Alessandro Baricco, Edzard Mik, Rosita Steenbeek: de redactie herlas een bijzonder sterk eerste hoofdstuk, las een hybride boek dat schrijnt maar niet overtuigt, en een kleine, knappe roman die spanning oproept maar vooral verlies en schuldgevoel.

*

Thomas Heerma van Voss: Rosita Steenbeek, Wie is mijn naaste?

Deze weken lees ik meer reisverhalen dan ik ooit in mijn leven heb gedaan, soms ook meer dan me lief is, maar het blijkt een nog rekkelijker genre dan ik dacht: de boeken die zijn ingestuurd voor de Bob den Uylprijs 2019 lopen uiteen van persoonlijke reisverhalen tot journalistieke reconstructies, van veredelde dagboeken tot inzichtelijke analyses van een cultuur, een religie, een werelddeel zelfs. Een van de boeken waar ik het meest over heb gedacht is geschreven door Rosita Steenbeek, vermoedelijk omdat dat zich het minst makkelijk laat categoriseren.

Wat is Wie is mijn naaste? voor boek? Een gekke combinatie van een journalistiek reisverhaal en een persoonlijk dagboek, van een oproep en een ontleding, en tussendoor ook flarden reportage. In die laatste stukken is Steenbeek, van wie ik nooit eerder iets las, op haar best: wanneer ze als buitenstaander langsgaat in vluchtelingenkampen op Lampedusa en Sicilië (twee keer) en in Libanon (ook twee keer). Soms zijn de scènes wat traag of braaf, maar de inhoud is zo spannend dat je als vanzelf doorleest. En elk bezoek aan een nieuw gebied betekent een nieuw gedeelte van het boek, een soort reset die de boel weer even wakker schudt. Overal zoekt (en vindt) Steenbeek contact met locals: minderjarige asielzoekers, goedaardige hupverleners, andersoortig betrokkenen die erop wijzen hoe hypocriet politici zich gedragen als het op deze kampen aankomt. Dat levert meerdere sterke beelden op, die regelmatig vol in citaat worden getoond en het beste zijn als ze sec worden opgeschreven: een boot vol vluchtelingen, afkomstig uit Noord-Afrika, die gemakkelijk gered had kunnen worden door een Italiaanse boot, maar Italiaanse gezaghebbers benadrukken dat de boot niet op Italiaans grondgebied is, ze doen hoe dan ook niks. Ook sterk: het beeld dat in Lampedusa wordt geschetst van enkele Italiaanse politici die alleen komen buurten in verkiezingstijd, en dan zodra er een camera is met enkele zwarte jongeren op de foto gaan, waar ze zonder camera in de buurt natuurlijk niet naar omkijken.

Schrijnend, belangrijk, maar ook, hoe murwgebeukt dat ook klinkt en misschien ook gewoon wel is: veel van de emoties die ik onderging bij het lezen van Wie is mijn naaste? heb ik al ervaren tijdens het volgen van nieuwtjes over vluchtelingen en Lampedusa. Want ja, het is heel billijk om te zeggen – zoals Steenbeek ook meerdere keren expliciet doet in haar boek – dat er te weinig wordt gedaan aan de situatie, en niets in wat ik hier lees of verder over vluchtelingen hoor doet mij anders denken, maar dat neemt niet weg dat er al de nodige nieuwtjes over zijn geweest: die juist aandacht vestigen op de tragische rampen op zee, op de erbarmelijke toestanden in sommige kampen. Steenbeek kleurt dat in aan de hand van persoonlijke gesprekken, ze diept dat uit door er werkelijk heen te gaan, maar mijn wereldbeeld werd niet gekanteld. Ook niet door de positieve, sterke eigenschappen die ze vindt bij talloze hulpverleners: Wie is mijn naaste? is uiteindelijk geen somber getoonzet boek, Steenbeek heeft zich duidelijk voorgenomen mensen te laten zien die op hun sterkst zijn in bedroevende situaties, zoals ook de achterflap het samenvat. (De zin op de flap loopt overigens wel door: ‘sterkst en tegelijk kwetstbaarst’, maar die kwetsbaarheid voel ik minder, misschien omdat Steenbeek zichzelf niet zo kwetsbaar beschrijft, misschien omdat kwetsbaarheid zo natuurlijk samengaat met armoedige, sjofele vluchtelingenkampen.)

Deze houding wel worden afgedaan als calvinistisch en zuinig, maar waarom heeft Steenbeek haar verhaal bij tijd en wijle tamelijk positief getoonzet – wilde ze tegengas bieden aan de heersende verhalen over vluchtelingenkampen, wilde ze ervoor waken dat haar verhaal al te zwaar zou worden? En waarom staat ze zelf op de voorkant van dit boek, presenteert ze dit als mijn verhaal terwijl ze toch juist anderen aan het woord laat? Over Steenbeek zelf kom ik niet te veel, tenminste, ze legt zichzelf niet op het hakblok en bevraagt haar eigen motieven niet kritisch – terwijl ze zich ook niet helemaal ondergeschikt opstelt. Misschien kwamen daar mijn reserves vandaan. Dit is dus haar verhaal, haar gezicht staat voorop het boek, en ze doorbreekt haar journalistieke distantie op sommige mensen enorm, zonder iets werkelijk opzienbarends te zeggen – zoals in de zoete, obligate epiloog, waarmee ze meteen de angel uit veel van de beeldende scènes ervoor haalt:

‘Ook kijk ik anders naar de vluchtelingenboten nadat ik zo veel Afrikanen heb leren kennen die de oversteek hebben gemaakt en weet ik dat het misdadig is om mensen onder de huidige omstandigheden terug te sturen naar Libië. Deze Syriërs en Afrikanen heb ik evenzeer als mijn naasten ervaren als mijn vrienden in Europa. Het zou tot ons moeten doordringen dat we in onze wereld, die steeds kleiner wordt, allemaal elkaars naasten zijn.’

Alsof ze de onderzoeksvraag die ze in de titel stelt nu eindelijk beantwoord heeft. Gelukkig biedt Wie is mijn naaste? meer dan alleen het toewerken naar zo’n zouteloze conclusie, al schippert het boek iets te veel heen en weer om me echt te overtuigen.

Prometheus gaf Wie is mijn naaste? uit.

Daan Stoffelsen: Edzard Mik, Mea culpa

Het kan écht binnen de tweehonderd pagina’s, een roman met plot, karaktertekening, sfeer en meer. Ik noteer het nog maar even voordat ik over tweeënhalve week verzwolgen wordt door de nieuwe Peter Buwalda, en in de schaduw van Ilja Leonard Pfeijffers boek. Edzard Mik kan het. Het gegeven van Mea culpa is eenvoudig, en zou even goed voor een thriller te gebruiken zijn: er is een meisje verdwenen. De ik – Marten, misdaadjournalist – benadert de ouders om ze te helpen, uit een betrokkenheid die ver teruggaat. Dat maakt van alles los.

Het meisje is namelijk de dochter van de jongen waarmee de hoofdpersoon ooit in een vechtpartij tussen rivaliserende Turkse families belandde. De ene familie is die van de beste vriend van de ik, Erol, en diens broer Mehmet, die nu de nachtclub bezit waar het meisje het laatst gezien is. Erol is inmiddels een soort Turkse Moszkowicz geworden, en hij is getrouwd met Sybil, die ooit het eerste vriendinnetje was van Marten. Inmiddels staan vriendschap en huwelijk op losse schroeven, maar Sybil komt met Marten mee naar Maastricht. De andere familie – wel erbij blijven hoor – is die van Nazim, en Nazim is door die vechtpartij in coma geraakt, gehandicapt geraakt, en nu de vader van een verdwenen meisje.

Je kunt je de spanning wel voorstellen, met bedreigingen, aanslagen en seks erbij. Maar er is ook, en dat maakt deze roman interessant, een gevoel van verlies. Van die paradijselijke jeugd, de eerste liefde, onschuld. En een onderstroom van schuldgevoelens. Wie was verantwoordelijk voor Nazims ongeluk toen, en wie voor zijn misère nu? Komt Marten niet tussen Erol en Sybil in te staan? Zorgt hij met zijn inmenging er niet voor dat de boel uit de hand loopt?

Dat is de kracht van deze roman: de mijmeringen van Marten overstemmen de gebeurtenissen en staan een afstandelijke, juridische beoordeling in de weg. Alles krijgt een zweem, een #filter. Dus schrijft Mik dingen als:

‘Ik ontwaakte uit een droom, die ik op slag weer vergeten was. Het was naar zo wakker te worden, met lijf en leden tuimelde ik uit het niets, dat niet het niets van het slapen was maar het niets van het vergeten, het niets dat in de plaats kwam voor iets, een veel leger niets dus, want het stond me nog wel bij dat die droom me had meegesleurd in iets ongekends.’

Zelfs het ontwaken is een ervaring van verlies, een verlies dat in lange zinnen het daadwerkelijke decor is van deze roman. En soms lijkt een andere lange zin dat verlies op te kunnen heffen. Maar ook hier overheerst het niet-weten, ook al lijkt de zaak gesloten, het raadsel opgelost, deze misdaadjournalist is meer dromer dan doener, en het is verleidelijk in zijn fantasieën mee te gaan.

‘Sybil had gelijk, er was geen sprake van ontvoering, verkrachting of moord, Gülay was weggelopen met haar vriendje. Dat stak me niet, ik had gedaan waarvoor ik naar Maastricht was gekomen, ik had de verdwijning opgelost en kon niet wachten het nieuws aan haar te vertellen, ik nam aan dat ze niet minder blij zou zijn. Ik verlangde naar haar, ik verlangde naar haar sinds we hier waren, in de stad van onze jeugd, en ik was de afgelopen uren alleen maar meer naar haar gaan verlangen; waar dat vandaan kwam wist ik niet maar ik had het gevoel dat er een nog onbetreden gebied voor ons openlag, een gebied waar alles precies zo was als we het kenden maar waar we ook iets ongekends konden meemaken en van onszelf verlost zouden worden, we waren er nog maar een stap van verwijderd, we hoefden het alleen maar aan te durven er samen in te gaan, we moesten onze handen in elkaar klemmen en de sprong wagen, een sensatie die ridicuul was maar zich door geen wantrouwen of smalen liet wegdrukken en me als een koorts beving.’

Ja, die koorts, dat onbestemde, dat zweem dat verheft deze roman. Ondanks de thrillerachtige gegevens is Mea culpa niet primair de zoektocht naar het slachtoffer en de schuldige, maar vooral het tasten naar schuld en vereffening, naar verraad en liefde, naar doen en laten. Naar meer.

Querido gaf Mea Culpa uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Alessandro Baricco, Dit verhaal

Het eerste hoofdstuk van Alessandro Baricco’s Dit verhaal (verwarrende titel) is bijzonder sterk. Ik pak dit boek regelmatig uit de kast, herlees de proloog en het eerste hoofdstuk, zet het weer terug.

De roman gaat over een jongetje, over autoracen, over een gezin, over ontwikkeling, ook de ontwikkeling van auto’s in Italië, en eigenlijk in heel Europa. Het gaat over groeien en dromen. Over hoop en tegenslag. Over zorg voor een kind van een angstige strenge moeder, en het opengooien van de wereld voor die jongen door zijn avontuurlijke vader.

Voor het eerste hoofdstuk is er eerst een ouverture, die klassieke term voor een inleidende proloog uit de muziek. Muzikaal is het hoofdstuk wel, de zinnen hebben een goed ritme, en vooral opvallend: op iedere bladzijde staan middenin de regels een paar witte blokjes. Een soort tabs maar dan niet aan het begin van een nieuwe regel, maar in het midden, en ook nog eens netjes verdeeld over de pagina. Een losse spatietoets, lijkt het. Toch hebben die witte blokjes een functie. Ze geven een andere verteller of een ander gezichtspunt aan. Dat wisselt heel soepel en bijna ongemerkt, daar zijn die witte blokjes handig voor. Bovendien markeren ze de bladspiegel.

Die ouverture gaat over een autorace van Frankrijk naar Spanje, waar een flink aantal dodelijke ongelukken gebeurden. In het eerste hoofdstuk volgen we Ultimo, de zoon van een van de autoracers, in zijn kindertijd. Zijn vader is gek van de snelheid, zijn moeder is er angstig voor. Zijn vader wil een garage openen, in een tijd dat er nog bijna geen auto’s zijn (1904) en in een gebied waar in tegenstelling tot Frankrijk ook nog amper auto’s zijn. Die plannen van zijn vader, het contact met een adellijke man die het geld heeft om in een raceauto rond te crossen, en de zorgen van de moeder vormen het jongetje. Ultimo op zijn beurt houdt niet zo zeer van de auto’s maar van de wegen. de vorm die een weg maakt, de lijn door het landschap, het doel in de verte, het begin hier vlakbij.

Een slim hoofdstuk, een mooie inleiding, en daarna volgen we Ultimo in de Eerste wereldoorlog aan het front, maar dan kies ik altijd weer voor een ander boek van de groeiende stapel, want Rob Waumans wacht nog, Evelien Vos, Sander Kollaard en twee thrillers. Jullie volgen snel, geen zorgen. Na de carnaval.

De Bezige Bij gaf Dit verhaal uit. De vertaling is van Manon Smits.

Uiteenlopende boeken die in feite over hetzelfde probleem gaan: depressie. Een slim essay over sombere mensen en een roman over de natives in Oakland, Californië.

*

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, De grenzen van mijn taal

Ik ben geen somber mens. Ik beleef plezier aan mijn verschillende werkkringen, aan het filteren en begeleiden, het opkweken en opsteken van literatuur, en aan mijn leven in gezinsverband. Ik ken depressie niet persoonlijk. Eva Meijer wel, en ze is erin geslaagd om in De grenzen van mijn taal haar eigen ervaringen, haar wetenschappelijke vaardigheden, en haar kwaliteiten als kunstenaar samen te ballen tot een rijk essay over de ziekte. Ze laat me kennismaken met iets wat moeilijk inleefbaar is. ‘Op strijd als metafoor voor ziekte, ook populair bij depressie, is terecht al veel kritiek gekomen,’ schrijft ze, maar ook:

‘Metaforen zijn natuurlijk niet nutteloos. Stel je voor dat je in je lichaam een zee meedraagt. Bij elke stap beweegt die, net genoeg om te voelen dat je uit water bestaat. Je weet dat het water gevaarlijk is, dat er mensen in verdronken zijn, dat je onder water niet kunt leven. Je weet ook dat je nu eenmaal met die zee zit, dat er niet aan te ontsnappen valt. Soms stijgt het water, dan zakt het weer, als de getijden, hoewel niet zo regelmatig. Tot het op een dag stijgt en stijgt en je langzaam in paniek raakt. Je kunt er niet aan ontsnappen, want het zit in je. Niemand ziet het aan je buitenkant, hoewel je ogen vaker tranen dan normaal. Je kunt maar beter gaan liggen en wachten tot het water zakt en je weer kunt bewegen. Je kunt maar beter niet gaan liggen, want voor hetzelfde geld verdrink je. (En ondertussen stijgt het water en hou je al een minuut je adem in.)
[…]

Of stel je voor dat je in een bos loopt. Het is een mooie dag, je bent er niet voor het eerst maar bent er ook niet heel vaak geweest, en je kiest een nieuwe route. Dat kan wel, je weet ongeveer hoe de paden zich vertakken. Je gaat links en weer links en rechts en wil nu wel weer terug naar huis. Als je je omdraait, weet je niet meer van welk pad je kwam. Er zijn geen aanknopingspunten – je denkt een boom te herkennen, bent even opgelucht, maar dan blijkt het toch een andere te zijn. Je versnelt je pas, het gaat over een uur schemeren. Je telefoon heeft geen bereik. Dit kan een mooi verhaal opleveren, denk je om jezelf gerust te stellen – straks zit je lekker weer binnen. Het is niet koud, je zult niet doodvriezen als je niet op tijd thuis bent, ze zullen je missen en komen zoeken. Toch kruipt de paniek je buik in, je benen. De ruimte om je heen verandert, wordt groter, jij wordt kleiner. Achter bomen kunnen onbekenden staan. Je oren gaan verder open, net als je ogen, je ademhaling is snel, je hartslag ook. De geur van het bos is beklemmend, niet langer rustgevend. Het begint al te schemeren. Je komt niet meer thuis, je blijft voor altijd in dit moment hangen.’

De kleur grijs, het oneindige, het verlammende: Meijer beschrijft het mooi, precies en overtuigend. Ze vertelt uit eigen ervaring, en neemt filosofische, psychotherapeutische en medische inzichten mee, over pillen, therapie en genezing – en in hoeverre dat wel mogelijk is. Ze betoogt dat ziekte en tegenslag niet zonder waarde zijn. Ze maakt duidelijk hoe sociale omgang moeilijk wordt en vermoeiend voor de zieke, maar nog steeds waardevol. Dat huisdieren, maar ook werk, wandelen, hardlopen, kunnen helpen om je sombere gevoelens in te kaderen.

Het voelt wat vlak om te zeggen (want in hoeverre is dat mijn zwakte, in welke mate de kracht van het boek?), maar ik heb veel geleerd van dit boek, juist door Meijers vermogen dieper te graven, andere perspectieven te zoeken, te verrassen. Het voelt ook wat wrang bij een onderwerp dat zovelen ongelukkig maakt, maar ik heb ook genoten van dit boek. Vanaf de eerste zinnen (er staat een fragment op Athenaeum.nl uit de Inleiding) merk je dat Meijer haar woorden met zorg kiest, waardoor de kracht van de literatuur naast die van de ervaring en de analyse komt te staan. De grenzen van haar taal bieden ruimte te over aan haar verhaal. Mooie zinnen, rake zinnen, pijnlijke herinnering en terechte twijfel naast doortastend reiken naar de waarheid. Eva Meijer is een van onze beste romanciers en essayisten, dit boek is een noodzaak voor eenieder die de kleur grijs van dichtbij of veraf heeft leren kennen.

Uitgeverij Cossee gaf De grenzen van mijn taal uit.

Jan van Mersbergen: Tommy Orange, Er is geen daar daar

Overdonderend boek. Daar kan ik kort over zijn. There there van Tommy Orange is vertaald, als: Er is geen daar daar. Ik was huiverig voor de Wat is de wat-achtige titel, maar vanaf de eerste bladzijde vertelt dit boek me hoe de natives, de Indianen in Amerika, denken, kijken, bewegen, keuzes maken. Niet het beeld van de gevederde Indiaan schetst Orange, dat beeld is een icoon, net zoals het powwow-dansen en de huidskleur en symbolen die overal in Amerika te vinden zijn maar weinig vertellen over de Indianen zelf.

Orange laat een hele rits natives uit Oakland, Californië aan het woord of laat ze simpelweg zien. Een grote sterke jongen die een misvormd hoofd heeft omdat zijn moeder dronk toen ze zwanger van hem was. Hij ziet zijn eigen hoofd in de tv weerspiegeld. Hij heeft een syndroom, hij heeft alleen onthouden: droom. Dat beeld is zijn droom.​

‘Ik haalde mijn kostuum tevoorschijn en trok het aan. In de woonkamer ging ik voor de tv staan. De enige plek in het huis waarin ik me in de volle lengte kon zien. Ik schudde en tilde een voet op. Ik zag de veren fladderen op het scherm. Ik stak mijn armen uit, liet mijn schouders zakken en liep naar de tv toe. Ik trok het bandje onder mijn kin aan. Ik keek naar mijn gezicht. De Droom. Ik zag hem niet. Ik zag een Indiaan. Ik zag een danser.’​

Een andere jongen kalkt tags op busbankjes, muurtjes, wc’s. Hij legt een plan voor aan een subsidiecommissie; hij wil een film over de Indianen maken, zonder invulling of oordelen. Het gaat hem lukken, hoop je steeds, zoals de hoofdpersoon uit De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst het ook moet lukken dat boek te schrijven.​

Of het uiteindelijk lukt is niet het belangrijkste aan deze roman. In het verdere verloop volgt Orange eerst een andere jongen die zijn verhaal voor de camera vertelt en steeds hijgerig vraagt: ‘Krijg ik nu tweehonderd dollar?’ Het is een goed verhaal, maar het geld is de werkelijke motivatie.​

Een moeder gaat met haar twee dochters op Alcatraz wonen. De moeder is ziek maar kiest niet voor de reguliere behandelingen.​ ‘Ze werd almaar kleiner.’​ Dat is een mooie manier om te zeggen dat ze sterven zal – wat ook gebeurt. Een van de twee dochters raakt zwanger, het gezin valt uit elkaar, de meisjes zijn totaal verknipt.​

De zus heet Jacquie. De zussen proberen bij elkaar te blijven – letterlijk.​

‘We kwamen bij een stoplicht. Toen het groen werd, pakte Jacquie mijn hand. Toen we de straat overgestoken hadden, liet ze hem niet los.’​

Een dikke jongen heeft zijn game- en internetverslaving ingewisseld voor eten. Al bijna een week kan hij niet meer poepen – totaal verstopt. Hij weet dat hij minder moet eten – hij spuugt cola uit. Dappere poging. Hij weet dat hij meer moet bewegen, dus hij doet oefeningen. Hij is een Cheyenne, hij geeft niet op. Hij zet ‘die woede om in een poging tot een sit-up’. Dat lukt, en bovendien:​

‘Maar de blijdschap dat mijn eerste sit-up is gelukt, gaat gepaard met een explosie, mijn trainingsbroek vult zich met een vochtige stinkende hoop ontlasting. Ik zit buiten adem, zwetend, in mijn eigen stront. Ik ga weer liggen, spreid mijn armen, de handen geopend naar boven. Dank je, hoor ik mezelf zeggen.’​

Dat is smerig proza waar je de schrijver toch voor wilt bedanken.​

Hij schetst een flink aantal onbekenden waar je direct mee meeleeft. Natives waar wij niks vanaf weten worden personages die niet veel verschillen van andere hedendaagse Amerikaanse personages, zoals in Mijn allerliefste schat of Montana of uit het werk van Paul Harding of David Vann. Harde heldere literatuur waar Orange zijn verhalen en zijn roots opvallend makkelijk tussen schuift. Het is nieuw. Het was er niet niet. We hadden wel de Indiaan die met Jack Nicolson in het gekkenhuis zat, de Indiaan die naast Mel Gibson mocht staan, of die op een buffel reed in Dances with wolves. Allemaal treurige vlakke iconen.​

Op de pyjamabroek van mijn jongste zoon staan cactussen en wigwams afgebeeld. Wat betekent dat?​

Tijdens het lezen moest ik vaak denken aan Klukkluk, ons Indianenclowntje met zijn scheve gezicht – niet doordat zijn moeder zoop tijdens haar zwangerschap, maar voor de grap. André van Duin met een tooi. Ik weet zeker dat er nooit een filmpersonage zal komen zoals Klukkluk dat een scheve mond heeft door het zuipen van zijn pa. Onze Indiaantjes zijn om te lachen, om een pyjama op te vrolijken. Daar lenen Indianen zich voor, en hoe dat voel je bij Tommy Orange in iedere zin.​

De proloog laat zien hoe stammen afgeslacht werden, hoe er met Indianenhoofden gevoetbald werd in de straten. De verdere hoofdstukken laten de worstelingen zien van Steden-Indianen. Dat is hun landschap. En toch blijven de ontheemd, onzeker, angstig, minderwaardig. De verschillende personages die volgen geven hetzelfde beeld, maar dan in het Oakland van nu, en de verhalen zijn verweven, dat merk je als de stiefvader van de dikke jongen ook een hoofdstuk krijgt toebedeeld.​

Als de Efteling een attractie aanpast omdat naast het tergende muziekje racistische symboliek uitgedragen wordt, wat niet meer van deze tijd is, zijn de reacties op facebook uit vooral uit zuiden van het land opvallend: belachelijk, het moet niet gekker worden, die poppen doen de kinderen geen kwaad, de omgekeerde wereld. Er is geen daar daar laat heel schrijnend zien dat racisme niet alleen in symbolen zit. Die moeten natuurlijk aangepast, hoe zeer behoudzuchtige blanke zenders dat plots ook zien als ‘hun cultuur’, de Eftelingpoppen met neusringen en spleetogen staan gelijk aan Zwarte Piet. Tommy Orange vertelt over natives die nu leven en zich totaal geen raad weten met de symboliek die hen in de grote wereld neer moet zetten: de dappere onverschrokken Indianen van vroeger, die dansten met wolven en ook wel eens zwijgend een cowboy tegen durfden te vergezellen. Ze hebben psychische problemen, alcoholproblemen, drugsproblemen, ze weten helemaal niet wie ze zijn.​

Er zijn veel zelfmoorden over natives. Geen wonder: ‘Je kon moeilijk propageren dat het leven zo mooi was wanneer dat een leugen was.’​ Als een vrouw die net gestopt is met drinken kijkt naar een oude Indiaan met een honkbalpet op die zijn hand in de lucht steekt alsof hij aan het bidden is, en in zijn andere hand heeft hij een flesje water waarmee hij het publiek besprenkelt: ‘Zoiets had ze nog nooit eerder gezien.’ Een ritueel van natives dat even bekend als onbekend is, dat in stand behouden wordt door het beeld en hetgeen het beeld vertegenwoordigt – de riten van de oude Indianen – maar het staat nergens meer voor, het is volkomen los van de natives zelf. Dat moet bizar zijn. Alsof een lang vervlogen icoon uit het verleden door je eigen mensen wordt uitgevoerd om anderen te plezieren (en om wat geld te verdienen), in alle oprechtheid van een culturele act. Een klompendans in een Brabants gabberdorp.​

Een zelfmoordpreventiemedewerker sprak collega’s in South Dakota die zo veel zelfmoorden meegemaakt hadden dat ze geen tranen meer hadden. Op. Hij zelf verloor vijftien familieleden aan zelfmoord. Zijn vergelijking: er is veel zelfmoord, het zijn kinderen die springen uit brandende gebouwen. En wat we doen: we stellen dat het probleem in de eerste plaats is dat ze springen. We zeggen ze dat ze beter in het brandende gebouw kunnen blijven zitten.​

De vrouw die dit hoort tijdens een conferentie vlucht. Ze heeft genoeg ellende meegemaakt, genoeg gedronken ook. De vrouw kent het verhaal van Veho, de spin die staat voor de witte man die de wereld door zijn ogen liet kijken. ‘Eerst geven jullie me al je land, dan slok ik jullie aandacht op tot je je er niks meer van herinnert.’ Dat is een belangrijk zinnetje: de natives zijn een rad voor ogen gedraaid, en ze weten het. Hoe ze ook zoeken naar hun roots, het blijft even vaag als een dronken bui.​

Je kunt blijven citeren uit deze roman – is het wel een roman? Het is een scherpe analyse van onrecht. De verhalen gaan over onrecht. De Indianen, hoeveel namen ze ook dragen, is alles afgepakt. Orange stelt dat als Indianen hun verhaal vertellen vaak de reactie is: ‘Laat toch gaan. Jullie zijn slechte verliezers. Hou op en speel het spel mee.’ Maar het is geen spel. Het bloeden van de wond is nooit gestopt. Mensen alles afpakken en dan zeggen: ‘Jullie zijn toch wel veerkrachtig.’ als verdienste. Dat is een misdaad. ‘Je noemt het slachtoffer van een poging tot moord toch ook niet veerkrachtig.’​

Deze kraakheldere beangstigende analyses maken dit een groots boek, want in het volgende hoofdstuk gaat er toch weer een jongen van Indiaanse afkomst een dansje doen. Schrijnend, invoelbaar, en vooral roept het schaamte op. Over de privileges van witte mensen die volkomen in de watten zijn gelegd en die toch doen alsof hun leven net zo’n zware strijd is. Over de Efteling die hun symbolen niet mag afpakken, dat moet zo blijven, daar voelen wij ons gelukkig bij. Inderdaad: het zijn gekaapte treurige witte symbolen geworden.​

Volgende week donderdag: lezing van Tommy Orange door het John Adams Institute, in de Amstelkerk.

Ilja Leonard Pfeijffer, Antoine de Saint-Exupery: de redactie las de kleine favoriet van toeristen (wie immers verzamelt niet alle vertalingen?), sober en beeldend, en een groots opgezette roman over toerisme en Europa die niet verrast. *

Jan van Mersbergen: Antoine de Saint-Exupery, De kleine prins

‘Het belangrijkste is onzichtbaar.’ Klein zinnetje dat het kleine boekje De kleine prins (vertaling L. de Beaufort-van Hamel) samenvat. Nog geen honderd bladzijden, met tekeningen, over vinden en zoeken. Een kleine mythische tekst over een prinsje van een kleine planeet en een piloot in de woestijn. Ze vinden elkaar.

Wat zocht de kleine prins in de woestijn? Dat ontdekt de piloot en tevens verteller pas aan het einde, als de kleine prins water drinkt. In het begin tekent de piloot een olifant die opgegeten wordt door een boa constrictor. Hij tekent echter alleen de buitenkant zodat het lijkt op een hoed. Niemand ziet er een olifant in die opgegeten is door de slang. Het belangrijkste is onzichtbaar. De kleine prins heeft één roos. ‘Bij jou kweken de mensen vijfduizend rozen in één tuin, en ze vinden daarin niet wat ze zoeken.’ Het boekje gaat over de ruimte, over tijd, over kinderlijke verlangens en dwaze volwassenen. Moeilijke materie, want al snel wordt zo’n opzet simpel en komt het niet over. Antoine de Saint-Exupéry kiest voor een sobere beeldende taal die de vertelling wel kan dragen. Nergens sentiment of uitgekauwde metaforen. Wel verhaaltjes die totaal onmogelijk zijn maar die je door de manier van verteller direct gelooft. ‘Je moet ’s nachts naar de sterren kijken. De mijne is te klein om te wijzen waar ze is. Dat is ook beter zo.’

Daan Stoffelsen: Ilja Leonard Pfeijffer, Grand Hotel Europa

Onder de vele plagen die plaatsen als Amsterdam, Venetië en Giethoorn teisteren, is toerisme het meest in het oog springend. Veel meer dan klimaatproblemen en de duurzamere migratie uit arme landen, althans. Daarom gaat Ilja Leonard Pfeijffers enorme roman Grand Hotel Europa ook minder dan La Superba over migratie, als wel om toerisme, het vluchtige broertje van de volksverhuizing. Een belangrijk onderwerp, en niet eens zo’n enorm boek, als je ziet dat Pfeijffer de aantrekkingskracht van het verleden van ons continent voor de Europeanen, maar zeker ook voor de Amerikanen en Chinezen, en niet in de laatste plaats voor hoofdpersoon Ilja zelf, in verschillende verhaallijnen laat zien. De kracht van die oude verhalen is al een belangrijke aanname, die Pfeijffer opvoert in het verbroken liefdesverhaal van Ilja en zijn Clio, de kunsthistorica met beroerde baantjes die jaagt op een verdwenen Caravaggio, en in de geschiedenis van het hotel en zijn piccolo. Net als het belang van stijl in leven en schrijven: Pfeijffers protagonist kleedt zich en soigneert zich perfect, formuleert precies en zeer uitgebreid, en er staan paginalange alinea’s betoog in die elk verband met een realistische dialoog verloren hebben.

‘“Ik verzoek u mij te corrigeren als ik het bij het verkeerde eind heb,” zei ik, “maar ik heb niet de indruk dat ik mijn toevlucht neem tot overhaaste gevolgtrekkingen als ik concludeer dat uw antwoord op mijn eerdere vraag ontkennend zou zijn en dat u niet van oordeel bent dat reizen de blik verruimt.” “Ik zie geen noodzaak om u te corrigeren,” zei hij.’

Het gaat over de kunst van Caravaggio en Damien Hirst, over musea, over hoe het continent sterft. Het gaat over hoe Europa in zichzelf gekeerd is. En over hoe toeristen een niet te stoppen ramp zijn. Had ik dat al gezegd? Dat zal zijn omdat Pfeijffer er ook op hamert. Hij herhaalt het nogal eens. Ik deel Pfeijffers literatuuropvatting niet – ik overdrijf even: kunst hoort kunstmatig te zijn, en daarop te reflecteren, tot in een weelderige stijl en een ironische toon over the top -, maar ik zie dat hij die consequent doorzet, mooie verhalen combineert, zichzelf als overtuigend personage neerzet. Zelfs de manier waarop hij met vrouwen en meisjes omgaat, de pornografische scènes, past. Alleen mist de centrale lijn van dit boek – en ik mis misschien een ironische twist – verrassingen. Hij verrast me met een inzicht in de verhaalstructuur in de Dave Eggers-achtige getuigenis van piccolo Abdul. Hij verrast me met de reflecties op moderne kunst (de tweede helft van de roman heb ik niet voor niets gelezen). Hij verrast me (en zijn hoofdpersoon) met de plotwendingen aan het slot. Maar niet met het gegeven dat toerisme het oude Europa kapotmaakt, en dat Europa vastzit in het verleden. Dat is zo’n Nexus Instituut-stelling die onbetwistbaar is, die veel analyse en weinig oplossingen toelaat, lange gesprekken oplevert, maar geen ontwikkeling. Het is niet iets voor op de voorgrond van een boek, het is decor, zoals in Rob van Essens De goede zoon (waarin Hirst ook een rol speelt, en musea, en carnavalstoeristen, en het verleden). Ja, ontwikkeling, misschien is dat mijn bezwaar. Het lijkt wel alsof Pfeijffers alter ego, een corpulente, charmante snob, vast blijft zitten. In zijn relatie met Clio veranderde er weinig, in Hotel Grand Europa evenmin. Ja, het slot biedt hoop – maar dat is te weinig en te laat. Dan is Europa al overleden.

Maria Vlaar, John Fante, Rob van Essen: de redactie las een ingehouden, intrigerend verhaal, helder en koortsachtig proza en een geweldige toekomstroman.

*

Daan Stoffelsen: Rob van Essen, De goede zoon

Wat blijft er van waarde over als iedereen een basisinkomen heeft? Wat is nog eigen aan de mens als zelfs robots en auto’s ironisch zijn? Herinneringen. Dat is een wat abstracte samenvatting van Rob van Essens geweldige nieuwe roman De goede zoon. Een samenvatting ook die geen recht doet aan de innovativiteit, de humor, de stijl en de ontroerende materie. Want deze roman, een van de meest genoemde boeken in de Nederlandse eindejaarslijstjes, is een licht dystopische road novel down memory lane over dementie en moederliefde, ironie, kunst – en dus herinnering.

Wat begint met een geweldsfantasie naar aanleiding van een incident in de Albert Heijn (waar cassières gesubsidieerd zijn om jonge mensen van de straat te houden, want ja, wat kan een mens wat een robot niet kan) en substantie krijgt door mijmeringen over de zojuist overleden moeder van de verteller – na twintig jaar dementie en een leven bedrukt door streng religieuze overtuigingen – (ja deze zin kan echt nog langer), krijgt vaart door een telefoontje van een oude bekende: Lennox.

‘Alsof we elkaar gisteren nog gesproken hebben. Tenminste, zo klinkt hij. Ik ben vooral verbaasd. Dat het Lennox is hoor ik pas als hij zich voorstelt, het nummer zei me niets. Waar belt hij voor? Niet om me een wapen aan te bieden, dat zou mooi zijn, Lennox leest je gedachten en vervult je wensen, en hij werkte toen ook met De Meester, dus waarom niet, maar daar belt hij dus niet voor, hij belt om me te vertellen dat Bonzo zijn geheugen kwijt is en dat wij naar hem toe moeten om daar wat aan te doen. Nog steeds erg toevallig trouwens, want Bonzo en De Meester zijn een en dezelfde persoon. Niet zijn hele geheugen, zegt Lennox, alleen dat deel van zijn leven dat wij voor hem hebben verzonnen. Nou ja, wij – jij vooral; we hebben je nodig.’

De twee gaan op reis, eerst met een toeristenbus langs voor toeristen speciaal gebouwde dorpjes als Mersbergen (‘Carnaval twaalf maanden per jaar.’), later met een ouderwetse benzineauto, en ten slotte wordt Lennox ziek en regelt hij voor de ik een zelfrijdende auto, een prototype dat doorvraagt, ironie beproeft en zelfs seks heeft met de ik. Om ten slotte aan te komen in een klooster waar de schedel van de ik gelicht wordt – virtueel dan.

Wat maakt dit boek geweldig? Veel is ontzettend geestig: de geluiden van de sta-op-stoel die de ik van zijn overleden moeder overnam, die seksscène, woedende yoga, de observaties en gesprekken onderweg (ik moest denken aan de sfeer van P.F. Thoméses J. Kessels-romans, maar dan een stuk minder plat), het feit dat de ik een schrijver van plotloze thrillers is (is De goede zoon een plotloze thriller? Het lijkt erop), de musicalideeën van de ik en zijn auto over een plichtsgetrouwe, ‘goede’ zoon van een dementerende moeder.

Er is toch iets van een plot, waarin het Archief een rol speelt, en de Dienst, en een Holleeder-achtige figuur (Bonzo/de Meester dus). Er zijn ook inzichtrijke observaties, over herinnering, hoe die verdwijnt, hoe je die kan construeren en weghalen (al is dat in deze toekomstroman toekomstmuziek). En over hoe kunst onttoverd is voor de ik, over toerisme dus, zelfs over moslims, over robots en ironie.

‘Ooit was ironie van ons, de leden van de geletterde middenklasse, een niet al te kostbaar en overal te verkrijgen middel om het leven ongevaarlijker te maken, om het te verkleinen zodat wij er beter in pasten, een middel ook om hiërarchie aan te brengen in onze eigen groep; maar nu beschikt kunstmatige intelligentie er ook over. Misschien heeft ze het zelf ontwikkeld, wie weet is het een onvervreemdbaar, onvermijdelijk onderdeel van een zich ontwikkelend bewustzijn, straks blijkt ironie de drijvende kracht achter alles. Dat zou me eigenlijk niet eens verbazen. Maar de zorgeloze manier waarop ze er gebruik van maakt! Het is inderdaad een nieuwe wereld, alles wat ik zojuist over mijn leven heb gehoord is alweer achterhaald na de confrontaties met ironische receptierobo’s en liftdeuren. Soms denk ik dat er met tijdmachines wordt gewerkt, dat ze vanuit de toekomst hun plannen trekken en ons langzaam aan hun regime willen laten wennen; daarom sturen ze ons eerst vriendelijke, behulpzame receptierobo’s met ironische gimmicks en glimlachjes. Maar die ironie moet er ingeslopen zijn, die kan nooit de bedoeling zijn geweest, want ze geven zichzelf ermee weg: hun ironie is te triomfantelijk, het is de ironie van iemand die de ander niet serieus kan nemen, hoezeer hij ook zijn best doet; die ander is gewoon te onbelangrijk, te efemeer, te sterfelijk. Het is niet eens ironie, het is vrolijkheid, ze maken zich vrolijk over ons omdat we vermakelijk zijn zonder dat we ertoe doen.’

De stijl raast maar door, maar je ontsnapt er niet aan, je raast mee, het leest niet als een trein, maar als het landschap daarbuiten, niet te beïnvloeden maar indrukwekkend, continu veranderend maar onontkoombaar. En er is een ontroerend zelfonderzoek naar die moeder, haar dementie, de rol van de ik.

De goede zoon is een ontdekking, en ik ben blij dat ik een oeuvre kan teruglezen. Dat kende ik amper, realiseerde ik me toen ik de podcast BoekenFM terugluisterde, maar ik heb wel wat om naar uit te zien, bleek. Want wat las ik nu helemaal? We hebben in De Revisor Van Essens verhaal ‘Dit is wat ik je beloof’ in 2011 gepubliceerd (een van zijn beste, begreep ik ook van de podcast), en ik las voorvorig jaar Winter in Amerika, waarvan ik in de war raakte.

De verwarring lijkt helemaal Van Essens bedoeling te zijn geweest, en nu heeft de verwarring meer substantie, raakt hij meer onderwerpen en graaft hij dieper. Lezen dus. Ik ga herlezen.

Thomas Heerma van Voss: Maria Vlaar, Diepe aarde

In het verhaal ‘De ongeborene’, een hoogtepunt uit Maria Vlaars debuutbundel, volgen we een stel. Hij heet Jeroen en is schoenenmaker. Zij heet Renske en gaat zich bemoeien met zijn zaak, soms betuttelend, soms ronduit sturend, soms dominant en soms ook afwezig. Allebei worden ze in de derde persoon gevolgd, en we komen heel terloops toch dichtbij hun beider leefwerelden. Knap gedaan, dit is sowieso een knap, enigszins onbestemd verhaal, omdat het heel concrete elementen combineert met een onbestemde laag – ‘De ongeborene’ gaat om veel meer dan het aanvankelijk lijkt, zonder dat al te duidelijk uit te leggen is waar dat meer allemaal precies in zit; Diepe aarde heet Vlaars bundel uiterst toepasselijk, een titel die uit dit verhaal stamt. In de schoenenwinkel komt een jongen langs met ‘een paar handgemaakte Greve-herenschoenen’ en tussen hem en Jeroen ontvouwt zich een veelzeggende dialoog:

‘Ik heb iets met machines,’ zegt de jongen, ‘ik wil weten hoe alles in elkaar steekt in de wereld.’
‘Alles, alles. Ben je een studiebol?’
‘Ik studeer aardwetenschappen,’ zegt de jongen, ‘richting Diepe Aarde.’
‘Diepe Aarde?’ vraagt Jeroen, terwijl hij de schoenen op zijn werktafel netjes twee aan twee orden. Vooral veel sandalen nu, met dit mooie weer.
‘Ja, over wat in de aardkern gebeurt, daar waar we niet bij kunnen. Waar het te heet is om te meten en te donker om te kijken.’

In het klein gebeurt hier wat Vlaar tijdens dit hele verhaal behendig doet: afwisselen tussen enerzijds concrete zaken, namelijk heel toegankelijke, ogenschijnlijk eenvoudige taal, een praktisch beroep als schoenenmaker dat subtiel en toch heel sfeervol wordt beschreven, en anderzijds juist de achterliggende, meer onbewuste lagen: dat waar we niet bij kunnen, inderdaad. Dat wat we maar half zelf ervaren. Want het is voelbaar dat er, hoe praktisch en soms banaal de zaken ook zijn waar Renske en Jeroen het vooral over hebben, meer op het spel staat, veel meer. Bijvoorbeeld wanneer er rondom Renske’s zwangerschap een terloopse passage aan namen gewijd wordt:

‘Als het een jongen wordt gaat hij Ernst heten, van Max Ernst, van wie Renske in Berlijn schilderijen heeft gezien. Jeroen vindt de naam Ernst mooier dan Max. Als het een meisje wordt gaat ze Fanny heten, naar Renskes lievelingsfilm. Jeroen moet die nog eens gaan zien, vindt ze.’

Mooi, juist omdat het zo ingehouden is, omdat je over een dergelijke passage makkelijk heen leest – die woorden ‘vindt ze’ geven de passage iets schrijnends, en tegelijk wordt dat verschil in hun leefwerelden niet al te veel uitgevent: dit zou erop kunnen wijzen dat ze fundamenteel andere karakters hebben, dat zij iets van hem verlangt wat hij niet geeft – want eerlijk is eerlijk: niets wijst erop dat hij die film ooit zal zien, het enige waarover hij werkelijk begeestering toont in het verhaal is zijn zaak, en later ook min of meer zijn kind. Jeroen zelf verzandt in dezelfde pagina, als zijn kind eenmaal geboren is, ook nog in een even korte, zij het iets nadrukkelijker opgeschreven gedachte over zijn kind, over erfelijkheid, over het voortleven van voorliefdes en gebreken: ‘Als het kindje begint te krijsen en de vroedvrouw haar duim opsteekt naar Renske aait Jeroen de rimpelige handjes. De huid is zacht en dun als vloeipapier. Zonder te weten dat hij niets te zeggen heeft over de loop van het leven vraagt Jeroen zich af of het later ook schoenmakershanden zullen worden.’

Intrigerend verhaal dit, dat bij herlezing alleen maar beter wordt.

Jan van Mersbergen: John Fante, Vraag het aan het stof

In Vraag het aan het stof (vertaald door Mea Flothuis, jammer dat de roman in de Nederlandse titel veel meer woorden nodig heeft dan in het Amerikaanse Ask The Dust) weet John Fante opnieuw heerlijk te vertellen. Nu is zijn alter ego Arturo Bandini aan het woord. Zijn huurbaas wil geld zien.

‘Het liep op als de nationale schuld, ik moest betalen of vertrekken – tot de laatste cent, vijf weken achterstallige huur, twintig dollar, en zo niet, dan zou ze beslag leggen op mijn koffers; maar ik had helemaal geen koffers, ik had maar één valiesje en dat was van karton zonder zelfs een riem erom, want de riem zat om mijn buik teneinde mijn broek op te houden, maar dat was niet zo moeilijk omdat mijn broek ook al weinig meer voorstelde.’

Van een huurbaas naar geld, naar koffers, een riem, een broek, en zelfs die schamele broek stelt weinig meer voor. De weg van armoede en ellende, verteld door een kerel die schrijver wil worden. Je weet meteen dat hij dat zal worden, hij is een schrijver. Het moet alleen even mee zitten.
Schitterend is ook het gevecht dat Bandini aangaat met zijn schrijven, dat lukt totaal niet meer na een positieve reactie van een uitgever. Hij zit in zijn gehuurde hotelkamer naar een palmboom te kijken…

‘… maar het ging niet, het was het langste gevecht van keihard doorzetten van zijn leven, en er kwam geen regel, niet één, alleen maar één woord dat steeds weer, over de hele bladzijde stond: palmboom, palmboom, palmboom, een gevecht op leven en dood tussen de palmboom en mij, en de palmboom won: kijk, daar stond hij buiten in de blauwe licht te wuiven, zoetjes te kraken in de blauwe lucht. De palm won na twee dagen strijd, en ik klom naar buiten en ging onder de boom zitten. De tijd ging voorbij, een minuut of wat, en ik viel in slaap terwijl kleine bruine mieren carnaval vierden in het haar op mijn benen.’

Lees dat nog maar eens terug. Herhalingen, ritme, beelden, even helder als koortsachtig.
De passages waarin Fante zijn alter ego laat zwelgen in zelfmedelijden zijn minder. ‘Ik was Gods meest deerniswekkende schepsel…’ Dat geloof ik wel. Dat soort opmerkingen maken Bandini passief. Als hij ‘denkt aan spaghetti, zwemmend in de heerlijkste tomatensaus’ zie ik wel zijn leed en de heimwee voor me.

Vaker gezien, een roman over een man die schrijver wil worden. In De helaasheid der dingen laat Dimitri Verhulst zeer overtuigend zien hoe een jongen zich ontworstelt aan zijn armoedige gezin, door het schrijven. De slotscène van de verfilming is ontroerend: hij rijdt op zijn brommer als hij weet dat zijn boek gepubliceerd gaat worden.
Het is niet vreemd dat Charles Bukowski er geen geheim van maakte dol op Fante te zijn, ook Bukowski schreef vaak over een schrijver die aan het aanklugelen was, vanuit een woede tegen de klippen op tikken.
Toch hebben deze schrijvende hoofdpersonages een nadeel: het proza wordt zo naar binnen gekeerd. Een schrijver die vertelt over een schrijver die vertelt… Ik heb het nooit goed aangedurfd en gaf mijn hoofdpersonages al gauw een behapbaar beroep. Of moet je hier juist lef voor hebben? Gewoon schrijven over een schrijver? Die vraag houdt me bezig terwijl ik deze tweede roman van John Fante lees dit jaar. Het sluit ook aan bij mijn nieuwe roman, met daarin een grote rol voor een schrijfster. Niet de hoofdrol, die heb ik vergeven aan de vrouw van een vijverbouwer.

Carson McCullers, Virginia Woolf, Rachel Cusk: de redactie las deze week een subtiele, opvallend actuele roman, een essay over vrouwen en fictie en een treffend en pijnlijk essayboek over het eerste jaar ouderschap.

*

Jan van Mersbergen: Carson McCullers, Het hart is een havik

De vertaling uit 1960 door W.F.H. ten Bruggen van The Heart is a Lonely Hunter van Carson McCullers is nog heel goed te lezen, bovendien is het oude lettertype van mijn hardcover prettig. Het is een subtiele politieke roman die in de huidige tijd opvallend actueel aandoet. Rassenproblematiek, een vakbondsman met opruiende ideeën, ongelijkheid, genderneutraliteit, alcoholisme, al deze thema’s komen in de roman uit 1940 aan bod, bij verschillende personages die netjes om beurten gevolgd worden, met als centraal personage de doofstomme John Singer.

In de vertelling is ruimte voor ieder personage en de andere personages veranderen in hun scènes in bijfiguren, op een slimme terloopse manier zijn ze er wel steeds, maar onnadrukkelijk. Soms wordt enkel de mondharmonica genoemd van de broer van een donker meisje, soms alleen de snor van een man die dagen achter elkaar in de kroeg zit waar een ander personage achter de toonbank staat bij het kasregister, soms alleen de kamer van de doofstomme, soms alleen mensen op een veranda. McCullers beschrijft een kleine gemeenschap in een grootse vertelling, de focus op het vijftal personages werkt zeer goed, iedere keer krijgt de lezer de kans mee te voelen, en toch geeft de roman een compleet beeld van het Amerika van vlak voor de oorlog.

Wat die doofstomme zo bijzonder maakt tussen al die uitgesproken personages: ‘Singer was altijd tegen iedereen hetzelfde.’ Dat maakt hem de spil in dit wespennest. Ook de rust die hij uitstraalt, het gebrek aan ambitie en de stilte zijn bijzonder. De man met het snorretje die het liefst de arbeiders opzet tegen hun werkgevers slenters van fabriek naar de kroeg en overal is drukte en willen mensen dingen, en dan verlangt hij ernaar even bij de doofstomme op zijn kamer te zitten. Gewoon even wat rust.

‘Met hem praten was net een spelletje,’ vond het meisje Mick, dat graag een jongen wil zijn en muziek wil spelen. ‘Alleen zat er veel meer in dan bij welk spelletje ook. Het was als met het ontdekken van iets nieuws in de muziek.’

En later, als het over het meisje, de dokter en de snor gaat: ‘Ze kwamen bij hem in de stille kamer praten – want zij hadden het gevoel dat de doofstomme altijd begreep wat zij tegen hem zeggen wilden. En misschien nog wel veel meer dan dat.’

John Singer is een van de belangrijkste authentieke Amerikaanse romanpersonages, vanwege de stilte, de rust, de gelaagdheid, de eenvoud en de reikwijdte. Alle praatzieke personages die de moderne Amerikaanse literatuur, vooral uit de steden, tot een circus van gedachten en meningen maken, zouden even bij Singer in zijn kamer moeten gaan zitten en kort iets zeggen of juist niks zeggen.

Athenaeum — Polak & Van Gennep geeft de nieuwe vertaling van Molly van Gelder uit (een fragment daarvan is te lezen op Athenaeum.nl); de oude is nog tweedehands verkrijgbaar.

Daan Stoffelsen: Virginia Woolf, Hoe lees je een boek, en Rachel Cusk, In het land van moeders

De post bracht me namens de Erven J. Bijleveld, een eigenaardig niet-modieuze uitgeverij van interessante boeken, Hoe lees je een boek? En andere essays over literatuur van Virginia Woolf, vertaald door Barbara de Lange. Een boek als dit lees je in stukjes, en mijn interesse ging uit – u begrijpt dadelijk wel waarom – naar het eennalaatste stuk, ‘Vrouwen en fictie’, waarin Woolf een beetje droog maar niet onorigineel nadenkt over hoe het toch komt dat er lange tijd zo weinig fictie van vrouwen was, en nu (1929) veel meer.
Ze zegt

  • behartenswaardige dingen (‘Het is opvallend dat de vier grote schrijfsters – Jan Austen, Emily Nrontë, Charlotte Brontë en George Eliot – geen van allen kinderen hadden en dat twee van hen nooit zijn getrouwd.’ Ze werkt dat uit, en er zit natuurlijk wat in, reden dat het de premisse is van tenminste de helft van Sheila Heti’s Moederschap, een boek dat vervelend egocentrisch is, maar dat ik volgens Miriam Rasch anders moet lezen en ik zal dus doorlezen. Hoort u nog van.),
  • betwistbare dingen (‘De roman is de kunstvorm die de minste ononderbroken concentratie vergt.’ Ik denk dat het essay en het gedicht daar ook wel voor in aanmerking komen. Ik geloof dat het de komst van zijn tweeling is, die ervoor zorgde dat Jan Wolkers geen romans, maar vooral essays ging schrijven.),
  • onbegrijpelijke dingen (‘Om te beginnen is er de technische moeilijkheid – op het eerste gezicht eenvoudig, in werkelijkheid bijna onoverkomelijk – dat de zin als vorm haar op zichzelf al niet past. De zin is door mannen gemaakt; hij is te vaag, te log, te pretentieus voor een vrouw.’ Hoe dan? Nu ja, het antwoord is dus: dan maak je maar een zin.),
  • en dingen die nog steeds, ietwat verminderd gelden (‘Dus wanneer een vrouw een roman gaat schrijven, zal ze merken dat ze de gevestigde waarden voortdurend wil veranderen – dat ze zwaarwegend wil maken wat voor een man onbeduidend is, en triviaal wat voor hem belangrijk is. Dat zal haar uiteraard op kritiek komen te staan, want de criticus van het andere geslacht zal oprecht verbaasd en verrast zijn door een poging het bestaande waardenstelsel te veranderen, en zal dat niet beschouwen als louter en alleen een ander soort visie, maar als een zwakke, triviale of sentimentele visie, omdat die anders is dan het zijne.’).

Woolf is ook hoopvol dat het speelveld gelijk getrokken gaat worden, dat activisime niet meer nodiog zal zijn en dat vrije tijd zal helpen. En die hoop is denk ik voor een groot deel bewaarheid geworden. De Canadees-Britse schrijfster Rachel Cusk, die ik de afgelopen tijd heb leren kennen als een uiterst interessant auteur, beschrijft in In het land van moeders (vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer) het eerste jaar van haar moederschap in thematische hoofdstukken. De terugkerende boodschap: het is verre van makkelijk, en waarom had niemand haar voorbereid? Het is dan ook makkelijk dit als gezeur af te doen, eenzijdig gezeur, maar Cusk schrijft met humor en brille, en ze verbindt haar eigen ‘triviale’ problemen met literatuur en de menselijke conditie.

Ze overtuigt, met andere woorden, dat het ouderschap inderdaad A Life’s Work is, zoals de oorspronkelijke titel luidt: het gaat om leven, maar het is ook vooral werk, een klus. De wolken zíjn niet rose, maar grijs, en soms dagenlang zwart.

In de Inleiding schrijft ze – en daarmee wordt Woolfs hoop bewaarheid – dat haar echtgenote de zorg voor de kinderen op zich nam terwijl zij schreef. Maar tegelijk laat ze in het hoofdstuk over de zwangerschap zien dat vrouw-zijn onveranderd moeizaam kan zijn.

‘Ik verlang naar een vluchtroute, naar een in code gestelde verwijzing naar verzet. Mijn sekse is een schrale, lang geleden uitgezette, liefhebbend beklede val geworden waar ik per ongeluk in ben gelopen en waar geen uitweg meer uit is. Ik ben als het ware elektronisch geoormerkt door de zwangerschap. Mijn vrouwelijke bewegingen worden nauwlettend in de gaten gehouden.’

Even later, over communiceren met de baby: ‘Terwijl mijn buik dikker wordt, realiseer ik me dat daarmee contact maken ongeveer even zinvol is als een weiland dat contact maakt met de snelweg die er dwars doorheen wordt gelegd.’ Geweldig beeld. En: ‘Dat soort solitair, volmaakt en bizar nepmoederschap wordt niet aangeraden, merk ik, aan vrouwen die al een kind hebben, en niet alleen omdat zij minder goedgelovig zijn.’

Nepmoederschap! Of over hoe haar dochter gaat kruipen en slopen: ‘Ik raak beperkt tot één kamer, een ontwikkeling die staat voor capitulatie, een verloren slag. Terwijl mijn dochter ingewikkelder en gevaarlijker wordt, groeit mijn respect voor haar recht evenredig met de minachting van anderen.’

Treffend en pijnlijk, waar en goed gezegd, en dat een boek lang. Je hoopt dat Cusk de relatie met haar kinderen heeft kunnen oppakken na die eerste jaren in de loopgraven. Je hoopt (en weet ook wel) dat er vrouwen zijn die het beter getroffen hebben. Je hoopt ook dat De Bezige Bij gelegenheid ziet dit boek te herdrukken voor de komende Boekenweek, want dit gaat nu echt over hoe ‘moeder’ en ‘vrouw’ samenvallen en niet. Maar je weet weer: de roze wolk is voor de meeste moeders (en vaders) een droom die in het rijtje eenhoorns, de jackpot winnen en snelle gelijktijdige orgasmes slechts door penetratie past. En die dromen komen pas uit, respectievelijk, als je dochter vier wordt, jij bijna dood bent, en in de nieuwe roman van Ilja Leonard Pfeijffer. Fictie.

De Bezige Bij geeft het werk van Rachel Cusk uit. In het land van moeders is ook tweedehands amper te krijgen, maar A Life’s Work is bij de betere boekhandel te bestellen.

Joseph Conrad, Jan Postma: de redactie las een interessant geconstrueerde klassieker met mooie goedvertelde zinnen en interessante, sterke essays met wat grote woorden.

*

Jan van Mersbergen: Joseph Conrad, Hart der duisternis

‘Ik zal jullie niet al te veel lastig vallen met wat er met mij persoonlijk gebeurde, begon hij, met deze opmerking blijk gevend van de zwakheid van veel verhalenvertellers, die zich al te vaak niet bewust lijken van hun toehoorders.’

De hij is kapitein Marlow, die van de eigenlijk ik-verteller in Joseph Conrads Hart der duisternis het woord krijgt en vrijwel het gehele boek aan het woord blijft.

Wat er gebeurt: een schrijver voert een ik-verteller op, die geeft het stokje al snel over aan Marlow, die gaat op zoek naar Kurtz, waar hij in de derde persoon over vertelt.
Interessante constructie.

Conrad weet hoe je moet vertellen, zijn verteller weet hoe hij moet zwijgen, Marlow wordt niets in de weg gelegd. Die drie vormen dit bijzondere boek. Een moeilijk boek ook, want iedere keer als ik er in begin kom ik net iets verder, die haperingen zeggen ook iets. Marlow vertelt en reist zelf, hij neemt mij soms niet mee.

Maar terug naar het begin. Conrads verteller ziet Marlow voor de Engelse kust op het schip zitten, waarna Marlow het verhaal overneemt. De verteller weet het al: ‘Wij wisten dat we gedoemd waren, vóór het eb zou worden, een van Marlows belevenissen zonder kop of staart aan te horen.’
Daar gaat Marlow.

De constructie werkt goed als je van mooie goedvertelde zinnen houdt, van poëzie. Taal is belangrijker dan verhaal. Als Marlow in zijn verhaal eenmaal in Afrika is waar hij de vertegenwoordiger Kurtz moet gaan zoeken, is er geen weg meer terug. Dan wordt je soms toch meegezogen de Afrikaanse zoetwaterrivier op, de jungle in, naar de duisternis.

Ook begrijp je waarom Conrad koos voor een ik-verteller die een ander personages aan het woord laat om weer derde persoon te worden: Conrad heeft die stappen nodig vanwege de taal. Hij wil het verhaal overlaten aan een van zijn personages, maar die jongen waar hij mee begint is wat vlak en saai en dus voert hij Marlow op die vol bravoure vertelt, met mooie vlotte zinnen, hoog tempo, humor en veel beelden. Die eerste eigenlijke verteller heeft die schwung niet, en dat verschil verantwoordt de constructie van Conrad. Natuurlijk ligt de taal van Conrad dichtbij die van Marlow, maar de lezer staat er twee stappen vanaf, en dat is slim. Marlow zit ver weg in de jungle. Het klopt. De schrijver neemt afstand van zijn eigen vertelling, via twee tussenvertellers.

In het nawoord haalt Bas Heijne, die de vertaling maakte, de film Apocalyps Now aan, waarin het verhaal van Conrad naar Vietnam verplaatst is en Marlon Brando Kurtz speelt. Goed idee, dat verplaatsen. Dat vertellen vanuit de hoogte van waar schrijvers soms van kijken of vanuit een broekie die net in Vietnam is, is in film anders, daar heb je die lagen niet. In de roman moet Marlow met de zinnen van Conrad de hoofdmoot vertellen, op zoek naar Kurtz, over Kurtz.

L.J. Veen geeft Hart der duisternis uit.

Daan Stoffelsen: Jan Postma, Geringere schepsels

U herinnert zich misschien nog dat ik op deze site en in ons tijdschrift maar doorzeverde over bevallingen in de literatuur. Die interesse is er nog steeds, gevoed door het beroep van de moeder van mijn kinderen, maar het was ontegenzeggelijk ook een fase, die volgde op de geboorte van de inmiddels zeven- en vierjarige. Jan Postma zit nu ook in die fase, getuige de bijzondere uitgave Geringere schepsels, vijf sterke essays over geboorte, sterfelijkheid, zichtbaarheid, geschreven op de Jan Van Eyck-Academie. Interessante essays, dwalend van mot naar moth, van de geboorte van M naar de dood van Virginia Woolf, van schaduw in Japan naar nachtdieren in de Antwerpse zoo.

De bundeling is meer een eenheid, en heeft meer spanningsboog en consistentie dan zijn grotere boek Vroege werken [waarover ik in april 2017 schreef]. Maar zijn observaties zijn ook treffend. Ik citeer ruim, omdat ik bij veel instemmend knik, en er ook wel iets over stijl te zeggen valt:

‘Hoezeer J [Postma’s partner, de moeder van zijn kind] ook liet merken dat het weinige dat ik voor haar kon doen van een niet te onderschatten betekenis was, ik bleef voor alles klemzitten in een diepe onbeduidendheid. Gevangen tussen aan de ene kant de kalme professionaliteit van de zusters, en het evident oneindig veel bredere perspectief op de gebeurtenissen van deze willekeurige middag dat dat met zich meebracht, en aan de andere kant de intensiteit van J’s ervaring. Ik voelde de hitte van het vuur waaraan zij zich inmiddels had overgegeven. Ik had kunnen delen in de angst en in de hoop, maar daar eindigde de bereikbaarheid van haar ervaring. Andermans pijn is zo ontoegankelijk als de vreemdste van alle talen. Langzaam maar zeker valt alles weg, totdat er niets anders overblijft dan de pijn die iemand anders doorstaat in het zich uitstrekkende nu waarin we samen verkeren, het voortdurende moment waarin alles even vanzelfsprekend, overweldigend, onbegrijpelijk, willekeurig en betekenisloos is. Maar het was een gedeeld lot dat werd gebaard.’

‘Andermans pijn is zo ontoegankelijk als de vreemdste van alle talen.’ Ik typte het per ongeluk tweemaal over, ik begon blijkbaar weer te lezen, zo kernachtig is het. Afgelopen weekend schreef een mannelijke journalist voor Trouw een stuk over zijn beleving van de geboorte van zijn kind – dit is beter geschreven, beter geduid, en ik herken me er evenzeer in. De onbeduidendheid, het onvermogen te delen in andermans pijn. ‘Maar het was een gedeeld lot dat werd gebaard.’ Mooi.

Maar ook: grote woorden, weinig concreets. Waar is het lichaam in zo’n fysieke scène, het zwoegende gezicht, de armen en benen die te veel zijn, de handen die andere handen zoeken? Is het wel een scène, of vooral een duiding van een gevoel? Is dit het verschil tussen een prozabenadering van deze levensgebeurtenis en een essaybenadering? En waarom die onbegrijpelijk geconstrueerde – ‘geconstrueerd’ vat het goed voor mij samen, misschien is dat zelfs een poëticale kritiek, er is iets onvanzelfsprekends aan Postma’s formulering – tweede zin, met het ‘evident oneindig veel bredere perspectief’? Ik geloof dat ik ook problemen heb met die eennalaatste zin, het gedragen ‘verkeren’, het variërende herhalen van ‘het zich uitstrekkende nu’ en ‘het voortdurende moment’, de opsomming.

Toch maken die bijna klassieke woorden over ‘een gedeeld lot’ veel goed, en het gemak waarmee Postma dan vervolgens zijn dochter zo beschrijft: ‘M, volledig bedekt als ze was door een witte laag die een mengsel van puin en zweet had kunnen zijn, zag eruit alsof ze verantwoordelijkheid droeg voor een opgraving – jong en onbezonnen, onbevreesd voor eerder welke banvloek uit het verre verleden.’ Dat is zo prachtig aaneengeassocieerd, en nog steeds kloppend.

(De overige 61 pagina’s zijn ook de moeite waard.)

Geringere schepsels wordt meegestuurd met literair tijdschrift Terras. Abonneren kan via tijdschriftterras.nl.

Annie Proulx, Rachel Cusk: de redactie las twee vrouwen met zeer verschillende boeken die toch allebei op hun manier werken. Dit is literatuur!

*

Daan Stoffelsen: Rachel Cusk, Kudos

Wat maakt Rachel Cusk zo goed – ondanks alles? Alles, dat is de gekunstelde vorm, van veel indirecte rede in de zelfde toonsoort, de ongeloofwaardige situaties (hebt u dat nou ook, dat iedereen zijn hart bij u uitstort…), de over-the-topwijsheid van de personages (… en alles duidt?). Dat is een romanvorm die meerstemmigheid reduceert tot meerdere verhalen met één stem, dialogen en enscenering marginaliseert ten faveure van uitgebreide persoonlijke verhalen. Die niet toont, maar vertelt.

Zo hoort literatuur niet te werken!

Maar het werkt wel. Toegegeven, Kudos, nu vertaald door Marijke Versluys, is de uitdagendste van het drietal romans dat Cusk in deze vorm goot; Contouren en Transit hadden meer plot, meer samenhang. Het is ook iets meer boekenvak (uitgevers, schrijvers, journalisten) dan de echte maatschappij. Net als in Contouren opent deze roman met de bekentenis van een buurman in het vliegtuig; de uitzonderlijk lange veertiger is uitgeput omdat, naar blijkt nadat hij de ins en outs van zijn werkend bestaan (hij is met pensioen) en gezinsleven uitgebreid uit de doeken heeft gedaan, hij vannacht hun stervende hond heeft laten inslapen en hem heeft begraven. Een uiterst onsympathieke man, die nu terecht in vertwijfeling is over of hij daar goed aan heeft gedaan.

Maar daarna zien we Faye, de vrouw aan wie alles verteld wordt maar van wie we slechts de basisgegevens kennen – gescheiden (en inmiddels hertrouwd, zoals in een bijzin blijkt) met twee zoons, schrijfster, woonachtig in Londen – naar festivals en congressen reizen, onderbroken door interviews die bestaan uit de bekentenissen van de journalisten zelf. Ze laat zich alles vertellen over scheidingen, geluk en ongeluk, over gevangenschap en besluiten over de ander, en ze predikt ook een zekere passiviteit.

Daan Borrel schreef erover in ons #19 (koop dat nummer!):

‘Dan is ze op bezoek bij haar neef Lawrence met wie ze een gesprek voert over het noodlot. Ze vertelt hem dat ze het belangrijk vindt om haar noodlot te leren interpreteren, de vormen en patronen in alles wat er gebeurt, de waarheid ervan te bestuderen. En dat dit moeilijk was als je gelooft in identiteit, “net zo goed als het moeilijk was om te luisteren als je aan het praten was. Ik had al luisterend meer geleerd, zei ik, dan ik ooit voor mogelijk had gehouden.” Ja, zegt haar neef Lawrence, “maar je moet wel leven. Er bestonden meerdere manieren van leven, zei ik.”
Op de vraag welke manier van leven het echtst is, komt geen definitief antwoord.’

Want beide manieren zijn even echt. Ik zeg wel: ze laat, maar Faye kiest ervoor niet het hoogste woord te voeren, en krijgt daar veel voor terug – drie romans aan materiaal onder andere – en ze kiest ervoor ondanks alle vreselijke relatieverhalen toch te hertrouwen. Maar nu die aantrekkingskracht. Op Athenaeum.nl zal onze recensent Fleur Speet (en oud-redactiesecretaris van Revisor) maandag die bezwaren opnoemen, en betogen dat Cusk de romanverhalenbundel neerzet, flarden verhalen in één stijl.
Wat mij nu zo aantrekt in die vorm, is het onderkoelde drama dat telkens zo gedetailleerd verteld wordt, dat je het gevoel hebt dat alles ertoe doet, meer nog dan uitgebreide enscenering kan. Dat bovendien er veel tegenspraak en nuance ontstaat, die de werkelijkheid van (romantische) relaties in al zijn complexiteit schetst, dusdanig dat je na alle ellende nog kan besluiten toch nog te hertrouwen. En de stijl, die je bijna als die van W.G. Sebald, meetrekt naar de tragische levens die je zelf misschien ook lijdt – maar dan minder gecomprimeerd.

‘Bij elk nieuw verhaal dat ze aan de keukentafel hoorde, zei ze, werd ze wel gedwongen steeds meer te twijfelen aan het karakter van deze man, die ze eens zo aantrekkelijk had gevonden en die ze ondanks alle bewijzen zelfs nu maar moeilijk kon veroordelen. En dan keek ze naar haar eigen man, die geduldig en welwillend naar haar vriendin zat te luisteren, ook al was hij doodmoe van zijn werk gekomen en had hij niet eens tijd gehad iets anders aan te trekken, en dan verbaasde ze zich weer over haar verstandige keuze. Hoe meer vreselijke dingen hun vriendin vertelde over die andere man, hoe meer ze hoopte dat het niemand was opgevallen hoe aardig ze hem had gevonden, tot ze hem zelfs fel begon te bekritiseren, ook al geloofde ze vanbinnen nog dat de vriendin zijn wandaden misschien overdreef. En ook haar man, merkte ze, stelde zich ongewoon kritisch op tegenover hem, wat haar tot het inzicht bracht dat hij al die tijd een hekel aan hem had gehad. “Het kreeg er de schijn van,” zei ze, “dat wij tweeën hun gezinsleven kapot hadden gemaakt, alsof mijn verborgen liefde en zijn verborgen haat hadden samengespannen om het onderwerp van onze verdeeldheid te vernietigen.”‘

Zo dus. Je wilt doorlezen, hoe het nu verder gaat met deze vriendin, en met henzelf, want er staat spanning op. Zelfopgeworpen spanning, want die schijn van dat kapotmaken, dat voelen alle vertellers in Kudos, alsof ze de macht hebben een ander leven te vernietigen. Met het laten inslapen van de lievelingshond van je dochter bijvoorbeeld. Maar dat is natuurlijk slechts het verhaal. Of niet? Dat die vragen naar bovenkomen, blijven komen, bij herlezing ook – is misschien de grootste aantrekkingskracht van Cusks werk. Dit is geweldige literatuur, want het vragen houdt niet op na het (fantastische, broeierige) slot.

De Bezige Bij geeft het werk van Rachel Cusk uit. Athenaeum.nl publiceerde voor uit Kudos.

Jan van Mersbergen: Annie Proulx, ‘55 mijl naar de benzinepomp’

In het zeer korte verhaal ’55 Mijl naar de benzinepomp’, van Annie Proulx (vertaling Regina Willemse), stapt veeboer Croom een ravijn in, hij sterft, waarop mevrouw Croom in hun huis op zoek gaat naar wat haar man heeft achtergelaten: een aantal vrouwenlichamen op een zolder. Bijzonder verhaal, door de afstand in de vertelling.

Proulx beschrijft geen gruwelijkheden, eerder berusting. De daden van veeboer Croom zijn achter de rug, het leed van de vrouwen die op een of andere manier op de zolder terecht zijn gekomen en ‘intensief zijn gebruikt’, zoals Proulx het noemt, wordt niet beschreven, alleen de ontdekking van de daden door de vrouw en vier kleine woordjes: ‘net wat ze dacht’. Ze wist het eigenlijk al. De ontdekking is een bevestiging.

En veeboer Croom op zijn beurt valt niet zo maar in de afgrond, ook al is hij dronken, hij kent de weg, en ook hier een paar kleine woordjes als hij een pad inslaat dat bij het ravijn uitkomt: ‘zo weet hij’.

Het verhaal gaat niet over de gruwelijkheden maar over het samenleven van een man en een vrouw in een vreemd geheim, een verbond tussen twee mensen dat met een conclusie-achtige slotzin wordt bezegeld: ‘Wie afgelegen woont, creëert zijn eigen pleziertjes.’

De bundel Brokeback Mountain, met een beeld uit de succesvolle verfilming voorop, staat vol met dit soort verhalen: bondig, groots, zeer goed geschreven, Nobelprijswaardig. Toen DWDD me een tijdje terug vroeg welke drie schrijvers als het aan mij ligt de Nobelprijs mogen krijgen stond de naam Proulx vrijwel meteen in het rijtje.

In ‘Een eenzame kust’ ook een mooie vertelvorm: een jij-vertelling vanuit een onzekere vrouwelijke ik, die haar eigen leed mengt (ze betrapte haar man op de oppas van vijftien) met een heftige gebeurtenis waarbij ze slechts zijdelings betrokken is, een bizar ongeluk of eigenlijk een vechtpartij op de snelweg die totaal uit de hand loopt.

Dit verhaal gaat over impulsen. Haar man kon de oppas niet weerstaan, de andere personages deden maar wat op die snelweg, iemand schoot, ze slikten pillen, chaos. De verteller berust ook: ‘Vriend, het is makkelijker dan je denkt om toe te geven aan de duistere impuls.’

Vooral dat algemene in ‘de duistere impuls’ is indrukwekkend, heel rustig verteld maar ook op een manier die zegt: iedereen komt die impuls tegen. Het waart rond en overvalt je.

Op een gegeven moment, als ik veel van Proulx verhalen achter elkaar lees, gaan die conclusies mij tegenstaan, ze maken de verhalen erg rond en een beetje netjes, maar de intensiteit is zo hoog en de technieken zo goed toegepast, dat ik die paar slotzinnetjes prima kan hebben.

In ‘Curriculum vitae’ beschrijft Proulx het woelige leven van Leeland Lee aan de hand van de baantjes die hij had en wat er in het nieuws was op dat moment. Lee trouwde en kreeg kinderen, Vietnam was op tv, hij werd tankstationhouder, bij een sekte namen heel veel mensen gif, hij ging in de vleesverwerking, San Francisco verslaat Denver in de football-finale.

Een cv van een gewone man, in het kader van de hele wereld, dat doet Proulx en dat is zeer indrukwekkend. Herleeswaardig.

Ook die jij-vorm en vertelling in ‘Mensen in de hel willen slechts een slokje water’. ‘Je staat daar en zet je schrap.’ Dit is misschien wel het beste verhaal. Over twee gezinnen met flink wat kinderen. In het ene gezin komt een roodkarige verminkte zoon terug uit de stad, opgeraapt door een methodistische dominee in de stad. Hij heet Rasmussen, kortweg Ras. Hij ontpopt zich tot een idiote potloodventer. De zonen van het andere gezin kunnen hem niet uitstaan. De vader van Ras zegt: Pas maar op met je fratsen, ze nemen je te grazen. Ras lacht hysterisch. De vader denkt dat hij inderdaad gek is, maar de jongen blijft in het vervolg wel thuis. Het lijkt te helpen, die preek, maar uiteindelijk hebben de jongens van het andere gezin deze arme Ras al te grazen genomen: ’Ze hebben het al gedaan. Ze hebben het al bij hem gedaan en nog met een smerig mes ook.’

Er volgen nog wat details van Ras’ liesstreek en zijn been, en dat is het. De moeder van Ras voelt vooral schuld: een hopeloze daad met een ander kindje draagt ze als een enorme last met zich mee, dat heeft ertoe geleid dat die jongen zo geworden is.

Wanhoopsdaden, een kort verhaal (slechts 22 pagina’s) over wanhoopsdaden, en eigenlijk over een groot aantal levens in een mistroostig groot gebied dat door Proulx op een onvergetelijke manier op de kaart is gezet: Wyoming.

Hanya Yanagihara, Rachel Cusk: de redactie las een grootse roman die vooral vertelt, vertelt, vertelt, en twee kleine romans die op een onpersoonlijke manier observeren. Over hoe we vertellen, en hoe vragen tot verhalen leidt.

*

Jan van Mersbergen: Hanya Yanagihara, Een klein leven

De titel verklapt het eigenlijk al: een boek dat Een klein leven heet moet wel gaan over een heleboel wissewasjes en over een lange periode. Veel pagina’s met kleinigheden. Aan die verwachting beantwoordt de bejubelde roman. Zeer terecht bejubeld trouwens, want Een klein leven van Hanya Yanagihara is een grootse, veelomvattende en goed geschreven roman, maar ook vermoeiend door de omvang en vooral door de manier van vertellen.

Vier vrienden van onduidelijke geaardheid, in New York, met een omslag waarop een man (een foto van Peter Hujar) met een uitdrukking – ogen dichtgeknepen – die het midden houdt tussen pijn en genot, en zinnetjes als ‘Hij was dol op alles wat Jude bakte’, en ‘ben je boos op me?’ lost een andere verwachting in: dit boek bevat eindeloos veel nichtengeklets, dat een sfeerbeeld van deze generatie moet geven. Ook die verwachting wordt ingelost. Een goed getroffen levendig beeld dat aan de andere kant veel lezers kriegelig zal maken, want soms zijn de omgangsvormen erg tuttig en wordt ook dat expliciet beschreven en mis ik een iets steviger omgang tussen deze jongens. Het is aandoenlijk, de pijn van hoofdpersoon Jude wordt goed neergezet en er zijn lezers die het leed van deze jongen goed kunnen voelen, ik probeerde het te voelen maar stoorde me vooral de manier waarop de drie vrienden met Jude’s pijn omgaan. Ze zijn figuranten.

Die jongen snijdt zichzelf, daar zit een heel verhaal achter, en de andere drie weten dat maar zeggen daar niks over. Ik wacht dus op een moment waarop een van de vrienden werkelijk met Jude gaat praten, waarop deze jongen gesteund en zijn leed erkend wordt. Dan leeft voor mij die vriendschap. In ieder geval kan een poging worden ondernomen. Dat gebeurt niet, en dat geeft mij een hopeloos eenzaam gevoel. Misschien is onmacht de bedoeling van deze roman. Dan werkt het goed. Ik vrees eerder dat het eerder gaat om de pijn van Jude die over moet komen dan het gemis aan steun bij de mensen die dichtbij hem staan.

Een klein leven kent zeker wel mooie zinnen en mooie beelden. Sporadisch. Een van die jongens is van IJslands-Deense komaf en groeide op in Wyoming, had een broer die Hemming heette en gehandicapt was:

‘Het enige wat hij miste, afgezien van Hemming, was Wyoming zelf: het volkomen vlakke landschap, de bomen zo diepgroen dat ze blauw leken, en de turfachtige appelgeur en zoete mestlucht van een paard nadat het ’s avonds was geborsteld.’

Yanagihara zet hier een complete Amerikaanse staat neer in kleine beelden. Haar vertelling gaat van zeer groot naar gedetailleerd. Dat is bijzonder. Eigenlijk beschrijft ze de staat Wyoming aan de hand van details, geuren en het borstelen van een paard in de avond. Prachtig. Bovendien is dit persoonlijk en lang vol te houden.

In Een klein leven worden echter personages precies andersom neergezet. Als op pagina 101 ene Felix geïntroduceerd wordt staat er, vanuit een van de jongens (inwisselbaar) gedacht:

‘Hij had medelijden met Felix, die klein en onaantrekkelijk was en de gewoonte had in een van zijn smalle neusgaten te peuteren, met een diep borende wijsvinger, tot hij besefte wat hij deed en hem snel terugtrok en afveegde aan zijn spijkerbroek. Acht maande later had hij nog steeds geen duidelijk beeld van Felix’ leervermogen.’

Dat neuspeuteren geeft een aardig beeld van Felix, echter de tijdssprong over acht maanden en de zeer algemene typering van dezelfde jongen als klein en onaantrekkelijk, maken de vertelling juist groot en onpersoonlijk. Waarom dat medelijden en hoe uit zich dat? Wat is ‘onaantrekkelijk’? Wat is ‘een beeld van iemands leervermogen’? Felix is een kartonnen poppetje. Hij wordt van onbeduidend naar groot neergezet, in de vertelling, en dan voelt de lezer dat rondom deze jongens heel veel figuranten ronddrentelen die allemaal even gauw moeten worden neergezet, op iedere bladzijde weer een nieuwe. En dan mis ik een beschrijving zoals van Wyoming, een staat zes keer groter dan Nederland maar treffend neergezet, heel eigen, en in tegenstelling tot het stilstaande poppetje Felix zit er beweging in het borstelen en wordt de tijd afgebakend tot één avond; geen acht maanden lang een kleine en onaantrekkelijke jongen.
Dit zijn details in de vertelling die heel bepalend zijn voor wat de lezer meekrijgt, en een lezer die meer gevoel meekrijgt over een vierkant stukje Amerika dan over een jongen die weliswaar zijfiguur is maar ook een eigen leven heeft, haakt snel af.

Wat Yanagihara doet: vertellen vertellen vertellen.
Haar typeringen zijn goed en levendig opgeschreven, het blijft echter een lange vertelling waarin bij de meeste beschrijvingen direct duidelijk is hoe het zit. Felix is onaantrekkelijk, Jude heeft medelijden met hem. Een plus een is twee.
In de – zeer positieve – recensies over deze roman komt terug dat de personages maar één eigenschap hebben en sjablonen zijn (Joost de Vries in De Groene Amsterdammer) of dat de successen van de vier jongens bijna ongeloofwaardig zijn en hun onderlinge contact zo grootmoedig en verontschuldigend is dat je er jeuk van krijgt (Auke Hulst in NRC), toch is het algemene oordeel dat je meegaat in het leed. Ik kan zeggen dat ik meega in het leed van deze Jude, ik ga niet mee in de vertelling.
Zo wordt Jude overgeleverd aan de sadistische Caleb: ‘Als hij bij Caleb is voelt hij zich tegelijk menselijker en minder menselijk.’ Weer zo’n algemene beschrijvingen. Helemaal waar, maar ook bedacht en vlak. Ik mis de geur van een pasgeborsteld paard in de avond.
Bladzijden en bladzijden verder: ‘In plaats daarvan gaf hij zijn aangeboren optimisme de ruimte om zijn angsten te versluieren en om iets te zonnigs en vreugdevols van hun relatie te maken.’
Een totaal vertelde analyse van een jongen en zijn relatie, maar ik weet niet hoe dat zonnige en vreugdevolle er in het kleine dagelijkse leven uitziet. Weer een beschrijving van een heel groot leven over een kleine jongen. En weer geen nuance in beelden. Als Yanagihara zou laten zien hoe het ruimte geven aan iemands aangeboren optimisme oogt dan kan ik dat misschien voelen. Nu krijg ik een overdosis aan informatie en een zeer uitgebreide psychologisering, maar ik heb geen idee wat dit met deze jongen doet. Hoe versluiert hij die angsten? Loopt hij dicht langs de gevels? Of denk ik dan te simpel? Kruipt hij weg in zichzelf? Onder een kussen? Ja, ik weet: hij snijdt zichzelf en daar zit een heel intense geschiedenis achter, zeer pijnlijk om te lezen, maar na honderd beschrijvingen die eerder uit een handboek zelfhulp lijken te komen dan dat ze passen bij deze Jude, voel ik eigenlijk alleen maar afstand tot hem. En dat is niet de bedoeling.
Momenteel speelt de toneelversie van Een klein leven, door toneelgroep Amsterdam, in regie van Ivo van Hove en met Ramsey Nasr in de rol van Jude. Ik ben heel benieuwd naar de voorstelling, vooral omdat de eindeloze vertellingen uit het boek op toneel vanzelfsprekend overgeslagen moeten worden en de pijn van de hoofdpersoon en zijn vrienden wel vertaald moet zijn naar beelden, dialogen en handelingen. Een bijzondere uitdaging die gezien de recensies en reacties op de voorstelling goed gelukt is. Dat zegt ook veel over de roman: lezers die zich door deze vertelling laten meesleuren lezen voor de beleving maar deels ook voor het gemak. Je hoeft het niet zelf voor je te zien, alles wordt je keurig meegedeeld, hoe schimmig en pijnlijk ook. Lezers die meer van leeswerk houden, van het vormen van beelden en het leggen van verbanden in je hoofd aan de hand van summier aangereikt materiaal, komen waarschijnlijk beter aan hun trekken in de theaterzalen waar Een klein leven nu furore maakt.

NieuwAmsterdam geeft Een klein leven uit. Op Athenaeum.nl is een fragment te lezen.

Daan Stoffelsen: Rachel Cusk, Contouren & Transit

Er is iets wonderlijk tegenstrijdigs aan het proza van Rachel Cusk: het voelt zeer persoonlijk, autobiografisch aan, en tegelijk zien we amper iets van de auteur, de verteller zelf. Contouren en Transit voelen objectief, observerend, maar ze gaan over zeer intieme dingen, de relaties die we aangaan en verbreken, de verhouding tot geliefden en kinderen – en buren. Er is amper plot, maar de verhalen blijven intrigeren. En nu verschijnt Kudos, als derde deel in een kleine reeks. Wat maakt Cusk zo geweldig?

Er valt wel iets te zeggen over plot: Contouren omvat een week schrijfworkshop in Athene, inclusief vlucht ernaartoe, en heeft als rode draad de gesprekken met de buurman van de ik in het vliegtuig, een oudere Griek met een flinke relatiegeschiedenis achter de rug. Ze spreekt hem en vrienden in Athene vooral over voorbije relaties, maar laat ook haar cursisten aan het woord.
In Transit is de tijdsperiode minder natuurlijk, het gaat over de periode waarin de ik – ze is gescheiden – naar Londen terugverhuist. Ze koopt een slecht huis in een goede buurt, en steekt zich in de schulden voor de verbouwing, die in dit boek de rode draad wordt. De onderburen zijn vreselijk, het huis is ontruimd. Ook in deze roman overheersen andermans verhalen, en nog meer dan in Contouren gaat de telefoon regelmatig – haar zoons logeren bij haar ex, en dat gaat niet perfect. De nasleep van de scheiding (Cusks roman Nasleep moet ik nog lezen) voor de kinderen gaat door, en dat lijkt een bepalend thema te zijn.

Over beide boeken valt heel veel te zeggen, al was het maar omdat ze extreem citeerbaar zijn: mooie observaties, scherpe analyses, vloeiende stijl. Waar Contouren opent in het vliegtuig naar Athene, begint Transit met een e-mail van een astroloog. In de vertaling van Marijke Versluys:

‘De mogelijkheid bestond dat dezelfde computeralgoritmen die deze e-mail hadden gegenereerd ook de astrologe zelf hadden gegenereerd; haar zinnen waren te karaktervol, met een toon die te vaak werd herhaald, en ze was te duidelijk gebaseerd op een mensentype om zelf een mens te zijn. Daardoor kregen haar medegevoel en haar bezorgdheid iets onheilspellends, hoewel ze om diezelfde redenen ook neutraal overkwamen. Een vriend van me, depressief door de nasleep van zijn scheiding, had onlangs bekend dat hij soms tot tranen toe geroerd werd door de bezorgdheid over zijn gezondheid en welzijn die sprak uit de bewoordingen van advertenties en etiketten op levensmiddelen, en door de ingeblikte stemmen in treinen en bussen, die kennelijk bang waren dat hij zijn halte miste. Hij voelde zelfs iets wat aan liefde grensde voor de vrouwenstem die hem, met zoveel meer toewijding dan zijn vrouw dat ooit had gedaan, begeleidde bij het autorijden, zei hij. Er is rijkelijk taal en informatie uit het leven geput, zei hij, en wie weet was de namaakmens substantiëler en relationeler aan het worden dan het origineel, en kreeg je meer tederheid van een machine dan van je medemens.’

Onheilspellend én neutraal, dat kan dus, of zorgzaam en computergestuurd – en Cusks taal zelf is neutraal én geladen, alleen al zo’n formulering als ‘de mogelijkheid bestond’ ontwijkt de ‘ik’ die hier aan het woord is. Ze zoekt de contrasten op (medegevoel kun je ook tegenover onheilspellend zetten), en creëert daarmee en prettige, niet-stellige complexiteit en openheid. En dan die theorie van de depressieve vriend, die is tegelijk rijk en geestig.

Ik ging tellen hoeveel keer Cusk ‘ik’ gebruikt in die eerste pagina’s, en dat is best veel, maar het is een typerend, onpersoonlijk gebruik. Als ze dit schrijft: ‘Ik moest weten dat er zich aan mijn hemel binnenkort een belangrijke transit zou voordoen. Gezien de veranderingen die daaruit konden voortkomen wekte dat inzicht bij haar grote opwinding. Tegen een geringe vergoeding was ze bereid die informatie met me te delen, dan kon ik er mijn voordeel mee doen.’ Dan is die ‘ik’ de ‘u’ uit het astrologische mailtje, en die indirecte rede, inclusief dat ‘vervolgde’, een werkwoord dat ik bij geen andere auteur zo vaak zie terugkomen, geeft een kalme, vloeiende vertaling aan iets wat ongetwijfeld een houterig mailtje was.

Die kalmte klopt ook met de melancholie die de verhalen van Griekse buurmannen, schrijfcursisten, andere schrijvers, exen, Albanese bouwvakkers doorspekt: berustend en beschouwend kijken ze terug op hun fouten. Misschien wel depressief, in de rouw, zoals die vriend van de ik. Dat bepaalt de thematiek ook van de boeken, maar doordat de ik zich actief in het schrijverscircuit begeeft, zegt ze ook dingen over hoe verhalen zich tot mensen verhouden. Hoe herinneringen werken, hoe perspectief vernauwt, hoe tijd slijt.

En dat verhalen de basis zijn, dat vragen het begin is. In Contouren (vertaald door Caroline Meijer en Lette Vos): ‘Voor de tweede maal viel me op dat hij welbewust de moeite nam mij een vraag te stellen, alsof hij zich had aangeleerd om datgene wat hem dreigde te ontglippen terug te halen.’ In Transit: ‘”Ik vind het prettig dat je dat allemaal vraagt,” zei ze, “Maar ik begrijp niet waarom je het wilt weten.”‘ Daarop volgt geen antwoord van de ik, net zoals het gesprek over een nieuwe liefde niets over hem zegt. Maar ik heb een idee: het waarom is een basale humanistische instelling, een interesse in de ander, die al deze personages ménselijk maakt. Niet per se mooi – zeker niet – maar het zijn wel wezens die me raken.

Ik ben hier nog niet over uitgedacht, Cusk is een essay waard, maar Kudos is verschenen en zal het denken voortduwen; ik zal daar binnenkort verslag over doen. (Na Peter Terrin en Sarah Hall en K. Schippers, die nu door mijn handen gaan.)

De Bezige Bij geeft het werk van Rachel Cusk uit. Van Transit bieden ze een fragment op de site; Athenaeum.nl publiceerde voor uit Kudos.

Marie Kessels, Eva Meijer, David Vann: de redactie las een mooie roman, overtuigende non-fictie en herlas een nagenoeg perfect kort verhaal.

*

Jan van Mersbergen: David Vann, Legende van een zelfmoord

Ik herlees het centrale langste verhaal van Legende van een zelfmoord, van David Vann. Sukkwan Island heet het. De eerste keer dat ik het las was de schok groot, aan het einde van het eerste deel. Het tweede deel, zeker nog 75 bladzijden, is een verschrikkelijke afrekening met zijn vader, James Edwin Vann die zelfmoord pleegde. Het boek is aan de vader opgedragen en hij maakt zijn eigen vader ik dit verhaal met de grond gelijk door de rol van zijn eigen vader aan te maken, als jongen.

Ik lees het verhaal voor de derde keer. Er vallen nu weer andere dingen op. Kleine zinnetjes. ‘Ik word hier een beetje moedeloos van,’ verzucht de vader aan het begin van hun overlevingsavontuur op een verlaten eiland voor de kust van Alaska. Dat is steeds het gevoel. Onbeholpenheid, eenzaamheid, verwrongen contact tussen vader en zoon. De vader huilt ’s nachts zachtjes en die jongen hoort dat en denkt: ‘Ik hoor dit niet te horen.’ De volgende dag weet hij: ik moet hier niet op terugkomen.

Als de jongen gaat vissen en flink wat verse zalm vangt voelt hij de euforie die de natuur en overleven in de natuur bieden kan. Als een beer hun hut leegrooft en als een arend een klein gevangen visje steelt voelt hij zich een onbeduidende sukkelaar, een rol die de mens in zo’n afgelegen gebied waar de natuur altijd dominanter is, goed past.

Een van de beste verhalen die ik ken. Ik lees het heel rustig. Laatst in de kroeg sprak ik een van de stamgasten over dit verhaal. Hij is documentairemaker en begrijpt heel goed de intensiteit van dit verhaal. Het is geweldig om zo’n goed verhaal gelezen te hebben en mensen tegen te komen die de kern van dit verhaal ook kennen, een andere kern dan mijn kern, maar toch.

Thomas Heerma van Voss: Eva Meijer, De soldaat was een dolfijn (2017, Cossee)

Om de een of andere reden ervoer ik enige weerzin om De soldaat was een dolfijn te gaan lezen. Misschien omdat ik vreesde dat Eva Meijer, ondanks alle lof die ze kreeg en krijgt, al te fel een punt wilde maken en haar essay drammerig zou zijn. Misschien kwam het door de terloopse samenvattingen die ik al van het boek had gekregen: dat Meijer pleit voor politieke inmenging van dieren, wat zowel bij sommigen die me over dit boek vertelden als bij mij wat vreemde, Alfred Jodukus Kwak-achtige visioenen opleverde: katten in de rechtszaal, eenden in het parlement. Aangespoord door het dierennummer van De Groene Amsterdammer en enthousiasme van mijn vriendin besloot ik het echter toch te lezen – gelukkig, want het is een van de beste essays die ik in tijden heb gelezen. En die vooringenomen, voorspelbare houding die ik hierboven beschreef is juist, zo onderbouwt Meijer overtuigend, een van de dingen die er al eeuwen misgaan als men over het over dieren heeft.

‘Het is niet genoeg om over dieren te denken, want dan is het weer een kwestie van mensen die voor andere dieren bepalen hoe de wereld in elkaar zit.’ Dat woord ‘andere’, daar begint het mee: mensen hebben zichzelf de afgelopen eeuwen ten onrechte aangeleerd dat ze fundamenteel verschillen van dieren. En dat ze dus recht hebben de wereld in te richten zoals zij, wij zelf willen. Maar waar komt dat recht in vredesnaam vandaan?

In dit honderd pagina’s tellende essay gaat Meijer (1980) stapsgewijs en overtuigend in tegen het antropocentrische denken dat onze wereld heeft vormgegeven en nog steeds vormgeeft. De menselijke taal geldt nog altijd als hoogste manier van communiceren, de rationele, witte man geldt nog steeds als toppunt van menselijkheid, terwijl mensen ook voornamelijk worden voortgedreven door instinct. En in essentie gewoon dieren zijn die min of meer toevallig ooit de macht hebben gegrepen. De boodschap van Meijer: wij mensen moeten – zonder onze hardnekkige menselijke maatstaven te gebruiken – hoog nodig meer luisteren naar ‘niet-menselijke dieren’, of die zich in hun gedrag al zo vaak verzetten tegen de status quo.

In theorie klinkt het vreemd, bijna hippieachtig: luisteren naar dieren, of het nu wormen of katten of dolfijnen zijn hen eventueel zaken als een pensioensopbouw geven. Maar opvallend overtuigend onderbouwt Meijer haar stellingen. Ze haalt wetenschappers aan die zich eerder over de materie hebben gebogen, parafraseert, nuanceert, verdedigt, illustreert, valt aan, en haar heftige betrokkenheid bij de zaak is continu voelbaar. Soms gaat ze daardoor wat ver in haar verlangens en gedetailleerdheid, er is bijvoorbeeld een gedeelte over de ´politieke interactie met wormen’ en mogelijk schrikken zulke zinnen welwillend publiek af. Maar dat zou onterecht zijn; Meijers retorische kracht is namelijk zeldzaam groot. Nergens wordt ze klagerig of larmoyant, en de conclusie waar het essay in uitmondt is zowel gewaagd als concreet: geef dieren (indirect) politieke inspraak.

Nog steeds worden niet-menselijke dieren massaal omgebracht en weggedrukt, nog steeds worden veruit de meeste situaties en relaties beoordeeld en ingevuld vanuit menselijk perspectief. Meijer laat in De soldaat was een dolfijn niet alleen zien wat daar niet aan deugt, ze beschrijft ook werkelijk hoe het anders kan. Beter. Een essay dat zo veel mogelijk mensen moeten lezen.

Daan Stoffelsen: Marie Kessels, Veldheer Banner

Dit is een raar boek – maar dat is ook een aanbeveling. Marie Kessels schetst in Veldheer Banner het portret van de ziekte van Parkinson, of althans van een parkinsonpatiënt, filosoof Saul Banner, vriend en minnaar van fotografe Dana Stromberg. Raar, want we leren hem kennen tot in het ritme van zijn stappen, de veranderende kleur van zijn huid, zijn stiltes, zijn verrukking, zijn agressie, zijn eet- en slaapgewoonten, zijn seksuele voorkeuren, zijn taal. Maar we komen nooit dichtbij.

Saul is een memorabel figuur en met zijn op afroep aanreizende vriendin Dana heeft hij geweldige dialogen, geestig, halsstarrig, ieder voor zich heel eigen. Saul is ook irritant, hij oreert, is regelmatig oninteressant omdat hij noodzakelijkerwijs zó op zichzelf gericht is, maar dat onderstreept juist zijn levensechtheid en je gelooft dankzij Dana dat hij toch aantrekkelijk en interessant is.

Plus: er zijn passages waarin Dana de parkinsoncartoonist Marty Bee (die ook voor de bizarre omslag-illustratie tekende) loofde, of een parkinsonpodcaster, of waarin ze een lotgenotenbijeenkomst beschrijft. Daar denk ik: wat een geweldig essay!

Maar het rare is dus: als roman lukt het niet. Door niet voor een ik- maar een derde persoonsperspectief te kiezen, door de wat kunstmatige toon van de sprekers, door de vele bijvoeglijk naamwoorden en bijwoorden, door Dana’s duiden tussen de dialogen door, door de herinnering en niet het nu, en door Kessels’ diffuse behandeling van deze bijzondere liefdesgeschiedenis houd je afstand tot Saul en tot het verhaal. Nooit voelde ik me echt betrokken bij Saul Banner.

Diffuus? Ja. Marie Kessels lijkt eerder thematisch dan chronologisch te vertellen (de seks wordt pas later uitgebreid uit de doeken gedaan), herinneringen zijn nu eens recenter dan weer een stuk ouder, en je blijft tasten naar de ware aard van de relatie – kameraadschappelijk, liefdevol, fetisjistisch-seksueel – en het verloop – hoe lang is dit nu goed gegaan?

Maar klopt dat niet juist, dat je probeert te reiken naar de kern, naar de ziel van de zieke en zijn ziekte, en het slaagt niet – is dat niet júíst parkinson?

Of hij zei, op de nuchter-constaterende toon van hen die de verbijstering voorbij zijn: Weet je dat ik de laatste weken lichtjaren van mezelf en van de realiteit ben afgedwaald, Daan? Daarmee gaf hij heel beeldend uitdrukking aan dat onwerkelijke, onwezenlijke dat hij over zich kon hebben. Iets onstoffelijks en ontastbaars, iets waar ik zo buiten stond dat ik soms blij was om mijn ademhaling te voelen en de warme tranen die achter mijn ogen prikten.

Een fascinerend, raar boek.

Bart Koubaa, Alejandro Zambra: de redactie las na een pauze van enkele weken (iedereen is verhuisd) weer nieuwe literatuur. Een intelligente verhalenbundel uit Chili en een rijke coming-of-age uit België.

*

Thomas Heerma van Voss: Alejandro Zambra, Mijn documenten

De boeken van Alejandro Zambra intrigeren me elke keer opnieuw en ik begrijp nooit helemaal waarom. Jaren geleden las ik Bonsai (2006), een kleine, ingetogen roman die bij vlagen zo beknopt was dat hij meer als poëzie dan als proza aanvoelde – ik kreeg geen moment echt vat op het verhaal of het kalm vertellende hoofdpersonage, maar de dromerige sfeer zorgde ervoor dat ik moeiteloos doorlas.

Ditzelfde gold min of meer voor opvolger Het verborgen leven van bomen (2007), weer zo’n korte, dromerige roman, ditmaal over een literatuurdocent wiens vriendin niet thuiskomt na een tekencursus. Wat volgt is geen harde, door spanning gedreven thriller, maar een fijn geschreven, meanderend, soms essayistisch verhaal, dat wederom voorbij was voor ik er werkelijk een band mee kon krijgen. Het derde boek dat ik van Zambra las, Manieren om naar Huis Terug te Keren (2011) was alwéér zo’n kort, ingetogen werk, alweer bijzonder goed geschreven, en alweer bleef mij uiteindelijk vooral de broeierige, indringende sfeer bij.

Nu is er Mijn documenten, een verhalenbundel die het beste van Zambra’s schrijven combineert: de intelligente, registerende hoofdpersonages, de gevoelige ondertoon, de secure, afgewogen stijl – er valt geen haperende zin in te ontdekken, of het moet het ongetwijfeld abusievelijk verkeerd vertaalde ‘Iván Zamorana’ zijn waar natuurlijk de Chileense voetballer ‘Iván Zamorano’ wordt bedoeld. Ik ben halverwege de bundel en meer overkoepelende bevindingen staan binnenkort in De Groene Amsterdammer, maar hier vestig ik alvast graag de aandacht op het beste verhaal dat ik tot nu toe tegenkwam en dat ik iedereen wil aanraden: ‘Camilo’. Een door een ik-figuur opgetekende verzameling herinneringen die toch, anders dan de meeste verhalen uit die categorie, geen moment particulier of alledaags aanvoelt.

Het draait in ‘Camilo’ om een uiterst behulpzame, oudere vriend op wie de ik-figuur maar geen grip krijgt, die tevens ook een vriend is van de veel meer afstandelijke vader van de ik-figuur – tot het allemaal misgaat. Het is allemaal bijzonder kalm en rustig opgezet, vertellend van toon, maar en passant worden de wezenlijkste thema’s behandeld: opgroeien, uitdovende vriendschappen, (de aard van) herinneren (zoals vaak bij vrienden). Navertellen is lastig omdat Zambra zo soepel heen en weer springt in de tijd, er worden uiteindelijk jaren uit het leven van ‘Camilo’ behandeld, en het gaat zoals steeds meer om de sfeer dan om de precieze plot.

En ik weet nu al wat me hiervan het meest zal bijblijven: de amateurvoetbalwereld in Chili, die heel nauwkeurig en fijn wordt beschreven, en de verhoudingen tussen de personages stuk voor stuk onder spanning zet en vormgeeft Bijvoorbeeld tussen de verteller en diens vader:

‘… hij stond in het doel en was er echt goed in, ik zie hem zo nog voor me, duikend naar een hoek, waar hij de bal met twee handen uit de lucht plukte en hem tegen zijn borst drukte. Ik kon me nooit aan gedachte onttrekken dat zijn ploeggenoten hem haatten, want hij was zo’n keeper die de hele wedstrijd aanwijzingen gaf, die de verdediging en zelfs het middenveld met harde kreten op de juiste positie zette. Terug, man, terug, pass hem, naar mij, niet dribbelen, terug, man, terug. Hoe vaak heb ik die bevelen wel niet uit de mond van mijn vader horen komen, uitgesproken op een uiterst alarmerende toon. Als hij weleens naar mij schreeuwde, was het nooit zo hard als de kreten op het voetbalveld. Zijn ploeggenoten ondergingen ze geërgerd, of dat dacht ik tenminste, want het kon niet aangenaam zijn met zo’n permanente herrie achter je te moeten spelen. Maar mijn vader werd gerespecteerd. En nogmaals: hij was heel goed.’

Proza dat me dwingt om door te lezen. Zin na zin, alinea na alinea. Ik ga verder.

Karaat geeft Zambra uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.