Bregje HofstedeMarijke SchermerBruce Springsteen, Kenneth Cook, Jan Donkers, Peter Ackroyd: de Revisorredactie las. Deed het werk van de Svenska Akademien: genres scheiden – liedjes zijn geen literair proza, journalistiek is geen essayistiek, biografie is geen literatuur – en grote vragen en slordigheidjes wegen. Maar was ook gewoon fan.

*

Daan Stoffelsen: Bregje Hofstede, De herontdekking van het lichaam (en John Jeremiah Sullivans ‘Feet in Smoke’ en Montaignes ‘Over droefheid’)

Je vroeg me, Thomas, of dit een essay was. Ik besloot het op te zoeken en uit te printen (dank god voor het internet, het weet alles van mij, en waar John Jeremiah Sullivans essay ‘Feet in Smoke’ te lezen valt). Maar ik was eigenlijk Bregje Hofstedes De herontdekking van het lichaam aan het lezen. Weer zo’n klein boekje, nu non-fictie, dat niettemin tot nadenken noopt. Ondertitel: Over de burn-out. Nou ja, over Hofstedes burn-out gaat het grootste deel van het boek, het is een stuk dat eerder bij De Correspondent werd gepubliceerd, over de verhouding tussen lichaam en geest, mind over matter, streven en ontspannen. Ze bepleit een holistischer levenstijl, aandacht voor het fysieke én het mentale.
Ga ik daarin mee?
Ik twijfel. Thomas, dit beschouw ik dus niet als essayistiek, dit vind ik eerder diepgravende journalistiek met een opinie. Hofstede voert bronnen op – wetenschappers, filosofen, een romancier -, voert eigen ervaringen op, maar gaat er niet mee in discussie – zoals Maggie Nelson dat in De argonauten doet, bij een Freudiaanse theoretische bewering bijvoorbeeld: ‘Ik ben verbijsterd en gegeneerd als ik bedenk dat ik dit soort vragen jarenlang niet alleen begrijpelijk vond, maar ook fascinerend.’ Zo’n opmerking geeft een scherpte die ik mis aan dit artikel.

Veel interessanter, minder vlak ook zijn de twee daaropvolgende essays, over wandelen als therapie (met stukjes loepzuiver proza, gecursiveerd door het betoog heen) en een reis in Israël, als vrouw bekeken en geïntimideerd (hét antwoord op kleedkamerpraat als die van Trump, indrukwekkend). Door het wandelessay voelde ik de noodzaak erop uit te trekken, het Israël-essay wijst me weer hard op de kwetsbaarheid van vrouwen in onze maatschappij. Maar ook hier stelt ze: ‘Vitaliteit – het tegengestelde van de burn-out – vraagt echter niet om een keuze, maar juist om aandacht voor geest én lichaam.’ Die algemenisering van een individuele ervaring, gecontrasteerd met de individuele ervaring van iemand als Susan Sontag, kan ik niet meevoelen. Zelfs nu Hofstede dit zo ervaren heeft, zelfs nu ze al die bronnen noemt, kan ik deze lifestyle-waarheid niet aannemen als algemeen geldig.
In deze twee essays raak ik wel betrokken bij de ik, en ik denk dat door de stijl komt en het perspectief, door de grotere dosis literaire techniek. Waarmee ik terugkeer bij ‘Feet In Smoke’, een geweldig verhaal over John Jeremiah Sullivans broer die geëlectrocuteerd wordt door zijn microfoon – maar overleeft. De maand in het ziekenhuis is die broer kinderlijk, in de war, maar zichzelf. Mooie anekdotes. Dus Thomas: hier zijn het over eens. Ik zou ook meer introspectie, inzicht, botsing verwachten in een tekst die toch als essay gepresenteerd wordt. Maar ik geloof Sullivan volledig, hij heeft zichzelf tot personage gemaakt, en ik stap met hem door de vierde wand. Daarvan weerhouden Hofstedes bronnen me, of als het echt om het genre gaat, Montaignes anekdotes. Ik duik even in zo’n anekdote, maar daarna is Montaigne met echt kwijt:

‘Maar toen koning Psammenitus van Egypte verslagen was en gevangengezet door koning Cambyses van Perzië, en hij zijn dochter in slavinnenkleren aan hem voorbij zag lopen om water te halen bleef hij, naar verluidt, te midden van zijn huilende en weeklagende vrienden kalm en staarde zwijgend naar de grond; en hij volhardde in die houding toen hij vlak daarna ook nog zijn zoon ter dood gebracht zag worden; maar toen hij zag hoe een van zijn huisgenoten onder de krijgsgevangenen werd meegevoerd, begon hij zich voor het hoofd te slaan onder het uiten van de meest smartelijke kreten.’

Tja. Ik kom pas echt weer boven als Montaigne besluit: ‘Ik ben niet erg ontvankelijk voor zulke heftige emoties. Ik heb van nature een dikke huid, en door mijn verstand te gebruiken maak ik die met de dag stugger en harder.’ In de kanttekening zet ik dan ‘hahaha’, of, met Jans verteller, ‘hihihi’. Ik ken mezelf een beetje, ik ben meer Montaigne dan Hofstede. En nu weet internet dat ook. Die ‘ik’ als personage, zoals bij Sullivan (zonder overwegingen), bij Hofstede (overwoekerd door overwegingen) of Montaigne, die hoort in een essay. Hoeveel conflict, scène, anekdote, memoire en bronnenmateriaal er dan bij moet om een perfect essay te maken – dat is aan de jury van de Jan Hanlo Essayprijs. Inzenden kan weer, tot 16 januari 2017.

Uitgeverij Cossee gaf De herontdekking van het lichaam uit, het werd gisteren gepresenteerd. Hofstedes burn-outstuk is in drie delen (123) bij De Correspondent te lezen. Hier gebruikt is de Hans van Pinxteren-vertaling van Montaigne bij Athenaeum-Polak & Van Gennep, maar dit jubileumessaytje ‘Over boeken’ bij Athenaeum Boekhandel is ook mooi.

Thomas Heerma van Voss: Kenneth Cook, Aangeschoten; Jan Donkers, Elvis ligt op Zorgvlied; Peter Ackroyd, Hitchcock

Een helder verhaal, Daan, dank voor het ingaan op mijn vorige stukje, en in zulke gevallen toch prettiger om enige bijval te krijgen dan op hevig verzet te stuiten – maar voor deze rubriek al te veel op een groepschat begint te lijken, zet ik snel de stap van de essayistiek vandaan. (Al zeg ik nog wel: Bregje Hofstedes boek wil ik nog steeds lezen, wat ik er al van las op De Correspondent vond ik veelbelovend.) En dat terwijl ik Sullivan nog steeds niet helemaal uit heb; ik merkte alleen na 300 bladzijdes verhalende essayistiek (of als essays gepresenteerde non-fictie-verhalen): ik heb mijn portie nu wel even gehad, mijn aandacht ging weer naar fictie.

Maar welke? Al tijden lukt het me niet helemaal te verdwalen in een boek. Door drukte, afleiding of onrust – die drie komen vaak op hetzelfde neer – kan ik me al tijden niet werkelijk toeleggen op een specifiek boek. Ik begon aan Kenneth Cooks Aangeschoten, een recent door Podium heruitgegeven ‘cultklassieker’ (dixit Podium) over een jonge leraar in Australië, die strandt in een klein plaatsje. Veel drank, veel eenzaamheid, veel broeierigheid: een mooie roman, zeker, ik begrijp waarom hij weer opnieuw is uitgegeven, en ik ga beslist ook snel verder lezen, maar toch legde ik hem na enkele tientallen bladzijdes weer weg. Misschien doordat ik het zelf las in desolate hotelkamers en bij vrij eindeloze treinritjes, die twee interfereerden wat te veel, ik verlangde naar iets anders, iets met meer fantasie. Ik begon in de laatste verhalenbundel van Jan Donkers, Elvis ligt op Zorgvlied, ik las met genoegen de eerste twee verhalen, en schoof het daarna toch weer even opzij, omdat ik de biografie van Hitchock kreeg aangereikt van mijn vader, met een aanbeveling erbij. Direct sloeg ik het open, maar na een pagina of tien was mijn aandacht alweer aan het wegebben: zelden las ik zo’n feitelijke, taaie opsomming. Er was geen moment nagedacht over een spanningsboog, over compositie, over variatie in tempo en toon.

Het liet me eens te meer zien hoe makkelijk een intrigerend iemand kan leiden tot een bijzonder saai boek. Ik verlangde weer enigszins terug naar Sullivan, en meer nog: naar een doordachte roman. Volgende week meld ik me met een fictiewerk waar werkelijk over de vorm en opbouw is nagedacht. (En suggesties zijn welkom.)

Cook werd dus uitgegeven door Podium, Donkers door De Harmonie, en Peter Ackroyds Hitchcockbiografie door Querido.

Marjolijn van Heemstra: Marijke Schermer, Noodweer

Noodweer van Marijke Schermer is een compact boek. Honderdnegenvijftig pagina’s en nergens een letter te veel. Ook geen letter te weinig trouwens, het is precies de juiste dosering, iets wat je maar weinig tegenkomt in een boek. Het woord ‘hecht’ kwam tijdens het lezen een aantal keer bij me op. Hechte taal, hechte hoofdstukken. Een stevig vlechtwerk dat gelukkig nergens te hermetisch wordt. Het verhaal: een vrouw verzwijgt voor haar man een gebeurtenis uit het verleden omdat ze bang is dat die anders tussen hen in zal komen te staan. Maar het verleden laat zich niet makkelijk verdringen. Intussen stijgt het water in de rivier voor hun buitendijkse huis en overal schemert onheil. Er komen grote vragen voorbij, over waarheid, autonomie, herinnering.
‘Wat is geluk,’ vraagt de vrouw op een avond aan haar favoriete broer. Het blijkt een meerkeuzevraag. A: een gevoel van eenheid, van evenwicht en de zekerheid dat niets dat evenwicht kan verstoren. B: een gevoel van eenheid, van evenwicht en de zekerheid dat het elk moment aan flarden kan. Of C: iets lichamelijks. Een gevoel van gedachteloosheid.
Zelf kiest ze voor C.
Het filosoferen gebeurt tussen de alledaagse dingen door, nergens al te nadrukkelijk, maar genoeg om je als lezer met een paar mooie dilemma’s achter te laten.
Jammer van de slordigheidsfouten hier en daar in het boek, die waren er bij zorgvuldige nalezing denk ik uitgevist, ze vloeken met het verder zo strakke, zorgvuldige verhaal.
Trouwens, ik ken Marijke, we zitten samen in een boekenclub. Ik mag haar graag en gun haar veel. En hoewel ik ervan overtuigd ben dat ik Noodweer met net zo veel plezier had gelezen als ik haar niet had gekend moet ik toegeven dat ik bevooroordeeld ben. In zekere zin is dit dus gewoon reclame. Reclame voor een goed boek, dat wel.

Noodweer is uitgegeven door Uitgeverij Van Oorschot.

Jan van Mersbergen: Bruce Springsteen, Born to Run

Ik ben een fan dus ik ga niets zeggen over Springsteens muziek of zijn geweldige optredens. Ik luister graag naar zijn muziek, ik ben er graag bij als hij speelt. Ik kreeg zijn autobiografie in handen en wil alleen iets zeggen over de verleden en de tegenwoordige tijd, want zoals ik hier vaker heb aangestipt: perspectief is alles.
Springsteens verhaal speelt in het verleden, deze muzikant kijkt terug op zijn leven. Dus vertelt hij in hoofdstuk 1 over zijn straat, zijn huis, zijn veranda. Allemaal in de verleden tijd. En dan plots lees ik een lang stuk dat in de tegenwoordige tijd geschreven is, dat begint met:

‘In onze voortuin, niet meer dan een meter of wat van onze veranda, staat de grootste boom van de stad, een enorm hoge beuk.’

Die zin trekt me naar het heden toe, en zo gaat het eerste hoofdstuk, dat ‘Mijn straat’ heet, verder.
Een bijzonder goede perspectiefkeuze, want ik lees het nu van Springsteen zoals hij dat toen beleefde.
Toch nog iets over zijn stijl, die lijkt erg op zijn liedjes: complete levensverhalen in een paar regels, soms zwaar aangezet en meestal raak. In deze autobiografie is dat soms wat veel, zoals in de laatste alinea van ‘Mijn straat’:

‘Hier wonen we in de schaduw van de torenspits, waar het heilige rubber het wegdek teistert, waar alles stiekem gezegend is met Gods genade, in het verbazende, razende, rassenrellen veroorzakende, vreemde vogels verdringende, swingende, naar liefde en angst speurende, hartverscheurende stadje Freehold, New Jersey.’

Dat leest op den duur wat vermoeiend als proza, zo’n alinea is een liedje en de liedjes van Sprinsteen hebben een ongekend bereik, in proza vraagt de lezer om iets meer rust.

Springsteens biografie werd uitgegeven door Unieboek Spectrum. Een leesfragment vind je hier (PDF).

Lezen leidt tot schrijven leidt tot lezen. Dus wat leest de redactie van de Revisor? Deze week lazen wij Zadie Smith, R.J. Ellory, Martin Roach & David Nolan en Eva Meijer.

*

Marjolijn van Heemstra: Zadie Smith, White Teeth

Op reis naar Toscane maakte ik de fout die ik elke zomer opnieuw maak. Ik nam boeken mee waar ik eigenlijk geen zin in had, maar die ik van mezelf toch echt eens moest lezen. Al op de eerste dag stond ik voor de boekenkast in de grote zitkamer van het vakantiehuis in de hoop iets beters te vinden dan die saaie stapel in mijn koffer. Tussen de rijen Italiaanse romans stond één Engels exemplaar: White Teeth, van Zadie Smith, wat een mazzel. Twee jaar geleden las ik het prachtige NW en daarna het net zo mooie The Embassy of Cambodia. Maar White Teeth, Smiths debuutroman, is nog beter.

Grappig, droevig, wijs; onvoorstelbaar (onuitstaanbaar!) dat ze pas vijfentwintig was toen dit uitkwam. Het verhaal is ambitieus, religieuze verschillen, generatieconflicten en klassenstrijd, beschreven vanuit tien personages uit drie compleet verschillende families. Het zijn stuk voor stuk vreselijke, of op z’n minst irritante, mensen en toch ga je van iedereen houden omdat Smith ze in al hun lelijkheid zo liefdevol beschrijft en nooit blijft hangen in karikaturen. Het is maatschappijkritisch maar vaak ook regelrechte poëzie. Niks dan lof dus, en een diepe buiging en nu al spijt dat ik het binnenkort zal uitlezen en wegleggen.

White Teeth is onder andere bij Vintage verschenen. De eerste pagina’s zijn na te lezen bij The New York Times, een ander fragment vind je bij Salon. De Nederlandse vertaling van Sophie Brinkman verscheen bij Prometheus. Het boek is nog goed verkrijgbaar in de boekhandel.

Jan van Mersbergen: R.J. Ellory, Een mooie dag om te sterven

Verreweg de meeste thrillers zijn opgebouwd volgens twee vertelprincipes: 1. de opening schetst een gruwelijke scène en in het vervolg blikken we terug hoe dit allemaal zo gekomen is, en 2. de opening schetst een gruwelijke scène in het verleden en in het heden blijkt dit nog aan te houden. Of de stap in de tijd nu terug of vooruit is, meestal zijn de beschrijvingen van de vreselijke zaken die de basis moeten zijn van het boek het minste deel. Oorzaak: gebrek aan afstand.

Zo ook bij Ineke van den Elskamps vertaling van The Anniversary Man, waar in een fors eerste deel verteld wordt wat er jaren geleden gebeurde om vervolgens een sprong te maken naar het nu. John Costello had in 1984 een vriendinnetje. Samen werden ze aangevallen door een man die haar hoofd insloeg met een hamer en Costello ook te lijf wilde gaan, maar hij ontsnapte en overleefde het. De moordenaar werd gevonden en veroordeeld, hij pleegde zelfmoord in zijn cel. Zaak opgelost, verhaaltje uit, zou je zeggen, maar het dikke boek doet iets vermoeden, en inderdaad: het moorden in de geest van deze ‘Hamer van God’ gaat ruim dertig jaar later door.

Het eerste deel is typisch de opening van een thriller: er moet en zal spanning zijn. John had de duivel gezien, meldt de derde regel, en daarna volgen zinnen als:

‘Nadien was John niet meer hetzelfde.’ (pagina 7),
‘Nadien werd alles anders.’ (pagina 10),
‘Hun tijd was geweest, voorbij. Hun tijd was op.’ (pagina 12),
‘Want op het eerste gezicht ziet hij eruit zoals iedereen. Net als de duivel.’ (pagina 14),
‘Als ze dat was gebleven, was ze misschien wakker gebleven.’ (pagina 16),
‘Maar zij was weg. Voorgoed.’ (pagina 17),
‘Iemand zien sterven, iemand van wie je houdt, en die persoon op zo’n verschrikkelijke, onmenselijke manier te zien sterven, is iets wat je niet kunt vergeten.’ (pagina 19),
‘Toen wist John Costello dat Nadia dood was.’ (pagina 20),
‘Dat, zo bleek, zou het werk van iemand anders zijn.’ (pagina 21),
‘De meeste mensen die moorden plegen zien er normaal uit.’ (pagina 21).

Bijna allemaal zinnetjes die een passage afsluiten, dan volgt een witregel, even ademhalen, en dan komt de volgende spannende scène, die mij al na een paar bladzijden niets meer doet omdat de spanningopbouw te geforceerd is, de herhalingen talrijk en overbodig, en de beschrijvingen opgefokt.

Een ander voorbeeld van herhalingen die storend zijn:

Over het meisje dat vermoord wordt zegt R.J. Ellory op pagina 8: ‘Ze heette Nadia, en dat was Russisch voor ‘hoop’.’
Twee bladzijden verder zegt Nadia zelf: ‘Ik heet Nadia. Dat is Russisch voor “hoop”.’
Op pagina 13 meldt Ellory: ‘Nadia. Russisch voor ‘hoop’.
Op pagina 17 sluit hij een passage af met: ‘Net als Nadia, wat Russisch was voor ‘hoop’.

Nadia leeft inmiddels niet meer en met haar naam vervliegt de hoop en ook vervliegt de hoop voor dit eerste deel van Een mooie dag om te sterven.

Sleutel is, zoals altijd, het perspectief. Dat vraagt om afstand. Ellory wil beschrijven hoe slecht het slachtoffer, overlevende van een bijna-dubbele moord, eraan toe is. Het slachtoffer heeft echter geen afstand tot de materie en als een verteller daarop focust (daarop in blijft hameren) is de spanning binnen drie alinea’s verdwenen, dan interesseert de lezer zich niet meer voor zijn toestand.

Het Algemeen Dagblad prijst dit boek met: ‘Een mooie dag om te sterven verdient een plekje naast Thomas Harris’ De schreeuw van het lam.’ Opvallend, want juist in Silence of the Lambs worden de gruwelijkheden heel minimaal beschreven, is de spanning nergens opgeklopt en wordt de suggestie benut omdat de hoofdpersoon – jonge onzekere agente – afstand heeft tot de bizarre huidverzamelaar die een meisje vasthoudt en de gevangen kannibaal die de zaak aan het rollen kan brengen.

In 2006 is Costello journalist en weer wordt er iemand met een hamer bewerkt en wordt er gemoord. Deze hoofdstukken zijn afstandelijker en daardoor subtieler geschreven, met de nadruk op de agenten die de zaak onderzoeken en deels op John Costello die een vreemde dwangneurose heeft overgehouden aan zijn verleden maar die nu toch meer een gewoon karakter is, met handelingen, een persoonlijkheid, een leven. Hij is niet enkel slachtoffer. De eenvoudige beschrijvingen staan in dit vervolg niet bol van de spanning maar roepen dubbel zoveel spanning op.

Een mooie dag om te sterven begint eigenlijk pas op pagina 48.

Een mooie dag om te sterven is uitgegeven door De Fontein en is bij elke boekhandel te verkrijgen.

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, Het vogelhuis

Het boek dat uit is, is Grasses and Trees, van A.L. Snijders en Lydia Davis in de rol van bloemlezer en vertaler. Ik ga er elders een recensie aan wijden, daar moet ik nog wat over nadenken, in ieder geval wil ik schrijven over de vraag of een vertaling als ‘He had taken eggs for his money’ (te vinden bij Shakespeare, maar inmiddels toch echt een batavism) de Engelse Snijders houteriger maakt, of Davis zich daar niet te veel als auteur opstelt, hoe het werk van de oud-politieschooldocent en de Flaubert-vertaalster op elkaar lijkt, en waar we Snijders, na lezing van deze bloemlezing, feitelijk een best of, nu eigenlijk moeten plaatsen in het Nederlandse landschap.

Behalve, natuurlijk, tussen bomen, buizerds en boeken. Ik wil hier schrijven over het boek dat halverwege is, Eva Meijers Het vogelhuis. In haar vorige roman, Dagpauwoog, radicaliseerde een dierenliefhebber tot terrorist, in dit boek lijkt ze het rustiger aan te doen. Het vogelhuis is een onderzoek in romanvorm naar de achtergronden en drijfveren van Len Howard (1894-1973), die twee internationale bestsellers schreef aan de hand van observaties van de mezen en mussen in en rond haar huis. Het is een kalm boek, dat na een Proloog in 1965 langzaam een leven opbouwt vanaf 1900, doorsneden met mezenobservaties. Een jonge vrouw uit een gefortuneerd, cultureel geïnteresseerd gezin wil verder met haar vioolspel, vertrekt daarvoor naar Londen, maar kiest uiteindelijk voor haar andere interesse: de taal en het gedrag van vogels. Ik begin steeds meer sympathie voor haar te voelen, alhoewel ze op afstand blijft, haar passies en ergernissen zijn bepaald niet beeldvullend. Maar wat ze ziet bij mensen is minstens zo scherp als bij vogels. 1911, een soirée bij de familie thuis: ‘Binnen is het warm en druk, lijven die te weinig ruimte overlaten, woorden die anderen niet of nauwelijks bereiken. Woorden die gewoontes uitdrukken, verder weinig betekenen.’ Later dat jaar, net zo’n soirée: ‘Om ons heen praten mensen met elkaar terwijl ze over de schouder van hun gesprekspartner uitkijken naar betere mensen om mee te praten — de gesprekken gaan over buren, affaires, over wat buiten de lijnen valt, nooit over wat de lijnen ter discussie stelt.’

Treffende beelden, misschien nog treffender voor de solitaire Len dan voor de mensen om haar heen. Kalme beelden ook, niet wereldschokkend. Niet als de bompakketjes in Dagpauwoog, en toch met liefde en zorg geschreven: een mooie roman. [Update: er zit nog wel een aanslag in, het bloed kruipt…, maar ook na uitlezen blijft mijn conclusie staan. Fascinerende hoofdpersoon, mooie, kalme roman.]

Stoffelsens recensie van Grasses and Trees is nog niet afmaar op Athenaeum.nl staan al wel drie ZKV’s eruit – met vertaling. Het vogelhuis is zojuist verschenen bij Cossee.

Thomas Heerma van Voss: Martin Roach & David Nolan, Damon Albarn. Blur, Gorillaz and other Fables

Een van de meest meest originele, overtuigende muzikanten van de afgelopen decennia: de Britse zanger (en keyboardspeler) Damon Albarn. Ooit voorman van de Britpop-band Blur, daarna soloartiest, bedenker van Gorillaz, maker van een opera en nog lid van allerlei samenwerkingsgroepen – een intrigerende carriere, vooral omdat hij steeds een stap bij de publieke verwachtingen vandaan doet, zonder al te krampachtig op zoek te gaan naar hoorbare muzikanten. Een voorbeeld, in deze biografie teleurstellend summier behandeld: toen Blur nog steeds actief was en Gorillaz wereldwijd was doorgebroken, trok hij naar Mali om daar met een stel locale muzikanten het werkelijk fantastische Mali Music te maken.

Tot zover de opsomming van zijn leven, want deze biografie laat nu juist zien hoe saai dat kan werken. Hoe een intrigerende muzikant en een niet oninteressant levensverhaal toch een vrij saai boek kunnen opleveren: Roach en Nolan lepelen chronologisch de feiten uit Albarns leven op – tot 2007 nota bene, het is ook allemaal alweer flink achterhaald – en voegen daar geen groter verhaal aan toe, geen originele gedachte. Het sterkt me in de gedachte: wanneer ik over muziek schrijf, moet ik niet zulke allesomvattende stukken proberen te schrijven, en het een slag persoonlijker proberen te maken. Toch blijf ik doorlezen, meer ter voorbereiding voor het stuk dat ik eens aan Albarn wil wijden dan omdat deze biografie zo verfrissend is. Al met al meer een luister- dan een leesdavies, eigenlijk. Wie Albarn niet kent, sla dit  boek gerust over, en toets zijn naam eens in op YouTube.

De biografie van Damon Albarn is verschenen bij Music Press.

Lezen leidt tot schrijven leidt tot lezen. Dus wat leest de redactie van de Revisor? Deze week lazen wij Heinrich Böll, Yvonne Scholten, Maggie Nelson en Gilles van der Loo.

Jan van Mersbergen: Heinrich Böll, Eng is de poort

Bij Nobelprijswinnaars verwacht je grootse zinnen, meeslepende verhalen, ware literatuur. Böll laat zien dat een klein verhaal met kleine karakters en met eenvoudige zinnen voldoende kan zijn. Hij begint hoofdstuk 8 met: ‘De cake was goed gelukt.’ Een prima zin. Handeling en sfeer zijn duidelijk, en iedere lezer weet meteen dat we gaan inzoomen op het leven van deze vertelster, die naast haar man opereert die ook verteller is. De vertaling is van 1968 en het Nederlands past in die tijd. Vandaar ook de Bijbelse vertaaltitel. De oorspronkelijke titel is Und sagte kein einziges Wort. Dat is sterker, beeldender en heeft meer spanning. De man en de vrouw zijn getrouwd maar leven apart van elkaar in het na-oorlogse Duitsland dat veel problemen kent, die allemaal aan de orde komen in een huiselijke sfeer: hoe deze twee wonen, werken, leven. Dat maakt deze roman klein en tegelijk universeel, want het is heel moeilijk je voor te stellen hoe het leven in die tijd en in dat land was, maar als je dit leest blijkt het leven van toen niet zo veel te verschillen van het leven nu, en dat is de kracht die Böll vanuit zijn proza spreken.

Eng is de poort is uitgegeven bij achtereenvolgens Allert de Lange, Contact en Bert Bakker. Bij Boekwinkeltjes.nl zijn verschillende edities te vinden.

Marjolijn van Heemstra: Yvonne Scholten, Fanny Schoonheyt. Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse burgeroorlog

Het wordt mij nooit helemaal duidelijk volgens welk principe boeken worden uitgestald op de lage tafels in de hal van de OBA. Een allegaartje van nieuwe en oude dingen, fictie en non-fictie, jeugd- en volwassen literatuur. Nu lag daar plotseling Fanny Schoonheyt tussen, een boek uit 2011, dat mijn aandacht trok vanwege de lange ondertitel: Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse burgeroorlog. Sinds ik George Orwells prachtige Hommage to Catalonia las, ben ik gefascineerd door die idiote oorlog, dus nam ik Fanny Schoonheyt mee.

In het boek onderzoekt journaliste Yvonne Scholten de vergeten geschiedenis van een Rotterdams meisje dat het aan het Spaanse front schopte tot ‘koningin van de mitrailleur’. Het is voorlopig (ik ben nu op tweederde) journalistiek in de strikte zin: veel feiten en weinig persoonlijke bespiegelingen van de schrijfster. Dat laatste had ik graag iets meer gezien, maar het is al met al fijn om te lezen, helder van taal en structuur. Fanny zelf blijft voorlopig nog een mysterie, maar zoals wel vaker in zo’n zoektocht is het de ‘bijvangst’ die het interessantst is. Verhalen van mensen die haar gekend hebben en terugblikken op die tijd; het residu van brieven, artikelen, foto’s en anekdotes dat de schrijfster rondom deze geschiedenis ophaalt.

Fanny Schoonheyt verscheen bij uitgeverij Meulenhoff en is, zeer lovenswaardig bij zo’n relatief oud boek, nog steeds te koop. Er staat een fragment (PDF) uit op hun site.

Daan Stoffelsen: Maggie Nelson, The Argonauts

Nog een stuk over bevallingen? Na alles wat ik voor de Revisor er al over schreef stuitte ik op de indrukwekkende novelle van Pamela Ehrens, Eleven Hours (die elf uur is dan de duur van een bevalling, in dit geval, inclusief de botsing tussen claimcultuur, medicalisering, traditional birth assistance, geboorteplannen – en eenzaamheid, natuurlijk eenzaamheid), en bedacht ik me dat er nog meer over te schrijven viel, persoonlijker, maatschappelijker én over literatuur. En toen vertelde collega Marjolijn aan Trouw dat ze Maggie Nelsons The Argonauts ging lezen, juist omdat het ook over zwangerschap en bevalling gaat. Ik hoorde het gonzen rond dit boek, schrijvers van ‘onze’ generatie (Nina PolakNiña Weijers, Miriam Rasch) hebben het gelezen.

Marjolijn nog niet, en ik begon met aarzeling. Nelson spreekt vanuit een achtergrond – de homoseksuele/LTGB-gemeenschap – en met achtergrondkennis – feministische en genderstudies, filosofie, cultuurwetenschap – die ver van me af staat. Het gaat over Judith Butler, over heteronormativiteit, over de worsteling met de seksuele identiteit en oriëntatie van de genderfluïde vader van haar kind. Bent u daar nog? Ik weet niet of ik het half begrijp. Maar het gaat ook over de liefde, en als Nelson citeert, dan citeert ze raak:

‘Barthes describes how the subject who utters the phrase “I love you” is like “the Argonaut renewing his ship during its voyage without changing its name.” Just as the Argo’s parts may be replaced over time but the boat is still called the Argo, whenever the lover utters the phrase “I love you,” its meaning must be renewed by each use, as “the very task of love and of language is to give to one and the same phrase inflections which will be forever new.” I thought the passage was romantic. You read it as a possible retraction. In retrospect, I guess it was both.’

De metafoor van de Argo blijft ijzersterk, ook in deze variant, juist in deze variant, juist ook met deze twijfel.

En ze schrijft dit: ‘Is there something inherently queer about pregnancy itself, insofar as it profoundly alters one’s “normal” state, and occassions a radical intimacy with – and radical alienation from – one’s body? How can an experience so profoundly strange and wild and transformative also symbolize or enact the ultimate conformity?’ Dat zijn interessante en belangrijke vragen. Ze stelt ze continu: wat is identiteit, hoe ben je jezelf, met wie, lichamelijk en geestelijk? Volgens mijn e-reader heb ik nog 10% te gaan – en de bevallingsscène moet nog komen. Dat essay komt er.

The Argonauts verscheen bij Melville House. Er verschijnt een Nederlandse vertaling bij Atlas Contact, komende maand, door Nicolette Hoekmeijer. Lees hier en hier fragmenten uit de Engelse editie. Pamela Ehrens’ boek verscheen bij Tin House Books, hier een fragment, en hier een essay over waarom er niet over bevallingen wordt geschreven. (Onzin, heb ik al wel eens betoogd, maar goed, een heel boek lang, dat doet niemand haar na.)

Thomas Heerma van Voss: Gilles van der Loo, Het jasje van Luis Martín

Een Nederlandse roman waar ik al een poos naar uitkijk is de nieuwe Gilles van der Loo, Het jasje van Luis Martín. Volgens mij verschijnt de roman pas volgende maand, misschien nog later, maar ik heb het voorrecht als (late) meelezer te fungeren. Eerder verschenen van Van der Loo’s hand de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind, die ik beide met veel genoegen las; ik houd van Van der Loo’s scherpe observaties, zijn kalme toon, de sprekende scènes – en blijkbaar had ik dat waarderende oordeel ooit laten blijken, en dacht Van der Loo ook nog dat ik (als buitenstaander) iets zinnigs te zeggen zou hebben over zijn nieuwe werk, want hij vroeg me tot mijn verbazing dus of ik wilde meelezen.
Ik ben nu op drie kwart van Het jasje van Luis Martín en wat me bevalt is de afwisseling. Van tempo, van toon, van tijd, zelfs van perspectief. De hoofdlijn in de tegenwoordige tijd: Issa heeft een kind dat amper slaapt, die slaapproblemen drijven zijn ouders ook tot waanzin, maar dan begint Issa te vertellen over de titelheld, Luis Martín. Intussen duikt Luis Martín ook veelvuldig op in de gedachten van Issa, en schrijft hij deels onbewust zelfs over hem – niet de enige suggestie dat dit om een autobiografisch boek gaat, maar dat terzijde. Het heeft, zo wordt algauw duidelijk, alles te maken met het verleden: Issa heeft deze Luis Martín nooit ontmoet, maar kent hem via zijn inmiddels overleden beste vriend, Gijs.
Verhaallijn 2, de verleden tijd: in Amsterdam ontwikkelde zich, rond het jaar 2000, een hechte vriendschap tussen Issa en deze wat ondoorgrondelijke (maar innemende) Gijs, die dan nog bruist van het leven, en vanzelfsprekend niet eens vermoedt dat hij op een dag uit het niets zal overlijden. Prachtige scènes zitten daar tussen, waarin hun werk in de Amsterdamse horeca met veel gevoel voor geur en smaak wordt beschreven. Nooit eerder waande ik me bij het lezen zozeer in Amsterdamse cafés, in De Pels, in Zeppos, noem het maar op. Knap gedaan, en de afwisseling tussen de tijden werkt sowieso goed – want naast de twee net genoemde verhaallijnen zin er ook nog losse hoofdstukken over die Luis Martín in de roman. Van die verhaallijn raken de scènes me het minste, maar ik sluit niet uit dat in het laatste gedeelte van deze strakke en met een aangename vaart vertelde roman het geheel en alle onderlinge verbanden nog duidelijk worden.

Volgens de laatste informatie verschijnt Het jasje van Luis Martin 1 november, bij Van Oorschot. Reserveren kan daar.