Na tien jaar vertrekt Jan van Mersbergen als redacteur van De Revisor. Als afscheid zijn korte verhaal Groen, dat in twee delen op de website zal verschijnen. Vandaag het eerste deel.

*

Het scherm van de tv is nog zwart maar het geluid klinkt al: ‘Vera en Paul gaan in hun oude boerderij voor groen.’
Vera, denk ik. Groen.
Ze verschijnen in beeld. Vera en Paul. Zie je wel.
Afgelopen winter moest ik in een café in Groningen een lezing geven over Film noir. Nergens in het land willen de mensen er nog iets van weten, maar in het noorden liep de zaal vol.
Ik bleef daar slapen. Wat Vera daar moest doen weet ik nog steeds niet. In ieder geval was ze in Groningen.
Paul zegt: ‘De groene vloer zag ik eh… echt wel zitten…’ Hij heeft een hoge stem.
Vera vult aan: ‘… en toen zijn we doorgeslagen. Groene tegels. Groene vensterbanken.’
Paul zegt: ‘Alles groen.’
Het is een aankondiging van het programma dat zo meteen op net 2 te zien is.
Ik bleef slapen op een boot die ergens bij het station in het water lag. Ik weet nog goed hoe ze me voorging over de loopplank, hoe ze het trapje afdaalde het ruim in.
Ik wacht tot het programma begint, tot Vera weer in beeld zal komen, met haar klassieke gezicht, blosjes op haar wangen.
De begintune. De trompetten schallen, er komt een huis in beeld en de voice-over zegt:
‘In een rustig Noord-Hollands dorpje wonen Paul en Vera, samen met hun dochtertje Suus in een oude boerderij.’
Ik wist niet dat ze in Noord-Holland woonde. Ze vertelde me destijds dat ze uit Amsterdam kwam.
‘Als ze het huis in 2014 voor het eerst zien, zijn ze meteen verkocht.’
Vera was die avond een beetje dronken, en ook toen vrij vlot verkocht.
Paul doet de voordeur open. ‘Welkom,’ zegt hij. Aardig. Hij heeft een soort ringbaardje.
Op de achtergrond staat Vera met het kindje in haar armen. De cameraman schuift langs haar naar binnen. Ze draagt een jurk. Gebroken wit met dikke zwarte knopen.
In het ruim van die boot, om nog wat te drinken. Ik had het smalle deurtje nog niet achter me dichtgetrokken of Vera duwde haar lijf tegen me aan en kuste me. Niet meer alleen een hand op mijn been of even langs mijn gezicht strelen, dat kon allemaal toeval zijn of alleen een spel voor deze avond. Ze was direct.
Ik zie de keuken, ik zie de woonkamer, inderdaad veel groen: planten met enorme bladeren, een leesstoel, achter grote ramen de tuin.
Ik zie cactussen, vetplantjes op de groene vensterbank. Een weiland waar een vrachtwagen doorheen rijdt. Hadden ze die er niet uit kunnen knippen?
‘We zochten al een hele tijd een huis om onze eigen draai aan te geven,’ zegt Paul. Ze staat naast hem in de keuken, voor een wand met groene tegeltjes. Haar mond iets vertrokken alsof ze ook iets wil zeggen. Een stel. Samen een oude boerderij gekocht.
Hij praat maar door, zij wacht af. Een hand op het aanrecht. Hij vertelt over hun zoektocht naar een huis en zij onderbreekt hem weer: ‘… het duurde ook echt heel lang.’ Dan zwijgt ze weer.
Een oude foto van het huis. Ze vonden toch iets. Dan komt ze close-up in beeld. ‘Koop het maar.’ Ze heeft glinsterende ogen. Niks veranderd.
‘We moesten het hebben,’ zegt ze.
Doortastend was ze toen al. Dat zei ze niet veel later in de kleine slaapcabine ook, in het bed met de schuine randen.
De voice-over vertelt dat het huis eerst nog niet echt leefbaar was en dat ze veel moesten verbouwen. ‘Paul en Vera moesten flink aan de bak.’
Dat ken ik van haar, ja. Een dieseltje.
‘En nu, vijf jaar later, met een nieuwe baby op komst, zijn er nog altijd nieuwe klussen.’
Ik moet slikken. Ze hebben dus een kindje. Maar die nieuwe baby? Gaan ze nog iets zeggen over die nieuwe baby?
Ze is dan zeker twaalf weken zwanger, anders zeg je zoiets niet. Maar aan haar buik is niets te zien. Dus meer dan vier of vijf maanden zal ze niet zwanger zijn.
Ik tel koortsachtig.
Wanneer was dat festival? Het was erg koud. Het staat in mijn agenda, maar ik wil dat niet opzoeken, ik wil niet weg van de tv.
Het was in december.
De beelden verklappen dat het nu voorjaar is, alle planten in de tuin zijn groen en staan in bloei. Het is natuurlijk al een tijdje geleden opgenomen. Het is nu augustus.
De voice-over: ‘Ja, er moest heel veel verbouwd worden.’
‘We hebben besloten eigenlijk ieder jaar één groot project aan te pakken,’ zegt mijn Vera, ‘zodat het een beetje overzichtelijk blijft.’
Paul staat naast haar te knikken.
Overzichtelijk. Kolere zeg.
‘We zijn begonnen met de uitbouw.’
Nu ik haar zo zie staan tegen dat aanrecht denk ik toch iets aan haar buik te kunnen zien. Ze is wat forser geworden. Haar heupen. Haar gezicht.
Ze heeft half lang haar, tot haar schouders. Dik bruin haar. Mooie ogen. Ik herinner me vooral die ogen. Haar haar was toen langer. Ik kon eraan trekken.
Paul zegt: ‘Twee jaar later zijn we hier beneden begonnen.’
Ze zegt nog iets over de vloer, over de uitbouw of een opbouw. Ik luister gespannen maar hoor de helft niet.
Het was ergens tussen Sinterklaas en Kerst. Daar passen meestal twee weekenden tussen en dit soort avonden of filmfestivals doen het meestal niet zo goed in die tijd, als iedereen druk is met de feestdagen, toch kon ik die avond naar Groningen. Vierhonderd euro, exclusief reiskosten.
De laatste trein terug is een drama, dus ik had gevraagd of ik ergens kon overnachten. Dat kon geregeld worden, geen probleem.
‘De opbouw is de grootste klus geweest.’
In het grote café zat ik met twee schrijvers en een andere regisseur die ook hun kunstje gedaan hadden. Een van de schrijvers, een grote man met warrig haar, trok veel publiek, en aandacht na afloop. De andere schrijver was relatief onbekend.
Vera zegt: ‘We konden een groene vloer nemen.’
De voice-over: ‘Gelukkig is Paul heel handig en Vera, vanwege haar werk als interieurstylist, heel creatief. Dus een ideale combi. Nu, vijf jaar later, met een nieuwe baby op komst, hoeven ze zich nog steeds niet te vervelen, want er zijn altijd weer nieuwe klusprojecten.’
Waarom herhalen ze alles?
Paul verschijnt in close-up in beeld. ‘Ik heb echt honderd procent vertrouwen in Vera…’
Hij is een beetje grijs bij de slapen. ‘…maar toen je zwanger werd merkte ik opeens dat ik er niet meer zo veel vertrouwen in had want de keuzes voor de kinderkamer…’ Hij kletst maar door. Vera lacht. Ze heeft mooie rechte tanden. Dat zei ze toen nog tegen me. Dat mijn tanden scheef staan, dat ze dat sexy vindt.
Hoe staan de tanden van dat baardje?
Het stukje uit het voorfilmpje wordt herhaald.
‘Toen zijn we doorgeslagen.’
Ik kan een glimlach niet onderdrukken maar blijf tegelijk bezorgd. December. Augustus. Voorjaar.
‘Eigenlijk kwamen we er later achter dat de vloer helemaal duurzaam gemaakt wordt,’ zegt ze.
Eigenlijk. Dat zei ze toen ook. Eigenlijk wel een leuke plek. Die boot. Eigenlijk wel een mooie avond zo. Eigenlijk kan voorlezen best leuk zijn.
Alles was eigenlijk wel leuk.
‘Alles is van gerecycled materiaal.’
Paul vult aan: ‘Dat is wel een prettig idee.’
Ze recyclen alles, denk ik.

[…]

Deel 2 volgt donderdag 29 oktober.

Sarah Hall: de redacteur herlas een prijswinnend verhaal en merkte nieuwe dingen op, meer lading, meer betekenis.

*

Daan Stoffelsen: Sarah Hall, ‘The Grotesques’ (uit Sudden Traveller)

Ik schreef hier eerder een enthousiast stukje over Sarah Halls nieuwste verhalenbundel, maar repte met geen woord over ‘The Grotesques’, en nu heeft juist dat verhaal haar haar tweede BBC National Short Story Award opgeleverd. Die dubbelslag is een unicum in de vijftien jaar dat de prijs bestaat. Hall werd meermalen genomineerd, en onder eerdere winnaars zijn Miroslav Penkov, Lionel Shriver, K.J. Orr en Cynan Jones.

Over korte verhalen wilde ik sowieso iets schrijven, over de Write Now!-jubileumbundel Ik mag niet klagen, maar dat stelde me teleur. ‘De 21ste-eeuwse auteurs die een verhaal schreven voor deze bundel’ schreven vooral romans, en veel verhalen in deze bundeling zijn gewoon fragmenten daaruit. Dat is geen punt, € 9,90 is maar ietsje duurder dan de website van Athenaeum Boekhandel om te proeven van getalenteerd schrijverschap, en dit is papier, maar het voelde toch wat gek. Ik bedoel: je verwacht iets fris, iets exclusiefs, iets wat past bij een verhalenwedstrijd. Een verhaal, niet een fragment. (Is er echt een verschil? Ja, denk ik, maar ik ben er nog niet over uitgedacht.) Een andere keer schrijf ik over de naïviteit van de lezer. En ik schrijf wel een keer over die romans.

Maar nu dus ‘The Grotesques’, dat me bij eerste lezing niet opviel, misschien door mijn zoektocht naar sensuele verhalen voor ‘Huid’ destijds. Ik lichtte er gedreven, directe verhalen uit. Dit is eerder een verhaal als een wolk, een sfeer: Dilly wordt vandaag dertig, maar ze is niet opgewassen tegen de verwachtingen van de maatschappij. Ze is een dromer, een draler. Hall opent het verhaal (dat bij The Guardian integraal te lezen is) met een scène waarin Dilly draalt, bij een beroemde zwerver uit het stadje, dat door studenten van een gezicht van fruit is voorzien – een grotesque à la Giuseppe Arcimboldo. Was deze zwerver, deze Charlie-bo een gesjeesde student? Dilly denkt er lang over na, maar als Charlie-bo in beweging komt, vlucht ze weg. Ze was al te laat… Maar toch:

‘She waited outside for a moment, very close to the front door, perhaps only an inch from it. She could feel her breath against the wood. The smell from her mouth was like pickle. She could see cracks in the red paint. Inside one was the tiniest insect – its legs poking out, awkwardly. She put her hand on the knob. She took it off again. Sometimes doors could seem impossible. Impossible to open. Impossible to walk through. She felt as if she was the door, as if her own body was shut. Her hair was wet and stupid. Her coat was dripping.’

Korte observerende zinnen, alsof de punten evenzovele blokkades zijn, details die allemaal genoemd moeten worden, tot ze een ervaring worden: iets onmogelijks, totdat dat onmogelijke zijzelf wordt. Of het moment dat ze in de badkamer iets aan haar verregende uiterlijk moet doen:

‘She was sure she had a nice lipstick somewhere, a dark, sophisticated red, given to her by Cleo, who was always being sent free cosmetics. It had come in a little metallic sack, and was called something strange that didn’t suggest colour at all, but a mood, a state of fortune. Advantage. Ascent. She sat for a while thinking, but couldn’t remember the name.’

Nee, voordeel of opkomst zit er niet in, ongemerkt glijdt Dilly haar hoofd weer in.

Hall brengt me van begin af aan in verwarring: hoe oud is dit meisje? Hoe zijn de familierelaties? Dat bedoel ik met wolkachtig: er is een bazige moeder, er zijn twee broers, twee zussen, er is nog een man, er was een vriendinnetje en een baby en een rel, maar de vinger krijg je er niet op, waarschijnlijk omdat Dilly dat zelf niet voor elkaar krijgt. Het zal niet helpen dat ‘mummy’ haar kort houdt en hongerig, haar amper ontbijt en geen lunch had gegund. Ze valt bijna flauw, terwijl het verjaardagsgezelschap toestroomt en ze een weg zoekt tussen triviale gesprekken, harde stemmen, rode opgeblazen gezichten, terwijl de aanwezige Keniaanse priester haar zegent, moeder het hoogste woord heeft, en er plotseling met de laatste gast een vervelend nieuwtje binnenkomt.

Dilly ziet het helemaal voor zich, alsof ze er bijstaat, alsof ze zelf het slachtoffer is, en dan weet je als lezer: wat ze ook vaaglijk voelt, wat ze zich ook net niet herinnert, ze weet heel scherp dat zij de buitenstaander is. En ik denk dat ik nu beter zie wat dit verhaal goed maakt, en al verkies ik andere verhalen in deze bundel, en als de juryvoorzitter zegt dat dit verhaal ‘yields more with each reading, offering layer upon layer of meaning’, dan wil ik dat graag geloven. Eigenlijk is dat wat alle goede literatuur moet doen.

Faber & Faber geeft Sarah Hall uit. In Nederland verkoopt onder andere Athenaeum Boekhandel het boek.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Bob Vanden Broeck.



De zon komt op in een world wide weide  

De zon komt op in een world wide weide 

elk verschijnsel ligt een klik van zichzelf verwijderd 


een hysterische scooter rijdt het langzame landschap in twee 

een historische haagbeuk  

een communistische koe 


de takken van de eiken 

die elkaar net niet raken over de randen  

van mijn handen tasten mijn handen 

naar mijn andere handen 

een lekke voetbal in een vijver  


op de berm van een stinkende beek 

staan Adam en Eva in veel te grote ruimtepakken 

pesticiden te sproeien  


mijn lichaam schommelt  

tussen medicatie en meditatie 


ik heb het over recessie  

ik over depressie  


ik groet de zon 

de zon wil privacy 



Over de dichter:
Bob Vanden Broeck schrijft poëzie en teksten over hedendaagse kunst. Hij publiceerde
reeds poëzie in/op DW B, De Gids, nY en Het Liegend Konijn. 

De wereld is weer in quarantaine. Is hij stiller geworden, helderder, of overstemt het virus alle contemplatie – dat schreven we begin april ter inleiding van onze coronacorrespondentie Binnenpost. Inmiddels is het geluidsniveau in Nederland en de wereld weer gestegen, maar het virus waart nog rond, en reflectie blijft nodig. Luc de Rooy vertaalde drie teksten uit het Spaans voor ons om zicht te houden op die andere werkelijkheid. Vandaag lezen we, na de Guatemalteeks-Amerikaanse schrijver Eduardo Halfon en de Spaanse schrijver Miguel Ángel Hernández, de Chileense schrijver Gonzalo Maier.

*

En daar had je mij met mijn halve liter cynisme, er helemaal klaar voor om Edward Hopper, de Amerikaanse schilder die door toedoen van de pandemie weer helemaal hip is, eens flink de grond in te schrijven. Zijn schilderijen met solitaire, midden in een suburb aan hun lot overgelaten personages, doken opeens overal op als een min of meer goedkope manier om te illustreren wat sinds kort social distancing wordt genoemd, maar wat tot niet heel lang geleden bekendstond als alleen zijn. Mijn chagrijn was verder niet op Hopper gericht, die al enkele decennia dood is, maar op het gelegenheidscommentaar dat wordt uitgestort over de schilderijen van Hopper, alsof men zojuist ik weet niet wat ontdekt heeft.

Vastbesloten om de valse profeten te ontmaskeren, herinnerde ik me plots het boekje van Mark Strand met essays over Hopper, dat nog niet zo lang geleden door uitgeverij Lumen in Chili op de markt werd gebracht. Zo heette het boek ook, Hopper, en het is een heel mooie exercitie geworden, een die je ook zou kunnen uitvoeren met schilderijen van Camilo Mori of met foto’s van Julia Toro. Ik trok het van de plank en ging op zoek naar een zinnetje, één was genoeg, om daarmee mijn betoog te kunnen onderbouwen. Maar eigenlijk al meteen stuitte ik op een fantastische passage die mijn intenties pootje lichtte: ‘De schilderijen van Hopper zijn korte en geïsoleerde figuratieve momenten die de toon suggereren […] maar niet de inhoud. De implicatie maar niet het bewijs. Ze zijn uiterst suggestief. Hoe bedrieglijker en theatraler ze zijn, hoe meer ze ons ertoe bewegen ons af te vragen wat er in het ogenblik meteen erna zal gebeuren.’ En zo, bijna zonder het te willen, zorgde Strand, die de gratie en de musculatuur heeft die weinig andere schrijvers hebben, dat mijn mening onverwacht verschoof in de richting van die van de lastminute-Hopperianen, zelfs al is het hedendaagse in zijn schilderijen niet de leegte erin, maar de onzekerheid van het dreigende, van het moment dat meteen volgt op de scène. Als er al iets op volgt, uiteraard.

Het was een nederlaag, maar geen definitieve. Zo gaat dat met oorlogen, zei ik bij mezelf: ze zijn een opeenvolging van veldslagen, het is juist goed in ze allemaal aan te treden, en dus ging ik op zoek naar een boek van Wim Wenders, de Duitse regisseur, dat daar ook nog ergens moest staan. Een bundeling essays, en ik meende dat ik er een citaat in zou aantreffen dat mij wél zou helpen in mijn diatribe. Maar de beste passage uit zijn essay over Hopper was die waarin hij, vergelijkbaar met Strand, schreef dat zijn schilderijen ‘allemaal, zonder enige uitzondering, scènes afbeelden die in afwachting zijn van een vervolg […]. Ze tonen de stilte voor de storm of de verlaten scène na de dramatische ontmoeting’.

Ik borg mijn cynisme maar weer op, sloeg het boek dicht en bleef door het raam naar buiten staren om te zien of zich een argument zou aandienen waarmee ik alsnog de draak zou kunnen steken met al die verlichte mensen die – om de verkeerde reden – Hopper bejubelen. Maar ik was helemaal alleen, bij het raam, met de stad in de verte, zoals op die goedkope prenten van een van die solitaire schilderijen van een Amerikaanse schilder, in afwachting van wat volgt.

Vertaling Luc de Rooy

Gonzalo Maier (Talcahuano, 1981) is een Chileense schrijver, columnist en literair criticus. Hij woonde enkele jaren in Nederland en België, maar woont en werkt inmiddels weer in Santiago, waar hij verbonden is aan de Universidad Andrés Bello. Bovenstaande column stond in april van dit jaar in Las Últimas Noticias.

Mathijs Deen: de redacteur las een compact verhaal met prachtige personages en een mistige sfeer.

*

Daan Stoffelsen: Mathijs Deen, Het lichtschip

Ik heb Mathijs Deen hoog zitten. Hij heeft een oog voor het ándere verhaal, althans: hij ziet onbeschreven pagina’s in de geschiedenis of de geografie en weet daar bijna zonder uitzondering iets moois van te maken. Dat zit bij Het lichtschip, een sfeervolle novelle, in de eerste plaats in de locatie: een lichtschip, een schip dat op een vaste locatie op zee verankerd is, om vuurtorensgewijs de navigatie van voorbijvarende schepen te vergemakkelijken. Die schepen werden, lees ik op Wikipedia, tot de jaren tachtig bemand, inclusief kapitein en kok (Lammert, onze hoofdpersoon) en een handvol matrozen (waaronder Snoek, zijn tegenspeler), in een ploegdienst van telkens een paar weken. Dat is wel anders dan ‘echt naar zee’.

‘Niet echt naar zee.
Of het nou vissers waren, of ze nou bij de marine voeren of bij de koopvaardij, ze waren het er allemaal over eens dat een schip bedoeld was om uit te varen, dat ze onderweg moest zijn, of na een lange reis in een haven vol beloftes binnenlopen. Een man van de zee zag de wereld, verkondigden ze, kende havens, wist hoe het toeging overzee en was daar dan zwijgzaam over. En ruimdenkend.
Maar niet over een lichtschip. En dus ook niet over Gerrit Snoek. Want die zag geen haven anders dan Den Helder, en het schip waarop hij werkte kwam nooit aan en voer nooit uit. Een lichtschip heeft geen schroef, geen motor, op de brug is geen roer, het ligt daar maar wat mistroostig te deinen, een beest dat vergeefs aan een ketting trekt. In de machinekamer moppert een diesel die de generator aandrijft, die op zijn beurt weer elektriciteit opwekt voor het vuurtorenlicht, voor de navigatielichten, de deklampen en de stopcontacten van het schip, soms voor de ankerlier (dan gaat de zwaardere diesel aan) en op Snoeks ongelukkigste dagen levert hij ook de energie voor de misthoorn, dat klagende beest, die zieke stier.’

Deen is een ambachtsman, hij brengt de zeevaartsclichés zonder opsmuk, varieert goed met zijn korte zinnen en zijn opsommingen, en blaast leven zo in het metaal, het is mistroostig, het moppert, het is een beest (tweemaal, dat is minder elegant, op de 21 keer in het boek), en besluit met een geweldige land-metafoor, waarmee je een robuust, laag geluid voorstelt (dat heb ik ook opgezocht. Luister maar).

(Je kunt natuurlijk ook een metafoor zien in dat schip dat nooit aankwam en nooit uitvoer, maar daar houdt Deen zich gelukkig verre van.)

Deens verhaal is dat van Lammert, de melancholische kok, die niemand verteld heeft van zijn Indische kampverleden, en die het in zijn hoofd krijgt Gule kambing te maken, een stoofpot van een jong bokje. Dat bokje brengt hij stiekem aan boord, en terwijl iedereen aan deze huppelende verstekeling begint te wennen – ‘Wat zijn de taken van het geitenbokje, chef? Wat
gaat hij voor ons betekenen,’ vraagt de kapitein – en Lammert het bokje nog wat vetmest voor de slacht , wordt hij overvallen door een malaria-aanval. Matroos Gerrit Snoek, verantwoordelijk voor de meteorologische metingen en fantastische weersbeschrijvingen (’14/6. 21:00 west 4, swell 0,7. Hemel: zonsondergang streep goud onder staalblauwe wolken, hoger wolkeloos. Zee: gouden flikkers op leisteenblauw’), heeft net iets daarvoor besloten het met nog maar een half pilletje te doen, en krijgt een eigen aanval.

Het lichtschip is een compact verhaal dat in kort bestek prachtige personages (de rest van de bemanning is ook al zo kleurrijk en zwijgzaam. En ruimdenkend), een (meteorologisch en psychisch) mistige sfeer, en een vrolijke ode aan het leven brengt. Wat goed dat Thomas Rap zo’n klein boek uitbrengt.

‘En toen het zaterdag werd, en motordrijver Klaas Boon uit de machinekamer, die hij de vetkuil noemde, naar boven kwam en met een emmer sop de trap van de vuurtoren beklom om de ruiten van het lichthuis te zemen, klom het bokje er met gespitste oren en wapperend staartje achteraan, verder en verder naar boven, tot hij op de balustrade de geconcentreerde motordrijver verraste en hem de stuipen op het lijf joeg. Klaas, die zijn leven in de machinekamer doorbracht en daarboven bij het slingerend licht toch al met zijn hoogtevrees te kampen had, schreeuwde het uit, stormde naar beneden en verdween weer in de geruststellende herrie en de hitte in de buik van het schip. Toen bleek dat het eenzame bokje boven niet meer op eigen kracht naar beneden wilde of durfde, en hij een tijdje vanaf de balustrade luid over zee had staan mekkeren, klom Snoek naar boven, pakte hem op, zette hem op zijn nek en droeg hem zo, met de poten bungelend voor zijn borst, onder applaus weer naar beneden.
Zelfs de kapitein had zijn kaartspel onderbroken om te komen kijken.
Een week ging voorbij. Het bokje kreeg een volle fles. En in het web dat matroos Snoek in het ankergat had gespannen, had hij een gat geknabbeld.’

Leve het bokje!

Thomas Rap geeft Het lichtschip uit.

Heather Christle: de redacteur las deze week een persoonlijk essay over huilen en echte tranen, de poëzie en de mythologie daarvan, dat even luchtig als wijs, even verdrietig als geestig is.

*

Daan Stoffelsen: Heather Christle, Het boek der tranen

Het boek der tranen (The Crying Book, vloeiend vertaald door Koen Boelens en Helen Zwaan – met veel poëzie ook, dat is een ambacht apart) is een persoonlijk essay over de mechaniek en de psychologie van het huilen. Dat klinkt heel technisch. Misschien moet ik zeggen: de mythologie, de poëzie en de ervaring van het huilen. Dat is óók waar. In Nederland hebben Eva Meijer (over depressie) en Wytske Versteeg (over misbruik en depressie) onlangs soortgelijke boeken geschreven, de eerste filosofischer, de tweede meer over taal, en zo schrijft Christle, een dichteres, meer over poëzie.

De vorm van het boek doet me denken aan hoe Jenny Offill haar romans schrijft: korte paragrafen met af en toe slechts één zin (‘Ik ben voorstander van eindigen met een voorzetsel, want dan kunnen de ideeën de zin nog uit.’) en dan een drietal asterisken, wetenschappelijke anekdotes, ervaringen, gedichten en analyse. Maar anders dan bij Offill is dit geen fictie, en er is amper plot. Er zijn mensen overleden, Christles man blijft bij haar, en al snel vertelt ze dat ze in verwachting is, het kind wordt geboren, en na enkele jaren is het ouder, en valt eindelijk haar naam.

Dat mengsel komt misschien wat dun over, de vormgeving wat al te luchtig, maar het werkt wonderwel goed. Het wetenschappelijk onderzoek (niet zelden door witte mannen over vrouwen) dat Christle laat voorbij komen, doet minder zinnig aan dan de poëzie die ze van bevriende dichters citeert (enige ergernis: de voornamen die daarbij opduiken en daarna weer verdwijnen, zonder kwalificatie of reputatie). Minder oprecht vooral dan haar eigen ervaringen, want ja, Christle huilt zelf ook veel. ‘M’n therapeut stelt voorzichtig een diagnose, die ze bovendien verzacht door de diagnostiek in het algemeen in twijfel te trekken. Cyclothymie. Geen volwaardige bipolaire stoornis, maar eraan verwant.’
Dat in twijfel trekken doet ze zelf ook, en dat verbreedt, verruimt de wetenschap van het huilen. Het maakt haar persoonlijker toepasbaar. Twijfel: de oudste onderzoeken overwegen nog raciale verschillen bij het huilen, later wordt de tranenarme man als maat der mensen gesteld – maar waarom niet omgekeerd? En wat verliezen trans mannen door hun transformatie? En:

‘Bij het lezen van het minutieuze, op grondig onderzoek gestoelde boek Why Only Humans Weep van “huildeskundige” Ad Vingerhoets raak ik geergerd door zijn naar mijn idee flagrante gebrek aan medeleven of verwondering, maar word dan ineens getroffen door een uitspraak: “Alle tranen zijn echte tranen, “stelt hij, al zijn sommige “onoprecht”.’

Basje Boer schreef een mooie, ruimhartige bespreking van het boek in De Groene Amsterdammer, met veel aandacht voor de metaforen die Christle gebruikt.

‘Gisternacht was er een “zwarte maan”, de tweede nieuwe maan in een maand. Het voelt alsof die een soort gezang wil zijn, een lunair weerwoord op ’s lands moordlustige krachten, maar het is gevaarlijk om altijd maar te denken dat iets ook iets anders is, elke gebeurtenis een metafoor voor een andere, elk leven en elke dood een herhaling van de daaraan voorafgaande. “De maan is geen deur. Ze is zelf een gezicht.” Het regent, ze huilt niet. Er is al genoeg verdriet, uit de maan hoef je geen tranen te wringen.’’’

Maar toch gebruikt Christle ze, ze onderzoekt ze, keert ze om en laat iemand ervan af springen. En hoewel het over tranen gaat, hoewel ze over heel trieste dingen schrijft, zelfmoord, ziekte, is ze nergens larmoyant (die term is geen grap), ze is precies, geestig in de details die ze uitlicht, en oprecht.

Anders dan Boer wil ik hier geen recensie schrijven. Ik wil indrukken noteren, in wat ze bij De Correspondent ooit de ‘tuin’ van hun journalisten noemden. Ik wil zeggen dat ze Bas Jan Ader prachtig inzet, met zijn film I’m Too Sad to Tell You, dat ze twijfelt om te huilen omdat dat in haar ‘iconografische sociale rol’ past, dat ze liefdevol maar verdrietig is als moeder en dat ze niet de eerste is in haar familie. Ik wil citeren.

‘Tranen zijn een teken van machteloosheid, een “vrouwenwapen”. De oorlog woedt al heel lang. ’

Een korte reeks van associaties, die even ongerijmd aanvoelt als werkelijk is.

‘Ik weet nog hoe het voelde toen Plaths verschillende identiteiten in mijn hoofd plotseling op een lijn kwamen te liggen, als bij een zonsverduistering. Ik weet niet welke de zon was, welke de maan. ’

De maan weer, en de zelfmoord (de laatste pagina van de Nederlandse vertaling verwijst naar 113).

‘Omdat mensen als de Ritchies bij het kijken naar een vrouw en kind met mijn huidskleur lichamen zien die bijna overlopen van de tranen zijn ze in staat zichzelf ervan te overtuigen dat er echte kogels in een speelgoedgeweer zitten. Ze maken een gelegenheid van ons — een weersverschijnsel — waarop ze geoorloofd zijn iemand ter dood te veroordelen. ’

In dit citaat, dat evenzeer over tranen gaat als over zwart en wit, moest ik denken aan hoe Ta-Nehisi Coates de racistische interpretatie van de zwarte trek naar Chicago benoemde.

‘Ik noem het wanhoop want dat is een woord dat gemakkelijk zijn intrek neemt in een huis zonder de functie van het gebouw te veranderen. Alleen de stemming verandert. Depressie en suïcidale gedachten en angststoornis werpen allemaal een kunstmatig of laboratoriumachtig licht. Zelfs hier, in deze kamer. De alinea wordt een kliniek.’

Weer een dwarsverband: zo schreef Koen Sels, zelf depressief of daar net uit, over de troost die het troosten van je kind geeft: ‘Het verspreidde zich in zijn lijf als neon: geëlektrificeerd gas in glas, dun, transparant en hard.’

‘De baby — mijn baby — is bijna twee. Ze praat inmiddels, maakt zelfs hele zinnen, hoewel haar vocabulaire nog voor een aanzienlijk deel uit tranen bestaat. Net als het mijne. Huilen is de logeerkamer waarnaar ik kan uitwijken. De korte winterzon en de voortdurende slapeloosheid zorgen ervoor dat ik die vaak bezoek. Op de meeste dagen huil ik meer dan dat ik over huilen schrijf. Eerst vind ik dat triest, maar dan besluit ik het grappig te vinden, maak van de ijsberg een reddingsvest.’

Dat lokaliseren van een emotie, fysieke ruimte bestemmen voor het ontastbare, zoals de geheugenpaleizen (Jan van Akens De ommegang) en landschappen van herinnering (Jannie Regnerus’ Het wolkenpaviljoen), dat is interessant. Bij Christle zien we hoe huilen kamers opzoekt (ze had al, veel concreter, gezegd dat de keuken de beste plek om te huilen is). En hoe ze het besluit neemt om erom te lachen, een besluit dat het essay optilt, een lichte benadering van iets loodzwaars.

‘De tranen van een beroepsrouwer doen denken aan de demonstratie van de docent die een student laat horen hoe een jambische versvoet klinkt — pa dam pa dam pa dam pa dam pa dam. Maar nee, Dokli legt uit dat zij en de anderen met wie ze werkt en weent stuk voor stuk weduwe zijn. Hun tranen zijn meer dan alleen een voorbeeld van vorm; het zijn regels vol verdriet die op een nieuwe bladzijde doorlopen.’

Weer die typografische rouw, zoals ze dat voorzetsel benoemde, die alinea, nu een nieuwe bladzijde. Een geweldig beeld.

‘Ik denk dat de krachtigste tranen worden veroorzaakt door een piepkleine gebeurtenis ten tijde van een veel grotere tragedie.’

En dat is simpelweg waar.

AtlasContact gaf Het boek der tranen uit. Op Athenaeum.nl lees je een fragment.

Nieuw proza op DeRevisor.nl: lees Joep Stapels ‘Schaapskop’, een verhaal over een kater, een café en een verdwenen gitaar.

*

Ik ben hier te oud voor, dacht Kazimir toen hij lang genoeg naar het systeemplafond had geknipperd om de coördinaten op een rijtje te krijgen. Vlakbij klonk gesnurk. Mat licht viel door de grote ramen, gordijnen waren er niet. De centrale verwarming loeide. Lege flessen, borden met etensresten en peuken. Hij had geslapen in een nest van kussens. Zijn rug zeurde. Zijn geeuw ontaardde in een hoestbui.
Het schaap keek hem recht aan. De ogen glansden. Iemand had een damesonderbroek over de viltige kop gesjord, respectloos eigenlijk, al leek het dier zich er weinig van aan te trekken.
Kazimir kleedde zich aan, dronk water uit een vettige mok die hij drie keer vulde, stommelde tussen de lichamen door de kamer uit, hielp in het trappenhuis een Noord-Afrikaanse man met een kinderwagen, liep door straten die hij aan de lopende band herkende en belde aan bij de karakteristieke buitenlamp.
Een kale man met plukjes tattoo uit de boorden van zijn shirt deed open en zei dat hij aan het verkeerde adres was. De vriendelijkheid van de kale man ten spijt ervoer Kazimir dat als een opluchting.
Hij bestelde zwarte koffie in een café dat absoluut hetzelfde café was als gisteravond, de ronde bar, de mozaïekvloer, en deed navraag bij de bediening. De vrouw die zijn koffie bracht veegde haar handen af aan haar schort, blies nadenkend een lok uit haar gezicht en zei dat ze haar collega zou vragen.
Het café was nagenoeg leeg, in de hoek zat een groepje scholieren te kaarten, een verlopen kerel in een vettig colbertje leek vergroeid met de bar. Aan de muur hingen posters van Le Chat Noir, maar hij was niet in Parijs.
Hij nam een slok koffie. Het schaap was nogal hardhandig van de muur getrokken, waarschijnlijk iets te ruw om nog ludiek te zijn. Hij overwoog de jongens een bericht te sturen, breng dat ding even terug, maar een andere serveerster naderde zijn tafeltje, trok een stoel naar achter en ging zitten.
‘Heeft zij je gestuurd?’
‘Niemand heeft mij gestuurd.’
‘Dat geloof ik niet.’
‘Dan geloof je het niet.’
‘Er zijn mensen bóós.’
‘Ja, ik zorg dat ze dat ding terugbrengen.’
‘Heb je mij gezien?’
‘Dat weet ik niet meer.’
‘Ik was er niet.’
‘Dan zal ik je wel niet gezien hebben.’
De serveerster boog voorover en keek hem strak aan.
‘Volgens mij zit je uit je nek te lullen,’ zei ze. Ze stond zo bruusk op dat haar stoel omviel.
Iedereen in het café draaide zich naar zijn tafeltje, behalve de stamgast, die met zijn hoofd in het bakje servetten op de toog in slaap was gevallen.
De serveerster zette de stoel recht en verdween.
Toen ze even later kwam afrekenen, een geheimzinnige gloed in haar gezicht, tikte ze met haar lange rode nagel op het bonnetje, net zo lang tot hij expliciet te verstaan gaf dat hij het gezien had, ja, het adres dat erop was geschreven, waarna ze geschrokken een vinger tegen haar lippen legde.

Het huis leek exact op dat van de kale met de tatoeages, maar nu deed iemand anders open. Zulke lantaarns waren kennelijk in de mode.
‘Ik heb mijn gitaar laten staan,’ zei hij.
In de deuropening stond een zwarte man in een blauw kostuum met gouden manchetknopen. Er stak een boek onder zijn arm. Kazimir had hem vannacht ook gezien, naakt en geblinddoekt, in een rollenspel.
‘Er is hier geen gitaar,’ zei de man.
‘Jawel, ik heb hem achter de bank gezet.’
‘Het spijt me.’
‘Kun je even kijken?’
‘Ben je een vriend van Miss Lily?’
‘Ik ken geen Miss Lily. Ik wil alleen mijn gitaar.’
‘Waarom heb je hem dan laten staan?’
‘Ik ging een frisse neus halen met een van je andere gasten. Toen we terugkwamen was alles donker.’
‘Je bent aan het verkeerde adres, kameraad. Dit is alleen met uitnodiging.’
‘We konden gewoon doorlopen. We gingen mee met een kerel, Tomek geloof ik. Of Olaf. Komt hier vaker.’
‘Zegt me niks.’
‘Klein, dik. Louche type. Eerst gingen we naar een café en toen kwamen we hier. Misschien weet hij het.’
De man keek hem koeltjes aan. Hij deed de deur dicht.
De plek achter de bank.
Tomek. Olaf. Had hem erop gewezen.
Kazimir wreef in zijn gezicht. Hij was echt te oud voor deze onzin.
De deur ging open, met een olijk rolletje van zijn hand gebaarde de man naar de hal.
Kazimir wierp een blik achter de bank. Pas de guitare, zouden ze in Parijs zeggen. De man ging hem voor naar een stalen wenteltrap, de treden waren bekleed met hoogpolige beige vloerbedekking, en de bovenverdieping ook, als een vacht. Beige gordijnen tot op de vloer.
‘Laarzen uit.’
Kazimir trok zijn laarzen uit en volgde de man door een lange smalle gang. Hij telde elf deuren, de bovenverdieping strekte zich uit over meerdere panden. De vloerdekking was heerlijk zacht. Door een kier ving hij een glimp op van een naakt lichaam dat aan kettingen hing. Er klonk barokmuziek. Aan het einde van de gang was weer een wenteltrap.
De man liet hem binnen in een luxueus ingericht vertrek, met beige vloerbedekking en een hemelbed.
‘Miss Lily,’ zei hij.
Op de rand van het bed zat een vrouw in een roze peignoir, met krulspelden onder een haarnetje. In haar armen lag een beige poes. Ze droeg een roze legging. Kazimir schatte haar tussen de vijfendertig en de vijfenzestig.
‘Dus Timon heeft jou meegenomen.’
‘Timon, dat was het. Een zelfvoldaan, zweterig ventje, lult je de oren van je kop.’
‘Timon is mijn zoon. En beoogd opvolger. Hij was erg boos vanochtend.’
‘Anders ik wel. Hij heeft mijn gitaar gejat.’
‘Het is geen makkelijke jongen. Ik laat hem oefenen met het café. Timon heeft talent voor rode cijfers, ondanks mijn kapitaalinjecties.’ Het zag er obsceen uit, zoals ze haar ogen samenkneep. ‘En nu beweer jij dat hij een dief is.’
‘Ik wil alleen mijn gitaar terug. Bel hem maar, ik wacht wel.’
Miss Lily viste een zilveren sigarettendoos en een zilveren sigarettenhouder op tussen de kussens.
‘Je meent het, van die gitaar.’ Ze hield hem het geopende doosje voor. ‘Leroy.’
Kazimir nam een sigaret. Zijn telefoon ging, hij drukte de oproep weg.
Leroy, die verderop zat te lezen, kwam overeind, richtte een klein pistooltje op Kazimirs gezicht en gaf hem vuur.
‘Wat lees je?’
Leroy hield het boek omhoog, op de kaft stonden rare letters.
‘Is het wat?’
‘Dostojevski.’
‘Aanrader?’
Leroy zei iets dat onvriendelijk bedoeld leek, in een taal die klonk als Russisch.
Miss Lily keek hem door de rookdampen langdurig aan. Kazimir zag de uitgroei op haar haargrens. De foundation vertoonde barsten. Maar haar ogen sprankelden.
‘Schaam jij je voor je dromen?’
‘Mijn dromen? Moet je luisteren –’
‘Sluimeren er verlangens in je buik waarvan je schrikt? Heb je weleens iets in je anus gestopt dat over de grens ging, over je eigen grenzen? Welke ontkenning draag je met je mee?’
‘Ik weet vrij zeker dat ik hem niet mijn anus heb gestopt, Miss Lily.’
‘Wat zou je als laatste verklappen, onder druk?’
‘Is dat een dreigement?’
‘Je ziet er beroerd uit. Ongelukkig. Niets heilzamer dan je uitleveren aan de wil van iemand anders. Vrij in je hoofd zijn, zoals Leroy.’
‘Hou toch op.’
Zijn telefoon ging opnieuw. Hij besteedde er geen aandacht aan en prikte met zijn wijsvinger in Leroys richting. ‘Je bent een vrij mens, kameraad Leroy. Vergeet dat niet.’
‘Je bedoelt dat mijn seksuele psychodrama je ongemakkelijk maakt omdat ik zwart ben,’ zei Leroy.
‘Ik bedoel dat je deze flauwekul niet hoeft te slikken.’
‘Ik ben haar slaaf. Er is een contract. Ik sta volledig tot haar beschikking.’
Kazimir wilde nog iets zeggen, maar hij wist niet wat. Zijn telefoon ging nog steeds en hij nam op.
‘De motor loopt, Kaz. Waar zit je?’
Het was Dennis, de tourmanager.
‘Een of andere klootzak heeft mijn gitaar gejat.’
‘Welke gitaar?’
‘De Gibson.’
‘De Gibson staat al in de bus. Waar ben je?’
‘Weet je dat zeker?’
‘Anders krijg je een nieuwe van me.’
‘Een Gibson waar Wes Montgomery op heeft gespeeld?’
‘Als je maar opschiet.’
Ergens in dit land was een zaaltje waar een stel onbekenden op hem wachtte. Een man of twintig. Ze kenden zijn teksten uit hun hoofd. Na afloop kochten ze drank voor hem. Het was voorspelbaar, het was teleurstellend, maar hij had geleerd hen dankbaar te zijn.
Ja, een vrij man.
‘Pik me maar op bij dat café van gisteren.’
‘Zorg dat ze je niet zien. We hebben een verrassing. Een plastictas vol briefjes van vijftig, Kaz. Als in een film. Zat in die schapenkop.’
Kazimir borg zijn telefoon op, drukte zijn peuk uit en keek Miss Lily aan. Haar glimlach was verdwenen. Hij draaide zich om en liep naar de deur, voelde aan de knop. De deur zat op slot.
‘De deur zit op slot.’
‘Nee toch,’ zei Miss Lily.
‘Zou je hem willen openmaken?’
‘Leroy.’
Leroy klapte zijn boek dicht, zuchtte en staarde dromerig voor zich uit.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Anne van den Dool.


Diepvriesfruit


Wat als je elke dag door een 

tunnel moet kruipen om bij je geliefde 

te komen? 


Het zullen je 

wangen zijn,

opgedeeld in zesentwintig stukjes,

je neusvleugels, je gelach –

een colbertje dat je rond mijn zusjes schouders sloeg,

zo zoet, zo koud was het in de achtertuin.

Helemaal in het wit gekleed was je,

als een oude man met een eigen strandpaviljoen,

en zij en jij verdwenen rond een hoekje, 

kwamen met zand tussen de tenen terug.

Dat zijn tong had geprikt, zijn handen gejeukt,

ze zijn adem had geroken



en nu deel ik mijn uitzicht weer met hem –

hoewel: het is meer een kokertje waarvoor we ons verdringen,

als een mens dat voor je flatdeur verschijnt,

en met het geprik van de deurmat in onze voeten vragen we ons af 

wat het betekent iemand pijn te doen

en dat nooit te willen toegeven.


Ik begin te vermoeden dat je alles om ons heen hebt ingevroren

omdat het dan minder vlekken maakt.

Ik begin te vermoeden dat je verder staat te kijken.

Ik begin te vermoeden dat je gaat slapen met de vraag:


wat wil ik liever nog 

dan dit.



Over de schrijver:
Anne van den Dool (1993) is tekstschrijver, auteur en cultureel journalist. Haar gedichten verschenen
onder andere in TiradePoëziekrant en DW B. In augustus kwam haar tweede roman, Vluchthaven, uit bij Querido.