Met het online project SLAAx vist SLAA in de vijvers vol talent van uiteenlopende literaire platformen. Ze vroegen De Revisor om een jonge schrijver uit ‘onze stal’  aan te dragen om die een verhaal, gedicht of essay te laten schrijven met het losvaste thema ‘de stad’. Wij kozen voor Ceren Uzuner, van wie we eerder een ijzersterk verhaal in#36: De Columnist publiceerden. Lees hier de eerste alinea’s, het hele verhaal is te vinden op www.slaa.nl.

 

Ceren Uzuner (1997, zij/haar) schrijft proza en poëzie waarin liefde en identiteit centraal staan. Ze studeerde Creative Writing (ArtEZ), droeg voor op diverse podia en won de Nieuwe Types Afstudeerprijs 2022 met haar eindwerk Je zal mijn ouders nooit ontmoeten; een queer novelle. Ze is dol op nectarines en ander zomerfruit.

 

 

VERGEET DE VROUW IN HET GRAS

Ik zie een duif, aan gort gepikt – twee open wonden op zijn borst, omringd door losse veren – op de loopbrug richting het trappenhuis dat uitloopt op het park. Beneden sluipt een reiger het riet in. Het water rimpelt nauwelijks door zijn bewegingen. Mijn hoofd is gatenkaas. Het was zomer. Tong-verloren-verliefd was ik, op een vrouw die op mijn buik in het gras lag. De bomen in de binnenstad lieten hun schors los door de hittegolven die elkaar week na week opvolgden. De terrassen: overvol. De mensen: uitbundig lachend, kletsend, genietend. De meeuwen krijsten naar de friet die hen werd toegegooid. Ik dacht dat onze namen op een dag op dezelfde grafsteen zouden prijken, maar het ging uit voordat de vijgenbomen tot bloei kwamen. Bang haar overdag tegen het lijf te lopen, kwam ik een tijd lang alleen ’s nachts buiten, maar ze was – ondanks haar afwezigheid – overal. Ze was alle katten die een doodstille straat overstaken. Ze was alle vogels, dood en levend.

 

Het is Museumnacht. We fietsen door de stad en mijn stuur voelt wankel. A neemt me mee naar een kerk waarvan ik de naam telkens vergeet. Het is druk, er staat een gigantische rij voor de deur, bestaande uit mensen die hun polsbandje nog niet hebben. We passeren hen. Binnen hangt een waslijn tussen twee pilaren – vol met post-its – een soort wensboom. Ik schrijf FREE PALESTINE op een briefje en knijp het aan de lijn.

‘Ben benieuwd hoelang het duurt voordat het weg wordt gehaald,’ zegt A.

Lees verder op SLAA.nl.

Deze week verschijnt De Revisor #39 MAAR HET RIJMT NIET, een nummer geheel en al gewijd aan poëzie. Wat is het, wat mag of moet het zijn?  We vroegen veertien uiteenlopende dichters naar hun poëtica, waarvan we er hier alvast een cadeau doen: Pim Lammers (1993) is schrijver en dichter. Begin 2017 verscheen zijn debuut Het lammetje dat een varken is (illustraties: Milja Praagman). Het prentenboek werd bekroond met een Zilveren Griffel en daarmee werd Pim de jongste winnaar in de geschiedenis van de prijs. Inmiddels heeft hij verschillende titels op zijn naam staan, waaronder een groot aantal kinderboeken over gender- en seksuele diversiteit. In 2022 ontving hij voor zijn inspanningen voor een diverser kinderboekenlandschap een van de eerste Boer Boris Premies.

 

 

Pim Lammers 

Jij bent een activist


1.
Ik was zeventien jaar toen ik voor het eerst activist werd genoemd. Dat was door een ongelofelijk knappe jongen die ik had leren kennen op Gay.nl.
We hadden elkaar nog nooit ontmoet – hij woonde vijftien      minuten fietsen, vijfendertig minuten bus en twee uur trein bij mij vandaan – maar elke avond spraken we elkaar op MSN.
Ik had die dag op mijn middelbare school een Paarse Vrijdag georganiseerd, een van de eerste keren dat die dag in Nederland werd gevierd. Het had me weken aan voorbereiding gekost, maar het was een succes: leerlingen én leraren kwamen in het paars naar school.
Dit vertelde ik allemaal aan mijn lieve, knappe, maar ook veel-te-ver-weg-wonende internetliefde.
Hij reageerde met: ‘Mijn kleine activist.’ Gevolgd door een emoticon van een groot, bonzend hart.
Zijn reactie gaf mij om drie redenen kriebels in mijn buik: hij stuurde mij een hartjes-emoticon, hij zei dat ik van hem was én hij noemde mij een activist.
Ik voelde me ook een activist. Ik was nog jong, maar vastbesloten om de wereld te veranderen. Mijn eigen middelbare school leek mij een goed begin.
Dat het leven van een activist alleen ook veel teleurstellingen kent, ontdekte ik meteen die maandag daarop.
Mijn Paarse Vrijdag was een succes geweest, dus toen ik het schoolplein op fietste, verwachtte ik een queer walhalla: jongens die hand in hand liepen, brugklassers met regenboogvlaggen over hun schouders, wild tongende lesbokoppels, Lady Gaga door de intercom.
Maar niets van dat alles. Het was gewoon weer een saaie schooldag      en de rest van mijn eindexamenjaar bleef ik the only gay in the village.

 

2.
In 2014 zag ik Pride in de bioscoop – een fantastische film over een groep queer activisten die weten hoe het is om onderdrukt te worden en daarom besluiten om de stakende mijnwerkers te steunen in hun strijd tegen de kille regering van Thatcher.
Het is een film over onderdrukking, over samenwerking en vooral ook over activisme. En nog voor de aftiteling begon, voelde ik het weer in mezelf borrelen – het strijdlustige gevoel om op de barricades te willen staan, de wereld beter te willen maken.
Maar vrijwel meteen daarna voelde ik een vreemde teleurstelling en een gekke jaloezie. Ik was jaloers op de actievoerders uit de film, want zij leefden in een tijd waarin ze activist konden zijn.
En ik? Ik was te laat geboren om nog activist te kunnen zijn.
Op dat moment mochten we al meer dan dertien jaar trouwen, Paarse Vrijdag werd op steeds meer scholen georganiseerd, seksuele voorlichting was vlak daarvoor nog verplicht gesteld en de weigerambtenaar bijna uitgestorven. Waar moest ik nog voor strijden?
Ik pakte mijn jas en liep de bioscoopzaal uit, de wens om activist te zijn liet ik achter.

3.
Een paar jaar later, ik was inmiddels schrijver geworden, werd mij tijdens een lezing gevraagd of ik mezelf ook activist noemde.
De interviewer had mij vlak daarvoor nog ‘een activistische schrijver’ genoemd, het was bedoeld als compliment.
Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik doe gewoon mijn werk,’ antwoordde ik. ‘Kinderboeken schrijven.’
Ik ben schrijver en dichter. Ik zit dus vaak achter mijn bureau te schrijven, op een terrasje of in de tuin van een vakantiehuisje.
Ik gooi geen taarten in gezichten. Ik plak of keten mezelf nergens aan vast. Ik bezet geen gebouwen. Ik beklad niets met verf en hang nergens posters op. 

  Ik geef toe, ik heb een aantal keer gedemonstreerd. Maar ik stond dan ergens tussen de mensen, niet vooraan of op het podium. Ik heb nog nooit een megafoon in handen gehad.
Waarom zou ik mezelf activist noemen?
Het is waar dat er in veel van mijn verhalen en gedichten een boodschap te vinden is. Een erg belangrijke, maar eigenlijk ook erg eenvoudige: dat je altijd jezelf mag zijn.
Dat is niets geks of controversieels.
Toch?

 

4.

Helaas hebben we niet altijd de regie over de labels die we opgeplakt krijgen. Soms bepalen we zelf niet wie of wat we zijn, soms bepaalt de wereld dat voor ons.
Wanneer mijn vriend en ik door de stad lopen, om boodschappen te doen of om verjaardagscadeautjes te kopen voor onze nichtjes, pakken we niet altijd elkaars hand vast. Niet alleen omdat we bang zijn voor nare reacties, maar vaak ook omdat we geen zin hebben om activist te zijn.
Want als twee mannen hand in hand op straat lopen, is dat geen uiting van liefde maar een politiek statement. Hetzelfde geldt voor zonnen op het strand na top surgery, nagellak dragen als man, je voornaamwoorden benoemen tijdens een voorstelrondje, een gedicht schrijven over een non-binaire tante.
In deze wereld ben je soms al een activist als je alleen maar jezelf bent.

5.

De homofobie en transfobie in onze samenleving groeien tegenwoordig zo hard dat het niet meer bij te houden is. Zo neemt de haat tegen de queer community op elk socialmediaplatform toe en worden de berichten steeds vijandiger, steeds gewelddadiger.
Polarisatie wordt ook steeds vaker bewust aangewakkerd, bijvoorbeeld door het verspreiden van desinformatie over genderzorg of door de queer community in verband te brengen met grooming en pedofilie. Zo werden er vorig jaar medewerkers van Rutgers bedreigd nadat er nare leugens verspreid waren over de Week van de Lentekriebels. 
Op sociale media zetten nieuwsorganisaties soms de reacties uit onder posts over queer thema’s, alleen maar omdat ze de nare berichten niet meer kunnen monitoren – het zijn er gewoon te veel.
  En deze online haat slaat ook over op de samenleving. Er wordt gedemonstreerd bij vrolijke voorleesuurtjes door dragqueens. Regenboogvlaggen worden verscheurd en verbrand. Tien jaar geleden waren we nog verontwaardigd over de homopropagandawet ver weg in Rusland, maar op dit moment zitten er partijen in onze Tweede Kamer die van het tegengaan van ‘regenboogpropaganda’ een van hun belangrijkste speerpunten maakten tijdens de verkiezingen.

  De internationale ontwikkelingen zijn ook zeker niet hoopvol. Denk maar aan lhbt-vrije zones in Polen, aan Italië die de rechten van lesbische moeders afneemt, aan Hongarije die LHBT-voorlichting verbiedt, aan de Don’t say gay-wet in Florida of de vele anti-transwetten in andere staten. 

  En het wordt erger, want over de hele wereld groeien antirechtenbewegingen – qua geld, qua organisatie, qua samenwerking, qua invloed. Het lukt extreemrechts, gesteund door radicaal-religieuze groepen, complotdenkers en naïeve influencers, steeds vaker om de samenleving te ontwrichten.
Ook in Nederland groeit hun macht. En helaas heb ik dat zelf ervaren toen ik begin 2023 ineens weer activist werd genoemd. Dit keer niet door één iemand, maar door allerlei partijen, organisaties en individuen.
Het was niet bewonderend, zoals door de interviewer tijdens mijn lezing een paar jaar geleden. Het was ook niet flirterig, zoals door mijn Gay.nl-jongen. Het was beschuldigend, afkeurend zelfs: ik werd gezien als een lhbt-activist die gestopt moest worden.

  De leugenachtige haatcampagne en de vele afschuwelijke reacties die daarop volgden, hebben me iets pijnlijk duidelijk gemaakt:
ik ben helemaal niet te laat geboren, ik ben op het juiste moment geboren om een activist te zijn.

 

6.
Als het afgelopen jaar mij iets heeft geleerd, dan is het wel dat kinderboeken en gedichten over ‘jezelf zijn’ belangrijker zijn dan ooit.
Ik weet namelijk zeker dat een deel van de mensen die mij nare berichten hebben gestuurd, anders zouden hebben gereageerd wanneer ze zelf als kind een gedicht over twee verliefde ridders hadden gelezen of een prentenboek over een varken geboren in het lichaam van een lammetje.
Wat kinderen lezen bepaalt hoe ze naar de wereld kijken, niet alleen op jonge leeftijd maar ook op latere leeftijd. En iets is niet meer moeilijk, gek of eng wanneer je het tegenkomt in een kinderboek.
Het borrelt dus weer, dat strijdlustige gevoel om de wereld beter te willen maken. En daarom heb ik besloten om het label activist vanaf nu te omarmen. Niet omdat ik dat wil, maar omdat het nodig is.
De wereld vraagt, nee, sméékt ons om activist te zijn.
Hoe harder er wordt geroepen dat we niet onszelf mogen zijn, hoe meer we juist onszelf moeten zijn. Ik moet mijn boeken en gedichten dus wel blijven schrijven, dan maar als activistische schrijver.

 

7.

Helaas vind ik het, na alles wat er gebeurd is, soms moeilijk om met optimisme naar de wereld te kijken.
Maar wat voor activist ben ik als ik geen vertrouwen heb in de toekomst?
Ik werd mezelf bewust van dit gebrek aan vertrouwen door een gesprek met een Vlaamse collega-schrijfster én collega-activist. We hadden het over de toenemende queerfobie en deelden onze ervaringen over hoe het is om te schrijven terwijl doodsbedreigingen binnenstromen.
Daarna vroeg ze me: ‘Wat geef jou hoop?’
Ik wist het niet.
Want wat is er nog leuk aan schrijven als dat ervoor zorgt dat je huis beveiligd moet worden? Waarom zou ik nog een gedicht over gender- of seksuele diversiteit schrijven, als dat betekent dat kwaadaardige partijen mijn naam weer zullen misbruiken?
Ik had op dat moment ook al lange tijd niet geschreven en vanwege veiligheid al maanden geen klaslokaal meer van binnen gezien.
En ineens moest ik denken aan alle kinderen die ik tijdens mijn voorleesbezoeken heb ontmoet. Ineens had ik mijn antwoord: de jongen uit de kleuterklas die mij trots zijn nagellak liet zien, de twee meisjes uit groep 7 die verkering hadden en voor de hele klas het liedje én bijbehorende dansje deden waarmee ze uit de kast waren gekomen bij hun moeders, de tienjarige die wist waar alle letters van LHBTQIAP+ voor stonden (in het Engels – want dat had ze van TikTok), de moeder en haar 6-jarige trans dochtertje die elke avond Het lammetje dat een varken is lazen, de drie verlegen scholieren die mij hun uitbundige Paarse Vrijdag-plannen vertelden, en ja, zelfs de jongen die na mijn voorleesbezoek het schoolplein over rende naar zijn moeder toe en enthousiast riep: ‘Ik heb vandaag een échte homo ontmoet!’

  Deze kinderen geven mij hoop.
Omdat ze zichzelf durven zijn. Omdat ze hun leven en liefde kunnen vieren, dankzij hun omgeving – een warme familie, een begripvolle juf of liefdevolle klasgenoten.
Deze kinderen geven mij vertrouwen in de toekomst en laten mij zien waar ik het allemaal voor doe, waarom ik mijn boeken en gedichten blijf schrijven.

 

8.
Het zijn ook deze kinderen voor wie ik een gedicht als ‘Kriebelen’ schrijf. Dit gedicht gaat over een jeugdherinnering die ik zelf nooit heb gehad, maar die ik wel heel graag had gewild en die ik ook alle queer kinderen toewens.

Kriebelen

Ik zit naast opa op de bank
en probeer niet te raden
wat hij met zijn vinger
op mijn rug tekent:

 

‘Een huis? Oma?
Een dubbeldekkerbus?
Een eend? Een walvis?’ 


Opa schudt zijn hoofd,
tekent, tekent, tekent. 


Ik weet allang wat het is,
maar wat voelt nou fijner
dan gekriebel op je rug? 


Na poging zes lacht opa:
‘Ik stop. Mijn vinger is moe.
Je zoekt maar een mooie meid
om op je rug te kriebelen.’ 

 

‘En een mooie jongen?’ vraag ik.
‘Is dat ook goed?’

 

Ik durf niet om te kijken.
Opa zegt niets,
is even helemaal stil. 


Dan schrijft hij op mijn rug: 


wie jij maar wil 

Deze week verschijnt De Revisor #39 MAAR HET RIJMT NIET, een nummer geheel en al gewijd aan poëzie. Wat is het, wat mag of moet het zijn?  We vroegen veertien uiteenlopende dichters naar hun poëtica, waarvan we er hier alvast een cadeau doen: Ronelda S. Kamfer (1981) wordt gezien als de meest vooraanstaande Zuid-Afrikaanse dichter van haar generatie. Voor haar debuut Nu de slapende honden ontving ze de Eugène Marais-prijs. Bij Podium verschenen naast haar debuutbundel ook Santenkraam (2012), Mammie (2017) en Chinatown (2021). Voor #39 schreef ze drie gedichten over haar relatie met poëzie, waarvan we er hier één publiceren. (Ren naar de winkel voor de rest!) De vertaling is van de hand van Alfred Schaffer. 

 

 

Love your work 

 

Alle dichters die ik ken hebben redelijk succes

uitgedost in zelfbewustzijn en een stevig lezerspubliek dagen ze op bij het event

altijd gereed voor het podium en de verantwoorde opmerkingen na de show

 

ik houd van mensen denk ik altijd
dan zie ik ze performen
en schaam ik me voor die gedachte

 

als ik zie hoe ze staan te kletsen
met hun glaasjes champagne
en hapjes

 

besef ik het probleem ben ik
ik met mijn gevoelens
het is mijn schuld
ik neem altijd een pistool mee naar een food fight




Love your work

 

Al die poets wat ek ken is mildly successful 

hulle kom by die event dressed up in self awareness en ’n solid readership

altyd gereed vir die stage en curated commentary na die show

 

ek dink altyd ek hou van mense
dan sien ek hulle perform
en voel embarrassed vir die woorde

 

as ek hulle sien staan en praat
met hulle glasies champagne
en finger foods

 

besef ek die problem is ek
ek met my feelings
dit is my skuld
ek bring altyd ’n gun na ’n food fight

 

Voor het septembernummer zijn we op zoek naar teksten! De Revisor nodigt schrijvers uit nieuwe teksten in te zenden over het thema ‘Finale’. 

 

Ze zeggen dat het twee voor twaalf is en dat de mensheid op een kantelpunt balanceert, gevaarlijk dicht in de buurt van een afgrond. Wanneer we de kranten lezen lijkt het vaak alsof er een eindspel beslecht wordt. We staan schaak, hoe lang kunnen we nog doorspelen? 

Wat verstaan we onder een (open) einde?
Hoe groots en meeslepend of klein en kwetsbaar kan een slotfase zijn?
Welke verhalen vertellen we elkaar over winnen en verliezen, over catharsis en verlossing? 

Een naderend einde kan zowel eng als opwindend zijn. Zo groot als het wankelende voortbestaan van de wereld of zo klein als twee wespen verwikkeld in een venijnig gevecht. Strak gespannen als het net tussen twee tennisspelers in, ontroerend als de laatste aflevering van je favoriete comfortserie. Wat staat er op het spel? Zeker is dat finales ons naar het puntje van onze stoel dwingen en soms zelfs met een spandoek de straat op sturen. 

De Revisor nodigt schrijvers uit nieuwe teksten in te zenden over het thema ‘Finale’. 

Proza, poëzie, essays, alle (tussen)vormen zijn welkom en ook het thema zelf mag uiteraard op alle mogelijke manieren worden geïnterpreteerd. We kijken uit naar jullie apocalyptische gedichten, naar lyrische ikken die niet mee willen spelen, naar essays over klimaatverandering of Samuel Beckett, verhalen over backgammon, Beethoven of The Avengers, teksten waarin liefdes zachtjes uitdoven of personages juist groots en meeslepend ten onder gaan. 


Uit de inzendingen maken we een selectie voor ons septembernummer. 

 

Lengte: maximaal 1600 woorden proza / 1 gedicht

Deadline: 20 mei, 23:59. 

Te sturen aan: info@derevisor.nl o.v.v. ‘Finale’

Dit is een voorpublicatie uit De Revisor #38, een special in samenwerking met het Literatuurmuseum. Maite Karssenberg is schrijver, historicus en redacteur. Ze werkt aan een biografie over het leven en werk van vrijdenker en publicist Geertruida Kapteyn-Muysken (1855-1920), gebaseerd op haar dagboeken en brieven. In 2018 verscheen Karssenbergs eerste boek: Snijpunt Isfahan. Een zoektocht van vader en dochter. Voor De Revisor #38 dook ze in de dagboeken van dichter en vertaler Hanny Michaelis (1922-2007).

 

‘Een onbedwingbare neiging om de hele boel in de vuilnisbak te smijten.’ Over de dagboeken van Hanny Michaelis

 

De bladzijden van de schriften knisperen onder mijn vingers. Ik stel me voor hoe ze elk schrift volschreef: met een vulpen in haar regelmatige handschrift, vastberaden van linksboven naar rechtsonder over de regels zwenkend, almaar dóórschrijvend. Aan doorhalingen deed ze niet, of nauwelijks. Ze schreef wat er in haar opkwam, zo op het papier, bijna ondanks zichzelf – net als ik, denk ik bij mezelf. Ik ben ook zo’n dagboekschrijver. Ik zet mijn pen op papier en ik schrijf, zonder veel om te kijken. Maar ik ben er ‘pas’ op mijn vierentwintigste mee begonnen – zij schreef al vanaf haar zestiende, gedreven door een haast niet te beteugelen verlangen:

 

Dinsdag 8 juli ’41
±8 uur ‘s avonds
Ik schrijf opnieuw in mijn dagboek, omdat na weken van onthouding de drang naar zelfontboezeming te groot is geworden, té overweldigend om zich nog langer te laten onderdrukken door tegenzin in het ‘inhalen’ van alles, wat er in die tussentijd gebeurd is, misschien ook door een zekere zelftucht, die in werkelijkheid niets dan het domme, onredelijke knotten van een steeds sterker wordend verlangen was.

 

Hanny Michaelis, dichter en schrijver, had op haar achttiende al 22 schriften volgeschreven, en er zouden er nog tientallen volgen. In het Literatuurmuseum liggen 101 dagboekschriften opgeslagen, vier dozen vol. De dagboeken werden gevonden in haar nalatenschap. Ze heeft ze zelf nooit openbaar gemaakt – dat is te danken aan uitgeverij Van Oorschot en Nop Maas. Die laatste leerde haar vanuit zijn rol als Gerard Reve-biograaf goed kennen (ze was tien jaar getrouwd met Reve). Hij bezorgde de dagboeken die ze tijdens de oorlog schreef, en waarin ze verslag deed van haar schooltijd, verliefdheden, ruzie met haar ouders, ontluikende seksualiteit, en de oorlog, de Jodenvervolging en haar onderduik. Haar ouders overleefden de oorlog niet; zij werden in 1943 weggevoerd naar Sobibor.
De 52 dagboeken van na de oorlog – 5 geschreven in ’46 en ’47, en de overige 47 in de jaren zeventig – zijn niet gepubliceerd. Het zijn schriften in dozen in het archief van het Literatuurmuseum, die ik eerbiedig heb doorgebladerd, en die wachten op transcriptie door geduldige, geoefende ogen.
De gepubliceerde oorlogsdagboeken werden alom met lof ontvangen. Ja, schreven de critici, ze waren wel wat omvangrijk en bakvisserig – Nop Maas: ‘een typisch meisjesdagboek’ – maar tegelijkertijd gaven ze blijk van een bewonderenswaardige scherpzinnigheid, humor en literair talent.
Ik las en raakte diep onder de indruk. Een meisjesdagboek, ja, en wat voor een! Hanny Michaelis lezen is de lucht zien als een mottige grijsblauwe kluwen wachtend op splijting door naderend onweer, is denken aan de gesprekken die je als puber met je moeder had, is beseffen dat de oorlog niet ver weg is.
Meest van alles trof me in de dagboeken de onweerstaanbare, ongepolijste, schaamteloze eerlijkheid. Dat is wat deze dagboeken kenmerkt en zo ontroerend maakt.

 

Zondag 29 december ’40, ± 4 uur ’s middags
[…] tenslotte is een dagboek het enige, waarin je helemaal eerlijk kunt zijn omdat niemand anders het te lezen krijgt.

 

Tegelijkertijd besefte ook de jonge Michaelis al dat die eerlijkheid niet eenduidig is. Twee maanden later noteerde ze:

 

Maar ben ik zelf wel helemaal eerlijk in mijn dagboek? En ontkomt er wel íemand aan de verleidelijke, ongemerkte drang tot vervalsen en hervormen van de werkelijkheid?

 

*

 

Sinds enkele jaren ben ik gefascineerd door het genre van het dagboek. Als historicus, als biograaf, als schrijver, als dagboekschrijver. Het lijkt misschien een helder genre, maar het is vreemd en veelvormig. Het dagboek kan van alles zijn: alledaags logboek, emotionele klaagzang, een bundeling nooit verstuurde liefdesbrieven, een zorgvuldig uitgekiende levensbeschouwing, of alles door elkaar. Er zijn onderaan de streep eigenlijk maar drie basale elementen die een dagboek een dagboek maken: herhaalde tijdsbepaling, eerlijkheid, en de afwezigheid van een lezerspubliek, tenminste in eerste instantie.
Nog niet zo lang geleden presenteerde ik een literaire avond getiteld ‘Het dagboek, authenticiteit en obsessie’. Drie jonge schrijvers lazen een dagboekfragment voor – maar slechts één van hen las voor uit het eigen dagboek; de andere twee lazen respectievelijk een zelfgefabriceerd dagboekfragment en een van een andere auteur geleend fragment. Het publiek mocht bij deze literaire Wie van de Drie raden wat het echte dagboekfragment was.
Het geleende fragment van schrijver 1 werd er algauw uit gepikt; hoewel het slim geselecteerd was, prikte het publiek erdoorheen. Het bleken fragmenten uit de dagboeken van Virginia Woolf te zijn. Schrijver 1 schreef wel al zijn hele leven in alle vrijheid dagboeken, maar hij dacht er niet over om daaruit voor te lezen – die schriften moesten na zijn dood vernietigd worden.
Schrijver 2, zo onthulde hij, had een tekst gefabriceerd in de stijl van de dagboekfragmenten die hij ook als online nieuwsbrief schrijft. Later gaf hij toe dat hij daarnaast ook een ‘schaduwdagboek’ had. Daarin schreef hij wél over liefde en andere verwarrende gevoelens.
Schrijver 3 bleek, zoals een nipte meerderheid van het publiek al dacht, uit zijn echte dagboek te hebben voorgelezen. Over de totstandkoming daarvan vertelde hij dat hij zich er alleen van had kunnen weerhouden zijn dagboekaantekeningen tot in den treure te herzien, door ze bij wijze van experiment een jaar lang elke avond in een envelop dicht te likken. Vervolgens had hij deze verzamelde teksten laten samenvatten door artificial intelligence. Daar had hij zojuist uit voorgedragen.
Geen van de schrijvers had het aangedurfd een fragment uit hun echte, ruwe dagboeknotities openbaar te maken. Het was een dagboekavond waarin om het dagboek heen gecirkeld werd als om het oog van een storm.
Het is voor een schrijver (en, toegegeven, voor wie dan ook) niet erg aanlokkelijk om uit ongeredigeerde dagboekaantekeningen voor te dragen voor publiek. Toch had ik gehoopt dat iemand het had gedurfd. Ik had gehoopt op iets bevrijdends, iets wat onder de ernst van het schrijverschap uit zou kruipen. Wat me nu vooral opviel was juist het voortdurende, dwingende schrijversverlangen naar een goede tekst. Een verlangen dat samen leek te hangen met het haast compulsief denken aan (het mogelijke oordeel van) de Lezer. Dat idee leek het dagboek voor de schrijvers te bedekken met een extra laagje schaamte.

 

*

 

Ook Hanny Michaelis schaamde zich. Vanaf het begin al:

 

Vrijdag 16 augustus ’40, 9 uur ’s avonds
Dikwijls krijg ik nú al bij het lezen van sommige 
gedeeltes een onbedwingbare neiging om de hele boel in de vuilnisbak te smijten en nooit meer zoiets te beginnen. Maar ik doe het nooit, omdat ik de zorgvuldig afgesabbelde cliché-philosophie, die ik er in heb vergaard, in mijn hart toch maar wat interessant vind.

 

Ze bleef schrijven. Over haar eigen bakvisserigheid bijvoorbeeld (en probeer bij het lezen haar woorden in vulpenschrift voor je te zien – een zoveel intiemere sensatie dan de gedrukte letter):

 

Zondag 29 december ± 4 uur ’s middags
Maar sedert die tijd is het proces begonnen waarbij ik langzaam maar zeker zowel voor zijn denkbeelden als voor zijn blikken begon tebezwijken. Met het gevolg, dat ik nu al tot het type van de dweepzieke bakvis ben vervallen, dat haar leraar aanbidt. Ik schaam me ervoor; zó erg, dat ik lang geaarzeld heb of ik het wel zou opschrijven.

 

Of over de onthulling van haar ‘vreselijke geheim’, aan haar vader:

 

Woensdag 8januari ’41, ± half 5 ’s middags
Vanmiddag is er iets gebeurd, wat ik al maanden lang gevreesd heb, wat ik altijd krampachtig heb proberen te verhinderen. Het vreselijke geheim, dat niemand  ter wereld met me deelde, en dat gedurende
2 jaar mijn leven heeft beheerst, is ontdekt.

 

Het blijkt over haar seksuele gevoelens te gaan, over een drang tot masturbatie, iets waar ze zich zo erg voor schaamt dat ze er ook na de onthulling in heel bedekte termen over uitweidt – ze voelt zich kwetsbaar, minderwaardig en abnormaal – maar toch schrijft ze het op.

Een andere passage, veel pregnanter nog, op de dag van het afscheid van haar ouders, als ze gescheiden van elkaar in de onderduik gaan:

 

Maandag 27 juli ’42, ±half 12
Je denkt in een schrijnende gewetenswroeging aan de koekjes, die je moeder de vorige dag voor je heeft gebakken om mee te nemen, aan de jurken en blousjes, die ze ’s ochtends vroeg nog voor je heeft opgestreken. En je haat jezelf, dat je zo weinig tot meevoelen in staat bent, zo weinig onder de indruk bent van de ernst van dit ogenblik. Maar dan omhels je je vader. En dan, in een scherpe pijn, weet je: van hém houd ik wél, terwijl je je aan hem vastklemt en de plotseling overvloedige tranen probeert in te slikken.[…]
Met een schok vind je je in deze kamer terug. Je leest het geschrevene over en beseft hoe erg het is zo over zijn moeder te voelen. Maar je weet ook, dat het de waarheid is, en dat geeft je vreemd genoeg een verlichtend gevoel van voldaanheid.

 

Toen ze ouder werd, kon Michaelis steeds slechter verkroppen dat ze zo was geweest, toen. Dat ze dit soort dingen had opgeschreven. Ze schaamde zich. En de schaamte betrof niet alleen de inhoud, maar ook de stijl. Ze vond het allemaal niet goed genoeg. Haar meisjesdagboeken waren ergens wel aandoenlijk en vertederend, maar ook ‘geëxalteerde dikdoenerij’ in een ‘typische halfwas-stijl’. Het dagboek van Anne Frank, dat was goed. Haar eigen teksten, nee.

 

*

 

Michaelis wist diep van binnen wel dat het dagboek nooit de volledige waarheid spreekt. Ze had zich op haar achttiende tenslotte al verdiept in Freuds psychoanalyse. Sterker nog, haar vader had haar toen ze een jaar of zes was voor de grap het woord ‘psychoanalyse’ geleerd. Dat debiteerde ze dan op de montessorischool voor een verbijsterde juffrouw. Vader en dochter hadden ook hun eigen versie van het oedipuscomplex, het zogenaamde ‘hu-die-pappiecomplex’.
Op haar zeventiende concludeerde Michaelis ‘dat men zich zelfs in zijn dagboek om de tuin kan leiden en dat juist dit dagboek een belangrijk medium vormt voor het zich stijven in verbeelding en onwaarheid, wat bij mij heel sterk het geval is geweest’.
De eerlijkheid van het dagboek is betrekkelijk. Met het verstrijken van de tijd blijkt er altijd weer een nieuwe waarheid onder vandaan te komen. Dat is onderdeel van de schaamte – terugkijkend zie je jezelf onherroepelijk als onwetend en naïef – maar dit wetende kun je de tekst ook relativeren, en juist milder zijn voor je oude zelf.
De term schaduwdagboek is eigenlijk wel een goede – in de zin dat elk dagboek een schaduwdagboek is; een dagboek dat voor het publiek, het licht, de openbaarheid geschreven is, is geen dagboek. Een dagboek verbeeldt de schaduwversie van jezelf, datgene wat je niet aan het daglicht blootstelt. In die schaduw doet het er niet toe wat ‘waarheid’ is of ‘onwaarheid’, om precies de reden die Michaelis zelf omschrijft: verbeelding en onwaarheid zijn vaak net zo krachtig als wat wij als onze ‘waarheid’ beschouwen. Preciezer gezegd: ondanks de eerlijkheid van het dagboek, is zij slechts één‘waarheid’, en wel een grillige, zoekende, veranderlijke.
Het dagboek verborgen houden is ieders goed recht – en een vereiste voor het kunnen dagboekschrijven. Tegelijk is de ongecensureerde schaduwmens juist wat mij interesseert. (Hoe vaak vraag ik me niet af, door Instagram scrollend, hoe al die mensen zich nou echt, werkelijk voelen?)
Een schaduw kun je niet veranderen. Niet bijslijpen of inkleuren. Dat is wat ik er zo bevrijdend aan vind. Een echt dagboek is ongeremd. Niet altijd mooi of goed, maar (soms) lelijk. Ik houd zielsveel van het lezen van romans, maar het dagboek biedt een prettig tegenwicht. De soms zo verlammende innerlijke criticus uitgeschakeld. Een foto zonder selfiefilter. Een mens, net uit bed, kreukels in het gezicht en zeurend over een nare droom. Moeten wij, het lezerspubliek, dat gezeur aanhoren? Niet per se. Kunnen wij van dit mens houden? Ja. Zeker als het een getalenteerd schrijver is, iemand die woorden kan geven aan wat er in haar omgaat.

Later in haar leven werd Hanny Michaelis niet alleen nog kritischer op haar dagboekteksten, maar op al haar werk. Zodanig dat haar creativiteit stokte, belemmerd door koppigheid en schaamte. Haar karakter was daar de voedingsbodem voor, het oorlogstrauma en een opeenvolging van mislukte liefdes deden haar verder verstarren. Zelf zei ze tegen het einde van haar leven over haar schrijven: ‘Het is nooit wat geweest; het heeft er nooit in gezeten.’ Na haar vijftigste publiceerdeze op een enkel gedicht na niets meer.
Maar die 101 schriften heeft ze nooit in de vuilnisbak gesmeten.

In de poëziereeks ‘Binnenin’  delen we op onregelmatige basis een dichter die wij beloftevol vinden. Deze keer: drie gedichten van Angelika Geronymaki. Angelika Geronymaki (1986) schrijft, met een voorliefde voor filosofie en popcultuur, poëzie en theater die de absurditeit van het leven uitvergroot, probeert te vatten of juist een nieuwe werkelijkheid aandraagt. Ze stond na het winnen van de Poetry Slam van Rotterdam in de finale van de NK Poetry Slam in 2022 en droeg onder meer voor bij Poetry International, Mensen Zeggen Dingen, Poëzie Lagogo en Woordnacht. Ze zit in de fictieredactie van Hard//hoofd, publiceerde onder andere in Het Liegend Konijn, op Samplekanon, in Hard Gras en in Kluger Hans

 

36 keer proberen

ook nu nog, hier opnieuw een poging

zonzoekende sinaasappels
in de boomgaard oranje
beschimmelen in mijn hand
kleuren er wit en aaibaar

ik strijk ze aan beide kanten langs mijn gezicht
het zacht plakt, geeft me donzige rouge
sporen om een leren huid te begroeien
zo pakt het fijner vast

een vader zette panelen op
schiep een scherp leeg canvas
al mijn oude probeersels liggen bewaard in een la
onder de fruitbomen
diep in de aarde schuift moeizaam uit
mieren krioelen door de lade,
knieën worden vies, onderarmen dik en warm van het trekken

als ik geluk heb
kijk je ook hier, naar mijn nieuwe zachte wangen
het is makkelijker, snap je,
je hoeft alleen het hoofd te heffen

 

 

Feiten over dolfijnen

een dolfijn klimt op een ruimteschip om de aarde te ontvluchten
onderweg passeren zes manen
de zevende is een man
hij zucht:
de grootste, orka, was in de zuidelijke Noordzee al een dwaalgast
de kleinste, Haviside, een beruchte Benguelastroomclochard
nu zwerft ook deze los door de kosmos

een achtste man schiet eensklaps in de lach
niet omdat hij het tafereel had bekeken
zijn liefde voor blaasgaten is met de jaren gegroeid
de afdruk van het trombonemondstuk staat hem nog op de lippen
verlangend naar de dierlijke variant lift hij naar het dichtstbijzijnde aquarium
hij neemt een verwachtingsvolle duik

te troebel voor een tuimelaar drijven in het chloorwater zes ministers
een zevende minister sterft
de man huilt
nooit eerder had hij iemand heen zien gaan
en, er zijn geen dolfijnen bij
rimpelend in het water zuigen plooien als sponzen vol
zijn wangen absorberen de tranen
de ministers en de man liggen droog

de eerste minister verontschuldigt zich voor het ongemak

 

 

Aangetroffen leefgebied expansie

langzaam laat het los
het trager draaien om de zon doet gejaagdheid afnemen
had je het hier niet achtergelaten
zonder afgeschraapt behang
spinrag gespannen langs de muren
beten van omlaag gerichte kaken in de fauteuil
een afgekloven tapijt

er is een kleine kamer voor je gereserveerd
door poot geslagen gaten in het plafond valt licht,
geluid, soms een mandarijn
de witte pelvellen onder de schil lijken meer
en stugger dan voorheen
de vrucht is ingekapseld
zorgvuldig bevrijd je elk partje

wanneer het regent douche je
brede luxueuze stralen strelen
dynamische sproeiers pulseren
optimale verdeling van water
je verlangt elke dag naar zwaar weer

rijen ter grote van een veehouderij
willen ook de kamer in
een soldaat die acht wapens draagt
is niet makkelijk te verslaan met een inschrijfformulier
de bewaker van aanzienlijk formaat
roept begeerte, bij anderen afgunst op
sommige vinden het goor
jij vraagt je af of dit stockholmsyndroom
of dat je echt totale ontspanning,
misschien zelfs liefde, ervaart

Deze week verscheen Revisor #34, het eerste nummer onder kersverse redactie. Het staat bomvol hemelbestormende debutanten en je vindt het in onze webshop of bij de betere boekhandel. Maar hier lees je alvast het redactioneel, dat een inkijkje geeft in de totstandkoming van dit nummer, en in wat kroepoek en literatuur met elkaar te maken hebben. 

 

Wat is een giraf? Het is een lang, vaalgeel dier versierd met bruine ruiten, een soort stapstenen over een aartsluie beek, uitgerust met stompe hoorntjes en een lange, ietwat kokette tong. Ze is eerder verwant aan de Eiffeltoren dan aan de leeuw, eet blaadjes die te verheven zijn voor mensenmonden en maakt maar heel soms geluid, omdat alle giraffen van nature ontzettend verlegen zijn.

Iets moeilijker: wat is kroepoek? Het is wit en van garnalen gemaakt. Het smelt op je tong, maar is niet zoet en na het smelten ook niet verdwenen, maar een soort plakkerige pasta op je kiezen, hoewel in de verste verte geen familie van kauwgom. Waar de garnalen in de kroepoekzak zwemmen? Geen idee! Als iemand zou beweren dat kroepoek aan struiken groeit dan zouden we dat, al is het maar voor een moment, voor ons kunnen zien.

Het moeilijkst: wat is een literair tijdschrift? Allerlei schrijvers en dichters, recensenten en studenten zullen nu roepen: ‘Dat weet ik! Want literatuur is dit en een tijdschrift dat, dus samen maakt dat dit!’ Maar dat ‘dat’ in ‘dat dit’ is in de loop der jaren een bundeltje teksten, een dunne krant, een fles wijn, een stel clandestien uitgeprinte velletjes op een kopieermachine van Unesco, een website en een staalkaart behangpapier geweest. En dat ‘dit’ in ‘dat dit’ is de aloude vraag: wat is literatuur? Een vraag die
elke paar jaar met veel bombarie door een recensent of schrijver beantwoord moet worden (of nou ja, eigenlijk gebeurt dat antwoorden meestal andersom: ‘Dit is toch geen literatuur!’) waarna die schrijver of recensent als een aandoenlijke eenmans-Titanic met diens antwoord ten onder gaat. Literatuur is een heleboel, bijna alles, het is maar net wat je mooi zingen vindt.

Conclusie: een literair tijdschrift kan vrijwel alles zijn.

Die conclusie is welkom. Voor je ligt het eerste nummer gemaakt door de volledig vernieuwde redactie van De Revisor. Vijf kersverse redacteuren, Simone Atangana Bekono, Lotte Lentes, Stefanie Liebreks, Joost Oomen en Yentl van Stokkum staan klaar om de toekomst in te tuimelen en al vallende te onderzoeken wat voor gedaantes een literair tijdschrift aan kan nemen. Te beginnen met een poeltje water waarin een aantal glinsterende en uitzonderlijk kleurrijke forellen groeien. Schrijvers, dichters en denkers die wij koesteren, steengoed vinden en die (nog) niet onder contract staan bij een (Nederlandse) uitgeverij. Niet alleen een buitenkans voor jou als lezer dus, maar ook voor vissende redacteuren of literair agenten. Ze zijn radicaal kwetsbaar, of knallen hun getalenteerde zelf juist met veel bravoure de wereld in. Ze zijn bloot en willen beginnen.

Wietse Leenders situeert zijn verhaal in de tijdloze tussenwereld van de snelweg, waar hij zijn personages in ronkende taal hun eenzaamheid laat beschrijven, terwijl Julia de Dreu ons meeneemt in een oefening in overgave, op zoek naar ‘een waarheid die je kan dragen als je eigen huid’. De schrijfopdracht die we Melissa Knollenburg gaven, leidde tot de ontdekking van verloren gewaande familie, waar ze het prachtige essay ‘Hoe zullen we dit sorteren, op genen?’ over schreef. Daarin puzzelt ze zorgvuldig het verleden van haar voormoeder bij elkaar, door steeds een stukje nieuw materiaal toe te voegen. Die zorgvuldigheid komt in een andere vorm terug in het werk van Martin Rombouts, die
gevonden materiaal zodanig weet te buigen en bewerken dat er een heel nieuw poëtisch idioom ontstaat.

We verzamelden schrijvers die je wellicht van de podia kent, zoals Jasper Albinus, wiens poëzie zinnelijk over de pagina beweegt, en schrijvers van wie we de eerste versie van hun tekst voor het eerst op een podium hoorden, zoals Sayonara Stutgards ‘Een lege tafel’, een gedicht dat onrust stookt. Onze jongste forel, Iris Dicke, schreef een gedicht waarin een verloren gezelschapsspel een reeks prachtige bespiegelingen ontketent en de hypnotische manier waarop Anne Sanderling met taal omgaat, zorgde ervoor dat ze uit de kopij werd gepikt.

In het proza van Jori(k) Amit Galama dreigt het schot van een jachtgeweer, maar bieden de natuur en glinsterend gezelschap toch bescherming. Ook Steff Geelens verhaal ‘Een flinterdun lichaam aan mijn voeten’ neemt zijn toevlucht tot een bos en beschrijft een transformatie die alle zintuigen uitdaagt. In de speelse en levendige gedichten van Thom Wijenberg trekken wonderlijke liefdesbaby’s, slush puppies en de lach van Silvio Berlusconi aan ons voorbij en Cécile van Wijnsberge beschrijft in ‘Kick’ hoe een allereerste xtc-pil de horizon doet kantelen. Ten slotte droeg ook de Spaanse auteur Alejandro Morellón bij aan dit nummer. Joep Harmsen vertaalde ‘Vogels die de toekomst zingen’, waarin de hoofdrol is weggelegd voor het meest begeerde object van ieder jarennegentigkind: de furby.

Conclusie: een literair tijdschrift kan vrijwel alles zijn en datzelfde geldt voor de verhalen, gedichten, essays en schrijvers die in dit nummer hun opwachting maken. Voor ons als nieuwe redactie markeert dit nummer bovendien een nieuw hoofdstuk in de kleurrijke geschiedenis van De Revisor. Zoveel verschillende forellen en giraffen gingen ons voor, maar nu is het aan ons.

Wij zijn bloot, en wij beginnen.

 

Simone Atangana Bekono, Lotte Lentes, Stefanie Liebreks, Joost
Oomen en Yentl van Stokkum.

 

Ten slotte wint de dood, jazeker

maar de dood is slechts de stilte in de zaal

nadat het laatste woord geklonken heeft.

De dood is een ontroering.

 

De Revisor gedenkt Remco Campert, schrijver, dichter, de laatste Vijftiger. We lezen zijn woorden, bijvoorbeeld zijn gedicht ‘1975’, dat in het vijfde nummer van de tweede jaargang van De Revisor stond. In 2015 verscheen het Campertnummer van De Revisor, waarin o.a. Vicky Francken, Joost Oomen, Daan Heerma van Voss, Annelies Verbeke, Alma Mathijsen, Frank Heinen, Asha Karami, Han van Wieringen en Roos van Rijswijk op Campert reageren. Redacteur Jan van Mersbergen schreef een kleine ode aan de grote schrijver, Daan Stoffelsen ook, en hij interviewde Mirjam van Hengel over het toen zojuist verschenen ‘Een knipperend ogenblik. Portret van Remco Campert’.

Maar uiteindelijk kan poëzie het het beste zeggen: K. Michel schreef het gedicht ‘Vragen & klepels’ ter gelegenheid van Camperts tachtigste verjaardag.

 

Is het waar
dat hij het levensraadsel heeft opgelost maar het notitieboekje is kwijtgeraakt?

En ik antwoordde:
Ja, dat is inderdaad waar.

 

 

Met Aswoensdag begint het vasten. Jan van Mersbergen, sociaal drinker, had zich voorgenomen dit jaar de alcohol te laten staan. Wat brengt het hem? Wat blijft? Wat komt terug? Een logboek, op zoek naar de de fietstocht van zijn jeugd en Nijntje in de kroeg.

*

In café de Klep in Venlo drink ik op Carnavalsdinsdagavond 1 maart 2022 mijn laatste biertje. In de aanloop naar Carnaval heb ik me voorgenomen de veertig dagen tot Pasen, min de zondagen, volledig te gaan vasten. Het idee van vasten is simpel: na de uitspatting volgt bezinning, maar hoe gaat die bezinning eruitzien, dag na dag?

Terug in Amsterdam krijg ik op de stoep bij de buren, waar mijn zoontje bij een vriendinnetje speelt, direct een biertje aangeboden. Ik zeg dat ik in de vastentijd zit, en dat duurt tot Pasen. Ik krijg een groot glas water. Ik drink het niet helemaal op, gooi het bodempje in een plantenbak voor het keukenraam. De volgende dag zie ik de buren weer. Ik drink drie blikjes Grolsch nul punt nul. Gilles van der Loo zei me ooit: ‘Jij gaat niet naar huis.’ Daar had hij gelijk in, als ik alcohol drink blijf ik hangen, al sinds mijn jeugd. Als ik er ben, dan blijf ik. Nu ga ik naar huis.

Zaterdagochtend wordt mijn jongste zoon om zeven uur wakker. De helderheid en besluitvaardigheid waarmee ik opsta, vertellen me dat die eerste week vasten al verschil maakt. Met mijn zoontje nog in pyjama op de bank kijk ik een filmpje waarin Nijntje drie ballonnen moet zien te vinden aan de hand van een schatkaart die ze zelf getekend heeft. Ik heb vaker met hem zo’n ochtend beleefd, ook na een avondje drinken. Ik heb niet het idee dat ik voor hem een andere vader ben, mijn concentratie en geduld zijn wel anders. We kijken het trage verhaal samen helemaal uit.

Wat ik ook wil bereiken: thuis onverminderd aanwezig laten zijn als ik elders ben. Ik gedij goed in een omgeving waar gedronken wordt, ben hongerig naar het volgende rondje, maar mijn gezin laat ik op die momenten thuis achter. Ik wil de helderheid van Nijntje in de kroeg.

Voor lezers die zich afvragen hoeveel ik dronk: ik kan behoorlijk doorpakken op plekken waar doorgepakt kan worden: voetbalkantine, stamcafé, feestjes, een avond bij de buren. En gevaarlijk: nooit een kater. Soms dronk ik wel een biertje in de tuin of een wijntje ‘s avonds thuis op de bank, maar dat was het dan wel. Dagen dronk ik thuis niks.

In de roman Englesby, van Sebastian Faulks, staat een definitie: ‘Wat is een alcoholist? Iemand die geld van zijn enige vriend zou stelen om een borrel te kopen, omdat die borrel belangrijker voor hem is dan het verlies van een vriend.’ De minachting voor de sociale component leidt de alcoholist, en juist het sociale drijft mijn vasten. Ik wil me tussen mensen staande houden zonder alcohol.

Die zaterdag worden er in de kleedkamer na de voetbalwedstrijd vier pitchers bier neergezet. Ik drink een flesje water. Geen moment mis ik het bier, en het is vooral belangrijk dat ik voor etenstijd naar huis fiets, om gezamenlijk spaghetti te eten.

De alcoholische roes waar ik sinds mijn dertiende zo van hou, ontdek ik nu, is het verzet van een jongen die zich verstopte. Op de middelbare school was ik een verlegen, stotterende jongen. Ik hakkelde echt als een idioot. Ik zei liever niks. Met een paar biertjes op durfde ik wel ergens te gaan staan, aanwezig te zijn, te praten. In tegenstelling tot de egocentrische alcoholisten uit de roman van Faulks maakte alcohol mij sociaal wel sterker, al hebben beide componenten te maken met durven. De een durfde asociaal te zijn, ik durfde er te zijn.

De eerste alcoholist die ik in boekvorm leerde kennen was Sus Antigoon uit Suske en Wiske, een spook met een fles aan zijn been geketend. Door zijn hoofd zit een kurkentrekker. Hij is gestorven aan de drank en kan zonder drank niet spoken. In hem zag ik nooit een tobbende alcoholist. Ik vond hem aandoenlijk, onhandig, vrolijk, verward, en vooral: aanwezig.

Die maandagavond ben ik bij een boekpresentatie in het zaaltje boven Kapitein Zeppos. Ooit was daar een liedjesavond, opgezet door Vic van de Reijt. Ik zong een Carnavalslied. In de vastentijd denken aan Vic, die ik alleen maar ken met een glas in de hand – het moet zo zijn. Ik verlaat als laatste de presentatie, maar ga wel naar huis. Ik fiets door het donker. De zwarte hemel, de sterren, ik zie de maan. Ik hoor een dynamo zoemen. Ik heb helemaal geen dynamo, het is de dynamo van mijn fiets toen ik dertien was en met mijn ouders en broer na een verjaardagsfeest door de polder terug naar huis fietste, in het pikkedonker. Voor me danste het lichtje van de koplamp over het asfalt. Het was het laatste jaar van die helderheid, daarna kregen die terugtochten een sluier van beschonkenheid over zich.

Vasten heeft iets calvinistisch. De meeste katholieken doen niet aan vasten, die pakken op Aswoensdag het gewone leven weer op. Ik ben van deels gereformeerde, deels hervormde afkomst. Straf is de basis, daarom past vasten bij protestanten. Waar de katholieken tot de zestiende eeuw aflaten kochten die het branden in de hel na de dood zouden verkorten, geselden de wederdopers zich om God te laten zien dat ze tijdens hun leven al boete deden.

Een bespreking van Mijn pa is nooit alleen, in HP de Tijd, opent met: ‘Jan van Mersbergen is de man die de lichten uitdoet op literaire feestavonden, de man die houdt van een praatje aan de bar, van gezelligheid, leven in de brouwerij, biertje in de hand…’ Dat geschetste beeld klopt. Het uitdoen van de lichten, dat bevestigde Gilles van der Loo al. Nu wil ik naar huis en daar geen duisternis treffen. Ik wil nog even samen op de bank zitten en om een uur of tien de lichten uitdoen.

Wat in die eerste droge weken naast het terugwinnen van tijd (op zaterdagmiddag fiets ik na de wedstrijd naar huis waar ik mijn zoontje nog goeienacht kan wensen) de grootste verandering is: ik ben zelf rustig in lijf en hoofd, en mijn zintuigen werken anders. Ik hoor de vogeltjes.

Op tafel in de Pels staan flessen Hertog Jan nul punt nul. Op de terugweg zie ik de maan hangen. Het is wel laat, tegen half drie, maar mijn gedachten in dat halfuur op de fiets zijn helder terwijl die fietstocht doorgaans veel later was en in een gedachteloze wolk. Ik zie de maan. Hij schittert.

Weer fiets ik door de polder van mijn jeugd, op mijn dertiende, voor ik alcohol begon te drinken en die fietstochten op thuis te komen nog niet verdoezeld werden. De tijdwinst is meer dan de avond en de ochtend, het niet-drinken brengt me terug bij mezelf toen ik een verlegen jongen was die geen roes nodig had om ergens aanwezig te zijn, maar die wel alles uiterst scherp zag en hoorde op die nachtelijke polderwegen.

In de schoolmusical van het Barlaeus Gymnasium – mijn dochter danste in die voorstelling – speelt een meisje dat ze dronken is. Ze wankelt, lispelt, ze is laveloos. Onbewust wankelen is moeilijk te acteren. Het meisje is zichtbaar nog nooit dronken geweest – gelukkig maar. Ze is dronken zoals Captain Jack Sparrow in Pirates of the Carribean, met slissende stem, een waggelende tred, maar met de zekerheid van voorkomen die Johnny Depp heel goed kan acteren. In de film maken de piraten een plan. De lamme Sparrow zegt dat hij ‘fully prepaired’ is om het plan uit te voeren. Die laag van dronkenschap is interessant: overschatting. Zelfvertrouwen. Die gezonde overmoed zocht ik in mijn jeugd.

‘Hoelang blijf je in bierquarantaine?’ vraagt de buurman via WhatsApp. Ik antwoord als grap: ‘Het hele jaar nog. Bevalt goed.’ Hij reageert met een kort: ‘Sjonge’. Dan is de app stil.

Voordat ik naar een borrel van de uitgeverij fiets denk ik: Waar ga ik na die borrel nog wat drinken? Een paar uur borrelen met collega’s is vrij kort, dus maak ik automatisch een plan voor een vervolg. Die woensdag denk ik: ik kan straks ook gewoon naar huis gaan. Dat doe ik.

Iedere laatste vrijdag van de maand: schrijversborrel in de Pels. Al zestien jaar. Aan de ronde tafel achterin de kroeg voel ik een roes, ook zonder alcohol. Het troebele vertroebelt, en dat besef ik nogmaals als ik een paar dagen later langs de Amstel loop en de stad hernieuwd zie, van de belettering op rioolputjes en de vorm van straatstenen tot de schilderachtige rivier en de regenbui in de verte. Ik kijk weer als onbevangen dertienjarige. Naar het stotteren verlang ik niet terug, die hervonden blik is een argument om het vasten het hele jaar vol te gaan houden.

Hoe dat voor mijn schrijven uit zal pakken moet blijken. Tijdens het etentje voor het Boekenbal, het laatste weekend voor Pasen, vertel ik wel mijn uitgever Eva Cossee dat ik meer zal schrijven dan ooit. Bereid je daar maar op voor. Op het Bal drink ik drie spaatjes.

Twee dagen later ben ik jarig. Ik krijg geen flessen drank dit jaar. Iedereen is op de hoogte. Ik reken uit dat ik ruim vijfendertig jaar alcohol gedronken heb. Misschien kan ik vanaf nu vijfendertig jaar geen alcohol drinken.

Op witte zaterdag, de dag voor Pasen, wordt op de Passeerdersgracht een evenement georganiseerd: stokbroodmeppen. Het is hilarisch. Compleet nuchter huppel ik als jongetje over het slagveld. Gilles krijgt een stokbrood in zijn oog. Hij weet dat ik nuchter ben. Hij zegt: ‘Ik merk totaal geen verschil.’

 

Foto CC BY 2.0 Vincent Anderlucci

De Revisor 31 is te koop – het zal je niet ontgaan zijn. Maar waarom zou je hem kopen? Als de flaptekst een reclametekst is, dan is het Redactioneel de essayistische uitwerking ervan. Laat Lotte Lentes je overtuigen, en bestel ons nieuwste nummer (kan ook als e-book). Of word gewoon abonnee.

*

In de zomervakantie van 1998 bewoonde mijn buurmeisje Franca en ik voor drie dagen een boomhut op een stukje niemandsland aan de rand van onze achtertuinen. De boomhut bestond uit twee compartimenten: een woonkamer met een ingebouwde bank en tafel en een slaapvertrek waarin precies twee matjes pasten. We besloten naast de boom waarin de hut zich bevond, ook tien vierkante meter gras te confisqueren. We zetten het af met goudkleurig cadeaulint en doopten het geheel om tot ‘Koninkrijk Kakelbont’. Geen liefdevolle verwijzing naar ons favoriete kinderboek, maar een steek naar de kroon van Pippi Langkous herself. Zij een villa, wij een monarchie.
Na drie dagen ging het mis. Wat begon als een discussie over wier taak het was de hut schoon en opgeruimd te houden, eindigde in een uren durende onderhandeling over de verdeling van macht. Want wie bepaalde de regels in Koninkrijk Kakelbont en wie volgde ze op? We waren het erover eens dat twee kapiteins op één schip er eentje te veel was, maar geen van ons tweeën wilde de rol van onderdaan op zich nemen. Dat de boomhut door Franca’s vader was gebouwd, bleek uiteindelijk het argument dat alle andere argumenten van tafel veegde. Tegen de tijd dat ik geen enkele bewijslast meer kon verzinnen om tegen Franca’s vastberadenheid in te gaan, waren de onderlinge verhoudingen al dermate verpest dat ik direct van haar grondgebied werd verbannen. Ik moest onder het gouden cadeaulint door, een vernederende voetreis terug naar mijn slaapkamer tegemoet.

Dit nummer van De Revisor gaat over landen die niet bestaan. Landen die beweren onafhankelijk te zijn, maar niet als zodanig worden erkend of serieus genomen; zogeheten micronaties (niet te verwarren met ministaten of niet-erkende staten). Overal ter wereld zijn er mensen die het heft in eigen hand nemen – ze stichten uit onvrede, bewijsdrang, nieuwsgierigheid of uit hobbyisme hun eigen land. Op een verlaten marineplatform midden in de Noordzee bijvoorbeeld (Principality of Sealand), of in een caravan gestationeerd op het Beeston Regis Caravan Park in Sheringham, Engeland (The Copeman Empire) of rond een kunstwerk in een stadspark in Wenen (Republic of Kugelmugel). Sommige van deze micronaties zijn theoretische gedachte-experimenten die concepten als soevereiniteit en nationaliteit bevragen, andere zijn utopische voorbeelden van hoe een land zichzelf het beste zou kunnen organiseren. En dan zijn er ook nog de karikaturen van bestaande staatsbestellen, waarin gewone burgers zich voor even staatshoofd wanen in een uit de hand gelopen (en soms decennialang durende) performance.

De laatste bijdrage in de categorie ‘government’ op het forum van micronations.net luidt als volgt: ‘What is the day to day role/life of a dictator vs a democratic head of state?’ Er zijn acht reacties onder de vraag van GovLynxia geplaatst, waaronder een uiteenzetting over verschillende type dictators (mediageniek/mediaschuw, showpony’s/controlfreaks) en iemand die de contactpagina van het Witte Huis tipt, voor het opvragen van een lijst van dagelijkse beslommeringen van de president. ‘Day to day with both, is to show authority,’ antwoordt RJ the I als laatste.
De praktische vraag van GovLynxia is een van de minst populaire op het forum, veel liever wordt er gediscussieerd over abstractere thema’s als politieke ideologieën, diplomatieke betrekkingen of de waarde van nieuwe valuta door een bontgekleurde stoet aan zelfbenoemde koningen, hertoginnen, keizers, presidenten, ambassadeurs en tsaren. Het ene staatshoofd is serieuzer dan het andere. Voor sommigen is het stichten van een micronatie een waardig alternatief voor het oprichten van een politieke partij of het plegen van een coup, voor de meesten is het een uit de hand gelopen hobby. Ze ontwerpen vlaggen in Paint en verzinnen de meest idiote volksliederen, ze geven paspoorten en visa uit, zelfverzonnen valuta en postzegels, het liefst met hun eigen hoofd erop. Net als autofanaten die in hun vrije tijd een miniatuurversie van een Porsche 911 nabouwen, construeren deze mensen zo waarheidsgetrouw mogelijk een natiestaat.
Helaas wordt die laatste zelden met handleiding geleverd en dat zorgt op het forum voor de nodige vragen. Hoe voer ik vreedzaam oorlog? Wat is het e-mailadres van de vn? Hoe vind ik een bevolking? Of een bondgenoot? Hoe bereken ik de waarde van mijn valuta? Hoe schrijf ik een grondwet? Kan ik mijn vlag nog veranderen? Komt mijn micronatie op Google Maps? Hoe ga ik corruptie tegen als ik de enige bewoner ben? Legitieme vragen voor situaties die per definitie hypothetisch zullen blijven. Van de blauwe maandag dat ik politicologie studeerde is er weinig meer blijven hangen dan dit: een land = grondgebied + bevolking + bestuur. In Micronations: The Lonely Planet Guide to Home-made Nations is het volgende motto van Frank Zappa opgenomen: ‘You can’t be a real country unless you have a beer and an airline – it helps if you have some kind of a football team, or some nuclear weapons, but at the very least you need a beer.’ Vast een minder goede definitie dan die van de universiteit, maar wel eentje die meer tot de verbeelding spreekt. Wat definieert een land nou echt behalve praktische kaders als grondgebied, bevolking en bestuur? Hoe ver kun je gaan in het toe-eigenen van een paar kilometer aardoppervlak? En natuurlijk niet te vergeten: wat te doen met het kinderlijke verlangen over alles de baas te willen zijn, het juk van de onderdaan van je af te willen werpen, de boomhut te betrekken, het gouden cadeaulint te spannen, ter meerdere glorie van niemand anders dan jezelf.

In De Revisor #31 vragen we auteurs zich te laten inspireren door onbestaande landen. In hun verhaal, essay of in hun poëzie brengen zij een micronatie naar keuze tot leven of laten ze zich inspireren door het concept micronatie in het algemeen. We gaan onder andere naar EuroStaete en Sealand, ontvangen een g-g-gelukszoeker uit The Kingdom of Lovely, begeven ons in een studentenkamer die betwist gebied is geworden, denken na over het kosmische Raam, zoeken Tavolara op Langswater, engageren ons met het Groothertogdom Flandrensis en duiken in een Natie voor het verdwijnen. Nieuwe staten, nieuwe staatshoofden en nieuwe onderdanen. Wees welkom!

Namens de redactie,
Lotte Lentes