Acht jaar geleden schreef ik een verhaal in een ochtendkrant dat niet-stemmen ook een manier van stemmen was.
Acht jaar geleden: toen steunde Donald Trump Hillary Clinton voor het presidentschap, was Geert Wilders vooral bekend als filmmaker – en werd de verkiezingsuitslag in Oostenrijk omschreven als “boze kiezers voor boze partijen”.
Ik wil maar zeggen, het kan verkeren.
Op de bekende sociale media delen bekende Nederlanders in den vreemde nu massaal links hoe je in te schrijven om te kunnen stemmen voor de verkiezingen in maart.
Heel goed.
Maar ik zorg dat ik in Nederland ben, 15 maart.

De strekking van mijn stuk in de krant was toen dat de stemmogelijkheden zo beroerd waren dat je het recht had, als burger, om te tonen dat je het allemaal niets vond. Aan die politieke bloedarmoede is weinig veranderd. Alexander Pechtold is al elf (!) jaar fractievoorzitter van D66 en het hoogtepunt van zijn carrière is de openheid over zijn huwelijksperikelen. Lodewijk Asscher, waterdrager in het kabinet van Mark Rutte, werd onlangs de nieuwe voorman van de VVD light, ik bedoel: de PvdA, en moet nu elke keer zijn kritiek op de premier terugtrekken; bij de SP van Emile Roemer rommelt het al jaren (Kamerleden die anoniem in de krant beweren dat Roemer geen fractie kan leiden, ‘laat staan Nederland’); en Jesse Klaver van GroenLinks? Die is vooral bezig met Jesse Klaver van GroenLinks.
Een collega met ballen zette voor laatstgenoemde desondanks een videoreeks op: Nederlandse burgers die verklaarden waarom ze GroenLinks gingen stemmen.
Toegegeven, wie de partijprogramma’s leest, ziet dat GroenLinks een van de weinige, straks mogelijke relevante politieke partijen is die daadwerkelijk om het milieu geeft (Trump gaat miljoenen hectare aan natuurpark in de uitverkoop doen).
Ik bedankte voor een videoboodschap omdat ik vond – en vind – dat je als journalist niet expliciet aan een partij kunt verbinden (ja, ik schrijf nog steeds voor de krant). Maar als burger bestaat die luxe niet meer. Dat wil zeggen: je moet stemmen. En je dus verbinden aan een politieke partij. Maar vermoedelijk vraagt ons politieke burgerschap de komende jaren nog veel meer.

Jamal Ouariachi, Dennis Lehane, Leil Leibovitz: de redactie leest een dunnere biografie, volwaardige thrillerpersonages en een ontheemde Wilders-watcher.

*

Thomas Heerma van Voss: Liel Leibovitz, A Broken Hallelujah: Rock and Roll, Redemption, and the Life of Leonard Cohen

Het nadeel van roemruchte, decennia beslaande levens is dat de boeken die eraan gewijd worden vaak zo onuitnodigend dik zijn: ik wil graag meer weten over het leven van Johnny Cash, maar de veelgeprezen Cash-biografie The Life (2013, door Robert Hilburn) heb ik nooit gelezen. Het werk telt bijna zevenhonderd bladzijdes, en dat kan ik natuurlijk wel opbrengen, maar besteed ik de tijd die ik in zo’n boek stop niet liever aan het lezen van vijf romans, of van het volledige oeuvre van een auteur die ik hoog aansla? Wil ik zo veel details over Cash werkelijk weten, ben ik daarvoor wel toegewijd genoeg? Zelfs de biografieën over een van ‘s Nederlandse grootste auteurs ooit, W.F. Hermans, heb ik nooit gelezen: in totaal meer dan vijftienhonderd pagina’s, ben ik werkelijk zo in hem geïnteresseerd, in werkelijk iedere stap die hij zette?

” “

Diezelfde weerzin heeft me lang weerhouden om I’m Your Man te lezen, de door Sylvie Simmons geschreven biografie van Leonard Cohen: in 2012 al verschenen, dus toen Cohen nog leefde en zelfs nog twee van zijn betere albums moest maken, maar toch bijna zeshonderd pagina’s. Dat valt vast te verantwoorden, de biografie is over het algemeen bejubeld en Cohen heeft een wispelturige, veelomvattende levensloop gehad, dat was ook een van de redenen (met zijn sterke muziek natuurlijk) waarom ik zijn levensverhaal wilde lezen. Toch bleef ik de biografie maar terzijde schuiven: 600 bladzijdes, met nauwelijks wit en vol verwijzingen, ik wilde er de ruimte niet voor maken.

De oplossing kwam uit onverwachtse hoek: mijn vader gaf me afgelopen kerstmis A Broken Hallelujah, een behapbaar boekwerk over Leonard Cohen, geschreven door Liel Leibovitz. Leibovitz schrijft soepel, heel scenisch voor een journalist, en hij heeft daarnaast een fijne invalshoek gekozen: in tien vrij compact opgezette hoofdstukken zoomt hij in op een ander aspect van Cohens leven. Hij probeert niet alles te duiden of in een razend tempo Cohens oeuvre er doorheen te jagen, dit is geen samengeperste biografie, het is meer een inkijkje in tien delen van zijn leven, flarden waar de lezer zelf een verhaal omheen kan bedenken. En die flarden beschrijft hij uitmuntend – bijvoorbeeld hoe Cohen zich, in tijden waarin de Canadese literatuur amper vorm heeft gekregen en men zelfs in Canada vooral naar Amerikaanse letteren kijkt, afzet tegen die traditie en trots durft te zeggen dat hij een Joodse Canadees is. Of hoe hij zich, wanneer hij eindelijk enige reputatie opbouwt als dichter, terugtrekt in Griekenland om daar uren aaneen, zittend op terrasjes, op zijn typemachine te rammen.

Het sterkst is de naamloze prelude: met veel gevoel voor sfeer beschrijft Leibovitz een Brits muziekfestival in 1970, dat bedoeld is als de Engelse tegenhanger van Woodstock maar algauw op een fiasco uitloopt: men verwijt de organisatie geldbelustheid, optredens worden bruut verstoord, de politie heeft het niet meer in de macht, Jimmi Hendrixx wordt bekogeld met een Molotov-cocktail, The Doors speelt uit angst twee uur in het donker (wat een mooi beeld). Dan verschijnt Leonard Cohen op het podium, hij bereikt het publiek wel, wat met enig gevoel voor drama wordt opgetekend: ‘… Cohen was the same person he’d been all along. The six hundred thousand who heard him that night – they were the ones transformed.’ Leibovitz kreeg me zover dat ik dat soort zinnetjes eerder als plus- dan als minpunt zag, en deze verzameling sfeervolle delen uit Cohens levensloop zorgden ervoor dat ik met een aangename honger achterbleef, dat ik Cohens muziek meteen ging herluisteren – en die echte biografie laat ik nog steeds even roerloos liggen.

W.W. Norton gaf A Broken Hallelujah uit.

Jan van Mersbergen: Dennis Lehane, Mystic River

Sommige boeken zijn zo goed dat ik, wanneer ik ze lees, meteen alle andere boeken van de betreffende schrijver bestel. Dat was het geval bij Dennis Lehane. Ik las eerder al Verloren wereld en Nachtleven, allebei uitgegeven bij Ambo Anthos, over Joe Coughlin. De reeks over de inspecteurs Patrick Kenzie en Angela Gennaro wil ik nog lezen. Laatst zappte ik bij toeval langs de verfilming van Shutter Island, met Leonardo di Caprio in de hoofdrol, en nog voor het einde van de film haalde ik boven mijn vertaling van Mystic River uit het boekenkastje waar de boeken staan die ik in huis wil hebben, die in ieder geval niet naar de opslag mogen.

Ik had Mystic River eerder geprobeerd maar om een of andere reden kwam ik niet in het verhaal. Die drie jongens aan het begin, waarvan er eentje bij twee mannen in een auto stapt en na vier dagen terugkeert, veranderd, aangetast, zonder te weten wat er gebeurd is, dat pakte me destijds niet. Nu zag ik Leonardo di Caprio in Shutter Island verstrikt zitten in een spel over gekte en identiteit, en las ik in een ruk Mystic River. Blijkbaar is het soms nodig om net even de juiste modus te vinden voor een boek, zeker bij bepaalde thrillers.

De diepgang is bij thrillers niet het punt, die mist namelijk heel vaak. Het gaat in de eerste plaats om spanning en onderliggende lagen leiden af – dat merk ik ook aan reacties op mijn thriller: mooischrijverij en metaforen en uitdiepen van relaties houdt de spanning op. Er zijn zelfs lezers die verlangen naar lustmoorden. Lehane neemt een tussenpositie in. Hij zet in op spanning maar maakt ook volwaardige karakters en schrijft beter dan heel veel literaire romanschrijvers: duidelijk, puntig, krachtig.

Over de drie jongens, die vijfentwintig jaar later mannen zijn en heel uitlopende levens hebben gehad, zal ik weinig zeggen. Die karakters geven in ieder geval de mogelijkheid om een forse thriller op te bouwen, want ieder in hoofdstuk wordt een ander karakter gevolgd en de mannen hebben vrouwen, kinderen, werk, ieder zijn eigen omgeving, en ook die factoren komen aan bod, dus binnen de kortste keren heeft Lehane honderd pagina’s gevuld. Het gaat mij om de passages die net even het niveau van de doorsnee thriller overstijgen, zoals op pagina 113, wanneer het jongetje dat die paar dagen verdwenen was inmiddels een man is terugdenkt aan de dagen toen hij weer terug bij zijn moeder was en zijn moeder net deed of er niks gebeurd was. Ze glimlacht en vraagt de jongen of hij sinaasappelsap wil. Verder niks. Het hoofdstuk wordt afgesloten met:

‘Nu hij met pijn in zijn knokkels in de tuin stond, kon hij het ook horen. Old McDonald had a farm. En op die boerderij was alles okidoki. Je ploegde en zaaide en oogstte en alles was gewoon hartstikke geweldig. Iedereen kon goed met iedereen opschieten, zelfs de kippen en de koeien, en niemand had geheimen, want geheimen waren voor slechte mensen, mensen die hun eieren niet opaten, mensen die in auto’s stapten die naar appels rookten, auto’s met vreemde mannen, en die vier dagen verdwenen om dan weer thuis te komen en te merken dat iedereen die ze hadden gekend ook verdwenen was, vervangen door glimlachende evenbeelden die ongeveer alles wel wilden doen, behalve naar je luisteren. Zo ongeveer alles, behalve dat.’

Mystic River is ijzersterk. Shutter Island lag gister in de brievenbus.

Mystic River is door verschillende uitgeverijen uitgegeven, het recentst bij Ambo Anthos, maar momenteel niet in vertaling beschikbaar. Wel bij Boekwinkeltjes. Een Engelstalig fragment is te lezen bij USAToday.com.

Daan Stoffelsen: Als dit zo doorgaat

Twee weken geleden refereerde ik al aan Auke Hulsts initiatief Als dit zo doorgaat, een bundel van 24 dystopische verhalen, gedichten en non-fictie van een stel van de beste schrijvers van Nederland. Christiaan Weijts besprak de bundel in De Groene (deze maand gratis toegankelijk) als het antwoord op zijn eigen oproep tot ‘what-if’-romans en dystopieën (waarop ik eerder al een antwoord formuleerde). Hij brengt de bundel in de bredere context, signaleert voor mij nieuwe, wat oudere dystopieën, en merkt op: ‘Wat wel meteen in het oog springt: vrijwel alle bijdragen getuigen van een betrekkelijk veilige stellingname in het politieke spectrum. Engagement lijkt bij ons altijd links engagement te moeten zijn.’ Waarom geen bijdragen van Hafid Bouazza, Leon de Winter, Nausicaa Marbe, Pieter Waterdrinker, Theodor Holman, Arthur van Amerongen, Herman Brusselmans? Thomas Rosenboom?

Dat zou ook een poëticale keuze geweest kunnen zijn. Of misschien zijn ze gevraagd maar wilden of konden ze niet. (Zoiets vermoed ik ook bij de Vrij Nederland-jonge-schrijversspecial, ’35 onder 35′, met een handvol wat oudere auteurs en Thomas Heerma van Voss, maar vooral zonder Merijn de Boer, Wytske Versteeg, Niña Weijers, Bregje Hofstede en Joost de Vries. Enig smokkelen was ook bij hen nodig geweest – maar van hen verwacht ik oeuvres, van het meerendeel van de nu geselecteerden niet. Auteurs werden om een mini-essaytje gevraagd, zou je dat ook onbetaald doen?) Ik miste ze niet, al kun je je een soort Vechten voor overmorgen (1980) voorstellen, van Evert Hartman, waarbij een links tegenfront onverwacht wint en een Klimaatwet invoert en wel de EU-quota aan vluchtelingen haalt, en we zonder Gronings en Russisch gas en zonder Belgische atoomstroom koude winters krijgen. Misschien een idee voor Thierry Baudets tweede roman?

Baudet zei immers onlangs nog tegen de Nederlandse Boekengids: ‘Neem bijvoorbeeld mijn roman: ik beschouw dat echt als een heel goed boek, een werk dat een belangrijke plek inneemt in de westerse literatuur.’

Terug naar Als dit zo doorgaat. Ik wijdde ook een recensie aan het boek, bij Athenaeum, maar er is te veel te vertellen. Wat trekt me aan in het verhaal van Jamal Ouariachi, ‘De zaak 17/26’, dat Revisor mocht voorpubliceren? De nabijheid werkt: we herkennen Wilders, zonder de ‘iconische peroxideblonde kuif’, als Saddam Hoessein op de vlucht gevonden, nu in de rechtzaal. Het onvoorstelbare werkt: de Abu Graib-taferelen in het kwadraat, de vlucht over de Middellandse Zee, nu omgekeerd. Maar vooral het personage van de balling-schrijver in het vaderland van zijn vader:

‘Ik eet tajine op een terras dat op de baai uitkijkt. Het wordt hier vroeg donker, de goudkleurige lichtjes van de haven vormen tezamen een kitscherig sieraad. Daarachter de duisternis van het water, het water waar zoveel gevluchte Europeanen de dood vonden, onderweg naar Afrika.
Niet gedacht dat ik dit ooit zou zeggen: ik voel me veilig en geborgen in dit Marokko, ondanks de chaos. Ik voel me welkom. Natuurlijk weet ik: ook hier kan de pleuris uitbreken en dan wordt het net zo erg als in Europa. Domheid is overal domheid, het zwijgende meebewegen van de massa is overal hetzelfde. De beklaagde is niet uniek. Hij heeft voorgangers, hij zal opvolgers kennen – in een ander land, onder andere omstandigheden, ja, maar altijd, altijd met dezelfde zieke en effectieve middelen.’

De paradox die een oudere Ouariachi, gevlucht naar Argentinië, is: Marokkaan en Nederlander, en nu allebei en niets van beiden. Veilig en geborgen, gek genoeg.

‘Het bezoek, het eten roept allerlei warme gevoelens bij me op die ik hypocriet vind van mezelf, want al die jaren in vrijheid, tot ver voorbij mijn dertigste, wilde ik geen Marokkaan zijn, wilde ik eigenlijk niets met die hele cultuur en dat volk te maken hebben, maar toen begonnen anderen mij Marokkaan te vinden. Ineens was ik voor anderen wat ik voor mezelf nooit geweest was.
Dat bleek niet ongevaarlijk, blonde-haren-bleke-huid-blauweogen ten spijt.
Eenmaal in Zuid-Amerika omarmde ik het Marokkaanschap. Volgde taalcursussen (tevergeefs, ik gaf het altijd na een paar lessen op), begon boeken van Marokkaans-Nederlandse schrijvers te lezen.’

De beste van de bijdragen aan dit boek laten dat zien: dat op de retoriek van populisten gruwelijkheden volgen, vernietiging, maar ook ontheemding en vereenzaming. Dat is nu al heel goed in te denken.

Als dit zo doorgaat wordt uitgegeven door Ambo Anthos.

‘Hoe is het met Iveta? Gaat ze al bijna dood?’
Het is Pavel, de buurjongen. Hij knippert met zijn ogen, te vaak en te overdreven, alsof hij steeds foto’s van zijn omgeving maakt. Er zit geen rem op, weet Jaroslav inmiddels. Dat maakt zijn onbesuisde vragen iets makkelijker te verdragen.
‘Goedenavond, Pavel. Mooie sloffen.’
‘Berenklauwen. Grizzly. Dat staat erin. Heb ik van mama gehad. Werksloffen.’
‘Handig. Was je op zolder bezig?’
‘Ik heb een schietstoel gekocht.’
Pavel wiegt heen en weer met zijn bovenlijf, afwachtend, kwispelend haast. De rits van zijn paarse ski-jack gaat omlaag, omhoog, omlaag, omhoog, zzzip, zzzip.
‘Een schietstoel?’

Lees hier de PDF (135.7 kb) van het deel dat in het nummer verscheen – en gratis het volledige verhaal. Ons geschenk aan u, een goede reden om u te abonneren of een los nummer aan te schaffen.

‘Ik heb het helemaal uitgemeten. Het kan. Ik ben er nu mee bezig. Top secret. Dat is Amerikaans. Staat op alle geheime documenten. Mama mag er niks van weten. Hij komt uit een MiG-29. Dat staat er niet op, maar ik zag het meteen. Hij kwam in delen. Ik heb steeds een stuk naar boven gebracht. Toen Iveta in het ziekenhuis lag. Ik mocht u niet storen, zei mama. Maar nu is het zover. Heeft u weleens zoiets in elkaar gezet, ingenieur Formánek?’
‘Moet je niet naar bed, Pavel?’
‘De assemblage is niet het moeilijkst. Assemblage? Spreek ik het goed uit zo? Dat is toch een woord?’
‘Ja, dat is een woord: assemblage, montage, iets in elkaar zetten.’
‘Weet u wat het moeilijkst is?’
‘Nou?’
‘Het kiezen van het juiste kosmische pad. De positionering en de baan. Alle banen leiden naar de Geestenzon, maar welke zal Iveta kiezen?’
Weer proeft Pavel iedere klinker van haar naam, als ware het een onbekend gerecht. Hij vind het een eer dat hij de buurvrouw bij haar voornaam mag noemen. Inmiddels weet hij ook alles over Iveta’s kanker: waarom deze vorm zo dodelijk is, dat ze naar Praag zijn verhuisd zodat ze de beste medische zorg krijgt, de behandelingsprocedure, het slagingspercentage, de kosten. Over de oorzaak heeft hij ook een theorie: het kwam doordat ze in Trebíc hadden gewoond, te dicht bij de kernreactor in Dukovany, waar Jaroslav als ingenieur werkte.

Dat had diepe indruk gemaakt, vertelde buurman Procházka toen hij met zijn vrouw langskwam om kennis te maken, een paar maanden daarvoor. Het stel speelde een potje tennis met hun zoon als bal. Aan een kant van het net stond een goedmoedige beer, aan de andere kant een vermoeide gans.
‘Pavel heeft grote bewondering voor ingenieurs.’
‘Hij durfde niet mee.’
‘Pavel is dol op technologie.’
‘Hij heeft moeite met nieuwe dingen.’
‘Pavel had een nauwe band met mevrouw Krejzlová, de vorige bewoonster.’
‘Hij is bang voor uw huis. Iedereen sterft daar, zegt hij.’
‘Pavel maakte thee en soep voor mevrouw Krejzlová. Ze hebben samen nog een puzzel afgemaakt de dag voordat ze stierf.’
‘Hij wil hier niet over de vloer komen.’
‘Pavel heeft als dank een kleine erfenis ontvangen van haar familie. Die beheer ik voor hem.’
‘Hij is kwetsbaar, een kind.’
‘Weet u wat Pavel als eerste kocht?’
‘Hij haalt overal tijdschriften vandaan.’
‘Een tweedehandscomputer!’ riep de buurman. ‘Pavel is best slim, hoor. Hij weet inmiddels hoe je alles naar het Tsjechisch kunt vertalen. En hij leert steeds meer woorden in het Duits en Engels.’
‘Hij praat soms een beetje vreemd.’
‘Pavel is niet gek. Hij is speciaal.’

Zo kwam Jaroslav in korte tijd veel te weten over Pavel. Dat hij drieëntwintig was, dat hij leed aan een soort autisme, dat er geen geschikte school was geweest, dat hij zes of zeven privéleraren had versleten, dat hij vaak over straat doolde, dat hij ’s nachts vele uren in zijn werkkamertje op zolder doorbracht, dat er steeds meer was dat zijn ouders niet wisten. Zoveel werd duidelijk toen Pavel voor het eerst aanklopte om advies te vragen over de Rotalitnev.
Toen Jaroslav opendeed, sprong de jongen naar achteren en wreef heel hard en snel met beide handen door zijn bloempotkapsel, alsof hij zichzelf van een luizenplaag wilde ontdoen. Toen fluisterde hij: ‘Stop! Stop! Ik durf dit. Ik durf dit. Vragen! Nu vragen!’
‘Wat wil je vragen, Pavel?’ lachte Jaroslav.
‘U bent ingenieur, zegt papa. Klopt dat?’
‘Dat klopt inderdaad,’ zei Jaroslav.
Pavel leek door zijn knieën te willen zakken. Op zijn gezicht verscheen een gelukzalige blik van bewondering, die Jaroslav zowel hartverwarmend als angstaanjagend vond, alsof hij per ongeluk voor heilige werd aangezien en niet bij machte zou zijn om deze vergissing recht te zetten.
‘U kunt mij helpen,’ zei Pavel opgelucht. ‘Ik moet een Rotalitnev bouwen.’
‘Een wat?’ vroeg Jaroslav.
‘Een omgekeerde ventilator. Een noodstroomaggregaat. Zeg ik het goed zo: noodstroomaggregaat? De molens heb ik al. Vijftien. Verschillende weliswaar, maar toch. Die heb ik omgekeerd, maar er komt geen stroom uit.’
Gefascineerd door de overtuiging waarmee Pavel zijn verhaal deed was Jaroslav hem naar zijn zolderkamer gevolgd. Bij de deur moest hij zich even omdraaien zodat Pavel een ‘geheime code kon doorseinen’. Jaroslav moest ook beloven dat hij niemand zou vertellen wat hij zou aantreffen. Dat deed hij plechtig en trad toen binnen in een verbijsterend universum waarin een onnavolgbare geest alles met alles leek te willen verbinden. De muren en het schuine dak waren beplakt met foto’s die Pavel uit tijdschriften had gescheurd en in collages had gegroepeerd. Zo was er een ‘raam’ van ongeveer één bij twee meter dat volledig beplakt was met verscheurde foto’s van vuur. Op deze papieren hellepoort had Pavel teksten geplakt, die bestonden uit letters die hij uit krantenkoppen had geknipt, waardoor er een hersen-tartend losgeldbriefje ontstond:

Het Pad Der Magnetisch Logoïsme
Poort Naar De Brandende Grond
Van de Derde en Vierde Hiërarchie
Gedreven Door Gemini en Hitteritme
DOEL! Stromende Snelwijsheid in Lichtbewustzijn!

Naarmate hij langer naar de collages keek ontwaarde Jaroslav steeds meer ‘poorten’, die bestonden uit snippers bomen en planten die in rijke schakeringen groen in elkaar overgroeiden; rivieren, watervallen, gladgetrokken zeeën en woeste golven die over elkaar heen buitelden; dieren, draken en andere mythische beesten die elkaar verdrongen; mensengezichten van allerlei kleuren, die lachend, huilend, gillend en starend in een krankzinnige groepsfoto bijeen waren geplakt. En steeds weer werden de poorten geduid met hermetische teksten waar Jaroslav geen raad mee wist.
‘U mag niet te lang kijken, ingenieur Formánek,’ zei Pavel.
‘Waarom niet?’ vroeg Jaroslav.
‘Kijk,’ zei Pavel en hij zette het zolderraam open. ‘Dit is mijn noodstroomaggregaat.’
In de goot stonden vijftien oude tafelventilatoren met hun voeten in het regenwater. Er liepen witte snoeren door het water naar een gat in de muur onder het raam. Binnen lagen de snoeren als een dik touw samengebonden op de vloer. De koperen eindjes van alle blauwe en bruine draadjes waren met kroonsteentjes aan elkaar verbonden.
‘Deze moet branden,’ zei Pavel, wijzend op een houten constructie waarop een gloeilamp met fitting was gemonteerd.
‘Waarom gebruik je niet gewoon het stopcontact?’ vroeg Jaroslav.
‘Vijftien – dat moet toch voldoende zijn,’ zei Pavel.
‘Wat wil je precies?’
‘Het luik moet zelfredzaam kunnen openen.’
‘Welk luik?’
‘De Brandende Grond. Kijk.’
Pavel rolde een tekening open op zijn werktafel. Daarop stond een simpele schets van de zolderkamer en het schuine dak, waarop de openstaande koepel van een straaljager leek te zijn gemonteerd.
‘En dat wil je op het dak monteren?’ vroeg Jaroslav.
‘Het luik moet zelfredzaam openen. Dat is het hoofdattribuut van het Eerste Pad van Sirius: Zelfredzaamheid. Dat wil zeggen: op eigen kracht, anders ontstaan er afwijkingen in de ritme-warmte-energie-constellatie.’
‘Is dat een straaljagerkoepel?’ vroeg Jaroslav.
‘Kijk,’ zei Pavel en hij liep naar een hoek van de zolder, waar een nijlpaard onder een zeil leek te slapen. Hij kneep twee stevige klemmen los, tilde het zeil op en begon te ratelen als een telex:
‘Mikojan-Goerevitsj-25… Dat is een straaljager. Mensen schrijven vaak MIG, met alles in hoofdletters, maar dat klopt niet. Het is grote M, kleine i, grote G, want de M en de i zijn de eerste letters van Mikojan, en de G is van Goerevitsj… Mach 3,2 haalt-ie in duikvlucht… Dat is om en nabij de 3.600 kilometer per uur. Dat is ontzettend snel, maar ons lichtschip is nog veel sneller… Dit is doorzichtig acryl en aluminium… Je komt er niet doorheen met een hamer. Probeer maar. De plofscharnieren zaten er niet bij, maar ik heb hier een elektromotor van een fabriekshek. Daar wip je ’m zo mee open.’
‘Heb jij dat erop geplakt?’ vroeg Jaroslav, wijzend op de knipselcollage op de binnenzijde van de straaljagerkoepel.
‘Kijk,’ zei Pavel en hij maakte de koepel open. De binnenkant was bedekt met een collage van verscheurde vuurprenten. Hij liet de koepel met een dreun vallen en liep naar de vuurpoort bij het schuine dak. ‘Hier moet hij komen. Vuur bij vuur! Kosmische camouflage!’
‘Maar de buitenkant blijf je zien,’ zei Jaroslav.
‘Wat is de kleur van het dak?’ riep Pavel.
‘Dakpan-oranje?’ probeerde Jaroslav.
‘Heb ik! Daar!’ riep Pavel en hij wees naar een pot verf. ‘U bent zo slim, ingenieur Formánek, zo slim! U mag me helpen. Deze elektromotor komt later bij dat peertje! Dat mag u doen!’
‘Weet je het zeker?’ lachte Jaroslav.
‘Ja!’ riep Pavel. ‘Ik vertrouw op uw gezag. U krijgt van mij de code en uw eigen sleutelbos. Dan kunt u komen wanneer u wilt!’

Ze spraken af dat Jaroslav zijn technische vernuft zou bijdragen en dat Pavel in ruil daarvoor beneden een oogje in het zeil zou houden, als Iveta alleen was. Daarna waren ze meteen naar het appartement gelopen zodat Pavel kennis kon maken met de buurvrouw. Terwijl ze de trap afdaalden werd Jaroslav achtervolgd door een storm vragen van Pavel, die zich probeerde voor te bereiden op de ontmoeting. ‘Ze ligt dus de hele dag op bed? Als een koningin? Maar ze is ziek? Hoe ziet ze eruit? Is ze liefelijk? Moet ze niet plassen en poepen? Eet ze gewoon eten? Wat drinkt ze het liefst? Drinkt ze thee? Ik kan thee maken, en soep. Heeft ze wel eens Coca-Cola gedronken? Dat is lekker, maar heel slecht voor je tanden. Heeft ze nog wel tanden?’
Bij de voordeur viel hij stil. ‘Ik durf dit,’ zei hij weer zachtjes tegen zichzelf. ‘Ik durf dit.’
Jaroslav fluisterde dat ze zachtjes naar binnen moesten gaan omdat Iveta misschien al sliep. Pavel knikte langzaam met grote knipperende kinderogen, alsof hij uitleg kreeg over het protocol voor een bezoek aan de kerstman. Samen slopen ze door de gang naar de slaapkamer. Iveta lag te lezen en hoorde hen aankomen. Wat volgde was een van de meest wonderbaarlijke ontmoetingen die Jaroslav ooit had meegemaakt. Later zou hij er nog vaak aan terugdenken om de weemoed te verdrijven.
‘U bent het,’ zei Pavel zachtjes. Hij bleef aan het voeteneinde staan, durfde niet dichterbij te komen.
Iveta glimlachte, legde haar boek neer, keek Jaroslav lachend aan en antwoordde toen zonder enige bevreemding over deze ongewone opening: ‘Ja, ik ben het, Iveta.’
‘U bent de liefde,’ vervolgde Pavel.
‘Ik hoop van wel,’ lachte ze.
‘U bent de koningin van ingenieur Formánek.’
‘Is dat zo?’ zei ze en keek Jaroslav lachend aan.
‘Maar u gaat dood.’
‘Ja,’ antwoordde Iveta. ‘Maar dat gaan we allemaal. En ik leef nu nog.’
‘Dan gaat u verder,’ zei Pavel.
‘Ja, waarschijnlijk wel,’ lachte Iveta.
‘Ik ga voor u zorgen,’ zei Pavel. ‘Dat mag van ingenieur Formánek.’
‘Dat lijkt me fijn.’
‘Alleen als ik de deur uit ben,’ voegde Jaroslav snel toe.
‘Ik voel u zoeken,’ zei Pavel.
‘Zoeken?’ zei Iveta.
‘Ik kan u helpen zoeken naar het juiste pad. Ik voel u zoeken.’
‘O, graag,’ zei Iveta. ‘Ik ben heel slecht in zoeken, toch, Jaroslav?’
‘Ja, dat is wel een beetje waar,’ lachte Jaroslav.
‘Ik ben heel goed in zoeken,’ riep Pavel. ‘Ik vind altijd alles. Ik weet waar alles is!’
‘Dat lijkt me heel handig,’ zei Iveta.
‘Zullen we kijken of het te horen is als je op de muur klopt met je stok?’ zei Jaroslav.
‘U ziet eruit als een heel mooi vogeltje,’ zei Pavel.
‘Wat lief dat je dat zegt,’ zei Iveta.
‘Een ziek en mager vogeltje,’ zei Pavel.
‘Kom mee,’ lachte Jaroslav. ‘We gaan even luisteren.’
‘Ik kom terug om voor u te zorgen, Iveta, vogelkoningin,’ zei Pavel, maar hij deinsde terug voor Iveta’s uitgestoken hand. ‘Nee, ik mag u niet aanraken, want dan wordt u misschien uit uw nest gestoten. Dat wil ik niet.’
‘Je hebt gelijk,’ lachte Iveta. ‘Dat zou heel vervelend zijn.’
‘Ik ga nu met ingenieur Formánek mee, maar ik weet zeker dat ik u hoor, want ik luister niet met mijn oren. Dat zei mevrouw Krejzlová altijd: jij luistert niet, maar hoort alles. Zij is hier ook doodgegaan. Maar jou ga ik redden.’

Bij de deur van het appartement had Pavel een sleutelbos als een rinkelende zilveren vuist uit zijn zak gehaald. Zonder aarzeling viste de jongen de juiste sleutel ertussenuit en maakte de deur open.
‘Daar kun je een hoop deuren mee openen,’ zei Jaroslav.
‘Precies! Maar ik ken pas drie van de sloten. De rest moet ik nog zoeken,’ antwoordde Pavel en schakelde het licht in de hal aan. ‘Dit is waar ik woon. Mama en papa slapen daar, aan het eind van die gang. Mijn kamer is daarnaast. Mijn slaapkamer, want daar slaap ik alleen. Je hebt mijn échte kamer gezien. En dit is onze woonkamer.’
‘Prachtig,’ zei Jaroslav en bleef even staan voor een vitrinekast met Boheems glaswerk.
‘Zeer kwetsbaar. Van mijn moeder. Mag ik allemaal schoonmaken. Elke dinsdag. Afstoffen met een droge doek. Geen reinigingsmiddelen. Daar kunnen ze niet tegen. Deze zijn het moeilijkst,’ zei Pavel, wijzend op een zwerm kristallen vogeltjes. ‘Daar ben ik twintig minuten mee bezig.’
‘Schitterend,’ zei Jaroslav.
‘En dit is Het Orakel Lenovo,’ zei Pavel wijzend op het scherm en toetsenbord dat op een bureau in de hoek stonden. ‘Zijn hart en hersens staan hieronder,’ zei hij en wees op de processor onder het bureau.
‘Het Orakel Lenovo?’ lachte Jaroslav.
‘Al uw vragen kan hij beantwoorden, ingenieur Formánek,’ zei Pavel. ‘Stelt u maar een vraag.’
‘In het Tsjechisch?’
‘Natuurlijk! Gogol vertaalt het naar het Engels en Gogol zoekt het in het Engels op en vertaalt het naar het Tsjechisch! Gogol is een wonder! Een mirakel.’
‘Hoe is het weer vandaag in Trebíc?’
‘Dat is toch geen vraag? Dat wil je toch niet echt weten? Dit is een vraag: welke weg moet ik kiezen?’ riep Pavel en typte de woorden in in het vertaalprogramma, daarna kopieerde hij de vertaling en plakte die in het zoekprogramma. ‘Hier! 638.000 antwoorden heeft Gogol. Daar moet de waarheid tussen zitten!’
‘Maar hoe weet je welk antwoord de waarheid is?’ vroeg Jaroslav.
Pavel keek hem verbijsterd aan: ‘Dat voel je toch, ingenieur Formánek! Dat voel je gewoon. Noorwegen bijvoorbeeld!’
‘Noorwegen?’
‘Dat is een land in het Hoge Noorden. Daar is hij wedergekomen. Dat is toch een woord: wedergekomen? Ik voelde het al, wist dat het waar was, maar las er gisteren pas over.’
‘Wie is wedergekomen?’
‘Waar zou hij heen gaan? Dat vraag ik me steeds af: waarheen? Ik hoor Iveta!’
Pas toen ze bij de muur stonden hoorde Jaroslav zijn vrouw lichtjes tegen de muur kloppen. ‘Jij hebt een heel goed gehoor, Pavel!’
‘Ik luister niet. Je moet niet luisteren, je moet voelen!’

Zo werd Jaroslav Formánek figurant in een fantastisch avontuur, dat des te magischer was omdat er rationeel geen touw aan vast te knopen viel. Een schitterende ontsnappingstunnel onder de zware last van Iveta’s ziekte vandaan, waarin hij zijn verantwoordelijkheid niet hoefde te veronachtzamen, maar toch zijn zinnen kon verzetten. Zonder aarzeling besloot hij er alles aan te doen om te zorgen dat Pavels imaginaire universum niet van echt te onderscheiden zou zijn. Dit voornemen werd later nog beklonken met een belofte aan Pavels vader, die op de zolderdeur klopte toen Jaroslav bezig was met de Rotalitnev.
Hij had Pavel naar beneden gestuurd om op Iveta te passen, zodat hij in alle rust de bedrading van de kansloze uitvinding kon fingeren. Jaroslav had de jongen ervan weten te overtuigen dat ze een auto-accu nodig hadden, die door de draaiende ventilatoren opgeladen zou worden. De accu stond in een houten constructie die de ingenieur zelf in elkaar had geschroefd. Er zat een oude elektriciteitsmeter op gemonteerd, naast het binnenwerk van een afgedankte transistorradio. Die twee zaten er voor de sier, want de accu werd opgeladen via een adapter die onder de vloer door verbonden was met het dichtstbijzijnde stopcontact.
Jaroslav was net de versplinterde zijde van de gelichte plank aan het wegwerken met bruine schoenpoets toen er zacht op de deur werd geklopt.
‘Ingenieur Formánek?’ sprak een doorrookte stem, die Jaroslav meteen herkende als die van zijn buurman. ‘Ik weet dat u daar bent, ingenieur Formánek. Mag ik u even spreken?’
‘Een moment,’ zei Jaroslav. Hij stopte de poetsdoek weg in de zak van zijn overall, zette zijn gereedschapskist op de beschadigde plank en blies de schrik in drie lange halen uit.
Toen Jaroslav de deur opende werd hij weer verrast door het postuur van de buurman, als een langgerekte bassnaar die een sonoor geluid voortbracht: ‘U bent Pavel aan het helpen, ingenieur Formánek, dat is aardig van u.’
‘Wilt u even binnen komen, buurman Procházka ?’ vroeg Jaroslav.
‘Dat mag eigenlijk niet van Pavel,’ antwoordde de buurman en overtrad meteen de regel. Hoofdschuddend bekeek hij de zolder en gromde steeds: ‘Verbijsterend.’ Hij tuurde lange tijd naar de hermetische teksten en zei toen: ‘Vindt u dit niet beangstigend, ingenieur Formánek? Heeft u enig idee wat hij van plan is?’
‘Niet precies. Daar probeer ik nu achter te komen.’
‘Dat is fijn. Het zijn wilde plannen. Vreemde plannen.’
‘Ja.’
‘Hij wil springstof kopen.’
‘Echt?’
‘Dat heb ik gehoord van een kennis.’
‘Hoe komt hij daar dan aan?’
‘Pavel is heel vindingrijk.’
‘Inderdaad. Maar hoe gaat hij dat betalen?’
‘Van zijn erfenis,’ zei de buurman.
‘Misschien moet u hem geen geld geven,’ zei Jaroslav.
‘U heeft helemaal gelijk, ingenieur Formánek. Maar ik moet wel, anders gaat hij bedelen.’
‘Bedelen?’
‘Hij ziet het zelf niet als bedelen. Hij is gewend dat hij thuis geld krijgt als hij erom vraagt. Als we dat weigeren vindt hij het normaal om het aan andere mensen te vragen. Dat doet hij zonder schroom.’
Jaroslav lachte.
‘Vindt u dat grappig, ingenieur Formánek?’
‘Nee, het is eerder ontroerend. Ik wil proberen uw zoon te behoeden voor ongelukken, meneer Procházka. Dat lukt het best als ik hem hiermee help.’
‘Dat is heel aardig van u, maar heeft u daar wel tijd voor? Uw vrouw is ernstig ziek.’
‘Dat klopt, maar ik heb wel wat loze uurtjes te besteden. Ik help Pavel en houd u op de hoogte, goed?
‘Dat is bijzonder aardig van u, ingenieur Formánek! Hartelijk dank!’
Zo was Jaroslav steeds verder verstrikt geraakt in Pavels kosmische plan. En nu staat de jongen voor de deur te verkondigen dat hij een schietstoel heeft gekocht.

‘Mag ik een bel bij u installeren?’ vraagt Pavel.
‘Een bel?’ fluistert Jaroslav.
‘Mag ik Iveta even zien?’
‘Ze ligt te slapen, Pavel.’
‘Ik zal sluipen.’
Jaroslav moet lachen hoe Pavel met zijn schitterende sloffen een sluipende grizzly nadoet. ‘Kom maar even binnen. Wat wil je eigenlijk precies doen?’
‘Uw huis ruikt vreemd,’ fluistert Pavel.
Hij sluipt door de gang naar de slaapkamer en gaat naast het bed staan. Jaroslav kijkt toe vanaf de deur. Iveta ligt onder het dekbed met haar rug naar hen toe. Pavel buigt zich voorover, maar stopt meteen als Jaroslav vermanend pss-pss-pss doet. De jongen spreid zijn armen in de lucht, alsof hij Iveta’s afmetingen opneemt, maakt rollende bewegingen met zijn beide handen, alsof hij Iveta in gedachten inzwachtelt. Hij verstart als hij Jaroslavs hand op zijn rug voelt. Pavel legt zijn vinger op zijn lippen en wijst naar het plafond, trekt vervolgens een neerwaartse lijn in de lucht en fluistert met malende lippen: ‘Bel voor Iveta.’
Bij de voordeur zegt hij: ‘Ik ga haar redden als het zover is.’
‘Dat is aardig van je, Pavel.’
‘Ik heb de astrale paden nu allemaal in kaart gebracht.’
‘Wat fijn.’
‘Ik ken nu de coördinaten, maar dat is blijkbaar hetzelfde als weten op welk spoor de trein zal passeren zonder te stoppen. Gelukkig beweegt deze trein langzaam, zeggen ze, dus je kunt gewoon aan boord stappen, maar dan moet je wel op het juiste moment klaarstaan.’
‘Wie zijn “ze”, Pavel?’ vraagt Jaroslav.
‘Vandaar de bel,’ roept Pavel trots.
‘De bel?’
‘Die ga ik naast Iveta’s bed installeren. Dan kunt u erop drukken als ze dood is.’
‘Pavel!’ Jaroslav blaft het woord en schrikt zelf van de galm in de gang. Hij ziet hoe de jongen terugdeinst voor het monster dat hij denkt te hebben ontketend.
Pavel maakt sussende bewegingen met zijn handen, alsof hij een enthousiaste hond probeert af te weren: ‘Alleen het knopje, alleen het knopje, u mag het zelf installeren!’
Jaroslav voelt hoe de ontroering zijn woede overwint: ‘Excuses voor mijn uitbarsting, Pavel, maar het zijn zware tijden…’
‘Morfine!’ roept Pavel als een eureka. ‘Iveta heeft morfine nodig. Dan heeft ze geen pijn meer.’
‘Ja,’ glimlacht Jaroslav bedroefd, ‘misschien is dat wel beter, jongen. Ik zal je helpen om de bel te installeren, maar dan moet jij eerlijk antwoord geven op mijn vraag.’
‘Natuurlijk, ingenieur Formánek,’ fluistert Pavel, ‘wij zijn als kosmonauten die in dezelfde raket zitten!’
‘Precies,’ zegt Jaroslav. ‘Dit is mijn vraag: ben jij springstof aan het kopen? En weet je hoe gevaarlijk dat is?’
‘Dat zijn twee vragen, en ik ken beide antwoorden. Ja en ja,’ fluistert Pavel. ‘Semtex blaast met gemak je hele hand eraf!’
‘Absoluut!’ zegt Jaroslav. ‘Daarom moet je het niet kopen. Waar wil je het eigenlijk voor gebruiken?’
Pavel komt zo dichtbij dat Jaroslav de pekelworst in zijn adem kan ruiken. ‘Voor de schietstoel en de koepel.’
‘Daar is semtex helemaal niet voor geschikt, Pavel. Dan blaas je een gat in de vloer en gaat alles in de fik. Dat wil je toch niet?’
‘Nee!’ zegt Pavel met grote ogen. ‘Dat mag niet gebeuren. Maar wat dan? Hoe moet ik me lanceren?’
‘Dat ga ik voor je regelen. Maak je geen zorgen.’

Niet lang daarna verslechtert Iveta’s gezondheid abrupt, precies zoals de artsen hebben voorspeld. Binnen een paar dagen kan ze niet meer zelfstandig staan en kort daarna wordt haar ruggenmerg door de kanker versteend, waardoor ze alleen nog plat op bed kan liggen, turend naar het plafond, licht draaiend met haar hoofd, alsof ze de beul zoekt die haar martelt. Steeds vaker denkt Jaroslav aan Pavels eureka: ‘Morfine!’
‘Uw vrouw heeft nu constante zorg nodig,’ zegt de sympathieke dokter, die Jaroslav meeneemt naar de keuken om Iveta te vrijwaren van haar prognose. ‘We kunnen nu alleen nog haar lijden verlichten. Dat kunt u niet alleen, dag in, dag uit, wie weet hoelang nog. Straks krijgt ze niks meer naar binnen en laat ze alles lopen. Kunt u haar dan nog voeden en verschonen?’
Als de ambulancebroeders Iveta op een rammelende brancard over de gang duwen barst de deur bij de buren open. ‘Waar gaat Iveta heen, ingenieur Formánek?’ roept Pavel. ‘Waar nemen ze haar naartoe? Zo kan ik haar niet redden!’
Jaroslav belooft Pavel dat ze binnenkort samen naar het ziekenhuis zullen gaan om Iveta op te zoeken. Maar dit stelt Pavel niet gerust. Pas als Jaroslav vertelt dat hij alles op alles zal zetten om ervoor te zorgen dat Iveta thuis mag sterven, valt de jongen bijna flauw van opluchting. Hij leunt met zijn rug tegen de muur, slaat zijn handen voor zijn gezicht en hijgt luid tussen zijn vingers door. ‘We spreken elkaar snel,’ roept Jaroslav en haast zich achter de brancard aan.

Als Jaroslav later thuiskomt vliegt de deur bij de buren meteen weer open. ‘Ik heb hier uren zitten wachten,’ zegt Pavel en wijst op een stoel die in het halletje staat. ‘Ik denk dat het kan! Maar we moeten dan wel de lanceerhoek aanpassen en ik moet natuurlijk de exacte coördinaten hebben van het bed waar Iveta in gaat sterven.’
‘Waarom, Pavel?’
‘Het lichaam is een wiekel,’
‘Bedoel je een vehikel?’
‘Ja! Een Volkswagen! U rijdt toch in een Volkswagen?’
‘Ja.’
‘Maar u bent die Volkswagen niet!’
‘Nee.’
‘U zou ook in een andere auto kunnen rijden.’
‘Inderdaad.’
‘Zo is het ook met de ziel. Die kan ook in een andere auto rijden, een ander lichaam. Maar dan moet je wel op tijd zijn. Anders ontlaadt de energie zich en wordt het toegevoegd aan het collectieve, het kosmische universele. Snapt u?’
‘Ik denk het.’
‘Daarom moet ik het kosmische pad zo goed mogelijk kruisen. Daarom moet ik de coördinaten van het bed kennen. Daarom!’
‘Ze wil thuis sterven, Pavel, dat had ik toch gezegd?’
‘Mag ik morgen mee naar het ziekenhuis?’
‘Natuurlijk. Ik vertrek om 10 uur.’
‘Dan sta ik klaar!’

In de auto praat Pavel aan één stuk door, alsof hij steeds zijn eigen coördinaten wil vaststellen. De tram is zijn leidraad. Onderweg benoemt hij alle haltes. Tussendoor leest hij de namen van de winkels, banken en andere zaken die ze passeren. Soms vertelt hij ook wie er werken en wat ze daar doen, alsof hij de sociale geografie van de buurt in kaart heeft gebracht.
Naarmate ze op minder bekend terrein komen valt hij stil, friemelt met zijn kleding, woelt door zijn haar, draait het raam open of dicht, gaat steeds verzitten alsof er een muis in zijn broek is gekropen.
Om hem af te leiden vraagt Jaroslav: ‘Hoe ga je Iveta’s ziel precies vangen, Pavel?’
‘Met een banaan, ingenieur Formánek,’ antwoordt hij prompt.
Jaroslav kucht zijn lachbui weg.
‘Een groene,’ voegt Pavel toe.
‘Waarom een groene?’
Pavel kijkt Jaroslav vol ongeloof aan. ‘Anders kun je niet zien wanneer hij rijp is.’
‘Maar hij is toch groen?’
‘Zodra de ziel in de banaan zit is hij rijp. Dan kunt u hem opeten om de ziel tot u te nemen.’
‘Ik?’ zegt Jaroslav.
‘Natuurlijk! Er is meer dan genoeg ruimte in u voor twee zielen, ingenieur Formánek. Dan heeft u Iveta voor altijd bij u. En als u bang bent voor een tweede ziel, dan eet ik de banaan op. Dat durf ik.’
Jaroslav voelt zijn ogen prikken en mompelt: ‘Je bent een lieve jongen, Pavel.’
‘Ik heb kennis!’ roept Pavel trots.
‘Inderdaad,’ lacht Jaroslav.

In het ziekenhuis voelt Pavel zich duidelijk niet op zijn gemak. Hij schrikt van ieder onbekend geluid en fluistert steeds vragen die Jaroslav moeilijk kan beantwoorden. Uiteindelijk grijpt hij Jaroslavs hand en loopt dicht tegen hem aan naar de kamer waar Iveta ligt. Als hij haar ziet, zucht hij diep en slaat zijn hand voor zijn mond: ‘U bent bijna doorzichtig, Iveta.’
Ze lacht vermoeid en fluistert. ‘Maar jij ziet me toch, Pavel.’
‘U bent als een kwalletje!’
Jaroslav hikt van de lach en Iveta’s giechel mondt uit in een hoestbui. Een zuster roept de bezoekers tot de orde.
‘Geen grappen meer,’ grinnikt Jaroslav.
‘Hoe voelt u zich, Iveta?’ vraagt Pavel. ‘Gaat u nu al bijna dood?’
‘Dat zou wel fijn zijn.’
‘Ze is heel moe,’ zegt Jaroslav. ‘En ze heeft veel pijn.’
‘Maar straks niet meer,’ zegt Pavel. ‘Dan gaat uw lichaam slapen. Dan kan uw vehikel naar de sloperij. Maar dan hebben wij uw ziel nog.’
‘Echt waar?’ lacht Iveta.
‘In een banaan,’ zegt Jaroslav.
‘Wat zeg je nu, Jaroslav?’ zegt Iveta.
‘Pavel gaat jouw ziel vangen in een banaan. En dan ga ik die opeten.’
‘Wat wonderlijk,’ zegt Iveta. ‘Dan zit ik in jou.’
‘Precies!’ roept Pavel. ‘Dat is het precies, Iveta!’
‘Dat lijkt me heerlijk.’
‘Pavel is bang dat je hier zult sterven,’ zegt Jaroslav.
‘Nou, alsjeblieft niet,’ zegt Iveta. ‘Ik kom gewoon naar huis hoor.’
Pavel knikt tevreden. ‘Ik zal iedere ochtend een groene banaan kopen.’

Diezelfde avond wordt er rond elven zachtjes op Jaroslavs deur geklopt. Hij staat zijn tanden te poetsen en denkt eerst dat hij een raam hoort dat schudt in de wind. Maar als hij zijn tandenborstel tussen wang en kies klemt komt het kloppen duidelijk door. Hij vermoed dat het Pavel is, maar er is geen coderitme. De klopper weet dat Jaroslav thuis is, want hij klopt een vierde en daarna een vijfde keer, steeds urgenter.
Buurman Procházka zucht opgelucht als Jaroslav de deur opent en begint meteen bezorgd te grommen: ‘Pavel heeft zijn vliegenierspak aan, ingenieur Formánek. Hij slaapt in zijn vliegenierspak, snapt u? Hij heeft het aan in bed. Ik weet dat uw vrouw ernstig ziek is en ik wil u niet lastigvallen, maar ik zou heel graag willen weten hoe het met de voorbereidingen gaat.’
‘Ze verlopen voorspoedig, buurman,’ antwoord Jaroslav voorzichtig.
‘Dat is goed om te horen. Ik…’ de buurman zoekt de juiste woorden.
Jaroslav besluit hem te helpen. ‘Wilt u zien waar we mee bezig zijn, buurman? Ik zou uw hulp goed kunnen gebruiken. Misschien kunnen we dat nu even bespreken?’
De magere beer klapt opgelucht in zijn handen en gromt zijn dank uit. ‘Dat zou ik erg prettig vinden, ingenieur Formánek!’
‘Prima,’ zegt Jaroslav en pakt de sleutelbos die Pavel met zo veel zorg voor hem had samengesteld.
Samen lopen ze zwijgend de trap op naar de zolder. Aangekomen bij de deur steekt Jaroslav zonder aarzeling de juiste sleutel in het slot.
‘De code! Niet draaien!’ roept de buurman, wijzend op Pavels handgeschreven waarschuwingsbord: Gevaar Hoogspanning!
Jaroslav glimlacht. ‘Toetst u maar een code in.’
‘Maar die ken ik niet,’ zegt de buurman.
‘Ik ook niet,’ lacht Jaroslav en toetst een willekeurige combinatie in. Na het vierde cijfer komt er een hoge pieptoon uit de deurvergrendeling. ‘Een vervelend geluid, maar niet dodelijk,’ zegt Jaroslav terwijl hij de sleutel in het slot draait.
‘Mijn hemel,’ zegt de buurman als hij de schietstoel ziet. ‘Wat zijn jullie allemaal van plan?’
Terwijl Jaroslav uitlegt hoe alles is ingericht om Pavels fantasie te vervolmaken prevelt de buurman beurtelings ‘verbijsterend’, ‘wat een wonderlijk idee’ en ‘hoe kan ik u ooit bedanken’.
‘Bent u bereid mij hiermee te helpen, buurman?’ vraagt Jaroslav als hij zijn plan volledig heeft uitgelegd.
‘Jazeker,’ zegt de buurman. ‘Maar bent u wel in staat op de belknop te drukken als het moment daar is? Verdriet kan verlammend zijn, weet ik uit ervaring.’
‘Ik waardeer uw bezorgdheid, buurman, maar tegen die tijd heb ik allang afscheid genomen van de echte Iveta. Dan rest alleen nog een lichaam dat uit zijn lijden verlost wil worden.’

Niets blijkt minder waar. Door een sluier van tranen zoekt Jaroslav naar de oppervlakkige aderen in Iveta’s skelettenarmpjes, plakt één voor één de morfinepleisters op conform de instructies van de arts. Daarna kruipt hij naast zijn stervende vrouw in bed zodat ze haar laatste adem in zijn armen kan uitblazen. Pas als Iveta’s darmen zich ontdoen van hun laatste groet beseft Jaroslav dat hij al meer dan een uur heeft liggen huilen. Boven zit Pavel in zijn vliegenierspak op zijn teken te wachten.
Jaroslav drukt op de belknop en hoort vrijwel direct de doffe dreun van de rookbom die hij onder de schietstoel heeft bevestigd. Als alles volgens plan verloopt stroomt het bedwelmende lachgas nu sissend in het masker van Pavels pilotenhelm.
Op de gang staat buurman Procházka al te wachten met een rijpe banaan. Als hij Jaroslavs roodomrande ogen ziet omhelst hij hem en fluistert troostende woorden met zijn berenstem. Daarna lopen ze samen de trap op naar de zolder.

(Uit de roman Van kleine helden, die in mei 2017 verschijnt bij Nijgh & Van Ditmar.)

Drie nieuwe korte verhalen van Robin Kramer. Vandaag het derde verhaal: ‘Stempels’.

*

We zitten in de bus naar Auschwitz en M. vertelt dat Auschwitz de enige plaatsnaam is die Microsoft Word corrigeert als het verkeerd wordt gespeld. We knikken om zijn anekdote te erkennen, maar zijn te moe om er verder op in te gaan. De chauffeur negeert de historische context en vertelt grapjes door de microfoon. Het is pas bij de koffers met achtergebleven haren en brillen dat M.’s pupillen beginnen te groeien en hij ons met druk zegt om met hem mee te gaan naar het toilet.

Eenmaal daar moeten we de mouwen van onze truien op te stropen en naar onze polsen te kijken. Daar zien we de nummers. Een zescijferige code, bij ons allemaal identiek. ‘Dit is de stempel van die club waar we gisteren waren,’ zegt hij. ‘We kunnen hier toch niet zo rondlopen?’ We laten water en zeep over onze handen glijden en trekken de inkt met onze nagels uit de poriën. Als we ons weer aansluiten bij het gezelschap, onze polsen rood en geïrriteerd, zien we een man naast een foto van de uitgemergelde kampbewoners staan: zijn wangen naar binnen gezogen, een grinnikende fotograaf twee meter voor hem.

Kluun, Thijs Kleinpaste en Rob Hartmans – de redactie las over de herkenbaarheid van carnaval en scheiding en de taal van fascisten en populisten.

*

Jan van Mersbergen: Kluun, DJ

Deze week, in de aanloop naar carnaval, las ik de nieuwe Kluun. Past heel goed, want carnaval komt herhaaldelijk in het boek voor, en nog meer zaken die mij zeer bekend voorkwamen, want op een schijnbaar willekeurige dubbele bladzijde (64-65) van de nulde druk las ik over: het posten van berichten op social media, wat een uitgeverij doet voor een schrijver, een scheiding, foto’s van kinderen, de carnavalsoptocht van Breda, met verklede kinderen, een gehuurd pastoorspak en een ex die niks om carnaval gaf, Raamsdonksveer,  1988, gastenlijst, en een afstudeerfeest.

Behalve het gehuurde pak, want echte vastelaovesvierders stellen zelf een pekske samen, is het zeer herkenbaar. Meer dan herkenbaar.

” ”

Kluun schrijft over zichzelf, dikt zijn verhalen vanzelfsprekend aan en poetst ze op, maar in de basis is herkenbaarheid een belangrijk onderdeel van zijn proza. Deze passages zijn zo herkenbaar dat het bijna eng is. Komende dagen, tijdens carnaval, klinkt alleen niet de muziek van DJ. Dat is het enige verschil tussen de werkelijkheid en dit boek: scheiding, kinderen, afkomst, studie, dat alles blijft onveranderlijk bij me. Dat is niet alleen herkenbaar, op deze bladzijden lees ik mijn eigen verhaal.

Bij Kluun gaat proza naast herkenbaarheid om vertrouwen en gevoelsoverdracht.

Kluun is een echte verteller, die zelf vertelt én zelf de controle houdt. Net wanneer je denkt dat een van die karakters – de manager van de dj in dit geval – iets te lang aan het woord is, in een dialoog, dan schrijft Kluun: ‘Brandon zat nu op zijn praatstoel.’ Deze schrijver weet dat die monoloog erg lang was, maar hij duidt dat ook meteen. Dat is zelfbewust, dat is zelfvertrouwen. En dan bedoel ik niet de voorspelbare reacties op dit boek, die ook in het boek zelf staan, ik doel op vertrouwen als verteller. Precies een factor die veel schrijvers missen.

Bij Tijd voor Max hoorde ik Kluun zeggen dat hij – en ook dat is vertrouwen – weet wat zijn proza doet. Ondanks al die uitvergrotingen en het spel met de realiteit – want zo verklapte hij in dit tv-programma: de Kluun in het boek is niet zoals de echte Kluun, de scheiding in het boek is heel anders dan zijn echte scheiding, en zo is bijna alles net iets anders dan de werkelijkheid – is het allemaal wel zo opgeschreven dat deze woorden een gevoelswerkelijkheid kunnen worden. Kluun weet dat Komt een vrouw bij de dokter heel veel mensen geraakt heeft, en terecht want dat boek werkte, dat boek was onontkoombaar in de gevoelsoverdracht. In DJ doet hij hetzelfde: hij neemt de lezer bij de hand en trekt de lezer een gevoel in, heel langzaam en sluimerend, en ook nu werkt het.

Uitgeverij Podium gaf DJ uit.

Daan Stoffelsen: De Nederlandse Boekengids 2017-1

De Nederlandse Boekengids opent haar eerste nummer van de tweede jaargang met een opmerkelijk drietal artikelen: Thijs Kleinpaste over Victor Klemperers De taal van het derde rijk, Arthur Eaton in gesprek met Thierry Baudet en Rob Hartmans over Baudets denken – stukken die elkaar bevestigen maar die, zo stelt de redactie nadrukkelijk, geheel onafhankelijk van elkaar tot stand kwamen. De grote gemene deler: een taalgebruik dat een kleine eeuw geleden fascistisch genoemd zou worden, aan de hand van de denkende lijsttrekker onder de populisten. In Baudets voordeel pleit dat hij tenminste in gesprek gaat, en zich niet beperkt tot kreten in 140 tekens in eenvoudige taal, maar zijn vijanddenken is beangstigend.

Waarom, dat maakt Kleinpaste helder, aan de hand van Klemperers theorie. Ik citeer ruim:

‘… de medeplichtigheid aan de spreektaal van het nazisme [wordt] met recht opgevat als een langzame maar geleidelijke (en tenslotte dodelijke) vergiftiging met arsenicum: dankzij de lage dosis valt het in de eerste instantie niet op, tot het te laat is. Klemperers these is dat de cultuur en het politieke karakter van een tijdperk hun weerslag vinden in de taal. De kern van zijn filologische dagboekaantekeningen is dan ook dat de taal, zeker in een wereld waar agressieve ideologieën strijden om de macht, het eerste slagveld is waar die strijd gewonnen of verloren wordt.’

Want: ‘Taal is altijd tegelijkertijd een beschrijvend en een conditionerend mechanisme.’ Je gaat denken in de ontmenselijkende beeldspraak van de populist. En je hoeft voor revolutionair taalgebruik niet direct over op Newspeak (Orwell komt in dit stuk niet voor, maar hij is er, altijd), nee:

‘Een van de belangrijkste feiten die Klemperer bij regelmaat herhaalt, is dat de nationaalsocialisten maar in een beperkt aantal gevallen zelf nieuwe termen hoefden te bedenken. Vaker was het voldoende om oude woorden een nieuwe betekenis te geven, of om ze in een nieuwe context te gebruiken.’

Nota bene:

‘Want als er geen waarheid of werkelijkheid meer is, of geen breed gedeelde beleving daarvan, dan resteert slechts de wil tot macht, en de uitoefening ervan. Waar de mogelijkheid tot een vergelijk door communicatie ophoudt te bestaan omdat die niet langer geaard is in een gedeelde werkelijkheid, daar hangen alle woorden in het luchtledige en zal alles tegelijk waar en onwaar zijn.’

Terwijl Kleinpaste een congresredevoering van Baudet overtuigend als casus neemt (nogmaals: Baudet heeft tenminste meer dan één lid, en houdt congressen), praat diezelfde Baudet zich vast in complottheorieën in het interview, en betoogt Hartmans dat je hem niet als fascist moet zien, maar dat het weinig concrete van zijn revolutionaire oplossingen en het absolute van zijn probleemstelling wel een gevaar inhoudt.

‘Aanhangers van Baudet zullen het ongetwijfeld een “Godwin” vinden, maar dat beeld van de samenleving als “lichaam”, dat bedreigd wordt door mensen die in feite parasieten en kwaadaardige ziektekiemen zijn, die insinuatie dat er lieden zijn die doelbewust bezig zijn het gezonde nationale organisme te verzwakken – wanneer hebben we dat eerder gehoord?’

Scherpe analyses, en hoewel ik verwacht (of is het hoop, ik vertrouw mijn intuïties niet meer zo) dat Baudet de kamer niet zal halen, is het zinnig de toonzetting in de gaten te houden, te letten op taal. Daarom ook – maar niet alleen daarom – ben ik gelukkig in de zetproef van Als dit zo doorgaat, een activistisch literair initiatief van Auke Hulst te lezen:

‘Een autocraat begint zijn overheersing altijd met woorden: angstvisioenen, indoctrinatie, het aanwijzen van zondebokken en een dosis vals utopisme. Woorden die strijdig zijn met zijn doelen vormen per definitie een existentiële bedreiging. Literatuur is de meest duurzame vorm van tegenspreken.’

Het boek verschijnt 9 maart, ik zou er graag werk uit voorpubliceren op Revisor.nl, niet alleen omdat Thomas en Jan er aan hebben bijgedragen, dat Ivo Victoria een deel van zijn Revisor-feuilleton ‘Louis Stevens is de man’ ervoor bewerkte, en dat goede bekenden als Gustaaf Peek, P.F. Thomése en A.F.Th. van der Heijden bijdragen leverden. Hulst zelf, Wytske Versteeg, Daan Heerma van Voss, Jamal Ouariachi, Matthijs van Eijgelshoven en Rob van Essen schreven ook al eens voor Revisor. Hoe l’art pour l’art we ook denken, blijkbaar past engagement ons wel.

Maar ook omdat ik het een loffelijk streven vind. Nee, engagement moet niet, althans niet het Grote Woorden-Engagement, betrokkenheid bij het grote en het kleine is van even groot belang, maar deze tijden tonen de noodzaak van een oog voor onderdrukking. Het gaat nu meer dan ooit om retoriek tegen literatuur, autoritair denken tegenover de waarde van liefde (Nineteen Eighteen Four) en de autonomie van vrouwen (The Handmaid’s Tale, om maar eens twee ‘kleinere’ onderwerpen te noemen. Betrokkenheid bij het individuele, eigene, intieme is óók engagement, maar vooral in de schaduw van Trump, zijn fans en vrienden.

Ik geloof dat ik daarmee een kleine draai gemaakt heb. Goddank ben ik niet verkiesbaar.

De Nederlandse Boekengids ligt volgende week in de boekhandels en kiosken. Maar abonneren kan ook. Als dit zo doorgaat verschijnt bij Ambo|Anthos.

Na acht romans schreef Jan van Mersbergen een thriller, onder pseudoniem. Voor de Revisor hield hij bij hoe dat schrijven hem verging en laat hij de vorderingen van zijn tweede thriller zien in een nieuw schrijfdagboek. Vandaag de eerste aflevering: Het begin. Over het eerste idee voor een thriller dat hij al een tijdje had liggen en vlot contact via twitter en mail na een bericht over het eventuele daadwerkelijk schrijven van een thriller: ‘Nog voor half tien had ik een mailtje in mijn mailbox van een redacteur van een grote bekende thrilleruitgeverij.’

*

Het begon met een reeks stukken die ik op mijn eigen site schreef over thrillers die ik gelezen had. Sommige thrillers heel goed, andere minder, en in een van die stukjes, over The Silence of the Lambs, schreef ik:

‘… steeds tijdens het lezen vroeg ik me af waarom er zo veel boeken zijn zonder die spanning. Zonder een drive of een plot, alleen maar sfeer en tekst en trage handelingen. Ik heb die boeken zelf ook geschreven, en Harris liet me de vraag stellen: Waarom zijn er boeken zonder die echte spanning die je hart sneller laat kloppen? Een vervelende vraag die mijn eigen schrijven onder de loep nam, en die The Silence of the Lambs tot een bijzondere norm maakte, iets waar ik nu gelukkig weer vanaf ben.’

Ik las die thriller in augustus 2015, tijdens een vakantie, en ik trof een spanning die heel dominant en prettig was. Een spanning die me door het boek heentrok. Ik vroeg me eigenlijk af waarom ik zelf romans had geschreven zonder die spanning. Wat blijft er dan over van een tekst? Natuurlijk wist ik dat een roman iets heel anders kan bieden en dat de lagen die onder de schijnbaar eenvoudige woorden van een roman verstopt liggen minstens zo veel spanning kunnen geven, maar dat is een andere spanning, subtieler, afstandelijker, sluipend. Deze thriller was als een goed concert: de muziek is in zo’n zaal, met een goede band, onontkoombaar. Niks smeulend en sluipend, dit boek pakt de lezer direct bij de keel. Die ervaring vond ik heel bijzonder, die ervaring dwong me een blik te werpen op mijn eigen schrijven. Vandaar die overpeinzingen.
Op mijn site publiceer ik in de vroege ochtend mijn stukjes, zo ook die dag, en nog voor half tien had ik een mailtje in mijn mailbox van een redacteur van een grote bekende thrilleruitgeverij:

‘Weet je zeker dat je er vanaf bent? Mocht je eens los willen gaan en een zinderende thriller willen schrijven, dan houden wij ons aanbevolen.’

Ik mailde terug, dezelfde ochtend nog:

‘Ik heb een idee liggen, al jaren, voor een thriller, en probeer sinds die tijd veel te lezen en te zien hoe thrillers werken en wat er gebeurt in zo’n verhaal. Ik werk nu aan een roman en daar moet ook een zekere spanning in. Als ik dat thriller-verhaal weer oppak dan denk ik aan je.’

Het mailtje was meer ingetogen dan mijn werkelijke gedachten. Die zagen er ongeveer zo uit:
ik ga een thriller maken!
Zoals ik in de mail al meldde werkte ik in de zomer en het najaar van 2015 aan mijn nieuwe roman en daar zou ik ook in de eerste helft van 2016 flink wat tijd aan moeten besteden. Mijn plan was het thrillerverhaal dat ik had voorzichtig uit te werken en wanneer de roman bij de uitgeverij lag en ik wachtte op commentaar van mijn redacteur, dan zou ik aan de thriller beginnen.
Na een volgend stukje over een thriller kreeg ik van dezelfde redacteur een mailtje: ‘Je bent nog steeds in thriller modus, niet? Ik las je Gone Girl-stukje. Heb je tijd voor een kop koffie?’
We dronken koffie op het Leidseplein en ik vertelde hem het thrillerverhaal dat ik in mijn hoofd had, zonder echt alles weg te geven – altijd is er de angst dat een ander je plan overneemt. We spraken af dat ik een eerste opzet zou sturen als ik die klaar had, ergens die winter.
Het verhaal dat ik had liggen was eenvoudig: een moeder gaat met haar zoontje en nieuwe vriend op vakantie naar de Ardennen, in een streek waar lange tijd terug een meisje vermist is. Ze vergeten de oplader van de tablet van de zoon en de jongen verveelt zich. De moeder zet een soort speurtocht uit door vanuit het vermiste meisje fictieve dagboekbriefjes te schrijven en die in de rivier te laten drijven op een plek en moment dat het zoontje ze niet kan missen. Hij vindt de briefjes en ze gaan speuren. Dat gaat heel goed, de jongen vindt het spannend, tot ze aanwijzingen tegenkomen die de moeder niet heeft uitgezet. Daar begint de werkelijke spanning, voor de personages en voor de lezer.
De verdere vragen die dit oproept had ik nog niet uitgewerkt. Eerst zou ik gaan schrijven, scènes maken, de karakters vormen, het verhaal opbouwen. De rest zou daarna wel komen.
Die winter nam ik voor het schrijven van een eerste versie van een thriller met de werktitel Dagboek uit de rivier, een titel die ik meteen in het tweede mailtje, begin september, liet vallen. Voor het eerst had ik een werktitel die het zou schoppen tot uiteindelijke titel.

Vandaag meldde Uitgeverij Querido dat Robert Anker op zeventigjarige leeftijd overleden is. Anker debuteerde in 1979 met de bundel Waar ik nog ben, maar zijn eerste publicatie was in 1977 in De Revisor. In de jaren daarna droeg hij regelmatig bij. Vanaf medio jaren tachtig werd Tirade zijn vaste podium, en daar werd hij ook redacteur. We gedenken een origineel, geëngageerd en goed schrijver, en herlezen – bijvoorbeeld op de DBNL, waar al zijn tijdschriftbijdragen te vinden zijn.

2016 was het jaar waarin ik erachter kwam dat pissebedden geen longen hebben maar kieuwen, dat er raadsels bestaan die opgelost kunnen worden en dat je nog zo goed jezelf vorm kunt geven, maar er altijd wel een moment komt dat de dag geen maatpak blijkt te zijn en hij je niet past, want wat je straalt, dat draag je. Ik zit in de trein en denk terug aan het afgelopen jaar waarin ik onder andere nieuwe verhalen en gedichten schreef voor tijdschriften, door de Volkskrant uitgeroepen werd tot literair talent van het jaar, de C.Buddingh’-prijs won met Kalfsvlies, de Saint Amour-tour mocht meemaken en een groot deel van mijn debuutroman afschreef. Kortstondig geluk dat ik alleen op de momenten zelf ervoer, of als een presentator het nog eens benoemde als hij mijn optreden aankondigde. Maar zoals de pissebed continu transpireert om vochtig te blijven en niet dood te gaan, zo werkt het met geluk: we moeten het zelf maken. Zodra ik mijn pak uitdeed of mijn opkomst weg was geapplaudisseerd, was ik het weer vergeten.

Ik moest verder, de lat hoger. In de psychologie heet dat zelf- en objectconstantie. Een baby denkt dat als zijn moeder of vader de deur uitgaat, dat ze niet meer bestaan. Wanneer ze weer terugkomen, herleeft de persoon. Het gebeurt ook met voorwerpen: als je speelgoed verstopt denken ze dat het er niet meer is, ze gaan er niet naar zoeken. Zodra ik mijn bordeauxrode pak uitdoe, is de schrijver verdwenen en wanneer ik mijn pak aantrek, ben ik weg, als bij een goed uitgevoerde verdwijntruc, alleen maakt het hier de goochelaar minderwaardig. Dit voel ik al mijn hele leven zo: mensen en ruimtes bestaan niet meer als ze uit het zicht zijn. Wanneer ik mezelf verlies, of de schrijver, lijken ze er ook nooit te zijn geweest. Baby’s leren op een gegeven moment objectconstantie. Als vader en moeder de deur uitgaan, keren ze gewoon weer terug, ze kunnen boos worden maar dat betekent niet dat ze je niet graag meer zien en dat speelgoed niet weg is, maar op een andere plek. Ik denk aan de avonden op de boerderij van mijn ouders toen ze naar kennissen in het dorp gingen. Ik was een jaar of negen – mijn slaapkamer zat aan de kant van de kiezelstenen, de oprijlaan – en lag naar het plafond te staren, terwijl ik dacht hoe ik me als wees zou gaan redden, wat ik de juf over hun doodsoorzaak zou vertellen, en duwde mijn hoofd in mijn kussen: als de tandenfee me zou bezoeken dan zou ik haar platdrukken, dan moest ze blijven en kon ik nieuwe ouders wensen. Ik werd wakker met rode ogen en stond op om mijn eerste dag als wees te beginnen. Ik was mijn verdriet vergeten zoals ik mijn vader en moeder kwijt was. Toen ik aan het ontbijt ging zitten en mijn moeder zoals gewoonlijk de kaasschaaf hanteerde – zij schaafde als enige niet de dun en niet te dik – waren ze weer tot leven gewekt. Bij zelfconstantie gaat het erom dat je een constant beeld van jezelf vast kunt houden, dat niet beïnvloed wordt door anderen. Nu vraag ik mij of dit ervoor gezorgd heeft dat ik schrijver werd, omdat dat de enige manier was om alles bij me te houden wat ik anders voor doodverklaarde. Zo raak ik niets aan in mijn kamer, ik zit nooit op de bank, de bank zit er zelf, als een onuitgenodigde gast. Alles wat ik ooit heb gekocht, is bij het verlaten van mijn studentenhuis, niet meer van mij. Dat wat uit het zicht is geraakt is uitgezwaaid. Als ik niet blijf presteren, als ik niet gezien word, ben ik geen schrijver meer. Presteren is ‘zijn’.

Zo voor het einde van het jaar probeer ik als mijn vader, die in de laatste week van december vooral terugkijkt op de struikelpartijen in het gezin en ze met rode pen noteert in rapporttaal, alsof hij weer even de meester is, terug te blikken op alles wat er afgelopen jaar is gebeurd, zowel privé als in het schrijven. Die twee zijn haast niet los van elkaar te zien. Even lijk ik dan ook uiteen te vallen. Zonder het pak van de schrijver, ben ik als een pissebed in zijn proces van vervellen: kwetsbaar en bang om vertrapt te worden. Alles wat ik het afgelopen jaar heb bereikt, maken mij wie ik ben. En wat daarvan wordt gevonden, dat vormt mijn eigenwaarde. Dit is het besef: ik schrijf mezelf een bestaansrecht toe en iedereen kan mij ongenuanceerd recenseren. Zo graag als dat ik ooit Jan Wolkers wilde worden, zo graag wil ik nu mezelf zijn. Iedere dag raak ik het leven als speelgoed kwijt en kan me niet voorstellen dat het gewoon verplaatst is, dat alles wat bereikt is, niet weg is en dat er om de hoek van de straat, weer een nieuwe straat is: Mensen verdwijnen niet zomaar uit het zicht.

Als ik de trein uitstap zie ik bij station Utrecht de vaste muzikant staan, gehuld in een wollig winterjack. Hij herhaalt al jaren iedere dag hetzelfde nummer: ‘Old Man’ van Neil Young. Ondertussen is de man zelf ook ouder geworden, zijn haren grijzer, de gitaarhoes die voor hem op de grond ligt is versleten. Er liggen een paar euro’s en wat centen in. Hij herhaalt iedere dag zijn kunstje, maar zet steeds met dezelfde overtuiging zijn lied in. I need someone to love me the whole day trough. Hij zingt het nummer prachtig, waarom zou hij dan ook iets anders zingen? Niet voor zijn publiek, dat is altijd gehaast en weinig aandachtig – en toch neemt hij er genoegen mee. Even voel ik me samenvallen met deze man die met halve vingerwanten gitaar speelt. Het doet ook pijn, maar dat is een echt gevoel en dat zegt meer over mij dan over het maatpak dat altijd in de juiste rol over een hangertje hangt, het theater keurig gestreken met de split opengeknipt voor wat bewegingsruimte, maar nooit te veel. Ik veeg mijn tranen af met een servetje van de oliebollenkraam op de hoek. Het is goed dat ik huil, te veel ingehouden tranen is als een regenmeter in de achtertuin die nooit geleegd wordt: op een gegeven moment weet je niet meer welke buien er nu nog wel of niet toedoen en komt alles bij elkaar. Ik weet ook dat ik deze pijn zal vergeten en dat het de volgende keer zich als nieuw aandient, dat ik samenvallen met de muzikant niet kan vasthouden net als de structuur van het servetje, maar één ding heb ik wel geleerd: fantaseren. Ik klamp me daaraan vast, als de man in de oliebollenkraam aan zijn frituurtang. Fantasie is de tandenfee die op bezoekt komt als je er zelf in gelooft. En misschien vergeet de muzikant wel dat hij iedere keer het lied herhaalt, of herhaalt hij het om het niet te vergeten, wordt hij het daarom nooit zat. Ik weet niet waar hij het voor doet. Of hij een hond heeft of een zieke vrouw waar hij voor moet zorgen of torenhoge schulden of staat hij er omdat hij daar wil staan?

Ik weet alleen dat ik hem koester daar naast de vuilnisbak, ik mis hem als hij er niet staat en hoop dat er op een dag ook zo’n plek voor mij is, waar ik ook zonder pantser mag zijn en er sta omdat ik het kan, omdat ik datgene bij me kan houden wat me lief is, zelfs als het even niet in beeld is, dat ik mezelf in beeld kan houden zonder een publiek. Ik luister naar zijn lied, alsof ik het nog niet eerder heb gehoord. Ik ben als hem. Vijfentwintig jaar en er is zoveel meer.

In het dubbeldikke zomernummer van De Groene Amsterdammer stond een momentopname van de Nederlandse literatuur: ‘Erg hè?’ Christiaan Weijts schetst een cultuur van familieromans (nee, moederromans), wars van dystopie, alternate history en experiment: ‘De Nederlandse literator prefereert het realisme boven de grote greep van de verbeeldingskracht, waarvoor de dystopie en de alternate history bij uitstek geschikt zijn, omdat die vereisen dat je een complete wereld integraal tot leven wekt.’ We lezen een in zichzelf gekeerde literatuur. Weijts’ stelling is aantrekkelijk, omdat het de engagementdiscussie, de kleurdiscussie en de experimentkritiek combineert, en vanzelfsprekende voorbeelden levert – Revisor beoordeelt deze stelling als bijna helemaal waar. Bijna. Enkele kanttekeningen in de marge.

*

0. Nuance

Ik heb me eerder uitgesproken tegen opgelegd engagement, en in het verlengde maak ik bezwaar tegen boeken die ergens over gaan. ‘Ergens’ is doorgaans een nare plek waar literatuur meer vorm dan kunst is, meer middel dan doel. Ik heb onderzoek gedaan naar het gebrek aan kleur in de Nederlandse literatuur. Ook heb ik wel eens bepleit dat er wel degelijk ‘gevaarlijke’, ‘experimentele’ romans verschijnen dezer jaren. Maar toen beperkte ik me niet tot de Nederlandse literatuur. Weijts zegt simpelweg zinnige dingen in zijn stuk. Hij generaliseert, maar als je dan toch moet generaliseren, dan graag zo. Toch is er een disbalans waar ik wat tegenover wil stellen. Een nuance.

1. Dystopia

‘Vijfhonderd jaar na Thomas More’s Utopia (1516) is het dystopie troef. Overal. Behalve in Nederland.’

Weijts komt met indrukwekkende namen: Dave Eggers, Howard Jacobson, Michel Houellebecq, Juli Zeh, Margaret Atwood, David Mitchell en Tom McCarthy schreven onlangs dystopische romans. (De geweldige Claire Vaye Watkins noemt hij nog niet eens.) Mijn tegenbod, ontleend aan een stuk van Fleur Speet eind vorig jaar, is wat schameler: Wytske Versteeg, Tommy Wieringa, Elvis Peeters, Roderick Six, Willem Bosch. En oh, Bert Natter heeft dus al het ‘decor van een mislukt Europa, met de Europese Unie als een schimmige droom uit het verleden, verkruimeld tot losse natiestaten’ toegepast in zijn roman Goldberg (2015). En Auke Hulst heeft in Slaap zacht, Johnny Idaho (2015) een indrukwekkende dystopie geschetst, waarin de City en Wall Street effectief verplaatst zijn naar een eilandengroep die door bankiers bestuurd wordt.

Is de dystopie nog wel een separaat subgenre te noemen? Een dystopisch Amsterdam heeft al zijn hedendaagse pendanten in de kampen in Griekenland, de parlementen van Turkije, Hongarije, Polen, de delta van Bangladesh, de boardrooms in Londen en New York, de labs van Silicon Valley. Het is elders nu al onvoorstelbaar erger, en paradoxaal genoeg wonen er nog steeds mensen: vaders, moeders, kinderen. Welgekozen realisme voorkomt de noodzaak van de dystopie. Wordt er hier goed gekozen?

Tegelijk: de laaglandse letteren laten zich moeilijk vergelijken met de angelsaksische, met een veel groter publiek en meer schrijvers, op wel vijf continenten, met een grotere postkoloniale erfenis. Getalsmatig is ook een marginaal subgenre al snel groot in het Engels, zoals je al snel een aantal succesvolle zwarte schrijvers uit Londen en New York kunt opnoemen (Karin Amatmoekrim noemde vorig jaar augustus in De Groene Teju Cole, Zadie Smith, Taiye Selasi, Hanif Kureishi en Toni Morrison), terwijl dat in die grotere literatuur nog steeds als een kleine kopgroep gevoeld wordt. In Groot-Brittannië komen er inmiddels allerlei initiatieven op gang om minderheden aan het schrijven te krijgen.

2. De wereld

‘In de jaren dat de roman buiten onze landsgrenzen de gedaante aannam van experimentele universums, proefopstellingen om de wereld in te onderzoeken, boven gasvlammen te hangen en hun gebruis en geborrel te laten reageren met de gifdampen van de verbeelding, schreven onze coryfeeën allemaal een boek over hun moedertje. Maarten ’t Hart, Adriaan van Dis en Arnon Grunberg, en ook aan de Vlamingen Tom Lanoye en Erwin Mortier ging het mamavirus niet voorbij. Daar zitten prachtboeken tussen; begrijp me niet verkeerd, ik ben hier slechts de cartograaf van het contrast, want als je wilt weten wat typisch Nederlands is, moet je het leggen naast wat het níet is.’

Vergeet ook niet het wereldvirus, dat niet de minste auteurs te pakken nam: Adriaan van Dis, Arnon Grunberg, Tom Lanoye, P.F. Thomése, A.F.Th. van der Heijden (zijn feuilleton!), maar ook Annelies Verbeke, Kristien Hemmerechts, Elvis Peeters, Gustaaf Peek, Pieter Waterdrinker, Jamal Ouariachi, Hanna Bervoets, Leon de Winter, Aukelien Weverling. Christiaan Weijts? Christiaan Weijts. Wieringa en Ilja Leonard Pfeijffer wonnen de Librisprijs met migratieromans. Niet allemaal recente boeken, niet allemaal coryfeeën, maar laat deze cartografie profiteren van de geologie: Nederland werd niet in één dag ingepolderd, het literaire landschap verdient een langere sluitertijd.

Vergeet ook niet dat het mamavirus uit de grote wereld kwam. De wereld, de Indische wereld, had de moeder in Van Dis’ Ik kom terug geïnfecteerd, de moeder in Moedervlekken had de Tweede Wereldoorlog meegenomen. En is de god van ‘t Harts moeder nu grote verbeeldingskracht of bekrompen familiedenken?

3. Verbeeldingskracht

‘Niet de verbeelding, wel het realisme. In onze boekhandels liggen de tafels vol met moeders, ziekten, vaders, depressies, kinderen, stervenden en gestorvenen, huwelijken, dertigers­dilemma’s en scheidingen.’

Een van Weijts’ internationale voorbeelden is Valeria Luiselli’s De gewichtlozen (2014), een prachtig voorbeeld van wat verbeelding vermag – maar uiteindelijk gaat het over moeders en kinderen en twee door decennia van elkaar gescheiden schrijvers in een appartement. S.J. Naudé’s verhalenbundel Het vogelalfabet (2016) laat de dood samengaan met thema’s als racisme, ongelijkheid, corruptie. Het persoonlijke sluit de verbeelding niet uit. Bart Koubaa’s Maria van Barcelona (2010) speelde met een virusuitbraak, loopt experimenteel uit de hand – maar speelt grotendeels in één kamer met een grote voorraad Westmalle Triple.

Een Mexicaanse, een Zuid-Afrikaan en een Belg. Ze mogen als een gefluisterd weerwoord gelden: de verbeeldingskracht bloeit ook binnenskamers.

4. Kamers

‘Binnen dat Hollandse realisme zijn de variëteit en diversiteit uiteraard enorm, en in die zin is het aanmatigend om “de” identiteit van de Nederlandse literatuur te willen duiden. A.F.Th. van der Heijden heeft vaak gezegd: “Het huis van de literatuur heeft vele kamers.” Dat is waar, en onbedoeld zegt hij precies wat ons literatuur­landschap zo gelijkvormig maakt: het zijn allemaal kamers. En de kamer is misschien wel precies de metafoor om die Nederlandse identiteit in te vangen.’

Kamers dus, besloten werelden, daar gaat onze literatuur over. Nu is het onze beider vriendin Luiselli die in haar debuut Valse papieren (2012) de kamers aan de overkant inkijkt, en die voyeur keert kort terug in De gewichtlozen. In de traditioneelste romans en de grootste vormexperimenten kijken mensen naar buiten, en dat heeft niets angstigs of geëngageerds. In fictie is de kamer of omgrenzing eerder – tegenintuïtief – een iets om aan te ontsnappen.

Er is een passage in Schaduwkind (2003) in de ziekenhuiskamer waar het kind zal overlijden, en waarin Thomése naar buiten kijkt:

‘Ik sta achter het grote raam. Een gestalte die naar buiten staart. Aan de hemel geen maan, er is alleen het neon van straatlantaarns en verlichte kantoorgebouwen. De wolken worden enkel van onderen beschenen. Daarachter duisternis tot aan het einde der tijden. […] In de diepte kriebelt het doorgaand verkeer dat als bloed door de stad stroomt, de asfaltwegen en de straten een netwerk van slagaders, aderen en bloedvaten om de stad tot in alle uithoeken van levende mensen te voorzien. […] Daar achter me gaat ons kind nu dood.’

In de kamer is het kwaad, daarbuiten gaat alles veilig, op afstand, door. Is die conclusie te extrapoleren? Ja, ik geloof van wel. Er wordt gevochten buiten, gevlucht, er zijn overstromingen, bosbranden en wilde dieren – maar het meeste leed vind je – evenals geluk trouwens – binnenskamers.
De stap van kamerliteratuur naar familieliteratuur is eenvoudig gemaakt, Weijts maakt hem met een ijzersterke analyse van hoe de Knausgard-reeks in verschillende talen vertaald wordt. De stap van familieliteratuur naar psychologische fictie is nog eenvoudiger. Maar is niet alle literatuur psychologisch, ook de dystopische literatuur, speelt ook daarin niet de essentie zich af in de besloten wereld van het hoofd van een moeder, vader, kind? De confrontatie die de Nederlandse coryfee zoekt, is dezelfde als de Engelse Booker Prize-winnaar – alleen decor en schaalgrootte verschillen.

5. Stijl

‘Ongekunsteld, is ook zo’n lievelingskreet van recensenten. Het mag niet al te nadrukkelijk kunst zijn, niet al te opzichtig gemaakt of verzonnen. Dus terwijl buiten onze landsgrenzen ook de taal zelf stoomt en schuimt in de ­retorten — de straattaal van Zadie Smith in NW, de vorm­experimenten van Ali Smith in How to Be Both, de fragmentatie van De gewichtlozen van Valeria Luiselli, de onstuimige monoloog van Sandro Veronesi’s Zeldzame aarden — blijft in onze literaire vorm en stijl alles rimpelloos op z’n plek.’

De verleiding is groot om, zoals ik al sinds de aankondiging van dit stuk anderhalve maand geleden doe, naar Nederlandse voorbeelden te zoeken. Van der Heijden, Bouazza, Al Galidi.

Maar dit dreigt een reactie om de reactie te worden. De basis van die reactie is: er zijn veel andere plaatjes te bedenken tegenover Weijts beeld, vanuit de marges, de onderstromen, de jeugd. Je kunt je afvragen in hoeverre coryfeeën het gezicht bepalen van een land. Je kunt je perspectief correcter, feministischer, antiracistischer, politieker of juist kaler inzetten: dit land is vrouwelijker, zwarter, bewuster dan ooit. Of: het Nederlands van Nescio en Elsschot vervlakt tot geasfalteerd straatniveau. Je kunt die stellingen uitgraven, maar die beelden bestaan naast elkaar. Elke roman (verhalenbundel, dichtbundel, essaybundel) ontlokt nieuwe beelden van de literatuur, het liefst meerdere tegelijk. Wat typisch Nederlands is, durf ik niet meer te zeggen, maar een typisch literair landschap is doortrokken door loopgraven, zonder dat er een schot gelost is.

Hoe de overledenden te eren? Door hun poëzie te lezen bijvoorbeeld, bij Revisor en bij Terras en bij de DBNL. We gedenken Wim Brands (1959-2016), als vriend en dichter.

Marieke Rijneveld schreef voor hem. Dit is ‘Achteraf geschreven’.

De hond was zo aardedonker dat er geen ommetjes meer, want 
wie de nacht uit zou laten werd bang voor het licht, we hadden 
rekening kunnen houden met de slootkant, met het vuil dat van 
je voeten afkwam en zeggen dat je nooit meteen met de beste 
in zee moet gaan, wat hadden we de hond wijs kunnen maken
zodat je niet meeliep maar de stok zo ver van je af gooide dat we
de afstand met mijmeringen hadden kunnen weerleggen, je vader
op een ladder zetten en één voor één de treden afbreken tot hij op
gelijk hoogte kwam te staan, de tik in de leidingen controleren als
polsen, de tik voor lief nemen: wie de taal van de gekte sprak
zou zichzelf kunnen verstaan en je hield jezelf voor even overeind
als de ansichtkaart van je moeder die ze schreef voordat ze op
vakantie ging over het mooie weer en dat jullie het goed hadden,
zo hebben we je naast ons neergelegd met het bericht dat je terug
zou keren, uitzending gemist aangezet zonder geluid, gewoon het
beeld ik wil gewoon het beeld en dat je mijn arm weer pakt en zegt
dat als de vogels uit de lucht vallen, je over de wind moet praten,
dat je ooit ook eentje in inkt laat zetten als ze ondersteboven vliegen
als krammetjes om de verte vast te houden van dat wat we kennen,
wetend dat de meeste ansichtkaarten onderweg geschreven worden
als regenpakken weer ingepakt zijn en vaarwel zeggen verscholen
zit in de stoelen voor de laatste keer aanschuiven: niet de tafelrand
raken, de slootkant, de nagelriemen. Dan zou je zien dat de beste
oefening in eenvoud niet de dood maar het woord is, dat de
wind het soms overneemt van de hond en niet naar lig luistert,
tussen gebouwen door en mensen is het haast niet te merken
maar eenmaal op open veld stormt het soms zo dat zelfs de kraaien
op verkeerde plekken neerstrijken, het zicht wordt nu benomen en
hoe we ook wrijven, ooghoeken zijn schuilkelders.