Lieke Marsman, Arjen van Veelen, Marjolijn van Heemstra, Tom Lanoye. De redactie las een knappe, geëngageerde collageroman, een essayistisch monument voor een overleden vriend, columns over jong ouderschap – en een toneelstuk over het Europa van nu.

*

Jan van Mersbergen: Tzum over recensie-exemplaren

Niet voor deze rubriek, wel zinnig: Van Mersbergen over exemplaren, zeuren en zonen op zijn blog.

Thomas Heerma van Voss: Lieke Marsman, Het tegenovergestelde van een mens

Omdat ik morgen samen met Lieke Marsman te gast ben bij het Brainwash Festival, herlas ik Het tegenovergestelde van een mens. Een roman waarover de afgelopen maanden al veel is geschreven, vrijwel steeds op bewonderende toon. Ik heb aan die lof niet veel toe te voegen.

Marsman schrijft inderdaad bijzonder prettig en scherp, en dit is inderdaad een roman zoals die nog niet voorkwam (in Nederland?), in elk geval ken ik niets wat erop lijkt. Een collage van gedichten, columns, essays, verhaalflarden, allemaal niet expliciet verweven maar – en dat is het knappe – gevoelsmatig (en soms ook inhoudelijk) horen ze toch bij elkaar. En bij het centrale thema: klimaatverandering.

Dat is knap gedaan. Zelf zou ik in een roman altijd meer kiezen voor psychologische, zeg gerust gebaande paden, voor een duidelijker verhaal en een explicietere nadruk op het hoofdpersonage, op kleine handelingen en gedachtes, op gewoonweg scènes, miste ik bij tijd en wijle ook in Het tegenovergestelde van een mens ook. Maar bij dat gemis stelde ik me steeds voor dat Marsman er om zou gniffelen, dat ze zou zeggen: daar gáát het natuurlijk niet om in dit boek, denk eens niet zo voorspelbaar. (Wat ook weer zou raken aan het thema van het boek, het starre handelen en vastgeroeste denken dat er bestaat rondom klimaatverandering.)

Op bladzijde 23 denkt Marsmans hoofdpersonage: ‘Ik schipper tussen enerzijds het verlangen een actievere bijdrage aan de maatschappij te leveren, anderzijds het verlangen die maatschappij volledig buiten te kunnen sluiten. Als gevolg sluit ik dagelijks een compromis met mezelf door vooral veel over de maatschappij te lezen. In mijn eentje achter mijn bureau struin ik website na website af, kijk documentaire na documentaire op YouTube, bezoek het ene na het andere WikiLeaksforum en deel plaatjes van het op rauwe kipfilet lijkende hoofd van Donald Trump met mijn Facebook-volgers.’ Een mooi citaat. Ook zette ik een streepje bij: ‘Mijn apathie is een gevolg van hoe de generatie van mijn ouders de wereld achterlaat, mijn cynisme een uiting van verslagenheid […].’ Wederom: interessant, en een goede weergave van de essayistische toon bovendien, maar waarom het zulke zinnen me nu extra opvielen, waarom mijn nadruk er naar uit ging, was toch dat Brainwash-programmaatje, dat draait om engagement van een hedendaagse schrijver.

De aanleiding: de door Auke Hulst samengestelde bundel Als dit zo doorgaat, die een halfjaar geleden verscheen en waarover Daan in deze rubriek eerder schreef. Marsman en ik schreven beiden een bijdrage voor de bundel. Ook Hulst is morgen te gast, ik meen uit de Brainwash-site op te maken dat hij het interview leidt. Wat ik zeker weet is dat hij uit sociale betrokkenheid, uit het gevoel dat dit zo niet langer door kon gaan terwijl hij roerloos toekeek, begon met Als dit zo doorgaat – direct aangewakkerd door de actualiteit en verantwoordelijkheidsgevoel, dus.

Op de site van Brainwash lees ik: ‘Wat als dit zo doorgaat? In welke situatie kunnen we belanden als de abnormaliteit van het Trumpisme normaliseert en de verrechtsing van Europa doorzet? Durven we stil te staan bij de vraag: welke wereld zijn we aan het maken? […] Thomas Heerma van Voss, Auke Hulst en Lieke Marsman bespreken de vraag of er voor ons als mens een verplichting bestaat tot engagement.’ Gewoonlijk begin ik bij het woord verplichting al meteen mijn hoofd te schudden. En denk ik over publieke optredens: ik weet wel wat ik wil zeggen, wat ik vind. Maar nog eens bladerend door en lezend in Het tegenovergestelde van een mens betwijfel ik of ik weg kom met die houding, en vooral of ik er goed aan doe.

AtlasContact gaf Het tegenovergestelde van een mens uit. Daan Stoffelsen besprak het boek al voor Athenaeum.nl.

Daan Stoffelsen: Arjen van Veelen, Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken, Marjolijn van Heemstra, Het groeit! Het leeft!, Tom Lanoye, Fort Europa

Vier jaar geleden overleed Thomas Blondeau (1978-2013). Ik heb niets van hem gelezen, en dat is toeval. Want zijn gepubliceerde oeuvre liep samen met de oprichting van Recensieweb.nl, hij is zo’n schrijver die ik had kunnen volgen, zoals Christiaan Weijts en Marente de Moor en Gustaaf Peek en Wytske Versteeg en Annelies Verbeke en Arjen van Veelen. Van Veelen ken ik persoonlijk, hij schreef wel eens voor Athenaeum, hij publiceerde na het winnen van de Hanlo Essayprijs Klein twee essaybundels (met de tweede won hij de Hanloprijs Groot). Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken is zijn eerste roman. Thomas Blondeau speelt er een belangrijke rol in. Van Veelen en Blondeau waren bevriend, en de plotselinge dood van een collegaschrijver, Tomas, werpt een schaduw over het leven van de ik in deze roman.

Dat is geslaagd. Af en toe, ik denk dat ik dat vooral in het begin opmerkte, zit er zo’n wijsneuzigheid in die te weinig bij debutanten weggeredigeerd worden, zoals: ‘Een beker vol gif genaamd suiker.’ Lelijk en pedant. En deze wijsheid? ‘Maar je moet degene die je vroeger was niet steeds verwijten maken; die persoon had zo zijn redenen. Melancholie is laffe levenskunst en spijt is zo gratuit.’ Toch wel waar en goed gezegd. Maar de opzet is intrigerend, oorspronkelijk en aangenaam. De roman beweegt zich (in chronologische volgorde) van Leiden naar Amsterdam naar Roesbrugge naar St. Louis naar Alexandrië (maar er wordt heen-en-weer gereisd, en zeker heen-en-weer-herinnerd). Tomas is dood, en de ik gaat naar Alexandrië om zijn boeken in de Bibliotheek van Alexandrië te zetten, of om de tombe van Alexander de Grote te vinden, over wie hij een ‘geautoriseerde’ biografie schrijft. Het is een deprimerende vakantie. Niets dan stof en jetlag en hitte en desilussie.

‘Het was cafépraat geweest, de hele vriendschap: cafépraat. In een café zitten drinken – daar heb ik hem toch niet voor nodig, dat kan ik ook zelf. En er waren avonden dat we sowieso nauwelijks iets tegen elkaar zeiden – zwijgen, dat kan ik ook best alleen.
En toch, ik herinner me juist die avonden als de mooiste. En ik mis ze het meest. Wat is dan het verschil tussen samen zwijgen en in je eentje zwijgen? Als ik dat wist, weet ik het gewicht van onze vriendschap, ongeveer zoals je het gewicht van de ziel kunt bepalen door een lichaam te wegen voor en na de laatste ademtocht. Dit balkon is een goede plek voor experimenten: er is hier niets, alleen de herrie van de auto’s.’

Maar de herinneringen aan deze Tomas, een larger-than-lifefiguur, de Sebaldiaanse fotografie, en de steeds nadrukkelijker in beeld verschijnende obelisken over de gehele wereld, maken dat goed. Van Veelen meandert, hij bouwt een monument – obeliskvormig zo u wil – voor zijn overleden vriend door te omzwerven. Het is niet mierzoet, want er zijn ook IS-filmpjes. Het is niet doodernstig, want er is een variant op ‘Clicks naar Hitler’ (volgende week zal ik een boek van Joost de Vries lezen, beloofd) en een obsessie met het spelletje Snake. Bovenal: de zinnen kloppen.

En er is meer dan rouw, er is ontwikkeling. Behalve dat de obelisken zich oprichten uit de herinneringen aan Tomas, zien we dat de ik uit de schaduw van zijn vriend gegroeid is. Die was hem altijd voor in de waardering voor grote schrijvers (Pessoa? ‘Dat was toen. Nu lees ik Majakovski. Heb je die nu al gelezen? Die man verbrijzelt het verleden.’), maar de ik houdt toch vast aan zijn voorkeur voor Kaváfis. Het voelt als een beweging naar gelijkwaardigheid die bij leven niet vervuld is (terwijl Tomas de ik en zijn vrouw getrouwd heeft, de vriendschap is wel degelijk volwassen geworden, maar dat blijkt weinig uit de anekdotes), maar in de roman postuum wel een afronding krijgt.

Mooi boek. Als tegenwicht bij de dood las ik ook Marjolijn van Heemstra’s Het groeit! Het leeft!. Ze was vorig jaar een van de aanjagers van deze rubriek, en moest vanwege haar tweede zwangerschap haar interimredacteurschap staken. Daar ligt ook de natuurlijke begrenzing van deze bundel columns. Columns? Ja, columns. Van Heemstra kan dat: de combinatie van een scherpe blik voor het ongerijmde of juist terugkerende, gecombineerd met ambachtelijk meesterschap waarin ze uitzoomt, wendingen neemt, kleur geeft aan scènes.

Zo’n observatie: ‘Iemand zei me ooit dat er twee dingen zijn die maken dat mensen oeverloos tegen je gaan praten: een vouwfiets en een baby. Een vouwfiets heb ik niet maar dat van die baby kan ik beamen.’ En dan doorpakken, met een mooie hyperbool (‘Er lopen zeker honderd wildvreemde Amsterdammers rond die heel precies weten hoe mijn bevalling is verlopen. Het werkt louterend, al dat geklets.’), het enthousiasme dat in ergernis omslaat, en tenslotte weer dat gaan missen, zodat ze in plaats van alleen baantjes te trekken in het pierenbad stapt om te bekennen dat ze net een kind heeft.

Interessant, relevant, alleen niet allemaal achter elkaar lezen. Maar wel bijvoorbeeld 30 oktober naar de Amstelkerk te Amsterdam gaan om erover door te praten. Met onder anderen Lynn Berger en een vroedvrouw die ook filosoof is. Ik kan niet. Doet u Marjolijn de groeten van mij?

Ten slotte las ik, in voorbereiding op de avond met Tom Lanoye zijn Fort Europa. Theater uit 2005 dat grotendeels zijn actualiteit behouden heeft. De stemmen van Europa – een chassidische jood, een kapitalist, een stamcelbiologe, drie bejaarde hoeren – bepleiten hun zaak, zonder het blad voor de mond te nemen en stellen vast: op het oude continent is daar geen plek meer voor. Geestig en wrang. Uit de vele citeerbare passages:

‘Russen zijn eeuwige kinderen, zwakzinnigen – waarom denk je dat er zoveel Mongolen wonen?

En Tolstoj dan? Tsjechov? Dostojevski?

Schrijvers heb je overal. Schrijvers zijn genetische accidenten. Zeker in Rusland. De lezers, daar gaat het om. Driekwart analfabeten, dat zegt genoeg. Om dat te veranderen was er een despoot nodig als Stalin, en miljoenen deporteerde doden in de diepvries van Siberië. Dat was er nodig, om van driekwart analfabeten naar de helft analfabeten te gaan.’

Uitgeverij Cossee gaf Het groeit! Het leeft uit. En De Bezige Bij gaf Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Fort Europa (Prometheus) is niet meer te krijgen, een enkel exemplaar nog via Boekwinkeltjes.nl.

Dennis Lehane, Jonathan Littell, Marjolein van Heemstra: de redactie las een psychologisch uiterst overtuigende thriller, een zo sterke Tweede Wereldoorlogroman je niet alleen anders over de oorlog bent gaan denken maar ook een andere lezer bent geworden, en een soepele zwangerschap-en-zoektochtroman met een pamflettistisch inslag en ook een Tweede Wereldoorlog-lijn.

*

Thomas Heerma van Voss: Dennis Lehane, Shutter Island

Aangespoord door wat Jan van Mersbergen een tijdje geleden op deze plaats schreef, door mijn eerdere gunstige ervaringen met het werk van Dennis Lehane en met mijn bewondering voor de Scorsese-verfilming, besloot ik het boek Shutter Island te bestellen. De Nederlandse uitgave welteverstaan, genaamd Gesloten kamer. (Een minder goede titel dan het origineel, al is het natuurlijk goed dat ze er niet Shutter Eiland van hebben gemaakt.) De taal van Lehane is met geen mogelijkheid complex te noemen, ik had het werk ook in de originele versie kunnen lezen, maar ik neig meestal naar vertalingen: omdat ik dan pas het idee heb dat ik iemands schrijven helemaal kan beoordelen, dat ik kleine nuances of toonveranderingen opmerk, dat ik makkelijker op sleeptouw kan worden genomen door het verhaal.

Zeker in dat laatste aspect ligt Lehanes kracht: moeiteloos trekt hij je als lezer zijn schrijven in. In verband met Mystic River schreef Jan van Mersbergen: ‘Lehane neemt een tussenpositie in. Hij zet in op spanning maar maakt ook volwaardige karakters en schrijft beter dan heel veel literaire romanschrijvers: duidelijk, puntig, krachtig.’ Die woorden had hij ook zo kunnen gebruiken voor Shutter Island. Dit is in eerste plaats een spannend boek, met een typische whodunnit-vraag als leidraad en aanleiding voor het verhaal: er is een meisje verdwenen op het Shutter Island, een psychiatrisch patiënte – hoe kan dat, waar is ze? Er worden twee agenten op de zaak gezet, waaronder hoofdpersonage Teddy Daniels. Die begint keurig met zijn onderzoek, hij ondervraagt betrokkenen, hij bezoekt de ruimte waarin ze voor het laatst gezien werd, enzovoorts. Spannend, weliswaar niet op een bloederige manier en zonder achtervolgingen of vechtpartijen, maar spannend is het zeker – zelfs als je (zoals ik, door die Scorsese-film) al weet dat de aandacht gedurende de thriller meer en meer verschuift naar Teddy’s karakter.

Want daarin komt Lehanes talent echt tot uiting: hoe hij ons mee kan laten gaan in zijn verwrongen hoofdpersonage. Hoe hij dat hoofdpersonage, in vaak bijzonder terloopse bijzinnetjes en uitgesponnen scènes (inclusief knappe dialogen), meer en meer uitdiept: zijn obsessieve liefde voor zijn overleden vrouw, zijn opspelende herinneringen aan zijn kinderen, zijn oorlogsverleden. Dat doet hij beeldend, gedoseerd en bijzonder overtuigend. En aan de hand daarvan slaagt hij erin Teddy’s psyche op een volstrekt geloofwaardige manier steeds meer te laten overlopen in algehele paranoia, wanhoop en angst. Gaat het dan nog om die verdwijingszaak? Gaat het om hemzelf? Of gaat het hier om die psychiatrische inrichting op Shutter Island? Bijzonder knap gedaan. Toen ik samen met mijn broer twee jaar geleden de thriller Ultimatum uitbracht, werd me weleens gevraagd welke thrillers ik nou bijzonder goed vind. Ik gaf vaak verschillende antwoorden (Grisham, Connelly), vooral omdat ik het niet precies wist. Mocht die vraag me nu weer gesteld worden, noem ik Shutter Island.

Gesloten kamer werd door The House of Books uitgegeven, maar is niet meer nieuw te krijgen. Wel bij Boekwinkeltjes.

Jan van Mersbergen: Jonathan Littell, De welwillenden

Bijna duizend minutieus volgeschreven pagina’s, bij schatting minstens 400.000 woorden, volgens de Washington Post zelfs een half miljoen, telt De welwillenden (vertaling Janneke van der Meulen en Jeanne Holierhoek). Geweldig vol boek dat je soms doen snakken naar een inspring of witregel, naar lucht, naar adem. Zelfs de dialogen zijn achter elkaar door gepend. Zelfs de dialogen zijn achter elkaar door gepend. Een oorlogsboek, gedetailleerd, hard en compleet realistisch. De opening is een indrukwekkende monoloog achteraf. Duiding. Daarna volgt de weg daar naartoe die vooral duidelijk maakt dat nazi-Duitsland niet bestond uit gruwelijke engerds maar uit mensen die politiek bedreven en in politiek geloofden, misschien meer dan in onze huidige tijd. Om hoger op te komen bijvoorbeeld. Max Aue werd in 1934 lid van de SS in Kiel omdat hij weinig geld had en als lid hoefde je geen collegegeld te betalen. Eenvoudig menselijk argument. Het gedachtegoed van de nazi’s werd uiteengezet in colleges, Europa werd in kaart gebracht aan de hand van wat Engeland, Frankrijk en Oekraïne dachten: hoe staan ze er daar voor? Hoe denken ze daar over de joden? Wat zijn onze aanknopingspunten? Hoofdpersoon Aue krijgt de opdracht in Frankrijk te peilen hoe ze er daar voorstaan, hij doet verslag maar dat verhaal ligt niet in de lijn van de partij en hij wordt eerst op een zijspoor gezet. Een vriend dringt wel door naar de top van de partij omdat hij wel het gewenste gedachtegoed volgt. Dat is typisch: binnen een stroming wel de ruimte geven andere landen te onderzoeken maar geen gehoor geven aan een geluid buiten je eigen denken. Die nuance brengt Littell heel duidelijk naar voren. Ook de overwegingen achter de grote vraagstukken worden heel helder gesteld. Het ‘jodenprobleem’ moet opgelost, want problemen worden niet alleen gemaakt, ook opgelost. Bij de inval van Polen kreeg Duitsland niet alleen er een grote lap grond bij die het groot-Duitse rijk wat dichterbij bracht, ook kreeg Duitsland er drie miljoen joden bij, en dus werd het jodenprobleem groter. Ook daar moest dus weer een oplossing voor komen. Joden wordt trouwens consequent met kleine letter geschreven. En die oplossing is piekeren. De gaskamers zijn er nog niet, een heel slim begin van Littells verhaal. Er worden joden omgebracht, neergeschoten. Dat is arbeidsintensief. Alleen de mannen neerschieten zodat er geen nageslacht zal komen is een oplossing, maar degene die nog leven laten verhongeren is weer barbaars, dat doen alleen bolsjewieken. Als iemand voorzichtig voorstelt dat het anders kan houdt iedereen zijn adem in. Het duurt een hele tijd voor ze daar uit zijn. Ook homoseksualiteit wordt door Max Aue ingekaderd en verantwoord, hij haalt er Plato en de oude Grieken bij, biologie, probeert oorlog te linken met mannenliefde en nationaal-socialisme, zoekt juist de tegenstelling met het jodendom en andere geloven, zeker het katholicisme, om uiteindelijk de paginalange passage over een jonge soldaat die hij in Charkow lief had af te sluiten met: ‘Het jaar daarop is hij trouwens gesneuveld, in Koersk.’ Het verschil tussen het fascisme van Italië en het Duitse nationaal-socialisme wordt heel duidelijk aangegeven; het fascisme is totalitair omdat de macht bij een enkeling komt te liggen en de enkeling binnen het volk heeft juist geen waarde, het nationaal-socialisme is ‘principieel gebaseerd op de reële, onbetwistbare waarde van het individuele leven én van het leven van het Volk in zijn geheel’. WOII was geen blinde inval, het was een volledig doordacht politiek spel dat zo herkenbaar is dat het werkelijk eng is. En actueel. Al snel vertelt Aue over de rapporten die hij moet schrijven als V-man, over ‘wat er zoal gezegd werd, over geruchten, grappen’. Die informatie werd verspreid en gedeeld voor verschillende instanties binnen de nationaal-socialistische partij: de gevoelens van het volk. De Duitse veiligheidsdienst bespioneert hun mensen niet en of die mensen de Partij bespotten maakt niet, uit, zeggen ze, ze zijn vooral geïnteresseerd in de stemming onder het Volk. In onze tijd, ruim tachtig jaar later, stemt de politiek zich ook af op de gevoelens van het volk maar op een veel vanzelfsprekender manier met angst als basis. Dat gevoel stuitert het internet over, daar zijn geen rapporten voor nodig. In nazi-Duitsland was het idee volkomen uitgewerkt, hoe beroerd dat idee ook was. Tegenwoordig blijft de meest extreme rechtse ideologie vaag, reactionair en ondoordacht. Die gedetailleerde beschrijving van die gang van zaken én van de motivatie erachter maakt De welwillenden erg indringend. Het is precies zoals het gegaan is, denk je steeds, precies zoals er destijds gedacht moet zijn. Natuurlijk is veel gefictionaliseerd, maar dan wel naar de realiteit toe en niet naar een romantisch oorlogsidee dat enkel schippert tussen goed en kwaad. Ook tussen sterk en zwak, en die rol wordt soms omgedraaid, bijvoorbeeld wanneer een jood met een kindje op zijn armen beheerst tegen Max Aue zegt: ‘Ik weet wat u hier doet. Het is iets gruwelijks. Ik wilde u alleen maar toewensen dat u deze oorlog overleeft en twintig jaar lang elke nacht schreeuwend wakker wordt. Ik hoop dat u niet in staat zult zijn naar uw kinderen te kijken zonder tegelijk de onze te zien, die u hebt vermoord.’ Waarop de jood wegloopt. Die woorden beuken op Aue in, en als nog geen twintig regels verder op een gruwelijke manier het hoofd van een jood door een van de ergste beulen met een spade in stukken wordt gehakt poogt Aue in te grijpen en vervolgens wordt dit exces in een rapport vermeld en probeert het Duitse gezag het incident te verantwoorden door aan te geven dat er vast een provocatie van joodse kant aan vooraf is gegaan of dat de woede van de beul tegen de joden te begrijpen is omdat zij steunpilaren zijn van het stalinistische systeem waar Duitsland tegen vecht. Steeds het zoeken naar die verantwoording, dat maakt De welwillenden zo sterk. Verderop in het boek wordt een officier de vraag gesteld wat het gruwelijkste is dat hij heeft gezien. ‘Dat spreekt vanzelf, de mens!’ Ik weet niet of het aan de vertaling ligt, maar lelijke woorden als ‘bruusk’ en ‘prompt’ die erg ver van mijn spreektaal af staan, komen herhaaldelijk in dit boek voor en gelukkig is het boek zo sterk dat ik daar wel overheen kan lezen. Dit boek herbergt naast gruwelijkheden en de vervreemdende gedachten daarover ook lyrische passages, over een gewond vogeltje of over de graanvelden in Oekraïne of een raam dat vast zit door de verf. De welwillenden doet ook denken aan American Psycho, door de vele details over kleding en eten, daar is Aue erg sterk in. Ook dat geeft zowel een vervreemdend als realistisch en benauwend beeld van nazi-Duitsland en de oorlog: eten en mode gingen gewoon door. Wat ook opvallend is aan dit boek met die overvolle pagina’s, die massieve blokken tekst die de lezer in eerste instantie vooral angstig maken: de zinnen lopen zo goed, de scènes zijn zo sterk en de informatie zo belangwekkend, dat je al snel door die pagina’s heengaat alsof het niks is, alsof je niet alleen anders over de oorlog bent gaan denken maar ook een andere lezer bent geworden.

De Arbeiderspers gaf De welwillenden uit.

Daan Stoffelsen: Marjolijn van Heemstra, En we noemen hem

Er is iets heel soepels aan En we noemen hem, de nieuwe roman van Marjolijn van Heemstra, die ons eind 2016 enkele maanden als poëzieredacteur bijstond. Dat iets maakt mogelijk dat de verhaallijnen van de zwangere ik (het boek opent met ‘Nog 27 weken’) en haar onderzoek naar haar achterneef (die eens een bomaanslag pleegde op een NSB-er en veel later zijn ring doorgaf aan de ik) elkaar niet in de weg zitten, dat je accepteert dat het de ik niet om de waarheid gaat maar om een verhaal. (Op zoek naar een passend citaat tel ik 103 keer die term, ze moet iets met die term.) Verhaal. ‘Nog 2 weken’: ‘Het Airbnb-adres is te mooi om waar te zijn. Een oude villa in de wijk waar bommenneef woonde en in 1987 overleed. Een laatste poging het verhaal rond te krijgen: eindigen op de plek waar bommenneef eindigde.’

Er is geen achtergrond en geen voorgrond, de zwangerschap (geen eenvoudige, de artsen vrezen een zwangerschapsvergiftiging) is zeker net zo belangrijk als de zoektocht, maar zó kan die buik weer bepalend zijn. De muggen zijn indringender aanwezig dan het kind. (De kruipruimte stond onder water, vandaar.) Als de ik eindelijk bedenkt dat archiefonderzoek meer kan opleveren dan de gekuiste herinneringen van familieleden op te schrijven, krijgt mede-onderzoeker Herman een prominentere rol dan de vader van het kind, D. Verstandige man, die Herman, met een grote tragiek, georven van zijn NSB-vader.

‘Ik zeg dat ik dat een mooie gedachte vind en hij lacht weer die lichte, jongensachtige lach.
“Ken je de schoolprenten van Isings?”
Ik schud mijn hoofd.
“Die hingen vroeger bij ons in de klas. Tekeningen van de ijstijd, de bronstijd, de Romeinen, de middeleeuwen. Ik kon er uren naar kijken. Die mensen waren zo mooi getekend, zo sprekend onszelf, dat de geschiedenis dichtbij leek, aanraakbaar. Zo’n neanderthaler zou zomaar mijn buurman kunnen zijn. Veel later las ik dat Isings altijd zichzelf en mensen uit zijn omgeving als model nam. Als hij die figuren uit de oudheid tekende zat hij dagenlang voor de spiegel. We doen alsof we van alles willen leren en begrijpen van het verleden, maar uiteindelijk zitten we vooral naar onszelf te staren.”‘

Dat laatste is een kernzin, bijna pamflettistisch, een zelfaanklacht: het verhaal begint en eindigt bij onszelf. Hoe verward zijn wij, moderne mensen, dat we niet verder kijken? (‘Ik’ geteld: 1707 x. In Jan Postma’s Vroege werken: 1704 x. In Adriaan van Dis’ Ik kom terug: 1569 x.) De zwangerschap ís dan achtergrond, zelfs de zoektocht naar ‘bommenneef’ is een illustratie van hoe we voor onszelf dingen overhoop halen. (Met als climax een hormonale woede-uitbarsting van de ik tegenover Herman.) Tegelijk zit er iets moedigs, onbezonnens in dit onderzoek, en dat is zeker niet navelstaarderig – de zwangere is niet bezig met babygadgets en de goede verf voor de kinderkamer. De zwangerschap biedt vooral de aanleiding (ooit had de ik beloofd haar kind naar bommenneef te noemen) en de bevalling de doorbraak: er is een ander om voor te leven. En we noemen hem maakt de bescheiden ambitie waar meer te zijn dan een archiefverhaal, een Tweede Wereldoorloggeschiedenis of een zwangerschapsdagboek, het toont en onderzoekt hoe we zulke verhalen toeëigenen, hoe we ze van ons maken.

Maar dat iets, dus. Is dat het ontbreken van nadrukkelijke overgangen (toen, toen) in het verhaal? Het is chronologisch verteld, maar de ik duikt af en toe in een flashback weg. Van Heemstra schrijft dialogen niet helemaal uit, voegt af en toe een spreekbeurt in indirecte reden toe, of laat haar ik het hoofd schudden, die variatie werkt ook. Of is het de stijl? Die is heel onnadrukkelijk, schrijftalig noch spreektalig, gedoseerd. Ik erger me aan die ‘lichte, jongensachtige lach’, misschien omdat ik me er weinig bij kan voorstellen, maar Hermans retoriek is foutloos: de nette opsomming van historische periodes, het tweemaal parafraseren in één zin en het daarna laten, het ritme van de laatste zin. Soepel.

Das Mag gaf En we noemen hem uit. Op Athenaeum.nl staan de eerste pagina’s voorgepubliceerd.

David Bowie, Huub van der Lubbe: de redactie las liedteksten bij gelegenheid van het verschijnen van Jan van Mersbergens essay ‘En als zij dan leest hoeveel ik van haar hou’. Over grote woorden, verrassende beelden en vooruitziende blikken.

*

Thomas Heerma van Voss: David Bowie, ‘I Can’t Give Everything Away’

Er zijn momenten waarop ik me een stuk liever bezighoud met muziek dan met literatuur. Bijvoorbeeld bij het maken van eindejaarlijstjes: ik kan best tot een boeken top 10 uit 2016 komen, maar ik heb altijd het idee dat dat een tikje willekeurig is, want ik lees vooral boeken die al eerder zijn verschenen (zie nagenoeg alle edities van deze rubriek) en sla zelfs van de nieuwe boeken die ik wil lezen een groot deel uiteindelijk over, gewoon omdat ik er geen tijd voor heb of in elk geval – Emma Cline’s The Girls ligt nog steeds op mijn nachtkastje, ECI-prijswinnaar Michael Driessen moet ik zelfs nog steeds aanschaffen. Hoe anders is dat bij muziek: ik heb het gevoel dat ik de belangrijkste albums van 2016 allemaal beluisterd heb, dat ik dat landschap overzie – een aangenaam gevoel. En in dat landschap was er een onmiskenbare uitblinker, een verkapt monument voor de dood dat tegelijkertijd een prachtige levenslust toont: David Bowie’s Blackstar.

Het slotnummer van de plaat is misschien wel het meest exemplarisch voor die combinatie: de muziek heeft met zijn vlugge drums, snerpende synthesizerstonen iets bijzonder vitaals, de tekst laat zich lezen als een naargeestig gedicht. Het openingscouplet:

I know something is very wrong
The pulse returns the prodigal sons
The blackout hearts, the flowered news
With skull designs upon my shoes

Was het werkelijk een gedicht geweest, had ik het intrigerend gevonden, maar wel erg expliciet zwaar: ‘prodigal sons’, ‘blackout hearts’, ‘skull designs’, kan dat een onsje minder? Maar zoals bekend gelden er andere wetten wanneer woorden alleen worden uitgesproken, in dit geval door de zachtzoekende stem van Bowie, die de woorden precies een goeie nadruk meegeeft en ze niet te zwaar uitsmeert. Vervolgens komt het refrein, de herhaalde zin: ‘I can’t give everything. Away.’ (Die punt is bedoeld, de ‘y’ is langgerekt.) Een prachtige zin, juist omdat de betekenis niet helemaal duidelijk is: waar gaat het nu over? Over het lichaam dat hij aan het achterlaten is? Over zijn muzikale nalatenschap? (Het zal geen toeval zijn dat in de muziek van het nummer ook muziekflarden van Bowie’s oude ‘A New Career in a New Town’ zijn verwerkt, een nummer van eind jaren zeventig.) Meer en meer neemt het nummer, terwijl de productie in onverminderd tempo doorgaat, de gedaante aan van een zwanenzang:

Seeing more and feeling less
Saying no but meaning yes
This is all I ever meant
That’s the message that I sent

En het laatste couplet begin met de zin: ‘I know something is very wrong.’ Wat, dat explicieert Bowie niet. Dit nummer gaat ook niet over de dood, die op het hele album Blackstar meespeelt, die in ieder nummer zijdelings naar voren komt, maar nergens een hoofdrol krijgt; Bowie gebruikt de dood juist om naar zichzelf te kijken, naar het leven, naar wat hij heeft dertig jaar lang heeft gedaan – en hij doet dat op zo’n levenslustige, niet sentimentele wijze dat dit album de persoonlijke tragedie ver ontstijgt. Er zijn de afgelopen jaren genoeg mensen publiekelijk gestorven: ze hebben het aangezicht van de naderende dood gebruikt voor hun werk – denk aan Pieter Steinz, die er prachtige stukken aan wijdde. David Bowie wist ook dat zijn dood kwam en besloot dit niet te benoemen, maar het veranderde zijn werk ingrijpend, tot een gedaante die zo krachtig werd dat die ook volgend jaar nog zal nadreunen.

Blackstar werd uitgegeven door Columbia. Hij is bijvoorbeeld bij Concerto/Plato te koop.

Daan Stoffelsen: Huub van der Lubbe, ‘Melkboer met de blues’

Ik hoorde De Dijk voor het eerst op het Sportveld tijdens Koninginnedag. Sindsdien volg ik ze. In Den Bosch signeerde Huub van der Lubbe zijn bundel Melkboer met de blues, jaren later gaf ik hem de hand in zijn eigen huis (ik ging jureren, hij vertrok). We spreken de teksten van ‘Onderuit’ (‘je vangt me op / ze gooit me terug / en langzaam langzaam gaan we // onderuit / dood in haar armen / doodgaan en opstaan / in een t-shirt van haar’) en ‘Mag het licht uit’ (‘te veel mensen / te veel zinnen / te veel woorden / voor een mens alleen // mag het licht uit / mag het licht uit / mag het licht uit / als ik je in mijn armen sluit’) regelmatig tegen elkaar uit. Maar liedteksten lezen?

De beste schrijvers herhalen frases en woorden, ze variëren, ze rijmen. De beste liedschrijvers doen dat ook, maar veel, veel meer, couplet refrein, en ze weten niet altijd de gemeenplaatsen te vermijden. In ‘Onderuit’ staat er na het weinig indrukwekkende ‘haar lichaam groot / haar lippen rood’ de oorspronkelijke combinatie ‘ik maak mijn tiende whisky uit’, en een dichter zou niet achtmaal het woord ‘dood’ gebruiken op een kleine honderd woorden. Een tekstdichter juist wel. En het gebruik van grote woorden, expliciete frases – dat hoeft van mij niet. Of, zoals Huub van der Lubbe zingt: ‘Woorden zijn een zeldzaam iets / wie te veel zegt / zegt niets.’
Persoonlijke waarheid en literaire schoonheid vallen zelden samen.

Genoeg gezeurd. Dit is ‘Melkboer met de blues’, een van die liedjes die goed te lezen zijn, maar op muziek tegenvallen. (Het grote voorbeeld daarvan is Raymond van het Groenewouds traag uitgevoerde goede grap ‘Arme Penis’: ‘Van jongs af aan gevangen in het donker / Weggedrukt in onze maatschappij / Weggedrukt, onmondig en verwrongen / Is er iemand weerlozer dan hij […] Het is een triest verhaal dat vrijwel algemeen is / Arme penis.’) Van der Lubbes tekst vertelt het verhaal van een piekerende melkboer.

– is dit 92? vroeg de melkboer aan de vrouw
– dit is 35 melkman hoe heb ik het nou?
ik loop nog in mijn duster, wat bent u vroeg vandaag
– dat is voor u een weet mevrouw voor mij is dat de vraag
zullen niet de eerste nu straks de laatste zijn?
– melkman alles goed met u of heeft u ergens pijn?
– de pijn is overal mevrouw en veel erger dan bij mij
het rommelt in de verte en het komt alsmaar dichterbij

De stapeling van spreektalige gemeenplaatsen van de vrouw, en het contrast met de filosofische wartaal van de melkboer, de humor (ook in 1992 droeg men geen dusters meer, en de buurman komt thuis, en ‘hij gaf zijn vrouw een ros, de melkboer kreeg een lel’, dat is een heel fijne variatie met subtiele assonantie), en vooral die elk couplet herhaalde apocalyptische slotzin maken deze tekst sterk. En nog steeds actueel, dit is 16 melkman maar het klopt nog steeds: ‘Het is die hebzucht van het westen, je schaamt je voor je kleur / en ik ga met de welvaart in mijn melkkar langs de deur / het komt op het nieuws, staat in de krant, maar niemand heeft het door.’

De maatschappij in een melkkar gevat, misschien is het geen poëzie, maar het is wel raak.

‘Melkboer met de blues’ stond op Zeven levens en de singel Zoals nog nooit (2002). Nijgh & Van Ditmar gaf Melkboer met de blues uit, het is ruim beschikbaar op Boekwinkeltjes.nl.

Bregje HofstedeMarijke SchermerBruce Springsteen, Kenneth Cook, Jan Donkers, Peter Ackroyd: de Revisorredactie las. Deed het werk van de Svenska Akademien: genres scheiden – liedjes zijn geen literair proza, journalistiek is geen essayistiek, biografie is geen literatuur – en grote vragen en slordigheidjes wegen. Maar was ook gewoon fan.

*

Daan Stoffelsen: Bregje Hofstede, De herontdekking van het lichaam (en John Jeremiah Sullivans ‘Feet in Smoke’ en Montaignes ‘Over droefheid’)

Je vroeg me, Thomas, of dit een essay was. Ik besloot het op te zoeken en uit te printen (dank god voor het internet, het weet alles van mij, en waar John Jeremiah Sullivans essay ‘Feet in Smoke’ te lezen valt). Maar ik was eigenlijk Bregje Hofstedes De herontdekking van het lichaam aan het lezen. Weer zo’n klein boekje, nu non-fictie, dat niettemin tot nadenken noopt. Ondertitel: Over de burn-out. Nou ja, over Hofstedes burn-out gaat het grootste deel van het boek, het is een stuk dat eerder bij De Correspondent werd gepubliceerd, over de verhouding tussen lichaam en geest, mind over matter, streven en ontspannen. Ze bepleit een holistischer levenstijl, aandacht voor het fysieke én het mentale.
Ga ik daarin mee?
Ik twijfel. Thomas, dit beschouw ik dus niet als essayistiek, dit vind ik eerder diepgravende journalistiek met een opinie. Hofstede voert bronnen op – wetenschappers, filosofen, een romancier -, voert eigen ervaringen op, maar gaat er niet mee in discussie – zoals Maggie Nelson dat in De argonauten doet, bij een Freudiaanse theoretische bewering bijvoorbeeld: ‘Ik ben verbijsterd en gegeneerd als ik bedenk dat ik dit soort vragen jarenlang niet alleen begrijpelijk vond, maar ook fascinerend.’ Zo’n opmerking geeft een scherpte die ik mis aan dit artikel.

Veel interessanter, minder vlak ook zijn de twee daaropvolgende essays, over wandelen als therapie (met stukjes loepzuiver proza, gecursiveerd door het betoog heen) en een reis in Israël, als vrouw bekeken en geïntimideerd (hét antwoord op kleedkamerpraat als die van Trump, indrukwekkend). Door het wandelessay voelde ik de noodzaak erop uit te trekken, het Israël-essay wijst me weer hard op de kwetsbaarheid van vrouwen in onze maatschappij. Maar ook hier stelt ze: ‘Vitaliteit – het tegengestelde van de burn-out – vraagt echter niet om een keuze, maar juist om aandacht voor geest én lichaam.’ Die algemenisering van een individuele ervaring, gecontrasteerd met de individuele ervaring van iemand als Susan Sontag, kan ik niet meevoelen. Zelfs nu Hofstede dit zo ervaren heeft, zelfs nu ze al die bronnen noemt, kan ik deze lifestyle-waarheid niet aannemen als algemeen geldig.
In deze twee essays raak ik wel betrokken bij de ik, en ik denk dat door de stijl komt en het perspectief, door de grotere dosis literaire techniek. Waarmee ik terugkeer bij ‘Feet In Smoke’, een geweldig verhaal over John Jeremiah Sullivans broer die geëlectrocuteerd wordt door zijn microfoon – maar overleeft. De maand in het ziekenhuis is die broer kinderlijk, in de war, maar zichzelf. Mooie anekdotes. Dus Thomas: hier zijn het over eens. Ik zou ook meer introspectie, inzicht, botsing verwachten in een tekst die toch als essay gepresenteerd wordt. Maar ik geloof Sullivan volledig, hij heeft zichzelf tot personage gemaakt, en ik stap met hem door de vierde wand. Daarvan weerhouden Hofstedes bronnen me, of als het echt om het genre gaat, Montaignes anekdotes. Ik duik even in zo’n anekdote, maar daarna is Montaigne met echt kwijt:

‘Maar toen koning Psammenitus van Egypte verslagen was en gevangengezet door koning Cambyses van Perzië, en hij zijn dochter in slavinnenkleren aan hem voorbij zag lopen om water te halen bleef hij, naar verluidt, te midden van zijn huilende en weeklagende vrienden kalm en staarde zwijgend naar de grond; en hij volhardde in die houding toen hij vlak daarna ook nog zijn zoon ter dood gebracht zag worden; maar toen hij zag hoe een van zijn huisgenoten onder de krijgsgevangenen werd meegevoerd, begon hij zich voor het hoofd te slaan onder het uiten van de meest smartelijke kreten.’

Tja. Ik kom pas echt weer boven als Montaigne besluit: ‘Ik ben niet erg ontvankelijk voor zulke heftige emoties. Ik heb van nature een dikke huid, en door mijn verstand te gebruiken maak ik die met de dag stugger en harder.’ In de kanttekening zet ik dan ‘hahaha’, of, met Jans verteller, ‘hihihi’. Ik ken mezelf een beetje, ik ben meer Montaigne dan Hofstede. En nu weet internet dat ook. Die ‘ik’ als personage, zoals bij Sullivan (zonder overwegingen), bij Hofstede (overwoekerd door overwegingen) of Montaigne, die hoort in een essay. Hoeveel conflict, scène, anekdote, memoire en bronnenmateriaal er dan bij moet om een perfect essay te maken – dat is aan de jury van de Jan Hanlo Essayprijs. Inzenden kan weer, tot 16 januari 2017.

Uitgeverij Cossee gaf De herontdekking van het lichaam uit, het werd gisteren gepresenteerd. Hofstedes burn-outstuk is in drie delen (123) bij De Correspondent te lezen. Hier gebruikt is de Hans van Pinxteren-vertaling van Montaigne bij Athenaeum-Polak & Van Gennep, maar dit jubileumessaytje ‘Over boeken’ bij Athenaeum Boekhandel is ook mooi.

Thomas Heerma van Voss: Kenneth Cook, Aangeschoten; Jan Donkers, Elvis ligt op Zorgvlied; Peter Ackroyd, Hitchcock

Een helder verhaal, Daan, dank voor het ingaan op mijn vorige stukje, en in zulke gevallen toch prettiger om enige bijval te krijgen dan op hevig verzet te stuiten – maar voor deze rubriek al te veel op een groepschat begint te lijken, zet ik snel de stap van de essayistiek vandaan. (Al zeg ik nog wel: Bregje Hofstedes boek wil ik nog steeds lezen, wat ik er al van las op De Correspondent vond ik veelbelovend.) En dat terwijl ik Sullivan nog steeds niet helemaal uit heb; ik merkte alleen na 300 bladzijdes verhalende essayistiek (of als essays gepresenteerde non-fictie-verhalen): ik heb mijn portie nu wel even gehad, mijn aandacht ging weer naar fictie.

Maar welke? Al tijden lukt het me niet helemaal te verdwalen in een boek. Door drukte, afleiding of onrust – die drie komen vaak op hetzelfde neer – kan ik me al tijden niet werkelijk toeleggen op een specifiek boek. Ik begon aan Kenneth Cooks Aangeschoten, een recent door Podium heruitgegeven ‘cultklassieker’ (dixit Podium) over een jonge leraar in Australië, die strandt in een klein plaatsje. Veel drank, veel eenzaamheid, veel broeierigheid: een mooie roman, zeker, ik begrijp waarom hij weer opnieuw is uitgegeven, en ik ga beslist ook snel verder lezen, maar toch legde ik hem na enkele tientallen bladzijdes weer weg. Misschien doordat ik het zelf las in desolate hotelkamers en bij vrij eindeloze treinritjes, die twee interfereerden wat te veel, ik verlangde naar iets anders, iets met meer fantasie. Ik begon in de laatste verhalenbundel van Jan Donkers, Elvis ligt op Zorgvlied, ik las met genoegen de eerste twee verhalen, en schoof het daarna toch weer even opzij, omdat ik de biografie van Hitchock kreeg aangereikt van mijn vader, met een aanbeveling erbij. Direct sloeg ik het open, maar na een pagina of tien was mijn aandacht alweer aan het wegebben: zelden las ik zo’n feitelijke, taaie opsomming. Er was geen moment nagedacht over een spanningsboog, over compositie, over variatie in tempo en toon.

Het liet me eens te meer zien hoe makkelijk een intrigerend iemand kan leiden tot een bijzonder saai boek. Ik verlangde weer enigszins terug naar Sullivan, en meer nog: naar een doordachte roman. Volgende week meld ik me met een fictiewerk waar werkelijk over de vorm en opbouw is nagedacht. (En suggesties zijn welkom.)

Cook werd dus uitgegeven door Podium, Donkers door De Harmonie, en Peter Ackroyds Hitchcockbiografie door Querido.

Marjolijn van Heemstra: Marijke Schermer, Noodweer

Noodweer van Marijke Schermer is een compact boek. Honderdnegenvijftig pagina’s en nergens een letter te veel. Ook geen letter te weinig trouwens, het is precies de juiste dosering, iets wat je maar weinig tegenkomt in een boek. Het woord ‘hecht’ kwam tijdens het lezen een aantal keer bij me op. Hechte taal, hechte hoofdstukken. Een stevig vlechtwerk dat gelukkig nergens te hermetisch wordt. Het verhaal: een vrouw verzwijgt voor haar man een gebeurtenis uit het verleden omdat ze bang is dat die anders tussen hen in zal komen te staan. Maar het verleden laat zich niet makkelijk verdringen. Intussen stijgt het water in de rivier voor hun buitendijkse huis en overal schemert onheil. Er komen grote vragen voorbij, over waarheid, autonomie, herinnering.
‘Wat is geluk,’ vraagt de vrouw op een avond aan haar favoriete broer. Het blijkt een meerkeuzevraag. A: een gevoel van eenheid, van evenwicht en de zekerheid dat niets dat evenwicht kan verstoren. B: een gevoel van eenheid, van evenwicht en de zekerheid dat het elk moment aan flarden kan. Of C: iets lichamelijks. Een gevoel van gedachteloosheid.
Zelf kiest ze voor C.
Het filosoferen gebeurt tussen de alledaagse dingen door, nergens al te nadrukkelijk, maar genoeg om je als lezer met een paar mooie dilemma’s achter te laten.
Jammer van de slordigheidsfouten hier en daar in het boek, die waren er bij zorgvuldige nalezing denk ik uitgevist, ze vloeken met het verder zo strakke, zorgvuldige verhaal.
Trouwens, ik ken Marijke, we zitten samen in een boekenclub. Ik mag haar graag en gun haar veel. En hoewel ik ervan overtuigd ben dat ik Noodweer met net zo veel plezier had gelezen als ik haar niet had gekend moet ik toegeven dat ik bevooroordeeld ben. In zekere zin is dit dus gewoon reclame. Reclame voor een goed boek, dat wel.

Noodweer is uitgegeven door Uitgeverij Van Oorschot.

Jan van Mersbergen: Bruce Springsteen, Born to Run

Ik ben een fan dus ik ga niets zeggen over Springsteens muziek of zijn geweldige optredens. Ik luister graag naar zijn muziek, ik ben er graag bij als hij speelt. Ik kreeg zijn autobiografie in handen en wil alleen iets zeggen over de verleden en de tegenwoordige tijd, want zoals ik hier vaker heb aangestipt: perspectief is alles.
Springsteens verhaal speelt in het verleden, deze muzikant kijkt terug op zijn leven. Dus vertelt hij in hoofdstuk 1 over zijn straat, zijn huis, zijn veranda. Allemaal in de verleden tijd. En dan plots lees ik een lang stuk dat in de tegenwoordige tijd geschreven is, dat begint met:

‘In onze voortuin, niet meer dan een meter of wat van onze veranda, staat de grootste boom van de stad, een enorm hoge beuk.’

Die zin trekt me naar het heden toe, en zo gaat het eerste hoofdstuk, dat ‘Mijn straat’ heet, verder.
Een bijzonder goede perspectiefkeuze, want ik lees het nu van Springsteen zoals hij dat toen beleefde.
Toch nog iets over zijn stijl, die lijkt erg op zijn liedjes: complete levensverhalen in een paar regels, soms zwaar aangezet en meestal raak. In deze autobiografie is dat soms wat veel, zoals in de laatste alinea van ‘Mijn straat’:

‘Hier wonen we in de schaduw van de torenspits, waar het heilige rubber het wegdek teistert, waar alles stiekem gezegend is met Gods genade, in het verbazende, razende, rassenrellen veroorzakende, vreemde vogels verdringende, swingende, naar liefde en angst speurende, hartverscheurende stadje Freehold, New Jersey.’

Dat leest op den duur wat vermoeiend als proza, zo’n alinea is een liedje en de liedjes van Sprinsteen hebben een ongekend bereik, in proza vraagt de lezer om iets meer rust.

Springsteens biografie werd uitgegeven door Unieboek Spectrum. Een leesfragment vind je hier (PDF).

Lezen leidt tot schrijven leidt tot lezen. Dus wat leest de redactie van de Revisor? Deze week lazen wij Zadie Smith, R.J. Ellory, Martin Roach & David Nolan en Eva Meijer.

*

Marjolijn van Heemstra: Zadie Smith, White Teeth

Op reis naar Toscane maakte ik de fout die ik elke zomer opnieuw maak. Ik nam boeken mee waar ik eigenlijk geen zin in had, maar die ik van mezelf toch echt eens moest lezen. Al op de eerste dag stond ik voor de boekenkast in de grote zitkamer van het vakantiehuis in de hoop iets beters te vinden dan die saaie stapel in mijn koffer. Tussen de rijen Italiaanse romans stond één Engels exemplaar: White Teeth, van Zadie Smith, wat een mazzel. Twee jaar geleden las ik het prachtige NW en daarna het net zo mooie The Embassy of Cambodia. Maar White Teeth, Smiths debuutroman, is nog beter.

Grappig, droevig, wijs; onvoorstelbaar (onuitstaanbaar!) dat ze pas vijfentwintig was toen dit uitkwam. Het verhaal is ambitieus, religieuze verschillen, generatieconflicten en klassenstrijd, beschreven vanuit tien personages uit drie compleet verschillende families. Het zijn stuk voor stuk vreselijke, of op z’n minst irritante, mensen en toch ga je van iedereen houden omdat Smith ze in al hun lelijkheid zo liefdevol beschrijft en nooit blijft hangen in karikaturen. Het is maatschappijkritisch maar vaak ook regelrechte poëzie. Niks dan lof dus, en een diepe buiging en nu al spijt dat ik het binnenkort zal uitlezen en wegleggen.

White Teeth is onder andere bij Vintage verschenen. De eerste pagina’s zijn na te lezen bij The New York Times, een ander fragment vind je bij Salon. De Nederlandse vertaling van Sophie Brinkman verscheen bij Prometheus. Het boek is nog goed verkrijgbaar in de boekhandel.

Jan van Mersbergen: R.J. Ellory, Een mooie dag om te sterven

Verreweg de meeste thrillers zijn opgebouwd volgens twee vertelprincipes: 1. de opening schetst een gruwelijke scène en in het vervolg blikken we terug hoe dit allemaal zo gekomen is, en 2. de opening schetst een gruwelijke scène in het verleden en in het heden blijkt dit nog aan te houden. Of de stap in de tijd nu terug of vooruit is, meestal zijn de beschrijvingen van de vreselijke zaken die de basis moeten zijn van het boek het minste deel. Oorzaak: gebrek aan afstand.

Zo ook bij Ineke van den Elskamps vertaling van The Anniversary Man, waar in een fors eerste deel verteld wordt wat er jaren geleden gebeurde om vervolgens een sprong te maken naar het nu. John Costello had in 1984 een vriendinnetje. Samen werden ze aangevallen door een man die haar hoofd insloeg met een hamer en Costello ook te lijf wilde gaan, maar hij ontsnapte en overleefde het. De moordenaar werd gevonden en veroordeeld, hij pleegde zelfmoord in zijn cel. Zaak opgelost, verhaaltje uit, zou je zeggen, maar het dikke boek doet iets vermoeden, en inderdaad: het moorden in de geest van deze ‘Hamer van God’ gaat ruim dertig jaar later door.

Het eerste deel is typisch de opening van een thriller: er moet en zal spanning zijn. John had de duivel gezien, meldt de derde regel, en daarna volgen zinnen als:

‘Nadien was John niet meer hetzelfde.’ (pagina 7),
‘Nadien werd alles anders.’ (pagina 10),
‘Hun tijd was geweest, voorbij. Hun tijd was op.’ (pagina 12),
‘Want op het eerste gezicht ziet hij eruit zoals iedereen. Net als de duivel.’ (pagina 14),
‘Als ze dat was gebleven, was ze misschien wakker gebleven.’ (pagina 16),
‘Maar zij was weg. Voorgoed.’ (pagina 17),
‘Iemand zien sterven, iemand van wie je houdt, en die persoon op zo’n verschrikkelijke, onmenselijke manier te zien sterven, is iets wat je niet kunt vergeten.’ (pagina 19),
‘Toen wist John Costello dat Nadia dood was.’ (pagina 20),
‘Dat, zo bleek, zou het werk van iemand anders zijn.’ (pagina 21),
‘De meeste mensen die moorden plegen zien er normaal uit.’ (pagina 21).

Bijna allemaal zinnetjes die een passage afsluiten, dan volgt een witregel, even ademhalen, en dan komt de volgende spannende scène, die mij al na een paar bladzijden niets meer doet omdat de spanningopbouw te geforceerd is, de herhalingen talrijk en overbodig, en de beschrijvingen opgefokt.

Een ander voorbeeld van herhalingen die storend zijn:

Over het meisje dat vermoord wordt zegt R.J. Ellory op pagina 8: ‘Ze heette Nadia, en dat was Russisch voor ‘hoop’.’
Twee bladzijden verder zegt Nadia zelf: ‘Ik heet Nadia. Dat is Russisch voor “hoop”.’
Op pagina 13 meldt Ellory: ‘Nadia. Russisch voor ‘hoop’.
Op pagina 17 sluit hij een passage af met: ‘Net als Nadia, wat Russisch was voor ‘hoop’.

Nadia leeft inmiddels niet meer en met haar naam vervliegt de hoop en ook vervliegt de hoop voor dit eerste deel van Een mooie dag om te sterven.

Sleutel is, zoals altijd, het perspectief. Dat vraagt om afstand. Ellory wil beschrijven hoe slecht het slachtoffer, overlevende van een bijna-dubbele moord, eraan toe is. Het slachtoffer heeft echter geen afstand tot de materie en als een verteller daarop focust (daarop in blijft hameren) is de spanning binnen drie alinea’s verdwenen, dan interesseert de lezer zich niet meer voor zijn toestand.

Het Algemeen Dagblad prijst dit boek met: ‘Een mooie dag om te sterven verdient een plekje naast Thomas Harris’ De schreeuw van het lam.’ Opvallend, want juist in Silence of the Lambs worden de gruwelijkheden heel minimaal beschreven, is de spanning nergens opgeklopt en wordt de suggestie benut omdat de hoofdpersoon – jonge onzekere agente – afstand heeft tot de bizarre huidverzamelaar die een meisje vasthoudt en de gevangen kannibaal die de zaak aan het rollen kan brengen.

In 2006 is Costello journalist en weer wordt er iemand met een hamer bewerkt en wordt er gemoord. Deze hoofdstukken zijn afstandelijker en daardoor subtieler geschreven, met de nadruk op de agenten die de zaak onderzoeken en deels op John Costello die een vreemde dwangneurose heeft overgehouden aan zijn verleden maar die nu toch meer een gewoon karakter is, met handelingen, een persoonlijkheid, een leven. Hij is niet enkel slachtoffer. De eenvoudige beschrijvingen staan in dit vervolg niet bol van de spanning maar roepen dubbel zoveel spanning op.

Een mooie dag om te sterven begint eigenlijk pas op pagina 48.

Een mooie dag om te sterven is uitgegeven door De Fontein en is bij elke boekhandel te verkrijgen.

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, Het vogelhuis

Het boek dat uit is, is Grasses and Trees, van A.L. Snijders en Lydia Davis in de rol van bloemlezer en vertaler. Ik ga er elders een recensie aan wijden, daar moet ik nog wat over nadenken, in ieder geval wil ik schrijven over de vraag of een vertaling als ‘He had taken eggs for his money’ (te vinden bij Shakespeare, maar inmiddels toch echt een batavism) de Engelse Snijders houteriger maakt, of Davis zich daar niet te veel als auteur opstelt, hoe het werk van de oud-politieschooldocent en de Flaubert-vertaalster op elkaar lijkt, en waar we Snijders, na lezing van deze bloemlezing, feitelijk een best of, nu eigenlijk moeten plaatsen in het Nederlandse landschap.

Behalve, natuurlijk, tussen bomen, buizerds en boeken. Ik wil hier schrijven over het boek dat halverwege is, Eva Meijers Het vogelhuis. In haar vorige roman, Dagpauwoog, radicaliseerde een dierenliefhebber tot terrorist, in dit boek lijkt ze het rustiger aan te doen. Het vogelhuis is een onderzoek in romanvorm naar de achtergronden en drijfveren van Len Howard (1894-1973), die twee internationale bestsellers schreef aan de hand van observaties van de mezen en mussen in en rond haar huis. Het is een kalm boek, dat na een Proloog in 1965 langzaam een leven opbouwt vanaf 1900, doorsneden met mezenobservaties. Een jonge vrouw uit een gefortuneerd, cultureel geïnteresseerd gezin wil verder met haar vioolspel, vertrekt daarvoor naar Londen, maar kiest uiteindelijk voor haar andere interesse: de taal en het gedrag van vogels. Ik begin steeds meer sympathie voor haar te voelen, alhoewel ze op afstand blijft, haar passies en ergernissen zijn bepaald niet beeldvullend. Maar wat ze ziet bij mensen is minstens zo scherp als bij vogels. 1911, een soirée bij de familie thuis: ‘Binnen is het warm en druk, lijven die te weinig ruimte overlaten, woorden die anderen niet of nauwelijks bereiken. Woorden die gewoontes uitdrukken, verder weinig betekenen.’ Later dat jaar, net zo’n soirée: ‘Om ons heen praten mensen met elkaar terwijl ze over de schouder van hun gesprekspartner uitkijken naar betere mensen om mee te praten — de gesprekken gaan over buren, affaires, over wat buiten de lijnen valt, nooit over wat de lijnen ter discussie stelt.’

Treffende beelden, misschien nog treffender voor de solitaire Len dan voor de mensen om haar heen. Kalme beelden ook, niet wereldschokkend. Niet als de bompakketjes in Dagpauwoog, en toch met liefde en zorg geschreven: een mooie roman. [Update: er zit nog wel een aanslag in, het bloed kruipt…, maar ook na uitlezen blijft mijn conclusie staan. Fascinerende hoofdpersoon, mooie, kalme roman.]

Stoffelsens recensie van Grasses and Trees is nog niet afmaar op Athenaeum.nl staan al wel drie ZKV’s eruit – met vertaling. Het vogelhuis is zojuist verschenen bij Cossee.

Thomas Heerma van Voss: Martin Roach & David Nolan, Damon Albarn. Blur, Gorillaz and other Fables

Een van de meest meest originele, overtuigende muzikanten van de afgelopen decennia: de Britse zanger (en keyboardspeler) Damon Albarn. Ooit voorman van de Britpop-band Blur, daarna soloartiest, bedenker van Gorillaz, maker van een opera en nog lid van allerlei samenwerkingsgroepen – een intrigerende carriere, vooral omdat hij steeds een stap bij de publieke verwachtingen vandaan doet, zonder al te krampachtig op zoek te gaan naar hoorbare muzikanten. Een voorbeeld, in deze biografie teleurstellend summier behandeld: toen Blur nog steeds actief was en Gorillaz wereldwijd was doorgebroken, trok hij naar Mali om daar met een stel locale muzikanten het werkelijk fantastische Mali Music te maken.

Tot zover de opsomming van zijn leven, want deze biografie laat nu juist zien hoe saai dat kan werken. Hoe een intrigerende muzikant en een niet oninteressant levensverhaal toch een vrij saai boek kunnen opleveren: Roach en Nolan lepelen chronologisch de feiten uit Albarns leven op – tot 2007 nota bene, het is ook allemaal alweer flink achterhaald – en voegen daar geen groter verhaal aan toe, geen originele gedachte. Het sterkt me in de gedachte: wanneer ik over muziek schrijf, moet ik niet zulke allesomvattende stukken proberen te schrijven, en het een slag persoonlijker proberen te maken. Toch blijf ik doorlezen, meer ter voorbereiding voor het stuk dat ik eens aan Albarn wil wijden dan omdat deze biografie zo verfrissend is. Al met al meer een luister- dan een leesdavies, eigenlijk. Wie Albarn niet kent, sla dit  boek gerust over, en toets zijn naam eens in op YouTube.

De biografie van Damon Albarn is verschenen bij Music Press.

Lezen leidt tot schrijven leidt tot lezen. Dus wat leest de redactie van de Revisor? Deze week lazen wij Heinrich Böll, Yvonne Scholten, Maggie Nelson en Gilles van der Loo.

Jan van Mersbergen: Heinrich Böll, Eng is de poort

Bij Nobelprijswinnaars verwacht je grootse zinnen, meeslepende verhalen, ware literatuur. Böll laat zien dat een klein verhaal met kleine karakters en met eenvoudige zinnen voldoende kan zijn. Hij begint hoofdstuk 8 met: ‘De cake was goed gelukt.’ Een prima zin. Handeling en sfeer zijn duidelijk, en iedere lezer weet meteen dat we gaan inzoomen op het leven van deze vertelster, die naast haar man opereert die ook verteller is. De vertaling is van 1968 en het Nederlands past in die tijd. Vandaar ook de Bijbelse vertaaltitel. De oorspronkelijke titel is Und sagte kein einziges Wort. Dat is sterker, beeldender en heeft meer spanning. De man en de vrouw zijn getrouwd maar leven apart van elkaar in het na-oorlogse Duitsland dat veel problemen kent, die allemaal aan de orde komen in een huiselijke sfeer: hoe deze twee wonen, werken, leven. Dat maakt deze roman klein en tegelijk universeel, want het is heel moeilijk je voor te stellen hoe het leven in die tijd en in dat land was, maar als je dit leest blijkt het leven van toen niet zo veel te verschillen van het leven nu, en dat is de kracht die Böll vanuit zijn proza spreken.

Eng is de poort is uitgegeven bij achtereenvolgens Allert de Lange, Contact en Bert Bakker. Bij Boekwinkeltjes.nl zijn verschillende edities te vinden.

Marjolijn van Heemstra: Yvonne Scholten, Fanny Schoonheyt. Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse burgeroorlog

Het wordt mij nooit helemaal duidelijk volgens welk principe boeken worden uitgestald op de lage tafels in de hal van de OBA. Een allegaartje van nieuwe en oude dingen, fictie en non-fictie, jeugd- en volwassen literatuur. Nu lag daar plotseling Fanny Schoonheyt tussen, een boek uit 2011, dat mijn aandacht trok vanwege de lange ondertitel: Een Nederlands meisje strijdt in de Spaanse burgeroorlog. Sinds ik George Orwells prachtige Hommage to Catalonia las, ben ik gefascineerd door die idiote oorlog, dus nam ik Fanny Schoonheyt mee.

In het boek onderzoekt journaliste Yvonne Scholten de vergeten geschiedenis van een Rotterdams meisje dat het aan het Spaanse front schopte tot ‘koningin van de mitrailleur’. Het is voorlopig (ik ben nu op tweederde) journalistiek in de strikte zin: veel feiten en weinig persoonlijke bespiegelingen van de schrijfster. Dat laatste had ik graag iets meer gezien, maar het is al met al fijn om te lezen, helder van taal en structuur. Fanny zelf blijft voorlopig nog een mysterie, maar zoals wel vaker in zo’n zoektocht is het de ‘bijvangst’ die het interessantst is. Verhalen van mensen die haar gekend hebben en terugblikken op die tijd; het residu van brieven, artikelen, foto’s en anekdotes dat de schrijfster rondom deze geschiedenis ophaalt.

Fanny Schoonheyt verscheen bij uitgeverij Meulenhoff en is, zeer lovenswaardig bij zo’n relatief oud boek, nog steeds te koop. Er staat een fragment (PDF) uit op hun site.

Daan Stoffelsen: Maggie Nelson, The Argonauts

Nog een stuk over bevallingen? Na alles wat ik voor de Revisor er al over schreef stuitte ik op de indrukwekkende novelle van Pamela Ehrens, Eleven Hours (die elf uur is dan de duur van een bevalling, in dit geval, inclusief de botsing tussen claimcultuur, medicalisering, traditional birth assistance, geboorteplannen – en eenzaamheid, natuurlijk eenzaamheid), en bedacht ik me dat er nog meer over te schrijven viel, persoonlijker, maatschappelijker én over literatuur. En toen vertelde collega Marjolijn aan Trouw dat ze Maggie Nelsons The Argonauts ging lezen, juist omdat het ook over zwangerschap en bevalling gaat. Ik hoorde het gonzen rond dit boek, schrijvers van ‘onze’ generatie (Nina PolakNiña Weijers, Miriam Rasch) hebben het gelezen.

Marjolijn nog niet, en ik begon met aarzeling. Nelson spreekt vanuit een achtergrond – de homoseksuele/LTGB-gemeenschap – en met achtergrondkennis – feministische en genderstudies, filosofie, cultuurwetenschap – die ver van me af staat. Het gaat over Judith Butler, over heteronormativiteit, over de worsteling met de seksuele identiteit en oriëntatie van de genderfluïde vader van haar kind. Bent u daar nog? Ik weet niet of ik het half begrijp. Maar het gaat ook over de liefde, en als Nelson citeert, dan citeert ze raak:

‘Barthes describes how the subject who utters the phrase “I love you” is like “the Argonaut renewing his ship during its voyage without changing its name.” Just as the Argo’s parts may be replaced over time but the boat is still called the Argo, whenever the lover utters the phrase “I love you,” its meaning must be renewed by each use, as “the very task of love and of language is to give to one and the same phrase inflections which will be forever new.” I thought the passage was romantic. You read it as a possible retraction. In retrospect, I guess it was both.’

De metafoor van de Argo blijft ijzersterk, ook in deze variant, juist in deze variant, juist ook met deze twijfel.

En ze schrijft dit: ‘Is there something inherently queer about pregnancy itself, insofar as it profoundly alters one’s “normal” state, and occassions a radical intimacy with – and radical alienation from – one’s body? How can an experience so profoundly strange and wild and transformative also symbolize or enact the ultimate conformity?’ Dat zijn interessante en belangrijke vragen. Ze stelt ze continu: wat is identiteit, hoe ben je jezelf, met wie, lichamelijk en geestelijk? Volgens mijn e-reader heb ik nog 10% te gaan – en de bevallingsscène moet nog komen. Dat essay komt er.

The Argonauts verscheen bij Melville House. Er verschijnt een Nederlandse vertaling bij Atlas Contact, komende maand, door Nicolette Hoekmeijer. Lees hier en hier fragmenten uit de Engelse editie. Pamela Ehrens’ boek verscheen bij Tin House Books, hier een fragment, en hier een essay over waarom er niet over bevallingen wordt geschreven. (Onzin, heb ik al wel eens betoogd, maar goed, een heel boek lang, dat doet niemand haar na.)

Thomas Heerma van Voss: Gilles van der Loo, Het jasje van Luis Martín

Een Nederlandse roman waar ik al een poos naar uitkijk is de nieuwe Gilles van der Loo, Het jasje van Luis Martín. Volgens mij verschijnt de roman pas volgende maand, misschien nog later, maar ik heb het voorrecht als (late) meelezer te fungeren. Eerder verschenen van Van der Loo’s hand de verhalenbundel Hier sneeuwt het nooit en de roman Het laatste kind, die ik beide met veel genoegen las; ik houd van Van der Loo’s scherpe observaties, zijn kalme toon, de sprekende scènes – en blijkbaar had ik dat waarderende oordeel ooit laten blijken, en dacht Van der Loo ook nog dat ik (als buitenstaander) iets zinnigs te zeggen zou hebben over zijn nieuwe werk, want hij vroeg me tot mijn verbazing dus of ik wilde meelezen.
Ik ben nu op drie kwart van Het jasje van Luis Martín en wat me bevalt is de afwisseling. Van tempo, van toon, van tijd, zelfs van perspectief. De hoofdlijn in de tegenwoordige tijd: Issa heeft een kind dat amper slaapt, die slaapproblemen drijven zijn ouders ook tot waanzin, maar dan begint Issa te vertellen over de titelheld, Luis Martín. Intussen duikt Luis Martín ook veelvuldig op in de gedachten van Issa, en schrijft hij deels onbewust zelfs over hem – niet de enige suggestie dat dit om een autobiografisch boek gaat, maar dat terzijde. Het heeft, zo wordt algauw duidelijk, alles te maken met het verleden: Issa heeft deze Luis Martín nooit ontmoet, maar kent hem via zijn inmiddels overleden beste vriend, Gijs.
Verhaallijn 2, de verleden tijd: in Amsterdam ontwikkelde zich, rond het jaar 2000, een hechte vriendschap tussen Issa en deze wat ondoorgrondelijke (maar innemende) Gijs, die dan nog bruist van het leven, en vanzelfsprekend niet eens vermoedt dat hij op een dag uit het niets zal overlijden. Prachtige scènes zitten daar tussen, waarin hun werk in de Amsterdamse horeca met veel gevoel voor geur en smaak wordt beschreven. Nooit eerder waande ik me bij het lezen zozeer in Amsterdamse cafés, in De Pels, in Zeppos, noem het maar op. Knap gedaan, en de afwisseling tussen de tijden werkt sowieso goed – want naast de twee net genoemde verhaallijnen zin er ook nog losse hoofdstukken over die Luis Martín in de roman. Van die verhaallijn raken de scènes me het minste, maar ik sluit niet uit dat in het laatste gedeelte van deze strakke en met een aangename vaart vertelde roman het geheel en alle onderlinge verbanden nog duidelijk worden.

Volgens de laatste informatie verschijnt Het jasje van Luis Martin 1 november, bij Van Oorschot. Reserveren kan daar.