Vandaag deel 2 van ‘Nova’, een kort verhaal van Dieuwke van Turenhout. Lees hier het eerste deel. Deze week verschijnt ook nog het slot.

*

Onderaan de trap wacht Peter. Kom jij maar eens bij mij, vrolijkerd. Hij ziet de bultjes en fronst. Wat is dat?
Geen idee. Waterpokken? Zesde ziekte?
Ze lijkt er geen last van te hebben.
Nova loopt een paar stappen naar hem toe. Ze kraait van plezier, verliest haar evenwicht en valt op haar billen. Peter tilt haar op. Kom, zegt hij.
In hun lege woonkamer rollen ze de mat uit. Nova speelt met een stoffen olifantje. Ze verstopt het achter de rug van Peter en komt telkens kijken of het er ligt. Als Fiona met haar buik op de olifant gaat liggen, probeert Nova haar eraf te duwen. Haar vingertjes zitten nu vol blaasjes.

Ik ga even een banaantje voor je pakken, zegt Fiona als ze opstaat. Peter, wil je ook?
Peter tilt Nova met een zwier hoog boven zijn hoofd, Nova lacht. Nee dank je, zegt hij, vandaag eet ik Nova, en hij laat haar buik op zijn hoofd rusten.
Fiona pakt twee bananen uit de fruitschaal op het aanrecht. Snel zet ze wat water op voor thee. Ze neuriet een deuntje van de Nigeriaanse radiozender. Over de witte keukenkastjes ziet ze de stoffige colonne van hulpgoederen aankomen, de damp uit de waterkoker de hitte van het kamphospitaal. Niemand durfde het aan hen te bezoeken in Nigeria. De herinneringen zijn van haar en Peter alleen.
Neem een doek mee?
Ze laat de kruiden trekken, pakt een doek van het droogrek buiten bij de keukendeur en loopt met de doek en de bananen terug.
Heeft ze gespuugd? Ze zwijgt abrupt. Wat is dat?
De bultjes…een paar sprongen er open.
Open?
Op het rode tshirt van Nova verschijnen steeds meer kleine natte plekjes.
Fuck, wat is dat nu? Trek uit, snel.
Peter houdt Nova’s elleboog in negentig graden en tilt met zijn andere hand haar shirt omhoog. Shit! Hij laat haar elleboog los en toont Fiona zijn handpalm. Zijn handpalm glimt van het vocht, en op Nova’s shirt tekent zijn hand in natte plekjes af.
Handschoenen.
Wat?
Handschoenen!
Fiona rent, haar blote voeten piepen bij het afzetten tot ze boemelend de trap op stormt. Hijgend staat ze even later voor hem. Nova grijpt met haar bezweerde handjes naar de bungelende witte latex vingers. Met een laatste klap van latex op huid heeft Peter de zijne al aan. Fiona’s vingers trillen zo, dat ze de handschoen niet open krijgt. Peter zit op zijn hurken naast Nova, hij legt een wassig witte handschoenhand op Fiona’s pols. Rustig, zegt hij. Blazen. Fiona knikt, haar ogen groot, de pupillen wijd. Ze brengt een handschoen naar haar mond en blaast er lucht in alsof het een ballon is.  Met een krakend geluid ontpopt het materiaal zich tot lege handschoen. Fiona wringt haar hand erin, de vingers buigend en strekkend, haar mond beweegt, de lippen samengeperst. Dan valt ze op haar knieën naast Peter en Nova. Nova lacht haar tandvlees bloot, één tandje heeft ze en met een snik ontdekt Fiona dat er juist bij de aanhechting een blaasje is ontstaan.
Peter kleedt Nova nu resoluut uit. Zijn ogen flitsen zo nu en dan over zijn handschoenen heen. Vocht, mompelt hij. Hij ruikt er even aan. Latex, zegt hij, ze zouden reukloze doktershandschoenen moeten maken. Echt reukloos.
Nova is nu, op haar luier na, bloot en Peter inspecteert haar vakkundig. Hij loopt met behandschoende vingers over haar buik, wat Nova nogmaals aan het lachen maakt, tot de druk van zijn wijsvinger een blaasje met een vochtig ploppend geluid doet barsten. Hij trekt zijn hoofd snel weg. Fiona ziet het met afschuw aan. Ze zit er helemaal onder, zegt ze. Ze zit er helemaal onder, echt helemaal.
En de gebarsten blaasjes? Kijk hier, het velletje hangt er los bij.
Maar dan ziet hij dat er nieuwe blaasjes ontstaan daar waar ze juist stuk zijn gegaan, het is als kijken naar soep die langzaam gaat koken. Babysoep.
Nova lijkt er geen last van te hebben.
Gelukkig niet.
Wat moet ik doen? Talkpoeder? Jodium?
Fiona pakt eindeloos voorzichtig Nova onder haar okseltjes, en trekt haar dicht tegen zich aan. Ze negeert het geluid en laat het natte rugje tegen haar lege buik aan rusten. Nova pakt met haar handjes de latex vingers van Fiona, één nageltje krabbelt over het gladde oppervlak. Handschoen, zegt Fiona uit automatisme. Bwa-oe zegt Nova. Dan pulkt ze met een nageltje aan de blaasjes op de rug van haar eigen handje. Met naaldscherpe plofjes spatten die open. Direct ontstaan er nieuwe.
Peter kijkt het vol verwondering aan. Ze heeft er echt geen last van, kijk, er is gewoon een stukje van haar hand weg. Fiona probeert met alles wat ze heeft het afschuwelijke geluid buiten te sluiten. Ik ben doorweekt, zegt ze. En ik ruik allang geen latex meer.
Nee.
Ze laten Nova staan, het ongeduldig trappelen van haar voetjes als een duivels drumstel. Haar wangetjes bollen op, haar knietjes, hele happen zijn al uit haar buikje als de eerste druppel bloed van haar af spettert. Ze kijken er alle drie naar. Nova laat zich op haar billen zakken –het geluid, natte scheten, leeglekkende lammeren- en steekt haar rechter wijsvingertje uit naar de druppel bloed. Dan ontstaat daar, juist op het topje, een blaasje dat in rap tempo in omvang toeneemt, het vocht wordt rood en voordat ze het druppeltje op de mat kan aanraken, spat de blaas open.
Doe iets. Wat gebeurt er?
Ik weet het niet. Ik weet het niet. Doe haar luier uit.
Fiona gehoorzaamt, ook al heeft Peter zijn stem niets van de autoriteit die ze van hem kent. Met twee vingertoppen duwt ze het voorhoofdje van Nova naar achter, met haar andere hand ondersteunt ze het gebobbelde achterhoofdje en zo vleit ze haar op haar rug. Haar liefste wens lijkt te wel koken, de huid tot leven te zijn gekomen. Hoe kan dit? Zegt ze nog eens, haar stem schiet zo hoog dat ze naar adem moet happen. Dan trekt ze met een rats de plakstrips van Nova’s luier los. Nee, zegt ze, nee dit kan niet. Peter, wat is dit?
Nova kijkt met haar bruine ogen van Fiona naar Peter. Die zit op zijn hurken, met zijn ellebogen tegen zijn navel gedrukt en zijn vuisten gebald op zijn voorhoofd. Zodra Fiona zijn rug ziet schokken, weet ze genoeg.
Nee. Nee. Nova, nee. Ze vermant zich en zwaait streng met haar wijsvinger. Nova lacht en reikt met haar handjes omhoog. Haar tandje laat langzaam los.
Peter kokhalst en geeft over in zijn handen. Hij ontwijkt de ogen van zijn vrouw en verdwijnt geluidloos als een spook naar de wc. Hij denkt aan de sterretjes die hij als kind afstak met oud en nieuw. Aan de wens die hij mocht doen. Wat wenste hij? Een step? Een bal? Wereldvrede? Een kind?
Hij blijft op het toilet tot zijn benen slapen van zijn eigen gewicht die ze afknelt. Hij blijft ook daarna zitten, telt zijn vingers, bestudeert zijn nagelriemen en probeert een patroon te ontdekken in de moedervloekken op zijn linkerarm en als hij die niet vindt, op zijn bovenbenen. Daarna telt hij de tegeltjes van de muur tegenover hem, ieder tegeltje krijgt een naam, een naam van iemand die hij niet kent. Hij blijft op het toilet tot hij niets meer hoort behalve het zoemen van zijn eigen bloed, het fluiten van zijn eigen adem, totdat hij nog een keer geplast heeft zelfs. Dan staat hij op en sleept zichzelf terug naar de woonkamer.
Fiona zit op haar hurken op de mat. Ze heeft haar handschoenen uitgetrokken en aait zacht over de ribbels van het vlechtwerk. Haar blouse en broek zijn doorweekt en plakken tegen haar lijf. Haar gezicht is wit, haar ogen rood met een onbezoedeld blauw midden.
Ze heeft tot het laatst gelachen..
Dat kan niet, zegt hij.
Ze staart hem aan, snot en tranen kruipen vanaf haar kin haar nek in. Dat weet ik. Dan richt ze haar blik weer op waar Nova was. Haar gezicht staat zacht en ze prevelt. Als Peter naast haar op de mat ploft, zijn knieën en scheenbenen direct nat en plakkerig, hoort hij dat ze het wiegelied zingt. Je hebt de woorden weer. Onye mere nwa nebe akwa Hij sluit zijn ogen en wiegt langzaam heen en weer. Zijn vingers herinneren zich de zachtheid van Nova’s huid, hij beweegt ze alsof ze die nog met geurende olie insmeren. Opnieuw en opnieuw zingt Fiona het liedje, Onye mere nwa nebe akwa ze weet niet alle woorden en de lacunes vult ze op met “Nova” of een stukje neuriënd. Peter verliest zichzelf boven de vlaktes van Afrika, de roep van de vogels, het gestamp van duizenden zwarte voeten, met de raadselachtige blankroze onderkant. Hij waait met de wind over de droogstaande rivier, de verbrande dorpen, tot hij tenten ziet, rijen tenten. Daar, voor de wit plastic flap, dat door een onvoelbaar briesje beweegt, hoort hij de eerste kreet van Nova.
Het is niet Nova, maar Fiona. Ze schreit, stikkend, zoute draden die rivieren trekken door een landschap van verdriet. Ze bukt, haar twee handen op de lege mat, brengt haar gezicht naar de mat en kust die. Ze heeft tot het laatst toe gelachen, ze heeft er echt geen last van gehad.
Wat doe je? Maar hij weet het best. Peter kijkt naar zijn huilende vrouw en plaatst zijn linkerhand dan naast haar rechter. Zijn gezicht is nog helemaal schoon, droog en schoon. Schaamte kleurt zijn wangen. Hij zakt door zijn armen, niets is er over van hun Nova. Zijn strot doet nog pijn, maar hij kust elk plekje waar ze ooit was. Zijn lippen worden ruw van het reliëf van de mat. Hij kust de mat die ze op een stoffige markt kochten, hij kust waar hij haar voetjes heeft geweten. Hij kust Fiona alsof het hem zal redden.

Dan is er niets meer.

Vandaag deel 1 van ‘Nova’, een kort verhaal van Dieuwke van Turenhout. Deze week verschijnen ook nog deel 2 en het slot.

*

Op de laatste dag van hun zelfverkozen quarantaine krijgt Fiona koorts. Peter houdt haar in zijn armen, kust haar bezwete voorhoofd en neemt Nova behoedzaam van haar over. Hij bindt haar in een doek op zijn rug, precies zoals ze het hun vroegere maid hebben zien doen.
Hij opent het raam van hun slaapkamer om de frisse aprilwind binnen te laten en brengt haar een glas water. Veel meer kan hij nu niet doen.
Nova houdt zich stil als hij zijn ouders belt.

Fiona heeft koorts gekregen, zegt hij. Waarschijnlijk niets om ons druk over te maken, maar ik wilde jullie toch even op de hoogte stellen. Ze ligt in bed. Ze zweet wel, maar niet zoals we in de vluchtelingenkampen zagen. Nee, ze heeft ook geen andere symptomen.
Kunnen we de kleine Nova zien?
Dat zal moeilijk gaan. Volgens de regels die we hanteerden in de kampen is onze quarantaine nu opnieuw drie weken verlengd.
Moet Nova niet juist ver weg zijn van het ziekbed van haar moeder?
Nee, dat kan niet meer. Wat het ook is, de incubatietijd is al voorbij. Fiona is ook rustiger met Nova in de buurt.
Peter hangt op en loopt door het karig ingerichte huurhuis. Hij opent alle ramen en deuren op de benedenverdieping, bijgeloof van het personeel dat ze tot voor hun overhaaste vertrek uit Nigeria hadden. Geesten moeten vrijelijk het huis in en uit kunnen, en tocht, daar houden kwade geesten niet van. In Nederland tocht het altijd. Als hij zeker is dat hij overal is geweest, trekt hij zich met Nova terug op het kinderkamertje naast hun slaapkamer. Hij verschoont haar luier, wrijft haar voetjes tot ze kraait en kust de glimmende huid van haar buik. Ze ruikt naar zwitsal vermengd met de Nigeriaanse baby-olie en hij sluit snuivend zijn ogen om de kleurrijke beelden die de geur oproept beter te zien.
Peter? Wat doe je?
Hij staat op, duwt zijn neus een laatste keer in het naveltje van het meisje en tilt haar voorzichtig op. Haar bruine ogen haken in de zijne als ze buik tegen buik naar Fiona lopen. Nova lacht.
Niks, lieverd, zegt hij. Ik speel met Nova. Kijk, de armpjes en beentjes worden nu al echt een beetje mollig – goed hè?
Fiona knikt, ze is een pafferig soort geel maar haar ogen lichten op zodra ze naar Nova kijkt. Ze schraapt haar keel en tilt haar hand onder de deken vandaan. Geef maar, geef haar maar hier.
Ik wilde haar juist de fles gaan geven, zegt hij als antwoord. Rust jij maar goed uit, des te eerder ben je beter.
Denk je…? Ze slikt. Wat denk je? vraagt ze, haar ogen op het achterhoofd van Nova gericht.
Griep, gebrek aan slaap, stelt hij haar gerust. Ze knikt, aarzelend. Echt? Echt.
Soms droom ik dat het niet waar is, zegt ze. Dat ik wakker word en dat het niet waar is. Dat Nova er niet is, dat we geen kinderen hebben, alleen maar leegte.
We hebben Nova, zegt hij.
Beneden zet hij haar op de grond. Meteen grijpt ze zijn broekspijp en gaat staan. Ze huilt klaaglijk. Zo kom ik natuurlijk niet toe aan je fles, zegt hij. Blijf je even hier? Zachtjes wringt hij haar vingertjes los en loopt naar de keuken. Aan het geluid kan hij horen dat ze achter hem aan kruipt.
Na de fles legt hij haar in bed. Normaal zouden ze nu alle drie in het grote bed liggen, hij en Fiona als een grote roze baarmoeder veilig om Nova heen. Met één vinger aait hij haar wangetje, genoeg om hem te laten glimlachen. Voor hij haar ouders belt, kijkt hij nog bij Fiona, die bewegingloos slaapt.
Wat voor ziektes waren er precies in Nigeria, vragen zijn schoonouders. Zijn die allemaal dodelijk? Moet Fiona niet naar een afgeschermde afdeling van het academisch ziekenhuis? En Nova, hoe is het met Nova?
Nova slaapt, en Fiona ook. Het komt vast allemaal goed, sust hij.
Stuur ons toch eens wat foto’s, klagen ze, we hebben er maar een paar. En daar is niet eens op te zien of het een baby, een aapje of een opgerolde handdoek is – dat is Fiona’s moeder.
Peter belooft op zoek te gaan naar de fotocamera. We zijn zo dolgelukkig met haar, dat we niet eens gezocht hebben naar ons toestel, zegt hij. Elke seconde dat we haar niet rechtstreeks zien, is een verloren moment.
Zijn schoonvader gromt en snuift. Als je niet zo’n godbeterende wereldredder was, zou ik denken dat je ons voor de gek houdt.

Voor het einde van de week belt Fiona zelf. Ik ben beter, echt waar. Geen dokter aan te pas gekomen, rust en frisse lucht, dat was het. Vanochtend heb ik zelfs de vloer gedweild, en alleen de zwabber zwabberde. Ze lacht.
Meisje, wat fijn te horen. We maakten ons zorgen, dat mag je best weten. Mogen we nu dan eindelijk komen?
Het spijt me mama, nog steeds niet. Nu is Peter geveld. Je zult nog even geduld moeten hebben.
En Nova, waar is Nova?
Die is bij mij, hier op mijn rug. Hoor je haar niet pruttelen?
Ze horen het niet.
Sluit toch eens Skype aan, brommen ze. We hebben geen idee hoe onze kleindochter eruit ziet. Ria van de overkant is ook oma geworden, die heeft foto’s op haar telefoon en ingelijst in de woonkamer. Wij hebben niets, niets! Straks kan ze lopen voor we haar eindelijk eens te zien krijgen.
Ze loopt al aan de hand, zegt ze trots. En dan: ik sta er eigenlijk niet zo bij stil dat ik foto’s zou moeten nemen, mijn hoofd loopt over met papjes en stapjes. Ach, het komt vanzelf, mam, laat Ria je niet gek maken.
Fiona speelt met Nova en als ze niet met Nova speelt, knuffelt ze met haar. Als Nova slaapt, zit ze naast haar bedje, haar pink tegen de teentjes van het kindje aan. Zelfs in haar slaap krult Nova haar voet en teentjes om de pink heen. Als een aapje, denkt Fiona, ik ben mama aap geworden.
Al die tijd ligt Peter in bed. Hij rilt en kucht verzoeken. Ramen open, Nova zien, water, nog eens water, en zijn beneden ook alle ramen open? De geesten moeten vrijelijk kunnen komen en gaan.
Geesten, zegt ze als ze hem een glas water en de thermometer brengt. Geesten komen hier niet, lieverd.
Peter is daar niet zeker van. De vluchtelingen…de kampen…de geesten van de voodoo dansers. Nova. Ze waren er, fluistert hij. Een rochel beneemt hem de adem en heel even is Fiona bang. Ze ziet de oranje geel gekleurde hoofdtooien weer, het vriendelijke wit van de ogen dat bij zovelen rood ging bloeden. Hun maid, en Nova. Gelukkig is er Nova. Je hallucineert, zegt ze liefkozend. Geesten printen geen boarding card, geesten blijven trouw aan hun geboortegrond.
Hij hoort haar al niet meer, hij slaapt.

Peter knapt langzaam maar zeker op. Ze moeten gaan denken aan de toekomst, aan een leven na de quarantaine, aan werk, aan routine, maar ze willen niet.
Terug naar Nigeria is uitgesloten.
Op maandagmorgen net nadat de vuilniswagen de straat heeft laten schudden, schreeuwt Fiona van boven- Peter, Peter! Haar stem klinkt onnatuurlijk. Peter rent, blootsvoets, de koffiemok onstabiel op het aanrecht valt met een venijnige pets aan scherven.
Peter stuift het kamertje in – leeg, hun slaapkamer dan – daar is ze. Fiona wiegt Nova, maar haar gezicht is strak. Ze heeft koorts, zegt ze. Peter ademt hoorbaar uit. Oké, koorts, dat kan. Koorts kan. Alle kinderen krijgen wel eens koorts. Hij stapt op het raam af en zet dat open. Vogelzang trilt de slaapkamer in. Deze moet open blijven, zegt hij, dat is belangrijk. Hij kijkt naar zijn vrouw, haar dunne armen heeft ze beschermend om Nova geslagen. Geef mij Nova maar even. Nee, ik heb haar. Hij knikt. Zijn dappere vrouw, hij hoort een zachte snik. Peter draait zich om en controleert alle ramen in het huis nog eens. Die op het kleine kamertje zet hij verder open en omdat de bries het raam terug duwt, pakt hij een luier en klemt die tussen het kozijn en de vensterbank. In de keuken raapt hij de scherven van de mok op. Ze hebben niet eens een krant om de ze in te wikkelen. In de vuilnisbak buiten ligt een plasluier, daar vouwt hij de stukken in. Een scherp randje krast zijn wijsvinger open. Fuck, zegt hij veel te hard.
Met keukenpapier maakt hij de vloer verder schoon. Druppels bloed vallen op het linoleum als hij met een hand vol kletsnat bruinig papier naar buiten loopt. Fuck.
Uit het keukenkastje pakt hij hun EHBO kit. Hij zuigt op zijn vinger, duwt zijn tong op de opengesneden huid. De smaak van bloed verdringt die van koffie. Hij desinfecteert de wond en doet er een elastische pleister op. Dan loopt hij terug naar boven.
Fiona loopt rondjes naast hun bed. Ze neuriet de melodie van een Nigeriaans wiegelied. Ik ken de woorden niet, zegt ze als Peter de kamer binnen komt. Ze stapt naar Peter toe en rust haar voorhoofd tegen zijn borstkas. Nova ligt warm ingeklemd tussen hen in. Ik maak me zorgen.

Fiona en Peter cirkelen om Nova heen. Een zucht en ze deppen haar lipjes met water, een jammerend kreetje en ze masseren oh zo zachtjes haar oorlelletjes. Ze voeden haar Bambix met een plastic lepeltje wanneer ze haar hoofd afwendt van de fles.
De nacht is duister en stil. Nova ligt tussen hen in. De hitte van het lijfje wordt hen soms te veel, ze koelen ook zichzelf met natte doeken. Hadden we maar internet aangesloten, zegt Fiona, dan konden we opzoeken wat het kan zijn. Niet dat het iets ernstigs is, natuurlijk.
Het is vast niets, wij zijn ook ziek geweest.
Het kan een doodnormale kinderziekte zijn.
Misschien moeten we toch eens een dokter overwegen.
Fiona kruipt dicht tegen Nova aan, haar neus bij de slaap van het meisje. Met elke ademteug ruikt ze Nova, Nova met zweet. Ze pakt het handje en legt het zachtjes tegen haar borstkas. Hier klopt mijn hart, voel je dat? Boem boem. Boem boem. Net als in Afrika, net als thuis.
Aan de andere kant ligt Peter, ook hij heeft haar handje beet en geeft kleine kusjes op de slapende vingertjes.
Zo vallen ze in slaap.

Mamamamama, zegt Nova na het ontwaken van de vogels buiten. Peter en Fiona kijken elkaar aan over het bollende buikje van Nova. Peter heeft groeven in zijn voorhoofd en een stoppelbaard, Fiona’s haar piekt van zweet en woelen. De koorts is geweken, zegt Peter. Ze snuiven de frisse lucht in bij het opstaan. Peter neuriet het wiegelied.

Fiona ontdekt de uitslag het eerst. Ze kust de lichte voetzooltjes, zacht als nieuwe kussentjes, als haar oog de oneffenheid ziet.
Wat is dat nu, aapje van me?
Nova speelt met een kam en kijkt niet op. Fiona ontkleedt haar helemaal, laat haar staan, naakt. Niet alleen de billetjes, ook de rug, en nu ze goed kijkt, ook op de armen. Overal ziet ze bultjes.
Meisje toch, dat zal wel jeuken, of niet? Ik zei nog vannacht, toen jij eindelijk, eindelijk sliep: we zouden eens een dokter moeten gaan zoeken. Dan nemen we dit beentje, en dit beentje, en dit armpje, en dit armpje en natuurlijk jouw dikke neus…ze plant natte zoenen op de aangetaste huid, allemaal mee naar de dokter. Hallo dokter, zeggen we dan. Hallo, dit is Nova uit Nigeria. Ze zwijgt abrupt.
Ze trekt Nova een schone luier en schone kleren aan. Kom, zegt ze als ze klaar is.

25 april verschijnt de roman Gezelschapsjongen van Bernard Wesseling, een onstuimige roman over de roekeloze, radeloze, redeloze liefde. Wij brengen het eerste hoofdstuk.

*

Ik betrapte haar op de uitvaart. 
Na veel vijven en zessen was ik toch gekomen.
‘Om de grond aan te stampen,’ had ik tegen de taxichauffeur, een prater, gezegd. 
Bij een rotonde aan de rand van de stad was ik uitgestapt. Begonnen de laan uit te wandelen, die leidde naar de begraafplaats. Veel te laat, maar zonder haast. Toen viel zij me op, onder een van de platanen stond ze, ertegenaan gedrukt, omgeven door schaduw. 
Ze was bezig door de split van haar jurk een geblindeerd been omhoog te brengen en krabde haar enkel door de panty. Ik geef toe, het gebaar dreigde even mijn medelijden te wekken.

De parasiet had schoonheid. Net als de rest van haar soort, zei ik bij mezelf. Nee, van een cultus was ze – de cultus van de huisvredebreuk. Vrouwen met onheilige dagboeken die bij het openslaan in vlammen zouden uitbarsten. Monddood, maar springlevend in testamenten. Achter de valse sluier die ze droeg, wist ik nu zeker dat haar mondhoek ironie spelde.

Ik had de drang om haar aanwezigheid vast te leggen als bewijslast. Wettelijk gezien was ze niet in overtreding. Een chantagemiddel dan misschien of beter: aan de digitale schandpaal met haar. Ik verborg me achter een heg vol kwetterende mussen. Fouilleerde mezelf, vond mijn telefoon, maakte een kijkgat tussen de bladeren. Sloot het scherm over haar persoon, als een net.
Terwijl verderop de stoet zo’n beetje richting aula begon uit te waaieren (waartussen ook mijn moeder, geflankeerd door twee dragers), duwde ze zich van de boombast af. Geboren op hakken, liep ze zonder moeite over het grind.
Wat evenmin verboden was: haar nu te schaduwen, te kijken waar ze ons heen zou leiden. Daarom besloot ik mezelf van andere verplichtingen te ontslaan. Dat was nog niet eerder vertoond. Ik was vooral braaf geweest.
Na de middelbare school had ik kunstgeschiedenis gedaan, was afgestudeerd op Oosterse kalligrafie, ik verzin het niet (mijn verwekker, de Grote Etymoloog had zich nog laten ontvallen of ik niet liever wat ‘waardevaste kennis’ wilde opdoen) en voor ik er erg in had stond ik voor een collegezaal. Jongste docent van de universiteit. Van mijn eenendertigste tot mijn zesendertigste – voorbij in een vloek en een zucht.

Volgens de statuten was het lente.
Ik smoorde in een zwart overhemd, de stropdas had ik in mijn zak gestoken. Ik bleef haar met gemak bij, verkoos het hoogpolige gras, verschanste me om de andere boom, al schuurden de broekspijpen van mijn pantalon bij het kruis zodat ik een bijna fluitend geluid voortbracht, en gedwongen was zo’n twintig meter afstand te houden. Ik volgde haar de laan uit, terwijl ze de zindering in liep aan het eind van de weg. Even stonden we stil nog – zij als alert wild, dat ergens van ophoort – alsof we overwogen toch een scène te maken, onze motieven onderzochten, ons verbeten en de kloof tussen doen en laten groeide, of om te luisteren naar een verdacht geluid, naar het koningsdrama van mijn ademhaling, waarna we verder liepen, merkbaar sneller.

Na laan, rotonde en twee straten met huizenrijen ontglipte ze me door een banketbakker binnen te stappen.

Vijf minuten later kwam ze naar buiten met een gestrikte doos onder haar arm. Ze liep kalmer nu, alsof het leven nieuwe betekenis had gekregen met wat er in die doos zat. Ik dacht een veer in haar verderfelijke stap te zien. Het begin van een ladder in haar panty, boven haar hiel. En toen, bij een zebrapad, keek ze in mijn richting.
Ik dook weg, een portiek in, en riskeerde juist op te vallen door me zo plotseling uit haar gezichtsveld te bewegen.
Stom, stom.

Het volgende moment was ik haar kwijt. Ik bevond me op een drukke winkelstraat. Een broeierige Marokkaanse jongen met zachte ogen, boos om zijn eigen verlegenheid, stootte me aan – liep snel verder. De ruit van een bushok trilde licht in zijn sponningen. Een bus draaide in, de deuren sisten open. Niemand stapte uit of in. Tenzij ik, begreep ik even uit de vorsende blik van de buschauffeur. Deel van de stoep was opgebroken. Een geel gehelmde bouwvakker verdween in een tent in de grond.
De omgeving leek erop uit me oneindig af te leiden. Ik was dan ook bang dat een levend standbeeld waar ik vervolgens langsliep, een slordige Centurion van uitgeslagen koper, een schijnachtervolging zou inzetten – toch bleef hij staan.
Maar, en dit was mijn geluk, niemand kleedde zich op deze verhitte dag in het zwart. Een tweede keer verscheen ze, nu voor een winkel. Daar bekeek ze iets in de etalage: een niemendalletje, een negligé, de mannequin of de man die haar ontkleedde.
Toen pas schoot de term me te binnen die gebruikt wordt om vrouwen zoals zij te beschrijven: schaduwweduwe. En het was even alsof ik vat kreeg op haar wezen.
Bij een drukbezocht stoplicht kwam ik zo dichtbij dat ik, een heerlijk oneerbiedig moment lang, op haar door een muur geknakte slagschaduw stond.

Voor een statig gebouw, uiteindelijk, hief ze een knie waar ze haar schoudertas op rustte en viste haar sleutels te voorschijn, de gebakdoos hing aan het touwtje tussen haar tanden.
Dit was mijn kans.
Maar voordat ik mijn voet in haar deuropening kon steken, voordat ik haar huis binnen kon dringen, werd mij nog één keer de weg versperd door een leeglopende balletschool: balletdanseressen hadden ineens de stoep in beslag genomen, binnen enkele seconden stonden ze tot midden op straat. Overal knotjes en pezige schouders, overal ranke benen en benige armen. Ze hadden zich allemaal gewend tot de artiestenuitgang waar ze net uit kwamen; een zwart vierkant gat naast een opengezwaaide ijzeren deur. Geen van hen leek mij op te merken toen ik ze passeerde, met mijn handen omhoog (om me smal te maken, te laten zien dat ik niets ongepasts deed) terwijl ze toch weken voor mij, een voor een, als wuivend graan. Ik trok een sprint, stopte, wandelde in snel tempo verder en was op tijd – ze schouderde haar tasje, klaar met het bekijken van een behulpzame envelop – om me haar achternaam toe te eigenen.

Ze woonde op stand. Ja, mevrouw had het zich gemakkelijk gemaakt. Het viel me op hoe degelijk haar gebouw was, de diepe huizen in Berlage-stijl van grote brede stenen en afgewerkte rondingen, de werkjes hier en daar. Het strookje Amstel voor de deur, de plezierboten en de villa’s aan de overzijde van de oever, ganzen op het gras, de zondoorschenen populieren.
Ik stelde me de verwoesting van haar appartement voor door vuur, hoe het langzaam maar onherroepelijk uitbrandde midden in het gebouw, een met roetbeslagen gat achterliet dat vervolgens niet werd opgeknapt maar met rust gelaten, gewoon zoals het was, terwijl omwonenden zich afwisselden, de blootgestelde woning steeds opnieuw opgeleverd in de stijl van de seizoenen.

Toen pakte ik mijn telefoon erbij en googelde op haar achternaam die Frans genoeg was om exotisch te heten. Ik zocht een toepasselijk gezicht voor haar, vond daarna haar straat met Streetview, zoomde in op haar pand, scrolde en strandde tot aan de deur van haar hal, niet verder, tot waar ik stond. Nu, hier. Onvoorbereid.
Wel aanbellen, niet aanbellen.
Ze zou vanavond al op reis kunnen gaan, dat was goed mogelijk. Emigreren, omdat alles in deze stad aan hem deed denken. En dan snel op zoek naar een nieuwe suikeroom.
In mijn herinnering begon het te regenen. Schuin het portiek in, zodat ik wel naar binnen moest. Maar het zal verzonnen zijn.

Toen ik de bel indrukte, zorgde ik ervoor dat ik mijn mond niet te dicht bij de intercom hield. Haar geluid kwam door.
Ze vroeg iets – had iets gevraagd. Ik diende te spreken, mijzelf kenbaar te maken.
‘Poststuk.’
‘Kunt u het in de hal leggen?’
‘Krabbel nodig.’
Ze drukte me binnen. Even twijfelde ik en stond met de deurknop in mijn hand en hield zo onbedoeld de deur open, als een braaf padvindertje, voor een oude van dagen die ik zag denken: akelig jong, mag alles nog eens dunnetjes overdoen.
Ik werd vriendelijk bedankt.
‘Jaja, alstublieft,’ zei ik en keek de dame of heer na. Daarna volgde ik met loden benen naar boven.

Kalm en doortastend zijn, zei ik bij mezelf.
Er zat een spion in haar voordeur. Mijn neusbrug bolde en gleed er nu doorheen, als door een vissenkom, daarna mijn oog. Dat zij mij nu zag, wist ik zeker, en was ondragelijk. Ik wilde de deur wel intrappen of er hard op beuken – maar zij deed hem ineens open zodat ik daar een poot stond te geven.
Voor ik haar kon bekijken ging ze mij voor. Ik zag alleen haar bleke arm die vervolgens een vertrek aanwees, terwijl ze zelf doorliep naar een toilet, en het idiote verzoek uitsprak of ik mijn schoenen uit wilde doen, want ‘er was net nieuw tapijt gelegd.’
Mijn sokken, wit, waren onfris. Aan de randen van de tenen zat een kleurtje. Ik bloosde ook, godverdomme. Hoe, dacht ik, hoe ga je haar eens goed de waarheid zeggen op je sokken?

Om haar niet aan te hoeven kijken ging ik bij het raam staan, met mijn handen op mijn rug (in de beste traditie van mannen-van-de-wereld die ermee te kennen geven; die pakt niets meer aan en niets hem, vooral).
Het duurde even voordat ze binnen kwam en ik me omdraaide.
Teleurstelling, in eerste instantie. Van alle gezichten die ik haar had toegedicht was dit het minst aannemelijke. Ik weet hoe dat klinkt, ik verwachtte geen hommage, maar er was niet eens sprake van zoiets als een collage van mijn verzinsels, of de vertekening van een abstractie. Nee, niets had ik goed geraden. O, een héél mooie vrouw, daar niet van. Met een ‘open gezicht’, geloof ik dat je het noemt, bruine ogen, springerig blond krulhaar, een licht uitwendige neus: haar neusvleugels stonden de kleinste glimp toe van haar zachte rode voering. (Dit alles volgens de schaamteloze oogopslag van de terugblik.)
En toen, zomaar, dit: ze opende haar decoratieve mond en liet me het lichtend spoor van een beugel zien. (Waarbij ze haar naam opzei en haar hand uitstak, die ik allebei misgreep.) Een slotjesbeugel, een mondsieraad!
Ook kwam ik erachter dat we niet alleen waren. Een statige duifgrijze poes kruiste het tapijt, staart kringelend hoog, poot voor zachte poot. Inmiddels zag ik dat we ons in een soort salonachtige kamer bevonden met varens en stoelen met hoge ruggen. Ze had een oude smaak, dat was bekend. Ze nam haar huisdier op onder de voorpoten, tilde het in de kom van haar schoot en zei: ‘De hele dag niets doen zeker, hè, dan de zon door het huis volgen.’
En hoewel wat ze zei vals gefluister was, had ze een zuiver geluid. Een stem die aanspraak maakte op een oude onschuld, lang verspeeld.
Ze begon nu zelfs over het stomme dier te vertellen – de stem klein maar vast – over hoe ze haar deelde met een autistisch meisje verderop uit de straat, dat er geen weet van had dat deze hier van een ander huishouden kwam, en de poes voor een kater hield, en haar Wammes noemde, en af en toe, ondanks herhaaldelijke uitleg van haar ouders, A4’tjes in de wijk verspreidde als ze hem kwijt was met Wammes’ signalement.
Ik weet niet of de anekdote als bewijs diende dat ze een groot hart had. Zo ja, het had niet de gewenste uitwerking op mij.
Ik vroeg me af of zij mijn vaders geur zou dragen, die van boeken en van pijptabak. Zoals hij naar haar moest hebben geroken, van bloemen, godverdomme, van droogbloemen –
Om een of andere onbegrijpelijke reden was het nog altijd vandaag.

Ik dwong mezelf aan mijn moeder te denken, met haar migraines en haar vermoedens, keer op keer door hem weggehoond met het vertoon van een toneelamateur die weet dat hij het klein moet houden, de krampachtige verontwaardiging, de geheven handen, en dan alsnog het hele goedkope pandemonium, alsof zij het was die zich onmogelijk maakte.

De Schaduwweduwe pakte haar handtas van een koffietafeltje, haalde er een etuitje uit en begon haar make-up bij te werken.
Ik wende me meteen af, alsof je niet bijgelovig hoefde te zijn om te weten dat het bespieden van dit ritueel tot groot ongeluk zou leiden. Bewust of niet scheen ze daarbij pesterig met het spiegeltje wat zonlicht in mijn oog. Ik stond op, vroeg naar het toilet. Zij wees weer, waarop ik haar vinger volgde.

Nadat ik haar medicijnkastje had doorzocht – op informatie, iets over een kwaal, een verslaving, iets wat ik haar kon onthouden of mezelf juist kon toedienen – keek ik een tijdje in het spiegeldeurtje. In een lager register dan ik van mezelf gewend was, zei ik: ‘Niemand weet hoe slecht ik ben.’

Een man en een vrouw alleen. Ik kon haar verkrachten maar dan moest ik het wel nu doen. Haar overmeesteren leek me geen probleem, ze was een kop kleiner, tenger, had een beugel.
Nu schatte ik haar gewicht in, het bereik van haar armen. De missionarispositie was uitgesloten. Ik moest tussen haar dijen vandaan blijven, waar de sterkste spieren van het lichaam zitten, een bankschroef waarmee ze mijn middel zou kunnen afknijpen. Nee, er was eigenlijk maar één manier: ik moest haar van achteren benaderen, haar armen vastpakken bij de polsen – daarmee zou ik haar lichaam kunnen manipuleren, door ze snel omhoog te trekken zodat haar hoofd naar beneden werd gedwongen – haar dan, kont omhoog, naar een bank of tafel kruien als het ware, haar armen naar haar onderrug brengen terwijl ik haar over een tafel of bank heen legde. Vervolgens hoefde ik, als ze begon te bokken of te snokken, wat ze zeker zou doen, haar armen alleen opwaarts te duwen tot de pijn in haar schouders haar zou dwingen zich stil te houden. Nu werd het lastig. Haar polsen gekruist op haar rug gedrukt houdend, moest ik mijn linkerhand vrijmaken om haar rok omhoog te schuiven, haar panty en ondergoed naar beneden, en mijn eigen geslacht vrij te maken en naar binnen te werken. Dat moest dus snel gebeuren. Ik deed mijn riem los, ritste alvast mijn gulp open.
Toen trok ik door, loos, aan een koord. Waste mijn handen met een kromgetrokken stukje roze zeep, onder een stroef kraantje dat ik zowat afbrak.

Daan Stoffelsen

Zij rechtte haar nek en vogelde haar knot los, schikte die met snelle vingers tot een wrong, dofte de dos met een handpalm, bleef me aankijken.
Ik staarde naar haar gezicht tot er geen uitdrukking meer op was.
‘Je hebt me dus gevonden, en nu? Wat wil je horen?’ ze lachte zonder tanden.
Nee, karaktermoord alleen zou niet volstaan.
Ze vroeg of ik wilde gaan zitten.
Ik bleef in positie. Maar ik stoorde me aan mijn gewonde houding: met mijn rechterhand hield ik mijn linkerarm vast, alsof ik daarnet liters bloed had afgestaan. Ik liet mijn armen hangen, maakte vuisten. Hij diende zich weer aan, de verwildering, de behoefte om haar te nemen. Die denigrerende glimlach van haar te breken, haar gezicht verwrongen te zien, die lachende ogen gedoofd.
‘Heb je een glas water?’ blafte ik.
Ze was de kamer meteen uit, ik hoorde het water in de keuken lopen. Langzaam kwam ik in beweging, stapte achter haar aan –
Dat ik onwil voelde, en weerzin, deed er niet toe. Hierdoor had het juist wat te betekenen, kreeg het lading. De nodige geilheid zou vanzelf komen. Ik sloot mijn ogen en balde mijn gedachten tot ik een natuurkracht was, een allesverzengend licht. Ik opende mijn ogen.
Daar liep ze al op mij af met haar water.
Ik mompelde nog, vrees ik: ‘Ik ben de rechterhand van de profeet die een vuist maakt.’

Er was iets verzachtends in de stem van de Schaduwweduwe die middag toen ik afdroop, onder gestamelde voorwendsels.
‘Jij bent niet half zo hard,’ zei ze, en raakte zelfs even mijn wang aan, ‘als je denkt dat goed voor je is.’ Terwijl ik mijn blik op haar wespentaille gericht hield, een sluipwesp –
Daarna liep ik twee treeën tegelijk door het galmende trappenhuis – ‘Je gulp -’ riep ze me na – en het volgende moment stond ik op de stoep een taxi aan te houden en was de zon een speelbal die van raam naar raam werd gegooid toen er een voorreed.

Voor de gratis uitgave De onbekende Hermans liet Jente Posthuma zich inspireren door W.F. Hermans

*

Ze kochten een hond. Zij noemde hem Hermans, hij zei W.F. Hermans, zoals het hoorde. De hond luisterde vooral naar hem.
De naam W.F. Hermans vond hij op het internet, toen hij ‘1 september’ en ‘verjaardag’ googelde. Hij wilde weten welke bekende mensen op dezelfde dag jarig waren als de hond. Even overwoog hij Ruud Gullit, totdat zij zei dat er al zoveel honden Ruud Gullit heetten.
Zij kende het werk van Hermans wel, maar hield meer van Gerard Reve, alleen was die op een andere dag jarig dan de hond. Helaas. Dat woord gebruikte ze vaak: helaas.

Helaas zit mijn man de hele dag op het internet. Helaas houdt mijn man meer van zijn hond dan van mij.
Dat meen ik niet hoor, zei ze altijd, dat is ironie.
Als je het niet meent, zei hij, waarom zeg je het dan? Ironie is als een steentje in je schoen. Maar je moet niet je hele schoen vol steentjes hebben. Zoiets las hij op het internet, W.F. Hermans zei het kort voor zijn dood.
W.F. Hermans was een dwergschnauzer, zo’n keffertje. Hij was fel, maar had opvallend lieve ogen en zachte oren. Het liefst lag hij bij zijn baas op de bank en dan keek hij dankbaar omhoog als die zijn oren streelde. Wanneer zij erbij kwam zitten sprong W.F. Hermans overeind en blafte net zolang tot ze opstond en zich een eindje verder in een stoel liet zakken. Na een paar keer nam ze de moeite niet meer en liep ze meteen door naar de stoel.
Vanuit de stoel keek ze iedere avond naar een talkshow terwijl W.F. Hermans en haar man een dutje deden op de bank. Zo nu en dan praatte ze tegen de tv, meestal als ze het niet eens was met een gast. Dan werd W.F. Hermans wakker en gromde naar haar. Op een avond – ze had net iets geroepen naar een controversiële cabaretier – sprong W.F. Hermans van de bank en beet haar in haar enkel. Ze schreeuwde, haar man schrok wakker en schreeuwde ook. W.F. Hermans blafte hysterisch en hield daar pas mee op toen ze hem met een kandelaar hard op zijn kop sloeg.
De hond lag bewegingloos op het tapijt.
De talkshowhost zei dat het tijd was voor muziek.
Dit wilde ik niet, zei ze.
Hij keek naar haar roze knieën en naar de vingers om de voet van de kandelaar. Hoger wilde zijn blik niet gaan. Ze heeft nog steeds worstige vingers, dacht hij. Ze heeft altijd worstige vingers gehad.
Ik ga even wandelen, mompelde hij. Hij pakte zijn hond op en liep naar buiten.

Acht jaar geleden schreef ik een verhaal in een ochtendkrant dat niet-stemmen ook een manier van stemmen was.
Acht jaar geleden: toen steunde Donald Trump Hillary Clinton voor het presidentschap, was Geert Wilders vooral bekend als filmmaker – en werd de verkiezingsuitslag in Oostenrijk omschreven als “boze kiezers voor boze partijen”.
Ik wil maar zeggen, het kan verkeren.
Op de bekende sociale media delen bekende Nederlanders in den vreemde nu massaal links hoe je in te schrijven om te kunnen stemmen voor de verkiezingen in maart.
Heel goed.
Maar ik zorg dat ik in Nederland ben, 15 maart.

De strekking van mijn stuk in de krant was toen dat de stemmogelijkheden zo beroerd waren dat je het recht had, als burger, om te tonen dat je het allemaal niets vond. Aan die politieke bloedarmoede is weinig veranderd. Alexander Pechtold is al elf (!) jaar fractievoorzitter van D66 en het hoogtepunt van zijn carrière is de openheid over zijn huwelijksperikelen. Lodewijk Asscher, waterdrager in het kabinet van Mark Rutte, werd onlangs de nieuwe voorman van de VVD light, ik bedoel: de PvdA, en moet nu elke keer zijn kritiek op de premier terugtrekken; bij de SP van Emile Roemer rommelt het al jaren (Kamerleden die anoniem in de krant beweren dat Roemer geen fractie kan leiden, ‘laat staan Nederland’); en Jesse Klaver van GroenLinks? Die is vooral bezig met Jesse Klaver van GroenLinks.
Een collega met ballen zette voor laatstgenoemde desondanks een videoreeks op: Nederlandse burgers die verklaarden waarom ze GroenLinks gingen stemmen.
Toegegeven, wie de partijprogramma’s leest, ziet dat GroenLinks een van de weinige, straks mogelijke relevante politieke partijen is die daadwerkelijk om het milieu geeft (Trump gaat miljoenen hectare aan natuurpark in de uitverkoop doen).
Ik bedankte voor een videoboodschap omdat ik vond – en vind – dat je als journalist niet expliciet aan een partij kunt verbinden (ja, ik schrijf nog steeds voor de krant). Maar als burger bestaat die luxe niet meer. Dat wil zeggen: je moet stemmen. En je dus verbinden aan een politieke partij. Maar vermoedelijk vraagt ons politieke burgerschap de komende jaren nog veel meer.

Jamal Ouariachi, Dennis Lehane, Leil Leibovitz: de redactie leest een dunnere biografie, volwaardige thrillerpersonages en een ontheemde Wilders-watcher.

*

Thomas Heerma van Voss: Liel Leibovitz, A Broken Hallelujah: Rock and Roll, Redemption, and the Life of Leonard Cohen

Het nadeel van roemruchte, decennia beslaande levens is dat de boeken die eraan gewijd worden vaak zo onuitnodigend dik zijn: ik wil graag meer weten over het leven van Johnny Cash, maar de veelgeprezen Cash-biografie The Life (2013, door Robert Hilburn) heb ik nooit gelezen. Het werk telt bijna zevenhonderd bladzijdes, en dat kan ik natuurlijk wel opbrengen, maar besteed ik de tijd die ik in zo’n boek stop niet liever aan het lezen van vijf romans, of van het volledige oeuvre van een auteur die ik hoog aansla? Wil ik zo veel details over Cash werkelijk weten, ben ik daarvoor wel toegewijd genoeg? Zelfs de biografieën over een van ‘s Nederlandse grootste auteurs ooit, W.F. Hermans, heb ik nooit gelezen: in totaal meer dan vijftienhonderd pagina’s, ben ik werkelijk zo in hem geïnteresseerd, in werkelijk iedere stap die hij zette?

” “

Diezelfde weerzin heeft me lang weerhouden om I’m Your Man te lezen, de door Sylvie Simmons geschreven biografie van Leonard Cohen: in 2012 al verschenen, dus toen Cohen nog leefde en zelfs nog twee van zijn betere albums moest maken, maar toch bijna zeshonderd pagina’s. Dat valt vast te verantwoorden, de biografie is over het algemeen bejubeld en Cohen heeft een wispelturige, veelomvattende levensloop gehad, dat was ook een van de redenen (met zijn sterke muziek natuurlijk) waarom ik zijn levensverhaal wilde lezen. Toch bleef ik de biografie maar terzijde schuiven: 600 bladzijdes, met nauwelijks wit en vol verwijzingen, ik wilde er de ruimte niet voor maken.

De oplossing kwam uit onverwachtse hoek: mijn vader gaf me afgelopen kerstmis A Broken Hallelujah, een behapbaar boekwerk over Leonard Cohen, geschreven door Liel Leibovitz. Leibovitz schrijft soepel, heel scenisch voor een journalist, en hij heeft daarnaast een fijne invalshoek gekozen: in tien vrij compact opgezette hoofdstukken zoomt hij in op een ander aspect van Cohens leven. Hij probeert niet alles te duiden of in een razend tempo Cohens oeuvre er doorheen te jagen, dit is geen samengeperste biografie, het is meer een inkijkje in tien delen van zijn leven, flarden waar de lezer zelf een verhaal omheen kan bedenken. En die flarden beschrijft hij uitmuntend – bijvoorbeeld hoe Cohen zich, in tijden waarin de Canadese literatuur amper vorm heeft gekregen en men zelfs in Canada vooral naar Amerikaanse letteren kijkt, afzet tegen die traditie en trots durft te zeggen dat hij een Joodse Canadees is. Of hoe hij zich, wanneer hij eindelijk enige reputatie opbouwt als dichter, terugtrekt in Griekenland om daar uren aaneen, zittend op terrasjes, op zijn typemachine te rammen.

Het sterkst is de naamloze prelude: met veel gevoel voor sfeer beschrijft Leibovitz een Brits muziekfestival in 1970, dat bedoeld is als de Engelse tegenhanger van Woodstock maar algauw op een fiasco uitloopt: men verwijt de organisatie geldbelustheid, optredens worden bruut verstoord, de politie heeft het niet meer in de macht, Jimmi Hendrixx wordt bekogeld met een Molotov-cocktail, The Doors speelt uit angst twee uur in het donker (wat een mooi beeld). Dan verschijnt Leonard Cohen op het podium, hij bereikt het publiek wel, wat met enig gevoel voor drama wordt opgetekend: ‘… Cohen was the same person he’d been all along. The six hundred thousand who heard him that night – they were the ones transformed.’ Leibovitz kreeg me zover dat ik dat soort zinnetjes eerder als plus- dan als minpunt zag, en deze verzameling sfeervolle delen uit Cohens levensloop zorgden ervoor dat ik met een aangename honger achterbleef, dat ik Cohens muziek meteen ging herluisteren – en die echte biografie laat ik nog steeds even roerloos liggen.

W.W. Norton gaf A Broken Hallelujah uit.

Jan van Mersbergen: Dennis Lehane, Mystic River

Sommige boeken zijn zo goed dat ik, wanneer ik ze lees, meteen alle andere boeken van de betreffende schrijver bestel. Dat was het geval bij Dennis Lehane. Ik las eerder al Verloren wereld en Nachtleven, allebei uitgegeven bij Ambo Anthos, over Joe Coughlin. De reeks over de inspecteurs Patrick Kenzie en Angela Gennaro wil ik nog lezen. Laatst zappte ik bij toeval langs de verfilming van Shutter Island, met Leonardo di Caprio in de hoofdrol, en nog voor het einde van de film haalde ik boven mijn vertaling van Mystic River uit het boekenkastje waar de boeken staan die ik in huis wil hebben, die in ieder geval niet naar de opslag mogen.

Ik had Mystic River eerder geprobeerd maar om een of andere reden kwam ik niet in het verhaal. Die drie jongens aan het begin, waarvan er eentje bij twee mannen in een auto stapt en na vier dagen terugkeert, veranderd, aangetast, zonder te weten wat er gebeurd is, dat pakte me destijds niet. Nu zag ik Leonardo di Caprio in Shutter Island verstrikt zitten in een spel over gekte en identiteit, en las ik in een ruk Mystic River. Blijkbaar is het soms nodig om net even de juiste modus te vinden voor een boek, zeker bij bepaalde thrillers.

De diepgang is bij thrillers niet het punt, die mist namelijk heel vaak. Het gaat in de eerste plaats om spanning en onderliggende lagen leiden af – dat merk ik ook aan reacties op mijn thriller: mooischrijverij en metaforen en uitdiepen van relaties houdt de spanning op. Er zijn zelfs lezers die verlangen naar lustmoorden. Lehane neemt een tussenpositie in. Hij zet in op spanning maar maakt ook volwaardige karakters en schrijft beter dan heel veel literaire romanschrijvers: duidelijk, puntig, krachtig.

Over de drie jongens, die vijfentwintig jaar later mannen zijn en heel uitlopende levens hebben gehad, zal ik weinig zeggen. Die karakters geven in ieder geval de mogelijkheid om een forse thriller op te bouwen, want ieder in hoofdstuk wordt een ander karakter gevolgd en de mannen hebben vrouwen, kinderen, werk, ieder zijn eigen omgeving, en ook die factoren komen aan bod, dus binnen de kortste keren heeft Lehane honderd pagina’s gevuld. Het gaat mij om de passages die net even het niveau van de doorsnee thriller overstijgen, zoals op pagina 113, wanneer het jongetje dat die paar dagen verdwenen was inmiddels een man is terugdenkt aan de dagen toen hij weer terug bij zijn moeder was en zijn moeder net deed of er niks gebeurd was. Ze glimlacht en vraagt de jongen of hij sinaasappelsap wil. Verder niks. Het hoofdstuk wordt afgesloten met:

‘Nu hij met pijn in zijn knokkels in de tuin stond, kon hij het ook horen. Old McDonald had a farm. En op die boerderij was alles okidoki. Je ploegde en zaaide en oogstte en alles was gewoon hartstikke geweldig. Iedereen kon goed met iedereen opschieten, zelfs de kippen en de koeien, en niemand had geheimen, want geheimen waren voor slechte mensen, mensen die hun eieren niet opaten, mensen die in auto’s stapten die naar appels rookten, auto’s met vreemde mannen, en die vier dagen verdwenen om dan weer thuis te komen en te merken dat iedereen die ze hadden gekend ook verdwenen was, vervangen door glimlachende evenbeelden die ongeveer alles wel wilden doen, behalve naar je luisteren. Zo ongeveer alles, behalve dat.’

Mystic River is ijzersterk. Shutter Island lag gister in de brievenbus.

Mystic River is door verschillende uitgeverijen uitgegeven, het recentst bij Ambo Anthos, maar momenteel niet in vertaling beschikbaar. Wel bij Boekwinkeltjes. Een Engelstalig fragment is te lezen bij USAToday.com.

Daan Stoffelsen: Als dit zo doorgaat

Twee weken geleden refereerde ik al aan Auke Hulsts initiatief Als dit zo doorgaat, een bundel van 24 dystopische verhalen, gedichten en non-fictie van een stel van de beste schrijvers van Nederland. Christiaan Weijts besprak de bundel in De Groene (deze maand gratis toegankelijk) als het antwoord op zijn eigen oproep tot ‘what-if’-romans en dystopieën (waarop ik eerder al een antwoord formuleerde). Hij brengt de bundel in de bredere context, signaleert voor mij nieuwe, wat oudere dystopieën, en merkt op: ‘Wat wel meteen in het oog springt: vrijwel alle bijdragen getuigen van een betrekkelijk veilige stellingname in het politieke spectrum. Engagement lijkt bij ons altijd links engagement te moeten zijn.’ Waarom geen bijdragen van Hafid Bouazza, Leon de Winter, Nausicaa Marbe, Pieter Waterdrinker, Theodor Holman, Arthur van Amerongen, Herman Brusselmans? Thomas Rosenboom?

Dat zou ook een poëticale keuze geweest kunnen zijn. Of misschien zijn ze gevraagd maar wilden of konden ze niet. (Zoiets vermoed ik ook bij de Vrij Nederland-jonge-schrijversspecial, ’35 onder 35′, met een handvol wat oudere auteurs en Thomas Heerma van Voss, maar vooral zonder Merijn de Boer, Wytske Versteeg, Niña Weijers, Bregje Hofstede en Joost de Vries. Enig smokkelen was ook bij hen nodig geweest – maar van hen verwacht ik oeuvres, van het meerendeel van de nu geselecteerden niet. Auteurs werden om een mini-essaytje gevraagd, zou je dat ook onbetaald doen?) Ik miste ze niet, al kun je je een soort Vechten voor overmorgen (1980) voorstellen, van Evert Hartman, waarbij een links tegenfront onverwacht wint en een Klimaatwet invoert en wel de EU-quota aan vluchtelingen haalt, en we zonder Gronings en Russisch gas en zonder Belgische atoomstroom koude winters krijgen. Misschien een idee voor Thierry Baudets tweede roman?

Baudet zei immers onlangs nog tegen de Nederlandse Boekengids: ‘Neem bijvoorbeeld mijn roman: ik beschouw dat echt als een heel goed boek, een werk dat een belangrijke plek inneemt in de westerse literatuur.’

Terug naar Als dit zo doorgaat. Ik wijdde ook een recensie aan het boek, bij Athenaeum, maar er is te veel te vertellen. Wat trekt me aan in het verhaal van Jamal Ouariachi, ‘De zaak 17/26’, dat Revisor mocht voorpubliceren? De nabijheid werkt: we herkennen Wilders, zonder de ‘iconische peroxideblonde kuif’, als Saddam Hoessein op de vlucht gevonden, nu in de rechtzaal. Het onvoorstelbare werkt: de Abu Graib-taferelen in het kwadraat, de vlucht over de Middellandse Zee, nu omgekeerd. Maar vooral het personage van de balling-schrijver in het vaderland van zijn vader:

‘Ik eet tajine op een terras dat op de baai uitkijkt. Het wordt hier vroeg donker, de goudkleurige lichtjes van de haven vormen tezamen een kitscherig sieraad. Daarachter de duisternis van het water, het water waar zoveel gevluchte Europeanen de dood vonden, onderweg naar Afrika.
Niet gedacht dat ik dit ooit zou zeggen: ik voel me veilig en geborgen in dit Marokko, ondanks de chaos. Ik voel me welkom. Natuurlijk weet ik: ook hier kan de pleuris uitbreken en dan wordt het net zo erg als in Europa. Domheid is overal domheid, het zwijgende meebewegen van de massa is overal hetzelfde. De beklaagde is niet uniek. Hij heeft voorgangers, hij zal opvolgers kennen – in een ander land, onder andere omstandigheden, ja, maar altijd, altijd met dezelfde zieke en effectieve middelen.’

De paradox die een oudere Ouariachi, gevlucht naar Argentinië, is: Marokkaan en Nederlander, en nu allebei en niets van beiden. Veilig en geborgen, gek genoeg.

‘Het bezoek, het eten roept allerlei warme gevoelens bij me op die ik hypocriet vind van mezelf, want al die jaren in vrijheid, tot ver voorbij mijn dertigste, wilde ik geen Marokkaan zijn, wilde ik eigenlijk niets met die hele cultuur en dat volk te maken hebben, maar toen begonnen anderen mij Marokkaan te vinden. Ineens was ik voor anderen wat ik voor mezelf nooit geweest was.
Dat bleek niet ongevaarlijk, blonde-haren-bleke-huid-blauweogen ten spijt.
Eenmaal in Zuid-Amerika omarmde ik het Marokkaanschap. Volgde taalcursussen (tevergeefs, ik gaf het altijd na een paar lessen op), begon boeken van Marokkaans-Nederlandse schrijvers te lezen.’

De beste van de bijdragen aan dit boek laten dat zien: dat op de retoriek van populisten gruwelijkheden volgen, vernietiging, maar ook ontheemding en vereenzaming. Dat is nu al heel goed in te denken.

Als dit zo doorgaat wordt uitgegeven door Ambo Anthos.

‘Hoe is het met Iveta? Gaat ze al bijna dood?’
Het is Pavel, de buurjongen. Hij knippert met zijn ogen, te vaak en te overdreven, alsof hij steeds foto’s van zijn omgeving maakt. Er zit geen rem op, weet Jaroslav inmiddels. Dat maakt zijn onbesuisde vragen iets makkelijker te verdragen.
‘Goedenavond, Pavel. Mooie sloffen.’
‘Berenklauwen. Grizzly. Dat staat erin. Heb ik van mama gehad. Werksloffen.’
‘Handig. Was je op zolder bezig?’
‘Ik heb een schietstoel gekocht.’
Pavel wiegt heen en weer met zijn bovenlijf, afwachtend, kwispelend haast. De rits van zijn paarse ski-jack gaat omlaag, omhoog, omlaag, omhoog, zzzip, zzzip.
‘Een schietstoel?’

Lees hier de PDF (135.7 kb) van het deel dat in het nummer verscheen – en gratis het volledige verhaal. Ons geschenk aan u, een goede reden om u te abonneren of een los nummer aan te schaffen.

‘Ik heb het helemaal uitgemeten. Het kan. Ik ben er nu mee bezig. Top secret. Dat is Amerikaans. Staat op alle geheime documenten. Mama mag er niks van weten. Hij komt uit een MiG-29. Dat staat er niet op, maar ik zag het meteen. Hij kwam in delen. Ik heb steeds een stuk naar boven gebracht. Toen Iveta in het ziekenhuis lag. Ik mocht u niet storen, zei mama. Maar nu is het zover. Heeft u weleens zoiets in elkaar gezet, ingenieur Formánek?’
‘Moet je niet naar bed, Pavel?’
‘De assemblage is niet het moeilijkst. Assemblage? Spreek ik het goed uit zo? Dat is toch een woord?’
‘Ja, dat is een woord: assemblage, montage, iets in elkaar zetten.’
‘Weet u wat het moeilijkst is?’
‘Nou?’
‘Het kiezen van het juiste kosmische pad. De positionering en de baan. Alle banen leiden naar de Geestenzon, maar welke zal Iveta kiezen?’
Weer proeft Pavel iedere klinker van haar naam, als ware het een onbekend gerecht. Hij vind het een eer dat hij de buurvrouw bij haar voornaam mag noemen. Inmiddels weet hij ook alles over Iveta’s kanker: waarom deze vorm zo dodelijk is, dat ze naar Praag zijn verhuisd zodat ze de beste medische zorg krijgt, de behandelingsprocedure, het slagingspercentage, de kosten. Over de oorzaak heeft hij ook een theorie: het kwam doordat ze in Trebíc hadden gewoond, te dicht bij de kernreactor in Dukovany, waar Jaroslav als ingenieur werkte.

Dat had diepe indruk gemaakt, vertelde buurman Procházka toen hij met zijn vrouw langskwam om kennis te maken, een paar maanden daarvoor. Het stel speelde een potje tennis met hun zoon als bal. Aan een kant van het net stond een goedmoedige beer, aan de andere kant een vermoeide gans.
‘Pavel heeft grote bewondering voor ingenieurs.’
‘Hij durfde niet mee.’
‘Pavel is dol op technologie.’
‘Hij heeft moeite met nieuwe dingen.’
‘Pavel had een nauwe band met mevrouw Krejzlová, de vorige bewoonster.’
‘Hij is bang voor uw huis. Iedereen sterft daar, zegt hij.’
‘Pavel maakte thee en soep voor mevrouw Krejzlová. Ze hebben samen nog een puzzel afgemaakt de dag voordat ze stierf.’
‘Hij wil hier niet over de vloer komen.’
‘Pavel heeft als dank een kleine erfenis ontvangen van haar familie. Die beheer ik voor hem.’
‘Hij is kwetsbaar, een kind.’
‘Weet u wat Pavel als eerste kocht?’
‘Hij haalt overal tijdschriften vandaan.’
‘Een tweedehandscomputer!’ riep de buurman. ‘Pavel is best slim, hoor. Hij weet inmiddels hoe je alles naar het Tsjechisch kunt vertalen. En hij leert steeds meer woorden in het Duits en Engels.’
‘Hij praat soms een beetje vreemd.’
‘Pavel is niet gek. Hij is speciaal.’

Zo kwam Jaroslav in korte tijd veel te weten over Pavel. Dat hij drieëntwintig was, dat hij leed aan een soort autisme, dat er geen geschikte school was geweest, dat hij zes of zeven privéleraren had versleten, dat hij vaak over straat doolde, dat hij ’s nachts vele uren in zijn werkkamertje op zolder doorbracht, dat er steeds meer was dat zijn ouders niet wisten. Zoveel werd duidelijk toen Pavel voor het eerst aanklopte om advies te vragen over de Rotalitnev.
Toen Jaroslav opendeed, sprong de jongen naar achteren en wreef heel hard en snel met beide handen door zijn bloempotkapsel, alsof hij zichzelf van een luizenplaag wilde ontdoen. Toen fluisterde hij: ‘Stop! Stop! Ik durf dit. Ik durf dit. Vragen! Nu vragen!’
‘Wat wil je vragen, Pavel?’ lachte Jaroslav.
‘U bent ingenieur, zegt papa. Klopt dat?’
‘Dat klopt inderdaad,’ zei Jaroslav.
Pavel leek door zijn knieën te willen zakken. Op zijn gezicht verscheen een gelukzalige blik van bewondering, die Jaroslav zowel hartverwarmend als angstaanjagend vond, alsof hij per ongeluk voor heilige werd aangezien en niet bij machte zou zijn om deze vergissing recht te zetten.
‘U kunt mij helpen,’ zei Pavel opgelucht. ‘Ik moet een Rotalitnev bouwen.’
‘Een wat?’ vroeg Jaroslav.
‘Een omgekeerde ventilator. Een noodstroomaggregaat. Zeg ik het goed zo: noodstroomaggregaat? De molens heb ik al. Vijftien. Verschillende weliswaar, maar toch. Die heb ik omgekeerd, maar er komt geen stroom uit.’
Gefascineerd door de overtuiging waarmee Pavel zijn verhaal deed was Jaroslav hem naar zijn zolderkamer gevolgd. Bij de deur moest hij zich even omdraaien zodat Pavel een ‘geheime code kon doorseinen’. Jaroslav moest ook beloven dat hij niemand zou vertellen wat hij zou aantreffen. Dat deed hij plechtig en trad toen binnen in een verbijsterend universum waarin een onnavolgbare geest alles met alles leek te willen verbinden. De muren en het schuine dak waren beplakt met foto’s die Pavel uit tijdschriften had gescheurd en in collages had gegroepeerd. Zo was er een ‘raam’ van ongeveer één bij twee meter dat volledig beplakt was met verscheurde foto’s van vuur. Op deze papieren hellepoort had Pavel teksten geplakt, die bestonden uit letters die hij uit krantenkoppen had geknipt, waardoor er een hersen-tartend losgeldbriefje ontstond:

Het Pad Der Magnetisch Logoïsme
Poort Naar De Brandende Grond
Van de Derde en Vierde Hiërarchie
Gedreven Door Gemini en Hitteritme
DOEL! Stromende Snelwijsheid in Lichtbewustzijn!

Naarmate hij langer naar de collages keek ontwaarde Jaroslav steeds meer ‘poorten’, die bestonden uit snippers bomen en planten die in rijke schakeringen groen in elkaar overgroeiden; rivieren, watervallen, gladgetrokken zeeën en woeste golven die over elkaar heen buitelden; dieren, draken en andere mythische beesten die elkaar verdrongen; mensengezichten van allerlei kleuren, die lachend, huilend, gillend en starend in een krankzinnige groepsfoto bijeen waren geplakt. En steeds weer werden de poorten geduid met hermetische teksten waar Jaroslav geen raad mee wist.
‘U mag niet te lang kijken, ingenieur Formánek,’ zei Pavel.
‘Waarom niet?’ vroeg Jaroslav.
‘Kijk,’ zei Pavel en hij zette het zolderraam open. ‘Dit is mijn noodstroomaggregaat.’
In de goot stonden vijftien oude tafelventilatoren met hun voeten in het regenwater. Er liepen witte snoeren door het water naar een gat in de muur onder het raam. Binnen lagen de snoeren als een dik touw samengebonden op de vloer. De koperen eindjes van alle blauwe en bruine draadjes waren met kroonsteentjes aan elkaar verbonden.
‘Deze moet branden,’ zei Pavel, wijzend op een houten constructie waarop een gloeilamp met fitting was gemonteerd.
‘Waarom gebruik je niet gewoon het stopcontact?’ vroeg Jaroslav.
‘Vijftien – dat moet toch voldoende zijn,’ zei Pavel.
‘Wat wil je precies?’
‘Het luik moet zelfredzaam kunnen openen.’
‘Welk luik?’
‘De Brandende Grond. Kijk.’
Pavel rolde een tekening open op zijn werktafel. Daarop stond een simpele schets van de zolderkamer en het schuine dak, waarop de openstaande koepel van een straaljager leek te zijn gemonteerd.
‘En dat wil je op het dak monteren?’ vroeg Jaroslav.
‘Het luik moet zelfredzaam openen. Dat is het hoofdattribuut van het Eerste Pad van Sirius: Zelfredzaamheid. Dat wil zeggen: op eigen kracht, anders ontstaan er afwijkingen in de ritme-warmte-energie-constellatie.’
‘Is dat een straaljagerkoepel?’ vroeg Jaroslav.
‘Kijk,’ zei Pavel en hij liep naar een hoek van de zolder, waar een nijlpaard onder een zeil leek te slapen. Hij kneep twee stevige klemmen los, tilde het zeil op en begon te ratelen als een telex:
‘Mikojan-Goerevitsj-25… Dat is een straaljager. Mensen schrijven vaak MIG, met alles in hoofdletters, maar dat klopt niet. Het is grote M, kleine i, grote G, want de M en de i zijn de eerste letters van Mikojan, en de G is van Goerevitsj… Mach 3,2 haalt-ie in duikvlucht… Dat is om en nabij de 3.600 kilometer per uur. Dat is ontzettend snel, maar ons lichtschip is nog veel sneller… Dit is doorzichtig acryl en aluminium… Je komt er niet doorheen met een hamer. Probeer maar. De plofscharnieren zaten er niet bij, maar ik heb hier een elektromotor van een fabriekshek. Daar wip je ’m zo mee open.’
‘Heb jij dat erop geplakt?’ vroeg Jaroslav, wijzend op de knipselcollage op de binnenzijde van de straaljagerkoepel.
‘Kijk,’ zei Pavel en hij maakte de koepel open. De binnenkant was bedekt met een collage van verscheurde vuurprenten. Hij liet de koepel met een dreun vallen en liep naar de vuurpoort bij het schuine dak. ‘Hier moet hij komen. Vuur bij vuur! Kosmische camouflage!’
‘Maar de buitenkant blijf je zien,’ zei Jaroslav.
‘Wat is de kleur van het dak?’ riep Pavel.
‘Dakpan-oranje?’ probeerde Jaroslav.
‘Heb ik! Daar!’ riep Pavel en hij wees naar een pot verf. ‘U bent zo slim, ingenieur Formánek, zo slim! U mag me helpen. Deze elektromotor komt later bij dat peertje! Dat mag u doen!’
‘Weet je het zeker?’ lachte Jaroslav.
‘Ja!’ riep Pavel. ‘Ik vertrouw op uw gezag. U krijgt van mij de code en uw eigen sleutelbos. Dan kunt u komen wanneer u wilt!’

Ze spraken af dat Jaroslav zijn technische vernuft zou bijdragen en dat Pavel in ruil daarvoor beneden een oogje in het zeil zou houden, als Iveta alleen was. Daarna waren ze meteen naar het appartement gelopen zodat Pavel kennis kon maken met de buurvrouw. Terwijl ze de trap afdaalden werd Jaroslav achtervolgd door een storm vragen van Pavel, die zich probeerde voor te bereiden op de ontmoeting. ‘Ze ligt dus de hele dag op bed? Als een koningin? Maar ze is ziek? Hoe ziet ze eruit? Is ze liefelijk? Moet ze niet plassen en poepen? Eet ze gewoon eten? Wat drinkt ze het liefst? Drinkt ze thee? Ik kan thee maken, en soep. Heeft ze wel eens Coca-Cola gedronken? Dat is lekker, maar heel slecht voor je tanden. Heeft ze nog wel tanden?’
Bij de voordeur viel hij stil. ‘Ik durf dit,’ zei hij weer zachtjes tegen zichzelf. ‘Ik durf dit.’
Jaroslav fluisterde dat ze zachtjes naar binnen moesten gaan omdat Iveta misschien al sliep. Pavel knikte langzaam met grote knipperende kinderogen, alsof hij uitleg kreeg over het protocol voor een bezoek aan de kerstman. Samen slopen ze door de gang naar de slaapkamer. Iveta lag te lezen en hoorde hen aankomen. Wat volgde was een van de meest wonderbaarlijke ontmoetingen die Jaroslav ooit had meegemaakt. Later zou hij er nog vaak aan terugdenken om de weemoed te verdrijven.
‘U bent het,’ zei Pavel zachtjes. Hij bleef aan het voeteneinde staan, durfde niet dichterbij te komen.
Iveta glimlachte, legde haar boek neer, keek Jaroslav lachend aan en antwoordde toen zonder enige bevreemding over deze ongewone opening: ‘Ja, ik ben het, Iveta.’
‘U bent de liefde,’ vervolgde Pavel.
‘Ik hoop van wel,’ lachte ze.
‘U bent de koningin van ingenieur Formánek.’
‘Is dat zo?’ zei ze en keek Jaroslav lachend aan.
‘Maar u gaat dood.’
‘Ja,’ antwoordde Iveta. ‘Maar dat gaan we allemaal. En ik leef nu nog.’
‘Dan gaat u verder,’ zei Pavel.
‘Ja, waarschijnlijk wel,’ lachte Iveta.
‘Ik ga voor u zorgen,’ zei Pavel. ‘Dat mag van ingenieur Formánek.’
‘Dat lijkt me fijn.’
‘Alleen als ik de deur uit ben,’ voegde Jaroslav snel toe.
‘Ik voel u zoeken,’ zei Pavel.
‘Zoeken?’ zei Iveta.
‘Ik kan u helpen zoeken naar het juiste pad. Ik voel u zoeken.’
‘O, graag,’ zei Iveta. ‘Ik ben heel slecht in zoeken, toch, Jaroslav?’
‘Ja, dat is wel een beetje waar,’ lachte Jaroslav.
‘Ik ben heel goed in zoeken,’ riep Pavel. ‘Ik vind altijd alles. Ik weet waar alles is!’
‘Dat lijkt me heel handig,’ zei Iveta.
‘Zullen we kijken of het te horen is als je op de muur klopt met je stok?’ zei Jaroslav.
‘U ziet eruit als een heel mooi vogeltje,’ zei Pavel.
‘Wat lief dat je dat zegt,’ zei Iveta.
‘Een ziek en mager vogeltje,’ zei Pavel.
‘Kom mee,’ lachte Jaroslav. ‘We gaan even luisteren.’
‘Ik kom terug om voor u te zorgen, Iveta, vogelkoningin,’ zei Pavel, maar hij deinsde terug voor Iveta’s uitgestoken hand. ‘Nee, ik mag u niet aanraken, want dan wordt u misschien uit uw nest gestoten. Dat wil ik niet.’
‘Je hebt gelijk,’ lachte Iveta. ‘Dat zou heel vervelend zijn.’
‘Ik ga nu met ingenieur Formánek mee, maar ik weet zeker dat ik u hoor, want ik luister niet met mijn oren. Dat zei mevrouw Krejzlová altijd: jij luistert niet, maar hoort alles. Zij is hier ook doodgegaan. Maar jou ga ik redden.’

Bij de deur van het appartement had Pavel een sleutelbos als een rinkelende zilveren vuist uit zijn zak gehaald. Zonder aarzeling viste de jongen de juiste sleutel ertussenuit en maakte de deur open.
‘Daar kun je een hoop deuren mee openen,’ zei Jaroslav.
‘Precies! Maar ik ken pas drie van de sloten. De rest moet ik nog zoeken,’ antwoordde Pavel en schakelde het licht in de hal aan. ‘Dit is waar ik woon. Mama en papa slapen daar, aan het eind van die gang. Mijn kamer is daarnaast. Mijn slaapkamer, want daar slaap ik alleen. Je hebt mijn échte kamer gezien. En dit is onze woonkamer.’
‘Prachtig,’ zei Jaroslav en bleef even staan voor een vitrinekast met Boheems glaswerk.
‘Zeer kwetsbaar. Van mijn moeder. Mag ik allemaal schoonmaken. Elke dinsdag. Afstoffen met een droge doek. Geen reinigingsmiddelen. Daar kunnen ze niet tegen. Deze zijn het moeilijkst,’ zei Pavel, wijzend op een zwerm kristallen vogeltjes. ‘Daar ben ik twintig minuten mee bezig.’
‘Schitterend,’ zei Jaroslav.
‘En dit is Het Orakel Lenovo,’ zei Pavel wijzend op het scherm en toetsenbord dat op een bureau in de hoek stonden. ‘Zijn hart en hersens staan hieronder,’ zei hij en wees op de processor onder het bureau.
‘Het Orakel Lenovo?’ lachte Jaroslav.
‘Al uw vragen kan hij beantwoorden, ingenieur Formánek,’ zei Pavel. ‘Stelt u maar een vraag.’
‘In het Tsjechisch?’
‘Natuurlijk! Gogol vertaalt het naar het Engels en Gogol zoekt het in het Engels op en vertaalt het naar het Tsjechisch! Gogol is een wonder! Een mirakel.’
‘Hoe is het weer vandaag in Trebíc?’
‘Dat is toch geen vraag? Dat wil je toch niet echt weten? Dit is een vraag: welke weg moet ik kiezen?’ riep Pavel en typte de woorden in in het vertaalprogramma, daarna kopieerde hij de vertaling en plakte die in het zoekprogramma. ‘Hier! 638.000 antwoorden heeft Gogol. Daar moet de waarheid tussen zitten!’
‘Maar hoe weet je welk antwoord de waarheid is?’ vroeg Jaroslav.
Pavel keek hem verbijsterd aan: ‘Dat voel je toch, ingenieur Formánek! Dat voel je gewoon. Noorwegen bijvoorbeeld!’
‘Noorwegen?’
‘Dat is een land in het Hoge Noorden. Daar is hij wedergekomen. Dat is toch een woord: wedergekomen? Ik voelde het al, wist dat het waar was, maar las er gisteren pas over.’
‘Wie is wedergekomen?’
‘Waar zou hij heen gaan? Dat vraag ik me steeds af: waarheen? Ik hoor Iveta!’
Pas toen ze bij de muur stonden hoorde Jaroslav zijn vrouw lichtjes tegen de muur kloppen. ‘Jij hebt een heel goed gehoor, Pavel!’
‘Ik luister niet. Je moet niet luisteren, je moet voelen!’

Zo werd Jaroslav Formánek figurant in een fantastisch avontuur, dat des te magischer was omdat er rationeel geen touw aan vast te knopen viel. Een schitterende ontsnappingstunnel onder de zware last van Iveta’s ziekte vandaan, waarin hij zijn verantwoordelijkheid niet hoefde te veronachtzamen, maar toch zijn zinnen kon verzetten. Zonder aarzeling besloot hij er alles aan te doen om te zorgen dat Pavels imaginaire universum niet van echt te onderscheiden zou zijn. Dit voornemen werd later nog beklonken met een belofte aan Pavels vader, die op de zolderdeur klopte toen Jaroslav bezig was met de Rotalitnev.
Hij had Pavel naar beneden gestuurd om op Iveta te passen, zodat hij in alle rust de bedrading van de kansloze uitvinding kon fingeren. Jaroslav had de jongen ervan weten te overtuigen dat ze een auto-accu nodig hadden, die door de draaiende ventilatoren opgeladen zou worden. De accu stond in een houten constructie die de ingenieur zelf in elkaar had geschroefd. Er zat een oude elektriciteitsmeter op gemonteerd, naast het binnenwerk van een afgedankte transistorradio. Die twee zaten er voor de sier, want de accu werd opgeladen via een adapter die onder de vloer door verbonden was met het dichtstbijzijnde stopcontact.
Jaroslav was net de versplinterde zijde van de gelichte plank aan het wegwerken met bruine schoenpoets toen er zacht op de deur werd geklopt.
‘Ingenieur Formánek?’ sprak een doorrookte stem, die Jaroslav meteen herkende als die van zijn buurman. ‘Ik weet dat u daar bent, ingenieur Formánek. Mag ik u even spreken?’
‘Een moment,’ zei Jaroslav. Hij stopte de poetsdoek weg in de zak van zijn overall, zette zijn gereedschapskist op de beschadigde plank en blies de schrik in drie lange halen uit.
Toen Jaroslav de deur opende werd hij weer verrast door het postuur van de buurman, als een langgerekte bassnaar die een sonoor geluid voortbracht: ‘U bent Pavel aan het helpen, ingenieur Formánek, dat is aardig van u.’
‘Wilt u even binnen komen, buurman Procházka ?’ vroeg Jaroslav.
‘Dat mag eigenlijk niet van Pavel,’ antwoordde de buurman en overtrad meteen de regel. Hoofdschuddend bekeek hij de zolder en gromde steeds: ‘Verbijsterend.’ Hij tuurde lange tijd naar de hermetische teksten en zei toen: ‘Vindt u dit niet beangstigend, ingenieur Formánek? Heeft u enig idee wat hij van plan is?’
‘Niet precies. Daar probeer ik nu achter te komen.’
‘Dat is fijn. Het zijn wilde plannen. Vreemde plannen.’
‘Ja.’
‘Hij wil springstof kopen.’
‘Echt?’
‘Dat heb ik gehoord van een kennis.’
‘Hoe komt hij daar dan aan?’
‘Pavel is heel vindingrijk.’
‘Inderdaad. Maar hoe gaat hij dat betalen?’
‘Van zijn erfenis,’ zei de buurman.
‘Misschien moet u hem geen geld geven,’ zei Jaroslav.
‘U heeft helemaal gelijk, ingenieur Formánek. Maar ik moet wel, anders gaat hij bedelen.’
‘Bedelen?’
‘Hij ziet het zelf niet als bedelen. Hij is gewend dat hij thuis geld krijgt als hij erom vraagt. Als we dat weigeren vindt hij het normaal om het aan andere mensen te vragen. Dat doet hij zonder schroom.’
Jaroslav lachte.
‘Vindt u dat grappig, ingenieur Formánek?’
‘Nee, het is eerder ontroerend. Ik wil proberen uw zoon te behoeden voor ongelukken, meneer Procházka. Dat lukt het best als ik hem hiermee help.’
‘Dat is heel aardig van u, maar heeft u daar wel tijd voor? Uw vrouw is ernstig ziek.’
‘Dat klopt, maar ik heb wel wat loze uurtjes te besteden. Ik help Pavel en houd u op de hoogte, goed?
‘Dat is bijzonder aardig van u, ingenieur Formánek! Hartelijk dank!’
Zo was Jaroslav steeds verder verstrikt geraakt in Pavels kosmische plan. En nu staat de jongen voor de deur te verkondigen dat hij een schietstoel heeft gekocht.

‘Mag ik een bel bij u installeren?’ vraagt Pavel.
‘Een bel?’ fluistert Jaroslav.
‘Mag ik Iveta even zien?’
‘Ze ligt te slapen, Pavel.’
‘Ik zal sluipen.’
Jaroslav moet lachen hoe Pavel met zijn schitterende sloffen een sluipende grizzly nadoet. ‘Kom maar even binnen. Wat wil je eigenlijk precies doen?’
‘Uw huis ruikt vreemd,’ fluistert Pavel.
Hij sluipt door de gang naar de slaapkamer en gaat naast het bed staan. Jaroslav kijkt toe vanaf de deur. Iveta ligt onder het dekbed met haar rug naar hen toe. Pavel buigt zich voorover, maar stopt meteen als Jaroslav vermanend pss-pss-pss doet. De jongen spreid zijn armen in de lucht, alsof hij Iveta’s afmetingen opneemt, maakt rollende bewegingen met zijn beide handen, alsof hij Iveta in gedachten inzwachtelt. Hij verstart als hij Jaroslavs hand op zijn rug voelt. Pavel legt zijn vinger op zijn lippen en wijst naar het plafond, trekt vervolgens een neerwaartse lijn in de lucht en fluistert met malende lippen: ‘Bel voor Iveta.’
Bij de voordeur zegt hij: ‘Ik ga haar redden als het zover is.’
‘Dat is aardig van je, Pavel.’
‘Ik heb de astrale paden nu allemaal in kaart gebracht.’
‘Wat fijn.’
‘Ik ken nu de coördinaten, maar dat is blijkbaar hetzelfde als weten op welk spoor de trein zal passeren zonder te stoppen. Gelukkig beweegt deze trein langzaam, zeggen ze, dus je kunt gewoon aan boord stappen, maar dan moet je wel op het juiste moment klaarstaan.’
‘Wie zijn “ze”, Pavel?’ vraagt Jaroslav.
‘Vandaar de bel,’ roept Pavel trots.
‘De bel?’
‘Die ga ik naast Iveta’s bed installeren. Dan kunt u erop drukken als ze dood is.’
‘Pavel!’ Jaroslav blaft het woord en schrikt zelf van de galm in de gang. Hij ziet hoe de jongen terugdeinst voor het monster dat hij denkt te hebben ontketend.
Pavel maakt sussende bewegingen met zijn handen, alsof hij een enthousiaste hond probeert af te weren: ‘Alleen het knopje, alleen het knopje, u mag het zelf installeren!’
Jaroslav voelt hoe de ontroering zijn woede overwint: ‘Excuses voor mijn uitbarsting, Pavel, maar het zijn zware tijden…’
‘Morfine!’ roept Pavel als een eureka. ‘Iveta heeft morfine nodig. Dan heeft ze geen pijn meer.’
‘Ja,’ glimlacht Jaroslav bedroefd, ‘misschien is dat wel beter, jongen. Ik zal je helpen om de bel te installeren, maar dan moet jij eerlijk antwoord geven op mijn vraag.’
‘Natuurlijk, ingenieur Formánek,’ fluistert Pavel, ‘wij zijn als kosmonauten die in dezelfde raket zitten!’
‘Precies,’ zegt Jaroslav. ‘Dit is mijn vraag: ben jij springstof aan het kopen? En weet je hoe gevaarlijk dat is?’
‘Dat zijn twee vragen, en ik ken beide antwoorden. Ja en ja,’ fluistert Pavel. ‘Semtex blaast met gemak je hele hand eraf!’
‘Absoluut!’ zegt Jaroslav. ‘Daarom moet je het niet kopen. Waar wil je het eigenlijk voor gebruiken?’
Pavel komt zo dichtbij dat Jaroslav de pekelworst in zijn adem kan ruiken. ‘Voor de schietstoel en de koepel.’
‘Daar is semtex helemaal niet voor geschikt, Pavel. Dan blaas je een gat in de vloer en gaat alles in de fik. Dat wil je toch niet?’
‘Nee!’ zegt Pavel met grote ogen. ‘Dat mag niet gebeuren. Maar wat dan? Hoe moet ik me lanceren?’
‘Dat ga ik voor je regelen. Maak je geen zorgen.’

Niet lang daarna verslechtert Iveta’s gezondheid abrupt, precies zoals de artsen hebben voorspeld. Binnen een paar dagen kan ze niet meer zelfstandig staan en kort daarna wordt haar ruggenmerg door de kanker versteend, waardoor ze alleen nog plat op bed kan liggen, turend naar het plafond, licht draaiend met haar hoofd, alsof ze de beul zoekt die haar martelt. Steeds vaker denkt Jaroslav aan Pavels eureka: ‘Morfine!’
‘Uw vrouw heeft nu constante zorg nodig,’ zegt de sympathieke dokter, die Jaroslav meeneemt naar de keuken om Iveta te vrijwaren van haar prognose. ‘We kunnen nu alleen nog haar lijden verlichten. Dat kunt u niet alleen, dag in, dag uit, wie weet hoelang nog. Straks krijgt ze niks meer naar binnen en laat ze alles lopen. Kunt u haar dan nog voeden en verschonen?’
Als de ambulancebroeders Iveta op een rammelende brancard over de gang duwen barst de deur bij de buren open. ‘Waar gaat Iveta heen, ingenieur Formánek?’ roept Pavel. ‘Waar nemen ze haar naartoe? Zo kan ik haar niet redden!’
Jaroslav belooft Pavel dat ze binnenkort samen naar het ziekenhuis zullen gaan om Iveta op te zoeken. Maar dit stelt Pavel niet gerust. Pas als Jaroslav vertelt dat hij alles op alles zal zetten om ervoor te zorgen dat Iveta thuis mag sterven, valt de jongen bijna flauw van opluchting. Hij leunt met zijn rug tegen de muur, slaat zijn handen voor zijn gezicht en hijgt luid tussen zijn vingers door. ‘We spreken elkaar snel,’ roept Jaroslav en haast zich achter de brancard aan.

Als Jaroslav later thuiskomt vliegt de deur bij de buren meteen weer open. ‘Ik heb hier uren zitten wachten,’ zegt Pavel en wijst op een stoel die in het halletje staat. ‘Ik denk dat het kan! Maar we moeten dan wel de lanceerhoek aanpassen en ik moet natuurlijk de exacte coördinaten hebben van het bed waar Iveta in gaat sterven.’
‘Waarom, Pavel?’
‘Het lichaam is een wiekel,’
‘Bedoel je een vehikel?’
‘Ja! Een Volkswagen! U rijdt toch in een Volkswagen?’
‘Ja.’
‘Maar u bent die Volkswagen niet!’
‘Nee.’
‘U zou ook in een andere auto kunnen rijden.’
‘Inderdaad.’
‘Zo is het ook met de ziel. Die kan ook in een andere auto rijden, een ander lichaam. Maar dan moet je wel op tijd zijn. Anders ontlaadt de energie zich en wordt het toegevoegd aan het collectieve, het kosmische universele. Snapt u?’
‘Ik denk het.’
‘Daarom moet ik het kosmische pad zo goed mogelijk kruisen. Daarom moet ik de coördinaten van het bed kennen. Daarom!’
‘Ze wil thuis sterven, Pavel, dat had ik toch gezegd?’
‘Mag ik morgen mee naar het ziekenhuis?’
‘Natuurlijk. Ik vertrek om 10 uur.’
‘Dan sta ik klaar!’

In de auto praat Pavel aan één stuk door, alsof hij steeds zijn eigen coördinaten wil vaststellen. De tram is zijn leidraad. Onderweg benoemt hij alle haltes. Tussendoor leest hij de namen van de winkels, banken en andere zaken die ze passeren. Soms vertelt hij ook wie er werken en wat ze daar doen, alsof hij de sociale geografie van de buurt in kaart heeft gebracht.
Naarmate ze op minder bekend terrein komen valt hij stil, friemelt met zijn kleding, woelt door zijn haar, draait het raam open of dicht, gaat steeds verzitten alsof er een muis in zijn broek is gekropen.
Om hem af te leiden vraagt Jaroslav: ‘Hoe ga je Iveta’s ziel precies vangen, Pavel?’
‘Met een banaan, ingenieur Formánek,’ antwoordt hij prompt.
Jaroslav kucht zijn lachbui weg.
‘Een groene,’ voegt Pavel toe.
‘Waarom een groene?’
Pavel kijkt Jaroslav vol ongeloof aan. ‘Anders kun je niet zien wanneer hij rijp is.’
‘Maar hij is toch groen?’
‘Zodra de ziel in de banaan zit is hij rijp. Dan kunt u hem opeten om de ziel tot u te nemen.’
‘Ik?’ zegt Jaroslav.
‘Natuurlijk! Er is meer dan genoeg ruimte in u voor twee zielen, ingenieur Formánek. Dan heeft u Iveta voor altijd bij u. En als u bang bent voor een tweede ziel, dan eet ik de banaan op. Dat durf ik.’
Jaroslav voelt zijn ogen prikken en mompelt: ‘Je bent een lieve jongen, Pavel.’
‘Ik heb kennis!’ roept Pavel trots.
‘Inderdaad,’ lacht Jaroslav.

In het ziekenhuis voelt Pavel zich duidelijk niet op zijn gemak. Hij schrikt van ieder onbekend geluid en fluistert steeds vragen die Jaroslav moeilijk kan beantwoorden. Uiteindelijk grijpt hij Jaroslavs hand en loopt dicht tegen hem aan naar de kamer waar Iveta ligt. Als hij haar ziet, zucht hij diep en slaat zijn hand voor zijn mond: ‘U bent bijna doorzichtig, Iveta.’
Ze lacht vermoeid en fluistert. ‘Maar jij ziet me toch, Pavel.’
‘U bent als een kwalletje!’
Jaroslav hikt van de lach en Iveta’s giechel mondt uit in een hoestbui. Een zuster roept de bezoekers tot de orde.
‘Geen grappen meer,’ grinnikt Jaroslav.
‘Hoe voelt u zich, Iveta?’ vraagt Pavel. ‘Gaat u nu al bijna dood?’
‘Dat zou wel fijn zijn.’
‘Ze is heel moe,’ zegt Jaroslav. ‘En ze heeft veel pijn.’
‘Maar straks niet meer,’ zegt Pavel. ‘Dan gaat uw lichaam slapen. Dan kan uw vehikel naar de sloperij. Maar dan hebben wij uw ziel nog.’
‘Echt waar?’ lacht Iveta.
‘In een banaan,’ zegt Jaroslav.
‘Wat zeg je nu, Jaroslav?’ zegt Iveta.
‘Pavel gaat jouw ziel vangen in een banaan. En dan ga ik die opeten.’
‘Wat wonderlijk,’ zegt Iveta. ‘Dan zit ik in jou.’
‘Precies!’ roept Pavel. ‘Dat is het precies, Iveta!’
‘Dat lijkt me heerlijk.’
‘Pavel is bang dat je hier zult sterven,’ zegt Jaroslav.
‘Nou, alsjeblieft niet,’ zegt Iveta. ‘Ik kom gewoon naar huis hoor.’
Pavel knikt tevreden. ‘Ik zal iedere ochtend een groene banaan kopen.’

Diezelfde avond wordt er rond elven zachtjes op Jaroslavs deur geklopt. Hij staat zijn tanden te poetsen en denkt eerst dat hij een raam hoort dat schudt in de wind. Maar als hij zijn tandenborstel tussen wang en kies klemt komt het kloppen duidelijk door. Hij vermoed dat het Pavel is, maar er is geen coderitme. De klopper weet dat Jaroslav thuis is, want hij klopt een vierde en daarna een vijfde keer, steeds urgenter.
Buurman Procházka zucht opgelucht als Jaroslav de deur opent en begint meteen bezorgd te grommen: ‘Pavel heeft zijn vliegenierspak aan, ingenieur Formánek. Hij slaapt in zijn vliegenierspak, snapt u? Hij heeft het aan in bed. Ik weet dat uw vrouw ernstig ziek is en ik wil u niet lastigvallen, maar ik zou heel graag willen weten hoe het met de voorbereidingen gaat.’
‘Ze verlopen voorspoedig, buurman,’ antwoord Jaroslav voorzichtig.
‘Dat is goed om te horen. Ik…’ de buurman zoekt de juiste woorden.
Jaroslav besluit hem te helpen. ‘Wilt u zien waar we mee bezig zijn, buurman? Ik zou uw hulp goed kunnen gebruiken. Misschien kunnen we dat nu even bespreken?’
De magere beer klapt opgelucht in zijn handen en gromt zijn dank uit. ‘Dat zou ik erg prettig vinden, ingenieur Formánek!’
‘Prima,’ zegt Jaroslav en pakt de sleutelbos die Pavel met zo veel zorg voor hem had samengesteld.
Samen lopen ze zwijgend de trap op naar de zolder. Aangekomen bij de deur steekt Jaroslav zonder aarzeling de juiste sleutel in het slot.
‘De code! Niet draaien!’ roept de buurman, wijzend op Pavels handgeschreven waarschuwingsbord: Gevaar Hoogspanning!
Jaroslav glimlacht. ‘Toetst u maar een code in.’
‘Maar die ken ik niet,’ zegt de buurman.
‘Ik ook niet,’ lacht Jaroslav en toetst een willekeurige combinatie in. Na het vierde cijfer komt er een hoge pieptoon uit de deurvergrendeling. ‘Een vervelend geluid, maar niet dodelijk,’ zegt Jaroslav terwijl hij de sleutel in het slot draait.
‘Mijn hemel,’ zegt de buurman als hij de schietstoel ziet. ‘Wat zijn jullie allemaal van plan?’
Terwijl Jaroslav uitlegt hoe alles is ingericht om Pavels fantasie te vervolmaken prevelt de buurman beurtelings ‘verbijsterend’, ‘wat een wonderlijk idee’ en ‘hoe kan ik u ooit bedanken’.
‘Bent u bereid mij hiermee te helpen, buurman?’ vraagt Jaroslav als hij zijn plan volledig heeft uitgelegd.
‘Jazeker,’ zegt de buurman. ‘Maar bent u wel in staat op de belknop te drukken als het moment daar is? Verdriet kan verlammend zijn, weet ik uit ervaring.’
‘Ik waardeer uw bezorgdheid, buurman, maar tegen die tijd heb ik allang afscheid genomen van de echte Iveta. Dan rest alleen nog een lichaam dat uit zijn lijden verlost wil worden.’

Niets blijkt minder waar. Door een sluier van tranen zoekt Jaroslav naar de oppervlakkige aderen in Iveta’s skelettenarmpjes, plakt één voor één de morfinepleisters op conform de instructies van de arts. Daarna kruipt hij naast zijn stervende vrouw in bed zodat ze haar laatste adem in zijn armen kan uitblazen. Pas als Iveta’s darmen zich ontdoen van hun laatste groet beseft Jaroslav dat hij al meer dan een uur heeft liggen huilen. Boven zit Pavel in zijn vliegenierspak op zijn teken te wachten.
Jaroslav drukt op de belknop en hoort vrijwel direct de doffe dreun van de rookbom die hij onder de schietstoel heeft bevestigd. Als alles volgens plan verloopt stroomt het bedwelmende lachgas nu sissend in het masker van Pavels pilotenhelm.
Op de gang staat buurman Procházka al te wachten met een rijpe banaan. Als hij Jaroslavs roodomrande ogen ziet omhelst hij hem en fluistert troostende woorden met zijn berenstem. Daarna lopen ze samen de trap op naar de zolder.

(Uit de roman Van kleine helden, die in mei 2017 verschijnt bij Nijgh & Van Ditmar.)

Drie nieuwe korte verhalen van Robin Kramer. Vandaag het derde verhaal: ‘Stempels’.

*

We zitten in de bus naar Auschwitz en M. vertelt dat Auschwitz de enige plaatsnaam is die Microsoft Word corrigeert als het verkeerd wordt gespeld. We knikken om zijn anekdote te erkennen, maar zijn te moe om er verder op in te gaan. De chauffeur negeert de historische context en vertelt grapjes door de microfoon. Het is pas bij de koffers met achtergebleven haren en brillen dat M.’s pupillen beginnen te groeien en hij ons met druk zegt om met hem mee te gaan naar het toilet.

Eenmaal daar moeten we de mouwen van onze truien op te stropen en naar onze polsen te kijken. Daar zien we de nummers. Een zescijferige code, bij ons allemaal identiek. ‘Dit is de stempel van die club waar we gisteren waren,’ zegt hij. ‘We kunnen hier toch niet zo rondlopen?’ We laten water en zeep over onze handen glijden en trekken de inkt met onze nagels uit de poriën. Als we ons weer aansluiten bij het gezelschap, onze polsen rood en geïrriteerd, zien we een man naast een foto van de uitgemergelde kampbewoners staan: zijn wangen naar binnen gezogen, een grinnikende fotograaf twee meter voor hem.

Kluun, Thijs Kleinpaste en Rob Hartmans – de redactie las over de herkenbaarheid van carnaval en scheiding en de taal van fascisten en populisten.

*

Jan van Mersbergen: Kluun, DJ

Deze week, in de aanloop naar carnaval, las ik de nieuwe Kluun. Past heel goed, want carnaval komt herhaaldelijk in het boek voor, en nog meer zaken die mij zeer bekend voorkwamen, want op een schijnbaar willekeurige dubbele bladzijde (64-65) van de nulde druk las ik over: het posten van berichten op social media, wat een uitgeverij doet voor een schrijver, een scheiding, foto’s van kinderen, de carnavalsoptocht van Breda, met verklede kinderen, een gehuurd pastoorspak en een ex die niks om carnaval gaf, Raamsdonksveer,  1988, gastenlijst, en een afstudeerfeest.

Behalve het gehuurde pak, want echte vastelaovesvierders stellen zelf een pekske samen, is het zeer herkenbaar. Meer dan herkenbaar.

” ”

Kluun schrijft over zichzelf, dikt zijn verhalen vanzelfsprekend aan en poetst ze op, maar in de basis is herkenbaarheid een belangrijk onderdeel van zijn proza. Deze passages zijn zo herkenbaar dat het bijna eng is. Komende dagen, tijdens carnaval, klinkt alleen niet de muziek van DJ. Dat is het enige verschil tussen de werkelijkheid en dit boek: scheiding, kinderen, afkomst, studie, dat alles blijft onveranderlijk bij me. Dat is niet alleen herkenbaar, op deze bladzijden lees ik mijn eigen verhaal.

Bij Kluun gaat proza naast herkenbaarheid om vertrouwen en gevoelsoverdracht.

Kluun is een echte verteller, die zelf vertelt én zelf de controle houdt. Net wanneer je denkt dat een van die karakters – de manager van de dj in dit geval – iets te lang aan het woord is, in een dialoog, dan schrijft Kluun: ‘Brandon zat nu op zijn praatstoel.’ Deze schrijver weet dat die monoloog erg lang was, maar hij duidt dat ook meteen. Dat is zelfbewust, dat is zelfvertrouwen. En dan bedoel ik niet de voorspelbare reacties op dit boek, die ook in het boek zelf staan, ik doel op vertrouwen als verteller. Precies een factor die veel schrijvers missen.

Bij Tijd voor Max hoorde ik Kluun zeggen dat hij – en ook dat is vertrouwen – weet wat zijn proza doet. Ondanks al die uitvergrotingen en het spel met de realiteit – want zo verklapte hij in dit tv-programma: de Kluun in het boek is niet zoals de echte Kluun, de scheiding in het boek is heel anders dan zijn echte scheiding, en zo is bijna alles net iets anders dan de werkelijkheid – is het allemaal wel zo opgeschreven dat deze woorden een gevoelswerkelijkheid kunnen worden. Kluun weet dat Komt een vrouw bij de dokter heel veel mensen geraakt heeft, en terecht want dat boek werkte, dat boek was onontkoombaar in de gevoelsoverdracht. In DJ doet hij hetzelfde: hij neemt de lezer bij de hand en trekt de lezer een gevoel in, heel langzaam en sluimerend, en ook nu werkt het.

Uitgeverij Podium gaf DJ uit.

Daan Stoffelsen: De Nederlandse Boekengids 2017-1

De Nederlandse Boekengids opent haar eerste nummer van de tweede jaargang met een opmerkelijk drietal artikelen: Thijs Kleinpaste over Victor Klemperers De taal van het derde rijk, Arthur Eaton in gesprek met Thierry Baudet en Rob Hartmans over Baudets denken – stukken die elkaar bevestigen maar die, zo stelt de redactie nadrukkelijk, geheel onafhankelijk van elkaar tot stand kwamen. De grote gemene deler: een taalgebruik dat een kleine eeuw geleden fascistisch genoemd zou worden, aan de hand van de denkende lijsttrekker onder de populisten. In Baudets voordeel pleit dat hij tenminste in gesprek gaat, en zich niet beperkt tot kreten in 140 tekens in eenvoudige taal, maar zijn vijanddenken is beangstigend.

Waarom, dat maakt Kleinpaste helder, aan de hand van Klemperers theorie. Ik citeer ruim:

‘… de medeplichtigheid aan de spreektaal van het nazisme [wordt] met recht opgevat als een langzame maar geleidelijke (en tenslotte dodelijke) vergiftiging met arsenicum: dankzij de lage dosis valt het in de eerste instantie niet op, tot het te laat is. Klemperers these is dat de cultuur en het politieke karakter van een tijdperk hun weerslag vinden in de taal. De kern van zijn filologische dagboekaantekeningen is dan ook dat de taal, zeker in een wereld waar agressieve ideologieën strijden om de macht, het eerste slagveld is waar die strijd gewonnen of verloren wordt.’

Want: ‘Taal is altijd tegelijkertijd een beschrijvend en een conditionerend mechanisme.’ Je gaat denken in de ontmenselijkende beeldspraak van de populist. En je hoeft voor revolutionair taalgebruik niet direct over op Newspeak (Orwell komt in dit stuk niet voor, maar hij is er, altijd), nee:

‘Een van de belangrijkste feiten die Klemperer bij regelmaat herhaalt, is dat de nationaalsocialisten maar in een beperkt aantal gevallen zelf nieuwe termen hoefden te bedenken. Vaker was het voldoende om oude woorden een nieuwe betekenis te geven, of om ze in een nieuwe context te gebruiken.’

Nota bene:

‘Want als er geen waarheid of werkelijkheid meer is, of geen breed gedeelde beleving daarvan, dan resteert slechts de wil tot macht, en de uitoefening ervan. Waar de mogelijkheid tot een vergelijk door communicatie ophoudt te bestaan omdat die niet langer geaard is in een gedeelde werkelijkheid, daar hangen alle woorden in het luchtledige en zal alles tegelijk waar en onwaar zijn.’

Terwijl Kleinpaste een congresredevoering van Baudet overtuigend als casus neemt (nogmaals: Baudet heeft tenminste meer dan één lid, en houdt congressen), praat diezelfde Baudet zich vast in complottheorieën in het interview, en betoogt Hartmans dat je hem niet als fascist moet zien, maar dat het weinig concrete van zijn revolutionaire oplossingen en het absolute van zijn probleemstelling wel een gevaar inhoudt.

‘Aanhangers van Baudet zullen het ongetwijfeld een “Godwin” vinden, maar dat beeld van de samenleving als “lichaam”, dat bedreigd wordt door mensen die in feite parasieten en kwaadaardige ziektekiemen zijn, die insinuatie dat er lieden zijn die doelbewust bezig zijn het gezonde nationale organisme te verzwakken – wanneer hebben we dat eerder gehoord?’

Scherpe analyses, en hoewel ik verwacht (of is het hoop, ik vertrouw mijn intuïties niet meer zo) dat Baudet de kamer niet zal halen, is het zinnig de toonzetting in de gaten te houden, te letten op taal. Daarom ook – maar niet alleen daarom – ben ik gelukkig in de zetproef van Als dit zo doorgaat, een activistisch literair initiatief van Auke Hulst te lezen:

‘Een autocraat begint zijn overheersing altijd met woorden: angstvisioenen, indoctrinatie, het aanwijzen van zondebokken en een dosis vals utopisme. Woorden die strijdig zijn met zijn doelen vormen per definitie een existentiële bedreiging. Literatuur is de meest duurzame vorm van tegenspreken.’

Het boek verschijnt 9 maart, ik zou er graag werk uit voorpubliceren op Revisor.nl, niet alleen omdat Thomas en Jan er aan hebben bijgedragen, dat Ivo Victoria een deel van zijn Revisor-feuilleton ‘Louis Stevens is de man’ ervoor bewerkte, en dat goede bekenden als Gustaaf Peek, P.F. Thomése en A.F.Th. van der Heijden bijdragen leverden. Hulst zelf, Wytske Versteeg, Daan Heerma van Voss, Jamal Ouariachi, Matthijs van Eijgelshoven en Rob van Essen schreven ook al eens voor Revisor. Hoe l’art pour l’art we ook denken, blijkbaar past engagement ons wel.

Maar ook omdat ik het een loffelijk streven vind. Nee, engagement moet niet, althans niet het Grote Woorden-Engagement, betrokkenheid bij het grote en het kleine is van even groot belang, maar deze tijden tonen de noodzaak van een oog voor onderdrukking. Het gaat nu meer dan ooit om retoriek tegen literatuur, autoritair denken tegenover de waarde van liefde (Nineteen Eighteen Four) en de autonomie van vrouwen (The Handmaid’s Tale, om maar eens twee ‘kleinere’ onderwerpen te noemen. Betrokkenheid bij het individuele, eigene, intieme is óók engagement, maar vooral in de schaduw van Trump, zijn fans en vrienden.

Ik geloof dat ik daarmee een kleine draai gemaakt heb. Goddank ben ik niet verkiesbaar.

De Nederlandse Boekengids ligt volgende week in de boekhandels en kiosken. Maar abonneren kan ook. Als dit zo doorgaat verschijnt bij Ambo|Anthos.

Na acht romans schreef Jan van Mersbergen een thriller, onder pseudoniem. Voor de Revisor hield hij bij hoe dat schrijven hem verging en laat hij de vorderingen van zijn tweede thriller zien in een nieuw schrijfdagboek. Vandaag de eerste aflevering: Het begin. Over het eerste idee voor een thriller dat hij al een tijdje had liggen en vlot contact via twitter en mail na een bericht over het eventuele daadwerkelijk schrijven van een thriller: ‘Nog voor half tien had ik een mailtje in mijn mailbox van een redacteur van een grote bekende thrilleruitgeverij.’

*

Het begon met een reeks stukken die ik op mijn eigen site schreef over thrillers die ik gelezen had. Sommige thrillers heel goed, andere minder, en in een van die stukjes, over The Silence of the Lambs, schreef ik:

‘… steeds tijdens het lezen vroeg ik me af waarom er zo veel boeken zijn zonder die spanning. Zonder een drive of een plot, alleen maar sfeer en tekst en trage handelingen. Ik heb die boeken zelf ook geschreven, en Harris liet me de vraag stellen: Waarom zijn er boeken zonder die echte spanning die je hart sneller laat kloppen? Een vervelende vraag die mijn eigen schrijven onder de loep nam, en die The Silence of the Lambs tot een bijzondere norm maakte, iets waar ik nu gelukkig weer vanaf ben.’

Ik las die thriller in augustus 2015, tijdens een vakantie, en ik trof een spanning die heel dominant en prettig was. Een spanning die me door het boek heentrok. Ik vroeg me eigenlijk af waarom ik zelf romans had geschreven zonder die spanning. Wat blijft er dan over van een tekst? Natuurlijk wist ik dat een roman iets heel anders kan bieden en dat de lagen die onder de schijnbaar eenvoudige woorden van een roman verstopt liggen minstens zo veel spanning kunnen geven, maar dat is een andere spanning, subtieler, afstandelijker, sluipend. Deze thriller was als een goed concert: de muziek is in zo’n zaal, met een goede band, onontkoombaar. Niks smeulend en sluipend, dit boek pakt de lezer direct bij de keel. Die ervaring vond ik heel bijzonder, die ervaring dwong me een blik te werpen op mijn eigen schrijven. Vandaar die overpeinzingen.
Op mijn site publiceer ik in de vroege ochtend mijn stukjes, zo ook die dag, en nog voor half tien had ik een mailtje in mijn mailbox van een redacteur van een grote bekende thrilleruitgeverij:

‘Weet je zeker dat je er vanaf bent? Mocht je eens los willen gaan en een zinderende thriller willen schrijven, dan houden wij ons aanbevolen.’

Ik mailde terug, dezelfde ochtend nog:

‘Ik heb een idee liggen, al jaren, voor een thriller, en probeer sinds die tijd veel te lezen en te zien hoe thrillers werken en wat er gebeurt in zo’n verhaal. Ik werk nu aan een roman en daar moet ook een zekere spanning in. Als ik dat thriller-verhaal weer oppak dan denk ik aan je.’

Het mailtje was meer ingetogen dan mijn werkelijke gedachten. Die zagen er ongeveer zo uit:
ik ga een thriller maken!
Zoals ik in de mail al meldde werkte ik in de zomer en het najaar van 2015 aan mijn nieuwe roman en daar zou ik ook in de eerste helft van 2016 flink wat tijd aan moeten besteden. Mijn plan was het thrillerverhaal dat ik had voorzichtig uit te werken en wanneer de roman bij de uitgeverij lag en ik wachtte op commentaar van mijn redacteur, dan zou ik aan de thriller beginnen.
Na een volgend stukje over een thriller kreeg ik van dezelfde redacteur een mailtje: ‘Je bent nog steeds in thriller modus, niet? Ik las je Gone Girl-stukje. Heb je tijd voor een kop koffie?’
We dronken koffie op het Leidseplein en ik vertelde hem het thrillerverhaal dat ik in mijn hoofd had, zonder echt alles weg te geven – altijd is er de angst dat een ander je plan overneemt. We spraken af dat ik een eerste opzet zou sturen als ik die klaar had, ergens die winter.
Het verhaal dat ik had liggen was eenvoudig: een moeder gaat met haar zoontje en nieuwe vriend op vakantie naar de Ardennen, in een streek waar lange tijd terug een meisje vermist is. Ze vergeten de oplader van de tablet van de zoon en de jongen verveelt zich. De moeder zet een soort speurtocht uit door vanuit het vermiste meisje fictieve dagboekbriefjes te schrijven en die in de rivier te laten drijven op een plek en moment dat het zoontje ze niet kan missen. Hij vindt de briefjes en ze gaan speuren. Dat gaat heel goed, de jongen vindt het spannend, tot ze aanwijzingen tegenkomen die de moeder niet heeft uitgezet. Daar begint de werkelijke spanning, voor de personages en voor de lezer.
De verdere vragen die dit oproept had ik nog niet uitgewerkt. Eerst zou ik gaan schrijven, scènes maken, de karakters vormen, het verhaal opbouwen. De rest zou daarna wel komen.
Die winter nam ik voor het schrijven van een eerste versie van een thriller met de werktitel Dagboek uit de rivier, een titel die ik meteen in het tweede mailtje, begin september, liet vallen. Voor het eerst had ik een werktitel die het zou schoppen tot uiteindelijke titel.