Leanne Shapton en Maggie Nelson in Terras #19: de redacteur las een rijk nummer met vertrouwde kwaliteit en verrassingen.

*

 

Daan Stoffelsen: Terras #19 Naar Water

Dit is geweldig: ik schreef hier 20 november over Leanne Shapton, en ik meldde op het nippertje dat er een vertaling van een fragment uit Swimming Studies in Terras zou verschijnen. En nu ligt het nummer op de mat. Dank, redactie.

Naar water, op het omslag zo typografisch zo geschikt dat er ook Awater te lezen is, en ‘Rat’ en zoveel auteurs en vertalers herbergt dat een opsomming à la De Revisor op het omslag niet gepast had, is een heel rijk nummer. Het is een breed uitgolvend nummer dat vissen, zwemmers, genderfluïditeit, overstroming, droogte en Herakleitos aandoet. Misschien is het thema té ruimhartig, maar dat geeft niet aangezien de individuele bijdragen overtuigen. Behalve Shapton tref ik Maggie Nelson, Laura Broekhuysen, Miek Zwamborn, Erik Lindner en Renée van Marissing aan, en vertalers als Heleen Oomen, Nicolette Hoekmeijer en Rokus Hofstede, maar ik word vooral verrast door voor mij nieuwe schrijvers, en ik heb nog lang niet alles gelezen in tijdens mijn literaire jutterstocht.

Toch nog even Shapton. Koen Boelens vertaalde ‘Wasgoed’, over een bezoek aan de Hampstead Heath Ladies’ Pond, een zwemvijver met natuurwater. Een mooi essay dat ‘baden’ – recreatief zwemmen – en sportzwemmen verbindt.

‘Ik zwem, waarbij ik de bewegingen van mijn ledematen uitvergroot om warmte op te wekken, zet dan met mijn gezicht naar beneden koers naar de verste reddingsboei, naar de twee vrouwen. Daar aangekomen kijk ik weer op. Een van de vrouwen vertelt over haar kind, dat aan school moet wennen. De ander maakt instemmende, meelevende geluidjes. Ik vraag me af: zijn ze hier als vriendinnen gekomen of in de vijver bevriend geraakt? Hoelang zwemmen ze al in zulk koud water? Zal er ooit iemand met mij mee gaan zwemmen in ijskoude vijvers? Ik maak nog een rondje en mijn lichaam voelt warm, maar het is de warmte van een klap: bloed dat door het weefsel raast.’

Doodgewoon proza, dat van het fysieke, individuele even afbuigt naar een sociologische overweging om weer terug te keren naar zichzelf, de eenzaamheid van de zwemster en het vooruitzicht alleen te blijven (lees ook Inger Bråtveits ‘Dit is water’). En dan die warmte van een klap: een beeld dat je meteen begrijpt, het is warm maar niet comfortabel. Er volgen ook geuren trouwens, Shapton verbindt alle zintuigen. En ja, er zit verwantschap tussen de ontbering die deze vrouwen doorstaan en het racen, maar tegelijk is de jeugdanekdote die ze oproept, van een nacht in een vreemd huis waarin ze haar race in gedachten oefent met een stopwatch, zo mijlenver verwijderd van het gekeuvel van de dames.

Bij Miek Zwamborn komen we wieren en vissen tegen en de dichter Seth Crook – haar inleidende essay is net zo interessant als de daaropvolgende poëzie. En vertaler Nicolette Hoekmeijer, je kent haar van Kiran Desai, Edwidge Danticat, Edward St. Aubyn, Nathan Englander, Toni Morrison en Candace Bushnell, geeft met Mia Martin een fantastisch inkijkje in hun vertaalproces. Ze vertaalden drie ‘Bluets’ uit de gelijknamige bundel van Maggie Nelsen, die beginnen met Herakleitos’ ‘Je kunt niet twee keer in dezelfde rivier stappen’. Telkens in drie variaties, laten ze de diepte zien van het vertaalproces, en ze lichten ook toe waarover ze twijfelden: ‘In het woordje “version” kwamen al vertalende al deze vragen samen. “Variant” en “interpretatie” hebben we beiden overwogen als vertaling; “lezing” werd gekozen om het element van persoonlijke interpretatie te laten doorklinken.’

Zo nodigt een literair tijdschrift uit tot verder lezen – terwijl ik het nog niet eens uit heb.

Bestel Terras bij Terras. Of bij de boekhandel natuurlijk.

Vladimir Nabokov, Rob van Essen: de redactie las een meesterwerk waarin de vorm werkelijk iets over het verhaal zegt, en een belcampische verhalenbundel die de werkelijkheid eerst subtiel, dan stormachtig verdraait.

*

Thomas Heerma van Voss: Vladimir Nabokov, Bleek vuur

Afgelopen week werd me door De Groene Amsterdammer gevraagd wat mij boeken van het jaar zijn, en anders dan voorgaande jaren leverde ik niets in: ik kwam er gewoonweg niet uit. Te weinig nieuws gelezen, al met al. Wel enkele boeken die ik sterk vond, zo was ik geïntrigeerd door Merijn de Boers De Saamhorigheidsgroep, maar ik las geen boek waarbij ik dacht: dit is het boek van 2020. Misschien kan dat ook niet, misschien is het flauw om dan niet alsnog een paar titels te noemen. Maar wat wellicht ook meespeelde, is dat ik nu juist afgelopen week een roman uitlas die ik wél verpletterend goed vond, beter dan al het andere wat ik dit jaar las.

Bleek vuur, het boek dat Nabokov uitbracht kort na zijn internationale doorbraak met Lolita, is ontwrichtend, zeer origineel, grappig, slim, op een vreemde manier ook ontroerend; het boek (ik las het in de vertaling van Peter Verstegen) duwde me een draaikolk van uiteenlopende emoties in – waarvan mijn bewondering uiteindelijk het grootst is. Wat een schrijver. Wat een meesterwerk. Ik ben nog niet uitgedacht over het boek, in zekere zin is mijn denken erover pas begonnen, dus dit is geen gedegen analyse, alleen een paar korte eerste indrukken.

Het idee van Bleek Vuur is jaloersmakend sterk. De roman is opgedeeld in drie delen: een inleiding, een gedicht, en (het lijvigste deel van het boek) annotaties bij dat gedicht. Die annotaties en inleiding zijn geschreven door Kinbote, een typisch Nabokov-personage, eloquent, intellectueel, jaloers, af en toe vreemd woedend. Het gedicht is geschreven door de overleden Shade, een vermaard dichter naast wie Kinbote leefde. Kinbote krijgt dat gedicht in handen, en al in de inleiding stelt hij dat de omgeving van Shade daar niet blij mee is:

‘Het dikke venijn van de afgunst begon in mijn richting te spuiten zodra de universitaire tuindorpbewoners beseften dat John Shade mijn gezelschap meer op prijs stelde dan dat van enig ander.’

En even verderop:

‘Onze hechte vriendschap stond op dat hogere, puur intellectuele plan waar men kan bekomen van emotionele problemen in plaats van ze te delen.’

Deze zinnen zijn kenmerkend voor Bleek Vuur, en voor de hoogdravende, soms tamelijk ridicule taal van Kinbote. Het mooie: die taal past bij hem, en in Bleek Vuur trekt hij in zekere zin een langdurig rookgordijn op van fraaie, scherpe, komische formuleringen en annotaties:

‘Ik begrijp niet wat dit [fragment] met fietsen te maken heeft en vermoed dat deze wending van Shade een werkelijke betekenis heeft. Zoals andere dichters vóór hem lijkt hij zich hier te hebben laten meeslepen door misleidende eufonie.’

En:

‘Volgens de kalender had ik hem maar enkele maanden gekend, maar er bestaan vriendschappen die hun eigen innerlijke tijdsduur schepen.’

Iemands rimpels ‘zitten scheef, iemand verschijnt in ‘tamelijk conventioneel maar schoon ondergoed’, en zo gaat het maar door. Niets wordt zomaar plompverloren medegedeeld, alles wordt in geuren en kleuren beschreven, Nabokov strooit met adjectieven en bijstellingen, zonder uitzondering doeltreffend. Mijn exemplaar staat onder de streepjes en uitroeptekens, en wat nog los van de vele sterke vondsten zo knap is aan dit boek: die vorm zegt werkelijk iets over het verhaal, de centrale thema’s passen perfect bij de vorm waarin die beschreven zijn.

Want meer en meer blijkt Kinbote een leugenachtig, tamelijk wereldvreemd type, hij rekt de grenzen die hij zichzelf in zijn annotaties stelt steeds verder op, bekent dingen die hij eerst geheim wil houden, gaat in intrigerend verkapte vorm in op zijn verleden, waarin hij vluchtte uit het Zembla. Her en der las ik al dat dit metaforisch slaat op Nabokovs eigen verhuizing van Rusland naar Amerika, elders las ik overtuigende theorieën die erop neerkwamen dat Kinbote en Shade eigenlijk hetzelfde personage zijn.

Zo las ik deze roman niet, maar wat ik al schreef: ik ben nog niet uitgedacht over Bleek Vuur. Nu las ik vooral een verhaal met een prachtig springerige opzet – doordat het merendeel de vorm van annotaties heeft kan Nabokov heel makkelijk springen tussen de ene scène en de andere – en een toon die het getroebleerde hoofdpersonage onvergetelijk tot leven roept. Mijn boek van het jaar.

De Bezige Bij gaf Bleek vuur uit, er is nog een e-book beschikbaar. Gedrukte, tweedehands edities, vind je op Boekwinkeltjes.nl.

Daan Stoffelsen: Rob van Essen, Een man met goede schoenen

De beste reden om aan Belcampo te denken, is Belcampo’s oeuvre. Zijn beroemde verhalen (‘Het grote gebeuren’, ‘De dingen de baas’), zijn beste verhalen (‘De surprise’, onlangs verfilmd (maar door mij herinnerd onder de boektitel De ideale dahlia), ‘Avontuur in Amsterdam’) en in zijn algemeenheid zijn vermogen om iets fantastisch te creëren met een vertrouwenwekkende ik-verteller in een bekende wereld. Belcampo was voor mij de brug van de jeugdliteratuur (Beckman, Terlouw, Hartman) naar de volwassenenliteratuur.

Een andere, concrete aanleiding zal ook hebben meegespeeld: ik stuurde De surprise, een gelegenheidsbloemlezing met Georgina Verbaan op het omslag, als Sinterklaascadeau naar mijn neefje en nichtje.

Maar dat is niet de enige reden dat ik aan Belcampo denk: Een man met goede schoenen ademt op momenten Belcampo. Er zijn dubbelgangers en tijdreizigers, Amsterdam is vaak het decor, die ik is enorm vertrouwd – zoals Belcampo zijn huisartspraktijk inzette, doet Van Essen dat met zijn schrijversrol – en er is telkens een vlaagje absurdisme dat niet zelden aanwakkert tot een verbijsteringwekkende storm. Meestal is het ook enorm geestig (hardop lachen, dat heb ik de afgelopen (her)leesperiode wel gemist), door een vondst (een shortcut naar mijn middelbare school, ‘In de kelder van de Kruidenier’, die had ik ook wel gewild, maar is dat wel praktisch? Van Essen beantwoordt de vraag) of een zijdelingse opmerking.

‘Langzaam kwam er meer leven in de avond. De leden van de groepjes waar het koninklijk paar langs was geweest, praatten harder, en vermengden zich met elkaar, alsof daar sprake was van ontspanning en opluchting. Ik stond in het laatste groepje. De koning schudde mijn hand en noemde mijn naam. Ondanks het informele gehalte van de avond was het net of hij mij die naam op dat moment schonk, en ik had bijna tegen hem geroepen: maar zo heet ik al!’

Tijdens dit bezoek aan het koninklijk paleis steekt dus nog een bescheiden orkaan op. Het verhaal heet ‘De glazen kamer’. En vóór ik op de concreetste, duidelijkste aanleiding stuit om over Belcampo (1902-1990) te schrijven in de bespreking van een verhalenbundel uit 2020, dist Van Essen geweldige, navertelbare (maar beter na te lézen) geschiedenissen op van geschoren zwervers, therapeuten en tuinkabouters en familieopstellingen, Nooteboom in Eindhoven, een mysterieuze logé, een melancholische zwerftocht door Oost en een ziekenhuis en die kruidenier dus. Enorm rijk, deze bundel.

*

Pas op pagina 120 duikt Belcampo zelf op. Het verhaal zelf is bijna Nescio-achtig melancholisch (net als dat ziekenhuisverhaal) – maar ja, Grönloh en Schönfeld kenden elkaar ook goed -, en begint met een wandeling maar er zit wel degelijk een eigenaardig reïncarnatie- of dubbelgangermotief in, en zo introduceert hij het de schrijver:

‘Er is een verhaal van Belcampo waarin de verteller één dag lang alle Amsterdammers wil zijn (door een deal met God te sluiten lukt het hem) en ik kan me die wens goed voorstellen. Zelf zou ik dan eerst zestig jaar terug in de tijd willen gaan, tien jaar voor mijn geboorte; en ik zou niet alle Amsterdammers willen zijn, maar wel alle Amsterdamse kinderen, zoals ze op die foto’s staan.’

(Dat verhaal heet ‘Avontuur in Amsterdam’, het is bijna net zo oud als Van Essens wens, uit 1959, en het is climactisch sterk.)

Het verhaal draait om een dubbelgangersherkenning, en draait uit op een verlate inlossing van bovenstaande wens.

‘Ik stond met mijn handen in mijn jaszakken naar de regen te staren en toen ze op vragende toon mijn naam noemde, zei ik automatisch: “Ja, natuurlijk.”
Maar ze had me Klaasje genoemd en zo heet ik helemaal niet. “Nee, nee,” zei ik, maar ze bleef voor me staan. Het vel van haar paraplu versterkte het geluid van de druppels die erop vielen, de rest van de bui werd achtergrondgeruis. Er gleden ook druppels over haar wangen, regen dacht ik aanvankelijk, omdat dat een logische gevolgtrekking leek, het regende immers — maar ze droeg een paraplu, ze huilde. “Nee, het kan niet,” zei ze, “Klaasje is al heel lang dood.”‘

Weer die naamsverwarring, ‘zo heet ik helemaal niet’, maar het is vooral zo mooi dat de scène hier uitgerekt wordt, stil en kaal: versterkt druppelgeluid, de rest van de bui achtergrondgeruis, en een geleidelijke overgang van geluid naar beeld, van regen naar tragedie. En een dialoog die scherpgesneden is op een droevig misverstand. Of niet?

*

Van Essen schiet het belcampische voorbij. Hij is een betere stilist, een modernere althans, en komt ook met metaliteraire (bijna thomésiaanse, als bij J. Kessels) en abstractere (bijna austeriaanse) verhalen. Maar het is dezelfde fantastische inspiratie, die maakt dat in elk verhaal de werkelijkheid eerst subtiel, dan vaak er totaal anders uitziet. Een man met goede schoenen is een geweldig boek. Lezen.

Een man met goede schoenen werd uitgegeven door AtlasContact. Het titelverhaal is te lezen op Athenaeum.nl.

Leanne Shapton: de redacteur leest een mooie bundel over zwemmen, over topsport, en opgroeien.

*

Daan Stoffelsen: Leanne Shapton, Swimming Studies

Ik zwem weer. Ik kies een timeslot de dag ervoor, fiets mijn zestien minuten naar het zwembad, douche niet, steek het bejaardenbaantje over en begin aan mijn wekelijkse kilometer. Dat halfuur is ofwel een bron van ergernis (wat doen die andere zwemmers in mijn baan!) ofwel een zegen: bij weinig activiteiten kun je zo goed mentaal afdwalen van het dagelijkse – en je echt druk maken om iets.

En dat terwijl afdwalen juist mijn probleem is. Er schijnen lezers te zijn die constant doorstomen, doorlezen, dag en nacht, in één adem als een trein in een film. Of als een roman. Voor mij voelen zulke lezers ook als ongeloofwaardige personages, want ik ben traag en snel afgeleid. Mijn lezen is versnipperd.

De grote romans die op me liggen te wachten, hebben een andere leeshouding nodig. Maar plotseling heb ik ook drie non-fictieboeken over zwemmen verzameld, een totaal nutteloos uitvloeisel van mijn grote lees-en-schrijfproject van het komende jaar. Ik lees de essays van Leanne Shapton, Swimming Studies (2012). Shapton zwom als meisje in de subtop, ze trainde voor Olympische trials, maar realiseerde ze dat nooit een topper zou worden. Inmiddels is ze de auteur van een elftal boeken.

Swimming Studies bestaat uit memoires en illustraties; Shapton werd een kunstenares en auteur van een tiental boeken. Niettemin schrijft ze: ‘I’ve defined myself, privately and abstractly, by my brief, intense years as an athlete, a swimmer,’ schrijft ze in het tweede essay. ‘I’m drawn to swimming pools, all swimming pools, no matter how small or murky,’ merkt ze ook op, en ik denk aan Charlotte Van den Broecks Waagstukken, waarin ook een schrijfster veel zwemt. Maar ze besluit haar hoofdstuk met:

‘When I swim now, I step into the water as though absentmindedly touching a scar.’

Alsof dat zwemmende leven een fantoom is, iets fysieks en iets afwezigs tegelijk. Shapton haalt herinneringen op, ze beschrijft heel precies de anatomie van een race. Ze beschrijft de geuren van haar jeugd, van de zwemmers in en buiten het zwembad. De verhouding met haar ouders. Eten, kleding, klasse. De onzekerheden van de puberteit. Tijd, stopwatchtijd. Hoe ze zich een race verbeeldde en probeerde het te timen met de magnetron: precies 1:11.

Mooi boek, ik zie dat Athenaeum Boekhandel Haarlem een exemplaar heeft, vast mooier dan mijn e-book. En dat Terras komend nummer een fragment uit het boek vertaalt. Ik hoop op de terugkeer van mijn concentratie. Tot dat moment lees en zwem ik versnipperd door.

Swimming Studies verscheen bij Penguin Putnam.

Simone Atangana Bekono: de redacteur las een knap romandebuut over pesten, geweld, racisme met mooi ingezette snippers mythologie.

Daan Stoffelsen: Simone Atangana Bekono, Confrontaties

Als je weinig ruimte (of tijd, in mijn geval, want online kun je maar door blijven typen) hebt, kies je snel voor vergelijkingen. Dan zeg je: als gevangenisboek is Confrontaties intenser dan Christine Ottens Een van ons, en als studie van geweld benadert het Walter van den Bergs Van dode mannen win je niet en Peter Middendorps Jij bent van mij. Maar appels, peren, citroenen. Simone Atangana Bekono’s romandebuut is in ieder geval in die beeldspraak geen knol: het is een knappe roman over een meisje in jeugddetentie. Ze werd gepest, ze sloeg terug (maar hoe hard, dat komen we pas laat in het boek te weten, in een geweldige scène), ze werd gestraft en moet zich nu aan allerlei regels houden en in therapie bij een man die in een soort Groeten uit de Rimboe figureerde. Een racist, vindt ze.

Hij vindt van niet, dat zegt hij ook, maar na een aantal uit de hand gelopen sessies legt Salomé – gymnasiast – aan de hand van de mythe van Narcissus uit dat je dat van jezelf kunt zeggen, maar dat daarmee niet het laatste woord gezegd is.

‘“Ik bedoel gewoon te zeggen,” zeg ik, en ik kijk niet naar Frits, ik kijk naar buiten, naar de grassprieten die teer en groen zijn, die meebewegen met de wind, “dat jij niet weet hoe je er voor mij uitziet.”
“Dat is volgens mij niet de les die je leert uit dat verhaal.”
“Nee, klopt,” zeg ik. “Maar ik vraag me altijd af hoe het was geweest als Narcissus had geweten hoe hij eruitzag. Hangend boven dat water, geobsedeerd door zichzelf.”’

Ik vind dat een geweldige draai aan het cliché van de klassieke mythe. Zo wordt Salomé niet alleen door die Griekse mythe bezocht, maar komt tijdens haar dromen en malen menig oud verhaal langs, gemengd met uitspraken van haar zus, haar vader, die therapeut. Maar vooral: deze omkeervraag bij Narcissus is natuurlijk ook op Salomé toe te passen. En op haar pesters, die opeens slachtoffer werden.

Atangana Bekono zit heel dicht op de huid van haar hoofdpersoon, maar creëert zo heel subtiel ook afstand, waardoor je na kunt denken of Salomé slachtoffer is van een koloniaal patriarchisch systeem, van racisme, of van pesten. Want ze was een van de weinig gymnasiasten van kleur, maar ze was ook een buitenbeentje. En of dat veel uitmaakt, want je sympathie wordt niet radicaal omgegooid. Maar Atangana Bekono geeft je de ruimte om buiten het verhaal door te denken.

Confrontaties is een benauwende weergave van een jeugdgevangenis en de tijd daarna, een zoektocht naar het waarom en hoe je te rehabiliteren als brave gymnasiast. En een onderzoek naar geweld. Ja, zo wordt die geweldsscène aangekondigd:

‘Als ik in de schuur op papa’s boksbal sloeg klonk er altijd muziek, maar dit is iets wat niemand me vertelde: vechten is heel stil. Alsof het publiek wacht op een orkest maar het orkest is nerveus, laat steeds zijn instrumenten vallen, dat geluid van die vallende instrumenten is dan de muziek. Soms een ah als een trommel tussen vingers door glipt, soms een valse noot van de trompet, een gilletje.
Ik ben niet per se sterk. Ik vocht gewoon om al het slechte. Het seizoen van het slechte, van slecht nieuws.
In de Griekse tragedies komt het slechte nooit alleen. Het wordt aangekondigd door een boodschapper en iedereen weet al meteen hoe het stuk gaat lopen. Het is altijd dit plus dit plus dit, als een golf, als een stroming, hele generaties die gevangen zijn in noodlotten, vervloekt. Ze hoeven niet zo te zijn maar ze weten niet beter. Moet je nagaan, zei mevrouw Doormans, al die tragiek!
Het blijft maar bloeien, schuimend opkomen, met volle kracht waaien. Het blijft maar takken van bomen rukken en de daken van huizen doen instorten. Het krijst. Het bloedt. Net zoals toen.’

In die afwisseling van oorspronkelijke observaties (vechten is heel stil), persoonlijke interventies, die Griekse mythologie en dan die angstaanjagende lyriek toont zich een groot talent, en dit is nog maar haar eerste roman, en vervolgens ontvouwt zich die scène, steeds harder, steeds directer en opeens zijn de hoofdletters verdwenen en is er alleen maar ervaring.

Dit is een boek om te herlezen, om te bespreken, voor lezers en leesclubs en klassen.

Lebowski gaf Confrontaties uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Sarah Hall: de redacteur herlas een prijswinnend verhaal en merkte nieuwe dingen op, meer lading, meer betekenis.

*

Daan Stoffelsen: Sarah Hall, ‘The Grotesques’ (uit Sudden Traveller)

Ik schreef hier eerder een enthousiast stukje over Sarah Halls nieuwste verhalenbundel, maar repte met geen woord over ‘The Grotesques’, en nu heeft juist dat verhaal haar haar tweede BBC National Short Story Award opgeleverd. Die dubbelslag is een unicum in de vijftien jaar dat de prijs bestaat. Hall werd meermalen genomineerd, en onder eerdere winnaars zijn Miroslav Penkov, Lionel Shriver, K.J. Orr en Cynan Jones.

Over korte verhalen wilde ik sowieso iets schrijven, over de Write Now!-jubileumbundel Ik mag niet klagen, maar dat stelde me teleur. ‘De 21ste-eeuwse auteurs die een verhaal schreven voor deze bundel’ schreven vooral romans, en veel verhalen in deze bundeling zijn gewoon fragmenten daaruit. Dat is geen punt, € 9,90 is maar ietsje duurder dan de website van Athenaeum Boekhandel om te proeven van getalenteerd schrijverschap, en dit is papier, maar het voelde toch wat gek. Ik bedoel: je verwacht iets fris, iets exclusiefs, iets wat past bij een verhalenwedstrijd. Een verhaal, niet een fragment. (Is er echt een verschil? Ja, denk ik, maar ik ben er nog niet over uitgedacht.) Een andere keer schrijf ik over de naïviteit van de lezer. En ik schrijf wel een keer over die romans.

Maar nu dus ‘The Grotesques’, dat me bij eerste lezing niet opviel, misschien door mijn zoektocht naar sensuele verhalen voor ‘Huid’ destijds. Ik lichtte er gedreven, directe verhalen uit. Dit is eerder een verhaal als een wolk, een sfeer: Dilly wordt vandaag dertig, maar ze is niet opgewassen tegen de verwachtingen van de maatschappij. Ze is een dromer, een draler. Hall opent het verhaal (dat bij The Guardian integraal te lezen is) met een scène waarin Dilly draalt, bij een beroemde zwerver uit het stadje, dat door studenten van een gezicht van fruit is voorzien – een grotesque à la Giuseppe Arcimboldo. Was deze zwerver, deze Charlie-bo een gesjeesde student? Dilly denkt er lang over na, maar als Charlie-bo in beweging komt, vlucht ze weg. Ze was al te laat… Maar toch:

‘She waited outside for a moment, very close to the front door, perhaps only an inch from it. She could feel her breath against the wood. The smell from her mouth was like pickle. She could see cracks in the red paint. Inside one was the tiniest insect – its legs poking out, awkwardly. She put her hand on the knob. She took it off again. Sometimes doors could seem impossible. Impossible to open. Impossible to walk through. She felt as if she was the door, as if her own body was shut. Her hair was wet and stupid. Her coat was dripping.’

Korte observerende zinnen, alsof de punten evenzovele blokkades zijn, details die allemaal genoemd moeten worden, tot ze een ervaring worden: iets onmogelijks, totdat dat onmogelijke zijzelf wordt. Of het moment dat ze in de badkamer iets aan haar verregende uiterlijk moet doen:

‘She was sure she had a nice lipstick somewhere, a dark, sophisticated red, given to her by Cleo, who was always being sent free cosmetics. It had come in a little metallic sack, and was called something strange that didn’t suggest colour at all, but a mood, a state of fortune. Advantage. Ascent. She sat for a while thinking, but couldn’t remember the name.’

Nee, voordeel of opkomst zit er niet in, ongemerkt glijdt Dilly haar hoofd weer in.

Hall brengt me van begin af aan in verwarring: hoe oud is dit meisje? Hoe zijn de familierelaties? Dat bedoel ik met wolkachtig: er is een bazige moeder, er zijn twee broers, twee zussen, er is nog een man, er was een vriendinnetje en een baby en een rel, maar de vinger krijg je er niet op, waarschijnlijk omdat Dilly dat zelf niet voor elkaar krijgt. Het zal niet helpen dat ‘mummy’ haar kort houdt en hongerig, haar amper ontbijt en geen lunch had gegund. Ze valt bijna flauw, terwijl het verjaardagsgezelschap toestroomt en ze een weg zoekt tussen triviale gesprekken, harde stemmen, rode opgeblazen gezichten, terwijl de aanwezige Keniaanse priester haar zegent, moeder het hoogste woord heeft, en er plotseling met de laatste gast een vervelend nieuwtje binnenkomt.

Dilly ziet het helemaal voor zich, alsof ze er bijstaat, alsof ze zelf het slachtoffer is, en dan weet je als lezer: wat ze ook vaaglijk voelt, wat ze zich ook net niet herinnert, ze weet heel scherp dat zij de buitenstaander is. En ik denk dat ik nu beter zie wat dit verhaal goed maakt, en al verkies ik andere verhalen in deze bundel, en als de juryvoorzitter zegt dat dit verhaal ‘yields more with each reading, offering layer upon layer of meaning’, dan wil ik dat graag geloven. Eigenlijk is dat wat alle goede literatuur moet doen.

Faber & Faber geeft Sarah Hall uit. In Nederland verkoopt onder andere Athenaeum Boekhandel het boek.

Mathijs Deen: de redacteur las een compact verhaal met prachtige personages en een mistige sfeer.

*

Daan Stoffelsen: Mathijs Deen, Het lichtschip

Ik heb Mathijs Deen hoog zitten. Hij heeft een oog voor het ándere verhaal, althans: hij ziet onbeschreven pagina’s in de geschiedenis of de geografie en weet daar bijna zonder uitzondering iets moois van te maken. Dat zit bij Het lichtschip, een sfeervolle novelle, in de eerste plaats in de locatie: een lichtschip, een schip dat op een vaste locatie op zee verankerd is, om vuurtorensgewijs de navigatie van voorbijvarende schepen te vergemakkelijken. Die schepen werden, lees ik op Wikipedia, tot de jaren tachtig bemand, inclusief kapitein en kok (Lammert, onze hoofdpersoon) en een handvol matrozen (waaronder Snoek, zijn tegenspeler), in een ploegdienst van telkens een paar weken. Dat is wel anders dan ‘echt naar zee’.

‘Niet echt naar zee.
Of het nou vissers waren, of ze nou bij de marine voeren of bij de koopvaardij, ze waren het er allemaal over eens dat een schip bedoeld was om uit te varen, dat ze onderweg moest zijn, of na een lange reis in een haven vol beloftes binnenlopen. Een man van de zee zag de wereld, verkondigden ze, kende havens, wist hoe het toeging overzee en was daar dan zwijgzaam over. En ruimdenkend.
Maar niet over een lichtschip. En dus ook niet over Gerrit Snoek. Want die zag geen haven anders dan Den Helder, en het schip waarop hij werkte kwam nooit aan en voer nooit uit. Een lichtschip heeft geen schroef, geen motor, op de brug is geen roer, het ligt daar maar wat mistroostig te deinen, een beest dat vergeefs aan een ketting trekt. In de machinekamer moppert een diesel die de generator aandrijft, die op zijn beurt weer elektriciteit opwekt voor het vuurtorenlicht, voor de navigatielichten, de deklampen en de stopcontacten van het schip, soms voor de ankerlier (dan gaat de zwaardere diesel aan) en op Snoeks ongelukkigste dagen levert hij ook de energie voor de misthoorn, dat klagende beest, die zieke stier.’

Deen is een ambachtsman, hij brengt de zeevaartsclichés zonder opsmuk, varieert goed met zijn korte zinnen en zijn opsommingen, en blaast leven zo in het metaal, het is mistroostig, het moppert, het is een beest (tweemaal, dat is minder elegant, op de 21 keer in het boek), en besluit met een geweldige land-metafoor, waarmee je een robuust, laag geluid voorstelt (dat heb ik ook opgezocht. Luister maar).

(Je kunt natuurlijk ook een metafoor zien in dat schip dat nooit aankwam en nooit uitvoer, maar daar houdt Deen zich gelukkig verre van.)

Deens verhaal is dat van Lammert, de melancholische kok, die niemand verteld heeft van zijn Indische kampverleden, en die het in zijn hoofd krijgt Gule kambing te maken, een stoofpot van een jong bokje. Dat bokje brengt hij stiekem aan boord, en terwijl iedereen aan deze huppelende verstekeling begint te wennen – ‘Wat zijn de taken van het geitenbokje, chef? Wat
gaat hij voor ons betekenen,’ vraagt de kapitein – en Lammert het bokje nog wat vetmest voor de slacht , wordt hij overvallen door een malaria-aanval. Matroos Gerrit Snoek, verantwoordelijk voor de meteorologische metingen en fantastische weersbeschrijvingen (’14/6. 21:00 west 4, swell 0,7. Hemel: zonsondergang streep goud onder staalblauwe wolken, hoger wolkeloos. Zee: gouden flikkers op leisteenblauw’), heeft net iets daarvoor besloten het met nog maar een half pilletje te doen, en krijgt een eigen aanval.

Het lichtschip is een compact verhaal dat in kort bestek prachtige personages (de rest van de bemanning is ook al zo kleurrijk en zwijgzaam. En ruimdenkend), een (meteorologisch en psychisch) mistige sfeer, en een vrolijke ode aan het leven brengt. Wat goed dat Thomas Rap zo’n klein boek uitbrengt.

‘En toen het zaterdag werd, en motordrijver Klaas Boon uit de machinekamer, die hij de vetkuil noemde, naar boven kwam en met een emmer sop de trap van de vuurtoren beklom om de ruiten van het lichthuis te zemen, klom het bokje er met gespitste oren en wapperend staartje achteraan, verder en verder naar boven, tot hij op de balustrade de geconcentreerde motordrijver verraste en hem de stuipen op het lijf joeg. Klaas, die zijn leven in de machinekamer doorbracht en daarboven bij het slingerend licht toch al met zijn hoogtevrees te kampen had, schreeuwde het uit, stormde naar beneden en verdween weer in de geruststellende herrie en de hitte in de buik van het schip. Toen bleek dat het eenzame bokje boven niet meer op eigen kracht naar beneden wilde of durfde, en hij een tijdje vanaf de balustrade luid over zee had staan mekkeren, klom Snoek naar boven, pakte hem op, zette hem op zijn nek en droeg hem zo, met de poten bungelend voor zijn borst, onder applaus weer naar beneden.
Zelfs de kapitein had zijn kaartspel onderbroken om te komen kijken.
Een week ging voorbij. Het bokje kreeg een volle fles. En in het web dat matroos Snoek in het ankergat had gespannen, had hij een gat geknabbeld.’

Leve het bokje!

Thomas Rap geeft Het lichtschip uit.

Heather Christle: de redacteur las deze week een persoonlijk essay over huilen en echte tranen, de poëzie en de mythologie daarvan, dat even luchtig als wijs, even verdrietig als geestig is.

*

Daan Stoffelsen: Heather Christle, Het boek der tranen

Het boek der tranen (The Crying Book, vloeiend vertaald door Koen Boelens en Helen Zwaan – met veel poëzie ook, dat is een ambacht apart) is een persoonlijk essay over de mechaniek en de psychologie van het huilen. Dat klinkt heel technisch. Misschien moet ik zeggen: de mythologie, de poëzie en de ervaring van het huilen. Dat is óók waar. In Nederland hebben Eva Meijer (over depressie) en Wytske Versteeg (over misbruik en depressie) onlangs soortgelijke boeken geschreven, de eerste filosofischer, de tweede meer over taal, en zo schrijft Christle, een dichteres, meer over poëzie.

De vorm van het boek doet me denken aan hoe Jenny Offill haar romans schrijft: korte paragrafen met af en toe slechts één zin (‘Ik ben voorstander van eindigen met een voorzetsel, want dan kunnen de ideeën de zin nog uit.’) en dan een drietal asterisken, wetenschappelijke anekdotes, ervaringen, gedichten en analyse. Maar anders dan bij Offill is dit geen fictie, en er is amper plot. Er zijn mensen overleden, Christles man blijft bij haar, en al snel vertelt ze dat ze in verwachting is, het kind wordt geboren, en na enkele jaren is het ouder, en valt eindelijk haar naam.

Dat mengsel komt misschien wat dun over, de vormgeving wat al te luchtig, maar het werkt wonderwel goed. Het wetenschappelijk onderzoek (niet zelden door witte mannen over vrouwen) dat Christle laat voorbij komen, doet minder zinnig aan dan de poëzie die ze van bevriende dichters citeert (enige ergernis: de voornamen die daarbij opduiken en daarna weer verdwijnen, zonder kwalificatie of reputatie). Minder oprecht vooral dan haar eigen ervaringen, want ja, Christle huilt zelf ook veel. ‘M’n therapeut stelt voorzichtig een diagnose, die ze bovendien verzacht door de diagnostiek in het algemeen in twijfel te trekken. Cyclothymie. Geen volwaardige bipolaire stoornis, maar eraan verwant.’
Dat in twijfel trekken doet ze zelf ook, en dat verbreedt, verruimt de wetenschap van het huilen. Het maakt haar persoonlijker toepasbaar. Twijfel: de oudste onderzoeken overwegen nog raciale verschillen bij het huilen, later wordt de tranenarme man als maat der mensen gesteld – maar waarom niet omgekeerd? En wat verliezen trans mannen door hun transformatie? En:

‘Bij het lezen van het minutieuze, op grondig onderzoek gestoelde boek Why Only Humans Weep van “huildeskundige” Ad Vingerhoets raak ik geergerd door zijn naar mijn idee flagrante gebrek aan medeleven of verwondering, maar word dan ineens getroffen door een uitspraak: “Alle tranen zijn echte tranen, “stelt hij, al zijn sommige “onoprecht”.’

Basje Boer schreef een mooie, ruimhartige bespreking van het boek in De Groene Amsterdammer, met veel aandacht voor de metaforen die Christle gebruikt.

‘Gisternacht was er een “zwarte maan”, de tweede nieuwe maan in een maand. Het voelt alsof die een soort gezang wil zijn, een lunair weerwoord op ’s lands moordlustige krachten, maar het is gevaarlijk om altijd maar te denken dat iets ook iets anders is, elke gebeurtenis een metafoor voor een andere, elk leven en elke dood een herhaling van de daaraan voorafgaande. “De maan is geen deur. Ze is zelf een gezicht.” Het regent, ze huilt niet. Er is al genoeg verdriet, uit de maan hoef je geen tranen te wringen.’’’

Maar toch gebruikt Christle ze, ze onderzoekt ze, keert ze om en laat iemand ervan af springen. En hoewel het over tranen gaat, hoewel ze over heel trieste dingen schrijft, zelfmoord, ziekte, is ze nergens larmoyant (die term is geen grap), ze is precies, geestig in de details die ze uitlicht, en oprecht.

Anders dan Boer wil ik hier geen recensie schrijven. Ik wil indrukken noteren, in wat ze bij De Correspondent ooit de ‘tuin’ van hun journalisten noemden. Ik wil zeggen dat ze Bas Jan Ader prachtig inzet, met zijn film I’m Too Sad to Tell You, dat ze twijfelt om te huilen omdat dat in haar ‘iconografische sociale rol’ past, dat ze liefdevol maar verdrietig is als moeder en dat ze niet de eerste is in haar familie. Ik wil citeren.

‘Tranen zijn een teken van machteloosheid, een “vrouwenwapen”. De oorlog woedt al heel lang. ’

Een korte reeks van associaties, die even ongerijmd aanvoelt als werkelijk is.

‘Ik weet nog hoe het voelde toen Plaths verschillende identiteiten in mijn hoofd plotseling op een lijn kwamen te liggen, als bij een zonsverduistering. Ik weet niet welke de zon was, welke de maan. ’

De maan weer, en de zelfmoord (de laatste pagina van de Nederlandse vertaling verwijst naar 113).

‘Omdat mensen als de Ritchies bij het kijken naar een vrouw en kind met mijn huidskleur lichamen zien die bijna overlopen van de tranen zijn ze in staat zichzelf ervan te overtuigen dat er echte kogels in een speelgoedgeweer zitten. Ze maken een gelegenheid van ons — een weersverschijnsel — waarop ze geoorloofd zijn iemand ter dood te veroordelen. ’

In dit citaat, dat evenzeer over tranen gaat als over zwart en wit, moest ik denken aan hoe Ta-Nehisi Coates de racistische interpretatie van de zwarte trek naar Chicago benoemde.

‘Ik noem het wanhoop want dat is een woord dat gemakkelijk zijn intrek neemt in een huis zonder de functie van het gebouw te veranderen. Alleen de stemming verandert. Depressie en suïcidale gedachten en angststoornis werpen allemaal een kunstmatig of laboratoriumachtig licht. Zelfs hier, in deze kamer. De alinea wordt een kliniek.’

Weer een dwarsverband: zo schreef Koen Sels, zelf depressief of daar net uit, over de troost die het troosten van je kind geeft: ‘Het verspreidde zich in zijn lijf als neon: geëlektrificeerd gas in glas, dun, transparant en hard.’

‘De baby — mijn baby — is bijna twee. Ze praat inmiddels, maakt zelfs hele zinnen, hoewel haar vocabulaire nog voor een aanzienlijk deel uit tranen bestaat. Net als het mijne. Huilen is de logeerkamer waarnaar ik kan uitwijken. De korte winterzon en de voortdurende slapeloosheid zorgen ervoor dat ik die vaak bezoek. Op de meeste dagen huil ik meer dan dat ik over huilen schrijf. Eerst vind ik dat triest, maar dan besluit ik het grappig te vinden, maak van de ijsberg een reddingsvest.’

Dat lokaliseren van een emotie, fysieke ruimte bestemmen voor het ontastbare, zoals de geheugenpaleizen (Jan van Akens De ommegang) en landschappen van herinnering (Jannie Regnerus’ Het wolkenpaviljoen), dat is interessant. Bij Christle zien we hoe huilen kamers opzoekt (ze had al, veel concreter, gezegd dat de keuken de beste plek om te huilen is). En hoe ze het besluit neemt om erom te lachen, een besluit dat het essay optilt, een lichte benadering van iets loodzwaars.

‘De tranen van een beroepsrouwer doen denken aan de demonstratie van de docent die een student laat horen hoe een jambische versvoet klinkt — pa dam pa dam pa dam pa dam pa dam. Maar nee, Dokli legt uit dat zij en de anderen met wie ze werkt en weent stuk voor stuk weduwe zijn. Hun tranen zijn meer dan alleen een voorbeeld van vorm; het zijn regels vol verdriet die op een nieuwe bladzijde doorlopen.’

Weer die typografische rouw, zoals ze dat voorzetsel benoemde, die alinea, nu een nieuwe bladzijde. Een geweldig beeld.

‘Ik denk dat de krachtigste tranen worden veroorzaakt door een piepkleine gebeurtenis ten tijde van een veel grotere tragedie.’

En dat is simpelweg waar.

AtlasContact gaf Het boek der tranen uit. Op Athenaeum.nl lees je een fragment.

Ta-Nehisi Coates, Jesmyn Ward en anderen in Vanity Fair: de redacteur las de uiterst actuele’The Great Fire’-editie van het Britse tijdschrift onder gastredactie van Ta-Nehisi Coates.

*

Daan Stoffelsen: Ta-Nehisi Coates, Jesmyn Ward en anderen in Vanity Fair

Deze week werd bekendgemaakt dat de agenten die Breonna Taylor in de nacht van 13 maart dit jaar doodden, niet vervolgd worden voor moord. Een van de drie wordt voor andere aanklachten vervolgd, twee gaan vrijuit. Toen de politie die 13de maart een inval deed in haar huis, en haar verloofde een waarschuwingsschot loste, schoten de agenten ook. Taylor werd door zes kogels getroffen – een werd haar fataal.

Ik schrijf dat hier allemaal uit omdat Taylor op de cover van de Vanity Fair staat. Ta-Nehisi Coates, de auteur van indringende essays en boeken over racisme in de Verenigde Staten, is er de gastredacteur van. Hij liet Taylor schilderen op basis van foto’s, en interviewde haar moeder. Hij koos met uitsluitend zwarte journalisten voor een ander perspectief op de dood van George Floyd en de coronacrisis. En hij publiceerde dus Jesmyn Wards essay over haar overleden geliefde.

Het nummer heet ‘The Great Fire’, geïnspireerd door poëzie van Eve L. Ewing en de overtuiging onder witte bewoners van Chicago dat ‘the first Great Migration to the city was “the worst calamity that had struck the city since the Great Fire” of 1871’. Die ramp, die Lex ter Braak bespreekt in ons najaarsnummer ‘Meer lucht’, kostte honderden het leven. Maar de vergelijking heeft, benadrukt Coates in zijn Redactioneel, dramatische gevolgen. Het is een dehumanisering van zwarte mensen, ze verworden tot een omstandigheid, iets wat je overkomt, en wat je moet bestrijden. Individuen worden samengenomen als een groep, een golf, een plaag, met de bijbehorende negatieve terminologie.

Wat te doen? ‘It is an impressive thing, this Great Fire, but it is not omnipotent. It is endangered not just by corporate co-option, but by those who venerate “the art of the possible” like an 11th commandment. Even now it is said that only on November 3 will we truly know how bright the Fire burns. “Don’t boo. Vote,” we are told, when in reality we should do both.’ Protesteren én stemmen. En een derde ding, en dat onderstrepen de bijdragen aan het tijdschrift: individualiseren. Van strafzaken mensen maken, hun angsten, overtuigingen en hoop uitspellen. Breonna’s vriend had al een verlovingsring gekocht, hij is ermee gefotografeerd voor het magazine.

Er staat een ijzingwekkende anekdote in zijn interview met Tamika Palmer, Taylors moeder, die Coates expres niet laat laat samengaan met wat we inmiddels weten: de politie doodde Taylor. Palmer, gealarmeerd door haar schoonzoon, komt naar de crime scene, maar mag niet bij haar dochter. Wordt niets verteld over haar dochter. Een agent stelt zich voor. ‘I don’t remember what his name actually is, but he kind of just goes on to ask me if I knew anybody who would want to hurt Breonna, or Kenny, or if I thought they were involved in anything.’

Pas pagina’s verder, na een liefdevolle geschiedenis van Palmers leven en dat van Taylor, schrijft Coates:

‘Now I’m confused. Because you asked me whether I knew someone who wanted to hurt my daughter. But you did it. Why couldn’t you have just told me that the police did this?’

De hypocrisie. De onrechtvaardigheid.

Twee weken geleden wees Jan Postma mij (en al zijn volgers op Twitter) in ernst op Jesmyn Wards essay in dit nummer. Kort daarop schreef ook Jann Ruyters in Trouw erover. Ward, bekroond met de National Book Award voor haar roman Het lied van de geesten, heeft begin dit jaar haar man verloren. De beschrijving van zijn ziekteproces is even herkenbaar als tragisch. Ik citeer ruim:

‘In early January, we became ill with what we thought was flu. Five days into our illness, we went to a local urgent care center, where the doctor swabbed us and listened to our chests. The kids and I were diagnosed with flu; my Beloved’s test was inconclusive. At home, I doled out medicine to all of us: Tamiflu and Promethazine. My children and I immediately began to feel better, but my Beloved did not. He burned with fever. He slept and woke to complain that he thought the medicine wasn’t working, that he was in pain. And then he took more medicine and slept again.

Two days after our family doctor visit, I walked into my son’s room where my Beloved lay, and he panted: Can’t. Breathe. I brought him to the emergency room, where after an hour in the waiting room, he was sedated and put on a ventilator. His organs failed: first his kidneys, then his liver. He had a massive infection in his lungs, developed sepsis, and in the end, his great strong heart could no longer support a body that had turned on him. He coded eight times. I witnessed the doctors perform CPR and bring him back four. Within 15 hours of walking into the emergency room of that hospital, he was dead. The official reason: acute respiratory distress syndrome. He was 33 years old.

Without his hold to drape around my shoulders, to shore me up, I sank into hot, wordless grief.

Is er al een vertaling van dit stuk? Het kan zo in De Groene Amsterdammer of Trouw, een literair tijdschrift als het onze is wat trager, maar je denkt: koorts, ademhalingsproblemen, beademing, corona! En dan: maar dat kan nog niet in januari in de Verenigde Staten! En dan stel je vast: het is zowel gedetailleerd als compact, nu weer procesmatig beschrijvend, dan weer met een pijnlijke vaststelling: ‘Hij was 33.’ ‘Ik zonk weg in hete, woordeloze rouw.’

(Of moet je daarin meer nadruk leggen, op de jaren, en die korte zin letterlijker vertalen? En is ‘his hold to drape around my shoulders’ poëtisch, onnatuurlijk Engels, dat je moet vertalen met ‘zijn houvast om me te omarmen’ of iets dergelijks?)

Verdriet. Het coronavirus. ‘They clung to me, rubbed their faces into my stomach, and cried hysterically: I miss Daddy, they said. Their hair grew tangled and dense. I didn’t eat, except when I did, and then it was tortillas, queso, and tequila.’ En dan, in één lange zin:

‘During the pandemic, I couldn’t bring myself to leave the house, terrified I would find myself standing in the doorway of an ICU room, watching the doctors press their whole weight on the chest of my mother, my sisters, my children, terrified of the lurch of their feet, the lurch that accompanies each press that restarts the heart, the jerk of their pale, tender soles, terrified of the frantic prayer without intention that keens through the mind, the prayer for life that one says in the doorway, the prayer I never want to say again, the prayer that dissolves midair when the hush-click-hush-click of the ventilator drowns it, terrified of the terrible commitment at the heart of me that reasons that if the person I love has to endure this, then the least I can do is stand there, the least I can do is witness, the least I can do is tell them over and over again, aloud, I love you. We love you. We ain’t going nowhere.

Het gebed dat ergens in de lucht oplost in de vloed van de stil-klik-stil-klik van de beademing.

De samenloop van de coronacrisis en de opleving van de protesten tegen racisme benadrukt dezelfde ongelijkheden, en niet voor niets wijdt ook De Revisor een themanummer aan de pandemie en de beweging, maar Ward verbindt ze heel natuurlijk. Rouw verbindt de familieleden van Ward met die van Taylor en die van de slachtoffers van Covid-19. Ervan getuigen is wat we moeten, en spreken van die liefde, dat ook. Lees het stuk, online of in het tijdschrift, want dit is journalistiek die ondersteund moet worden.

Norman Mailer, Koen Sels: de redactie las ritmisch en doordacht proza over een van de grootste boksgevechten ooit, en poëtisch proza over jong vaderschap dat aantrekt en afstoot.

*

Thomas Heerma van Voss: Norman Mailer, Het gevecht

De afgelopen jaren werd mij door verschillende mensen op verschillende momenten hetzelfde boek aangeraden, nu vond ik eindelijk tijd om het te lezen: Norman Mailers Het gevecht, zijn non-fictieverslag van de Rumble in de Jungle, het fameuze boksgevecht dat in 1974 plaatsvond tussen Muhammad Ali en George Foreman. Hoewel ik niets van boksen weet en de sport me weinig interesseert, waren een paar pagina’s genoeg om te beseffen waarom mensen het me hadden aangeraden. Heel soepel roept Mailer dat gevecht tot leven, inclusief de intensieve, deels psychologische voorbereiding. (Die extra lang was omdat het gevecht in Kinshasa, Zaïre werd gestreden en de boksers zich moesten aanpassen aan de omstandigheden ter plaatse.)

Oorspronkelijk werd Het gevecht (vertaling Willem Visser en Frans Reusink) geschreven als een journalistieke reportage, maar dan duidelijk wel het soort waarbij de auteur vrij spel krijgt – en juist dat maakt dit boek zo de moeite waard. Mailer neemt de tijd om uit te wijden, soms over bijzaken, soms over boksen zelf. Nooit vertelt hij simpel na wat er gebeurt, hij zoomt regelmatig uitgebreid in op allerlei details, en door de heldere structuur (dagenlange voorbereiding en training, ten slotte het gevecht) behoudt het boek zelfs daarbij toch een dwingende kracht.

We weten immers steeds dat dat grote gevecht eraan zit te komen – en zelfs als je weet hoe het afloopt, of als je zoals ik de prachtdocumentaire When We Were Kings (1996) over ditzelfde gevecht hebt gezien, zijn die gevechtsscènes heel sterk geschreven. Tientallen bladzijden lang gaat Mailer in op het geknok, hij beschrijft elke vuistslag, ieder samentrekking van Foremans of Ali’s spieren, en vooral beschrijft hij hoezeer boksen ook een mentale sport is. Ali die zowel de underdog als branieschoppende uitdager is; Foreman de grote, schijnbaar onverslaanbare favoriet. En hun onderlinge rolverdeling en hiërarchie, die zelfs tijdens het gevecht steeds verspringt.

Mailer neemt de tijd voor zijn verhaal, volgens sommigen misschien te veel, het boek bestaat voor zeker honderdvijftig pagina’s uit voorbereiding. Maar juist daardoor krijgt de climax extra gewicht. Ook fijn: Mailer duidt niet, hij laat zien. Zijn proza is ritmisch en doordacht, of hij nu ingaat op de politieke context van Zaïre, of Ali terloops karakteriseert terwijl die staat te trainen.

‘Soms leek Ali sprekend op een blanke acteur die te weinig schmink ophad voor zijn rol […] en niet helemaal overtuigde – een van de achthonderd kleinere tegenstrijdigheden van Ali. […] Foreman kon door de lobby lopen als de potente verpersoonlijking van een levende dode, alert op alles en in zijn stilte immuun voor de achteloze verontreiniging van het handenschudden van Jan en allemaal. Foremans handen waren van hem gescheiden […] Ze waren zijn instrument, en hij hield ze in zijn zakken zoals een jager zijn geweer in een fluwelen kist bewaart.’

Dat zijn twee figuren die tot leven komen, en die me – dat weet ik nu al – door Mailers schrijven zullen bijblijven. Het gevecht is een boek waarin een historische gebeurtenis inclusief context krachtig wordt opgeroepen, en ook het soort boek dat nu niet meer snel geschreven zou worden: niet alleen omdat er geen tijdschrift meer plaats biedt aan zo’n enorme reportage, ook omdat Mailer schrijft met een zelfvoldaanheid die tegenwoordig snel zou worden afgeserveerd.

Behalve interessant en vlot is Het gevecht een onmiskenbaar ijdel boek. Voortdurend voert Mailer (1923-2007) – hij won de National Book Award en tweemaal de Pulitzerprijs, las ik op de achterflap – zichzelf op, en niet zomaar in een beschouwende rol, maar als belangrijk personage: in de derde persoon enkelvoud omschrijft hij hoe hij ergens binnenkomt, hoe masculien, stoer en vanzelfsprekend belangrijk hij is, hoe veel complimenten hij van Ali krijgt. Fragmenten in die laatste categorie zijn af en toe vrij lachwekkend, meermaals vroeg ik me af of eigenlijk ooit iemand tegen Mailer zei dat hij gerust een passage kon schrappen, of zichzelf wellicht iets minder belangrijk kon maken. Toch kwam ook bij de vraag op: als Mailer zich werkelijk had ingehouden, was Het gevecht dan net zo’n boeiend boek geworden als het nu is?

AtlasContact gaf Het gevecht uit.

Daan Stoffelsen: Koen Sels, Gloria

Lezen is een beweging. Een gesprek ook wel. Of een rivier. Het staat zelden stil. (En met zulke boeken, die een monument van één moment willen maken, kan ik weinig. Om een boek interessant te maken, veeleer dan alleen maar mooi of spannend, moet er beweging in zitten.) Gloria, de memoir of het essay of de novelle, ik denk toch memoir van Koen Sels, is een boek dat mij sterk in beweging brengt. Het stoot me af. Dat begint bij de eerste alinea.

‘Geluk pofte op uit het niets, als pigment, onberegend stoepkrijt. Plots een wolk blauw, dan een wolk roze, zachte, rafelige, onpersoonlijke wonderen van gevoel na die hoekige, hersenachtige jaren van depressie en walging, ingevoegde bijzinnen, middelpuntvliedend gepieker. Ze zwollen in zijn hoofd, hart en onderbuik. Her en der en zonder oorzaak vulden ze hem met trillingen, een eigen buitenwereld, onverhoopte heerlijkheid.’

Dat afstoten komt natuurlijk omdat er veel ‘uit het niets’ komt, omdat er veel beeld is, contrast tussen beeld en heel concreet, dat ook bij her- en herlezing niet helemaal begrijpelijk is.

Of een pagina verder, na een wat zoekende zin:

‘Die woorden dwarrelden hem in die volgorde tegemoet, je zou ze moeten verplaatsen, maar waarom zou je dat doen? Wie leest er mee? Wil die lezer dat je een ander bent?’

Lezen kan, met die insteek, ook een discussie zijn, een strijd. Iets wat tijd en aandacht en tolerantie nodig heeft:

‘Hij las proza als was het poëzie. Hij leek in de helderste zinnen weg te zakken, de context was verdwenen, de gewoonste woorden behoefden denktijd. Hij hoorde zich praten tegen zijn dochter, alsof hij slechts omgeleid tot zichzelf kon terugkeren. Het had allemaal alleen maar verschrikkelijk kunnen zijn, maar het was ook wat men alsnog mooi zou kunnen noemen.’

Inzakken en overdenken en omleiden, en al die afzwakking en modaliteit in die laatste zin, ik kan alles wel rood aanstrepen: alleen maar kunnen zijn, ook wat men alsnog mooi zou kunnen noemen. Ik lees Gloria op momenten als poëzie, maar dan is meer dan 150 pagina’s wel behoorlijk lang.

Het stoot me af, en trekt me aan. In dit boek, dat anekdotegewijs door de rozige en doorwaakte periode van kraam-, dreumes- en peuterperiode stapt, ná een grijze periode van depressie en verslaving (drank en tabak, wat toch altijd minder ernstig aanvoelt dan wiet, pillen of heroïne), schrijft Sels scènes die even herkenbaar als fris zijn. De ouders rond de speeltuin, de ontmoetingen die je hebt doordat je met een kind rondloopt. Of die al te vroege kinderwagenwandeling door uitgelopen uitgaansleven. Die late feestvierders zien ze wél:

‘… ze waren niet onzichtbaar geweest, ze liepen daar echt, in dezelfde wereld. Bang dan van het contrastrijke leven dat hij langs de dwaalwegen van zijn slaapgebrek had opgezocht, liep hij snel verder, langs bouwwerven met cirkelende kranen en gespannen kabels, langs vroege poetsdiensten, langs eerste marktkramers, langs parken waar herfstblaadjes waaiden, stads- en houtduiven koerden en kraaien kraaiden.’

Het rijm valt me nu pas op (waarom eigenlijk? Het allitereert en assoneert als een malle), het stoort me niet, want die opsomming is een perfecte ochtendobservatie. Sels verwoordt ook herkenbare emoties, als hij zijn ontroostbare dochter troost, en daar warm van wordt.

‘Toen hij haar uit haar stoel verloste, kroop ze met haar knieën op zijn schoot en legde haar hoofd op zijn schouder. Hij geloofde dat hij haar een lauwe veiligheid bood, dat de schaduw van zijn lichaam een besloten ruimte was, weg van de indrukken. Hij dacht dat hij haar geven kon wat alle mensen af en toe nodig hebben. En ook hij ontkwam toen aan een levensgrote terreur, ook hij werd getroost en voelde zich verbonden en toch vrij, vrij van iets dat er daarvoor was, dat onzichtbaar was geweest, en zo werden zij uiteindelijk de contouren van een gedeeld geluk gewaar. Het verspreidde zich in zijn lijf als neon: geëlektrificeerd gas in glas, dun, transparant en hard.’

Ik herken dat, zij het niet de neon. Proza als poëzie. Of als filosofie:

‘Ze was een radicaal wezen, niet onschuldig maar universeel in haar onbepaalde, door peuterkoppigheid begrensde bepaalbaarheid, een echte heldin, vond hij, met onbespreekbare angsten en verlangens. Hij voelde zich tegenover dat wezen genoodzaakt om direct en zonder aarzelen te spreken, in de taal die hij kende.’

Ik begrijp dit gewoon echt niet. Althans, dat iets onbepaald en bepaald tegelijk kan zijn, en waarom dat die noodzaak oproept. En waarom je kind zo abstraheren? En jezelf in de derde persoon zetten? En wat is dan die taal die je kent? Ik heb weinig boeken gelezen het afgelopen jaar die tegelijk zó herkenbaar waren en onherkenbaar. Die zo woest bewogen.

Gloria is uitgegeven door Balanseer. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Daan Stoffelsen: Richard Osinga, Wie de rechtvaardigen zoekt

Richard Osinga: de redacteur is even jurylid, en dan weer een doodgewone lezer van een sterke mozaïekroman die met mooie beelden werelden en vertellers samenbindt.

*

Het is geen dag voor verweer, of voor kritiek, maar voor lof. Kijk, als ik er zelf niet aan meedoe, zijn (eindejaars)lijstjes en longlists (of shortlists of prijswinnende boeken) voor mij een manier om het leesjaar opnieuw te bekijken. Welke geweldige, ambitieuze, mooie boeken zijn er gepasseerd, wat moet ik alsnog lezen? Plus: welke boeken gaan we ons over tien jaar herinneren? Dit circuit naast (en vooral ná) de recensies en bestsellerlijstjes corrigeert de waan van de dag; de literaire kritiek in kranten en weekbladen heeft een ander tempo, en zo lang beklijven de meeste boeken bij krantenlezers en tv-kijkers niet. Zo was de International Booker Prize voor Marieke Lucas Rijneveld en Michele Hutchison een correctie op de wat lauwe eerste reacties in de Nederlandse pers.
Als ik er wel aan meedoe (zoals de afgelopen jaren en ook dit jaar, als jurylid van de Boekenbon Literatuurprijs), dan met groot voorbehoud en groot vertrouwen in de andere lezers, want álles lezen kun je niet alleen. Daar zijn systemen voor, excelsheets en vergaderingen, en uiteindelijk komt er iets intersubjectiefs uit.

Van dat intersubjectieve vind ik de eindejaarslijstjes van 2019 een goed voorbeeld: verreweg het meest werd Manon Uphoffs roman Vallen is als vliegen genoemd. Daar was geen excelsheet voor nodig, maar er is een stille overeenstemming dat dat een bijzonder boek was. Die werd bevestigd in de lijst van De Groene Amsterdammer met de beste boeken van de eeuw tot nu toe. Het boek kreeg deze week de Charlotte Köhlerprijs, en kwam daarvóór al op menige shortlist, onder andere van de twee grote literaire prijzen.

De shortlists – want dat is het geheim van de jury: je moet het eens worden, over een vijf- of zestal bijzondere, bijkans onvergelijkbare boeken. Deze week ging het ook over de longlist, want aan zoiets doortimmerds als een juryproces ontsnapt nog wel eens iets. Een jury kan de literatuur niet in haar eentje vrouwelijker, zwarter of Vlaamser maken, maar ook in zo’n leesclub hors concours word je het niet over alles eens. Wel overigens over wat taai of saai is, gek genoeg is daar vaak snel overeenstemming over. Maar elke goede lezer mist boeken op zo’n lijst die ook ambitieus waren, daarin slaagden of prachtig mislukten – ik ook.

Eind november schreef Jan op deze plaats over Richard Osinga’s Wie de rechtvaardigen zoekt, een interessante technische analyse (ook over, natuurlijk, de voltooid verleden tijd) met niettemin lof, en toen liet ik het passeren. Recensies in de kranten? Een paar, heel kort. (Maar Theo Hakkert schreef een uitgebreid stuk op VersTwee.nl.)

Later las ik het alsnog, en vandaag wil er wel een fragment uitlichten. Osinga’s boek is, Jan schreef het al, een in 36 hoofdstukken of korte verhalen verteld verhaal over de Rechtvaardigen, die mensen die doordat ze op subtiele wijze goed doen, ervoor zorgen dat de wereld niet vergaat. Versies van die mythe zijn er al langer, meen ik te begrijpen, maar André Schwarz-Bart heeft er een invloedrijke roman aan gewijd, en Borges schreef er een gedicht over, dat Wie de rechtvaardigen zoekt opent en de titels geeft aan de verhalen.

(Ik moest ook denken aan Richard de Nooys messiasroman Van kleine helden.)

Die verhalen vinden plaats overal ter wereld, op verschillende momenten in de geschiedenis, en er zijn subtiele terugkerende details. Osinga varieert in stijl en techniek, en daardoor klinkt hij af en toe wat plechtig, of lyrisch, of zakelijk.

Het eerste verhaal, 36, staat deels op Athenaeum.nl, en is tegen het straattalige aan modern, veel Engels, gadgets, IT-taal. Maar 32 is kaler: het is het verhaal van Freek, een ambtenaar die ambtsberichten moet opstellen om de IND over asielaanvragen te adviseren. Wat kan een grond voor asiel zijn voor een bepaalde regio? Als homoseksualiteit of atheïsme dat is, dan blijkt dat vaker als reden aangevoerd te worden. Maar wat nu als je als ambtenaar iets verzint? Dan kun je de nepreden meteen ontmantelen. Freek verzint een Islamitische sekte van ooit bekeerde joden die hun gebeden naar Jeruzalem richten, al-Qibla al-Qudsiyya, maakt er een Wikipediapagina voor en breidt zijn ambtsbericht Jemen met een halve pagina uit.

Dan lange tijd niets. Hij trouwt, wordt vader, werkt in Genève, Bangkok, Den Haag, Sana’a. Daar ontmoet hij Omar. ‘”Ik woonde in Hendrik-Ido-Ambacht,” zegt Omar. “Vroeger. Nu woon ik hier.”‘ Mooi staccato. Ze mochten niet blijven. Meer dialoog, Freek zwijgt vooral. ‘Wij bidden niet in de richting van Mekka, maar gekeerd naar Jeruzalem.’ Ai. ‘Freek moet het vragen. “Waarom bidden jullie naar Jeruzalem?” “Ik weet het niet. Mijn vader zegt dat we dat zo doen. Ik heb nooit gevraagd waarom. Hij is dood. Maar wij doen wat hij zegt.”‘

Osinga staat niet stil bij Freeks emoties van schrik of verbazing, hij maakt de scène verbindend af.

‘Freek kijkt Omar na, terwijl die naar een oude vrouw loopt die in de schaduw van een tent zit. Ze heeft hen de gehele tijd glimlachend gadegeslagen. Omar kust haar bruingevlekte handen. Zij geeft hem een van de granaatappels die ze op een schotel naast zich heeft liggen.
De vrouw kijkt naar Freek; hij doet haar denken aan een Italiaanse politie-inspecteur die ze lang geleden in Calabrië heeft gekend, aan een Chinese vertaler die in Japan woonde en zelfs aan een meisje op het strand in Australië. Een vlucht rietgorzen of ortolanen zwermt over, op weg terug naar het noorden.
Freek sloft terug naar de terreinwagen die hem in een uur naar Sana’a brengt.’

Er is veel over deze passage te zeggen, en niet alleen positief. ‘Gehele’ is wat ouwelijk, de alliteratie voelt gezocht, en het is gek dat hier het perspectief eenmalig helemaal naar die vrouw gaat. Maar het is wel een mooi beeld, met die granaatappel, net als de trekvogels, die wel migreren en daar geen reden voor hoeven te hebben.
Maar het mooiste, en dat heeft meer met verhaal dan met techniek te maken, vind ik hoe Osinga hier een aantal van zijn verhalen verbindt, en daarmee suggereert dat het verzinnen van verhalen, wat die andere personages ook doen (die politie-inspecteur is fantastisch, dat verhaal (nummer 26) is raadselachtig en sterk), dat vertellen iets krachtigs is, iets wat de werkelijkheid kan beïnvloeden. Niet dat ze het goede doen, maar dat ze daartoe verhalen inzetten, maakt ze rechtvaardig.

Uitgeverij Wereldbibliotheek gaf Wie de rechtvaardigen zoekt uit.