‘Maar de Arabische lente was toch onvermijdelijk? Daarvoor was het niet nodig om koffiedik te lezen, monsieur Qu’bah, een klein kind wist al voor de lente uitbrak dat ze ging komen?’
‘Is dat zo?’
‘Ik wist het in alle geval.’
‘U dacht dat er een ommekeer ging komen, u wist het niet.’
‘Ach ja, u begrijpt wat ik bedoel.’
‘Ja, maar u gebruikt de verkeerde woorden.’
‘Comment?’
‘We gebruiken het woord weten als wat we weten waar en kenbaar is, en de Arabische Lente was niet kenbaar. Veel mensen zagen het niet aankomen. Ze konden het niet weten.’
‘Ik wel.’
‘Nee, u wist het niet, uw taalgebruik maakt de wereld kenbaarder dan hij is, uw woorden helpen een illusie in stand houden.’
‘Ach, schrijvers en kommaneukerij; u begrijpt toch wat ik bedoel, na de winter komt de lente.’

‘Daar gaat het niet om, het gaat om het juiste werkwoord.’
‘Ik ben moe, weet u hoe laat het is?’
‘Dat weet ik zeer goed…’
‘Bent u dat zeker?’
‘Zeer zeker.’
‘Of denkt u dat u weet hoe laat het is; bent u zeker dat uw uurwerk niet achter loopt?’
‘Ik heb er vier.’
‘En die liegen niet?’
‘Ik denk het, ja.’
‘Dus u weet het niet zeker?’
‘U dwaalt af, mijn punt is dat we ervan uitgaan dat we het verleden kunnen begrijpen, en dat we uit dat verleden de toekomst kunnen afleiden, maar zo werkt het niet.’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Dan kon u toch niet weten dat de Arabische Lente ging uitbreken…’
‘Dat heb ik niet beweerd…’
‘Jawel, nog geen minuut geleden zei u dat u het altijd al had geweten dat de revolutie voor de deur stond, dat u geen helderziende hoefde te zijn om dat de voorspellen…’
‘Nu legt u me woorden in de mond die ik nooit heb uitgesproken…’
‘Maar u heeft toch gezegd dat u wist dat de Arabische Lente voor de deur stond, dat gaat u toch niet ontkennen…’
‘Wat ik precies gezegd heb, weet ik niet meer, monsieur Qu’bah, ik weet alleen dat je blind moest zijn om het niet te zien aankomen… een soort buikgevoel…’
‘Goed, maar u wist het niet.’
‘Als u het zegt.’
‘Ik wist het…’
‘U wist wat?’
‘Dat u dat ging zeggen…’
‘Dus wat ik ging zeggen was waar en kenbaar.’
‘Ja, nee, u draait de dingen om…’
‘Ach zo.’
‘U begrijpt best wat ik bedoel.’
‘Om eerlijk te zijn, niet echt, u bazelt maar over taalgebruik en verleden en toekomst, maar wat is de zin ervan?’
‘Dat ik-heb-het-altijd-al-geweten zware gevolgen kan hebben, persoonlijk en maatschappelijk… niemand wist uiteindelijk dat de Arabische Revolutie ging uitbreken…’
‘De blinden niet, nee.’
‘Niemand kon voorspellen dat op elf september 2001 de wereld ging veranderen.’
‘Al Qaida had informatie naar de CIA gestuurd waarin stond dat ze een grote aanslag tegen de Verenigde Staten aan het voorbereiden waren.’
‘Maar niemand kon weten dat zich op dinsdag elf september twee gekaapte passagiersvliegtuigen in de Twin Towers van het WTC zouden boren, dat is… achterafkennis.’
‘Als u het zegt.’
‘Dat zeg ik niet, maar Daniel Kahneman.’
‘Is dat een Jood?’
‘U meent het?’
‘Ik meen wat, monsieur Qu’bah?’
‘Dat u die vraag stelt?’
‘Ik wil gewoon weten of die Kahneman een Jood is.’
‘Ja, maar die vraag roept onvermijdelijk… dingen op.’
‘Uw associaties zijn niet de mijne, u gaat ervan uit dat een Arabische vrouw het woord Jood niet kan gebruiken zonder er het verleden of de Gazastrook bij te betrekken.’
‘En doet u dat niet?’
‘Als ik wil weten of Kahneman een Jood is, is dat omdat ik wil weten of het een Jood is, niet meer en niet minder, u gaat ervan uit dat ik daar andere bedoelingen bij heb, u interpreteert mijn vraag en betrekt er het verleden bij…’
‘Dat is toch niet abnormaal…’
‘Nee, maar u denkt dat u uzelf en het verleden begrijpt en dat u daaruit de toekomst kunt lezen, wel, monsieur Qu’bah, u heeft nog een lange weg af te leggen, u zit er weer een geschiedenisje bij te verzinnen, altijd een verhaaltje achter de hand, geloof me: u zit er goed naast deze keer; zegt u me eerlijk wat u in het koffiedrab heeft gelezen?’
‘Het enige wat ik me herinner is een cirkel op de tafel, een afdruk van de bodem van mijn kopje…’
‘Een ei?’
‘Nee, het leek meer op een ballon.’
‘Ik wist het, een ballon: deze koffielezing is doorprikbaar, monsieur Qu’bah, daarvoor had u mij niet midden in de nacht lastig moeten vallen.’

‘Als u midden in de nacht zonder koffie zit kunt u het ook Qvigstad vragen, monsieur Qu’bah, als u het fijne van de zaak wil weten, moet u bij Qvigstad zijn. Dat is een metafysicus. Die weet alles van het hiernamaals, de toekomst duizend jaar na nu, het leven na de atoomoorlog, embryo’s in reageerbuizen. En nog veel meer… de aandelenkoers… de inflatie… de letteren… en altijd met de glimlach.’
Al goed en wel, maar hoe doe je zoiets: het vragen aan Qvigstad; gesteld dat hij nog leeft? En dan, misschien nog duizend-en-één keer belangrijker: wat vraag je Qvigstad? Je moet natuurlijk een idee hebben van waar je naar toe wilt, een doel so to speak.
‘O nee, monsieur Qu’bah, alles staat geschreven, Maktub, zoals wij hier zeggen, Maktub… het ligt vast, uw verleden en uw toekomst, u moet het alleen nog lezen, in uw koffie.’
‘Of het aan Qvigstad vragen?’
‘Ja, dat is nog beter dan koffie, vraag het aan Qvigstad.’
‘En waar vind ik die Qvigstad?’
‘Gebruik uw verbeelding, koffielezer!’

Qapel, Quaadman met d en dt, Quaasteniet, Quellhorst, Quirido en Querido, Quts en… Qvigstad.
‘Spreek ik met Qvigstad?’
‘Wat dacht u?’
‘Ja, ik bedoel… u bent het?’
‘Nee, ik ben Qvigstad, wat wilt u weten?’
‘Ah… ik, euh, Tunesië heeft me naar u verwezen, ze zeiden dat u beter bent dan koffiedrab.’
‘Zo, beter dan drab, nou, ik heb een hamer met een lange steel, als Tunesië dat wil zeggen.’
‘Nee, ja, Qvigstad, ze zeiden dat u de toekomst kunt zien…’
‘Zien?’
‘Voorspellen.’
‘Zoals ik al zei, ik heb een hamer met een behoorlijk lange steel.’
‘En daarmee kunt u voorspellen wat…’
‘Ja, als Tunesië het zegt.’
‘Wat ik eigenlijk wilde vragen is of de literatuur een toekomst heeft?’
‘Ik heb alleen een hamer, geen sikkel.’
‘U bedoelt?’
‘Dat ik alleen een hamer heb en geen sikkel.’
‘En de toekomst van de letteren?’
‘Zolang er onduidelijkheden zijn, zal er literatuur zijn.’
‘Maar staat de boel niet op instorten? Stapels op stapels op stapels… een boekentoren van Pisa… een boekenberg…’
‘Klimmen.’
‘… auteurs op zoek naar de grootste gemene deler… als het maar verfilmbaar is…’
‘Literatuur is per definitie niet verfilmbaar… wel beklimbaar.’
‘Maar de realiteit is anders.’
‘Daarom heb ik een hamer met een behoorlijk lange steel, ziet u.’
‘Aha.’

‘En?’
‘Ja, die Qvigstad is er me eentje, een kerel uit een stuk, springt over bergen en rivieren met een rugzak vol keien en stenen, kijkt naar de wereld alsof hij van hem is… hij doet me aan Frank Zappa denken… aan God… de schepping doorprikken… longen vullen, hamer in de lucht zwieren… de middelvinger.’
‘U kunt de wereld ook wakker schudden door uzelf in brand te steken, dat hebben we hier in Tunesië gezien… ik las het in mijn koffiedrab… een lange lange rij zich-naar-god-weet-waar-vertakkende dominosteentjes… en het stopt nooit, het blijft zich uitgeslapen uitbreiden, monsieur Qu’bah, zoals Europa dat zich aan het uitrekken is…’
‘Zou dat in de literatuur ook kunnen, zo’n zelfverbranding, een bom onder die boekenberg?’
‘Dat moet u aan Qvigstad vragen.’

‘Angsthazen… mijn deur staat open.’
‘Inbrekers?’
‘Kunnen altijd binnen, daarom zijn het inbrekers.’
‘Zitten er te veel sloten op onze letteren?’
‘Wat denk je zelf?’
‘Dat we allemaal kleine goden moeten zijn…’
‘Zegt wie?’
‘… dat er geen fouten gemaakt mogen worden, alles gepolijst, proper, veilig… ons lijf, onze romans, onze steden, onze tanden…’
‘Wie we zijn is van minder belang, monsieur Qu’bah, wat we willen, daar draait het om… waar wilt u staan binnen pakweg vijf jaar?’
‘Ik had gehoopt dat u dat zou kunnen zeggen.’
‘Ik heb een hamer met een steel van een halve meter, en ik heb moeder aarde een tand uitgeslagen, als u wilt dat de literatuur zich geen vijf jaar meer blijft opstapelen, moet u haar niet bedrijven, maar met een hamer te lijf gaan.’

‘En?’
‘Ik heb een hamer nodig.’
‘Een neef van mij heeft een winkeltje in ijzerwaren, hij heeft vast en zeker wel een hamer…’
‘Ik heb een behoorlijk grote nodig.’
‘Dat moet u aan Qvigstad vragen, hij heeft er een met een heel heel lange steel.’

Er lacht een Chinees duiveltje op de bodem van mijn kopje. Het kan evengoed een neus zijn. Een vierkante. Ik bel Tunesië: ‘Er zit geen logica in, monsieur Qu’bah, u kunt de toekomst niet voorspellen uit een verleden dat u niet kent… er is geen formule…’ Arabische logica van een koffiediklezeres. Ze gaat onweerlegbaar verder: ‘Het gaat erom waar u begint met kijken, doet u dat bij het oortje of juist niet, uw standpunt is van wezenlijk belang, zoals de kleur van de drab dat is.’
‘De kleur?’
‘Oui, la couleur… donkere drab is niet gunstig, lichte wel, en niet alleen de drab heeft een vorm, ook het wit van uw kopje tussen de drab is leesbaar… het is dus best mogelijk dat u in de drab een duivel zag en in de witte tekening van uw kopje een vierkante neus.’
‘En is dat goed of slecht nieuws?’
‘De duivel in uw kopje wil zeggen dat oude vrienden kwade plannen voor u beramen, de neus dat er iemand raad zal komen vragen.’
‘Is dat niet tegenstrijdig?’
‘Monsieur Qu’bah, denkt u toch eens logisch na…’

‘Excuseer, het is nogal laat en ik heb de hele dag…’
‘Als er dus een oude vriend om raad komt vragen, weet u wat u te wachten staat.’
‘O ja?’
‘Laat hem…’
‘Kan het ook een haar zijn?’
‘Vous dites?’
‘Of het ook een oude vriendin kan zijn?’
‘Ik zeg u: laat hem of haar voor geen geld van de wereld binnen, u haalt de duivel in huis, dat staat in uw drab te lezen, het Paard van Troje, monsieur Qu’bah, het Paard van Troje!’
‘In de drab op mijn schoteltje zag ik duidelijk een onderzeeër…’
‘Met of zonder periscoop?’
‘Zonder.’
‘Zeer vervelend, zeer vervelend… was het geen platvis?’
‘Eventueel, ja.’
‘Ziet u wel: gebruik uw intuïtie, zegt de platvis, koffielezer, gebruik uw instinct als er een oude vriend voor de deur staat.’

4 maart 2014, wat zeg ik? 5 maart 2014, er staan twee lelies als periscopen van een kolossale onderzeeër in mijn tuintje in bloei; in het parkje tegenover mijn schrijfkamer de eerste witroze bloesems aan de kerselaar. In plaats van te werken zoek ik in een oude doos oude foto’s van oude vrienden. Ik vind er een drietal: een Chinees, twee Vlamingen en een Hollandse, vier dus. Als een van hen aanbelt laat ik ze niet binnen; de Hollandse zeker niet.

Maar hoe herken je oude vrienden vijfendertig jaar later? In het geval van de Chinees moet dat lukken, hoewel je niet elke Chinees die aanbelt de toegang tot je huis kunt ontzeggen omdat het een Chinees is, wat trouwens ook voor Amerikanen, Oost-Europeanen en Oegandezen geldt; en wat doe je in het geval zo’n Oegandees zegt: ‘I’m your friend.’ Moet je dan vragen of hij een nieuwe, een oude of een neutrale vriend is. Je weet niet wat je in huis haalt.

Ik overweeg sterk als koffie niemand meer binnen te laten. Telefoon. Tunesië. ‘Welke koffie gebruikt u eigenlijk, en welk kannetje?’
‘Douwe Egberts en een Turks kannetje.’
‘Monsieur Qu’bah, u moet café Bondin gebruiken, of Sadok Ben Yedder, mijn neef heeft een zaakje in Brussel, daar vindt u alles wat u nodig heeft om goed te lezen, ook kannetjes, Arabische kannetjes… u wilt toch niet leren paardrijden op een paard met twee poten? Ga naar Brussel, met mijn groeten, mijn neef zal een redelijk prijsje voor u maken.’

Ik naar Brussel. Met de trein. Om koffie. En een kannetje. Tunesische. Onderweg lees ik in mijn Starbucksbekertje dat volgend jaar een oude vriend de Libris wint. Er lacht een duiveltje in mijn neus. Het wil eruit, ik snuit, rijd achterwaarts de toekomst binnen: Tunesië dient een aanvraag in voor lidmaatschap van de Europese Unie. Brussel-Zuid. Dat komt logischerwijze uit.

Er werd mij verteld dat mijn overgrootmoeder als geen ander bij toeval opengeslagen Bijbelteksten kon interpreteren, mijn grootvader kon aan zijn eksteroog en in de gedragingen van spreeuwen, mussen en reigers het weer voorspellen en mijn vader is een krak in getalanalyse. De waarzeggerij stroomt door mijn aderen, ik ben ermee opgegroeid en ze blijft zacht in mij zinderen: een paar zomers geleden heb ik van een Tunesische vrouw uit Sidi Bou Saïd de kunst van het koffielezen geleerd. Omdat ik wat in geldnood zit, heb ik besloten mijn waarzeggerij in praktijk om te zetten. Ik zal me beperken tot voorspellingen betreffende de literatuur en haar vele verschijningsvormen; aan de hand van de kleuren en vormen die zich in een kopje ontsluiten zal ik in haar binnenste kijken. Ik zal zwakke en pijnlijke plekken in haar zien en de toekomst van haar schrijvers en auteurs lezen.

De eerste Turkse koffie die ik bereidde mislukte; door een teveel aan water waarschijnlijk, misschien stond het vuur te hard, maar de koffie kookte over waardoor de blauwgele vlam sissend doofde. Ik belde mijn Tunesische leermeesteres en vroeg of dat iets te betekenen had. ‘Alle begin is moeilijk,’ zei ze, ‘en wees blij dat je een toekomst hebt, ook al geloof je er niet in.’ Daar kon ik niets tegenin brengen. Ze wees me er nog een keer op dat ik de koffie niet mocht laten doorkoken, dat het schuim anders verloren gaat en dat ik dat schuim nodig had. ‘En het is geen Turkse koffie, maar Tunesische koffie, met een dropje oranjebloesemwater.’

Ik zei dat ik geen oranjebloesemwater had. ‘Zonder is ook goed,’ zei ze wat geïrriteerd, ‘ en als je me nu wilt laten slapen, het is drie uur, yallah.’ Zij had er mij nochtans herhaaldelijk op gewezen dat de nacht de beste tijd was om het drab te lezen. Ik begon opnieuw, maar kreeg mijn vuur niet aan omdat de koffie over heel het gasbekken was uitgelopen. Ik streek een lucifer af en stak een ander bekken aan. Ik deed weer een kopje koud water in het kannetje, roerde er nog eens een half lepeltje koffie door en zette het kannetje terug op het vuur; er openbaarde zich een heel boek in de wolk schuim die uit het borrelende inktzwart opsteeg.

Toen de koffie klaar was, ging ik in kleermakerszit op de vloer zitten, dronk, zoals mijn meesteres me had opgedragen, de koffie langs één kant van het kopje, keerde het kopje vervolgens om boven het schoteltje en zette het erop. Daarna draaide ik het geheel drie keer met de wijzers van de klok mee boven mijn hoofd; daar ga ik van uit, ik was bekaf. Ik legde mijn trouwring op het omgekeerde bordje en wachtte. Door een plotse kramp strekte ik mijn linkerbeen waarbij ik het kopje omver stootte. Het licht in de gang ging aan; mijn vrouw.

Ik gebaarde dat ze het licht moest uitdoen terwijl ik het kopje met mijn hele lijf afschermde. Nadat we de drab in het kopje geobserveerd hadden, goot ik hem op het schoteltje. ‘Er is een overeenkomst tussen de vorm in het kopje en die op het schoteltje,’ zei mijn vrouw; ze had gelijk. ‘Precies een broek,’ zei ze. Ze had weer gelijk, in de donkerbruine drab stond inderdaad een broek te lezen. En een broek betekent: goed nieuws van iemand met blond haar!

Ik zag twee weken blonde mensen; op de fiets, in de supermarkt, in mijn dromen, maar niet een die me aansprak, tot mijn goede vriend Peter Terrin me telefoneerde. Hij had goed nieuws: ‘Valéria en ik gaan trouwen.’ ‘Eindelijk!’ riep ik met de gebalde vuist van een tennisser die een punt heeft gescoord, ‘yes, yes, yes!’

Wat kon ik na deze oefening anders doen dan volharden? Wie niet alle dagen vooruit gaat, gaat alle dagen achteruit; ja toch? Dus ben ik er volgende maand weer met meer drab en lettervoorspellingen. Wilt u weten wat het gespikkeld eitje van een kleine mantelmeeuw geschreven in de drab van de literaire koffie betekent? Heeft u een vraag in verband met literatuur in de nabije of verre toekomst: wie wint de Amsterdamsche Kiosk Onderneming Prijs, welke auteurs vertrekken naar de Bezige Bij, welke naar de eeuwige jachtvelden, wie stopt met recenseren, welke tijdschriften gaan over de kop, wie wordt in het Swahili vertaald, gaat Donna Tart nog een boek schrijven? Eén adres: Monsieur Qu’bah.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

De moeder van mijn oppastweeling wilde de kerstman bezoeken. De kerstman hield zich schuil in een getimmerd stalletje in Hyde Park, terwijl een slingerende rij mensen tussen koorden steeds een beetje dichter naar hem toe werd geschoven. Goedhartig zat de man in een decor van gestapelde balen stro. Zelfs in zijn wachten was hij gul.
Het stalletje hoorde bij de Winter Wonderland-kermis, maar deed als attractie niet onder voor de achtbaan. Er stonden net zoveel volwassenen als kinderen in de rij, die met iPhones, film- en fotocamera’s het wachten vastlegden. Het was ijzig koud, de rij schoof traag, de stal lag nog ver uit het zicht. Sommige kinderen begonnen te dreinen, anderen staarden weemoedig in de richting van de druk draaiende apparaten.

In de video Railings maakt de kunstenaar Francis Alÿs een wandeling door Londen. Achteloos ritst hij een houten drumstokje langs alle hekken die hij tegenkomt. Het is niet duidelijk of hij voorop loopt of ergens achteraan. Het tikkende geluid verbindt hem aan elke locatie. Elk hek heeft een andere toonhoogte. Met het stokje raakt hij de hele stad aan.

Ik moest hieraan denken in een vergeten parkje dat ik tegenkwam toen ik nog op zoek was naar een baan. Het parkje lag tussen twee drukke winkelstraten ingeklemd en bleek een kleine begraafplaats. Verweerde zerken stonden op elkaar gedrukt achter gietijzeren hekken, als over elkaar geschoven speelkaarten. Op een bankje streepte ik mislukte sollicitaties af. Een groep kinderen speelde tikkertje en rende met takken achter elkaar aan. Toen ik beter keek naar waar ze omheen renden, bleek het een losse zerk te zijn. Het was het graf van William Blake, dat zomaar omhoog stak tussen de tegels in het midden van het plein. De kinderen sloegen met de takken tegen de hekken, de zerk en elkaar.

Voor mijn tweeling was de kermis al op de stoep voor het huis begonnen. Aan hun rugzakjes werd een koord van een meter vastgeklikt, zodat hun moeder en ik elk met een handvat controle over hun stapjes konden houden. We liepen naar de bushalte. Het meisje drentelde om me heen, verkende de reikwijdte van haar vrijheid. Ik probeerde de riem losjes in een boogje te laten hangen, terwijl ik over de schouder van elke voorbijganger een punt zocht om nonchalant naar te staren.
De tweeling, uitgelaten omdat ze zelf mochten lopen, benoemde elke dubbeldekker die voorbij kwam, ook toen ze er bovenin zaten. Op King’s Cross moesten we van bus wisselen. Ik probeerde het meisje dichtbij me te houden in de modder van samenkoekende mensen, etensresten en over haar heen krommende gebouwen. Ze had nergens last van. Trots bleef ze haar stapjes zetten, recht op een vette duif af in het perkje van een boom.

Sommige dagen als ik de deur uitstap, slaat de stad aan als een geketende Rottweiler. Ik probeer dan recht vooruit te kijken en bedenk dat er toch ook ergens bos is, een jungle, vlak land. Andere dagen wil ik alles aanraken, de slaphangende telefoondraden, de St. Paul bij nacht. Bezie ik afgekloven kippenbotjes op het trottoir als relikwieën van de moderne beschaving, haal ik de stad binnen als een veel te grote vangst.

In een periode waarin ik niet aan een roman wil werken is het herlezen van Jeroen Brouwers’ Bezonken rood geen goed idee, want die kleine roman geeft altijd goeie ideeën. Het boek staat bekend als een kamp-roman, maar voor mij gaat het boek veel meer over een complexe moeder-zoon verhouding.

Op de eerste bladzijde is de moeder gestorven. Brouwers neemt dat als startpunt en grijpt terug op het verleden van zijn moeder, en van hem. Brouwers is meedogenloos. Op pagina 31 zijn moeder en zoon terug in Nederland, net uit een Jappenkamp in Indonesië, en zijn moeder brengt hem naar een Katholiek pensionaat, zoals dat in het boek heet. In Indonesië kon de kleine Jeroen Brouwers er niks aan doen in een kamp te zitten, en zijn moeder ook niet. In Holland was de keuze voor een pensionaat een keuze van zijn moeder. Brouwers voelt zich verraden. Hij zegt:

Waarom heeft men haar in het Jappenkamp niet doodgeslagen?

Een keiharde zin die het complete boek samenvat.

Bezonken rood stoelt sterk op associaties. Brouwers gebruikt flarden van beelden, teksten, gedachten. Daantje gaat op reis is de titel van een kinderboek waaruit zijn moeder hem in het kamp leerde lezen. Het boek was belangrijk voor Brouwers, hij overleefde ermee. In de roman laat hij de titel een aantal maal vallen en soms voegt hij aan andere zinnen toe: ‘stap-stap-stap’. Hij paradeerde achter Japanse militairen aan: stap-stap-stap. Hij vluchtte voor zijn moeder, stap-stap-stap, hij haatte haar. De kleine Jeroen beweegt als een vliegtuigje om de vliegen geen kans te geven op hem te gaan zitten: ‘met gespreide armen rende ik rond, broembroem’. Geluiden in het kamp en in het heden, als hij vliegen doodslaat of met Liza neukt, een geliefde van hem: ‘Têts’. Beelden van vrouwen in het kamp die gemarteld worden linkt hij aan vrouwen die op de Dam protesteren en ketchup op hun kruis smeren. Brouwers maakt kikkergeluiden: ‘kwaak kwaak’.

Brouwers roman is fel bekritiseerd, onder andere door Rudy Kousbroek, die stelde dat de kampen in Europa veel ‘erger’ waren, dat waren per slot van rekening vernietigingskampen. Kousbroek stelde dat veel van Brouwers verhaal fictie is. Verzonnen. Niet echt gebeurd. Brouwers geeft in Bezonken rood zelf al aan dat over de Duitse kampen niemand ooit sprak ‘met vertedering of zelfs heimwee in de stem’. Dit is zijn verhaal, als kind zat hij nu eenmaal in een Jappenkamp.

Het maakt mij niet uit wat erger is. Het is geen wedstrijd. Bezonken rood is een roman, ik lees het als roman. Het is een van de beste Nederlandse romans van de laatste vijftig jaar. Ik herlees het zeker om het jaar. De techniek is verbluffend, het persoonlijke is sterk, zijn stem is helder en krachtig, de pijn is voelbaar. En de roman is kort, ook dat is prettig. Brouwers vertelt zijn verhaal met de woorden en beelden die hij daarvoor nodig heeft. Niet meer, niet minder.

Een idee voor een nieuwe roman heb ik inmiddels. Over een vader en een zoon. Ze gaan samen naar het zwembad, op de enige dag in de week waarop ze elkaar zien. Ze delen een geschiedenis. Een tragisch voorval dat hun levens veranderde. De vader zal de verteller zijn. Ook de vader van de verteller speelt een rol. Dus: zoon, vader, grootvader. Het verhaal speelt in het verleden maar moet een helder beginpunt in het nu hebben. De vragen is: hoe schakel ik tussen de tijd en tussen de personages? Wat zijn hun afzonderlijke thema’s? Hoe zijn die thema’s met elkaar te verenigen of hoe contrasteren juist die thema’s? En vooral: op welke manier kan het in godsnaam een levendige tekst worden die de personages samenbrengt, het drama invoelbaar maakt, die lucht in zich heeft, en tegelijk onder de regels zwaarte heeft?

Bezonken rood geeft ideeën. Bezonken rood schenkt problemen maar ook oplossingen. Een jaar niet schrijven, het is alleen te doen wanneer ik de juiste (lees: nietszeggende) boeken lees. Boeken die je alle zin in schrijven ontnemen. Ze zijn er.

*

In oktober 2011 verscheen Van Mersbergens Naar de overkant van de nacht. De schrijver nam zich voor in 2012 niet aan een roman te werken. Voor De Revisor houdt hij een dagboek bij hoe hem dat af gaat, niet schrijven. Of beter gezegd: niet aan een roman schrijven, want hij heeft opdrachten en lezingen genoeg, maar de ideeën zijn niet tegen te houden…

Peter Maes snoof de bosgeur op rekte zich uit en herkende het gezang van een koolmees. Het was een tijdje geleden dat hij het gehoord had. Er kwamen veel meer lage tonen in voor dan in de liedjes die de koolmezen in de stad zongen. Daar floten ze veel harder en hoger. Hij vond het meesje snel en bekeek het door zijn verrekijker: de zwarte kruin, de witte driehoekige wangvlekken en de brede zwarte band die midden over de gele borst loopt. Hij haalde een paar pinda’s uit zijn zak, legde ze op zijn hand en imiteerde de zang. Het vogeltje draaide zijn kopje een paar keer en stopte met zingen. Peter Maes hield zijn hand met de pindanoten gestrekt voor zich uit.

Het meesje aarzelde, bleef opgewonden naar het voedsel kijken. Wie is die man, dacht het, is hij wel te vertrouwen? Zal die hand mij niet doodknijpen als ik erop land, zij straalt bedrieglijk licht uit, het is niet eens zijn hand maar van een vreemde die in hem rondwaart. Peter Maes viel op zijn knieën.
‘Kom dan toch, ik wil je alleen maar helpen,’ fluisterde hij, ‘kijk dan toch wat voor lekkere pinda’s ik voor je heb.’
Zijn ogen werden vochtig en hij voelde zich wegdraaien. Ondanks dat hij al een paar dagen niet had gegeten, werd hij door onpasselijkheid overmeesterd en viel op zijn buik tussen de bladeren en dennennaalden terwijl hij het gevoel had dat iets vreemds langs zijn mond naar buiten kwam gestroomd.

Het koolmeesje vloog weg.

Het was al aan het schemeren toen hij weer bij bewustzijn kwam. Hij voelde de verrekijker in zijn lege maag duwen; hij leefde nog, maar hij was leeg, leeg als een vogelverschrikker die door zijn lot tegen de grond was geslagen, leeg en zonder enige pretentie: dit is Peter Maes in zijn waarheid en waardigheid; natuurlijk zou hij niemand kunnen vermoorden, hij kon geen vlieg doodslaan. Toen hij één oog opentrok zag hij het koolmeesje dat zich te goed deed aan een pinda.

*

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton Verbouwingen voor Revisor.nl. Dit is de laatste aflevering, van tien.

Zijn vrouw vertrok met hun dochtertje naar haar moeder; hun oudste dochter hadden ze de keuze gelaten. Ze ging mee, ze kon het hem niet vergeven dat hij haar zusje had geslagen. ‘Schrijf je boekje maar over inleving en empathie, mooie praatjes, kinderboeken met clichéhumanisme,’ had ze in een opwelling geroepen. Hij wist dat ze gelijk had. Wat was zijn boek over empathie en moraal bij vogels waard als hij zelf een smeerlap was? Wat was zijn werk nog waard? Hij was niet de eenogige kraai die het koolmeesje had gered, hij had het weerloze meesje een klap gegeven, dat was zijn werkelijkheid en die was ondraaglijk omdat hij zichzelf niet kende, omdat hij zichzelf niet kon kennen.

Zijn uitgever probeerde hem over te halen het boek af te maken, de decaan van de universiteit nodigde hem tevergeefs bij hem thuis uit, zijn vrienden en collega’s trachtten hem te overreden, maar Peter Maes zijn besluit stond vast. Mijn boek en onderzoek kan ons dan wel iets over onszelf leren, veel zal er niet door veranderen. Er kan alleen maar iets veranderen door iets te doen. Je kunt die blanke arrogantie alleen maar opwachten met een geweer in de aanslag, dacht hij.

Omdat de facturen niet meer werden betaald, werd de verbouwing stopgezet. Na een paar rechtszaken werd het huis te koop gesteld. Hij huurde een gemeubeld appartement in het centrum en nam alleen het hoogstnoodzakelijke mee: een standaardwerk over vogels, een verrekijker, zijn laptop en wat kleren; de rest liet hij in de kartonnen dozen in de woonkamer staan.

De maanden daarop waren pijnlijk, verscheurend. Hij brak in in het huis en ging met een moker tekeer tegen de nieuwe muren, hij sloeg de vloer kapot, trok kabels en leidingen uit de vloer en viel op de grond. Hij miste zijn vrouw, zijn dochters en zijn zoon verschrikkelijk. Hij wilde ze zien, ze horen en voelen en om die leegte draaglijk te maken, beet hij zich vast in zijn plan: ze moesten gestopt worden voor ze nog meer gezinnen uit elkaar zouden rukken. ‘Verdelgen, riep hij tegen het tuintje, verdelgen die parasieten.’ Hij werd door de politie uit het huis gehaald en moest een nachtje in de cel.

Hij stond zijn dochtertje aan de schoolpoort op te wachten; de directie was al verwittigd, zijn vrouw had uitdrukkelijk gevraagd haar niet aan hem toe te vertrouwen omdat zijn gedrag onvoorspelbaar was. Ze vreesde dat hij gevaarlijk kon zijn. Hij stond op de tippen van zijn tenen te kijken, maar ze kwam niet. Hij liep een café tegenover school binnen en bestelde een koffie met cognac. Een uur later zag hij zijn vrouw de schoolpoort binnengaan.
Hij wilde naar haar toe lopen, maar weer was daar die vreemde die hem op zijn stoel drukte. Wie moest hij nu vermoorden; die vreemde in hem of de aannemer van firma Fiksal? Hij maakte de balans op: als hij de vreemde in hem zou vermoorden, zou hij misschien opnieuw kunnen beginnen met zijn vrouw en kinderen, en was dat niet waar hij het meeste naar verlangde? Of wilde hij een goede daad stellen, de wereld voor nog meer onheil behoeden? Dat kon hij niet door een boek te schrijven, maar wel door moed en opoffering. Voor wie moest hij kiezen: voor zijn eigen belang of voor het algemeen belang? Had hij wel een keuze?

*

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton Verbouwingen voor Revisor.nl. Dit is de negende aflevering, van tien.

Peter Maes had zich laten vervangen door een collega op het congres in Lissabon. Hij had er wel naar uitgekeken zijn zoon te zien en samen een paar biertjes te drinken, maar de werkelijkheid hield hem in bed. De dokter had hem iets voorgeschreven om te kalmeren, maar Peter Maes werd niet kalm, hij mocht dan wel in bed liggen maar binnenin werd hij geplaagd door beelden die hem vreemd leken, beelden waarvan hij walgde en die hij nooit gezien zou hebben als firma Fiksal zijn huis niet had bezet, hun nest, zoals zijn vrouw het zei.

Hij had van een van de werklieden vernomen dat de aannemer in de hiel van Italië, vlakbij de Adriatische zee een villa met een zwembad aan het bouwen was. Hij tikte de naam van het dorpje in… en plots werd zijn machteloosheid een vraag… of hij iemand zou kunnen vermoorden. Lang hoefde hij er niet over na te denken. Niet dat hij het graag zou doen, maar nu stond hij met zijn rug tegen de muur en besefte dat onderhandelen geen enkele zin meer had. Het ging er niet over of hij het recht had iemand te vermoorden, dat had niemand, het ging om overleven, of – alweer dat nobel instinct – om valsspelers uit te schakelen.

Ik ga het koolmeesje redden, zei hij tegen zichzelf en tikte bijna automatisch het woord ‘pistool’ in de balk van de zoekmachine. Ik ga deze zomer naar het congres in Sicilië en maak een kleine omweg langs de aannemer. Als iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt en de valsspelers helpt opruimen… hij nam een slok cognac.

Een klein jaar later konden ze in de keuken. Ze kochten een fornuis en een koelkast. De loodgieters sloten de nieuwe vaatwasser aan en de kranen bij het nieuwe aanrecht dat Peter Maes zelf in elkaar had geknutseld. Na een paar dagen was er een grote vochtplek op het plafond te zien, daar zorgde blijkbaar een slechte koppeling tussen de buizen van de verwarming voor, iets waar volgens de loodgieter van firma Fiksal niemand iets aan kon doen. Er moest een kleine stukje uit het plafond worden gehaald, verwaarloosbaar.

Zijn dochtertje stond haar tanden te poetsen op het krukje voor de spiegel, ze liet haar bekertje met water vallen. Hij gaf haar een klap in het gezicht. Ze begon stilletjes te huilen en raapte haar bekertje op. Zijn vrouw kwam naar de badkamer gelopen en vroeg wat er scheelde.
‘Wat is er toch met je aan de hand,’ vroeg ze hem, ‘ ik herken je niet meer.’
Ze troostte haar dochtertje terwijl hij naar buiten liep en op de trap een van de loodgieters tegenkwam. ‘Morge, m’neer, vies weertje, hè.’
‘Geloof jij in…,’ vroeg Peter Maes terwijl hij halverwege de trap was blijven staan.
‘Of ik wat,’ vroeg de man die aan de badkamer aanklopte.
‘Laat maar,’ zuchtte Peter Maes en hij liep verder naar beneden, naar buiten zonder te ontbijten en afscheid te nemen van zijn dochters en zijn vrouw.

Hij stond op de brug naar het water te kijken, naar zichzelf, en dacht aan iets wat zijn oudste dochter had voorgelezen toen hij uit Amsterdam was teruggekeerd en niet kon slapen door het getik. ‘Als je recht op je tegenstander instapt en hem het zwaard ontrukt, wordt het zwaard dat op het punt stond je neer te houwen het zwaard dat je tegenstander velt.’
Maar Peter Maes was zijn eigen tegenstander, hij was was tegen zichzelf aan het vechten, tegen een vreemde die sinds zijn geboorte, misschien al in de baarmoeder, in een klein hoekje verscholen zat te glimlachen, zat te wachten tot hij gebeld ging worden om met een geslepen zwaard op de rug het paard te bestijgen en naar zijn doel te vertrekken. Natuurlijk zou hij iemand kunnen vermoorden.

*

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton Verbouwingen voor Revisor.nl. Dit is de achtste aflevering, van tien.

Op een gegeven moment zaten er tien vreemde mannen in zijn huis; twee waren in de nieuwe zolderkamer een metalen constructie aan het plaatsen terwijl in de keuken drie kerels de valse wanden en valse plafonds aan het uitbreken waren waarachter oude en onverantwoorde leidingen liepen. Die leidingen werden door twee loodgieters weggehaald en vervangen. Ondertussen liep Peter Maes met een elektricien rond om te kijken waar de verlichting, de nieuwe stopcontacten en de internetaansluiting moest komen. Hij had frisdrank en chocoladewafels gehaald voor de mannen en buiten twee kratten bier gezet, voor na het werk.

Hij zat met zijn jas aan en muts op voor zijn laptop tussen de dozen van de zolder te zuchten, hij kon zijn adem zien. Hij was doodop en had last van zijn maag; sinds ze de keuken hadden uitgebroken dronk hij meer en hadden ze alleen pizza’s en pitta’s en friet en hamburgers gegeten, een enkele keer waren ze naar een restaurant geweest, een keer naar haar ouders. ‘Over een jaar kunnen we erom lachen,’ had zijn vrouw gezegd, waarop hij een grote slok wijn had genomen.

Er volgde een eerste rekening die veel hoger was dan voorzien. Er waren verschrikkelijk veel werkuren gerekend.
‘Ja mevrouw, als we met een ketel komen en we kunnen er niet mee de trap af, zijn we toch naar u gekomen, anderhalf uur onderweg, het is geen lachertje op de weg, dat weet u, en dan terug met die ketel, dat zijn drie uren, plus de benzine die we hebben verreden.’
‘Dat begrijp ik, maar voor die drie uren staan op de factuur twaalf uren.’
‘Ja mevrouw, drie uur maal vier man personeel, wat dacht u, dat wij dat gaan betalen.’
‘Nee, maar u had toch kunnen zien dat er eerst een nieuwe trap had moeten komen, dan had u de nieuwe ketel nog niet hoeven meebrengen.’
‘Als we ons daar mee moeten bezighouden mevrouw. Als u het betwist kunnen we er een advocaat bij halen, Fiksal heeft nog geen enkel proces verloren.’
‘Nee, nee,’ zuchtte ze, ‘geen advocaten, maar u geeft me de indruk dat u…’
‘Bent u tevreden of niet?’
‘Jawel, zeker, daar gaat het hem niet om, het is gewoon…’
‘Laat ons dan maar alstublieft ons werk doen mevrouw, ik weet niet wat u doet in het leven, maar wij moeten doorwerken, anders komen we in de problemen. Dat er lijken uit de kast vallen in een huis dat ouder is dan honderd jaar lijkt me niet meer dan normaal, wees blij dat we ze gezien hebben. Kijk, mevrouw, stel dat wij het niet zouden melden dat uw leidingen in de keuken slecht, ronduit gevaarlijk zijn, stel dat de vloer, die we eerst hadden gelegd was blijven liggen, en dat het een maand later fout zou gaan met die leidingen, wat dan? U mag van geluk spreken dat we het gezien hebben. We hadden natuurlijk ook kunnen doen alsof onze neus bloedt, de klant wil een vloer, oké, de rest kan ons niet schelen, de klant wil dat het snel gaat, dus… maar zo zit Fiksal niet in elkaar mevrouw.’
‘Maar dan had u toch ook kunnen zeggen dat die trap rot was.’
‘Mevrouw, ofwel u vertrouwt ons, ofwel u zoekt het maar verder uit met een ander bedrijf, wij hebben werk genoeg, geloof me.’

*

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton Verbouwingen voor Revisor.nl. Dit is de zevende aflevering, van tien.