatten harder, en vermengden zich met elkaar, alsof daar sprake was van ontspanning en opluchting. Ik stond in het laatste groepje. De koning schudde mijn hand en noemde mijn naam. Ondanks het informele gehalte van de avond was het net of hij mij die naam op dat moment schonk, en ik had bijna tegen hem geroepen: maar zo heet ik al!’

Tijdens dit bezoek aan het koninklijk paleis steekt dus nog een bescheiden orkaan op. Het verhaal heet ‘De glazen kamer’. En vóór ik op de concreetste, duidelijkste aanleiding stuit om over Belcampo (1902-1990) te schrijven in de bespreking van een verhalenbundel uit 2020, dist Van Essen geweldige, navertelbare (maar beter na te lézen) geschiedenissen op van geschoren zwervers, therapeuten en tuinkabouters en familieopstellingen, Nooteboom in Eindhoven, een mysterieuze logé, een melancholische zwerftocht door Oost en een ziekenhuis en die kruidenier dus. Enorm rijk, deze bundel.

*

Pas op pagina 120 duikt Belcampo zelf op. Het verhaal zelf is bijna Nescio-achtig melancholisch (net als dat ziekenhuisverhaal) – maar ja, Grönloh en Schönfeld kenden elkaar ook goed -, en begint met een wandeling maar er zit wel degelijk een eigenaardig reïncarnatie- of dubbelgangermotief in, en zo introduceert hij het de schrijver:

‘Er is een verhaal van Belcampo waarin de verteller één dag lang alle Amsterdammers wil zijn (door een deal met God te sluiten lukt het hem) en ik kan me die wens goed voorstellen. Zelf zou ik dan eerst zestig jaar terug in de tijd willen gaan, tien jaar voor mijn geboorte; en ik zou niet alle Amsterdammers willen zijn, maar wel alle Amsterdamse kinderen, zoals ze op die foto’s staan.’

(Dat verhaal heet ‘Avontuur in Amsterdam’, het is bijna net zo oud als Van Essens wens, uit 1959, en het is climactisch sterk.)

Het verhaal draait om een dubbelgangersherkenning, en draait uit op een verlate inlossing van bovenstaande wens.

‘Ik stond met mijn handen in mijn jaszakken naar de regen te staren en toen ze op vragende toon mijn naam noemde, zei ik automatisch: “Ja, natuurlijk.”
Maar ze had me Klaasje genoemd en zo heet ik helemaal niet. “Nee, nee,” zei ik, maar ze bleef voor me staan. Het vel van haar paraplu versterkte het geluid van de druppels die erop vielen, de rest van de bui werd achtergrondgeruis. Er gleden ook druppels over haar wangen, regen dacht ik aanvankelijk, omdat dat een logische gevolgtrekking leek, het regende immers — maar ze droeg een paraplu, ze huilde. “Nee, het kan niet,” zei ze, “Klaasje is al heel lang dood.”‘

Weer die naamsverwarring, ‘zo heet ik helemaal niet’, maar het is vooral zo mooi dat de scène hier uitgerekt wordt, stil en kaal: versterkt druppelgeluid, de rest van de bui achtergrondgeruis, en een geleidelijke overgang van geluid naar beeld, van regen naar tragedie. En een dialoog die scherpgesneden is op een droevig misverstand. Of niet?

*

Van Essen schiet het belcampische voorbij. Hij is een betere stilist, een modernere althans, en komt ook met metaliteraire (bijna thomésiaanse, als bij J. Kessels) en abstractere (bijna austeriaanse) verhalen. Maar het is dezelfde fantastische inspiratie, die maakt dat in elk verhaal de werkelijkheid eerst subtiel, dan vaak er totaal anders uitziet. Een man met goede schoenen is een geweldig boek. Lezen.

Een man met goede schoenen werd uitgegeven door AtlasContact. Het titelverhaal is te lezen op Athenaeum.nl.

Leanne Shapton: de redacteur leest een mooie bundel over zwemmen, over topsport, en opgroeien.

*

Daan Stoffelsen: Leanne Shapton, Swimming Studies

Ik zwem weer. Ik kies een timeslot de dag ervoor, fiets mijn zestien minuten naar het zwembad, douche niet, steek het bejaardenbaantje over en begin aan mijn wekelijkse kilometer. Dat halfuur is ofwel een bron van ergernis (wat doen die andere zwemmers in mijn baan!) ofwel een zegen: bij weinig activiteiten kun je zo goed mentaal afdwalen van het dagelijkse – en je echt druk maken om iets.

En dat terwijl afdwalen juist mijn probleem is. Er schijnen lezers te zijn die constant doorstomen, doorlezen, dag en nacht, in één adem als een trein in een film. Of als een roman. Voor mij voelen zulke lezers ook als ongeloofwaardige personages, want ik ben traag en snel afgeleid. Mijn lezen is versnipperd.

De grote romans die op me liggen te wachten, hebben een andere leeshouding nodig. Maar plotseling heb ik ook drie non-fictieboeken over zwemmen verzameld, een totaal nutteloos uitvloeisel van mijn grote lees-en-schrijfproject van het komende jaar. Ik lees de essays van Leanne Shapton, Swimming Studies (2012). Shapton zwom als meisje in de subtop, ze trainde voor Olympische trials, maar realiseerde ze dat nooit een topper zou worden. Inmiddels is ze de auteur van een elftal boeken.

Swimming Studies bestaat uit memoires en illustraties; Shapton werd een kunstenares en auteur van een tiental boeken. Niettemin schrijft ze: ‘I’ve defined myself, privately and abstractly, by my brief, intense years as an athlete, a swimmer,’ schrijft ze in het tweede essay. ‘I’m drawn to swimming pools, all swimming pools, no matter how small or murky,’ merkt ze ook op, en ik denk aan Charlotte Van den Broecks Waagstukken, waarin ook een schrijfster veel zwemt. Maar ze besluit haar hoofdstuk met:

‘When I swim now, I step into the water as though absentmindedly touching a scar.’

Alsof dat zwemmende leven een fantoom is, iets fysieks en iets afwezigs tegelijk. Shapton haalt herinneringen op, ze beschrijft heel precies de anatomie van een race. Ze beschrijft de geuren van haar jeugd, van de zwemmers in en buiten het zwembad. De verhouding met haar ouders. Eten, kleding, klasse. De onzekerheden van de puberteit. Tijd, stopwatchtijd. Hoe ze zich een race verbeeldde en probeerde het te timen met de magnetron: precies 1:11.

Mooi boek, ik zie dat Athenaeum Boekhandel Haarlem een exemplaar heeft, vast mooier dan mijn e-book. En dat Terras komend nummer een fragment uit het boek vertaalt. Ik hoop op de terugkeer van mijn concentratie. Tot dat moment lees en zwem ik versnipperd door.

Swimming Studies verscheen bij Penguin Putnam.