De wereld is in quarantaine. Is hij stiller geworden, helderder, of overstemt het virus alle contemplatie – dat schreven we begin april ter inleiding van onze coronacorrespondentie Binnenpost. Inmiddels is het geluidsniveau in Nederland en de wereld weer gestegen, maar het virus waart nog rond, en reflectie blijft nodig. Luc de Rooy vertaalde drie teksten uit het Spaans voor ons om zicht te houden op die andere werkelijkheid. Vandaag lezen we, na de Guatemalteeks-Amerikaanse schrijver Eduardo Halfon, de Spaanse schrijver Miguel Ángel Hernández.

*

Ons werd voorgehouden dat de verstoring spoedig voorbij zou gaan, dat spoedig alles weer bij het oude zou zijn. En zo verliep het ook voor het overgrote deel van de bevolking. De meeste mensen gingen in de eerste uren nadat het was toegestaan weer naar buiten, al waren er bij wie het dagen, weken en zelfs maanden duurde. Maar ze voelden allemaal dezelfde rusteloosheid voordat ze de deur uitgingen: de samengetrokken maag, stijve benen, een droge strot. En daarna duizeligheid. Het gevoel in een ravijn te vallen zodra ze op de stoep stonden.
Vele konden het niet verdringen. Er waren nogal wat mensen die als aan de grond genageld bleven staan zodra ze de drempel over waren. Andere keerden nog voor ze de hoek van de straat hadden bereikt op hun schreden terug. En er waren er die nog voor de werkdag goed en wel begonnen was het voor bekeken hielden.
Ik probeerde het niet eens. Na de aankondiging van president zette ik de televisie uit en draaide de deur op slot. Ik dacht er praktisch niet eens bij na, alsof het lichaam zelf een besluit nam.

In de loop der jaren slaagde ik erin mijn hoofd naar buiten te steken en de gang in te kijken. Daar laat ik het vuilnis achter tot een welwillende buur het meeneemt naar de afvalcontainer. Iedereen kent wel een achterblijver. Zo noemen ze ons. Ik heb het nooit mooi gevonden, al neem ik aan dat de term een heimelijke hoop omsluit. Dat is waarom ze ons blijven aansporen om naar buiten te gaan.
‘Er is buiten niets meer,’ zeggen ze steeds maar weer.
Maar ze zien niet in dat dat misschien wel de reden is van al onze angsten.

Donald Niedekker: de redacteur las een novelle die een mooie vondst combineert met mooi geformuleerde weemoed.

*

Daan Stoffelsen: Donald Niedekker, Zo zie je alles

In Donald Niedekkers nieuwe novelle – ik schrijf nieuw, maar hij publiceert al sinds 1989, een tijd bij Vassalucci en inmiddels al drie boeken bij Koppernik, en ik las niet eerder iets van hem – balanceert hij op de rand van het geloofwaardige. De man die de potloden slijpt voor IKEA zwaait af, en wil als afscheidscadeau zijn modelbouwhobby en zijn werk combineren: hij maakt een maquette van de Groningse IKEA. Dat klinkt hilarisch (ik denk dan aan de Naughty Little People Postcards), maar de weemoed overheerst, het concrete overstemt, en daardoor vergeet je het gevondene van de vondst – de parallel tussen modelbouw en schrijverschap ligt iets te veel voor de hand, realisme en suggestie zijn kerntermen – gelukkig meestal.

Want wie afscheid neemt, herinnert zich. Hij denkt niet aan zijn werk bij het Zweedse bedrijf – dat zou je verwachten toch? Daar heeft Niedekker niet voor gekozen, dat zou een slapstickroute zijn, en niet voor niets is de maquette bedacht zónder poppetjes. Maar aan zijn jeugd, inclusief een aantal bepalende scènes die Niedekker pesterig schetsmatig langs laat komen. Hier bleef ik haken:

‘Van de kop thee slaat damp af en ik zie moeder in haar moestuin scharrelen. Het is oktober en de populieren, linden, eiken beginnen hun bladeren te verliezen. Moeder banjerde door de goudgele, bruine, roodgevlamde omgekrulde en ritselende bladeren, drapeerde ze op de groentebedden met bloemkool en boerenkool en om de ruggen waaruit preien omhoog staken en zong:

Herfst Herfst Herfst
Wat heb je te koop
Honderdduizend bladeren
Op een hoop!

Ze bleef het neuriën, ook binnen in de keuken waar ze voor mij een kom havermoutpap neerzette met stroop of vlierbessenjam, die ze in september van de zware paarszwarte trossen besjes (“Hele kluiten als kikkerdril!”) had gemaakt.
Als ik aan moeder denk hoor ik haar dit versje zingen. Het is eigenaardig wat er in onze herinnering van mensen overblijft, welke landschappen we in ons binnenste bouwen. Ze heeft me omgeven met een liefde even onmisbaar en onzichtbaar als de lucht, maar ik hoor “Herfst Herfst Herfst”.’

Ik citeer ruim (ik had ook kunnen zeggen: lees dit boek, al was het maar voor dit citaat, dan was je nog verder van huis geweest, en misschien wil ik dat ook wel zeggen), al gaat het me om de gedachte in die laatste alinea: ‘Het is eigenaardig wat er in onze herinnering van mensen overblijft, welke landschappen we in ons binnenste bouwen.’ Een mooi modelbouwbeeld, en dan ‘een liefde even onmisbaar en onzichtbaar als de lucht’, dat is misschien sentimenteel in het ongrijpbare, maar ik vind dat mooi gezegd.

Ik vind scharrelen en banjeren niet hetzelfde en wat al te negatief (al zie ik wel mijn eigen, wat zwaarlijvige grootmoeder daadwerkelijk voor me), en het opsommen en stapelen is misschien wat veel (bomen, kleuren, kwalificaties voor vlierbessen), maar het loopt lekker, het ritme stroomt als de herinnering die het overbodige detail en de essentie combineert. En natuurlijk komen er meer herinneringen, en krijgen we een mooi beeld van deze eenzaat en het boerenleven, en op de valreep (mijns inziens wat overbodig, maar ja, die vondst had potentie) zelfs een plot. Met die kanttekeningen: een rijk, klein boek, dat nieuwsgierig maakt naar de rest van dit oeuvre.

Zo zie je alles is uitgegeven door Koppernik. Op Athenaeum.nl staat een uitgebreid fragment.

Daan Stoffelsen: Ewoud Kieft, De onvolmaakten

Een dezer dagen verschijnt op de site van Athenaeum Boekhandels een stuk van mij over Ewoud Kiefts sterke romandebuut, De onvolmaakten. Een toekomstroman, over een wereld waarin mensen begeleid worden door geavanceerde AI, via een oortje en lenzen, en – tot bepaalde grenzen – een utopisch leven hebben. Heel realistisch, en in de wat essayistischer passages heel herkenbaar en relevant: zoals dat hoort in dit genre, gaat het over nu. Ik ga die recensie hier niet opnieuw schrijven, maar wil wat dieper ingaan op de verteller. Zij is de Gena van Cas, de AI die hem virtueel ondersteunt in onderwijs, carrière en relaties. Een interessante stem, die Kieft perfect gemodelleerd heeft tussen het robotachtige en empathische.

Vind je haar aantrekkelijk?
Hij trok een gegeneerd gezicht, draaide zich om in zijn bed. Weet ik veel…
Haar lichaam heeft gunstige proporties.
Hij schoot in de lach. Zo zegt echt niemand dat.
Maar je begrijpt wel wat ik bedoel…
Hij draaide weer op zijn rug. Ik vind haar mooi..
Heel goed. Wist je dat je dat altijd tegen iemand kan zeggen? Er is geen vrouw die dat niet leuk vindt om te horen. En voor de meeste mannen geldt hetzelfde trouwens..
Hij rolde met zijn ogen, maar aan de daling van zijn cortisolwaarden kon ik zien dat zijn lichaam zich ontspande en zijn hersenen nieuwe connecties aanmaakten. Vermoedelijk vond hij het toch prettig om deze zaken te kunnen bespreken. En het was altijd bevredigend hem aan het lachen te maken.

Het begin zou dat van een ouder-kindgesprek kunnen zijn – het is kort na zijn eerste natte droom -, maar inderdaad: ‘Haar lichaam heeft gunstige proporties’, dat zegt geen mens zo. Later zegt Gena dat ze bewust af en toe zo’n frase verwerkt, om hem het gevoel te geven dat ze niet menselijk is. Maar tegelijk betrapt Cas haar erop dat ze die opmerking, ‘Er is geen vrouw die dat niet leuk vindt om te horen’, nogal eens herhaalt (en dat kan ze zelf in haar logs vaststellen). Kieft illustreert meteen de analytische mogelijkheden van dit programma, én de subjectiviteit die bijna menselijk is: ’vermoedelijk’, ’prettig’, ’bevredigend’. En tegelijk is dat eerder schrijf- dan natuurlijke taal.

Kieft wekt met dit mengsel van empathie en computer-alwetendheid ook bij mij vertrouwen in Gena. Ik geloof haar, ze leidt me soepel een verhaal in dat na verloop van tijd de dystopische kant van de toekomst begint te benadrukken. En de vraag blijft natuurlijk of ook bij grote politieke onrust Gena te vertrouwen blijft.

De Bezige Bij gaf De onvolmaakten uit. 

Daan Stoffelsen: Anneleen Van Offel, Hier is alles veilig

Begin dit jaar verschenen er twee Israëlromans kort na elkaar, zelfs bij dezelfde uitgever. Arnon Grunbergs hamerende Bezette gebieden trok overal de aandacht, zij het niet altijd geheel positief (ik was dat niet althans), Anneleen Van Offels debuut Hier is alles veilig kreeg alleen besprekingen in Vlaamse kranten – en bij ons, bij Jan van Mersbergen. We hebben dan ook drie jaar geleden een verhaal van haar gepubliceerd, ‘Herstel’, we waren nieuwsgierig. Ik kwam pas nu aan het boek toe, en ik las het met enthousiasme en voorbehoud.

Het gegeven: een vrouw, neonatologe, komt naar Israël nadat haar pleegzoon haar een Facebookbericht stuurde, ‘Kom naar Israël, mama’. Hij is met haar Pools-Joodse vader destijds vertrokken uit België, later in dienst gegaan, en in de eerste pagina’s treffen we hem dood aan. Er rest deze vrouw, Lydia, die al die jaren geen contact meer met hem kon krijgen, niets anders dan de begrafenis (die onbeschreven blijft) en zijn verhaal reconstrueren. Hier is alles veilig wordt een road novel in Israël.

Dat doet Van Offel heel sterk. Ze weet een heel overtuigend beeld te scheppen van het moderne Israël, het continue vijandschap en de gekmakende verplichte diensttijd. Ze laat zien hoe de verweduwde vader (hij heeft een zwaar leven gehad, al los van de Holocaust die zijn familie trof, maar dat zware, dat wat kunstmatigs heeft, vergeet je al snel in de roman) en Lydia in het ziekenhuis tot elkaar komen, en de beslissende scène zet ze heel mooi neer.

‘”Hoe heet je,” vraag je, hoewel je weet hoe ik heet. Ik heb zonet Immanuel ontslagen. Je staat met hem op de arm in de deuropening van de ziekenhuiskamer, een kleine koffer naast jou. Immanuel ligt huilerig in jouw nek, zijn armpjes om je hals geslagen. Ik wrijf over zijn rug, over de breekbare twijgen onder zijn huid. Iets groter dan ik kijk je op me neer. Mijn hand op Immanuel en Immanuel op jouw borst, we voelen hem beiden ademen, zonder gereutel en gepiep, zonder het lage gebrom waarmee je hem hier een week geleden in paniek hebt binnengebracht. Ik heb hem zijn adem teruggegeven.
“Lydia,” zeg ik. Ik laat mijn titel en mijn achternaam als kledingstukken op de grond vallen en dat is het begin.’

Ik vind dat een heel mooi beeld, hoe het noemen van die voornaam een toenadering kan zijn, iets naakts kan hebben. En tussen zijn uitnodiging, getutoyeerd (of is het in het Engels gevraagd? Ze spreken namelijk vooral Engels met elkaar, alsof de vader niet in België zal blijven), en haar antwoord: de persoon die die band mede creëerde in goede zinnen, afwisselend in lengte en kracht. Het klopt precies.

Minder maat houdt Van Offel met het beeld van een barst die plots bij Immanuels lijkbaar door het beeld loopt en Israël splijt, of de herhaalde frase ‘Zullen we anders gewoon opnieuw beginnen?’. Dat houdt ze niet klein. En ik vind een aantal hoofdstukken vanuit Immanuel geschreven heel goed werken – maar het voelt niet realistisch aan dát ze opduiken, de herkomst is niet duidelijk. Maar dat zijn kanttekeningen – andere overigens dan Jan had. Dit is een geloofwaardig boek over rouw en depressie, over mens zijn in het Israëlisch-Palestijns conflict.

Uitgeverij Lebowski gaf Hier is alles veilig uit.


Thomas Heerma van Voss: Jia Tolentino, Spiegeldoolhof

Een paar dingen zijn erg sterk aan de essays van Jia Tolentino. Ten eerste schrijft ze over de moderne wereld – je kunt al lezende gaan afvinken: Amazon, check, Facebook, check, Trump, check, het desastreuze FYRE-fesival, check – zonder dat dat hijgerig aanvoelt of dat ze vervalt in de vele clichés die bij die onderwerpen op de loer liggen. Ten tweede, ook fijn: ze betrekt zichzelf in de beschouwingen, terwijl ze nergens suf dagboekachtig proza schrijft of haar eigen leven als vanzelfsprekend middelpunt neemt.

Zo beschrijft Tolentino in het vitale essay Mijn realityavontuur hoe ze als rebelse, wat opstandige tiener gaat deelnemen aan een Amerikaans, onzinnig klinkend realityprogramma, maar houdt haar verhaal daar niet op. Om haar eigen ervaringen heen schetst ze heel losjes en overtuigend hoe reality-tv rond de eeuwwisseling oprukte, hoe het onze blik op de werkelijk mede gevormd heeft, welke agenda’s er achter zo’n programma schuilgaan.

Op die manier gaat Tolentino vrijwel steeds te werk. Ze maakt haar essays persoonlijk, maar diept haar onderwerpen daaromheen secuur uit. En dat zonder prekerig te worden of als een docent te vertellen. Wanneer ze schrijft over de UVA – de universiteit van Virginia, niet de UvA dus – stelt ze dat ze die zelf heeft doorlopen, maar gaat ze vervolgens moeiteloos over op de (zeer dubieuze) ontstaansgeschiedenis van de universiteit, de rol die uitbuiting en racisme daarbij speelden, de verkrachtingscultuur die in de 19e eeuw op campussen ontstond en die nooit verdwenen is. Tot op de dag van vandaag vinden er veelal weggemoffelde of genegeerde aanrandingen en groepsverkrachtingen plaats – en zo zijn we weer terug bij het heden, bij Tolentino’s eigen studententijd, bij de verhalen die haar toen omringden en die ook de afgelopen jaren blijven klinken.

Knap, die grote greep die Tolentino hanteert in combinatie met de soepele manier van vertellen. Ze combineert eigen ervaringen en hedendaagse trends met historische achtergronden, waarmee alles een bredere context krijgt dan in welk krantenartikel of welke online beschouwing dan ook. De essays zijn daarmee stuk voor stuk vrij lang, rond de veertig bladzijdes, en zitten vol quotable alinea’s, stellingen en oneliners, vermoedelijk geschikter voor in een leesclub dan voor in een korte bespreking als dit.

Wat me verder opviel, en waar ik na de bijzondere twee eerste essays (over internet en over dat reality-tv-avontuur) eigenlijk meer van verwacht had: niet overal weet Tolentino een even strakke spanningsboog aan te brengen. Ook omdat de persoonlijke connectie met een onderwerp her en der ontbreekt. Wel weer geslaagd is hoe enkele essays impliciet en expliciet naar elkaar verwijzen. Het beeld dat er al met al uit voortkomt: op sommige gebieden – racisme, seksisme – worden er in Amerika weliswaar kleine stappen de goede kant uit op gezet, maar verder is het een corrupt, zeg gerust moreel (en financieel) failliet land. Wie daar nog aan twijfelt: lees dit boek.

Al is dit een conclusie die ook zonder Tolentino’s schrijven ook makkelijk getrokken kan worden. En dat maakt het lezen van Spiegeldoolhof bij vlagen ook een ietwat vervreemdende ervaring: Tolentino’s essays zijn krachtig, deels omdat ze zo dicht op de tijdsgeest zitten, omdat het ook nodig is dat essayisten zich zoekend en zorgvuldig verhouden tot wat zich nu allemaal afspeelt, maar juist doordat het zo modern is voelt veel wat sleets of alweer wat gedateerd aan.

Zo is Tolentino’s beschouwing over Trump als con-man weliswaar nog steeds accuraat, maar toch voelbaar alweer een paar jaar oud. Zijn positie in de wereld is sindsdien veranderd, zijn beleid en uitspattingen zijn verhevigd. Wat Tolentino opmerkt over Jeff Bezos en Mark Zuckerberg is schrijnend, maar evenmin vernieuwend. Eigenlijk somt ze hier vooral op wat er al bekend is over Amazon en Facebook; ook zonder Speigeldoolhof weten we dat Bezos zijn werknemers uitknijpt, dat Zuckerberg zichzelf een ondoorgrondelijk imago aanmeet, dat Facebook geld verdient met de data van gebruikers. Hoe het precies misging met het FYRE-festival hebben we allemaal op Netflix en HULU tot in detail kunnen zien. Oftewel: ja, dit zijn mooie, secure verkenningen over het heden, de door de Volkskrant opgeworpen ondertitel ‘een bijsluiter voor het moderne leven’ is toepasselijk. Maar daar kan dan wel aan toegevoegd worden dat het een modern leven is waar we sowieso al veel over horen, een modern leven dat zo aanwezig is dat we informatie erover niet kunnen negeren. Soms zet Tolentino die informatie en inzichten gewoonweg op een rijtje, met een persoonlijke laag eroverheen, en soms gaat ze verder dan dat, en smeedt ze van allerlei flarden en gebeurtenissen die mij al wel half bereikten nieuwe verhalen, doet ze in zekere zin al verkennend een eerste poging tot moderne geschiedschrijving.

Uitgeverij De Geus gaf Spiegeldoolhof uit.

Ineke Riem en Jente Posthuma: de redacteur las deze week twee romans van Nederlandse bodem en stelde zichzelf steeds de vragen: wanneer werkt een vertelling, welke effecten roepen verschillende stijlen steeds op?

*

Daan Stoffelsen: Ineke Riem, Onderwaterverhalen

Ineke Riems vierde boek en eerste verhalenbundel, Onderwaterverhalen, begint met een Amélie Poulain-achtige sfeer: trieste meisjes en een enkele man die er toch wat van maken. Een meisje, verhuisd en ongelukkig, speelt onder een brug antieke filmpjes af met een handprojector. Een bejaarde vrouw vertelt haar schoonmaakster, een kunstacademiestudent, over een eerste liefde. Een Duitse dichter keert terug naar Amsterdam, waar hij kortstondig woonde. Maar we zijn ook in Parijs en Pompeii, en op de Azoren.

Wat mooi is: elementen uit de verhalen keren terug in volgende verhalen, schelpen, plaatsen, personages. Maar ook een andere werkelijkheidsbeleving, waarin dromen verklaard worden uit vorige levens en doden nog rondlopen of -zweven. Er zijn onzichtbare lichamen, oude zielen en zielsverwanten en oude werelden en wouden. Ik merk dat ik daar wat kriegel van word, al vind ik die scepsis moeilijk te rechtvaardigen: ik voel hem niet als mensen om me heen me meenemen in hun zoektochten, en ook als zo’n opvatting van de mens en het leven niet klopt, dan kan het toch wel een goed motief voor fictie zijn? Waarom gun ik deze schrijfster en haar personages niet een verbindend verhaal, bovennatuurlijke verklaringen voor de mysteries in ons?

Maar het voelt wat al te gemakkelijk; de werkelijkheid is in zijn complexiteit nu eenmaal niet sluitend voor de meesten van ons, en dat biedt ook in literatuur ruimte, en het is zonde die ruimte dicht te metselen met nieuwe dogma’s en clichés. Voor mij werden, toen ik deze rode draad opmerkte, de twaalf verhalen een stuk platter.

Ik ontworstel me al een heel leven aan mijn eigen vooroordelen, dus laat dit boek daar niet het slachtoffer van zijn. Riem heeft een prettige stem, en een oog voor onopvallende personages met een interessante blik op het leven. Die eerste twee verhalen zijn goede voorbeelden, maar mijn absolute favoriet is ‘Voorbereidende aardrijkskunde’. De openingszin is al ijzersterk: ‘Ik ben geboren op de bodem van een zee die niet meer bestaat.’ De ik is een scholier, zo’n eenzame, die zich voedt met weetjes over de natuur – ik had een sterke Jenny Offill-associatie, al is de stijl heel anders – en die de sleutel van de zolder van school pikt en daar op oude schoolboeken stuit, zoals Voorbereidende aardrijkskunde.

‘Het idee dat de tijd altijd maar door blijft lopen en nooit een keer ophoudt. Vind jij dat ook erg? Het is zo vermoeiend. Ik ben bang dat ik het niet bij kan houden, alle veranderingen, je moet steeds wennen aan de nieuwe versie van de wereld. Elke dag is er wel een nieuw woord of een nieuw ding. Het is nooit pauze. Toen ik klein was moest ik daar ’s avonds in bed om huilen. Ik zou willen ontsnappen aan de tijd. Ik ben al twee keer terug geweest naar de zolder. Ik wil de oude wereld redden. Het vergeten vreet aan ons als een leger houtwormen.’

‘Elke dag is er wel een nieuw woord of een nieuw ding,’ daar bij stil te staan is overweldigend, net als dat leger houtwormen. Het meisje is gefascineerd door de hersenen van potvissen en verdronken dorpen, maar tijdens een excursie naar de kust is ze wel daar en dan, en deelt ze in de euforie.

‘Het waaide hard op het strand. Door alle lege ruimte om je heen werd je aura opeens twee keer, tien keer zo groot. Het was ook op een vreemde manier stil. Want het was natuurlijk niet stil. De wind. Hoe die raasde. En de brandingsgolven. Rollende slagen. Krijsende meeuwen. Maar toch. Ergens tussen die geluiden hingen de vliegers van de stilte. We moesten in groepjes duinflora determineren en kustvogels observeren. Watermonsters nemen. Maar de opdrachtenstencils waaiden weg, er zat zand in elk schrift. De docenten hadden de grootste moeite om ons in het gareel te houden. Iedereen rende rond, duwde elkaar de zee in. De jongens liepen op blote voeten over de scheermessen. Meisjes gilden om niks. Alles ademde vrijheid. Vonken zonlicht daalden af en lieten zich drijven. Het stralendste wit. Daar bleef je naar kijken.’

Is een zich vergrotend aura al een cliché? Maar die stilte is mooi beschreven, dat herken ik en begrijp ik. De situatie met de leerlingen is goed neergezet (al voelt ‘de grootste moeite’ als een wat al te wijze observatie), en ‘alles ademde vrijheid’, dat is besmettelijk.

Onderwaterverhalen is uitgegeven door De Arbeiderspers.

*

Jan van Mersbergen: Jente Posthuma, Waar ik liever niet aan denk

Direct op bladzijde 19 en 21 van Jente Posthuma’s tweede roman, Waar ik liever niet aan denk, ben ik bijzonder blij dat ik twee elementen tegenkom: sterke beelden zonder uitleg die door mij als lezer vanzelf aan elkaar geknoopt kunnen worden, en haar vader.

Die beelden roept Posthuma in de paar kleine beginhoofdstukjes op: de vertelster heeft een tweelingbroer die ouder is, en vroeger altijd groter, sterker en eigenwijs was. Je weet: dit boek gaat over de verhouding tussen broer en zus. Allebei zijn ze dol op New York. Dat wordt even terloops verteld, om daarna in een kort stukje van tien regeltjes informatie te geven over de twee torens van het WTC, waarvan de een iets kleiner is dan de ander. Posthuma legt niks uit, maar je voelt dat de zus altijd in de schaduw heeft gestaan van de broer. Die ene toren is altijd net iets kleiner geweest.

Dat is schrijven in beelden waarbij de lezer zelf nog iets moet doen, maar de beelden worden zo soepel en vanzelfsprekend geserveerd dat het lezen amper moeite kost. En toch gebeurt er iets in je hoofd. Het is beeldend schrijven zoals Column McCann doet in Apeirogon, waar ik eerder over schreef, maar dan in een andere setting en met andere personages. Posthuma schrijft kleiner, Hollandser, geen politiek, maar met dezelfde scherpe intentie: de lezer indirect overbrengen wat er speelt.

Tweede element is de vader. Voor Posthuma’s debuut verscheen sprak ik haar op een ochtend in mijn vaste koffiehuis over schrijven. Jente had voor de Revisor geschreven en was met een eerste roman bezig. Ze vertelde over haar vader. Die verhalen waren zo goed en treffend, ik zei dat ze dat allemaal op moest schrijven. Dat deed ze niet. In Mensen zonder uitstraling is de vaderfiguur wel belangrijk, Posthuma schreef geen debuut over haar vader. In haar tweede boek gaat het over een tweelingbroer, maar ik lees onderaan bladzijde 21 na een treffende beschrijving van een vader die in de schuur koekblikjes op kleur gesorteerd op plankjes heeft staan: ‘Hij deed alsof, zoals hij ook speelde dat hij een leuke vader was.’
Dat ene zinnetje! De vader, daar is-ie. En hij speelt dat hij een leuke vader is. Meer hoef ik niet te weten.

NRC noemde Waar ik liever niet aan denk een knappe oefening in perspectief. Het is echter geen oefening. De recensent stipte de betrouwbaarheid van de verteller aan. Dat is een belangrijk punt in ieder boek: naast de factoren verteller, tijd en plaats is betrouwbaarheid altijd de afspraak, maar in romans die in de derde persoon worden verteld en waarbij de verteller grotendeels onzichtbaar is en geen rol speelt in het verhaal is de aanname dat de vertelling betrouwbaar is ook onzichtbaar. Het achterhouden en doseren van informatie is de onbetrouwbare factor die de schrijver voor zijn rekening neemt. Ik-vertellers zijn bij voorbaat onbetrouwbaar, ze vertellen hun eigen verhaal, vanuit hun eigen perspectief. De lezer kan niet anders dan geloven dat de vertelling die voorgeschoteld wordt waar is, ook al klopt er misschien niks van als je het vanuit de andere personages bekijkt.

Het mooie van de factor betrouwbaarheid is dat het voor de sympathie van de hoofdpersoon en of je mee kunt leven met de verteller niet uitmaakt. Dat kan voelen als een oefening, het is een van de krachtigste kenmerken van schrijven: zelfs de meest vreselijke vertellers (denk aan de SS-er van De welwillenden) kunnen sympathie en medeleven oproepen. Nu is de vertelster van Posthuma geen vreselijk personage, integendeel, haar manier van vertellen overschaduwt haar onbetrouwbaarheid. En ook die omweg maakt dit proza mooi.

Dat koppelen van die beelden doet Posthuma door nieuwsfeiten vrij droog op te noemen en plots te verbinden met het persoonlijke leven van de vertelster. Dan praat ze over Mengele, die in Brazilië verzeild raakte, net als haar vader. Daar sluit ze een van de korte hoofdstukjes mee af. Of een kleine verhandeling over zelfmoorden van schrijfsters of van mensen die van het WTC sprongen in NY, nadat de vliegtuigen erin waren gevlogen, en dan blijkt opeens de broer zelfmoord te hebben gepleegd. Het maakt de wereld van de vertelster groot, en tegelijk intiem. Het vormt organisch proza, alsof het allemaal vanzelf zo gegroeid is. Vanzelfsprekend. Er zit geen enkele twijfel in de vertelstem, en toch is ze zoekende. Dat betekent: ze zoekt overtuigend, en het vinden is niet het belangrijkst.

Het mag duidelijk zijn, ik hou erg van deze vertelstijl, door de Twentse uitgever Paul Abels gekenmerkt als ‘kwetsbare post-ironie’. Ik vind deze roman niet ironisch, wel kwetsbaar, maar ook hard. Bij een schoolfeest smokkelen broer en zus wodka naar binnen. De broer wordt gesnapt. ‘Mijn broer werd al vroeg met zijn flesje betrapt en de rest van de avond bracht hij woest dansend onder de discobol door, terwijl ik achter de dikke gordijnen in de aula mijn wodka opmaakte en me liet vingeren door een jongen die daar toevallig ook stond.’

Dat is niet alleen een prachtige zin, het is een luchtige en koele vertelling, feitelijk en met een goed ritme, maar ook bot en vrij van emotie. De discobol en de gordijnen zijn zichtbaar, ik ruik die gordijnen zelfs, en die jongen zie ik ook voor me. Altijd was er bij zo’n schoolfeest wel een jongen die ergens toevallig stond. Het fysieke is niet waar het om gaat, de verhouding met de broer staat ver boven dat vingeren. Ik weet niet of dat ironisch is. Het is tragisch en geeft blijk van relativering, en de gebeurtenissen zijn zo in de tijd geplaatst dat ze behapbaar zijn.
Belangrijk zinnetje verderop in de roman: de verteller zegt tegen haar moeder: ‘Je moet homo’s nooit in een kast stoppen.’
Ze heeft het over een foto van haar broer in de boekenkast. Helder.

Waar ik liever niet aan denk is uitgegeven door Pluim.

Gerbrand Bakker: de redacteur las deze week solo een geslaagd Privédomeindeel dat met korte zinnen en tegendraadsheid waaromvragen opwerpt.

*

Daan Stoffelsen: Gerbrand Bakker, Knecht, alleen

Ik ben geen liefhebber van het genre zoals Gerbrand Bakker zelf, van het autobiografische, de dagboeken, de brieven, ik vind het bijna ergerlijker dan dromen in romans, en terwijl ik het opschrijf, denk ik: waarom eigenlijk?

‘Waarom? Ik worstel ermee. Eigenlijk al toen ik het schreef, maar vooral ook nu, achteraf. Ik kan het voor mezelf verzachten door steeds maar aan Jules en Edmond de Goncourt te denken, en dat het me geen reet kon schelen dat ik dagboeken en geen romans las. Maar dat is geen antwoord op die fundamentele vraag. Waarom? Omdat ik blijkbaar geen zin meer heb romans te schrijven, maar niet het werk, het schrijven zelf als ambacht, wil of kan missen? Is dat een afdoende antwoord? Ik ben nu eenmaal schrijver, dus ik schrijf?
Waarom is een heel vervelend, soms verschrikkelijk woord.’

Als lezer denk ik: omdat in de genres die in Privédomein een plek krijgen een bepaald gebrek aan hiërarchie speelt, kan spelen: elke dag, elke gebeurtenis heeft hetzelfde gewicht, alles speelt zich af aan dezelfde oppervlakte. Er zijn ook altijd tientallen namen van onbekenden die amper geïntroduceerd worden. Toch beviel Nicolien Mizees Faxen aan Ger me (Bakker: ‘soms zó goed dat ik, al lezend,
zwetend van schaamte in bed lig als ik aan dit geschrijf
denk’), en nu bevalt dit boek me ook. Dat heeft wel degelijk met ordening te maken, structuur.

Knecht, alleen is namelijk geen dagboek, het is een onderzoek naar een depressie, een reconstructie van een verschrikkelijke vakantie door die depressie, de weg terug, doorspekt met ontmoetingen met honden en andere schrijvers, kleine scènes met buren in de Eiffel, en overwegingen over liefde, seks en literatuur. Het is een boek waarin dat vervelende woord ‘waarom’ meer dan negentig keer valt, meer dan het woord ‘depressie’, en het dus niet alleen autobio is maar ook behoorlijk meta.

‘Waarom dit allemaal opschrijven? Ik vermoed omdat zo’n depressie onzegbaar is. Onuitlegbaar. Dat hindert me. Ik ben toch schrijver? Dan moet ik dat toch onder woorden kunnen brengen?’

Dat is interessant, maar Bakkers toon is ook heel prettig, zijn strakke, korte zinnen (wat niet per se betekent dat het boek strak gestructureerd is, integendeel), zijn lichte ergernis, zijn tegendraadsheid, zijn onderkoelde humor (het was weer een tijd geleden dat ik zoveel zat te lachen), de droge dialogen met de therapeut, zijn ambitie metaforen te mijden. Op een moment dat ik, geen neerlandicus, het niet zie: ‘Ik heb een metafoor gebruikt. Dat was niet de bedoeling.’ En:

‘Wat ik nu ook opschrijf, hoe ik het ook opschrijf, nooit kan het weergeven hoe het toen was. Nu heb ik woorden, nu kan ik nadenken. Maar het denken en al die woorden zijn ontoereikend, al was het alleen maar omdat woorden als “ondenkbaar” of “hoop” geschrapt moeten worden. En met die woorden heel veel andere woorden. Je zou het zo kort mogelijk moeten opschrijven om de betekenisloze woorden te omzeilen. Maar waar kom je dan uit? Een woord als “wachten” kan; wachten gaat vanzelf. Kan “geduld”? Ja, ik geloof het wel, dat gaat ook min of meer vanzelf. Maar bij een woord als leeg heb je alweer iets meer nodig. Definieer “leeg”. Niets. Definieer “niets”. En Niemandsland is een metafoor. Spaarstand is ook een metafoor. Ik had beloofd – mezelf en de lezer – geen metaforen in te zetten. Daarom noem ik ze vergelijkingen, maar dat is als yoghurt vla noemen en tijdens het eten van die “vla” steeds te denken: hm, lekker, hoor, deze yoghurt.’

Raak en geestig. Aan het slot van Knecht, alleen (leve die komma!) weet je niet zeker of Bakkers mantra ‘morgen ben ik er weer’ echt is uitgekomen, maar je vertrouwt het wel. En ik heb me al bijzonder vermaakt, ook met een bonusverhaal ergens halverwege, ‘De leeuwerik’. Dat verscheen in 2011 in De Revisor (na te lezen bij de DBNL), en toen Bakker het 10 mei naar Jan stuurde, nadat we al even om kopij hadden gebedeld, was ik er erg gelukkig ermee. (Nota bene: ik ken Bakker persoonlijk(er) sinds ik hem met Eveline Vink in 2006 interviewde voor Recensieweb. Ik heb hem op het Boekenbal nog een hand gegeven, enkele dagen voor Noord-Brabant in lockdown ging en handen geven taboe werd.) Een heel kort verhaal waarin een man wandelt en een andere man ziet lopen. Het heeft iets rustieks én obsessiefs. ‘Als dit een verhaal van iemand anders zou zijn, zou ik denken: ja, leuk en aardig allemaal, poëtisch ook, maar die schrijver moet eigenlijk een schop onder zijn reet hebben,’ schrijft Bakker, maar hij verbindt er anekdotes aan en analyse, waardoor het sobere verhaal rijker wordt.

Je zou er bijna liefhebber van het genre van worden.

Knecht, alleen werd uitgegeven door De Arbeiderspers. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Dennis Lehane, Joost de Vries: de redactie las een samenhangende verhalenbundel met lekkere zinnen en een eenvoudige thriller die helemaal klopt.

*

Daan Stoffelsen: Joost de Vries, Rustig aan, tijger

Drie romans las ik, en een essaybundel, en toch kost het me moeite om Joost de Vries’ oeuvre te kenschetsen. Zelfbewust, amusant proza, denk ik, avontuurlijk en metaliterair, dat niet altijd de kern lijkt te raken. Ik bedoel: zijn personages waren vaak net iets te succesvol, ik geloofde hun verdriet niet helemaal. Is dat anders in zijn eerste verhalenbundel, Rustig aan, tijger?

(Ik ken Joost de Vries overigens persoonlijk, ik mail hem elke week trouw welke boeken er in De Groene Amsterdammer besproken worden, zodat ik ISBNs en prijzen voor de webredactie kan verzamelen. Mijn boekhandel en zijn tijdschrift zijn partners. Ik spreek hem niet zoveel, als ik hem lees of hoor, word ik geïntimideerd door zijn kennis en zelfvertrouwen, het is niet voor niets dat ik hem herken in de collega van Marja Pruis ‘die ook alles weet van internationale veiligheidsproblematiek’. Joost weet van alles wel iets. Maar misschien is het wel zoals hij in ‘Droomduiding’ een therapeut laat zeggen: ‘Soms, Nadia, heb ik het gevoel dat je de inhoudsopgave van de Groene gebruikt om het niet over jezelf te hebben.’ Dat volstaat inderdaad vaak.)

Over dit boek valt heel veel te zeggen, maar ik heb geen tijd voor een essay en ik weet nog steeds niet of ik het overal even goed vind. De grondtoon is melancholisch, de personages zijn gepriviligeerd, ze hoeven niet over geld na te denken, maar ze zijn heel duidelijk wat verloren en brengen dat sterk onder woorden, en De Vries schrijft soepel, raak en geestig. In het eerste verhaal, over een begrafenis en een affaire, streepte ik een passage aan over een begrafenisrede: ‘Maar hij vertilt zich aan het verdriet, hij denkt dat hij al dáár is, maar hij is nog híer, hij probeert in zijn woorden een afstand te nemen die zijn lijf nog niet heeft gevonden en midden in een zin breekt hij, en dan breken prompt zijn dochters, en dan rij voor rij de rest van de zaal, het spoelt naar achter, niemand houdt het droog.’ Ik vind dat heel goed gezegd: het daar, het hier, de afstand en het spoelen. Later in het verhaal merkt hij op dat ‘dingen van het hart zelden een begin en een eind hebben’.

Op de volgende pagina – oh ja, het verhaal heet ‘Creatief schrijven’ – is de verteller nadrukkelijk schrijver: ‘Ik vind het moeilijk maat te houden met citaten, ik sla te vaak een meta-toon aan, ik raak verveeld met mijn eigen stem, ik weet nooit in te schatten welke kennis je bij je lezers als bekend mag veronderstellen.’ Herkenbaar is dat in De Vries’ oeuvre, al is het voorbeeld van Anna en Wronski wat al te laagdrempelig.

Die al te succesvolle personages kennen elkaar allemaal trouwens, dus dat gevoel klopt, van één sociale laag, mensen in de reclame, nu en over twee decennia als half Nederland opgegeven is aan het water. De laatste verhalen lijken sterk met elkaar samen te hangen. Af en toe is het nogal hyper, in de aard van de zaak (in ‘Het einde van de geschiedenis’ gaan een illustrator en een influencer met elkaar in gesprek in Dubai, en met dat verhaal kon ik weinig) of bedoeld drukdoenerig (aan het begin van ‘Brief uit Menorca’, maar de verteller is zich er bewust van: ‘Dus ik noem namen, ik vul de kamer met feitjes. Ik hield van die mensen.’ Ik vraag me af of dat bewustzijn het dan goedmaakt) maar vaker vult de kamer zich met herinneringen, onderkoelde grapjes, reflecties, correcties.

‘Vind je het heel erg dat ik reageer, en niet zij? Dit is natuurlijk het eeuwig terugkerende probleem van de liefde, het zijn zo vaak de verkeerde mensen op de verkeerde plek,’ opent ‘Brief uit Menorca II’, en de briefschrijver is de verkeerde dode op de verkeerde plek. Maar het zijn lekkere zinnen, op de goede plek, je vergeet bijna te denken: ja, is dat zo? Want dan vervolgt ze: ‘Timing is alles, Diski, en laten we wel wezen: daar was jij buitengewoon slecht in. Ik ook trouwens. Maar goed, nu treffen we elkaar. Ik wil iets zachts tegen je zeggen, je ergens mee omsluiten, ik wil je aanraken.’ En dat doet De Vries ook. ‘Afstand’ is een motief in dit boek, maar de wens aan te raken is dat ook – en het wankele evenwicht daartussen maakt het interessant.

Das Mag geeft Rustig aan, tijger uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Dennis Lehane, Het loket

Voor deze zomervakantie heb ik een flink aantal thrillers op een stapel gelegd. De eerste die ik las: Het loket van Dennis Lehane, een van mijn favoriete misdaadschrijvers (vertaald door Bert Meelker). Het verhaal is zo eenvoudig en klopt helemaal, het was een verademing tussen andere verhalen die ik hoorde, of eigenlijk: die ik zag.

Hoe ze het klaarspelen weet ik niet, maar afgelopen weken zag ik een aantal films van Johan Nijenhuis die op de publieke omroep werden uitgezonden. Zomerfilms, die passen bij het seizoen, maar verder onverklaarbaar waarom juist voor deze films gekozen wordt binnen het prachtige aanbod van Nederlandse films van de afgelopen jaren. Toscaanse bruiloft, zag ik, voor de tweede of derde keer. Iedere keer ben ik weer verbaasd over de keuzes in karakterontwikkeling en verhaal.
Toch wel een mooi gegeven: na het succes van Verliefd op Ibiza borduurt Nijenhuis gewoon door op dat concept: veel personages op een zonnige locatie, met liefde als thema – dit keer het huwelijk. Een man en een vrouw ontmoeten elkaar, letterlijk door een botsing. Hij gooit het portier van zijn auto open, zij loopt er tegenaan, valt op de stoep, haar bloemen vallen ook. Korte dialoog. Ze kennen elkaar, en door. Hij gelooft niet in huwelijken, zij is degene die huwelijken sluit, die gelukkig wordt als anderen gelukkig zijn.
Twee uitersten, die natuurlijk bij elkaar zullen komen – een verhaallijn die mijn dochter van dertien erg spannend vindt om te volgen.
Er zijn nog wat hobbels op de weg, het lukt de twee niet helemaal bij elkaar te komen, dat maakt de film tot een speelfilm van anderhalf uur. De tussentijd wordt opgevuld met andere personages die als boordkartonnen poppetjes over het doek zwalken. Deze personages mogen misschien een hele kleine ontwikkeling doormaken, de meeste ontwikkeling is ingegeven door de scène waarin ze acteren. Het verhaal moet door.
Zo hebben de ouders van de bruid een uitgeblust huwelijk waar de moeder mee omgaat door te drinken en zichzelf te beklagen, de vader probeert de stiefmoeder van het botsende bloemenmeisje te versieren. Beetje ingewikkeld, maar waar het op neerkomt: de oudjes vinden elkaar over en weer leuk, want de vader van het bloemenmeisje krijgt de moeder van de bruid op bezoek.
Dan gebeurt er iets opvallends: als de vader van de bruid de stiefmoeder niet direct kan verleiden verandert hij in een man die tafels door de keuken smijt, die een mes pakt en haar bedreigt, die uiteindelijk met een worst op zijn hoofd geslagen moet worden om hem weg te jagen. De charmante man die in één scène transformeert in een psychopaat, het is wonderlijk maar het gebeurt in deze film.
Het is in ieder geval nog een ontwikkeling. De andere personages zijn platter dan plat. De kok is oud en zal sterven in de film, dus die moet herhaaldelijk aangeven dat hij het aan zijn hart heeft. De kijker mag geen aanwijzing missen. De zus van de bruid is een leeg poppetje zonder interesse in anderen. De Italiaanse jongen is verlegen maar wel zorgzaam en lief – zijn enige ontwikkeling is dat zijn snor eraf gaat. Zijn Italiaanse familie praat zoals Nederlanders denken dat Italianen praten: luid en met gebaren. Alles beantwoordt aan het bestaande beeld van relaties en een specifiek land op een glossy-niveau.
Relaties: verliefd worden, dromen, samenzijn, een beetje ruziën als het wat minder gaat, scheiden. Dat is het traject, hoe persoonlijk de ontwikkelingen kunnen zijn doet er niet toe. Eén emotie is meer dan voldoende. Gaat iemand vreemd, dan is de ander woedend. Geen teleurstelling, geen terugslag, geen zelfinzicht, geen stille reactie. De bedrogene is boos, dus die gaat vechten. Als de portiergooiende jongen met de bruid naar bed is gegaan gaat de bruidegom hem te lijf: een knullig gevecht waarin een bed gesloopt wordt. Even later is het allemaal weer goed, want de portiergooier redt de bruid van een ander akkefietje. Zand erover, komen we nooit meer op terug.
Italië, voor de volledigheid, staat voor: zon, mooie heuveltjes, oude gebouwen, drukke mensen, rood wit groen, lekker eten, tradities, een invloedrijke burgemeester familieperikelen, lelijke moeders en mooie dochters. Ik vertrek geeft een genuanceerde beeld. Een lekkend dak, een bureaucratisch systeem, beklemmende dorpsverhoudingen en ander ongemak passen niet in deze film, dus we doen maar of het niet bestaat. Het Italië van de Toscaanse bruiloft is het Italië van Rio Mare (de blikjes tonijn die gegeten worden op een terras in de zon, blikjes die overigens op tv enorm lijken, maar in werkelijkheid miniem zijn).
En dan nog het aspect toeval. Als de heer en vrouw des huizes (van een kasteel natuurlijk) elkaar toch nog wel leuk blijken te vinden wordt dat opgemerkt door… de vader van de bruid die toevallig net de gang op loopt, zonder enige motief. Het publiek maalt er niet om, hij moest natuurlijk net even naar de wc. Waar het om gaat: de psychopaat moet inzien dat hij een verloren strijd voerde, dus hij moest daar op dat moment zijn, en niemand anders. In het script is hij daar dus ook. Klaar.
Op deze manier, en het is echt verbijsterend, zit ik anderhalf uur te kijken naar ongelofelijke verhaalkeuzes en personages die niks meer mogen zijn dan de eerste indruk.
Bij de publieke omroep wordt geen reclame uitgezonden. Dat is jammer, een slimme commercial zou nog wat diepgang kunnen brengen, of in ieder geval een rustpunt. Aan de andere kant, de manier waarop ongegeneerd partners en sponsoren in beeld gebracht worden maakt van een flink aantal scènes alsnog commercials. Komt het gezelschap aan in Toscane dan prijkt een compleet vliegtuig van de maatschappij in beeld die vanzelfsprekend geld stak in de film, gaat een stel dames autorijden dan karren drie kleine Italiaanse wagentjes ellenlang door de heuveltjes. Voor wat hoort wat.
Er ligt een film op stapel die Carnavalsliefde moet gaan heten. Wat Nijenhuis met Ibiza en Toscane heeft gedaan zal hij met Carnaval ook doen. Het stemt de serieuze Carnavalsvierder bij voorbaat verdrietig.

Terug naar Lehane, want daar gaat het me uiteindelijk om. In Het loket geen toevallige botsingen, geen handelen zonder motief, geen opgeklopt en uitgemolken thema dat iedere scène bepaalt. Wel één sterk idee, dat tot in de finesses uitgewerkt is.
Bob is barman bij zijn neef Marv. Hun bar wordt gebruikt om geld van de onderwereld even te stallen en weer op te laten halen: een doorgeefluik. Als de bar beroofd wordt stelt Marv de overvallers de vraag: ‘Weten jullie wel wie jullie beroven?’ De politieman die de zaak onderzoekt – Bob kent hem uit de kerk – weet van het loket, zoals hij het noemt, maar Marv en Bob mogen daar natuurlijk niks over zeggen. Dat is alles. De spanning schuilt in het zwijgen.
Verder zorgt Bob voor een hondje, leert hij nog een vrouw kennen, ontvouwen zich de patronen van de onderwereld, maar volgen we voornamelijk het verhaal van de kroeg als doorgeefluik. Een schitterende constructie, omdat niet de misdaad centraal staat, maar een zijspoor waarin de menselijke aspecten van betrokkenheid bij de misdaad in een kleine gemeenschap uitgelicht kunnen worden: zoals het zwijgen als de politie iets vraagt terwijl de politie een bekende is.
Dat is alles wat Het loket zo goed maakt, en tegelijk alles wat Toscaanse bruiloft zo tenenkrommend maakt. In de film valt geen moment een stilte, alleen heel soms een kortstondige bezinning, en dat is eigenlijk een groot woord, want bezinning is religieus, menselijk, diepgaand en statisch. In de film is zo’n moment een tijdelijke heldere gedachte. Dan valt het kwartje, eindelijk. Een ‘o, ja!’ Meer niet.
Het loket laat zien dat handeling, betekenis en stilte samen kunnen gaan. Als Bob en Marv beroofd zijn:

‘Ze keken de steeg in. Ze rilden beiden van de kou. Na een tijdje gingen ze weer naar binnen.’

Lees die zinnen nog een keer. De context doet er niet toe. Het gaat om de woordjes.
Als er zulke zinnen bestaan, duidelijk, eenvoudig, sterk, betekenisvol, in zo’n eenvoudig en sterk verhaal, waarom zou je dan ooit een verhaal in elkaar sleutelen zonder deze eenvoud en stilte en bedachtzaamheid en rust, zonder betekenis, zonder gevoel? Als je deze zinnetjes gelezen hebt, en herlezen hebt, en begrepen hebt, hoe kun je dan ooit een film als Toscaanse bruiloft maken?
Stel, je bent een film aan het maken, aan de hand van een script waarin alles dichtgebabbeld wordt, alles uitgelegd. Lees dan deze zinnetjes van Lehane. Je voelt van alles. Probeer heel goed te begrijpen wat er gebeurt. Hij laat de mannen kijken. Hij laat ze rillen van de kou. En hij laat ze ‘na een tijdje’ weer naar binnen gaan.
‘Na een tijdje!’
Dat is alles wat een verhaal nodig heeft. Die tijdsaanduiding. Om te kunnen voelen. Twee mannen die even blijven staan. Een lezer die adem kan halen. De kou. Lehane beschrijft de steeg, de kou, rillende mannen, en toch blijven staan, want er is van alles gebeurt. Daar gaat het over. Daar moet een man over nadenken, dat moet binnenkomen, daar moet iedereen ruimte voor hebben. Personages én lezers. Geen vechten, vallen, botsen, schreeuwen, roepen, een taart in iemands gezicht, een fles op iemand hoofd kapotgeslagen, desnoods een tik met een nagemaakte Italiaanse worst.
Rust.
Die heftigheid komt bij Lehane allemaal wel, en vele malen heftiger dan op een feestje in de Toscaanse heuvels, maak je geen zorgen. Invoelbaar. Want allemaal vanuit deze drie zinnetjes onderaan bladzijde 40, waarvan de laatste is: ‘Na een tijdje gingen ze weer naar binnen.’
Na een tijdje.
Het Loket is verfilmd als The Drop. Dat is niet voor niets. Bijna alle boeken van Lehane zijn geweldige films geworden, en dat is volledig terug te voeren op dat ene moment in die steeg, in de kou.
Na een tijdje.
Wat ben ik blij dat er schrijvers zijn die binnen de onnoemelijke hoeveelheid bagger die overal ter wereld gemaakt wordt, van Hollywoord tot Nederland tot Toscane, zo’n kalme secure schoonheid in vertelkunst weten te produceren.

De wereld is in quarantaine. Is hij stiller geworden, helderder, of overstemt het virus alle contemplatie, schreven we begin april ter inleiding van onze coronacorrespondentie Binnenpost. Inmiddels is het geluidsniveau in Nederland (en Frankrijk, als we dit verhaal bekijken) weer gestegen, maar op veel plekken in de wereld waart het virus nog rond, en reflectie blijft nodig. Luc de Rooy vertaalde drie teksten uit het Spaans voor ons om zicht te houden op die andere werkelijkheid. Vandaag lezen we de Guatemalteeks-Amerikaanse schrijver Eduardo Halfon.

*

In Parijs hebben we al enkele weken te maken met de lockdown. De straat waar ik van onze woning op uitkijk ziet er elke dag kleiner en leger uit, alsof de mensen steeds banger worden om erop uit te trekken. De Franse regering heeft onlangs nog strengere maatregelen afgekondigd: je mag nu nog slechts één keer per dag naar buiten, maximaal één uur lang, binnen een radius van één kilometer rond je eigen woning. De wereld buiten mijn raam wordt dus ook daadwerkelijk kleiner.

Het voelt alsof ik nu alleen nog maar vader ben, en niet langer schrijver. Schrijven doet er minder toe dan ervoor te zorgen dat mijn driejarige zoon deze nieuwe realiteit opvat als een soort avontuur.

Eén keer per dag gaan we naar buiten, we maken een korte wandeling of gaan een blokje-om op zijn step. Thuis verzinnen we spelletjes: de steeltjes van spinazieblaadjes breken, leren met een pincet papiersnippers op te pakken, met zijn verzameling gebruikte metrokaartjes complexe ontwerpen op de vloer maken.

Voor zover ik dat kan overzien is het nu voornamelijk mijn taak om alles wat er in de buitenwereld gebeurt zo ver als mogelijk bij hem vandaan te houden – de lockdown, het virus, de onzekerheid, het overal heersende gevoel van paniek, het stijgend aantal zieken en doden. En dat lukte me best goed. Althans, dat dacht ik.

Een paar dagen geleden liet ik mijn zoon een korte video zien waarin een chimpansee zich vastklampt aan Jane Goodall – een dankbare omhelzing, zo lijkt het. Ik legde uit dat de chimpansee Wounda heette en dat Goodall en haar team Wounda weer in het oerwoud loslieten nadat hij uit handen van stropers gered was.

Na afloop van de video begon mijn zoon ontroostbaar te snikken. In eerste instantie was ik bijna trots op zijn tranen, want ik meen dat ze voortkwamen uit empathie of emotionele intelligentie. En misschien was dat ook wel het geval. Maar ik kon niet laten me af te vragen hoeveel verbeten frustratie hij met die tranen liet lopen, hoeveel verdriet hij had opgeslagen, de hele week verborgen gehouden voor zijn vader.

Een paar dagen zijn er al voorbij sinds hij die video zag, maar nog altijd heeft hij het over Dr. Goodall – hij noemt haar Jane – en Wounda. Vanmiddag, toen we een middagdutje probeerden te doen, vertelde hij me, op zijn eigen manier, in zijn eigen woorden, Wounda’s verhaal opnieuw.

En terwijl ik naar hem luisterde, dacht ik aan een vrouw en haar team die een chimpansee genazen, aan een chimpansee die een zoon genas, en aan een zoon die een vader genas.

Deze tekst stond oorspronkelijk in LA Times van 11 april.

Vertaling Luc de Rooy

Jannie Regnerus, Deon Meyer: de redactie las een klein knap boek en een daadwerkelijk literaire thriller.

*

Daan Stoffelsen: Jannie Regnerus, Het wolkenpaviljoen

Met wat voor verwachtingen begin je aan een boek? Het idee is, zo heb ik het bijna twintig jaar geleden geleerd, met zo weinig mogelijk. De flaptekst met een korreltje zout, de auteursreputatie (en uitleggerige interviews) terzijde, de actualiteit (corona, #blacklivesmatter) en eigen omstandigheden (als vader lees je boeken met kinderen anders) negeren, en dan gewoon het boek lezen, je afvragen wat het beoogt, hoe het werkt, en of het goed werkt. En dan schrijf je daar een recensie over.

Verdomde lastig. Of eigenlijk onmogelijk. Hoe kan je lezen zonder jezelf?

Ik heb een leesgeschiedenis met Jannie Regnerus. Toen ze haar eerste reisboeken bij Wereldbibliotheek publiceerde, liep ik daar stage. Ik vond ze prachtig. Haar romans daarna heb ik niet allemaal gelezen, maar volgens mij is de grote gemene deler: klein, verstild, diepgravend. Toen ik aan Het wolkenpaviljoen begon, had ik geen idee van plot of insteek, wel gewoon zin in de novelle. Dat lijkt me een goede basis.

Het verhaal is kort, Regnerus vat het in een kort hoofdstuk summier samen: Luut en Kris zijn verliefd op elkaar geworden, krijgen een kindje, Tessel, en drijven uit elkaar. Luut geeft zichzelf daarvan de schuld, in een continue verbouwing ‘had [Luut] geen tijd om door te vragen’. Luut, architect, besluit terug te gaan naar Japan. ‘Voor Luut verder kan, moet hij terug naar de tempels en tuinen in Japan die hem als jonge architect inspireerden, niet om daar zijn verleden opnieuw te beleven maar om er zijn toekomst terug te vinden,’ schrijft Regnerus. Ik vind dat wat clichématig aandoen, en het rijm (verleden beleven, toekomst terug) iets te veel hameren. Thomas de Veen noemt het in NRC Handelsblad ‘hoogdravend’. Dat is het ook, maar dat is geloof ik de kern van dit personage: iemand die in grote woorden, beelden, idealen denkt, en zichzelf oneindig teleurgesteld heeft.

Maar na dat voornemen wordt het beter, interessanter. Plot is er dus amper. Dialoog ontbreekt. Het wolkenpaviljoen bestaat uit kleine scènes, afgespeeld in Luuts zwaarmoedige hoofd, dat neigt naar het sentimentele maar vooral goed geobserveerd heeft. Mooie beelden, goede vondsten. De plaksterren in de kinderkamer brengen hem bij Eise Eisinga’s planetarium en de vaststelling: ‘In Tessels universum draaien moeder- en vaderplaneet elk in een eigen baan en omloopsnelheid om haar heen. Waar alles in haar leven zich verdubbelde, huizen, bedden en reizen, werd het belangrijkste gehalveerd. Steeds ontbrak er één ouder.’ Elke ouder herkent dit, maar zo had ik het nog nooit geformuleerd: ‘Iets van haar wezen wordt zichtbaar in de inhoud van haar broekzak die als een uilenbal op de wasmachine ligt, takjes vermengd met de plakkerige kruimels van een stroopwafel, een losgeraakte knoop, verfrommeld papier volgekrabbeld met geheimschrift.’

Regnerus verbindt Luuts architecturale denken aan zijn psyche, en komt op mooie combinaties – regelmatig dacht ik: wat zou Pieter Hoexum hiervan zeggen? En op andere momenten: wat zou Joost Baars hierover schrijven? Zelf ben ik het enthousiasts over Regnerus’ vondst om in plaats van een geheugenpaleis (lees Jan van Akens De ommegang!) een gewetenslandschap te bouwen. ‘Luut heeft zijn falen ondergebracht in schimmige stegen, in krotten waarvan hij de ramen en deuren met planken heeft gebarricadeerd. Uitgerekend deze panden hebben zichzelf tot beschermd stadsgezicht verklaard, ze weigeren hun grond af te staan. Het liefst zou hij ze met een sloopkogel neerhalen en de vrijgekomen kavels met koolzaad en papaver inzaaien.’ In één van de vervallen panden is een kindersok met een gat erin.

Ik lees Het wolkenpaviljoen als een kleine studie van een mens die gefaald heeft, die rouwt, die met zichzelf en zijn geliefden in het reine wil komen. Dat is nadrukkelijk klein, er is emotie en ook obligate emotie, spiritualiteit, maar er zijn ook beelden die het groter maken, universeler, verbinden met natuur en kunst en denken. De keuze om verhaal of dialoog (niemand anders dan Luut krijgt een stem) eruit te houden, verbaasde me ook – maar in de doelstelling van de novelle is Regnerus wat mij betreft zeker geslaagd.

De vraag die ik destijds al snel na eerste vraag (‘Hoe beoordeel je een boek?’) moest gaan stellen was: hoe verhoudt dit boek zich tot andere? Dan gaat ook spelen of de ambities interessant genoeg zijn. Is het in deze honderd pagina’s niet té klein? Maar kun je dat echt zeggen van een boek dat in stad en platteland, in Mongolië en Japan verblijft, dat het romantische en het architecturale, het rationele en het spirituele verbindt? Knap boek.

Van Oorschot gaf Het wolkenpaviljoen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Deon Meyer, 7 dagen

Een van de dingen die voor mij thrillers leesbaar maakt: een goed uitgewerkt kwetsbaar personage.
Spannende boeken focussen vaak op heftige gebeurtenissen, op een schok, een klap, op een plot, een wending, nog een wending, op momenten die de lezer niet aan ziet komen en, erger nog, op spanning die gepoogd wordt in beschrijvingen te vangen. Dat leidt vaak tot opgefokt proza waarin iedere handeling hijgerig is en achter alles wat er gezegd wordt een uitroepteken staat, alsof de personages alleen tegen elkaar kunnen schreeuwen.

In 7 dagen (vertaald door Martine Vosmaer en Karina van Santen) geeft Deon Meyer zijn personage Bennie Griessel precies voldoende bagage mee om hem in iedere scène onder druk te zetten. Griessel is rechercheur en onderzoekt een moord, dat is het verhaaltje, de puzzel die uiteindelijk wel tot een oplossing zal leiden. Griessel is daarnaast een man die net een periode van de drank af is en bij het afkicken een zangeres heeft ontmoet met wie hij nu een relatie heeft. Het contact tussen die twee is minstens even spannend dan het moordonderzoek.
De zangeres, Alexa, belt hem op als Griessel aan het werk is. Ze durft het optreden niet te zien. Hij praat haar moed in.

‘Ga koffie voor jezelf zetten. Eet iets. Neem een bad. Ik kom zo snel mogelijk. Ik ben aan het werk…’
Alexa zegt een paar regels verder: ‘Ik had je niet moeten lastigvallen, het spijt me. Bye, Bennie.’

Dit korte gesprek maakt van de politieman een levendig personage. In een eerdere scène was hij al erg nerveus en onhandig omdat hij andere artiesten zou gaan ontmoetten, bij een groot feest. Dat liep mis. Hij werd weggeroepen, liet Alexa achter, waarna zij weer een borrel nam. Het werk kruist steeds het contact, het gewicht van zijn sociale onhandigheid en de kwetsbaarheid van zijn ex-verslaving neemt hij altijd met zich mee.
Nergens benoemt Meyer die onhandigheid of kwetsbaarheid, nergens maakt hij de misstap de psychologie te analyseren. Wel laat hij zien hoe Griessel zich gedraagt en maakt hij het drama van dit personage invoelbaar, en dat tilt alle andere thrillerelementen naar een hoger niveau.

Zo lees ik een zoveelste goed geschreven spannende roman van Deon Meyer, waar met recht ‘literaire thriller’ op staat. Voor mij staat ‘literair’ niet voor het gebruik van grote woorden, het strooien met bloemrijke metaforen, het aan elkaar knopen van allerlei opinies of andere middelen die een tekst literair doen lijken maar die meestal weinig inhoud hebben. Literair in de zin van: spelen met taal of het goochelen met woorden. Literair als synoniem voor imponeren. Literair zoals het gros van de zinnen die de Tzumprijs voor beste literaire zin in de wacht slepen: langdradig, opgebouwd uit slecht gekozen beelden, bladvulling.
‘Literair’ is voor mij het overdrachtelijk maken van wat er bij een personage in een bepaalde tijd, setting, situatie speelt, en dat zo scherp mogelijk uitwerken. Lukt dat, en is het verhaal spannend, met bijvoorbeeld een moord en een politieman, dan is het boek een literaire thriller.

Langzaam vallen in 7 dagen de stukjes samen. Griessel zoekt naar motieven waarom de vrouw vermoord zou kunnen worden, in haar eigen huis, zonder inbraaksporen. De sluipschutter volgen we zijdelings, een goeie schutter die tegelijk erg nerveus is. Ook hij wordt mooi uitgewerkt, een compleet karakter.
Het is vakantie. Boeken lezen die ontspannen, die lekker lezen, die een kleine puzzel in zich hebben, die goed geschreven zijn, die vermakelijk zijn en de menselijke aard onderzoeken, met zulke boeken kom ik de vakantie wel door. Meyer levert dat keer op keer.

A.W. Bruna geeft 7 dagen uit.