Halverwege de tweede trap hoorde hij de ketel verschrikkelijk hard fluiten en haastte hij zich terug naar de keuken. Hij draaide het gas uit en liep terug naar boven, drie verdiepingen hoog, meer dan negentig treden. Boven moest hij even bekomen van de inspanning. Toen hij de zolderladder naar beneden trok, viel er een plasje ijskoud water over zijn gezicht. Hij nam de zaklamp van het haakje en beklom met een klein hart de treden.

Ze hadden het huis gekocht toen zijn vrouw voor het eerst zwanger was. Het was meer dan honderd jaar oud maar had een goede ligging, een tuintje, was bovenal betaalbaar en had, zoals ze het zelf in hun enthousiasme formuleerden bij de notaris, een waaier aan mogelijkheden. Dat er op zolder een regenpijp liep wisten ze, dat had de eigenaar hun eerlijk verteld. Pas nu, op de ladder, begreep Peter Maes het belang van de mededeling die hij en zijn vrouw toen als een verwaarloosbaar detail hadden weggewuifd. De plas water die op zolder lag kon hij alleen maar verklaren doordat de buis, waarin water was blijven staan, gesprongen was. Door de strenge winter moest het water bevroren zijn. Hij scheen met de zaklamp in het water en zag hoe het door een spleet tot in de schouw liep.

Wie kon hij voor dit probleem raadplegen? Hij surfte op het internet, tikte woorden in als ‘lekken’, ‘vocht’, ‘gesprongen buizen’ en kwam bij een firma terecht die volgens de website alles deed, van afbraak via dakwerken, elektriciteit, loodgieterij, hout- en plakwerk tot vloeren, schilderen en betegelen. Hij tikte het nummer in en ging voor het schuifraam staan. Op een kale tak zat de eenogige kraai.
‘Wel,’ zei Peter Maes tegen hem, ‘kun jij me niet helpen?’ Hij maakte een afspraak met de aannemer van firma Fiksal.

Zijn dochtertje klom op zijn schoot en vroeg of hij paarden had gezien in Amsterdamster, en luchtballonnen. Hij maakte het zakje voor haar open en gaf haar een snoepje in de vorm van een apenkop.
‘Ik heb aapjes gezien in Amsterdam, aapjes en varkentjes.’
Hij vertelde zijn vrouw dat er een lek was, dat hij een aannemer had gebeld en dat ze vandaag de haard niet konden gebruiken. Zij had het getik niet gehoord.

Hij sliep slecht. Rond half één had hij zijn oudste dochter horen thuiskomen en was hij naar beneden gegaan. Ze hadden samen een kop thee gedronken, nog een half uurtje over koetjes en kalfjes gepraat, over haar kendo-gevecht van volgende week en haar scriptie.
‘Hoor je dat ook,’ vroeg hij nadat ze van hun thee hadden genipt.
‘Wat?’
‘Dat getik,’ en terwijl ze nee schudde, weerklonk een lugubere, doffe klap tegen het schuifraam.
‘Papa,’ piepte ze.
De eenogige kraai lag versuft op het terras.

*

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton Verbouwingen voor Revisor.nl. Dit is de tweede aflevering, van tien.

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton ‘Verbouwingen’ voor De Revisor. Dit is de eerste aflevering, van tien.

De lezingen die Peter Maes over de hele wereld gaf trokken volle zalen. Zijn filmpje van een kraai met één oog die een klein koolmeesje dat in het gras was gevallen heel voorzichtig oppakt en naar het nest terugbrengt was meer dan een miljoen keer bekeken, en de reacties waren onverdeeld positief.

Alleen in de academische wereld was er onenigheid. Vooral Amerikaanse onderzoekers konden de gebeurtenis moeilijk plaatsen; een evolutiebioloog aan de universiteit van Michigan ging er zelfs van uit dat het filmpje nep was, maar ook in Parijs en Leuven verschenen sceptische artikelen. Een uitzondering, noemden ze het, een toevalstreffer. In Tokyo daarentegen reageerden ze eerder lauw. Ze waren best enthousiast over het voorvalletje, maar beschouwden het als iets normaals.

Zelf zei Peter Maes tijdens een interview met De Groene Amsterdammer dat zoiets inderdaad niet wereldschokkend was, dat de natuur vol voorbeelden zat waar al dan niet soortgenoten elkaar helpen zonder er iets voor terug te hoeven krijgen. ‘Je moet alleen maar goed kijken, en het willen zien.’ En op de vraag waarom hij dacht dat de kraai het meesje had geholpen, antwoordde hij toen dat de kraai zich misschien beter in het meesje kon inleven vanwege zijn handicap.
‘Zouden we er vanuit kunnen gaan dat de kraai uit vrije wil heeft gehandeld,’ vroeg de interviewer, waarop Peter Maes zei dat ook wij niet over een vrije wil beschikken, maar over al dan niet nobele instincten.
‘Kraaien zijn ook heel slimme vogels, handig en innovatief. Een team in Oxford heeft tot hun grote verbazing gezien hoe een vrouwtjeskraai een recht stuk ijzerdraad tot een haakje heeft gebogen om een emmertje met voedsel uit een plastic buis te vissen.’
‘Dat moet die kraai dan toch aangeleerd zijn?’
‘In de natuur maakt de kraai geen gebruik van ijzerdraad, maar van allerhande takjes die hij tot een gebruiksvoorwerp omtovert. De kraai in Oxford was in het wild gevangen en had hoogstwaarschijnlijk nog nooit een ijzerdraad gezien.’
‘Kan dat dan ook een instinct zijn in plaats van een inzicht?’
‘Misschien.’

Tijdens de terugreis bleef het interview hem bezighouden. Hij zette zijn laptop aan en schrapte het woord ‘goede’ in de titel van het laatste hoofdstuk van het boek waarmee hij een onderzoek van meer dan tien jaar wilde afsluiten: ‘De goede kraai en het koolmeesje’ werd ‘De kraai en het koolmeesje’. Als we adjectieven nodig hebben, dacht hij in zichzelf, dan zo weinig mogelijk terwijl hij naar het voorbijrazende landschap keek.

Thuis nam hij een douche, zette water op voor thee en besloot nog wat aan het laatste hoofdstuk van zijn boek te werken; zijn vrouw zou vandaag hun dochtertje van school halen. Hij had voor haar een zakje snoepgoed meegebracht uit Amsterdam, en voor zijn vrouw kleine stroopwafeltjes. Toen hij de verrassingen op de keukentafel zette, werd zijn aandacht getrokken door een getik dat hij niet herkende. Hij rechtte zijn rug, inspecteerde de theeketel en liep naar de woonkamer.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

In Londen zijn mijn buren onzichtbaar. Ik woon boven een krakkemikkig winkelstraatje dat als mikadostokjes bij elkaar gehouden wordt. Een dun laagje viezigheid bedekt de gevels aan de overkant. Niemand heeft inkijk. De zon gebruikt de ramen als spiegel om in terug te kaatsen.

De aanwezigheid van buren drukt zich in ritmes uit. Boven staat iemand op van de bank. De onderbuurvrouw drukt rond het middaguur het stroef scharnierende hekwerk van haar nagelstudio omhoog. Het piept zoals ik me de geluiden in een vochtige kerker voorstel. Ergens beneden zit om het half uur een ingemetselde telefoon de hele ringtone uit. De stortbak uit een nabije badkamer klinkt als een schip dat toetert bij binnenkomst in de haven.

Mijn moeder moest vorige week naar de crematie van onze vroegere buurman, die destijds samen met zijn ranke vrouw van z’n pensioen genoot. De plechtigheid die nog geen twintig minuten duurde, paste goed bij de ingesnoerde man die hij altijd was geweest. Voor elke bezigheid had hij een ander pak. Hij droeg hoge laarzen als hij met een grote blazer de bladeren voor zijn huis opruimde. De sering, die voor het grootste deel bij ons in de tuin stond, snoeide hij met een veiligheidsbril op terwijl zijn vrouw op de achtergrond met een stofdoek de naden van de buitenkozijnen natrok, zoals alle dinsdagen. Ze was zo tenger en haar bewegingen zo licht, dat het leek alsof haar handen niets echt aanraakten. Elke dag om half vier stapten ze in de auto om in een restaurant een gebakje te eten. Alle avonden ging met een timer vanzelf het licht uit.

Mijn moeder heb ik een keer horen vloeken om de buurman toen hij de sering in het vuur van zijn precisie veel te kort had gesnoeid, maar voor de rest waren de buren aardige mensen. Tijdens de plechtigheid was de buurvrouw nog dunner. Er was zo weinig van haar over, dat het leek alsof ze met het oprollen van haar mouwen, zichzelf had weggestroopt.

Als ik ’s ochtends op weg ben naar m’n werk, loop ik tussen vastberaden mensen bij wie de damp uit hun koffiebekers hun gezicht verwarmt. Rijen sportschoenen drijven de dag aan en terwijl mensen aansluiten of afslaan, wordt in de koude morgen de zon achter de gebouwen omhoog getrokken.

Soms blijf ik een dag binnen om het dwingende ritme te negeren dat buiten de muren slaat, de opgetelde hartslag van zeven-en-een-half miljoen mensen. Ik luister dan naar mijn buren. Op mijn eigen tempo kan ik door het huis sloffen. In de vensterbank strekt een plant zijn bladeren, doet tai chi met het beetje zon dat door het raam naar binnenvalt. De vrouw van de nagelstudio leest een tijdschrift naast de ingemetselde telefoon en de buurman blijft onverstoorbaar de sering van mijn moeder snoeien door alle seizoenen heen.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Op een namiddag zit ik op de boot die als pendeldienst van de westoever naar het oosten vaart, maar ook door toeristen wordt gebruikt. De stad trekt in een optelling van hoogtepunten voorbij. Op het schermpje van een camera zie ik de foto die mijn buurman van de Houses of Parliament maakt. De ondergaande zon wordt tussen de Big Ben en het naastliggende gebouw geklemd. De vrienden van de man maken dezelfde foto.

Jan Wolkers zei eens dat hij in de trein liever achteruit zat, omdat hij het uitzicht dan langer kon bekijken. Het maakt veel uit of je een beeld langzaam kleiner ziet worden tot het verdwijnt of dat het over afstand aan komt stormen. Een bomenrij die boom voor boom, nu nu nu voorbij komt zoeven, is een andere dan de rij die als een geheel van je weg beweegt. Ik vraag me af of de foto’s van het groepje vrienden daarvoor bedoeld zijn. Thuis zouden ze het uitzicht rustig kunnen terugkijken. Of zouden ze erachter komen dat het door de schermpjes van hun camera’s was geglipt?

Een paar weken geleden ging ik naar een tentoonstelling in het British Museum, samengesteld door de kunstenaar Grayson Perry. Twee jaar bracht hij door in het depot van het museum en koos uit alle tijden en bevolkingen zijn favoriete objecten. Deze objecten stonden samen met Perry’s eigen werk tentoongesteld: keramieke vazen waarop foto’s, verf en tekst onder een glanslaag zijn verenigd.

In de eerste vitrine na binnenkomst staat zo’n vaas. In een drukke collage van foto’s en schilderingen vertellen mensen waarom ze naar deze expositie zijn gekomen. In tekstballonnetjes zeggen ze dingen als ‘My friend liked it’ en ‘There was such a buzz about it on Twitter’.

De vaas heeft de titel You are here en wijst naar mijn voeten die voor de vitrine staan.

Facebook en Twitter doen dat ook. Ze wijzen de hele tijd naar wat er nu gebeurt. Het moet worden uitgesproken en gedeeld, om te kunnen bestaan. Als een schaduw zit het aan de deelnemer vast, alleen is het niet zoiets onbenaderbaars als de zon, maar de deelnemer zelf die de vorm ervan bepaalt.

Op de boot test ik Wolkers’ stelling zoals ik dat vaker doe, omdat ik nog steeds niet helemaal zeker ben van zijn gelijk. De Royal Festival Hall en het National Theatre kondigen zich als logge beesten op de oever aan. Als ik achteromkijk, worden met een krimpende St. Paul’s Cathedral de hoogteverschillen tussen de gebouwen kleiner, totdat ze vervlakken tot een maquette.

Op elk artefact dat Grayson Perry voor zijn tentoonstelling koos, is iets verhalends te lezen. In een stuk steen uit 200 v. Chr is de verdedigingsmuur rond een Chinese stad gekerfd, een Mesopotamisch kleiblok toont twee zoenende mensen, een middeleeuws insigne een strijdbare man op een paard. De objecten vertellen nu iets over vroeger, maar toen vertelden ze over hun eigen tijd. Nooit hadden de Grieken kunnen vermoeden dat we hun levens weer in elkaar zouden zetten met opgegraven potscherven.

Op de vazen vertellen sportende mannen, liefdesscènes en drinkgelagen over het dagelijks leven zoals er op Facebook wordt gekeuveld over een feest. Dit is de zon die ondergaat bij de Big Ben, dit is het concert dat ik heb bijgewoond. Dit waren de speerwerpers in het stadion.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Oxford Street, de belangrijkste winkelstraat van Londen, is afgezet. Zonder auto’s is er meer ruimte voor winkelende voetgangers. Kleine orkesten spelen kerstliedjes. Het verkeer wordt in een bocht langs de dranghekken geleid, waarachter zo veel mensen lopen dat het lijkt alsof er niets beweegt. De afzetting wordt bewaakt door mannen in fluorescerende hesjes, die joviaal met elkaar lachen.

Ik was te laat voor een afspraak en moest me door de ontspannen winkelende menigte persen, toen ik vanuit de trapingang van een metro een klarinet hoorde. De muzikant was niet te zien. Toch had hij zichzelf en zijn muziek, die zich onder de straat over het plafond van de tunnel verplaatste om rond de schouders van gehaaste mensen neer te dalen, zichtbaar gemaakt.

Een straat is altijd heel veel straten, afhankelijk van het punt waarop je je bevindt. Maar het was in de dubbeldekkerbus dat ik me voor het eerst bewust werd van de lagen boven en onder de grond. Vanaf de bovenste verdieping van de bus trekt een andere stad voorbij. Buitenmuren worden bedekt door schotelantennes en roestige ventilatoren, op platte daken scharrelen kippen onder een hok van gaas. Ik wissel een blik met een man in een kantoor die van z’n bureau opkijkt. Ineens is het mogelijk om in de bouwputten te kijken, die als plotselinge open plekken in een bos, tussen de nauwsluitende gebouwen verschijnen. Nooit zag ik ze, want op de grond neem ik de schuttingen hoger dan mezelf, ongemerkt voor gevels aan.

In Nederland werd ik pas bepaald bij wat er boven of onder me gebeurde als ik een heipaal met geweld de grond in zag slaan. Nooit hoefde ik lang te zoeken naar een plek waar lucht en land elkaar zichtbaar raken. Er is altijd ergens ruimte, waardoor je gemakkelijk een overzichtsopname kan maken.
Hier is dat veel moeilijker. In het labyrint van hoge gebouwen is er altijd iets dat de uitgang blokkeert. Juist omdat alles zo hoog is, wordt de grond veel horizontaler. Elke stap die ik voor- of achteruit doe, is een verplaatsing op een vlakke lijn. Nooit gaat de lijn achteruit, hij stopt hoogstens even als ik ga slapen. De man die tussen de bureaus van z’n collega’s naar de kopieermachine loopt, verplaatst zich op dezelfde lijn, alleen een paar niveaus hoger. Alles is een spel van horizontalen en verticalen, Mondriaan had gelijk, er zijn geen diagonalen.

Vorig jaar was ik op zonvakantie in Portugal. Er waren bijna geen mensen op het kleine strandje, het was een doordeweekse dag. Met mijn oren onder water, lag ik plat op m’n rug in zee. De lucht was egaal blauw, het water lag stil om me heen. Na een tijdje moest ik overeind komen, misselijk omdat ik niet meer wist waar ik in de volgorde was – bodem, lichaam, lucht, water – een stapeling van horizontalen.

Omdat ook een dubbeldekker gaat vervelen, neem ik nu de fiets. Een van de beste ervaringen is het oversteken van de Thames via de Londen Bridge. Met een bocht wordt je vanuit het kluwen gebouwen de brug opgeduwd, waar de overkant zich al onheilspellend aankondigt. Aan beide kanten wordt de horizon herhaald in achter elkaar liggende bruggen. De wind raast over het water en trekt aan mijn fiets. Die paar minuten is het alsof ik even op een bouwterrein mag lopen, waar de zon zonder obstakels inslaat in plaats van voorzichtig door het bladerdak van gebouwen. Maar op een bouwterrein kun je niet blijven, het is een tussenfase. En terwijl de auto’s om de fietsers heen razen en ik mijn blik naar voren gericht probeer te houden, is de brug een vredig interbellum tussen twee stukken stad. Mondriaan had niet helemaal gelijk. Wind is diagonaal.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Een vriendin gaat binnenkort trouwen in de kerk een paar straten van haar huis. Omdat ik te vroeg ben voor ons etentje, ga ik met haar en haar verloofde mee naar een afspraak met de vicar, de predikant, die naast de kerk woont. We steken het aangrenzende plein over. De kerk houdt zich gedeisd in het donker als een uil op een tak die roerloos zijn prooi volgt. De vicar blijkt een tengere vrouw van een jaar of vijftig met pretogen boven haar witte boord. In een bak licht staat ze in de deuropening omringd door kerstkransen, stapels papier en rommeltjes op de grond. Ze laat ons hartelijk binnen. Het is er warm en gezellig. Als ze op een kruk bij de geïmproviseerde kring komt zitten, schuift de split van haar rok omhoog tot ver over haar knie. Mijn vriendin en ik kijken elkaar in een reflex aan. Terwijl de vrouw doorpraat over formaliteiten rond de dienst, trekken haar handen de rok strak. Aan het eind van het gesprek vraagt ze of ik zondag meekom naar de dienst. ‘Het is een hele lieve groep mensen en het zal goed zijn voor je Engels,’ moedigt ze me aan. Ik kom in de verleiding, maar weet ook dat ik niet zal gaan.

Los van een paar stilzwijgende categorieën, — de afgestudeerde, de immigrant, de twintiger — hoor ik hier nog bijna nergens toe. Ik kan zelf m’n groepen kiezen. In een stad als deze, waar iedere dag een wisselende stroom mensen voor de deur langs loopt, lijkt die keuze belangrijker dan op een plek waar je je buren kent en kinderen vanzelfsprekend naar dezelfde basisschool brengt. Studentenfeestjes, de trombosevereniging, de stadstuinvrijwilligers en het hardrockforum, ineens begrijp ik het bestaan ervan. Een groep is je ruggengraat, die je het idee geeft dat je ‘s avonds niet alleen bent als je de deur van het slot draait.

Het ontvangen van de bibliotheekpas was mijn inauguratie in het groepsleven. Nadat de medewerker een verdraaide foto van me had gemaakt met een goedkope webcam, schoof hij het pasje over de desk naar me toe. ‘Welcome, you are now a member of the British Library,’ zei hij zonder intonatie. Ik was ontroerd, maar hij zag het gelukkig niet. Zijn hoofd was alweer naar het beeldscherm gedraaid. Hij zou het die dag nog heel vaak zeggen.

Tegenover metrostation New Cross Gate ligt een pub, waar hoog op de gevel in rode neonletters take courage staat. Elke keer als ik de metro uitstap, kruisen die twee woorden m’n blik. Ze hangen als een titel boven de straat.

Ik heb een baantje dus ik ben deel van de groep die ’s ochtends ergens heen gaat en ik heb mijn bibliotheeklidmaatschap, maar take courage was de eerste groep waar ik bij hoorde. Het is een stille groep, zo toegankelijk dat iedereen die er z’n oog op laat vallen, er automatisch toe behoort.

Ik verbond de neonletters eerst met de kunstacademie die om de hoek van het station ligt. Ik vond het een mooi kunstwerk, dat een mengsel van aanmoediging en geruststelling teweegbracht. Maar courage blijkt een biermerk, door Heineken beheerd. De twee woorden zijn een reclameslogan die rond de jaren vijftig met blauwe stenen in de gevels van de pubs werd gemetseld. De rode neonletters zijn een moderne vertaling hiervan.

In mijn winkelcentrum bidt elke zaterdagochtend voor openingstijd een groep jongeren hardop in een kring voor de pui van de McDonald’s. Ze houden elkaars handen vast en hebben hun ogen dicht. Een paar minuten lang bestaat de buitenwereld niet. Wat straten verderop bouwt op hetzelfde moment de biologische markt z’n kramen op. Twee meisjes met opgerolde yogamatjes op hun rug haasten zich langs de eerste bezoekers terwijl op station New Cross Gate elke vijf minuten een aantal mensen aankomt, waarvan er een of twee, hun blik gebonden aan take courage, wat langer op het platform blijven staan.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Veel mensen hebben hier van de nacht hun dag gemaakt. De grootste supermarkt bij mij in de buurt, TESCO, is 24 uur per dag open. Ik vond dat eerst vooral overbodig, maar nu is er een vreemd soort geruststelling geslopen in het idee dat er achter het kruispunt, achter de huizenrij, een plek altijd toegankelijk is. Als ik er ’s avonds laat heen loop, ligt het uitgestrekte parkeerterrein er verlaten bij. De lantaarnpalen staan opgesteld als stadionlampen die het veld blijven belichten na een wedstrijd, terwijl het geluid van het gonzende publiek nog om de lege tribunes hangt. In grote rode letters gloeit TESCO boven de hallen, het TL-licht knalt uit de ingang, de portier stapelt er mandjes.

Een tijdje reisde ik met de nachtbus naar Parijs. Na het gekeer en gedraai in de stad, kwam de bus op de snelweg. De chauffeur deed vanaf zijn dashboard de lichten boven de stoelen uit. Hij kon het gaspedaal ingedrukt houden. Met het stabiele geronk van de motor op de achtergrond viel ik in een lichte slaap, om in een donkere bus op te lossen in de nacht.

Omdat de sterrenhemel hier slecht te zien is, wordt er een gemaakt. In kantoren die na sluitingstijd tegen het donker afsteken, wisselen verlichte kamers elkaar af met donkere vlakken. Hoe verder het gebouw naar achter staat, hoe vager de lichtpuntjes. Neonlichten knipperen om de aankondigingen van de grote theaters. Reusachtige zoeklichten tasten gebouwen af, glijden over gevels de nacht in, tot ze weer een nieuwe muur raken.

Volgende zomer worden de Olympische Spelen hier gehouden. Op verschillende plekken in de stad worden kraters geslagen om een stadion of zwembad te bouwen. In de buurtkrant zag ik een foto van een jong meisje dat een stuk karton omhoog hield. ‘With the new stadium,’ had ze er met grote letters opgeschreven ‘we don’t need to switch on the kitchen lights anymore’.

Eerst rekende ik de opheffing tussen dag en nacht tot het talent van de mens natuurwetten in te metselen in onze eigen constructies. Een brug door een gebergte en een tunnel onder water, een dag midden in de nacht. Maar steeds meer bezie ik al dat licht, als een bevestiging ván die nacht. Er is niets gewonnen, elke avond weer zetten mensen zich schrap. Donkere gaten worden vermeden. Een bulk licht wordt uit een emmer omhoog gesmeten.

Van de nachtbus was het vervelendste moment de verplichte pauze. Door de lichte slaap heen, hoorde ik het geluid van de motor zakken, de chauffeur had zijn voet van het gaspedaal gehaald. Een bocht werd ingezet, de afrit die leidde naar het wegrestaurant.  Met de andere passagiers strompelde ik in de richting van het restaurant, geïrriteerd omdat we uit de nacht waren gehaald, de nieuw gemaakte dag in.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Het equivalent van de Blokker heb ik hier nog niet gevonden. In mijn buurt bepalen Poundshops de flora en fauna van het huishouden. Plastic kratten, opgestapelde emmers en prullenbakken vormen een landschap voor de ingang van deze winkels. In een langwerpige ruimte zijn onder TL-licht smalle gangpaden gecreëerd waar de dingen uit de schappen puilen. Een monitor bij de kassa houdt door middel van een 6-delig splitscreen alle hoeken in de gaten.

De tegenovergestelde versie van deze shops is de Argos, een winkel zonder spullen. In de ruimte staan verschillende balies en een digitale stem telt nummers af. Op hoge tafels liggen tientallen exemplaren van de geplastificeerde catalogus, waarin je je aankoop uitzoekt. Over 2000 pagina’s is de inhoud van het depot uitgezet. Ik blader via fietshelmen naar bestekladen, van wasmachines naar lego-paleizen en stekkerblokken. Al deze dingen houden zich op achter de balie. Ze wachten tot hun code door iemand wordt ingetoetst, zodat een medewerker de trappen van de loods kan afdalen om met een doosje wasknijpers terug te komen, die neer te leggen bij de afhaalbalie, waar ik met mijn bonnetje op de digitale omroepster wacht.

Boven mijn aanrecht hangt een papiertje waar the beginning of things op staat. Het is een onderdeel van een grotere poster, maar ik heb alleen deze zin als fragment opgehangen. Eerst hing het papiertje boven m’n boekenplank, maar de relatie die er tussen die twee ontstond, vond ik twijfelachtig. Het afdruiprek waar het servies alle kanten op kijkt, leek me een betere plek.

‘Things’ zijn voorwerpen, maar het is tegelijkertijd een verzamelwoord voor lopende zaken. Mijn scheefgezakte servies in het druiprek is onlosmakelijk met die andere betekenis verbonden. Een bord wacht tot ik het oppak, om voor de duur van m’n voetstappen gewiegd te worden in mijn handen, waarna ik het terugleg op de plank. De volgende morgen gaat de zon weer op als ik het keukenkastje opendoe.

Vorige week zag ik de documentaire Waste Land. Hierin worden de mensen gevolgd die op de grootste vuilnisbelt ter wereld werken, Jardim Gramacho, in een buitenwijk van Rio de Janeiro. Elke dag spitten ze de nieuwe ladingen door, die de vuilniswagens uitstorten. Met een grote ton of zak is iedereen op zoek naar een specifiek materiaal, waarvoor een recyclingsbedrijf hen betaalt. Elke opengescheurde vuilniszak vertelt of de eigenaren arm of rijk zijn geweest. Soms komt er tussen al het afval een lichaam tevoorschijn. Een meisje vertelt over die keer dat ze moest overgeven, maar dat ze daarna weer gewoon verder ging met het zoeken naar plastic flessen.

In het café waar ik werk, haal ik met een blauw plastic krat op mijn heupbot, de vieze borden en kopjes van de tafels op. Alles valt over elkaar heen in dat krat, het is een chaos van servies en doordrenkte servetten. De afwasmachine doet er zeven minuten over om het weer dampend schoon te presenteren.

Hoewel ik thuis geen afwasmachine heb waar ik mijn servies bedwelmd door stoom uit trek, maken de borden op het druiprek deel uit van dezelfde magie. De magie van the beginning of things. Voorwerpen spiegelen de levens van mensen. Ze staan op een tijdlijn, dezelfde waaraan wij onderworpen zijn. Ik ken de cyclus van een plastic fles en de wasknijpers van de Argos komen uit dezelfde familie als de wasknijpers die ik had in Amsterdam. Een kopje waarvan ik steeds het oor moet lijmen, is aan ouderdom onderhevig. Mijn borden wachten elke ochtend op de zonsopgang.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor de Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Vorige week moest ik met mijn oppaskinderen naar Mini-Mozart klas. Het is een tweeling van anderhalf jaar. Elke ochtend gaan ze naar een andere activiteit. Mini-Mozart vindt plaats in een gebouw een paar straten verder op, The Young Actors Theatre.

In een volwaardige theaterzaal zit ik met mijn tweeling tussen acht moeders met peuters in een halve cirkel op de grond. Achter een piano ordent een man zijn bladmuziek, een meisje van mijn leeftijd pakt een hoorn uit haar tas. De laatste moeder sluit de deuren, het straatgeluid valt weg. Naast mij geeft een vrouw haar baby borstvoeding, terwijl haar oudste steeds probeert op te staan en weer terugvalt in haar schoot. Andere kinderen rennen rondjes over de zwarte vloer. Als het meisje nadert met een hoorn, zetten m’n oppaskinderen een paar stappen naar achter. Zware, langgerekte tonen blijven hangen in de ruimte. Het meisje heeft haar ogen gesloten, bedeesd drukt ze de knoppen in, de peuters gapen haar aan. Ik voel mijn gewicht naar de grond zakken. Het is een volmaakte hypnose, de stad valt weg, er is alleen nog deze ingedamde plaats.

‘Lovely!’ zegt het meisje enthousiast als ze de hoorn van haar lippen haalt. “So this was a Puccini, now we’ll continue with Bach’. Achter de piano begint de man een friemelige melodie te spelen. Alle peuters staan op, het meisje begint met een stralend gezicht in haar handen te klappen. De peuters doen haar gebaren na, stampen en hupsen om hun moeders heen, laten zich gewillig op hun luiers vallen. ‘’Yes, the mothers too! Lovely, participate!’   

De aanwezigheid van het straatgeluid in mijn kamer heeft door het enkelglas dezelfde sterkte als het gezoem van de koelkast. Alleen sirenes steken erboven uit. Engelse sirenes zijn verontrustend. Een korte opzwepende toon (o-wie o-wie o-wie) wisselt af met lange schrille uithalen die aan het eind met een slinger omhoog zwiepen, waarna een happende pacman wordt afgevuurd. Het geheel wordt steeds onderbroken door een lage, pukkelige toon zoals deze in een quiz bij een fout antwoord klinkt. Geen wonder dat alles op z’n plaats schudt als een ambulance voorbij gaat, de straat in een stuiptrekking achterlatend.

Als ik met de tweeling na Mini-Mozart thuis kom, wijst het meisje op de afstandsbediening van de stereo. Met Chopin op de achtergrond delen we een peer. Ik vraag me af of het een harnas is, waarmee deze ouders hun kinderen willen aankleden en of mijn bovenbuurvrouw haar muziek zo hard aanzet om haar kamer geluidsdicht te maken. Misschien moeten de sirenes met Bach worden vervangen, het zou de criminaliteit positief kunnen beïnvloeden, maar ik betwijfel of dat niet de betutteling zou betekenen van de realiteit. Ook vraag ik me af hoe effectief mijn oordopjes zijn als ik met half succes het buitengeluid vervlak, maar m’n speeksel verdubbeld hard hoor slikken, mijn gedachten hoor touwtrekken in m’n hoofd.

‘There are always a few eccentrics who don’t take the RER to Euro Disneyland’ stond er op een affiche die in de jaren negentig in de Parijse metro hing. Op de affiche een foto van een aantal bejaarden, invaliden, punkrockers en ander tuig dat in een groepje bijeen cynisch lachend naar de camera keek. De reclame had een omgekeerd effect: zelfs als je nooit bij een groep wil horen, kreeg je onweerstaanbaar de neiging bij hen te gaan staan en ook niet de RER naar Euro Disneyland te nemen.

Ik moet aan de affiche denken als ik het gezelschap zie dat op spoor 21 van Brussel-Midi bijeen staat te wachten op de intercity naar Charleroi, rokend in de klamme regen, verknipt, verwilderd. Een van hen kijkt onafgebroken naar de overkapping, het duurt even voordat ik door heb dat ze niet anders kan.

Je moet tien dagen door Charleroi lopen voor je de stad snapt, zegt Xavier Canonne, directeur van het fotomuseum. Ik heb er veertien. Als ik de tiende ervan even weg ben, verbreek ik dan de concentratie?

Waar vind je in het centrum van de stad een voetbalstadium? Waar vind je midden in de stad een kazerne?

Op drie rotondes staan wassen beelden van stripfiguren: Robbedoes, Marsipulami, Lucky Luke.

In de kazerne: het Museum van de Jagers te Voet.

De stad wordt niet meer ingericht door stedenbouwkundigen, maar door ondernemers, zegt Luc Deleu. Er is geen plaats meer voor het individu. Zijn boek ontbreekt op de boekentafel van het kleine festival Livresse. Hij had het mee moeten nemen, moppert de organisator.

Ergens is de flaneur van Walter Benjamin veranderd in Monsieur Hulot zoals die door Playtime van Jacques Tati loopt.

Een stad die zich expulseert, waarvan de randen interessanter zijn dan de stad. De industrie aan de rivier, de heuvels. Gosselies, Marcinelle, Marchienne, Chatelet.

In een fotoboek in de bibliotheek van het fotomuseum: een foto van militaire politie, dranghekken, barricades, rookbommen, op een rotonde waarop Robbedoes een voetbal onder zijn arm houdt en zijn duim opsteekt.

In het Museum voor de Jagers te Voet staat in een vitrine de Shako. Een hoed hoog om de kracht van de neerkomende sabel te breken.

Een metro die dwars door een klein puntbergje steenkoolpuin gaat en dan door de industrie.

*

Erik Lindner liep op zijn veertiende weg uit een biologieles op het Haags Montessori Lyceum en liftte naar Parijs. Later zou hij er een tijd wonen en dichtersbijeenkomsten organiseren. Hij verbleef in Athene, Marseille, Montreal en Taipei en nam deel aan verschillende festivals. Poëzie is nergens hetzelfde, zoveel wil hij onderhand vaststellen. Voor De Revisor houdt hij zijn indrukken bij.