Deze week verscheen Revisor #20, het Campertnummer. Rondom de verschijning hernemen we Camperts Revisorbijdragen (poëzie én proza) van weleer en poëzie van K. Michel bij zijn tachtigste verjaardag – en  mini-essays van Daan Stoffelsen, Teddy Tops’ verhaal ‘In de kast’ en Jan van Mersbergens ‘Midden in het leven’. Lezen!

*

Waarom ik met Arjen Lubach door de krochten van het theater liep weet ik niet meer. Om ergens een sigaret te kunnen roken, vermoed ik. Maar ik rook al jaren niet meer en of Arjen ooit gerookt heeft durf ik niet met zekerheid te zeggen.
Het was in Den Haag, tijdens het Crossing Border Festival. Jaren geleden, want ik rookte nog. Ergens achter het podium was een deur, een trap, een heleboel gangen. Uiteindelijk namen we een betonnen trap en daarna een zware deur en achter die deur stond Remco Campert te roken op een verhoging die kon dienen als goedereningang, voor decors. Een vrachtwagen kon hier met de kont achteruit tegenaan rijden, en dan kon er gelost worden.
We begroetten elkaar zoals schrijvers dat tijdens een festival doen. Goeiendag, een knikje, hallo. Voorlezen voor publiek is vreemd, andere schrijvers in een theaterkleedkamer tegenkomen is vreemd, roken met een bekende schrijver op zo’n desolate plek is helemaal vreemd.
Natuurlijk kenden we Campert. Zijn gezicht, zijn werk. Verrukkulluk, ging het door mijn hoofd.
Toch ook maar roken, nu we hier waren? Mocht dat?
We keken om ons heen en vroegen – ik weet niet meer precies wie: ‘Weet u misschien of hier een asbak is?
Remco Campert antwoordde: ‘Daar staan we middenin.’
We rookten en zwegen.
Vrijwel gelijktijdig hadden we onze sigaretten opgerookt. Op een of andere manier gebeurde dat. Of Campert rookte heel langzaam, of wij heel snel. In ieder geval gingen we met z’n drieën weer naar binnen, vriendelijk de deur voor elkaar openhouden zoals schrijvers dat tijdens een festival doen, een trap op, een hoek om en plots stonden we in de coulissen van de grote zaal en zonder dat Remco Campert iets gevraagd werd liep hij naar het katheder dat in het midden van het podium stond.
Zo een sigaret uittrappen op de vloer van een betonnen goederenafslag een volle zaal inlopen, een papiertje openvouwen en beginnen te lezen.
Arjen en ik keken toe, twee jonge schrijvers zagen een veteraan – toen al – heel relaxed en professioneel zijn werk doen.
Dat is mijn herinnering aan Remco Campert. Hij staat overal middenin: de asbak, voorlezen, het leven zelf.

Vandaag verschijnt Revisor #20, het Campertnummer. Rondom de verschijning hernemen we Camperts Revisorbijdragen van weleer – en nieuw proza van Jan Mersbergen en Teddy Tops, en mini-essays van Daan Stoffelsen. En we hernemen dit gedicht van K. Michel bij zijn tachtigste verjaardag. Lezen!

*

In 1999 nam Campert deel aan het grote poëziefestival in Medellín. Het was een triomf. In het openluchttheater scandeerden negenduizend toehoorders, van jong tot oud, minutenlang zijn naam ‘Remco, Remco’. Op straat werd hij aangesproken door bewonderaars. Hij liet daar een diepe indruk achter. Toen ik twee jaar later aan het festival deelnam, werden mij voortdurend vragen gesteld over zijn leven & werken in de verre lage landen:

Is het waar
dat hij aan de gracht van de bloemen woont?
Is het waar
dat hij eens 120 liter limonade heeft gedronken?
Is het waar
dat hij aan een paraplu over Amsterdam heeft gezweefd?
Is het waar
dat hij een minister ten val heeft gebracht met een gedicht over de zilverwitheid van een berkenstam?
Is het waar
dat hij de koningin heeft gezoend (en een van haar zusters)?
Is het waar
dat hij in zijn hele leven slechts één keer heeft gesolliciteerd en toen een bloedproef moest doen?
Is het waar
dat hij in de winter in Parijs op een pleintje zijn jas over een standbeeld van Venus heeft gehangen en dat dat standbeeld hem toen naar het hotel is gevolgd?
Is het waar
dat hij in zijn jeugd tulpenbollen heeft gegeten?
Is het waar
dat hij what to do how to live van Wallace Stevens heeft proberen over te schrijven maar al voor het vraagteken in slaap viel?
Is het waar
dat als je zijn naam in het oor van een koe fluistert die koe geen melk meer geeft maar campari?
Is het waar
dat Johan Cruijff hem een paar schoenveters heeft geschonken?
Is het waar
dat een televisiefilm over hem niet doorging vanwege het woordje ‘naaien’?
Is het waar
dat hij in een jachtslot heeft gewoond?
Is het waar
dat hij in een hotelgang van wellust is gesmolten tot een waterplas en zo de gesloten kamer van een dame is binnengekomen?
Is het waar
dat hij poëzie een daad van bevestiging heeft genoemd?
Is het waar
dat men hem ooit uit een schilderij heeft zien stappen?
Zonder bril en met twee rechterschoenen?
En een hele stapel gedichten onder zijn arm?
– rustig rustig allemaal – even uitblazen –
En was dat schilderij het portret van Aesopus door Velasquez?
Is het waar
dat de taxichauffeurs in heel het land zijn huisadres uit hun hoofd kennen?
Is het waar
dat toen het gesneeuwd had – na een poëzielezing – tientallen vrouwen om zijn voetafdrukken hebben gevochten – om die thuis in de diepvries te bewaren?
Is het waar
dat hij het plaatsen van vraagtekens als een vorm van verzet toejuicht?
Is het waar
dat hij de enige Nederlander is die niet kan fietsen?
Is het waar
dat hij een weerbericht heeft geschreven dat later precies zo uitkwam?
Is het waar
dat hij iedere maandag om vier uur scrabble speelt?
Is het waar
dat hij het levensraadsel heeft opgelost maar het notitieboekje is kwijtgeraakt?

En ik antwoordde:
Ja, dat is inderdaad waar.

Morgen verschijnt Revisor #20, het Campertnummer. Rondom de verschijning hernemen we Camperts Revisorbijdragen (poëzie én proza) van weleer en poëzie van K. Michel bij zijn tachtigste verjaardag – en nieuw proza van Jan Mersbergen, mini-essays van Daan Stoffelsen en Teddy Tops’ verhaal ‘In de kast’. Lezen!

*

Wanneer ze die middag naar Erik fietst oefent Etta het gesprek alvast in haar hoofd. Het zal niet makkelijk worden hem de waarheid te vertellen, maar ze kan Leo niet veel langer laten wachten, en begint zich steeds vaker schuldig te voelen tegenover Erik. Daar mag je je niet door laten afleiden, spreekt ze zichzelf streng toe terwijl ze doortrapt. Ze telt elke slag van haar trappers. Nog zo’n 276 voordat ze bij zijn voordeur is.

De laatste tijd was hij onuitstaanbaar. Hij ruimde zijn kamer niet meer op als zij kwam. Vaak trof ze hem ver in de middag ongedoucht in bed aan. Zijn zoektocht naar werk vond alleen in zijn hoofd plaats.
Ze kan zich de laatste keer dat hij haar mee uit eten nam nog helder voor de geest halen. Het was in mei, drie jaar geleden. De zomer begon pas echt zodra de sproeten op haar neus stonden, vond Etta. Het korte rokje dat ze die ochtend droeg had veel mannen doen omkijken – Erik merkte er niets van. Ze liepen nog in het daglicht naar huis. Ze zei iets over zijn schrijven, hij begreep de opmerking als een optelsom van zijn mislukkingen. Hij viel in de rotanstoel in slaap, zij in zijn bed.
Misschien begon het einde daar wel. Ze hadden niet alleen vaker ruzie dan in de jaren daarvoor, de ruzies waren overkomelijk. Er lag geen emotie aan ten grondslag, maar desinteresse.

Vroeger had ze een minimuseum, een ijzeren kastje met wel zestien doorzichtige laatjes, en in elk laatje lag een museumstukje. In een lag een haaientand, gevonden op het strand op Schiermonnikoog, in een andere lag een knikker met spikkels en olievlekken. Maar in de meeste lagen soldaatjes. Elk soldaatje zijn eigen laatje. Anders zouden ze ruzie krijgen.

Rechtsaf bij Kinkerstraat. Ze heeft deze route al duizenden keren gefietst, de laatste jaren met steeds meer omwegen. Nog even bij haar oma op bezoek, of naar de viskraam voor een Hollandse nieuwe met uitjes. Soms fantaseert ze erover zijn kamer voorbij te fietsen. Door te fietsen, richting de zee. Dat zouden 1530 extra pedaalslagen zijn. Ze durft het niet.

Praten deed Erik niet. Dat vond hij voor het plebs. Ook kwam hij de deur niet vaak uit, meestal deed Etta boodschappen voor hem. Nu zij minder vaak langskwam, at en dronk hij ook minder. Daar was hij wel tevreden mee, zijn buik slonk, zonder dat hij zich in een latex badpak hoefde te hijsen en rondjes hoefde te hollen in het park.
Ook daarover hadden ze de laatste tijd ruzie.
‘Je neemt niet eens de moeite om mijn zwijgen te begrijpen,’ zei Erik. Het zwijgen was niet het probleem, het was de afwezigheid van passie waarmee het gepaard ging. Het zich neerleggen bij de situatie.
‘Goed, leg het me dan uit.’
‘Ik geef niets om mensen,’ zei Erik. ‘Ik geef wel veel om jou. Ik zwijg toch niet tegen jou?’
‘Veel zeggen doe je niet, het is pijnlijk als er andere mensen bij zijn.’
‘Pijnlijk voor wie?’
Pijnlijk voor iedereen, Erik. ‘Pijnlijk voor mij.’

Op een zomeravond in Scheveningen ontmoette ze Leo. Met een vriendin ging ze een dagje naar het strand. Het was precies zo’n dag voor bikini’s, cabrio’s en mannen met witlinnen broeken. Tegen zonsondergang kwamen ze het hete zand af en klonterden ze met de rest van de badgasten samen op de boulevard. Haar sproeten stak ze fier richting de blauwe lucht of in haar glas Chardonnay. Hij schoof een stoel aan hun tafeltje, om niet meer uit haar leven te vertrekken.
Haar vriendin wist zich op de achtergrond te houden, aan haar hoefden ze zich niet te storen. De vriendin was vast allang blij dat Etta met iemand anders dan Erik was. Etta praatte honderduit, hij was in elke zinsnede geïnteresseerd. Hij leek onder de indruk van haar ambities, minder onder de indruk was hij van het feit dat ze al een geliefde had. Hij zág haar.
Hij vroeg haar dezelfde avond nog mee naar zijn Amsterdamse (toevallig!) appartement te gaan. Appartement, dacht Etta, toe maar.
Leo was ook een schrijver, net zoals Erik, het verschil was dat Leo daadwerkelijk schrééf. Goed, geen romans, maar hij werkte als notulist bij een grote bank. Hij had asblond haar en een zongebruinde huid, en beloofde haar de beste wijnen op de chicste strandfeestjes en verre reizen naar warme landen. Dat soort dingen riep Erik vroeger ook, het verschil was soms niet eens zo groot. Ze had het gewoon gemist. Het gevoel dat zij iemand was aan wie je grote beloftes deed.

Haar moeder had haar ooit gezegd dat ze nooit afhankelijk moest worden van een man. Ze moest haar eigen boterham verdienen. Ze vroeg haar vader wat een boterham kost, dat kwam neer op:
1 euro 20 per brood delen door 24 sneetjes gemiddeld = 0,05, daarbij opgeteld de boterhamworst à 1 euro 50 per pakje delen door 12 plakjes per pakje = 0,125. Twee keer 0,05 vanwege de dubbele boterham, erbij 0,125 is 0 euro en 23 cent. Dat was haalbaar, dacht Etta.

Ze zet haar fiets tegen de poort op slot, voor hopelijk – misschien wel – de laatste keer.

Leo vroeg haar ten huwelijk in een zandverstuiving in Marokko. Zij zei ja, alleen moest ze voordat ze aan geloften kon doen nog met Erik praten.

Voor de deur haalt ze twee keer diep adem voor ze de sleutel in het slot steekt.
Ze opent de deur van Eriks kamer. De bekende muffe geur komt haar tegemoet, van natte lappen die in een afgesloten ruimte te drogen zijn gehangen. De geur is inmiddels als thuis geworden, alleen is hij vermengt met een scherpere lucht – Díor Homme.
Daar zit Leo. Wat is hij knap in die rotanstoel. Wat knap om knap te kunnen zijn op deze oude rotanstoel.
‘Leo, wat doe jíj hier?’
‘Ik kom hem duidelijk maken, dat hij geen recht meer op je heeft.’ Ze knikt serieus, en wil haar jas aan het haakje hangen, zoals ze dat altijd doet, maar bedenkt zich – het huiselijke gebaar zou Leo kunnen kwetsen. Ze laat haar jas op de grond vallen.
‘Ik kom hier al veel minder dan vroeger,’ zegt ze in een poging hem beter te laten voelen, ‘en we slapen ook niet meer samen.’
‘Onzin! Wat kom je hier anders doen?’
Daar heeft hij een punt.
‘Ik wil het hem zelf zeggen. Hij heeft niemand behalve mij. Hij is… hij is zielig.’
‘Weet je wat je met zielige mensen doet, Etta? Die dump je, als loze last, zodat je verder omhoog kunt met je leven.’
Leo houdt niet van mensen die niet willen lukken. Etta ook niet, maar een klein gedeelte van haar houdt nog wel van Erik. Of vindt hem zielig.
Ze klopt naast zich op het bed. Leo gaat zitten, pakt haar met beide handen vast.
‘Kom. Om te laten zien dat je voor mij kiest,’ zegt Leo hees.
‘Niet op zijn bed.’ Dat onding kraakt vreselijk.
Hij legt haar op de grond neer, op haar eigen jas, en begint haar uit te kleden. Ze kijkt om zich heen, naar de kamer waar ze met zoveel tegenzin naartoe was gefietst, en voelt zich weer schuldig. Arme Erik, hij zal hier nooit uitkomen. Ze staart naar de oude lekkagevlek die bijna het hele plafond beige-bruin kleurt. Hij zal nooit een baan vinden om zich uit deze ellende te ontworstelen, want daarvoor zou hij deze kamer moeten verlaten en daadwerkelijk actie ondernemen. Leo knoopt zijn broek los, pakt haar bovenbenen vast en leunt met zijn borst in haar knieholten. Waar zou Erik toch zijn? Erik is geen buitenmens – of buiten-deze-kamer-mens, al helemaal niet op dit tijdstip wanneer er wielrennen op is. Als ze Erik in haar minimuseum zou houden, zou ze een klein wielrenfietsje bij hem in zijn laatje steken, en hem vervolgens niet meer open doen.

Ze veegt zichzelf schoon met een boxershort van Erik, en gooit hem bij de rest van de vuile was in de hoek van de kamer.
‘Ik kom eraan,’roept ze naar Leo, die in de deuropening wacht.
Ze scheurt een stukje papier uit Eriks schrift, en schrijft:

‘Waar was je? Ik heb uren op je gewacht!
– Etta’

Over beginzinnen is veel geschreven, als Jan van Mersbergen een boek aanschaft kijkt hij eerst naar de slotzin. Die zegt soms meer over een boek dan die beginzin. In deze reeks: de analyse van het laatste woord.

Vandaag: Terwijl ik al heenging van Willliam Faulkner

*

De titel van deze roman uit 1930 is afgeleid van een zin uit de Odyssee van Homerus: ‘Toen ik lag te sterven, wilde de vrouw met de ogen van de hond mijn ogen niet sluiten toen ik afdaalde in het dodenrijk.’

De vijftien vertellers van Faulkners mooie levendige goed leesbare roman hebben stuk voor stuk een eigen stem en vooral de jongens van het gezin Bundren staan me zelfs twintig jaar na mijn eerste lezing van het boek nog voor de geest: Darl, Cash en Vardaman.

Darl neemt de meeste hoofdstukjes voor zijn rekening.

Het verhaal is eenvoudig en klassiek: de moeder van het gezin is overleden en het gezin vervult haar laatste wens: ze wil graag begraven worden in haar geboorteplaats Jefferson. Dus het gezin brengt het lichaam van de moeder daar naartoe. Onderweg komen ze allerlei problemen tegen die het verhaal vormen maar vooral vormen de vertellers het verhaal, en vooral hun persoonlijke beslommeringen.

De vader, die een nieuw kunstgebit wil en vooral daarmee bezig is. De dochter, die zwanger is, wat niemand mag weten. Vardaman, die niet helemaal lekker in zijn hoofd is en uit die op een gegeven moment het kortste hoofdstukje voor zijn rekening neemt: ‘Mijn moeder is een vis.’

Dat zinnetje heb ik al heel vaak aangehaald in interviews, tijdens schrijfavonden en lessen over beeldend schrijven. Vardaman is in de war. Zijn moeder is dood en gaat de grond in. Hij vangt onderweg een grote vis die hij op een zandpad laat vallen. Dan komt deze zin, die Faulkner op een verder lege bladzijde heeft geplaatst, net onder de naam van verteller Vardaman. Het verhaal en de verwarring van die jongen, verpakt in een paar woordjes. Een schoolvoorbeeld van eenvoud en van beeldend schrijven.

Cash timmert de kist in elkaar. Op bladzijde 70 staat een lijstje van dertienredenen waarom de kist in verstek is gemaakt. Heel technisch. In verstek: ‘Dat geeft meer oppervlak qua houvast voor de spijkers, elke naad heeft twee keer zo veel oppervlak voor houvast, het water zal schuins moeten binnendringen,’ en zo verder.

Vooral de opening van dit korte hoofdstukje is goed: ‘Ik heb hem in verstek gemaakt.’ Niks erbij dat het over de doodskist gaat, dat kan iedere lezer zelf wel verzinnen en bovendien weet deze verteller waar hij het over heeft, dus hij hoeft niet te herhalen dat hij een kist maakt, en hij is een timmerman en die praten precies zo. In termen. In jargon. Daarom is dat ‘schuins’ ook zo goed.

Een eind verderop laat Faulkner dezelfde Cash in ook een heel kort hoofdstukje zeggen: ‘Hij lag niet in evenwicht. Ik heb hun gezegd als ze wilden dat hij onder het rijden in evenwicht lag, dan moesten ze’

Daar stopt het hoofdstuk. Er is iets gebeurd, een beproeving aan de rivier, er ging iets mis, met die kist. Cash weet hoe dat kwam en hij wil dat vertellen, maar vooral is hij ook in paniek en als een echte timmerman weet hij hoe het zit. Dat evenwicht. Maar omdat het daar mis zat zijn de zinnetjes die hij spreken kan ook uit evenwicht.

Vorm en onderwerp en personages vormen één beeldend geheel.

De roman sluit af met een passage verteld door Cash, de timmerman van het stel die de doodskist voor zijn moeder maakt.

De slotzin luidt:

‘Dit is mevrouw Bundren, zei hij.’

De verteller is, zoals gezegd: Cash, maar in deze laatste alinea vertelt Cash wat zijn vader zegt, met zijn nieuwe gebit in. De vader stelt het gezin voor aan iemand die buiten het gezin staat. Daar heeft hij heel lang mee gewacht. Hij was met zijn nieuwe gebit bezig,  is nu trots op zijn nieuwe gebit, ook wat verlegen. Maar hij stelt wel het hele gezin voor. De kinderen én de moeder. Mevrouw Bundren.

Zij is het enige personage dat geen stem heeft, ze is per slot van rekening overleden, maar eigenlijk draait het hele boek om haar.

Tommy Wieringa, Richard de Nooy, Lucas de Waard, Renée van Marissing, Maarten van der Graaff: de redactie las een immigratieroman in streekvermomming (advance praise), een messiasmozaïekroman, en knappe roman met onvergetelijke veegwagenbestuurders, een kleine, hyperbewuste roman, en een fraaie, tastende roman over religie.

*

Jan van Mersbergen: Tommy Wieringa, De heilige Rita

In De heilige Rita gaat Tommy Wieringa terug naar zijn Twente, compleet met het decor, de stokige karakters, de taal van de mensen daar aan de Duitse grens. Ik hou erg van proza waarin de taal van de mensen niet alleen realistisch is, maar ook beeldend en ook kort. Geen geklets. Wieringa vult zijn bladzijden – zoals altijd – met goedlopende zwierige zinnen, maar als zijn personages praten dan is het kort en duidelijk, en krijgt het accent een plaats. ‘Wat bi-j laat,’ zei zijn vader toen hij binnenkwam. Dat moet je hardop lezen, want zo op papier lijkt het Hongaars. Toch is de klank volkomen duidelijk en vormt die klank mede ook het personage.

Het mooiste voorbeeld, dat ik direct toen ik de zin las in een mailtje naar Wieringa stuurde om hem te complimenteren met dat zinnetje: ‘Zijn vader had meer kinderen gewild, zij het meer als voorzorgsmaatregel dan uit vaderliefde, “want we wonen langs een drukke weg”.’

Hier hoef ik helemaal niks aan toe te voegen, zo beeldend en schitterend, zo veel meer staat hier dan die paar eenvoudige woordjes doen vermoeden. Niks over zeggen, behalve dan dat de tot nu toe genomineerde zinnen voor de Tzumprijs, de prijs voor de mooiste zin uit de Nederlands romans van dit jaar met als prijzengeld het aantal woorden in euro’s, vanaf nu kansloos zijn.

Op vrijwel iedere bladzijde vind ik zulke zinnetjes. Wieringa gaat terug naar Twente, en dat is voor mij vooral herkenning. De jongen die pasta en rijst aan zijn menu toevoegde, die zijn vader dat laat eten, ‘zijn opstand tegen het regime van aardappelen. Al hield hij zelf ook het meeste van aardappelen, je moest je ertegen verzetten. Je werd er simpel van’. Een en al herkenning en vooral het oordeel dat je simpel wordt van het eten van aardappelen voel ik iedere avond als ik thuis niet kook en er aardappelen op tafel komen want mijn verzet tegen de piepers is erg hardnekkig, ik kook het liefste spaghetti of maak nasi. En dan toch hou ik eigenlijk het meest van aardappelen, van goed gebakken aardappelen, precies in de juiste grootte gesneden, ongeschild.

De Chinees die in De heilige Rita achter een gokkast zit, ‘die al een tijdje op geven staat’. Waarschijnlijk kennen veel mensen die uitdrukking niet, zij zullen hier overheen lezen, maar in mijn oude dorpscafé werd er zo over de fruitautomaten gepraat, als wij aan het biljarten waren.

Er valt een vliegtuigje uit de lucht, in de tijd voor die van hoofdpersoon Paul, en dat vliegtuigje doet in de verte denken aan Joe Speedboot, maar in dit boek geen artistiekeling die de lucht in wil, het is een Rus die juist naar beneden wil, op de juiste plek het liefst. Dat verhaal maakt van deze roman misschien een immigratieroman, maar voor mij is dit boek thuiskomen, in mijn eigen kleidorp dat weinig verschilt van het Twentse veen, zeker als carnaval eraan komt en de Rus zo dronken gevoerd wordt dat hij een alcoholvergiftiging oploopt. Heel anders inderdaad dan de rijke Venlose vastelaovend, waar in plaats van een enkel hoofdstukje wel een complete roman over te schrijven is.

De heilige Rita is een rijk boek dat op het eerste gezicht geboren lijkt uit fantasie. Daar geloof ik niks van. De beelden die Wieringa oproept zijn geen droombeelden, het zijn de verhalen van het land dat hij goed kent, zijn land. Of het nou een immigratieroman is, een liefdesverhaal, een vader-zoonboek, een roman van de grensstreek en de zandgronden, deze roman is vooral Wieringa’s persoonlijkste boek. Dichter bij hemzelf is deze schrijver nog nooit geweest.

De Bezige Bij geeft De heilige Rita uit, de roman verschijnt 24 oktober.

Thomas Heerma van Voss: Lucas de Waard, Kraaien Tellen, Renée van Marissing, Parttime Astronaut, Maarten van der Graaff, Wormen en Engelen

‘Ik sluit niet uit dat ik een vertekende blik op de werkelijkheid heb, maar t is net alsof er steeds meer boeken uitkomen,’ schreef Marja Pruis deze week op Twitter. Een gedachte die bij mij ook al was opgekomen, misschien ook vanuit een vertekende blik op de werkelijkheid, misschien wel omdat ik zelf niet al te lang geleden een nieuw boek heb uitgebracht — maar wat lijkt er ontzettend veel te verschijnen, de ene potentiële bestseller na de andere, en dan ook nog al die minder bekende auteurs die zich daar tussen moeten wringen. Ik probeer het bij te houden, zeker als het gaat om wat er aan Nederlandse fictie verschijnt, maar dat is niet te doen. Dat is het natuurlijk nooit, nu lijkt het alleen nog meer onbegonnen werk. Niettemin las ik de afgelopen weken veel, graag deel ik hier enkele losse bevindingen bij nieuwe Nederlandse titels:

  • Ik las Lucas de Waards Kraaien Tellen, deels omdat ik met hem enkele boekhandels aandoe en deels omdat het verhaal me aansprak: de introverte, sociaal onintelligente en soms ronduit laveloze Tobias is veegwagenbestuurder en zijn zus heeft vlak voor het begin van de roman zelfmoord gepleegd. Dat laatste is een goede keuze en heeft De Waard mooi uitgewerkt: hij klopt het drama niet op en bouwt niet toe naar een emotionele climax, de climax is juist al geweest, voor aanvang van het geheel, en via herinneringen (dat zijn er veel) komen we daar steeds meer over te weten. Dat werkt, zeker door de rauwe ondertoon in de roman, en de scènische opbouw.Met de verhaallijn in het heden had ik aanvankelijk meer moeite, althans, het duurde even voor ik daar in kwam, maar uiteindelijk ging ik mee met Tobias. En ik voelde zowaar iets van sympathie voor deze in essentie weinig sympathieke hoofdpersoon. Knap gedaan — nationale boekenredacties, lezen jullie mee? Sinds ik Kraaien Tellen las kijk ik bovendien anders naar elke veegwagenbestuurder die ik langs zie rijden, en dat lijkt me toch ook een verdienste van het boek.
  • Ik las Renée van Marissings Parttime Astronaut, een roman die juist vooral gaat over het heden, nou ja, over het alledaagse, over de verwijdering tussen een vrouw (de ik-verteller van het geheel) en haar echtgenoot. Tussen hen in staat een kind, te jong om echt mee te doen, oud genoeg om dingen wel te voelen en min of meer te begrijpen. Van Marissing heeft een fijne schrijfstijl, met een broeierig, natuurlijk ritme, met lange zinnen vol cadans, en wat mij aan Parttime Astronaut overtuigt is hoe ze inzoomt op de kleinste handelingen, beweringen en bewegingen binnen een relatie, binnen een samenzijn, en hoe ze de bijbehorende irritatie voelbaar maakt.Het verhaal is klein, behapbaar, en het leed is in zekere zin ook klein. (Al deel ik de conclusie niet die de Volkskrant dit weekend over deze roman trok: wat is het probleem nou eigenlijk? Alsof problemen altijd objectief groot moeten zijn, alsof verhalen niet juist interessant kunnen worden als kleinigheden in iemands gedachten grote casussen worden en alsof literatuur er niet om draait om zulke processen inzichtelijk te maken. Ik vind het juist fijn dat het hier allemaal niet te erg wordt opgeblazen en dat al te voorspelbare zijpaden als het gaat om echtelijk ongeluk niet worden ingeslagen.) Door die kleine opzet is Parttime Astronaut het soort boek dat je binnen een dag uitleest, wat natuurlijk ook een kwaliteit is, maar wat ik ook jammer vond: net toen ik een soort van verbond met de hyperbewuste, op alles reflecterende hoofdpersoon had, en toen ik dacht dat ze haar bestaan en dus verhaal ging omgooien, liep de roman ten einde.
  • Ik las Maarten van der Graaffs Wormen en Engelen, een fraaie, tastende roman over religie, over het afvallen van je geloof en het verlangen naar gemeenschap. Het geheel zit vrij los in elkaar, scènes worden vermengd met e-mails, heden met verleden, het is allemaal veel losser dan ik op grond van enkele besprekingen en de achterflap gedacht had, maar dat werkt wonderlijk goed: zonder dat Van der Graaff de verbanden expliciteert voel je dat al die fragmenten en scènes met elkaar te maken hebben, soms juist ook door het contrast (feestjes met XTC, de rituele doop van de vader van ik-personage Bram).En ik ging met deze Bram mee. Wat me in deze roman vooral overtuigde was dat het nergens een afrekening wordt met een bepaald milieu, niets of niemand wordt belachelijk gemaakt: er is afstand, zeker, Bram kijkt bij tijd en wijle eerder met jaloezie dan met afkeer naar volwassenen die zich bewust onderdompelen in religieuze taferelen. Een veelzeggend en knap citaat iets over de helft: ‘Een geloof waarin mensen geen verantwoordelijkheid dragen voor de manier waarop ze handelen is toch een kinderachtig geloof? En ja, zulke geloven bestaan er genoeg, maar is dit uniek aan gelovigen? En toch hoorde ik niet meer bij die ondefinieerbare groep: christenen. Is van je geloof vallen dan zo’n mistig proces, zo traag? Hoe moet ik waarde hechten aan het afvallig zijn? Nu ik me heb afgekeerd van God, wil ik weten waarnaar ik me toekeer.’

AtlasContact gaf Wormen en Engelen uit. Een voorpublicatie staat op Athenaeum.nl.
AtlasContact gaf ook Parttime Astronaut uit. Ook daarvan staat een voorpublicatie op Athenaeum.nl.
De Geus, ten slotte, gaf Kraaien tellen uit.

Daan Stoffelsen: Richard de Nooy, Van kleine helden

Ik heb de ontstaansgeschiedenis van dit boek in vele stadia kunnen volgen. Over het plan ervoor las ik voor het eerst als adviseur voor het Letterenfonds in 2013, ik meen dat het toen om een estafetteverhalenbundel ging. (Full disclosure: ook toen kende ik Richard al, ik mocht het boek niet beoordelen.) Later, vanaf 2014, bood Richard Revisor korte verhalen, satellieten bij zijn bundel aan, onder de noemer ‘Bekende vreemden’. Een voorloper was ‘Annunaki‘, en na ‘Morfine’‘Rostjni Dan’‘Skeledžija’, was ‘Muntje’ de vijfde aflevering. Soepel, sober proza, maar vooral literair spel. Uitproberen. In de tweede persoon geschreven, of in meerkeuzevragen, of als een lijstje (‘Rojstni Dan’ blijft geweldig). En een groot verhaal uit het boek is een halfjaar geleden deels in Revisor 14, in zijn geheel op Revisor.nl verschenen: ‘Schietstoel.’ Daarna was ik nog in de gelegenheid Richard een grote literaire prijs te bezorgen, maar behalve Max Pam (de Max Pam Award) en Guus Bauer (De Grote Inktslaaf Literatuurprijs) zijn er geen eenmansjury’s in dit land, en in mijn eentje heb ik Richard niet op de longlist gekregen.

Van kleine helden is te beschrijven als een mozaïekroman, en de mozaïeksteentjes die ik in de loop der jaren verzamelde, konden me hier niet op voorbereiden. Want het is echt een mooie, rijke, geëngageerde roman geworden. Het begint ook daadwerkelijk als een verhalenbundel. Verhalen van weldoeners, vloekende, gemankeerde, aan lager wal geraakte of simpelweg gedesillusioneerde weldoeners, dat wel, maar ze helpen tenminste. Ze geven telkens hun naam aan het verhaal, ondertitel is de locatie, we leren ze in kort bestek bekennen en raken ze dan weer kwijt. Eeuwig zonde, sympathieke figuren. (Richard, als je meeleest, voor je Engelse vertaling: Fabel van Venetië, een wondermooie mysterieuze Corto Maltese, eindigt met een reünie van levende en dode personages. Zoiets mag ook wel bij Small Heroes.)

Uit: Hugo Pratt, Fabel van Venetië

Wie we niet kwijtraken is Per en zijn hond Bodolf, die in het openingshoofdstuk een piepende steen aantreffen in het Noorse bos waar ze wonen. Per leren we kennen als een verwarde oude man, een figurant in die andere verhalen, en via zijn figuratie ontvouwt zich een reis. In Zweden:

‘De oude man kijkt Jens zwijgend aan. Een diepe frons verschijnt op zijn voorhoofd. “Ik kom wat brengen. Of ik ga wat halen. Misschien allebei.”
“Hoe bedoelt u?” vraagt Jens.
“Aha…” zegt de man en loopt naar de schap met wegenkaarten. Hij zet zijn bril op en kiest een kaart van Europa. Als hij de kaart voorzichtig openvouwt op de balie verspreidt zich de kruidige geur van dennennaalden en tijm, als zomerregen op een hete dag. Met zijn gekromde wijsvinger trekt de oude man een lijn vanuit Noorwegen door het hart van het continent naar Italië en zegt dan plechtig: “Omnes viae Romam ducunt.”
“Pardon?” lacht Jens.
“Alle wegen leiden naar Rome,” zegt de man.
“U wilt dus naar Italië.”
De oude man knikt. “Ja, dat lijkt me een goed idee.”‘

Ik vind dat mooi, hoe die geur zich verspreidt tot een seizoen, en hoe je deze Per eerst als dement inschat, maar langzaamaan meer in hem begint te zien… De route leidt door Duitsland en Tsjechië en Italië (waar De Nooy prachtige scènes neerzet in het appartement van Maldini en rondom het sterfbed van een strenge moeder-overste), en vandaar door de Balkan via Turkije en Syrië naar het beloofde land. In Syrië komt hij met een geweldige, grappenmakende Turkse jongen die me ook aan een personage van Corto Maltese doet denken (sorry collega’s, medio november kunnen jullie hier een verslag van het nieuwe album verwachten), en hij redt mensen en overleeft de bizarste situaties. Is deze man niet de messias? Hizir? De Mahdi? Al-Khidr?

(De Nooy heeft eerder een messias geportretteerd, in Zendingsdrang, en we hadden nog maar kort geleden Dertig dagen van Annelies Verbeke. Per beweert ergens dat hij nog maar 48 dagen oud is, en dat komt wel overeen met de grotere omvang van deze roman. Het is een rage, las ik in de krant:

Jezussen in Trouw

)

Het heeft iets science-fictiefs, en we komen ook allerlei vage complottheorieën tegen, heerlijke analyses, en de beweging naar Rome en Jeruzalem heeft iets van De ontdekking van de hemel, maar deze roman is concreter, Europeser, rauwer. (Schreef Mulisch dan een Amerikaanse roman? Ja.) Er is ook (minder dan in de Revisorverhalen) experiment, personages hebben eigen stemmen. Er wordt geneukt en er vallen doden. Niet ontoevallig volgt Per de omgekeerde route van vluchtelingen, van de voormalige beloofde landen naar de nieuwe beloofde landen. Dit boek gaat over ons, nu, hoewel Per goddank Nederland niet aandoet, wie weet wat Rechts met de bijbel hem had aangedaan. Lezen.

(Is het een perfect boek? Iets eigenaardigs is dat we Per al op reis treffen als De Nooy hem nog portretteert kort na de eerste scène: ‘Hij is angstig, gedesoriënteerd. De steen zit verankerd in zijn hand. Hij probeert het ding los te rukken, schudt met zijn arm. De adrenaline jaagt zijn hartspier op hol – vluchten-vechten-vluchten – tast zijn fijne motoriek aan, vernauwt zijn denkvermogen.’ En veel later bekijken we hem alleen vanuit andermans perspectief. Dan is het niet meer nodig, dat begrijp ik wel, maar het heeft iets inconsequents. Ik begrijp ook: het is een lastige balans, wat leg je uit, wat niet, en de openingsscène was een totaal mysterie voor me, waardoor ik iets te blanco in de daaropvolgende verhalen ging, telkens afhaakte en pas verderop verslaafd raakte. Terwijl het slotverhaal misschien weer te veel duidt – in scherp contrast met wat De Nooy in Zendingsdrang deed. Toen liet hij me in totale verwarring achter.)

Nijgh & Van Ditmar gaf Van kleine helden uit.

Vandaag het slot van ‘Nova’, een kort verhaal van Dieuwke van Turenhout. Deze week verschenen eerder al deel 1 en deel 2.

*

De mat verbranden ze in de tuin. Het rookt verschrikkelijk en stinkt ontzettend. Op het laatst scheurt Fiona haar blouse los en gooit deze op het vuur. Ze draagt geen bh en haar borsten zijn rozig en rood door elkaar. Jouw kleren.. commandeert ze. Zelf is ze al met haar broek bezig. Peter gehoorzaamt. Het knetteren van de vlammen is beter dan de geluiden eerder en de stilte die volgde.

Fiona dweilt het linoleum. Peter zit er naast in kleermakerszit. Zijn ballen voelen koud op de vloer. Hij bekijkt zijn handen opnieuw en opnieuw, bestudeert de aders, trekt aan de zwarte haren op de rug van zijn hand.
Fiona’s voeten verschijnen in zijn blikveld. Met dezelfde lege verwondering liefkoost hij haar schenen, het littekentje net onder haar knieschijf, de moedervlek op haar kuit.
En nu? Zegt Fiona.
Peter zuigt op de snee in zijn vinger, zet zijn hoektand op het dunne velletje zodat het opnieuw opengaat. De pijn is te flauw om af te leiden. Ik weet het niet, zegt hij zacht. Misschien is dit wel een droom. Juist droomde ik dat ik over de hoorn van Afrika vloog. Hij kijkt op. De vlam in Fiona’s ogen dooft alweer. Nee, dit is geen droom.
Laten we douchen. Hij staat op en kijkt vol verbazing naar de lege woonkamer. Nova is weg. Fiona trekt haar schouders even op, alsof ze een klap ontvangt.
Ze lopen naast elkaar naar boven. Hun handen raken elkaar niet. De deur van het kinderkamertje staat op een kier, de geur van Zwitsal komt hen tegemoet. Wacht, zegt hij. Hij stapt het kamertje binnen, pakt de luier uit het kozijn en sluit het raam.

En nu? Zegt Peter. Ze liggen in bed, onwennig dicht tegen elkaar aan. Fiona strijkt met haar handen over haar buik. Haar gezicht is schoon, haar borsten weer blank zoals Peter ze kent.  
We kunnen hier niet blijven. We hebben niets hier. Helemaal niets.
Wat als…hij kijkt naar zijn gladde arm, legt die voorzichtig terug, alsof er al blaasjes op zitten. Wat als wij…?
Ik weet het niet – ze heeft tot het einde toe gelachen. Ik hoop… haar stem daalt, nee ik heb geen hoop meer. Ze ruikt aan de matras. Hier, zegt ze. Ruik hier maar. Peter ruikt. Heel lang ligt hij stil met gesloten ogen, zijn neus op het laken. Fiona neuriet weer, heel langzaam dit keer, het interval tussen de regels groter en groter. Peter valt haar bij in de stilte, net voor het einde.

Vandaag deel 2 van ‘Nova’, een kort verhaal van Dieuwke van Turenhout. Lees hier het eerste deel. Deze week verschijnt ook nog het slot.

*

Onderaan de trap wacht Peter. Kom jij maar eens bij mij, vrolijkerd. Hij ziet de bultjes en fronst. Wat is dat?
Geen idee. Waterpokken? Zesde ziekte?
Ze lijkt er geen last van te hebben.
Nova loopt een paar stappen naar hem toe. Ze kraait van plezier, verliest haar evenwicht en valt op haar billen. Peter tilt haar op. Kom, zegt hij.
In hun lege woonkamer rollen ze de mat uit. Nova speelt met een stoffen olifantje. Ze verstopt het achter de rug van Peter en komt telkens kijken of het er ligt. Als Fiona met haar buik op de olifant gaat liggen, probeert Nova haar eraf te duwen. Haar vingertjes zitten nu vol blaasjes.

Ik ga even een banaantje voor je pakken, zegt Fiona als ze opstaat. Peter, wil je ook?
Peter tilt Nova met een zwier hoog boven zijn hoofd, Nova lacht. Nee dank je, zegt hij, vandaag eet ik Nova, en hij laat haar buik op zijn hoofd rusten.
Fiona pakt twee bananen uit de fruitschaal op het aanrecht. Snel zet ze wat water op voor thee. Ze neuriet een deuntje van de Nigeriaanse radiozender. Over de witte keukenkastjes ziet ze de stoffige colonne van hulpgoederen aankomen, de damp uit de waterkoker de hitte van het kamphospitaal. Niemand durfde het aan hen te bezoeken in Nigeria. De herinneringen zijn van haar en Peter alleen.
Neem een doek mee?
Ze laat de kruiden trekken, pakt een doek van het droogrek buiten bij de keukendeur en loopt met de doek en de bananen terug.
Heeft ze gespuugd? Ze zwijgt abrupt. Wat is dat?
De bultjes…een paar sprongen er open.
Open?
Op het rode tshirt van Nova verschijnen steeds meer kleine natte plekjes.
Fuck, wat is dat nu? Trek uit, snel.
Peter houdt Nova’s elleboog in negentig graden en tilt met zijn andere hand haar shirt omhoog. Shit! Hij laat haar elleboog los en toont Fiona zijn handpalm. Zijn handpalm glimt van het vocht, en op Nova’s shirt tekent zijn hand in natte plekjes af.
Handschoenen.
Wat?
Handschoenen!
Fiona rent, haar blote voeten piepen bij het afzetten tot ze boemelend de trap op stormt. Hijgend staat ze even later voor hem. Nova grijpt met haar bezweerde handjes naar de bungelende witte latex vingers. Met een laatste klap van latex op huid heeft Peter de zijne al aan. Fiona’s vingers trillen zo, dat ze de handschoen niet open krijgt. Peter zit op zijn hurken naast Nova, hij legt een wassig witte handschoenhand op Fiona’s pols. Rustig, zegt hij. Blazen. Fiona knikt, haar ogen groot, de pupillen wijd. Ze brengt een handschoen naar haar mond en blaast er lucht in alsof het een ballon is.  Met een krakend geluid ontpopt het materiaal zich tot lege handschoen. Fiona wringt haar hand erin, de vingers buigend en strekkend, haar mond beweegt, de lippen samengeperst. Dan valt ze op haar knieën naast Peter en Nova. Nova lacht haar tandvlees bloot, één tandje heeft ze en met een snik ontdekt Fiona dat er juist bij de aanhechting een blaasje is ontstaan.
Peter kleedt Nova nu resoluut uit. Zijn ogen flitsen zo nu en dan over zijn handschoenen heen. Vocht, mompelt hij. Hij ruikt er even aan. Latex, zegt hij, ze zouden reukloze doktershandschoenen moeten maken. Echt reukloos.
Nova is nu, op haar luier na, bloot en Peter inspecteert haar vakkundig. Hij loopt met behandschoende vingers over haar buik, wat Nova nogmaals aan het lachen maakt, tot de druk van zijn wijsvinger een blaasje met een vochtig ploppend geluid doet barsten. Hij trekt zijn hoofd snel weg. Fiona ziet het met afschuw aan. Ze zit er helemaal onder, zegt ze. Ze zit er helemaal onder, echt helemaal.
En de gebarsten blaasjes? Kijk hier, het velletje hangt er los bij.
Maar dan ziet hij dat er nieuwe blaasjes ontstaan daar waar ze juist stuk zijn gegaan, het is als kijken naar soep die langzaam gaat koken. Babysoep.
Nova lijkt er geen last van te hebben.
Gelukkig niet.
Wat moet ik doen? Talkpoeder? Jodium?
Fiona pakt eindeloos voorzichtig Nova onder haar okseltjes, en trekt haar dicht tegen zich aan. Ze negeert het geluid en laat het natte rugje tegen haar lege buik aan rusten. Nova pakt met haar handjes de latex vingers van Fiona, één nageltje krabbelt over het gladde oppervlak. Handschoen, zegt Fiona uit automatisme. Bwa-oe zegt Nova. Dan pulkt ze met een nageltje aan de blaasjes op de rug van haar eigen handje. Met naaldscherpe plofjes spatten die open. Direct ontstaan er nieuwe.
Peter kijkt het vol verwondering aan. Ze heeft er echt geen last van, kijk, er is gewoon een stukje van haar hand weg. Fiona probeert met alles wat ze heeft het afschuwelijke geluid buiten te sluiten. Ik ben doorweekt, zegt ze. En ik ruik allang geen latex meer.
Nee.
Ze laten Nova staan, het ongeduldig trappelen van haar voetjes als een duivels drumstel. Haar wangetjes bollen op, haar knietjes, hele happen zijn al uit haar buikje als de eerste druppel bloed van haar af spettert. Ze kijken er alle drie naar. Nova laat zich op haar billen zakken –het geluid, natte scheten, leeglekkende lammeren- en steekt haar rechter wijsvingertje uit naar de druppel bloed. Dan ontstaat daar, juist op het topje, een blaasje dat in rap tempo in omvang toeneemt, het vocht wordt rood en voordat ze het druppeltje op de mat kan aanraken, spat de blaas open.
Doe iets. Wat gebeurt er?
Ik weet het niet. Ik weet het niet. Doe haar luier uit.
Fiona gehoorzaamt, ook al heeft Peter zijn stem niets van de autoriteit die ze van hem kent. Met twee vingertoppen duwt ze het voorhoofdje van Nova naar achter, met haar andere hand ondersteunt ze het gebobbelde achterhoofdje en zo vleit ze haar op haar rug. Haar liefste wens lijkt te wel koken, de huid tot leven te zijn gekomen. Hoe kan dit? Zegt ze nog eens, haar stem schiet zo hoog dat ze naar adem moet happen. Dan trekt ze met een rats de plakstrips van Nova’s luier los. Nee, zegt ze, nee dit kan niet. Peter, wat is dit?
Nova kijkt met haar bruine ogen van Fiona naar Peter. Die zit op zijn hurken, met zijn ellebogen tegen zijn navel gedrukt en zijn vuisten gebald op zijn voorhoofd. Zodra Fiona zijn rug ziet schokken, weet ze genoeg.
Nee. Nee. Nova, nee. Ze vermant zich en zwaait streng met haar wijsvinger. Nova lacht en reikt met haar handjes omhoog. Haar tandje laat langzaam los.
Peter kokhalst en geeft over in zijn handen. Hij ontwijkt de ogen van zijn vrouw en verdwijnt geluidloos als een spook naar de wc. Hij denkt aan de sterretjes die hij als kind afstak met oud en nieuw. Aan de wens die hij mocht doen. Wat wenste hij? Een step? Een bal? Wereldvrede? Een kind?
Hij blijft op het toilet tot zijn benen slapen van zijn eigen gewicht die ze afknelt. Hij blijft ook daarna zitten, telt zijn vingers, bestudeert zijn nagelriemen en probeert een patroon te ontdekken in de moedervloekken op zijn linkerarm en als hij die niet vindt, op zijn bovenbenen. Daarna telt hij de tegeltjes van de muur tegenover hem, ieder tegeltje krijgt een naam, een naam van iemand die hij niet kent. Hij blijft op het toilet tot hij niets meer hoort behalve het zoemen van zijn eigen bloed, het fluiten van zijn eigen adem, totdat hij nog een keer geplast heeft zelfs. Dan staat hij op en sleept zichzelf terug naar de woonkamer.
Fiona zit op haar hurken op de mat. Ze heeft haar handschoenen uitgetrokken en aait zacht over de ribbels van het vlechtwerk. Haar blouse en broek zijn doorweekt en plakken tegen haar lijf. Haar gezicht is wit, haar ogen rood met een onbezoedeld blauw midden.
Ze heeft tot het laatst gelachen..
Dat kan niet, zegt hij.
Ze staart hem aan, snot en tranen kruipen vanaf haar kin haar nek in. Dat weet ik. Dan richt ze haar blik weer op waar Nova was. Haar gezicht staat zacht en ze prevelt. Als Peter naast haar op de mat ploft, zijn knieën en scheenbenen direct nat en plakkerig, hoort hij dat ze het wiegelied zingt. Je hebt de woorden weer. Onye mere nwa nebe akwa Hij sluit zijn ogen en wiegt langzaam heen en weer. Zijn vingers herinneren zich de zachtheid van Nova’s huid, hij beweegt ze alsof ze die nog met geurende olie insmeren. Opnieuw en opnieuw zingt Fiona het liedje, Onye mere nwa nebe akwa ze weet niet alle woorden en de lacunes vult ze op met “Nova” of een stukje neuriënd. Peter verliest zichzelf boven de vlaktes van Afrika, de roep van de vogels, het gestamp van duizenden zwarte voeten, met de raadselachtige blankroze onderkant. Hij waait met de wind over de droogstaande rivier, de verbrande dorpen, tot hij tenten ziet, rijen tenten. Daar, voor de wit plastic flap, dat door een onvoelbaar briesje beweegt, hoort hij de eerste kreet van Nova.
Het is niet Nova, maar Fiona. Ze schreit, stikkend, zoute draden die rivieren trekken door een landschap van verdriet. Ze bukt, haar twee handen op de lege mat, brengt haar gezicht naar de mat en kust die. Ze heeft tot het laatst toe gelachen, ze heeft er echt geen last van gehad.
Wat doe je? Maar hij weet het best. Peter kijkt naar zijn huilende vrouw en plaatst zijn linkerhand dan naast haar rechter. Zijn gezicht is nog helemaal schoon, droog en schoon. Schaamte kleurt zijn wangen. Hij zakt door zijn armen, niets is er over van hun Nova. Zijn strot doet nog pijn, maar hij kust elk plekje waar ze ooit was. Zijn lippen worden ruw van het reliëf van de mat. Hij kust de mat die ze op een stoffige markt kochten, hij kust waar hij haar voetjes heeft geweten. Hij kust Fiona alsof het hem zal redden.

Dan is er niets meer.

Vandaag deel 1 van ‘Nova’, een kort verhaal van Dieuwke van Turenhout. Deze week verschijnen ook nog deel 2 en het slot.

*

Op de laatste dag van hun zelfverkozen quarantaine krijgt Fiona koorts. Peter houdt haar in zijn armen, kust haar bezwete voorhoofd en neemt Nova behoedzaam van haar over. Hij bindt haar in een doek op zijn rug, precies zoals ze het hun vroegere maid hebben zien doen.
Hij opent het raam van hun slaapkamer om de frisse aprilwind binnen te laten en brengt haar een glas water. Veel meer kan hij nu niet doen.
Nova houdt zich stil als hij zijn ouders belt.

Fiona heeft koorts gekregen, zegt hij. Waarschijnlijk niets om ons druk over te maken, maar ik wilde jullie toch even op de hoogte stellen. Ze ligt in bed. Ze zweet wel, maar niet zoals we in de vluchtelingenkampen zagen. Nee, ze heeft ook geen andere symptomen.
Kunnen we de kleine Nova zien?
Dat zal moeilijk gaan. Volgens de regels die we hanteerden in de kampen is onze quarantaine nu opnieuw drie weken verlengd.
Moet Nova niet juist ver weg zijn van het ziekbed van haar moeder?
Nee, dat kan niet meer. Wat het ook is, de incubatietijd is al voorbij. Fiona is ook rustiger met Nova in de buurt.
Peter hangt op en loopt door het karig ingerichte huurhuis. Hij opent alle ramen en deuren op de benedenverdieping, bijgeloof van het personeel dat ze tot voor hun overhaaste vertrek uit Nigeria hadden. Geesten moeten vrijelijk het huis in en uit kunnen, en tocht, daar houden kwade geesten niet van. In Nederland tocht het altijd. Als hij zeker is dat hij overal is geweest, trekt hij zich met Nova terug op het kinderkamertje naast hun slaapkamer. Hij verschoont haar luier, wrijft haar voetjes tot ze kraait en kust de glimmende huid van haar buik. Ze ruikt naar zwitsal vermengd met de Nigeriaanse baby-olie en hij sluit snuivend zijn ogen om de kleurrijke beelden die de geur oproept beter te zien.
Peter? Wat doe je?
Hij staat op, duwt zijn neus een laatste keer in het naveltje van het meisje en tilt haar voorzichtig op. Haar bruine ogen haken in de zijne als ze buik tegen buik naar Fiona lopen. Nova lacht.
Niks, lieverd, zegt hij. Ik speel met Nova. Kijk, de armpjes en beentjes worden nu al echt een beetje mollig – goed hè?
Fiona knikt, ze is een pafferig soort geel maar haar ogen lichten op zodra ze naar Nova kijkt. Ze schraapt haar keel en tilt haar hand onder de deken vandaan. Geef maar, geef haar maar hier.
Ik wilde haar juist de fles gaan geven, zegt hij als antwoord. Rust jij maar goed uit, des te eerder ben je beter.
Denk je…? Ze slikt. Wat denk je? vraagt ze, haar ogen op het achterhoofd van Nova gericht.
Griep, gebrek aan slaap, stelt hij haar gerust. Ze knikt, aarzelend. Echt? Echt.
Soms droom ik dat het niet waar is, zegt ze. Dat ik wakker word en dat het niet waar is. Dat Nova er niet is, dat we geen kinderen hebben, alleen maar leegte.
We hebben Nova, zegt hij.
Beneden zet hij haar op de grond. Meteen grijpt ze zijn broekspijp en gaat staan. Ze huilt klaaglijk. Zo kom ik natuurlijk niet toe aan je fles, zegt hij. Blijf je even hier? Zachtjes wringt hij haar vingertjes los en loopt naar de keuken. Aan het geluid kan hij horen dat ze achter hem aan kruipt.
Na de fles legt hij haar in bed. Normaal zouden ze nu alle drie in het grote bed liggen, hij en Fiona als een grote roze baarmoeder veilig om Nova heen. Met één vinger aait hij haar wangetje, genoeg om hem te laten glimlachen. Voor hij haar ouders belt, kijkt hij nog bij Fiona, die bewegingloos slaapt.
Wat voor ziektes waren er precies in Nigeria, vragen zijn schoonouders. Zijn die allemaal dodelijk? Moet Fiona niet naar een afgeschermde afdeling van het academisch ziekenhuis? En Nova, hoe is het met Nova?
Nova slaapt, en Fiona ook. Het komt vast allemaal goed, sust hij.
Stuur ons toch eens wat foto’s, klagen ze, we hebben er maar een paar. En daar is niet eens op te zien of het een baby, een aapje of een opgerolde handdoek is – dat is Fiona’s moeder.
Peter belooft op zoek te gaan naar de fotocamera. We zijn zo dolgelukkig met haar, dat we niet eens gezocht hebben naar ons toestel, zegt hij. Elke seconde dat we haar niet rechtstreeks zien, is een verloren moment.
Zijn schoonvader gromt en snuift. Als je niet zo’n godbeterende wereldredder was, zou ik denken dat je ons voor de gek houdt.

Voor het einde van de week belt Fiona zelf. Ik ben beter, echt waar. Geen dokter aan te pas gekomen, rust en frisse lucht, dat was het. Vanochtend heb ik zelfs de vloer gedweild, en alleen de zwabber zwabberde. Ze lacht.
Meisje, wat fijn te horen. We maakten ons zorgen, dat mag je best weten. Mogen we nu dan eindelijk komen?
Het spijt me mama, nog steeds niet. Nu is Peter geveld. Je zult nog even geduld moeten hebben.
En Nova, waar is Nova?
Die is bij mij, hier op mijn rug. Hoor je haar niet pruttelen?
Ze horen het niet.
Sluit toch eens Skype aan, brommen ze. We hebben geen idee hoe onze kleindochter eruit ziet. Ria van de overkant is ook oma geworden, die heeft foto’s op haar telefoon en ingelijst in de woonkamer. Wij hebben niets, niets! Straks kan ze lopen voor we haar eindelijk eens te zien krijgen.
Ze loopt al aan de hand, zegt ze trots. En dan: ik sta er eigenlijk niet zo bij stil dat ik foto’s zou moeten nemen, mijn hoofd loopt over met papjes en stapjes. Ach, het komt vanzelf, mam, laat Ria je niet gek maken.
Fiona speelt met Nova en als ze niet met Nova speelt, knuffelt ze met haar. Als Nova slaapt, zit ze naast haar bedje, haar pink tegen de teentjes van het kindje aan. Zelfs in haar slaap krult Nova haar voet en teentjes om de pink heen. Als een aapje, denkt Fiona, ik ben mama aap geworden.
Al die tijd ligt Peter in bed. Hij rilt en kucht verzoeken. Ramen open, Nova zien, water, nog eens water, en zijn beneden ook alle ramen open? De geesten moeten vrijelijk kunnen komen en gaan.
Geesten, zegt ze als ze hem een glas water en de thermometer brengt. Geesten komen hier niet, lieverd.
Peter is daar niet zeker van. De vluchtelingen…de kampen…de geesten van de voodoo dansers. Nova. Ze waren er, fluistert hij. Een rochel beneemt hem de adem en heel even is Fiona bang. Ze ziet de oranje geel gekleurde hoofdtooien weer, het vriendelijke wit van de ogen dat bij zovelen rood ging bloeden. Hun maid, en Nova. Gelukkig is er Nova. Je hallucineert, zegt ze liefkozend. Geesten printen geen boarding card, geesten blijven trouw aan hun geboortegrond.
Hij hoort haar al niet meer, hij slaapt.

Peter knapt langzaam maar zeker op. Ze moeten gaan denken aan de toekomst, aan een leven na de quarantaine, aan werk, aan routine, maar ze willen niet.
Terug naar Nigeria is uitgesloten.
Op maandagmorgen net nadat de vuilniswagen de straat heeft laten schudden, schreeuwt Fiona van boven- Peter, Peter! Haar stem klinkt onnatuurlijk. Peter rent, blootsvoets, de koffiemok onstabiel op het aanrecht valt met een venijnige pets aan scherven.
Peter stuift het kamertje in – leeg, hun slaapkamer dan – daar is ze. Fiona wiegt Nova, maar haar gezicht is strak. Ze heeft koorts, zegt ze. Peter ademt hoorbaar uit. Oké, koorts, dat kan. Koorts kan. Alle kinderen krijgen wel eens koorts. Hij stapt op het raam af en zet dat open. Vogelzang trilt de slaapkamer in. Deze moet open blijven, zegt hij, dat is belangrijk. Hij kijkt naar zijn vrouw, haar dunne armen heeft ze beschermend om Nova geslagen. Geef mij Nova maar even. Nee, ik heb haar. Hij knikt. Zijn dappere vrouw, hij hoort een zachte snik. Peter draait zich om en controleert alle ramen in het huis nog eens. Die op het kleine kamertje zet hij verder open en omdat de bries het raam terug duwt, pakt hij een luier en klemt die tussen het kozijn en de vensterbank. In de keuken raapt hij de scherven van de mok op. Ze hebben niet eens een krant om de ze in te wikkelen. In de vuilnisbak buiten ligt een plasluier, daar vouwt hij de stukken in. Een scherp randje krast zijn wijsvinger open. Fuck, zegt hij veel te hard.
Met keukenpapier maakt hij de vloer verder schoon. Druppels bloed vallen op het linoleum als hij met een hand vol kletsnat bruinig papier naar buiten loopt. Fuck.
Uit het keukenkastje pakt hij hun EHBO kit. Hij zuigt op zijn vinger, duwt zijn tong op de opengesneden huid. De smaak van bloed verdringt die van koffie. Hij desinfecteert de wond en doet er een elastische pleister op. Dan loopt hij terug naar boven.
Fiona loopt rondjes naast hun bed. Ze neuriet de melodie van een Nigeriaans wiegelied. Ik ken de woorden niet, zegt ze als Peter de kamer binnen komt. Ze stapt naar Peter toe en rust haar voorhoofd tegen zijn borstkas. Nova ligt warm ingeklemd tussen hen in. Ik maak me zorgen.

Fiona en Peter cirkelen om Nova heen. Een zucht en ze deppen haar lipjes met water, een jammerend kreetje en ze masseren oh zo zachtjes haar oorlelletjes. Ze voeden haar Bambix met een plastic lepeltje wanneer ze haar hoofd afwendt van de fles.
De nacht is duister en stil. Nova ligt tussen hen in. De hitte van het lijfje wordt hen soms te veel, ze koelen ook zichzelf met natte doeken. Hadden we maar internet aangesloten, zegt Fiona, dan konden we opzoeken wat het kan zijn. Niet dat het iets ernstigs is, natuurlijk.
Het is vast niets, wij zijn ook ziek geweest.
Het kan een doodnormale kinderziekte zijn.
Misschien moeten we toch eens een dokter overwegen.
Fiona kruipt dicht tegen Nova aan, haar neus bij de slaap van het meisje. Met elke ademteug ruikt ze Nova, Nova met zweet. Ze pakt het handje en legt het zachtjes tegen haar borstkas. Hier klopt mijn hart, voel je dat? Boem boem. Boem boem. Net als in Afrika, net als thuis.
Aan de andere kant ligt Peter, ook hij heeft haar handje beet en geeft kleine kusjes op de slapende vingertjes.
Zo vallen ze in slaap.

Mamamamama, zegt Nova na het ontwaken van de vogels buiten. Peter en Fiona kijken elkaar aan over het bollende buikje van Nova. Peter heeft groeven in zijn voorhoofd en een stoppelbaard, Fiona’s haar piekt van zweet en woelen. De koorts is geweken, zegt Peter. Ze snuiven de frisse lucht in bij het opstaan. Peter neuriet het wiegelied.

Fiona ontdekt de uitslag het eerst. Ze kust de lichte voetzooltjes, zacht als nieuwe kussentjes, als haar oog de oneffenheid ziet.
Wat is dat nu, aapje van me?
Nova speelt met een kam en kijkt niet op. Fiona ontkleedt haar helemaal, laat haar staan, naakt. Niet alleen de billetjes, ook de rug, en nu ze goed kijkt, ook op de armen. Overal ziet ze bultjes.
Meisje toch, dat zal wel jeuken, of niet? Ik zei nog vannacht, toen jij eindelijk, eindelijk sliep: we zouden eens een dokter moeten gaan zoeken. Dan nemen we dit beentje, en dit beentje, en dit armpje, en dit armpje en natuurlijk jouw dikke neus…ze plant natte zoenen op de aangetaste huid, allemaal mee naar de dokter. Hallo dokter, zeggen we dan. Hallo, dit is Nova uit Nigeria. Ze zwijgt abrupt.
Ze trekt Nova een schone luier en schone kleren aan. Kom, zegt ze als ze klaar is.

25 april verschijnt de roman Gezelschapsjongen van Bernard Wesseling, een onstuimige roman over de roekeloze, radeloze, redeloze liefde. Wij brengen het eerste hoofdstuk.

*

Ik betrapte haar op de uitvaart. 
Na veel vijven en zessen was ik toch gekomen.
‘Om de grond aan te stampen,’ had ik tegen de taxichauffeur, een prater, gezegd. 
Bij een rotonde aan de rand van de stad was ik uitgestapt. Begonnen de laan uit te wandelen, die leidde naar de begraafplaats. Veel te laat, maar zonder haast. Toen viel zij me op, onder een van de platanen stond ze, ertegenaan gedrukt, omgeven door schaduw. 
Ze was bezig door de split van haar jurk een geblindeerd been omhoog te brengen en krabde haar enkel door de panty. Ik geef toe, het gebaar dreigde even mijn medelijden te wekken.

De parasiet had schoonheid. Net als de rest van haar soort, zei ik bij mezelf. Nee, van een cultus was ze – de cultus van de huisvredebreuk. Vrouwen met onheilige dagboeken die bij het openslaan in vlammen zouden uitbarsten. Monddood, maar springlevend in testamenten. Achter de valse sluier die ze droeg, wist ik nu zeker dat haar mondhoek ironie spelde.

Ik had de drang om haar aanwezigheid vast te leggen als bewijslast. Wettelijk gezien was ze niet in overtreding. Een chantagemiddel dan misschien of beter: aan de digitale schandpaal met haar. Ik verborg me achter een heg vol kwetterende mussen. Fouilleerde mezelf, vond mijn telefoon, maakte een kijkgat tussen de bladeren. Sloot het scherm over haar persoon, als een net.
Terwijl verderop de stoet zo’n beetje richting aula begon uit te waaieren (waartussen ook mijn moeder, geflankeerd door twee dragers), duwde ze zich van de boombast af. Geboren op hakken, liep ze zonder moeite over het grind.
Wat evenmin verboden was: haar nu te schaduwen, te kijken waar ze ons heen zou leiden. Daarom besloot ik mezelf van andere verplichtingen te ontslaan. Dat was nog niet eerder vertoond. Ik was vooral braaf geweest.
Na de middelbare school had ik kunstgeschiedenis gedaan, was afgestudeerd op Oosterse kalligrafie, ik verzin het niet (mijn verwekker, de Grote Etymoloog had zich nog laten ontvallen of ik niet liever wat ‘waardevaste kennis’ wilde opdoen) en voor ik er erg in had stond ik voor een collegezaal. Jongste docent van de universiteit. Van mijn eenendertigste tot mijn zesendertigste – voorbij in een vloek en een zucht.

Volgens de statuten was het lente.
Ik smoorde in een zwart overhemd, de stropdas had ik in mijn zak gestoken. Ik bleef haar met gemak bij, verkoos het hoogpolige gras, verschanste me om de andere boom, al schuurden de broekspijpen van mijn pantalon bij het kruis zodat ik een bijna fluitend geluid voortbracht, en gedwongen was zo’n twintig meter afstand te houden. Ik volgde haar de laan uit, terwijl ze de zindering in liep aan het eind van de weg. Even stonden we stil nog – zij als alert wild, dat ergens van ophoort – alsof we overwogen toch een scène te maken, onze motieven onderzochten, ons verbeten en de kloof tussen doen en laten groeide, of om te luisteren naar een verdacht geluid, naar het koningsdrama van mijn ademhaling, waarna we verder liepen, merkbaar sneller.

Na laan, rotonde en twee straten met huizenrijen ontglipte ze me door een banketbakker binnen te stappen.

Vijf minuten later kwam ze naar buiten met een gestrikte doos onder haar arm. Ze liep kalmer nu, alsof het leven nieuwe betekenis had gekregen met wat er in die doos zat. Ik dacht een veer in haar verderfelijke stap te zien. Het begin van een ladder in haar panty, boven haar hiel. En toen, bij een zebrapad, keek ze in mijn richting.
Ik dook weg, een portiek in, en riskeerde juist op te vallen door me zo plotseling uit haar gezichtsveld te bewegen.
Stom, stom.

Het volgende moment was ik haar kwijt. Ik bevond me op een drukke winkelstraat. Een broeierige Marokkaanse jongen met zachte ogen, boos om zijn eigen verlegenheid, stootte me aan – liep snel verder. De ruit van een bushok trilde licht in zijn sponningen. Een bus draaide in, de deuren sisten open. Niemand stapte uit of in. Tenzij ik, begreep ik even uit de vorsende blik van de buschauffeur. Deel van de stoep was opgebroken. Een geel gehelmde bouwvakker verdween in een tent in de grond.
De omgeving leek erop uit me oneindig af te leiden. Ik was dan ook bang dat een levend standbeeld waar ik vervolgens langsliep, een slordige Centurion van uitgeslagen koper, een schijnachtervolging zou inzetten – toch bleef hij staan.
Maar, en dit was mijn geluk, niemand kleedde zich op deze verhitte dag in het zwart. Een tweede keer verscheen ze, nu voor een winkel. Daar bekeek ze iets in de etalage: een niemendalletje, een negligé, de mannequin of de man die haar ontkleedde.
Toen pas schoot de term me te binnen die gebruikt wordt om vrouwen zoals zij te beschrijven: schaduwweduwe. En het was even alsof ik vat kreeg op haar wezen.
Bij een drukbezocht stoplicht kwam ik zo dichtbij dat ik, een heerlijk oneerbiedig moment lang, op haar door een muur geknakte slagschaduw stond.

Voor een statig gebouw, uiteindelijk, hief ze een knie waar ze haar schoudertas op rustte en viste haar sleutels te voorschijn, de gebakdoos hing aan het touwtje tussen haar tanden.
Dit was mijn kans.
Maar voordat ik mijn voet in haar deuropening kon steken, voordat ik haar huis binnen kon dringen, werd mij nog één keer de weg versperd door een leeglopende balletschool: balletdanseressen hadden ineens de stoep in beslag genomen, binnen enkele seconden stonden ze tot midden op straat. Overal knotjes en pezige schouders, overal ranke benen en benige armen. Ze hadden zich allemaal gewend tot de artiestenuitgang waar ze net uit kwamen; een zwart vierkant gat naast een opengezwaaide ijzeren deur. Geen van hen leek mij op te merken toen ik ze passeerde, met mijn handen omhoog (om me smal te maken, te laten zien dat ik niets ongepasts deed) terwijl ze toch weken voor mij, een voor een, als wuivend graan. Ik trok een sprint, stopte, wandelde in snel tempo verder en was op tijd – ze schouderde haar tasje, klaar met het bekijken van een behulpzame envelop – om me haar achternaam toe te eigenen.

Ze woonde op stand. Ja, mevrouw had het zich gemakkelijk gemaakt. Het viel me op hoe degelijk haar gebouw was, de diepe huizen in Berlage-stijl van grote brede stenen en afgewerkte rondingen, de werkjes hier en daar. Het strookje Amstel voor de deur, de plezierboten en de villa’s aan de overzijde van de oever, ganzen op het gras, de zondoorschenen populieren.
Ik stelde me de verwoesting van haar appartement voor door vuur, hoe het langzaam maar onherroepelijk uitbrandde midden in het gebouw, een met roetbeslagen gat achterliet dat vervolgens niet werd opgeknapt maar met rust gelaten, gewoon zoals het was, terwijl omwonenden zich afwisselden, de blootgestelde woning steeds opnieuw opgeleverd in de stijl van de seizoenen.

Toen pakte ik mijn telefoon erbij en googelde op haar achternaam die Frans genoeg was om exotisch te heten. Ik zocht een toepasselijk gezicht voor haar, vond daarna haar straat met Streetview, zoomde in op haar pand, scrolde en strandde tot aan de deur van haar hal, niet verder, tot waar ik stond. Nu, hier. Onvoorbereid.
Wel aanbellen, niet aanbellen.
Ze zou vanavond al op reis kunnen gaan, dat was goed mogelijk. Emigreren, omdat alles in deze stad aan hem deed denken. En dan snel op zoek naar een nieuwe suikeroom.
In mijn herinnering begon het te regenen. Schuin het portiek in, zodat ik wel naar binnen moest. Maar het zal verzonnen zijn.

Toen ik de bel indrukte, zorgde ik ervoor dat ik mijn mond niet te dicht bij de intercom hield. Haar geluid kwam door.
Ze vroeg iets – had iets gevraagd. Ik diende te spreken, mijzelf kenbaar te maken.
‘Poststuk.’
‘Kunt u het in de hal leggen?’
‘Krabbel nodig.’
Ze drukte me binnen. Even twijfelde ik en stond met de deurknop in mijn hand en hield zo onbedoeld de deur open, als een braaf padvindertje, voor een oude van dagen die ik zag denken: akelig jong, mag alles nog eens dunnetjes overdoen.
Ik werd vriendelijk bedankt.
‘Jaja, alstublieft,’ zei ik en keek de dame of heer na. Daarna volgde ik met loden benen naar boven.

Kalm en doortastend zijn, zei ik bij mezelf.
Er zat een spion in haar voordeur. Mijn neusbrug bolde en gleed er nu doorheen, als door een vissenkom, daarna mijn oog. Dat zij mij nu zag, wist ik zeker, en was ondragelijk. Ik wilde de deur wel intrappen of er hard op beuken – maar zij deed hem ineens open zodat ik daar een poot stond te geven.
Voor ik haar kon bekijken ging ze mij voor. Ik zag alleen haar bleke arm die vervolgens een vertrek aanwees, terwijl ze zelf doorliep naar een toilet, en het idiote verzoek uitsprak of ik mijn schoenen uit wilde doen, want ‘er was net nieuw tapijt gelegd.’
Mijn sokken, wit, waren onfris. Aan de randen van de tenen zat een kleurtje. Ik bloosde ook, godverdomme. Hoe, dacht ik, hoe ga je haar eens goed de waarheid zeggen op je sokken?

Om haar niet aan te hoeven kijken ging ik bij het raam staan, met mijn handen op mijn rug (in de beste traditie van mannen-van-de-wereld die ermee te kennen geven; die pakt niets meer aan en niets hem, vooral).
Het duurde even voordat ze binnen kwam en ik me omdraaide.
Teleurstelling, in eerste instantie. Van alle gezichten die ik haar had toegedicht was dit het minst aannemelijke. Ik weet hoe dat klinkt, ik verwachtte geen hommage, maar er was niet eens sprake van zoiets als een collage van mijn verzinsels, of de vertekening van een abstractie. Nee, niets had ik goed geraden. O, een héél mooie vrouw, daar niet van. Met een ‘open gezicht’, geloof ik dat je het noemt, bruine ogen, springerig blond krulhaar, een licht uitwendige neus: haar neusvleugels stonden de kleinste glimp toe van haar zachte rode voering. (Dit alles volgens de schaamteloze oogopslag van de terugblik.)
En toen, zomaar, dit: ze opende haar decoratieve mond en liet me het lichtend spoor van een beugel zien. (Waarbij ze haar naam opzei en haar hand uitstak, die ik allebei misgreep.) Een slotjesbeugel, een mondsieraad!
Ook kwam ik erachter dat we niet alleen waren. Een statige duifgrijze poes kruiste het tapijt, staart kringelend hoog, poot voor zachte poot. Inmiddels zag ik dat we ons in een soort salonachtige kamer bevonden met varens en stoelen met hoge ruggen. Ze had een oude smaak, dat was bekend. Ze nam haar huisdier op onder de voorpoten, tilde het in de kom van haar schoot en zei: ‘De hele dag niets doen zeker, hè, dan de zon door het huis volgen.’
En hoewel wat ze zei vals gefluister was, had ze een zuiver geluid. Een stem die aanspraak maakte op een oude onschuld, lang verspeeld.
Ze begon nu zelfs over het stomme dier te vertellen – de stem klein maar vast – over hoe ze haar deelde met een autistisch meisje verderop uit de straat, dat er geen weet van had dat deze hier van een ander huishouden kwam, en de poes voor een kater hield, en haar Wammes noemde, en af en toe, ondanks herhaaldelijke uitleg van haar ouders, A4’tjes in de wijk verspreidde als ze hem kwijt was met Wammes’ signalement.
Ik weet niet of de anekdote als bewijs diende dat ze een groot hart had. Zo ja, het had niet de gewenste uitwerking op mij.
Ik vroeg me af of zij mijn vaders geur zou dragen, die van boeken en van pijptabak. Zoals hij naar haar moest hebben geroken, van bloemen, godverdomme, van droogbloemen –
Om een of andere onbegrijpelijke reden was het nog altijd vandaag.

Ik dwong mezelf aan mijn moeder te denken, met haar migraines en haar vermoedens, keer op keer door hem weggehoond met het vertoon van een toneelamateur die weet dat hij het klein moet houden, de krampachtige verontwaardiging, de geheven handen, en dan alsnog het hele goedkope pandemonium, alsof zij het was die zich onmogelijk maakte.

De Schaduwweduwe pakte haar handtas van een koffietafeltje, haalde er een etuitje uit en begon haar make-up bij te werken.
Ik wende me meteen af, alsof je niet bijgelovig hoefde te zijn om te weten dat het bespieden van dit ritueel tot groot ongeluk zou leiden. Bewust of niet scheen ze daarbij pesterig met het spiegeltje wat zonlicht in mijn oog. Ik stond op, vroeg naar het toilet. Zij wees weer, waarop ik haar vinger volgde.

Nadat ik haar medicijnkastje had doorzocht – op informatie, iets over een kwaal, een verslaving, iets wat ik haar kon onthouden of mezelf juist kon toedienen – keek ik een tijdje in het spiegeldeurtje. In een lager register dan ik van mezelf gewend was, zei ik: ‘Niemand weet hoe slecht ik ben.’

Een man en een vrouw alleen. Ik kon haar verkrachten maar dan moest ik het wel nu doen. Haar overmeesteren leek me geen probleem, ze was een kop kleiner, tenger, had een beugel.
Nu schatte ik haar gewicht in, het bereik van haar armen. De missionarispositie was uitgesloten. Ik moest tussen haar dijen vandaan blijven, waar de sterkste spieren van het lichaam zitten, een bankschroef waarmee ze mijn middel zou kunnen afknijpen. Nee, er was eigenlijk maar één manier: ik moest haar van achteren benaderen, haar armen vastpakken bij de polsen – daarmee zou ik haar lichaam kunnen manipuleren, door ze snel omhoog te trekken zodat haar hoofd naar beneden werd gedwongen – haar dan, kont omhoog, naar een bank of tafel kruien als het ware, haar armen naar haar onderrug brengen terwijl ik haar over een tafel of bank heen legde. Vervolgens hoefde ik, als ze begon te bokken of te snokken, wat ze zeker zou doen, haar armen alleen opwaarts te duwen tot de pijn in haar schouders haar zou dwingen zich stil te houden. Nu werd het lastig. Haar polsen gekruist op haar rug gedrukt houdend, moest ik mijn linkerhand vrijmaken om haar rok omhoog te schuiven, haar panty en ondergoed naar beneden, en mijn eigen geslacht vrij te maken en naar binnen te werken. Dat moest dus snel gebeuren. Ik deed mijn riem los, ritste alvast mijn gulp open.
Toen trok ik door, loos, aan een koord. Waste mijn handen met een kromgetrokken stukje roze zeep, onder een stroef kraantje dat ik zowat afbrak.

Daan Stoffelsen

Zij rechtte haar nek en vogelde haar knot los, schikte die met snelle vingers tot een wrong, dofte de dos met een handpalm, bleef me aankijken.
Ik staarde naar haar gezicht tot er geen uitdrukking meer op was.
‘Je hebt me dus gevonden, en nu? Wat wil je horen?’ ze lachte zonder tanden.
Nee, karaktermoord alleen zou niet volstaan.
Ze vroeg of ik wilde gaan zitten.
Ik bleef in positie. Maar ik stoorde me aan mijn gewonde houding: met mijn rechterhand hield ik mijn linkerarm vast, alsof ik daarnet liters bloed had afgestaan. Ik liet mijn armen hangen, maakte vuisten. Hij diende zich weer aan, de verwildering, de behoefte om haar te nemen. Die denigrerende glimlach van haar te breken, haar gezicht verwrongen te zien, die lachende ogen gedoofd.
‘Heb je een glas water?’ blafte ik.
Ze was de kamer meteen uit, ik hoorde het water in de keuken lopen. Langzaam kwam ik in beweging, stapte achter haar aan –
Dat ik onwil voelde, en weerzin, deed er niet toe. Hierdoor had het juist wat te betekenen, kreeg het lading. De nodige geilheid zou vanzelf komen. Ik sloot mijn ogen en balde mijn gedachten tot ik een natuurkracht was, een allesverzengend licht. Ik opende mijn ogen.
Daar liep ze al op mij af met haar water.
Ik mompelde nog, vrees ik: ‘Ik ben de rechterhand van de profeet die een vuist maakt.’

Er was iets verzachtends in de stem van de Schaduwweduwe die middag toen ik afdroop, onder gestamelde voorwendsels.
‘Jij bent niet half zo hard,’ zei ze, en raakte zelfs even mijn wang aan, ‘als je denkt dat goed voor je is.’ Terwijl ik mijn blik op haar wespentaille gericht hield, een sluipwesp –
Daarna liep ik twee treeën tegelijk door het galmende trappenhuis – ‘Je gulp -’ riep ze me na – en het volgende moment stond ik op de stoep een taxi aan te houden en was de zon een speelbal die van raam naar raam werd gegooid toen er een voorreed.

Voor de gratis uitgave De onbekende Hermans liet Jente Posthuma zich inspireren door W.F. Hermans

*

Ze kochten een hond. Zij noemde hem Hermans, hij zei W.F. Hermans, zoals het hoorde. De hond luisterde vooral naar hem.
De naam W.F. Hermans vond hij op het internet, toen hij ‘1 september’ en ‘verjaardag’ googelde. Hij wilde weten welke bekende mensen op dezelfde dag jarig waren als de hond. Even overwoog hij Ruud Gullit, totdat zij zei dat er al zoveel honden Ruud Gullit heetten.
Zij kende het werk van Hermans wel, maar hield meer van Gerard Reve, alleen was die op een andere dag jarig dan de hond. Helaas. Dat woord gebruikte ze vaak: helaas.

Helaas zit mijn man de hele dag op het internet. Helaas houdt mijn man meer van zijn hond dan van mij.
Dat meen ik niet hoor, zei ze altijd, dat is ironie.
Als je het niet meent, zei hij, waarom zeg je het dan? Ironie is als een steentje in je schoen. Maar je moet niet je hele schoen vol steentjes hebben. Zoiets las hij op het internet, W.F. Hermans zei het kort voor zijn dood.
W.F. Hermans was een dwergschnauzer, zo’n keffertje. Hij was fel, maar had opvallend lieve ogen en zachte oren. Het liefst lag hij bij zijn baas op de bank en dan keek hij dankbaar omhoog als die zijn oren streelde. Wanneer zij erbij kwam zitten sprong W.F. Hermans overeind en blafte net zolang tot ze opstond en zich een eindje verder in een stoel liet zakken. Na een paar keer nam ze de moeite niet meer en liep ze meteen door naar de stoel.
Vanuit de stoel keek ze iedere avond naar een talkshow terwijl W.F. Hermans en haar man een dutje deden op de bank. Zo nu en dan praatte ze tegen de tv, meestal als ze het niet eens was met een gast. Dan werd W.F. Hermans wakker en gromde naar haar. Op een avond – ze had net iets geroepen naar een controversiële cabaretier – sprong W.F. Hermans van de bank en beet haar in haar enkel. Ze schreeuwde, haar man schrok wakker en schreeuwde ook. W.F. Hermans blafte hysterisch en hield daar pas mee op toen ze hem met een kandelaar hard op zijn kop sloeg.
De hond lag bewegingloos op het tapijt.
De talkshowhost zei dat het tijd was voor muziek.
Dit wilde ik niet, zei ze.
Hij keek naar haar roze knieën en naar de vingers om de voet van de kandelaar. Hoger wilde zijn blik niet gaan. Ze heeft nog steeds worstige vingers, dacht hij. Ze heeft altijd worstige vingers gehad.
Ik ga even wandelen, mompelde hij. Hij pakte zijn hond op en liep naar buiten.