Met Aswoensdag begint het vasten. Jan van Mersbergen, sociaal drinker, had zich voorgenomen dit jaar de alcohol te laten staan. Wat brengt het hem? Wat blijft? Wat komt terug? Een logboek, op zoek naar de de fietstocht van zijn jeugd en Nijntje in de kroeg.

*

In café de Klep in Venlo drink ik op Carnavalsdinsdagavond 1 maart 2022 mijn laatste biertje. In de aanloop naar Carnaval heb ik me voorgenomen de veertig dagen tot Pasen, min de zondagen, volledig te gaan vasten. Het idee van vasten is simpel: na de uitspatting volgt bezinning, maar hoe gaat die bezinning eruitzien, dag na dag?

Terug in Amsterdam krijg ik op de stoep bij de buren, waar mijn zoontje bij een vriendinnetje speelt, direct een biertje aangeboden. Ik zeg dat ik in de vastentijd zit, en dat duurt tot Pasen. Ik krijg een groot glas water. Ik drink het niet helemaal op, gooi het bodempje in een plantenbak voor het keukenraam. De volgende dag zie ik de buren weer. Ik drink drie blikjes Grolsch nul punt nul. Gilles van der Loo zei me ooit: ‘Jij gaat niet naar huis.’ Daar had hij gelijk in, als ik alcohol drink blijf ik hangen, al sinds mijn jeugd. Als ik er ben, dan blijf ik. Nu ga ik naar huis.

Zaterdagochtend wordt mijn jongste zoon om zeven uur wakker. De helderheid en besluitvaardigheid waarmee ik opsta, vertellen me dat die eerste week vasten al verschil maakt. Met mijn zoontje nog in pyjama op de bank kijk ik een filmpje waarin Nijntje drie ballonnen moet zien te vinden aan de hand van een schatkaart die ze zelf getekend heeft. Ik heb vaker met hem zo’n ochtend beleefd, ook na een avondje drinken. Ik heb niet het idee dat ik voor hem een andere vader ben, mijn concentratie en geduld zijn wel anders. We kijken het trage verhaal samen helemaal uit.

Wat ik ook wil bereiken: thuis onverminderd aanwezig laten zijn als ik elders ben. Ik gedij goed in een omgeving waar gedronken wordt, ben hongerig naar het volgende rondje, maar mijn gezin laat ik op die momenten thuis achter. Ik wil de helderheid van Nijntje in de kroeg.

Voor lezers die zich afvragen hoeveel ik dronk: ik kan behoorlijk doorpakken op plekken waar doorgepakt kan worden: voetbalkantine, stamcafé, feestjes, een avond bij de buren. En gevaarlijk: nooit een kater. Soms dronk ik wel een biertje in de tuin of een wijntje ‘s avonds thuis op de bank, maar dat was het dan wel. Dagen dronk ik thuis niks.

In de roman Englesby, van Sebastian Faulks, staat een definitie: ‘Wat is een alcoholist? Iemand die geld van zijn enige vriend zou stelen om een borrel te kopen, omdat die borrel belangrijker voor hem is dan het verlies van een vriend.’ De minachting voor de sociale component leidt de alcoholist, en juist het sociale drijft mijn vasten. Ik wil me tussen mensen staande houden zonder alcohol.

Die zaterdag worden er in de kleedkamer na de voetbalwedstrijd vier pitchers bier neergezet. Ik drink een flesje water. Geen moment mis ik het bier, en het is vooral belangrijk dat ik voor etenstijd naar huis fiets, om gezamenlijk spaghetti te eten.

De alcoholische roes waar ik sinds mijn dertiende zo van hou, ontdek ik nu, is het verzet van een jongen die zich verstopte. Op de middelbare school was ik een verlegen, stotterende jongen. Ik hakkelde echt als een idioot. Ik zei liever niks. Met een paar biertjes op durfde ik wel ergens te gaan staan, aanwezig te zijn, te praten. In tegenstelling tot de egocentrische alcoholisten uit de roman van Faulks maakte alcohol mij sociaal wel sterker, al hebben beide componenten te maken met durven. De een durfde asociaal te zijn, ik durfde er te zijn.

De eerste alcoholist die ik in boekvorm leerde kennen was Sus Antigoon uit Suske en Wiske, een spook met een fles aan zijn been geketend. Door zijn hoofd zit een kurkentrekker. Hij is gestorven aan de drank en kan zonder drank niet spoken. In hem zag ik nooit een tobbende alcoholist. Ik vond hem aandoenlijk, onhandig, vrolijk, verward, en vooral: aanwezig.

Die maandagavond ben ik bij een boekpresentatie in het zaaltje boven Kapitein Zeppos. Ooit was daar een liedjesavond, opgezet door Vic van de Reijt. Ik zong een Carnavalslied. In de vastentijd denken aan Vic, die ik alleen maar ken met een glas in de hand – het moet zo zijn. Ik verlaat als laatste de presentatie, maar ga wel naar huis. Ik fiets door het donker. De zwarte hemel, de sterren, ik zie de maan. Ik hoor een dynamo zoemen. Ik heb helemaal geen dynamo, het is de dynamo van mijn fiets toen ik dertien was en met mijn ouders en broer na een verjaardagsfeest door de polder terug naar huis fietste, in het pikkedonker. Voor me danste het lichtje van de koplamp over het asfalt. Het was het laatste jaar van die helderheid, daarna kregen die terugtochten een sluier van beschonkenheid over zich.

Vasten heeft iets calvinistisch. De meeste katholieken doen niet aan vasten, die pakken op Aswoensdag het gewone leven weer op. Ik ben van deels gereformeerde, deels hervormde afkomst. Straf is de basis, daarom past vasten bij protestanten. Waar de katholieken tot de zestiende eeuw aflaten kochten die het branden in de hel na de dood zouden verkorten, geselden de wederdopers zich om God te laten zien dat ze tijdens hun leven al boete deden.

Een bespreking van Mijn pa is nooit alleen, in HP de Tijd, opent met: ‘Jan van Mersbergen is de man die de lichten uitdoet op literaire feestavonden, de man die houdt van een praatje aan de bar, van gezelligheid, leven in de brouwerij, biertje in de hand…’ Dat geschetste beeld klopt. Het uitdoen van de lichten, dat bevestigde Gilles van der Loo al. Nu wil ik naar huis en daar geen duisternis treffen. Ik wil nog even samen op de bank zitten en om een uur of tien de lichten uitdoen.

Wat in die eerste droge weken naast het terugwinnen van tijd (op zaterdagmiddag fiets ik na de wedstrijd naar huis waar ik mijn zoontje nog goeienacht kan wensen) de grootste verandering is: ik ben zelf rustig in lijf en hoofd, en mijn zintuigen werken anders. Ik hoor de vogeltjes.

Op tafel in de Pels staan flessen Hertog Jan nul punt nul. Op de terugweg zie ik de maan hangen. Het is wel laat, tegen half drie, maar mijn gedachten in dat halfuur op de fiets zijn helder terwijl die fietstocht doorgaans veel later was en in een gedachteloze wolk. Ik zie de maan. Hij schittert.

Weer fiets ik door de polder van mijn jeugd, op mijn dertiende, voor ik alcohol begon te drinken en die fietstochten op thuis te komen nog niet verdoezeld werden. De tijdwinst is meer dan de avond en de ochtend, het niet-drinken brengt me terug bij mezelf toen ik een verlegen jongen was die geen roes nodig had om ergens aanwezig te zijn, maar die wel alles uiterst scherp zag en hoorde op die nachtelijke polderwegen.

In de schoolmusical van het Barlaeus Gymnasium – mijn dochter danste in die voorstelling – speelt een meisje dat ze dronken is. Ze wankelt, lispelt, ze is laveloos. Onbewust wankelen is moeilijk te acteren. Het meisje is zichtbaar nog nooit dronken geweest – gelukkig maar. Ze is dronken zoals Captain Jack Sparrow in Pirates of the Carribean, met slissende stem, een waggelende tred, maar met de zekerheid van voorkomen die Johnny Depp heel goed kan acteren. In de film maken de piraten een plan. De lamme Sparrow zegt dat hij ‘fully prepaired’ is om het plan uit te voeren. Die laag van dronkenschap is interessant: overschatting. Zelfvertrouwen. Die gezonde overmoed zocht ik in mijn jeugd.

‘Hoelang blijf je in bierquarantaine?’ vraagt de buurman via WhatsApp. Ik antwoord als grap: ‘Het hele jaar nog. Bevalt goed.’ Hij reageert met een kort: ‘Sjonge’. Dan is de app stil.

Voordat ik naar een borrel van de uitgeverij fiets denk ik: Waar ga ik na die borrel nog wat drinken? Een paar uur borrelen met collega’s is vrij kort, dus maak ik automatisch een plan voor een vervolg. Die woensdag denk ik: ik kan straks ook gewoon naar huis gaan. Dat doe ik.

Iedere laatste vrijdag van de maand: schrijversborrel in de Pels. Al zestien jaar. Aan de ronde tafel achterin de kroeg voel ik een roes, ook zonder alcohol. Het troebele vertroebelt, en dat besef ik nogmaals als ik een paar dagen later langs de Amstel loop en de stad hernieuwd zie, van de belettering op rioolputjes en de vorm van straatstenen tot de schilderachtige rivier en de regenbui in de verte. Ik kijk weer als onbevangen dertienjarige. Naar het stotteren verlang ik niet terug, die hervonden blik is een argument om het vasten het hele jaar vol te gaan houden.

Hoe dat voor mijn schrijven uit zal pakken moet blijken. Tijdens het etentje voor het Boekenbal, het laatste weekend voor Pasen, vertel ik wel mijn uitgever Eva Cossee dat ik meer zal schrijven dan ooit. Bereid je daar maar op voor. Op het Bal drink ik drie spaatjes.

Twee dagen later ben ik jarig. Ik krijg geen flessen drank dit jaar. Iedereen is op de hoogte. Ik reken uit dat ik ruim vijfendertig jaar alcohol gedronken heb. Misschien kan ik vanaf nu vijfendertig jaar geen alcohol drinken.

Op witte zaterdag, de dag voor Pasen, wordt op de Passeerdersgracht een evenement georganiseerd: stokbroodmeppen. Het is hilarisch. Compleet nuchter huppel ik als jongetje over het slagveld. Gilles krijgt een stokbrood in zijn oog. Hij weet dat ik nuchter ben. Hij zegt: ‘Ik merk totaal geen verschil.’

 

Foto CC BY 2.0 Vincent Anderlucci

De Revisor 31 is te koop – het zal je niet ontgaan zijn. Maar waarom zou je hem kopen? Als de flaptekst een reclametekst is, dan is het Redactioneel de essayistische uitwerking ervan. Laat Lotte Lentes je overtuigen, en bestel ons nieuwste nummer (kan ook als e-book). Of word gewoon abonnee.

*

In de zomervakantie van 1998 bewoonde mijn buurmeisje Franca en ik voor drie dagen een boomhut op een stukje niemandsland aan de rand van onze achtertuinen. De boomhut bestond uit twee compartimenten: een woonkamer met een ingebouwde bank en tafel en een slaapvertrek waarin precies twee matjes pasten. We besloten naast de boom waarin de hut zich bevond, ook tien vierkante meter gras te confisqueren. We zetten het af met goudkleurig cadeaulint en doopten het geheel om tot ‘Koninkrijk Kakelbont’. Geen liefdevolle verwijzing naar ons favoriete kinderboek, maar een steek naar de kroon van Pippi Langkous herself. Zij een villa, wij een monarchie.
Na drie dagen ging het mis. Wat begon als een discussie over wier taak het was de hut schoon en opgeruimd te houden, eindigde in een uren durende onderhandeling over de verdeling van macht. Want wie bepaalde de regels in Koninkrijk Kakelbont en wie volgde ze op? We waren het erover eens dat twee kapiteins op één schip er eentje te veel was, maar geen van ons tweeën wilde de rol van onderdaan op zich nemen. Dat de boomhut door Franca’s vader was gebouwd, bleek uiteindelijk het argument dat alle andere argumenten van tafel veegde. Tegen de tijd dat ik geen enkele bewijslast meer kon verzinnen om tegen Franca’s vastberadenheid in te gaan, waren de onderlinge verhoudingen al dermate verpest dat ik direct van haar grondgebied werd verbannen. Ik moest onder het gouden cadeaulint door, een vernederende voetreis terug naar mijn slaapkamer tegemoet.

Dit nummer van De Revisor gaat over landen die niet bestaan. Landen die beweren onafhankelijk te zijn, maar niet als zodanig worden erkend of serieus genomen; zogeheten micronaties (niet te verwarren met ministaten of niet-erkende staten). Overal ter wereld zijn er mensen die het heft in eigen hand nemen – ze stichten uit onvrede, bewijsdrang, nieuwsgierigheid of uit hobbyisme hun eigen land. Op een verlaten marineplatform midden in de Noordzee bijvoorbeeld (Principality of Sealand), of in een caravan gestationeerd op het Beeston Regis Caravan Park in Sheringham, Engeland (The Copeman Empire) of rond een kunstwerk in een stadspark in Wenen (Republic of Kugelmugel). Sommige van deze micronaties zijn theoretische gedachte-experimenten die concepten als soevereiniteit en nationaliteit bevragen, andere zijn utopische voorbeelden van hoe een land zichzelf het beste zou kunnen organiseren. En dan zijn er ook nog de karikaturen van bestaande staatsbestellen, waarin gewone burgers zich voor even staatshoofd wanen in een uit de hand gelopen (en soms decennialang durende) performance.

De laatste bijdrage in de categorie ‘government’ op het forum van micronations.net luidt als volgt: ‘What is the day to day role/life of a dictator vs a democratic head of state?’ Er zijn acht reacties onder de vraag van GovLynxia geplaatst, waaronder een uiteenzetting over verschillende type dictators (mediageniek/mediaschuw, showpony’s/controlfreaks) en iemand die de contactpagina van het Witte Huis tipt, voor het opvragen van een lijst van dagelijkse beslommeringen van de president. ‘Day to day with both, is to show authority,’ antwoordt RJ the I als laatste.
De praktische vraag van GovLynxia is een van de minst populaire op het forum, veel liever wordt er gediscussieerd over abstractere thema’s als politieke ideologieën, diplomatieke betrekkingen of de waarde van nieuwe valuta door een bontgekleurde stoet aan zelfbenoemde koningen, hertoginnen, keizers, presidenten, ambassadeurs en tsaren. Het ene staatshoofd is serieuzer dan het andere. Voor sommigen is het stichten van een micronatie een waardig alternatief voor het oprichten van een politieke partij of het plegen van een coup, voor de meesten is het een uit de hand gelopen hobby. Ze ontwerpen vlaggen in Paint en verzinnen de meest idiote volksliederen, ze geven paspoorten en visa uit, zelfverzonnen valuta en postzegels, het liefst met hun eigen hoofd erop. Net als autofanaten die in hun vrije tijd een miniatuurversie van een Porsche 911 nabouwen, construeren deze mensen zo waarheidsgetrouw mogelijk een natiestaat.
Helaas wordt die laatste zelden met handleiding geleverd en dat zorgt op het forum voor de nodige vragen. Hoe voer ik vreedzaam oorlog? Wat is het e-mailadres van de vn? Hoe vind ik een bevolking? Of een bondgenoot? Hoe bereken ik de waarde van mijn valuta? Hoe schrijf ik een grondwet? Kan ik mijn vlag nog veranderen? Komt mijn micronatie op Google Maps? Hoe ga ik corruptie tegen als ik de enige bewoner ben? Legitieme vragen voor situaties die per definitie hypothetisch zullen blijven. Van de blauwe maandag dat ik politicologie studeerde is er weinig meer blijven hangen dan dit: een land = grondgebied + bevolking + bestuur. In Micronations: The Lonely Planet Guide to Home-made Nations is het volgende motto van Frank Zappa opgenomen: ‘You can’t be a real country unless you have a beer and an airline – it helps if you have some kind of a football team, or some nuclear weapons, but at the very least you need a beer.’ Vast een minder goede definitie dan die van de universiteit, maar wel eentje die meer tot de verbeelding spreekt. Wat definieert een land nou echt behalve praktische kaders als grondgebied, bevolking en bestuur? Hoe ver kun je gaan in het toe-eigenen van een paar kilometer aardoppervlak? En natuurlijk niet te vergeten: wat te doen met het kinderlijke verlangen over alles de baas te willen zijn, het juk van de onderdaan van je af te willen werpen, de boomhut te betrekken, het gouden cadeaulint te spannen, ter meerdere glorie van niemand anders dan jezelf.

In De Revisor #31 vragen we auteurs zich te laten inspireren door onbestaande landen. In hun verhaal, essay of in hun poëzie brengen zij een micronatie naar keuze tot leven of laten ze zich inspireren door het concept micronatie in het algemeen. We gaan onder andere naar EuroStaete en Sealand, ontvangen een g-g-gelukszoeker uit The Kingdom of Lovely, begeven ons in een studentenkamer die betwist gebied is geworden, denken na over het kosmische Raam, zoeken Tavolara op Langswater, engageren ons met het Groothertogdom Flandrensis en duiken in een Natie voor het verdwijnen. Nieuwe staten, nieuwe staatshoofden en nieuwe onderdanen. Wees welkom!

Namens de redactie,
Lotte Lentes

Wat is de mooiste liefdeszin in het Nederlands geschreven? Een representatieve peiling wees uit: ‘Dit is het enige wat telt, lieverd, dat iemand meer in je ziet dan je wist dat er te zien was.’ Een zin van Arthur Japin, uit Een schitterend gebrek (2003). ‘Volgens de auteur is de zin wat betreft stijl niet per se bijzonder of mooi,’ tekent de NOS op. ‘Maar hij is wel kernachtig.’ Niet per se bijzonder mooi, en zoals het hoort bij dit soort lijstjes (ook Anne Frank en Hugo Claus worden genoemd) roept het vooral tegenvoorbeelden op. En de vraag of dit soort nieuwsfeitjes zijn bedacht om de Nederlandse literatuur te promoten of inderdaad al het geschrevene in het Nederlands. Bij een kookboek krijg je immers ook een Boekenweekgeschenk.

*

We namen, na een emotionele WhatsApp-correspondentie, de handschoen op, en hernemen onze rubriek ‘Zin’, waarin de redactie enkele jaren geleden met enige regelmaat mooie zinnen naar voren bracht. Dit is onze keuze.

Yentl van Stokkum:

‘ik was er zeker van / dat jij het was, dacht ik al voor ik je kon zien, ik mis je zelfs / nu je er bent’ — Peter Verhelst, Zon

Stefanie Liebreks:

‘Zita hield misschien nog veel meer van Inni. Het was alleen maar omdat Inni niet van zichzelf hield dat alles was misgegaan. Er waren natuurlijk ook mensen die beweerden dat het kwam doordat ze alle twee zulke idiote namen hadden, maar zowel Inni (Inigo, naar de beroemde Engelse architect) als Zita (de moeder van de prinses van Namibië was een aanhangster van het Huis van Habsburg) wist dat de vreemde geluiden die hun namen vormden hen uittilden boven en afzonderden van de rest van de wereld, en ze konden dan ook uren in bed doorbrengen met Inni Inni Zita Zita, en bij bijzondere gelegenheden ook met fluwelen varianten, Zinnies, Itas, Inizitas, Zinnininitas, Itizitas, koppelingen van namen en lichamen die ze op zulke momenten wel altijd hadden willen laten voortduren, maar er is nu eenmaal geen grotere vijandschap dan tussen het geheel van de tijd en elk willekeurig, afzonderlijk deel ervan, dus dat ging niet.’ — Cees Nooteboom, Rituelen (oké, dit is meer dan één zin)

Daan Stoffelsen:

‘Toen vielen ze samen peilloos diep door ’t licht en ze voelden hun lijven als zingende zonnen.’ — Nescio, Dichtertje (maar goed, dit is meer lust dan liefde, excuus)

Lotte Lentes:

‘Ik ging op het gestoffeerde bankje zitten, weer met uitzicht op zijn blote rug, en terwijl de wind over het dek blies dacht ik aan de wonderlijke afwisseling van betovering en ontnuchtering die in alle menselijke relaties voorbijtrekt, soms als een dreigende, donkere wolkenmassa en soms als niet meer dan een verre, raadselachtige sluier die een poosje voor de zon schuift en dan even achteloos overwaait.’ — Rachel Cusk, Contouren (vertaling Caroline Meijer & Lette Vos, we gaan hier de grens over, excuus)

Wat is ‘landschap’? Waar moet je aan denken? Aan het drassige herstelnatuurgebied hier verderop? Aan het strand of een stoffige vlakte? Er past veel in dat woord: veel wat groeit en beweegt, veel wat vreemd is en verrast, veel wat verloren is gegaan. Marieke Polderdijk ontmoet in haar beeldend essay de zee in Ellemeet (Schouwen-Duiveland, Zeeland) en onderzoekt deze altijd deinende watermassa als religieuze ervaring. Lees en bekijk het essay ‘Zee’.

*

Zee

 

 

De samenstelling van vruchtwater lijkt op die van zeewater.
Ik moest met de brute kracht van een vacuümpomp uit mijn moeder worden gezogen.
Mijn ouders waren klaar voor mij, maar ik was nog niet klaar met drijven.

 

De zee is vlak, deze keer. Kalm. Teruggetrokken.
Het blauw van het water loopt aan de horizon bijna moeiteloos over in de lucht.
Alsof de zee voelt hoe spannend ik het vind om deze keer echt te gaan bewegen in de branding,
te dansen, vast te leggen, het te gaan doen.
Ik ga in de branding liggen.
Ik adem uit.

Ik luister.

Met mijn handpalmen, voetzolen, billen, met mijn buik.

In het luisteren kom ik aan. Land ik in het natte, koude zand, hier, op deze plek. Mijn lichaam als voelspriet. Ik streel met mijn vinger over de zompige korrels en probeer te voelen of ik hier mag zijn van de zee. Mijn adem beweegt hoog in mijn borst. Ik vraag me af wat ik zou doen als het antwoord van de zee ‘nee’ zou zijn.

Er wandelen mensen voorbij. Hun starende blikken prikken in mijn rug.
De zee is bij me, denk ik, de zee is bij me.

 

 

 

De reikende hand van een golf raakt net mijn neus niet aan.

Het zand likt mijn huid als een kattentong.

Mijn armen met vingers als trillend schuim.

Een mensenlijf pruttelt in haar potje.

 

 

Wanneer ik in de trein zit richting station Goes en het heuvelachtige, boomrijke Arnhemse landschap langzaam zie veranderen in de uitgestrekte akker-wolkenlucht tweedeling voel ik het al: de ruimte, een opening in mijn borstkas, adem. Een gevoel van wakker worden en je hoofd neer kunnen leggen tegelijkertijd. Ik voel dit polderlandschap in mijn poriën.

Met mijn oudtante Marie Polderdijk deel ik mijn naam. Marie heeft haar hele leven uitgekeken over de Zeeuwse polders, afgezien van een enkele reis naar haar zoon die destijds in Cuba woonde. Voor een schoolopdracht onderzocht ik eens mijn familiestamboom van mijn vaders kant en kwam erachter dat mijn voorouders generaties lang uit landbouwers als Marie bestaan, slechts een enkeling waagde eens een wild tripje naar Amerika.

Het Zeeuwse polderland kan genadeloos zijn: de elementen scherp en op volle kracht nietsontziend, de polders eindeloos grijs, ontwapenend en eenzaam.

Zeeuwen houden zich warm door een gloeiend vuurtje diep onder het robuuste hout waaruit ze zijn gesneden: ze hebben geknokt voor hun land en zijn trots op hun overwinning en onderdrukking van het water.

In tante Marie zie ik wat ik in veel Zeeuwen zie: een spiegeling van het kleiland onder haar voeten: simpel, niet te veel poespas, bescheiden, nuchter, wat je ziet en hoort is wat je krijgt.

‘Ik worstel moedig en ontzwem,’ lees ik op haar gang in een ingelijste versie van het Zeeuws volkslied.

 

 

Volgens mijn ex D. smaakt mijn vulva naar oesters.

 

 

Mijn tong en keel rollen open.

Een klank diepgroen reist met de wind mee naar buiten.

Groeiend rollend soppend brullend trillend schuddend schuimend glijdend uitstrekkend armen benen buik zacht wordend smeltend opvouwend terugtrekkend in mijn eigen klauwafdrukken.

Beestachtig.

En mijn wang is knapperig.

 

 

Ik probeer een glazen augurkenpot te vullen met zeewater.
Ik wil de zee meenemen naar Arnhem, maar de zee lijkt er geen zin in te hebben. Eerst hield ik de pot stil en wachtte tot een golf hem zou vullen. Ik wilde niet opdringerig zijn, de zee zelf haar moment laten kiezen. Maar toen kwam ze niet, of in elk geval niet genoeg. Dus nu ren ik door het water hupsend achter de golven aan en schep ik ze bruut in mijn potje, draai het deksel er stevig op.
Uit mijn tas haal ik een dennentakje, duivenveertjes, eikeltjes. Stukjes Arnhem die ik de zee in ruil voor haar water wilde geven.
Ik gooi een dennentakje richting het water.
De wind slaat het terug in mijn gezicht.

Het potje met zeewater staat me nu aan te kijken vanaf een plank boven de tafel waar ik dit aan schrijf.
Er drijft een heel klein sliertje zeewier aan de oppervlakte.
Op het potje plakte ik een etiket met daarop de tekst ‘DE ZEE’.

Een verhaal heeft een plek nodig.
Maar dan moet het landschap wéér dienstbaar zijn.

 

 

Een aantal jaar geleden liep ik vast in mijn schrijven.
Toen liep ik naar een boom, klom daar in en voelde hoe de dingen weer begonnen te bewegen.
Ik zocht dijken op, vleide me neer op akkers, rolde door weilanden, dompelde mezelf in de zee.
De beweging bleef komen, alsof het van m’n schedeldak naar beneden droop m’n bekken in, m’n tenen in. Ik liet me er op mee drijven en ontdekte dat ik al de beweging als materiaal uit me kon laten vloeien.

Hoe vaker ik een boom in klom of bij het water ging liggen om de beweging op te zoeken, hoe dichterbij ik kwam, en hoe meer het gesprek een versmelten met werd, een opgaan in. Ik een geliefde leek te worden in een ongezonde, afhankelijke, relatie richting de grote ander. (ex D.)
Het verlangen af te brokkelen in de polder, me te laten versmelten met de zee: ik wilde mijn mensenlichaam afleggen, mijn ego de aarde in laten druipen.

Tegelijkertijd voelt mijn verlangen naar het opgaan in het landschap ook anders, inherent juist heel gezond. Ik word weer een kind dat voelt dat alles leeft, ademt en een stem heeft. Ik zeg ‘hoi’ tegen bomen, noem de studio waarin ik werk bij de naam die ik haar gaf en wrijf telkens even over de muren als ik daar wegga.
Zo voelt het landschap waarin ik beweeg, en vooral de zee, ronduit magisch. Het geeft me een gevoel van nietigheid, op een prettige manier, waarin ik een heel klein radartje ben in een groter levend geheel.

Hoe meer ik mezelf toesta het verlangen om te versmelten met het landschap te voelen, hoe meer ik me verzoen met het feit dat ik juist besta binnen de grenzen van dat mensenlijf, tegenover dat heilige water. Een grommend dier in de branding met een potlood in haar knuist, ontmoetend, ontmoetend, ontmoetend.

Dat ik niet één ben met maar onderdeel van.

 

 

Polders zijn eigenlijk stukken drooggepompte, opgehoogde zeebodem.

Een boerendochter die opgegroeid is op de Braakmanpolder in Zeeuws-Vlaanderen vraagt mij iets te maken voor een kunstproject op de voormalige akkers van haar vader.

Zeeuwse boeren werden na de Tweede Wereldoorlog op deze zeebodem aan het werk gezet en produceerden earrepols dat het een lieve lust was. Nooit meer een Hongerwinter.

Over gebieden zoals de Braakmanpolder groeide na verloop van tijd een ander geluid: het teruggeven van het land aan het water. Boeren werden gedwongen uitgekocht en zijn jaren later nog steeds niet terug kunnen gaan naar hun land; de herinnering is te pijnlijk. Op hun polders stromen nu beekjes, gecontrololeerd door Staatsbosbeheer, en pikken watervogels naar slakken. Er zijn paaltjes de grond ingeslagen om een wandelroute aan te geven.

Staatsbosbeheer zegt dat er een informatiecentrum is waar jij en je kinderen van alles te weten kunnen komen over dit unieke stukje natuur. De boeren zeggen dat wat zij deden ook natuur was.

Ik moet steeds denken aan al het trauma, gestold diep in mensenlijven en in die waarschijnlijk nog steeds ongehoorde bodem. En aan hoe ik die boer en boswachter bij de hand wil pakken om samen een tijdlang op zo’n akker te gaan liggen. Onze wang te leggen tegen de grond. Voelen hoe comfortabel warm het is, daar, net onder de wind.

En dat je, als je maar lang genoeg goed luistert, het kan horen pruttelen.

 

 

Ik zuig mijn longen weer vol als een glimmende vis.

Er vallen druppels uit
mijn
mond.

De bil.
Het vlees geeft mee.

 

 

Ik word mijn huid en botten.

 

Het zand draagt het geruis.

 

 

Ik zit op mijn hurken voor de zee.

Ik ben in een eerste impuls bij haar gaan liggen, maar werd al snel geconfronteerd met mijn eigen mensenlijfgrenzen: de kou van het zeewater trok vanuit de branding mijn botten in, verlammend klappertandend.

Alles is zo breed hier. De wereld is horizontaal. En alles beweegt, op ontelbaar verschillende manieren. Microwerelden van trillend wit zeeschuim, aangekomen golven die als een vloeibare, dunne deken over het zand glijden. Een zeesterretje dat zijn tentakels spreidt, een wobbelende, aangespoelde kwal, een kokkeltje dat bellenblaast.

Ik zit op mijn hurken voor de zee en spreid mijn armen. Ik wil laten zien aan de zee hoe breed ik ook ben. Ik wiebel met mijn vingers en zeg hoi zee. Hoi hoi hoi hoi. Ik ben er. Een golf rolt voor het eerst sinds ik bij het water ben, gevaarlijk dicht naar me toe, tikt mijn tenen aan.

Ik lach.

 

 

Rol me in glad zeewier.

Leg me in de branding. (Gods schoot)

M’n bekken en hoofd zakken als eerste weg.

MAMAMAMAMAMA

Ze komt.

Ssshhhht.

Een grote golf rolt als een hand over me heen en trekt me mee het water in.

Kopje onder.

 

 

Er is daar een hele wereld.

 

 

In het voorjaar van 2021 ontmoette Marieke de zee in Ellemeet (Schouwen-Duiveland, Zeeland) voor een onderzoek naar de zee als religieuze ervaring. Dit resulteerde in de fysieke performance op het strand ‘Daar liep zij een olijfgaard in, als een dorstige moeder’, waarin Marieke de zee ontmoette.
Verschillende stukken tekst uit dit essay zijn aantekeningen die Marieke maakte tijdens deze ontmoeting met de zee.

De beelden in dit werk zijn afkomstig uit een filmregistratie ervan.

 

Marieke Polderdijk (1994) beweegt, filmt, roept, zingt, speelt, tekent, kleit, performt en schrijft. Met het ritueel en in het landschap onderzoekt Marieke hoe je vrij kunt wonen en bewegen in een lichaam, een taal en een stem. De beelden, tekst en klank die in haar afstudeerjaar aan Creative Writing ArtEZ hieruit voortkwamen, werden gebundeld in de podcast ‘tietietietie’ en kwamen samen op de vloer tijdens een interdisciplinaire afstudeerperformance, getiteld ‘Hier’. Poëzie van Marieke verscheen in o.a. Kluger Hans en op Samplekanon. Haar performances en installaties waren te zien bij o.a. het Wintertuinfestival, Frontaal, Luxor Live, de Nieuwe Liefde, Perdu en Theater Oostpool. In 2018 won ze met haar poëzie de voorronde van Write Now! Nijmegen en in 2021 werd ze geselecteerd voor deelname aan het Slow Writing Lab.

Een eigen podiumprogramma! De Revisor presenteert Het Personage, een vierdelige reeks literaire avonden op bijzondere locaties in Amsterdam. In de eerste editie brengen verschillende schrijvers en een kunstenaar het personage De Conservator tot leven in Kesbeke Amsterdamse Tafelzuren Fabriek. Met bijdragen van onder andere Anne Vegter, Simone Atangana Bekono, Gustaaf Peek en Alma Mathijsen.

Sally Rooney, Pauline Genee: de redactie las deze week een expliciete roman, slim geconstrueerd, die op een Stoner-achtige manier succes kan hebben, en een kleine roman die overtuigt in spanning en ideeën.

*

Jan van Mersbergen: Sally Rooney, Normale mensen

Vooraf drie punten: zinnetjes uit een tekst halen is legitiem (1) mits die zinnetjes iets doen met de gehele tekst (2), in dit geval: expliciet maken, en het ligt niet aan de vertaling (3).
Dat laatste punt noem ik omdat het boek dat ik zojuist gelezen heb (Normale mensen) vertaald is (en wel door Gerda Baardman) en ik al veel mensen heb horen zeggen: Je moet het ook in het Engels lezen.

Ik lees amper in het Engels omdat ik erken dat mijn Engels niet goed genoeg is om op een fatsoenlijk tempo proza te lezen. Aanhakend bij het laatste punt: een expliciet zinnetje in de vertaling was in het origineel ook een expliciet zinnetje. Vertelperspectief is in het Engels en in het Nederlands de derde persoon, en in die vertelling is Rooney sturend en soms overduidelijk, daar struikel ik keer op keer over. Rooney vult veel in. Ik word er kriegelig van.

De eerste opvallende vraag bij het lezen van Normale mensen van Sally Rooney: hoe kan een schrijver uiterst expliciete vlakke zinnetjes opnemen in een tekst en toch die tekst interessant laten zijn? Want dat is Normale mensen: interessant. Maar ook onbestemd en in de vertelling dus behoorlijk expliciet en niet mijn boek. ‘Hij miste haar gezelschap.’ Oké, dat begreep ik al vanuit de context. ‘Hij was hartverscheurend eenzaam.’ Ook dat had ik al door, vooral omdat Rooney me dat bijna in iedere korte passage aan het begin van de roman vertelt.
Dat soort zinnetjes zijn er in het boek erg veel te vinden, er zijn vast ook redacteuren te vinden die er dikke strepen doorheen zouden zetten. De redacteur in mij zegt: streep erdoor. Dat is niet gebeurd, en de vraag is: moest dat gebeuren? Kan dit proza zulke zinnetjes hebben? Het staat er, het leest wel goed, het is duidelijk. Maar voor een lezer die van proza houdt dat belevend en open is, is dit werken.

Die reden, en nu ga ik uitleggerig doen, is technisch, het gaat om overdracht. Als een verteller in de derde persoon soms niet een stapje terug doet en niet alles vertelt of uitlegt dan krijgt de lezer een ingetogener beeld van de personages. Dan komen de personages voor zijn ogen tot leven, zoals in een film. Dan lees ik niet iedere keer een aanvulling van de schrijver over wat er eigenlijk gebeurt. Aanvullingen die verduidelijken, maar die ook de lezer vooral op rationeel niveau bedienen.

  • ‘Ze voelde zich gefrustreerd.’ Goed om te weten, heldere mededeling, maar kan dat zinnetje niet verpakt in een beeld of helemaal weg? Voel ik eigenlijk al niet dat zij gefrustreerd is? Krijg ik de kans wel om te voelen dat zij…? Dat zijn lezersvragen, net als: hou ik niet te veel vast aan een laat-zien principe in proza, dat het gevoel van frustratie beter over kan brengen dan dit zinnetje?
  • ‘Ze was op een monoculair niveau op zijn lichamelijke aanwezigheid gericht, alsof de gewone beweging van zijn ademhaling al krachtig genoeg was om haar ziek te maken.’ Een zin die ik totaal niet begrijp, maar die me wel iets wil duidelijk maken. Maar wat? Streep erdoor, zou de dappere redacteur zeggen. Het is toch wel een nauwkeurige beschrijving van wat deze vrouw meemaakt, zou de lezer zeggen die vooral wil weten wat die vrouw meemaakt, in plaats van dat hij dat wil voelen. Dat voelen staat trouwens met stip op één in de lijst van expliciete beschrijvingen.
  • ‘Connell voelde een aangenaam soort verdriet over zich heen komen en moest bijna huilen. Zo overvielen hem momenten van emotionele pijn, betekenisloos of tenminste onontcijferbaar.’ Weer een duidelijk betoog over emoties, maar in de context – en dat is knap – precies en toch ook een aanvulling die net iets meer biedt. Een meerwaarde. Ligt dat aan de kleine woordjes als ‘een aangenaam soort’ of ‘bijna’? Een gradatie van verdriet, die jongen was niet alleen verdrietig, het zit ingewikkelder in elkaar. Hij huilde niet. Hij huilde bijna.
  • ‘Hij wordt voortgedreven door het verlangen precies in woorden te beschrijven hoe ze eruitziet en praat.’ Wederom niet een zin die me aanspreekt, door dat verlangen en dat motief, maar wel begrijp ik dat deze jongen dit wil. Het geeft richting. Wil ik niet te veel zonder die richting lezen?

Ik moest denken aan Stoner. Bejubeld, maar hetzelfde type proza: veel uitgesponnen dialogen tussen mensen die elkaar iets willen vertellen, die hopeloos zoeken, passief en een tikje treurig, maar die vooral ook een idee dienen, het idee van de schrijver die alles keurig netjes bij de lezer wil krijgen.

Nu is dat basisidee van Rooney zeer goed, spannend en helder.
Jongen en meisje zijn ogenschijnlijk elkaars tegenpolen en staan op andere plek op de sociale ladder, ze komen tot elkaar. Zijn moeder is schoonmaakster in haar ouderlijk huis, zo ontmoeten ze elkaar. Ze houden hun relatie geheim. De afwisseling van scènes met net genoeg handeling en flink wat expliciete uitleg maken een verhaal dat een niet te missen intensiteit en broeierigheid heeft.

Een test, voor een Show, don’t tell-lezer als ik, de volgende passage, op bladzijde 92:

‘Na afloop zet ze de föhn aan en gaat hij douchen. Dan gaat ze naar het geluid van het water liggen luisteren. Ze glimlacht. Als Connell uit de douche komt, gaat hij naast haar liggen, ze kijken elkaar aan en hij raakt haar bijna aan. Mmm, zegt ze. Ze hebben weer seks, zonder veel te zeggen. Daarna voelt ze zich vredig en wil ze slapen. Hij kust haar gesloten oogleden. Zo is het niet met anderen, zegt ze. Weet ik, zegt hij. Ze heeft het gevoel dat er dingen zijn die hij niet zegt. Ze kan niet bepalen of hij de behoefte bedwingt om zich van haar los te maken of zich juist kwetsbaarder wil maken. Hij kust haar in haar hals. Haar ogen worden zwaar. Het komt wel goed met ons, zegt hij. Ze weet niet, of herinnert zich niet, wat hij bedoelt. Ze valt in slaap.’

Twee keer in deze korte beschrijvende passage loop ik tegen een zinnetje aan over gevoel. ‘Daarna voelt ze zich vredig…’ en ‘Ze heeft het gevoel…’ En een moeilijke zin over los maken en kwetsbaarheid. Eruit, zou de redacteur in mij zeggen. Maar wat blijft er dan over?

‘Na afloop zet ze de föhn aan en gaat hij douchen. Dan gaat ze naar het geluid van het water liggen luisteren. Ze glimlacht. Als Connell uit de douche komt, gaat hij naast haar liggen, ze kijken elkaar aan en hij raakt haar bijna aan. Mmm, zegt ze. Ze hebben weer seks, zonder veel te zeggen. Daarna wil ze slapen. Hij kust haar gesloten oogleden. Zo is het niet met anderen, zegt ze. Weet ik, zegt hij. Ze heeft het gevoel dat er dingen zijn die hij niet zegt. Hij kust haar in haar hals. Haar ogen worden zwaar. Het komt wel goed met ons, zegt hij. Ze weet niet, of herinnert zich niet, wat hij bedoelt. Ze valt in slaap.’

Dat is niet eens zo gek, maar nu mis ik vreemd genoeg die toevoegingen. Daar moet een beeld voor in de plaats komen, en dat beeld is er nog niet. Schrappen is niet de oplossing. Blijkbaar hebben zinnetjes die in een ander verhaal zouden storen hier een functie. Ik vind het bijzonder. Het geeft de verknochte lezer van sober beschrijvend en invoelbaar proza een kriegelig gevoel, maar ook verdieping.
‘De laatste tijd wordt hij verteerd door een gevoel…’ lees ik. En ik vind het prima, vooral omdat de structuur van de roman zeer slim en springerig is.

De korte hoofdstukken zijn in de tegenwoordige tijd verteld en verspringen in de tijd. Steeds wordt dat nu verlaten om terug te gaan in de periode waar net overheen gewipt is. Een scène, dan vier weken later weer een scène en in dat tweede stukje toch nog even vertellen wat er daartussen gebeurd is. De Volkskrant noemde het een compositorische triomf. Ik vind het slim. Dat springerige vertellen gebeurt volkomen vanzelfsprekend. Zeer knap, want totaal onopvallend. De keuze was: chronologisch kan ook. Maar dat wordt vlak en saai. De personages en de handelingen zijn niet bijster attractief, maar zo verteld krijgt het boek dynamiek juist zonder aansprekende scènes. Alles wordt rustig en precies verteld, soms wat expliciet maar wel steeds nauwkeurig en binnen heldere kaders.

Wat door de controle van Rooney als verteller speelt: Connell en Marianne zijn soms speelpoppen in haar handen. Als ze in Dublin gaan studeren en uit de gebeurtenissen al blijkt dat de jongen moeite heeft vrienden te maken, zelfs om mensen te leren kennen, vraagt Marianne hem: ‘Moeite om mensen te leren kennen?’
Dat sluit een op een aan bij de verhaalopzet en zelfs bij de flaptekst. De lezer krijgt ook in dialoog benadrukt: dit is hoe die jongen is. In die scène had Marianne haar liefje ook een iets opener vraag kunnen stellen: ‘Heb je het wel naar je zin hier?’ En dan kan hij leugenachtig antwoorden: ‘Jawel hoor,’ en dan merkt de lezer wel dat de jongen worstelt met zijn sociale contacten en zijn gevoel. In plaats daarvan moet Rooney weer via haar Marianne vertellen: ‘Hij was eenzaam.’ Dat maakt dat deze personages hun eigen en elkaars emoties goed kennen. Ze worstelen ermee, maar staan er rationeel gezien ook boven. Ze zweven.

Voor mij is het allemaal net op het randje. Net iets te expliciet, personages die net iets te ver weg staan, een kalm verhaal dat een zekere voorspelbaarheid heeft, maar vooral weinig sterke beelden in deze vertelling. Ik krijg wel mee dat Marianne opbloeit, dat staat er herhaaldelijk, ik zou graag een sprankeltje van dat gevoel mee willen krijgen. Zelfde geldt voor de hulpeloze sombere jongen, een tobber die de weg kwijtraakt. Ook dat wordt me verteld, dus ik zie hem wel tobben en rommelen, maar in één enkel duidelijk beeld dat net even groter is dan die dreunerige vertellingen kan dat gevoel van zo’n twintiger ook verpakt worden. Daar verlangde ik vooral naar, tijdens het lezen.

Waar ik ook naar verlangde: de stemmen van de personages. Sally Rooney heeft een sterke stem, ze is wel erg dominant. En dan bedoel ik dat ze sterker is dan haar personages. De dagboekvorm kan ook vanuit die twee personages goed werken, en wat een voordeel is: ik-vertellers zullen niet zo snel al hun emoties proberen te benoemen, zullen leugenachtiger zijn en een andere spanning brengen, en wellicht meer diversiteit in toon.
Is maar een optie, zoals ik steeds tijdens het lezen opties zoek om dit expliciete proza draaglijk te maken. Ik weet uiteindelijk: niet doen, strenge lezer. Is niet nodig. Laat dit verhaal, van deze schrijfster van 27, vertellen, aan andere lezers.
Tijdens de presentatie van deze vertaling, bij boekhandel Athenaeum aan de Roetersstraat, las Philip Huff een kort fragment voor en ik wist meteen: deze dialogen tussen deze personages zijn niet mijn pakkie-an. Ieder hoofdstukje voel ik dat. Dat is het effect van dit proza op mijn gemoed: steeds die weerstand.

Toch zie ik zeker dat dit boek, net als Stoner, heel veel mensen zal bevallen. Lezers zullen zich rationeel deelgenoot voelen van een klassieke problematische liefde zonder emotioneel dichtbij te komen. Dat geeft niet, ze zullen precies weten waar de roman over gaat. Bij sommige literatuur is dat voldoende.

Ambo|Anthos gaf Normale mensen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Daan Stoffelsen: Pauline Genee, Roadblock

‘Waar je dus aan denkt als je op je buik in de berm van een roadblock ligt? Je voelt het koude ijzer van een wapen in je rug, het horloge van je overleden moeder is afgepakt, net als de ring van je ex-geliefde (die had je ook niet om moeten doen! Je hebt toch die cursus gevolgd en ze waren er toch duidelijk over?) en ik durf niet meer te bewegen, voel hoe de takjes en blaadjes in de huid boven mijn wenkbrauwen prikken, er is getier vlak bij mijn oor, de stem roept steeds maar hetzelfde: “Where is the money” en “You fucking killed your friends” en “You are fucking helping the government”.
Waar je dan aan denkt?’

Pauline Genee studeerde Frans en Russisch, volgde het diplomatenklasje, werkt als speechschrijver op het ministerie van Buitenlandse Zaken en schreef de prettig ambachtelijke en ironische historische roman Duel met paard, en nu weet ze tijdens een waarnemingsmissie in een redelijk veilig land een adembenemende roadblock neer te zetten, die uitmondt in doden en een gijzeling. Roadblock is een heel spannend boek, waarin Genee zo’n situatie heel overtuigend neerzet: het lichaam staat onder spanning, de geest dwaalt af en wordt weer bij de les geroepen, de indrukken rijgen zich aaneen. Afwisseling, herhaling, lange zinnen, korte zinnen – heel vaardig, en veel minder ironisch, zij het dat Genee het wel licht kan houden met bijvoorbeeld de aanduiding ‘breiwerkjes’ voor de bivakmutsen van haar gijzelnemers.

Het is ook een boek over verhalen. Onze ik, Ava, heeft haar gelliefde Peer verlaten, een kunstenaar, een fictionalist, een verhalenvanger, om een geheim. Een familiegeheim: Ava weet dat Peer niet Fries is, maar Joods, en ze heeft gezworen dat niet te vertellen, ook al heeft ze hem opgezocht en is ze verliefd op hem geworden. Dus dat verhaal is er, en er zijn zinnen die bij Ava binnenkomen, flarden verhalen. En er is Peers theorie:

‘Ik droom dat je gelijk hebt, Peer: fictie bestaat niet. De deur van dit kamertje zal opengaan. En alle woorden die ik heb gepreveld, verlaten deze ruimte. Langs de muren gaan ze op zoek, weg uit dit huis, giechelend, fluisterend, en al snel vinden ze een spleet om door naar buiten te vluchten, een voor een.’

En die zinnen bereiken een verhalenverteller, ver weg. Het geheim van Ava, haar geschiedenis met Peer, en ook nog twee wijze tantes in Canada, en de militaire training voor de missie: het zijn wat groots opgezette verhalen die wellicht in een vorige versie van dit boek meer ruimte hadden gehad en verfijnder geweest zouden zijn, maar nu kleur geven aan een benauwde gevangeniservaring. Rob Schouten noemt de roman in Trouw een ideeënroman over vrijheid (om te denken, verzinnen, over geheimen te spreken) en onvrijheid, en juist omdat Genee veel in het vage laat (die gijzeling zou overal plaats kunnen vinden, of eigenlijk nergens, met zeer uiteenlopende karakteriseringen van mensen en landschappen) lijkt het me inderdaad niet primair een boek over een gijzeling. Het gaat over hoe mensen en geheimen je gevangen kunnen nemen, hoe je zelf een geheim kan worden, en wat vrijheid dan is. Daarbij komt de rol van verhalen, als uit de lucht ‘gevangen’ materiaal, maar ook als geestelijke ontsnappingsmethode.

Oké, genoeg geanalyseerd. Ik las dus een kleine roman die verrassend spannend en verrassend ideeënrijk is.

Querido gaf Roadblock uit.

Het is feest bij Revisor! Mede dankzij het Nederlands Letterenfonds kunnen we acht interessante auteurs met een dubbele achtergrond aan het woord laten over wat mensen samenbrengt: feest. Schrijvers zijn gevoelige feestvierders, ze zien meer dan gezellig is, en als je ook cultureel een buitenstaander bent, zie je nog meer. Proza van Richard de Nooy, Fabienne Rachmadiev, Babs Gons, Radna Fabias, Laura Broekhuysen, Naomi Rebekka Boekwijt, Simone Atangana Bekono en Dominique van Varsseveld, en de tweede bijdrage in de reeks is ‘Haring in een bontjas’.

*

Vanaf de wc stuur ik het thuisfront in Nederland foto’s en berichtjes over hoe het familiefeest is. We (mijn zus, broer en ik) zijn weer eens in Almaty, Kazachstan, waar de andere helft van onze familie woont. Ter gelegenheid van ons bezoek is iedereen bijeen gekomen in het huis van mijn oudste tante. ‘Gezellig’ antwoordt Nederland, of dat het eten er zo goed uitziet, en wie dit schattige kindje (‘net jij toen je klein was’) nou ook alweer precies is? Waren we ooit een compacte familie, inmiddels loopt er een nieuwe, vierde, generatie rond.

Tijdens zo’n feest wordt de wc vaak gebruikt om je even terug te trekken uit de drukte: foto’s waarvoor geposeerd moet, vertellen hoe het nu met je studie gaat, steeds geknuffeld worden, toch nog een hapje van dat gerecht of van dit dessert moeten proberen – zheroi zhanym, zegt mijn oma tegen ons, eet maar mijn lieve. Ook kun je op de wc gauw een beetje huilen, of gewoon stil voor je uit staren, omdat de drukte of emoties je teveel zijn geworden – totdat de nood bij de anderen te hoog wordt en ze zich ook een ogenblik aan het feestritueel moeten onttrekken. Uit solidariteit haal je dan het slot van de deur en draag je de betegelde oase over aan het volgende familielid dat even op adem moet komen. 
Hiermee probeer ik geloof ik te zeggen dat we niet echt groepsmensen zijn – introversie is een sterk erfelijk overdraagbare eigenschap. Toch doet iedereen zijn best: vele kilometers zijn per vliegtuig of auto afgelegd om op z’n minst deze ene dag bij elkaar te zijn.

Ik herinner me beelden uit het familiefoto- en videoarchief waarop het gezicht van mijn Nederlandse oma is verstild tot een uiterst beleefde, nauwelijks waarneembare glimlach en, alleen voor wie haar goed kent, een paniekerige blik richting de camera. Achter die camera houdt mijn opa zich op verjaardagen en andere feestjes wijselijk schuil. Een scène waar er voor mijn oma’s neus een zwartgeblakerde schapenkop tevoorschijn wordt getoverd, of een ander stuk vlees waarvan de herkomst (in tegenstelling tot de gehaktballetjes en cocktailworstjes die mijn Kazachse grootouders dan weer liever niet in hun mond zouden willen stoppen, maar dat ook niet weigeren) ook niet moeilijk te raden is. Hoewel bitterballen en frikandellen dan weer een groot succes waren bij mijn Kazachse neefjes, ze ook de blokjes oude kaas (min zilveruitje) altijd goed waarderen, én de griezelige haring die ze ook hun keel in proberen laten te glibberen, in navolging van ons.

Op het fameuze schapenhoofd na heeft de Kazachse feesttafel mijn voorkeur: minstens vier gangen, een mengeling van traditionele gerechten, zoals manti, van deeg, met vlees en pompoen, plov, Russische bieten- en vissalades, waaronder ’haring onder een bontjas’: in stukjes gesneden haring, biet, aardappel, en andere groenten, bedekt met een uiterst royale (dit is de bontjas) laag mayonaise, verder: ‘salade olivijee’, Europese salades met Georgische en Perzische invloeden, besprenkeld met granaatappelpitjes, in schijfjes gesneden verse kleine komkommers, vlezige tomaten, dille, dille, dille, peterselie, verse kruiden, schalen met fruit: perziken, appels, abrikozen en donkerpaarse volle druiventrossen die zwaar over de rand hangen, huisgemaakte khazi (paardenworst), Beluga-kaviaar, gehalveerde hardgekookte eieren met zalmkaviaar, gezouten vis, gefrituurde deeghapjes, vissensoep, borsjt, verse vis met jonge aardappels (en meer dille), verschillende soorten kaas, waaronder zoete zachte en zout gedroogde khurt, dan de chai: rokerige zwarte thee, uit de samovar, geserveerd met walnoot en honingtaart, gedroogd fruit, amandelen in hun schil, citroentaart, abrikozentaart, medovik, profiteroles, zoete broodjes met maanzaad, snoepjes in kleurige verpakkingen van de plaatselijke snoepfabriek Rakhat, wat zoveel als ‘zalig’ betekent.

Voor de meeste van deze feestelijkheden is de aanleiding zowel vreugdevol als toch ook droevig: het betekent dat we allemaal, heel even, in elkaars gezelschap op dezelfde plek zijn, maar ook dat we opnieuw afscheid moeten nemen. Hoewel er genoeg families zullen zijn die ondanks dat ze dicht bij elkaar in de buurt wonen, elkaar ook slechts bij geboortes, huwelijken, verjaardagen en begrafenissen zien, is er bij families die erg ver van elkaar vandaan wonen – rivieren, landsgrenzen, bergketens, continenten ertussen – de onnadrukkelijke maar continue beladenheid dat het nu echt gevierd moet worden dat we samen zijn. Ik probeer al heel lang om eens alle kleinkinderen, van de Kazachse kant, samen op een foto te krijgen. Iedereen woont inmiddels of in een ander land, of is voortdurend op reis, dus dat is geen gemakkelijke opgave en is nog altijd niet gelukt, maar wellicht de volgende keer.

Ik was op zoek naar een grappige of ontroerende anekdote, gedestilleerd uit al die voorbije bijeenkomsten, waarin een soort kern besloten zou kunnen liggen: kijk, dit is wat het betekende, toen we bij elkaar waren.
Ik herinner me ook het onprettig volle gevoel van teveel te hebben gegeten, de halfslachtige weigering en toch nog een keer vlees opgeschept te krijgen, een op de wc verstopte fles wodka, volschieten op het verkeerde moment. Een lied dat door ons samen werd gezongen en daarna moest worden vertaald voor wie toch ook de betekenis van de woorden zou willen weten. Mijn opa vroeger op de piano, mijn oma zong in het Kazachs. Het gaat over hoe alles in het leven vluchtig is, zei m’n tante, die ons deze laatste bijeenkomst niet wil vertellen hoe ziek ze is.

Ruzietjes, onderzeese vulkaanuitbarstingen. Zinsdelen strategisch onvertaald laten. De opluchting als het weer voorbij is, we weer naar ‘huis’ kunnen. Maar ook de kilte in het huis als wij achterblijven en de juiste personen zijn vertrokken. De juiste personen – je weet pas wie dat zijn als ze er niet meer zijn, want dan is het feest plots geen feest meer, alleen nog een beleefde bijeenkomst van mensen.

De ingepakte koffers, het rituele uitzwaaien, iedereen twee, drie keer omhelzen en elkaar ervan verzekeren dat het de volgende keer echt minder lang zal duren totdat we elkaar weer zien. Mijn Kazachse oma die wel huilt maar doet alsof ze niet huilt, ik ruik nog even aan haar fluweelzachte wang, mijn neefjes die me altijd een nuchtere, maar stevige knuffel geven, de lachende gezichten die je nazwaaien maar je ziet toch nog net, nog niet de hoek om, dat er tranen worden weggeveegd. De laatste keer dat ik mijn Kazachse opa zag wist ik, wisten mijn zich omkerende ingewanden, dat het de laatste keer zou zijn, ik draaide me nog eens om en zwaaide alsof ik morgen weer langs zou komen. Hij knikte, dacht ik, dat het goed was.

Mijn Nederlandse opa loopt altijd naar buiten om ons, om mij, uit te zwaaien, ook al wonen we allang weer dichtbij. Soms kijk ik op het einde van de straat nog eens om en zie dat hij er nog steeds staat en dan is het moeilijk, moeilijk om de hoek om te slaan.

Het opstijgende vliegtuig is het definitieve einde van het feest, maar bij dat opstijgen lijkt niet het hele lichaam mee te gaan, we laten altijd iets achter, een deel van het hart, als dat zou kunnen. Is dit verdeeld worden tegelijkertijd de verbintenis met al die mensen met wie je soms ruzie maakt, maar voor wie je zonder nadenken toch uit dat vliegtuig zou springen, mocht dat ineens noodzakelijk blijken? Mijn zusje, broertje en ik blijven zitten, zetten een film op, wachten mak op het vliegtuigeten, kijken nog niet naar de honderden foto’s op onze telefoons. Misschien zit er daarom zo lang tussen elk bezoek, elk feest – er moet voldoende tijd overheen zijn gegaan, langer dan een vlucht naar de wc, maar ook weer niet zo lang dat er iemand komt te overlijden zonder dat we afscheid hebben kunnen nemen, om je opnieuw te kunnen verheugen op het weerzien, en steeds opnieuw in de hoop om die grens, die dwars door ons lijkt te snijden, tussen landen, continenten, tussen verdiet en vreugde, wat te laten vervagen. Een echte oplossing is er niet.

Over beginzinnen is veel geschreven, als Jan van Mersbergen een boek aanschaft kijkt hij eerst naar de slotzin. Die zegt soms meer over een boek dan die beginzin. In deze reeks: de analyse van het laatste woord.

Vandaag: Terwijl ik al heenging van Willliam Faulkner

*

De titel van deze roman uit 1930 is afgeleid van een zin uit de Odyssee van Homerus: ‘Toen ik lag te sterven, wilde de vrouw met de ogen van de hond mijn ogen niet sluiten toen ik afdaalde in het dodenrijk.’

De vijftien vertellers van Faulkners mooie levendige goed leesbare roman hebben stuk voor stuk een eigen stem en vooral de jongens van het gezin Bundren staan me zelfs twintig jaar na mijn eerste lezing van het boek nog voor de geest: Darl, Cash en Vardaman.

Darl neemt de meeste hoofdstukjes voor zijn rekening.

Het verhaal is eenvoudig en klassiek: de moeder van het gezin is overleden en het gezin vervult haar laatste wens: ze wil graag begraven worden in haar geboorteplaats Jefferson. Dus het gezin brengt het lichaam van de moeder daar naartoe. Onderweg komen ze allerlei problemen tegen die het verhaal vormen maar vooral vormen de vertellers het verhaal, en vooral hun persoonlijke beslommeringen.

De vader, die een nieuw kunstgebit wil en vooral daarmee bezig is. De dochter, die zwanger is, wat niemand mag weten. Vardaman, die niet helemaal lekker in zijn hoofd is en uit die op een gegeven moment het kortste hoofdstukje voor zijn rekening neemt: ‘Mijn moeder is een vis.’

Dat zinnetje heb ik al heel vaak aangehaald in interviews, tijdens schrijfavonden en lessen over beeldend schrijven. Vardaman is in de war. Zijn moeder is dood en gaat de grond in. Hij vangt onderweg een grote vis die hij op een zandpad laat vallen. Dan komt deze zin, die Faulkner op een verder lege bladzijde heeft geplaatst, net onder de naam van verteller Vardaman. Het verhaal en de verwarring van die jongen, verpakt in een paar woordjes. Een schoolvoorbeeld van eenvoud en van beeldend schrijven.

Cash timmert de kist in elkaar. Op bladzijde 70 staat een lijstje van dertienredenen waarom de kist in verstek is gemaakt. Heel technisch. In verstek: ‘Dat geeft meer oppervlak qua houvast voor de spijkers, elke naad heeft twee keer zo veel oppervlak voor houvast, het water zal schuins moeten binnendringen,’ en zo verder.

Vooral de opening van dit korte hoofdstukje is goed: ‘Ik heb hem in verstek gemaakt.’ Niks erbij dat het over de doodskist gaat, dat kan iedere lezer zelf wel verzinnen en bovendien weet deze verteller waar hij het over heeft, dus hij hoeft niet te herhalen dat hij een kist maakt, en hij is een timmerman en die praten precies zo. In termen. In jargon. Daarom is dat ‘schuins’ ook zo goed.

Een eind verderop laat Faulkner dezelfde Cash in ook een heel kort hoofdstukje zeggen: ‘Hij lag niet in evenwicht. Ik heb hun gezegd als ze wilden dat hij onder het rijden in evenwicht lag, dan moesten ze’

Daar stopt het hoofdstuk. Er is iets gebeurd, een beproeving aan de rivier, er ging iets mis, met die kist. Cash weet hoe dat kwam en hij wil dat vertellen, maar vooral is hij ook in paniek en als een echte timmerman weet hij hoe het zit. Dat evenwicht. Maar omdat het daar mis zat zijn de zinnetjes die hij spreken kan ook uit evenwicht.

Vorm en onderwerp en personages vormen één beeldend geheel.

De roman sluit af met een passage verteld door Cash, de timmerman van het stel die de doodskist voor zijn moeder maakt.

De slotzin luidt:

‘Dit is mevrouw Bundren, zei hij.’

De verteller is, zoals gezegd: Cash, maar in deze laatste alinea vertelt Cash wat zijn vader zegt, met zijn nieuwe gebit in. De vader stelt het gezin voor aan iemand die buiten het gezin staat. Daar heeft hij heel lang mee gewacht. Hij was met zijn nieuwe gebit bezig,  is nu trots op zijn nieuwe gebit, ook wat verlegen. Maar hij stelt wel het hele gezin voor. De kinderen én de moeder. Mevrouw Bundren.

Zij is het enige personage dat geen stem heeft, ze is per slot van rekening overleden, maar eigenlijk draait het hele boek om haar.

Tommy Wieringa, Richard de Nooy, Lucas de Waard, Renée van Marissing, Maarten van der Graaff: de redactie las een immigratieroman in streekvermomming (advance praise), een messiasmozaïekroman, en knappe roman met onvergetelijke veegwagenbestuurders, een kleine, hyperbewuste roman, en een fraaie, tastende roman over religie.

*

Jan van Mersbergen: Tommy Wieringa, De heilige Rita

In De heilige Rita gaat Tommy Wieringa terug naar zijn Twente, compleet met het decor, de stokige karakters, de taal van de mensen daar aan de Duitse grens. Ik hou erg van proza waarin de taal van de mensen niet alleen realistisch is, maar ook beeldend en ook kort. Geen geklets. Wieringa vult zijn bladzijden – zoals altijd – met goedlopende zwierige zinnen, maar als zijn personages praten dan is het kort en duidelijk, en krijgt het accent een plaats. ‘Wat bi-j laat,’ zei zijn vader toen hij binnenkwam. Dat moet je hardop lezen, want zo op papier lijkt het Hongaars. Toch is de klank volkomen duidelijk en vormt die klank mede ook het personage.

Het mooiste voorbeeld, dat ik direct toen ik de zin las in een mailtje naar Wieringa stuurde om hem te complimenteren met dat zinnetje: ‘Zijn vader had meer kinderen gewild, zij het meer als voorzorgsmaatregel dan uit vaderliefde, “want we wonen langs een drukke weg”.’

Hier hoef ik helemaal niks aan toe te voegen, zo beeldend en schitterend, zo veel meer staat hier dan die paar eenvoudige woordjes doen vermoeden. Niks over zeggen, behalve dan dat de tot nu toe genomineerde zinnen voor de Tzumprijs, de prijs voor de mooiste zin uit de Nederlands romans van dit jaar met als prijzengeld het aantal woorden in euro’s, vanaf nu kansloos zijn.

Op vrijwel iedere bladzijde vind ik zulke zinnetjes. Wieringa gaat terug naar Twente, en dat is voor mij vooral herkenning. De jongen die pasta en rijst aan zijn menu toevoegde, die zijn vader dat laat eten, ‘zijn opstand tegen het regime van aardappelen. Al hield hij zelf ook het meeste van aardappelen, je moest je ertegen verzetten. Je werd er simpel van’. Een en al herkenning en vooral het oordeel dat je simpel wordt van het eten van aardappelen voel ik iedere avond als ik thuis niet kook en er aardappelen op tafel komen want mijn verzet tegen de piepers is erg hardnekkig, ik kook het liefste spaghetti of maak nasi. En dan toch hou ik eigenlijk het meest van aardappelen, van goed gebakken aardappelen, precies in de juiste grootte gesneden, ongeschild.

De Chinees die in De heilige Rita achter een gokkast zit, ‘die al een tijdje op geven staat’. Waarschijnlijk kennen veel mensen die uitdrukking niet, zij zullen hier overheen lezen, maar in mijn oude dorpscafé werd er zo over de fruitautomaten gepraat, als wij aan het biljarten waren.

Er valt een vliegtuigje uit de lucht, in de tijd voor die van hoofdpersoon Paul, en dat vliegtuigje doet in de verte denken aan Joe Speedboot, maar in dit boek geen artistiekeling die de lucht in wil, het is een Rus die juist naar beneden wil, op de juiste plek het liefst. Dat verhaal maakt van deze roman misschien een immigratieroman, maar voor mij is dit boek thuiskomen, in mijn eigen kleidorp dat weinig verschilt van het Twentse veen, zeker als carnaval eraan komt en de Rus zo dronken gevoerd wordt dat hij een alcoholvergiftiging oploopt. Heel anders inderdaad dan de rijke Venlose vastelaovend, waar in plaats van een enkel hoofdstukje wel een complete roman over te schrijven is.

De heilige Rita is een rijk boek dat op het eerste gezicht geboren lijkt uit fantasie. Daar geloof ik niks van. De beelden die Wieringa oproept zijn geen droombeelden, het zijn de verhalen van het land dat hij goed kent, zijn land. Of het nou een immigratieroman is, een liefdesverhaal, een vader-zoonboek, een roman van de grensstreek en de zandgronden, deze roman is vooral Wieringa’s persoonlijkste boek. Dichter bij hemzelf is deze schrijver nog nooit geweest.

De Bezige Bij geeft De heilige Rita uit, de roman verschijnt 24 oktober.

Thomas Heerma van Voss: Lucas de Waard, Kraaien Tellen, Renée van Marissing, Parttime Astronaut, Maarten van der Graaff, Wormen en Engelen

‘Ik sluit niet uit dat ik een vertekende blik op de werkelijkheid heb, maar t is net alsof er steeds meer boeken uitkomen,’ schreef Marja Pruis deze week op Twitter. Een gedachte die bij mij ook al was opgekomen, misschien ook vanuit een vertekende blik op de werkelijkheid, misschien wel omdat ik zelf niet al te lang geleden een nieuw boek heb uitgebracht — maar wat lijkt er ontzettend veel te verschijnen, de ene potentiële bestseller na de andere, en dan ook nog al die minder bekende auteurs die zich daar tussen moeten wringen. Ik probeer het bij te houden, zeker als het gaat om wat er aan Nederlandse fictie verschijnt, maar dat is niet te doen. Dat is het natuurlijk nooit, nu lijkt het alleen nog meer onbegonnen werk. Niettemin las ik de afgelopen weken veel, graag deel ik hier enkele losse bevindingen bij nieuwe Nederlandse titels:

  • Ik las Lucas de Waards Kraaien Tellen, deels omdat ik met hem enkele boekhandels aandoe en deels omdat het verhaal me aansprak: de introverte, sociaal onintelligente en soms ronduit laveloze Tobias is veegwagenbestuurder en zijn zus heeft vlak voor het begin van de roman zelfmoord gepleegd. Dat laatste is een goede keuze en heeft De Waard mooi uitgewerkt: hij klopt het drama niet op en bouwt niet toe naar een emotionele climax, de climax is juist al geweest, voor aanvang van het geheel, en via herinneringen (dat zijn er veel) komen we daar steeds meer over te weten. Dat werkt, zeker door de rauwe ondertoon in de roman, en de scènische opbouw.Met de verhaallijn in het heden had ik aanvankelijk meer moeite, althans, het duurde even voor ik daar in kwam, maar uiteindelijk ging ik mee met Tobias. En ik voelde zowaar iets van sympathie voor deze in essentie weinig sympathieke hoofdpersoon. Knap gedaan — nationale boekenredacties, lezen jullie mee? Sinds ik Kraaien Tellen las kijk ik bovendien anders naar elke veegwagenbestuurder die ik langs zie rijden, en dat lijkt me toch ook een verdienste van het boek.
  • Ik las Renée van Marissings Parttime Astronaut, een roman die juist vooral gaat over het heden, nou ja, over het alledaagse, over de verwijdering tussen een vrouw (de ik-verteller van het geheel) en haar echtgenoot. Tussen hen in staat een kind, te jong om echt mee te doen, oud genoeg om dingen wel te voelen en min of meer te begrijpen. Van Marissing heeft een fijne schrijfstijl, met een broeierig, natuurlijk ritme, met lange zinnen vol cadans, en wat mij aan Parttime Astronaut overtuigt is hoe ze inzoomt op de kleinste handelingen, beweringen en bewegingen binnen een relatie, binnen een samenzijn, en hoe ze de bijbehorende irritatie voelbaar maakt.Het verhaal is klein, behapbaar, en het leed is in zekere zin ook klein. (Al deel ik de conclusie niet die de Volkskrant dit weekend over deze roman trok: wat is het probleem nou eigenlijk? Alsof problemen altijd objectief groot moeten zijn, alsof verhalen niet juist interessant kunnen worden als kleinigheden in iemands gedachten grote casussen worden en alsof literatuur er niet om draait om zulke processen inzichtelijk te maken. Ik vind het juist fijn dat het hier allemaal niet te erg wordt opgeblazen en dat al te voorspelbare zijpaden als het gaat om echtelijk ongeluk niet worden ingeslagen.) Door die kleine opzet is Parttime Astronaut het soort boek dat je binnen een dag uitleest, wat natuurlijk ook een kwaliteit is, maar wat ik ook jammer vond: net toen ik een soort van verbond met de hyperbewuste, op alles reflecterende hoofdpersoon had, en toen ik dacht dat ze haar bestaan en dus verhaal ging omgooien, liep de roman ten einde.
  • Ik las Maarten van der Graaffs Wormen en Engelen, een fraaie, tastende roman over religie, over het afvallen van je geloof en het verlangen naar gemeenschap. Het geheel zit vrij los in elkaar, scènes worden vermengd met e-mails, heden met verleden, het is allemaal veel losser dan ik op grond van enkele besprekingen en de achterflap gedacht had, maar dat werkt wonderlijk goed: zonder dat Van der Graaff de verbanden expliciteert voel je dat al die fragmenten en scènes met elkaar te maken hebben, soms juist ook door het contrast (feestjes met XTC, de rituele doop van de vader van ik-personage Bram).En ik ging met deze Bram mee. Wat me in deze roman vooral overtuigde was dat het nergens een afrekening wordt met een bepaald milieu, niets of niemand wordt belachelijk gemaakt: er is afstand, zeker, Bram kijkt bij tijd en wijle eerder met jaloezie dan met afkeer naar volwassenen die zich bewust onderdompelen in religieuze taferelen. Een veelzeggend en knap citaat iets over de helft: ‘Een geloof waarin mensen geen verantwoordelijkheid dragen voor de manier waarop ze handelen is toch een kinderachtig geloof? En ja, zulke geloven bestaan er genoeg, maar is dit uniek aan gelovigen? En toch hoorde ik niet meer bij die ondefinieerbare groep: christenen. Is van je geloof vallen dan zo’n mistig proces, zo traag? Hoe moet ik waarde hechten aan het afvallig zijn? Nu ik me heb afgekeerd van God, wil ik weten waarnaar ik me toekeer.’

AtlasContact gaf Wormen en Engelen uit. Een voorpublicatie staat op Athenaeum.nl.
AtlasContact gaf ook Parttime Astronaut uit. Ook daarvan staat een voorpublicatie op Athenaeum.nl.
De Geus, ten slotte, gaf Kraaien tellen uit.

Daan Stoffelsen: Richard de Nooy, Van kleine helden

Ik heb de ontstaansgeschiedenis van dit boek in vele stadia kunnen volgen. Over het plan ervoor las ik voor het eerst als adviseur voor het Letterenfonds in 2013, ik meen dat het toen om een estafetteverhalenbundel ging. (Full disclosure: ook toen kende ik Richard al, ik mocht het boek niet beoordelen.) Later, vanaf 2014, bood Richard Revisor korte verhalen, satellieten bij zijn bundel aan, onder de noemer ‘Bekende vreemden’. Een voorloper was ‘Annunaki‘, en na ‘Morfine’‘Rostjni Dan’‘Skeledžija’, was ‘Muntje’ de vijfde aflevering. Soepel, sober proza, maar vooral literair spel. Uitproberen. In de tweede persoon geschreven, of in meerkeuzevragen, of als een lijstje (‘Rojstni Dan’ blijft geweldig). En een groot verhaal uit het boek is een halfjaar geleden deels in Revisor 14, in zijn geheel op Revisor.nl verschenen: ‘Schietstoel.’ Daarna was ik nog in de gelegenheid Richard een grote literaire prijs te bezorgen, maar behalve Max Pam (de Max Pam Award) en Guus Bauer (De Grote Inktslaaf Literatuurprijs) zijn er geen eenmansjury’s in dit land, en in mijn eentje heb ik Richard niet op de longlist gekregen.

Van kleine helden is te beschrijven als een mozaïekroman, en de mozaïeksteentjes die ik in de loop der jaren verzamelde, konden me hier niet op voorbereiden. Want het is echt een mooie, rijke, geëngageerde roman geworden. Het begint ook daadwerkelijk als een verhalenbundel. Verhalen van weldoeners, vloekende, gemankeerde, aan lager wal geraakte of simpelweg gedesillusioneerde weldoeners, dat wel, maar ze helpen tenminste. Ze geven telkens hun naam aan het verhaal, ondertitel is de locatie, we leren ze in kort bestek bekennen en raken ze dan weer kwijt. Eeuwig zonde, sympathieke figuren. (Richard, als je meeleest, voor je Engelse vertaling: Fabel van Venetië, een wondermooie mysterieuze Corto Maltese, eindigt met een reünie van levende en dode personages. Zoiets mag ook wel bij Small Heroes.)

Uit: Hugo Pratt, Fabel van Venetië

Wie we niet kwijtraken is Per en zijn hond Bodolf, die in het openingshoofdstuk een piepende steen aantreffen in het Noorse bos waar ze wonen. Per leren we kennen als een verwarde oude man, een figurant in die andere verhalen, en via zijn figuratie ontvouwt zich een reis. In Zweden:

‘De oude man kijkt Jens zwijgend aan. Een diepe frons verschijnt op zijn voorhoofd. “Ik kom wat brengen. Of ik ga wat halen. Misschien allebei.”
“Hoe bedoelt u?” vraagt Jens.
“Aha…” zegt de man en loopt naar de schap met wegenkaarten. Hij zet zijn bril op en kiest een kaart van Europa. Als hij de kaart voorzichtig openvouwt op de balie verspreidt zich de kruidige geur van dennennaalden en tijm, als zomerregen op een hete dag. Met zijn gekromde wijsvinger trekt de oude man een lijn vanuit Noorwegen door het hart van het continent naar Italië en zegt dan plechtig: “Omnes viae Romam ducunt.”
“Pardon?” lacht Jens.
“Alle wegen leiden naar Rome,” zegt de man.
“U wilt dus naar Italië.”
De oude man knikt. “Ja, dat lijkt me een goed idee.”‘

Ik vind dat mooi, hoe die geur zich verspreidt tot een seizoen, en hoe je deze Per eerst als dement inschat, maar langzaamaan meer in hem begint te zien… De route leidt door Duitsland en Tsjechië en Italië (waar De Nooy prachtige scènes neerzet in het appartement van Maldini en rondom het sterfbed van een strenge moeder-overste), en vandaar door de Balkan via Turkije en Syrië naar het beloofde land. In Syrië komt hij met een geweldige, grappenmakende Turkse jongen die me ook aan een personage van Corto Maltese doet denken (sorry collega’s, medio november kunnen jullie hier een verslag van het nieuwe album verwachten), en hij redt mensen en overleeft de bizarste situaties. Is deze man niet de messias? Hizir? De Mahdi? Al-Khidr?

(De Nooy heeft eerder een messias geportretteerd, in Zendingsdrang, en we hadden nog maar kort geleden Dertig dagen van Annelies Verbeke. Per beweert ergens dat hij nog maar 48 dagen oud is, en dat komt wel overeen met de grotere omvang van deze roman. Het is een rage, las ik in de krant:

Jezussen in Trouw

)

Het heeft iets science-fictiefs, en we komen ook allerlei vage complottheorieën tegen, heerlijke analyses, en de beweging naar Rome en Jeruzalem heeft iets van De ontdekking van de hemel, maar deze roman is concreter, Europeser, rauwer. (Schreef Mulisch dan een Amerikaanse roman? Ja.) Er is ook (minder dan in de Revisorverhalen) experiment, personages hebben eigen stemmen. Er wordt geneukt en er vallen doden. Niet ontoevallig volgt Per de omgekeerde route van vluchtelingen, van de voormalige beloofde landen naar de nieuwe beloofde landen. Dit boek gaat over ons, nu, hoewel Per goddank Nederland niet aandoet, wie weet wat Rechts met de bijbel hem had aangedaan. Lezen.

(Is het een perfect boek? Iets eigenaardigs is dat we Per al op reis treffen als De Nooy hem nog portretteert kort na de eerste scène: ‘Hij is angstig, gedesoriënteerd. De steen zit verankerd in zijn hand. Hij probeert het ding los te rukken, schudt met zijn arm. De adrenaline jaagt zijn hartspier op hol – vluchten-vechten-vluchten – tast zijn fijne motoriek aan, vernauwt zijn denkvermogen.’ En veel later bekijken we hem alleen vanuit andermans perspectief. Dan is het niet meer nodig, dat begrijp ik wel, maar het heeft iets inconsequents. Ik begrijp ook: het is een lastige balans, wat leg je uit, wat niet, en de openingsscène was een totaal mysterie voor me, waardoor ik iets te blanco in de daaropvolgende verhalen ging, telkens afhaakte en pas verderop verslaafd raakte. Terwijl het slotverhaal misschien weer te veel duidt – in scherp contrast met wat De Nooy in Zendingsdrang deed. Toen liet hij me in totale verwarring achter.)

Nijgh & Van Ditmar gaf Van kleine helden uit.

Vandaag het slot van ‘Nova’, een kort verhaal van Dieuwke van Turenhout. Deze week verschenen eerder al deel 1 en deel 2.

*

De mat verbranden ze in de tuin. Het rookt verschrikkelijk en stinkt ontzettend. Op het laatst scheurt Fiona haar blouse los en gooit deze op het vuur. Ze draagt geen bh en haar borsten zijn rozig en rood door elkaar. Jouw kleren.. commandeert ze. Zelf is ze al met haar broek bezig. Peter gehoorzaamt. Het knetteren van de vlammen is beter dan de geluiden eerder en de stilte die volgde.

Fiona dweilt het linoleum. Peter zit er naast in kleermakerszit. Zijn ballen voelen koud op de vloer. Hij bekijkt zijn handen opnieuw en opnieuw, bestudeert de aders, trekt aan de zwarte haren op de rug van zijn hand.
Fiona’s voeten verschijnen in zijn blikveld. Met dezelfde lege verwondering liefkoost hij haar schenen, het littekentje net onder haar knieschijf, de moedervlek op haar kuit.
En nu? Zegt Fiona.
Peter zuigt op de snee in zijn vinger, zet zijn hoektand op het dunne velletje zodat het opnieuw opengaat. De pijn is te flauw om af te leiden. Ik weet het niet, zegt hij zacht. Misschien is dit wel een droom. Juist droomde ik dat ik over de hoorn van Afrika vloog. Hij kijkt op. De vlam in Fiona’s ogen dooft alweer. Nee, dit is geen droom.
Laten we douchen. Hij staat op en kijkt vol verbazing naar de lege woonkamer. Nova is weg. Fiona trekt haar schouders even op, alsof ze een klap ontvangt.
Ze lopen naast elkaar naar boven. Hun handen raken elkaar niet. De deur van het kinderkamertje staat op een kier, de geur van Zwitsal komt hen tegemoet. Wacht, zegt hij. Hij stapt het kamertje binnen, pakt de luier uit het kozijn en sluit het raam.

En nu? Zegt Peter. Ze liggen in bed, onwennig dicht tegen elkaar aan. Fiona strijkt met haar handen over haar buik. Haar gezicht is schoon, haar borsten weer blank zoals Peter ze kent.  
We kunnen hier niet blijven. We hebben niets hier. Helemaal niets.
Wat als…hij kijkt naar zijn gladde arm, legt die voorzichtig terug, alsof er al blaasjes op zitten. Wat als wij…?
Ik weet het niet – ze heeft tot het einde toe gelachen. Ik hoop… haar stem daalt, nee ik heb geen hoop meer. Ze ruikt aan de matras. Hier, zegt ze. Ruik hier maar. Peter ruikt. Heel lang ligt hij stil met gesloten ogen, zijn neus op het laken. Fiona neuriet weer, heel langzaam dit keer, het interval tussen de regels groter en groter. Peter valt haar bij in de stilte, net voor het einde.