De Revisor staat garant voor nieuwe literatuur sinds 1974, en daarom blijft het goed grasduinen in onze archieven (bij de DBNL). In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, met de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘De tuin’, uit het vierde nummer van 1979.

*

Toen ik veel jonger was, en nog vrij van verwachtingen, had de tuin al mijn aandacht: in de herfst ving ik er met een lange dunne bamboestok spinnen uit hun web om ze over de schutting te tikken of te begraven, in de zomer lag ik bij de vijver om vliegjes en kleine motvlinders uit het water te redden en ze in een lange natte rij op de rand te drogen te leggen, in de lente pelde ik de knoppen van de bloemen open zodat ze snel genoeg uit konden komen – steeds was de tuin vol opdrachten, en wanneer die uitgevoerd waren klom ik bij de poes op het schuurtje om tevreden heel mijn werkterrein te overzien. Op foto’s uit die tijd stond ik vaak alleen buiten met de handen op de rug en een neus vol rimpels, turend tegen het zonlicht. Jurken met felle strepen en blokken, en ‘s winters een gebreide muts tot ver over de oren: wie zou me uitlachen? Ook anderen hadden nog geen oordeel. Alles was immers gegeven, en daarbinnen was zoveel te doen.

Praten deed ik niet veel, maar waarom zou ik? Wanneer er kinderen kwamen voerden we geen gesprekken, maar speelden, en de enige taal die daarbij nodig was diende tot onderhandelen, hooguit aangevuld met het napraten van een volwassen frase. Hoe zou ik verslag van iets willen doen, een mening geven? Ik was nergens getuige van omdat ik alles volledig meemaakte, en daarop geen enkele aanvulling nodig had.

‘Wat doe jij toch steeds in die tuin?’
Praten is geen getuigenis, maar een bekentenis. Nog voordat mijn moeder, die fronsend in de verbandtrommel zoekt, haar vraag kan herhalen vertel ik vlug van de bij die ik uit de vijver wilde redden, maar die me toen plotseling gestoken heeft, vlak onder mijn nagel. ‘Je bent onderdehand ook veel te oud voor dat soort dingen.’ Een klodder zalf, gaasverband dat aan het eind fel wordt ingeknipt en vastgeknoopt. – Welk soort dingen? Die van de tuin, de vijver, de schuur? Ik staar lang en afwezig naar de verbonden vinger, die vreemd klopt, alsof hij er niet meer echt bijhoort. Ik leg de andere hand ernaast, leg beide over elkaar, naast elkaar, steek ze omhoog. Dan sta ik langzaam op en loop met geheven handen voetje voor voetje naar de spiegel in de gang. Twintig vingers, vier handen. Daarboven donkere ogen met een frons er tussen, en een neus die veel te veel glimt zodat ik er met de rug van mijn goede hand overheen wrijf, het toiletkastje open, en de schildpadden poederdoos van mijn moeder te voorschijn haal. Daarna borstel ik langdurig mijn haar, totdat de krullen wijd uit staan.
Kijk, dat ben ik dus. Ik klap het kastje dicht en loop naar de kamer van mijn zusje om haar de vinger te laten zien. Wanneer ik haar aankijk valt me voor het eerst op dat haar ogen donkerder zijn dan bij mij, en dat ze geen krullen heeft. Ik staar naar haar handen die gladder zijn dan de mijne, met rood gelakte nagels. ‘Wat doe je toch raar’, zegt ze, ‘altijd dat gekijk van jou. Kun je soms niet praten?’ – Ik doe raar, ik doe dingen en ik praat te weinig. Dus haal ik diep adem en doe zo uitvoerig mogelijk verslag van de bij, tot ze verbaasd begint te lachen en vraagt waar ik het vandaan haal: ‘Zo heb ik je nog nooit meegemaakt!’ Als beloning mag ik haar oogschaduw gebruiken, en het zwarte borsteltje voor de wimpers. Wanneer ik me tenslotte met een brede toneelglimlach van de spiegel af draai zegt ze ‘Poeh, chic hoor! Je lijkt wel achttien ineens.’

Daarna beginnen verwachtingen een rol te spelen; de mijne, maar ook die van anderen. Om beide kanten tegelijk tevreden te stellen is het vooral nodig zoveel mogelijk te praten: wervend, bezwerend, omzichtig. Alles wat ik doe lijkt opeens om voorspraak te vragen, en ik begrijp niet meer hoe ik ooit mijn dagen zo vanzelfsprekend door kon brengen, ongezien door hen, maar, vooral, ongezien door mijzelf. Wat deed ik toch steeds in die tuin?
Nu loop ik vier keer per dag op dunne hakken over de bemoste tegels, een hoekige schooltas onder de arm. Het pad naar het tuinpoortje is glibberig en onvast, en als ik laat in de namiddag terugkeer is mijn hoofd zwaar van gedachten over de indruk die ik behoor te maken, wil maken, of in werkelijkheid gemaakt zal hebben. In de zomer zit ik soms wel even buiten, maar dan met mijn gezicht vol zonnebrandcrème om snel bruin te worden. Dat staat gezonder dan de vale kleur die ik overhoud aan al dat denken, dat alleen minder wil worden wanneer ik lees. Dus lees ik zoveel mogelijk; soms moet ik er tot diep in de nacht mee door gaan, ondanks de dreigende contrôle. ‘Wat doe je toch steeds op dat kamertje, moeten we soms nog strengere maatregelen nemen?’ Nee, die neem ik zelf wel – maar naarmate mijn methodes verfijnder worden wordt mijn bewustzijn scherper, sta ik vaker verbeten voor de spiegel, oefen een glimlach en een geestige opmerking voor buitenshuis of een onschuldige blik en een afleidend vertelsel voor binnenshuis, trek aan mijn kleren, knijp in mijn wangen, ruk aan een redeloze krul – maar op den duur lijkt er geen beginnen meer aan, en raak ik het spoor totaal bijster. Er is geen middenweg. Hun wensen verdragen zich niet met de mijne, maar de mijne verdragen zich evenmin met mezelf. Wat ik zelf ben is ooit, lang geleden, zo vanzelfsprekend geweest, dat ik het niet onthouden heb. Ik voel alleen dat er geen enkele vorm op wil passen, alsof iedere verbinding die ik probeer onophoudelijk gevaar loopt. Pas ‘s nachts, als ik in het geheim kan lezen, ben ik veilig – althans voor mijn eigen toezicht. Maar zelfs het geringste kraken van de trap brengt me opnieuw in paniek, soms zelfs zo hevig dat ik, het bedlampje volop brandend, verstard naar betekenisloze woorden blijf staren, tot de deur openklapt in een baan van wit ganglicht, en een stroom van felle verwijten naar binnen slaat. Nog uren daarna lig ik bewegingloos in het donker, met een hoofd dat bonst van het nadenken. De slaap die dan eindelijk volgt is kort en onrustig, en op school zie ik er opnieuw ontoonbaar uit.
Zes jaar gymnasium. En pas dan word ik inderdaad achttien.

Achttien ja, maar achtentwintig? Acht-en-twintig jaar, wie heeft dat voor elkaar gekregen? Al die maanden, weken, dagen moeten in mijn eigen aanwezigheid verstreken zijn – wat deed ik toch steeds, al die tijd? Ik deed te weinig, en ik praatte te veel: om alle indrukken die ik niet wilde maken uit te wissen, die welke ik wel wilde maken voor te bereiden, mijn verontschuldigingen te rechtvaardigen, mijn beweegredenen te herzien. Langzaam maar zeker zag ik zo evenwel kans, me een toereikend aantal vrienden en kennissen te verwerven, en vervolgens legde ik me er met grote opletttendheid op toe het hun in zoveel mogelijk opzichten volledig naar de zin te maken. Hierin ontwikkelde ik een vaardigheid die op den duur nog maar nauwelijks van echt te onderscheiden viel; men kon zelfs denken dat ik een mening had, ideeën, een strikt eigen humor. Maar hoe groter mijn vriendenkring, hoe genuanceerder mijn opvattingen. Ik sprak ieders taal, parafraseerde ieders vertelling – een kosmisch woordenspel dat zich gestaag uitbreidde, totdat er geen gelegenheid meer was waar ik niet perfect bij paste. De gunsten die ik daarmee won werden uiteindelijk definitief bevestigd door de geamuseerde en ontfermende belangstelling van een grote, rustige man, die me eerst zijn boeken leende, toen mee op reis nam, en ten slotte vroeg, bij hem in huis te komen wonen.
Pas daarna begon echter geleidelijk aan tot me door te dringen dat ik me intussen in een wereld bevond waarvan de hoge kwaliteit en de evenwichtigheid me verbijsterden. Hoe was ik hier beland? Waar had ik dat aan te danken? Pogingen ook dit te rechtvaardigen liepen voor het eerst sinds al die overbezette jaren weer uit op het oude, verlammende gevoel dat ik niet zijn kon wat ik behoorde te zijn. Nu had ik dan inderdaad bereikt wat ik wilde bereiken en maakte precies de indruk die ik altijd had willen maken, maar de handhaving daarvan begon langzaam maar zeker boven mijn krachten te groeien. Beelden van heel vroeger drongen zich steeds onweerstaanbaarder op, en gingen groteske verbindingen aan met mijn volwassen bestaan. Volwassen, omdat ik werkelijk al bijna dertig moest zijn.

‘Wat doe je toch steeds met je tijd? Je zegt dat je het overal te druk voor hebt, maar waarmee, dat kun je niet zeggen; zelfs onze dierbaarste vrienden keur je nog maar nauwelijks een woord waardig.’ Reinderts geamuseerde glimlach wordt steeds schaarser, en met welk recht zou ik hem tegenspreken? Dit is de indruk die het maakt, ook al zijn mijn eigen redenen daar nog zo vreemd aan, en het is zeker een feit dat ik nooit aardig genoeg kan zijn om al die vriendschap nog langer te rechtvaardigen. Maar als ik niet meer onderhoudend ben, niet meer praat en lach als voorheen, zal er onherroepelijk van alles aan het licht komen. Want ik weet nu dat ik nog nooit één waarheid gezegd heb. Sinds ik werkelijk begon te praten heb ik ieder woord gelogen. Ik haat mijn stem, haat mijn beeld in de spiegel. Ik haat iedere indruk die ik achterlaat. Ik wil dat gezicht niet meer zien, die lach niet meer horen, ze leggen alleen valse verbindingen. Ik wil niet meer praten. Ik zal niet meer praten, tot ik weet wat ik te bekennen heb.
En zo, verstoken van het enige middel om wat dan ook te verantwoorden wacht ik, star en zwijgzaam, op de aanval die nu zeker moet komen. Want ik weet heel goed dat ik alleen aanvaard werd op grond van medeplichtigheid: al hun meningen waren de mijne, in alles zou ik hen bijstaan en verdedigen; maar nu deserteer ik. Ik blijf zoveel mogelijk binnenshuis, en wacht af.
Waarom komen ze nu niet? Waarom komt niemand me betichten, bedreigen, aangeven? Een verraderlijke stilte neemt langzaam maar zeker het hele huis in bezit. De telefoon en de bel rinkelen steeds minder, en als ik eens iemand spreek, toont men een zo vriendelijke en bezorgde belangstelling, dat ieder houvast me ontglipt, en ik toch telkens weer briefjes wil versturen waarop staat dat het niets geeft, dat het willekeurig is, tijdelijk, dat het hen niet betreft – niet hen? Maar wie dan wel? Wie heb ik dan zo perfide misleid?
Ik verlang naar een vreselijk ongeluk, een ramp die alleen mij treffen zal. Een deur die openslaat en me in een genadeloos fel licht zet, overspoeld door de meest verpletterende aanklachten.

Zo kruipen de dagen en de weken heimelijk verder, en passeert mijn dertigste verjaardag ten slotte vrijwel onopgemerkt. Reindert geeft me een boekenbon cadeau, en ik besef dat ik zelfs met hem alleen nog maar praat om te onderhandelen: wij wisselen mededelingen uit, opdrachten, en als het af en toe toch nodig is een mening te geven kies ik de stem en de formulering van anderen. Wat hem echter vooral moet hinderen is dat ik tegenwoordig geen jij en jou meer kan zeggen: ik gebruik namen. ‘Wil Reindert het zout aangeven?’ ‘Dit huis is van Reindert, en als die er liever alleen in wil wonen…’ Vooral dat laatste zeg ik vaak, omdat hij daartoe, lijkt me, alle reden heeft.
Wanneer ik dan ook, daags na mijn verjaardag, mijn ouders aan de telefoon krijg en hoor dat ze voor een aantal weken naar het buitenland vertrekken, stel ik hen dadelijk voor, hun huis zo lang aan mij uit te lenen. Ze stemmen, zij het na enig overleg, toe, maar tot mijn verbazing is Reindert niet blij dat ik een tijdje bij hem weg ga. Hij wil me in elk geval dagelijks op mogen bellen, en in de weekends zal hij overkomen.

‘En open gaan de zware deur’ – van welke dichter was dat ook weer? Weifelend steek ik, nadat ik op een zonnige herfstochtend mijn oude koffer het bordes op gezeuld heb, de sleutel in het koperen lipsslot. Naar links of naar rechts draaien? Dat vergeet ik altijd. ‘De goede kant op’, repeteert Reindert dan steeds, maar wat is de goede kant? En van mij uit gezien, of vanuit het sleutelgat? ‘Póntos euxéinos’, hoor ik opeens de stem van mijn vroegere leraar oude talen, en meteen, terwijl de brede voordeur in beweging komt, schiet ook de naam van de dichter me weer te binnen. Een veel te gewone naam, ergens rechts bovenaan in een blauw schoolboekje waarvan ik ieder plaatje ter wille van de diepte nauwkeurig nagetrokken en gearceerd heb. Ik kom in het marmeren voorportaal, dat wordt afgesloten door een gegraveerd glazen tochtdeur. Daarachter begint het huis. Ik zet de koffer neer op de plaats waar vroeger mijn schooltas hoorde, hang mijn jas aan een smeedijzeren hanger in de garderobe, loop door naar de grote woonkamer, en beland haast automatisch voor de hoge houten kast waarin de koekjestrommel moet staan. Pas wanneer ik tot de ontdekking kom dat de lange vingers en mariabiscuitjes vervangen zijn door een zondags restant krakelingen met roomboterallerlei klap ik snel het deksel terug, schuif de trommel op zijn plaats, en sluit de kast zorgvuldig af. Dan draai ik me behoedzaam om. Ik knijp mijn ogen stijf dicht, sper ze wijd open en kijk spiedend in het rond. Stil is het hier, en netjes ook. Alles net zoals vroeger, maar alleen zo schoon en opgeruimd; alsof het huis eigenlijk verhuurd wordt. Op mijn tenen loop ik langs het jadekastje, het rooktafeltje en de schemerlamp naar de tuindeuren, trek één van de velours overgordijnen iets dicht, en tuur daarlangs oplettend naar buiten.
Maar wanneer ik dan de tuin terug zie, alles precies zoals ik het bijna vergeten was: de tegels, het grasveld, het vogelhuis bij de vijver, de zware rhododendrons achterin met daarvoor de rode en gele dahlia’s, paarse asters, chrysanten, verlies ik als bij toverslag iedere waakzaamheid, en zie alleen nog maar de tuin terug, De Tuin. De zon schijnt door de ruiten heen naar binnen en maakt me warm en duizelig, zodat ik mijn ogen iets toe moet knijpen en beide handen als een brug tussen het glas en mijn voorhoofd houd. Ik kijk aan één stuk door, en herken alles volledig: het gras is nog nat van de dauw, twee zwarte merels scharrelen bij het tuinpad, en tussen de dahlia’s en asters glinsteren talloze spinnewebben – met of zonder spinnen, dat kan ik van hieruit niet zo goed zien. Zou iemand daar wel voor gezorgd hebben? Opeens weet ik heel zeker wat me te doen staat. Ik wrik de tuindeuren open, steek de veranda over en loop dwars door het natte gras naar de dahliastruiken, die hoog aan dunne bamboestokkken zijn opgebonden. De bloemen schudden zachtjes heen en weer als ik voorzichtig een stok los probeer te trekken, en grote koude druppels vallen op mijn handen. Ik kijk op, en een vuurrode dahlia wiegt vlak voor mijn gezicht heen en weer. ‘Wijnrood, bloedrood, karmozijnrood, robijnrood’, fluister ik vriendelijk, ‘dag robijnrode bloem.’
‘Dag robijnrode bloem’, herhaal ik nu luider, en verbaasd frons ik mijn wenkbrauwen. Wat zei ik daar? Ik kijk naar de bloem, naar de grond, en herhaal opnieuw wat ik zei. Ja? Ook als ik niet kijk en er met mijn rug naar toe ga staan? Met ingehouden adem draai ik me om, en terwijl ik vaag in de verte de open tuindeuren zie, en de kamer daarachter, zeg ik weer: ‘Een robijnrode bloem.’ Het werkt nog steeds! Zodra ik de woorden uitspreek zie ik de bloem erbij, net zo mooi als in het echt, of eigenlijk nog mooier – er lijkt, tussen wat ik zeg en wat er is, een verbinding te zijn die ik nog nooit eerder ontdekt heb. Hoe kan dat opeens? Ongelovig prik ik de dunne bamboestok, die ik nog als een toverstaf vasthield, loodrecht in het gazon en loop langzaam in de richting van de herfstasters, chrysanten, lupinen; ik noem hun kleuren één voor een, hun grootte, hun aantal, en mijn verbijstering groeit. Ik kijk naar het schuurtje en noem de verkleurde wingerdbladeren waarachter het schuil gaat, dan het schuurtje zelf, de schutting, het tuinpoortje; een mus, nog een mus, drie spinnen, de vijver – dit lijkt haast onuitputtelijk, de tuin is zo groot, zou het ook in het huis kunnen, de chinese borden, de eettafel de koektrommel?
Alles, alles lukt. Alles is precies zoals ik het zeg: eerst noem ik iets terwijl ik kijk, dan samen met een ander woord terwijl ik niet kijk, dan, de handen voor de ogen, een hele serie dingen achter elkaar, en het werkt, haast als een extra dimensie: alsof alles pas nu een omtrek, een plaats krijgt. – Tenslotte bereik ik langs duizend omwegen de grote antieke kast, trek hem open en zoek een dik besuikerde krakeling uit de trommel. Ik ga op een stoel bij de tafel zitten, zeg ‘Dit is groots’, en vind zelfs daarin een overdaad aan betekenis. Dan barst ik in lachen uit en lach, schater, schok van het lachen, totdat de krakeling op de grond valt. Ik pak hem op, spring overeind, ren naar de telefoon, en bel Reindert.
‘Hee’, vraagt hij, ‘ben jij dat? Sleutel kwijt?’
‘Nee’, zeg ik, de hoorn pijnlijk hard tegen mijn oor drukkend, ‘nee luister, er is iets wonderbaarlijks. Luister Reindert, ik geef alles namen, en het werkt! Hoor je me? Er zijn robijnrode dahlia’s, oranjegele wingerdbladeren, het tuinpoortje is van groengeverfd hout en rond van boven, en deze krakeling glimt van de gesmolten suiker…’ – ‘welke krakeling’, onderbreekt hij, ‘waar ben je in vredesnaam terecht gekomen? Wat is er gebeurd?’ – ‘Alles’, antwoord ik, ‘overal. Dit is fantastisch, Reindert, ik kom hier in dit huis, ik loop door de tuin, en opeens kan ik alles zeggen omdat ik in mijn hoofd overal beelden van krijg, elk woord heeft betekenis, ik voel wat ik zeg, begrijp je? En omdat ik het voel is het meteen ook waar, bedenk ik nu, zo waar als het maar zijn kan; voor het eerst van mijn leven spreek ik zomaar vanzelf de waarheid! En van de dingen in de tuin kan ik verder alle andere waarheden afleiden, het porselein, de kast, de koekjestrommel…’ – ‘Derhalve de krakeling’, concludeert Reindert. Hij lacht zachtjes. ‘Kijk eens aan, vandaar. En heb je mij toen van de telefoon afgeleid?’
‘Jou?’ Ik aarzel. De geamuseerdheid die ik al maanden niet meer in zijn stem gehoord heb wekt verre herinneringen aan een tijd vol mensen, allemaal mensen, tegen wie ik steeds maar moest praten en praten… – ‘Mensen weet ik nog niet’, zeg ik snel, ‘maar ik ben ook nog maar net begonnen, en alles moet natuurlijk niet tegelijk, zie je. Ik begin namelijk eerst met de tuin, dan de dieren in de tuin, het huis – misschien ga ik hier ook nog wat oude fotoalbums bekijken, dat geeft alvast beelden van mensen, en natuurlijk dan ook een gevoel’.
‘Mogelijk een wat erg historisch gevoel’, meent Reindert. ‘Zou je er anders bijvoorbeeld niet voor voelen als ik mezelf in levende lijve aandiende? Ik ben nu wel erg benieuwd naar je. Vanavond kan -’ ‘Nee, nee, nu nog maar niet’, zeg ik haastig, ‘ik kan beter eerst een paar dagen alleen blijven, dat hadden we toch ook afgesproken? Is dat goed?’
‘Ja hoor’, geeft hij toe, ‘natuurlijk. Maar het is zo heerlijk om je weer gewoon te horen praten. Zul je dat ook zonder tuin blijven doen? Of zouden we nu eindelijk eens echt een benedenhuis gaan zoeken? Dan kun je alle bloemen die je mooi vindt bij elkaar in je eigen tuin planten’.
‘Maar ik hoef ze helemaal niet in het echt te hebben’, antwoord ik afwezig, ‘ik heb ze immers al in mijn eigen hoofd, ik hoef hun namen maar te noemen, of hun kleur, en ik zie ze zo voor me’.
‘En de realiteit dan, zul je de realiteit niet uit het oog verliezen? Hoe zit dat eigenlijk – heb je wel eten daar, dat soort dingen, en vind je het niet vervelend om helemaal alleen in zo’n groot huis te zitten?’
‘Welnee’, zeg ik, en kijk door de openslaande deuren naar buiten. ‘De zon schijnt nog steeds. Schijnt bij jou ook de zon? Nu wil ik weer de tuin in, ok? Tot zaterdag’.
‘Vrijdagavond’, verbetert hij, ‘maar als je me eerder wilt zien, zul je dan bellen?’ ‘Goed,’ zeg ik, ‘ik ga nu naar buiten’.
‘De groeten aan de pioenrozen’, hoor ik hem nog zeggen, en dan ligt de hoorn op de haak. Pioenrozen? Ik weet niet eens wat dat zijn. Eerst beelden, dan namen. Woorden alleen hebben geen enkele inhoud. – En mensen? Natuurlijk wel, mensen wel. Maar waarom kan ik me Reinderts gezicht dan niet voor ogen halen? De dahlia heb ik meteen weer, en de gordijnen, zelfs de telefoon staat me zwart en glimmend voor de geest – waarom hij dan niet? En iemand anders, wie ik ook probeer, evenmin?
Maar wat kan het me ook eigenlijk schelen – snel loop ik de tuin in, trek de bamboestok uit het gras, en wandel prikkend en wijzend over het gazon, door het huis, de trappen op; ik buig me over de balkonrand, uit het logeerkamerraam, over de dubbele wastafel in de badkamer om lang en aandachtig in de brede spiegel te kijken, en breng de rest van de ochtend en de hele middag naamgevend door tot de schemering invalt.
Alles is bekeken, ook mijn kamer boven, de kleur van het behang, het boekenrekje met een stapel oude schoolschriften, de pluche dieren in een mand. Tenslotte ben ik zelfs op de vliering geklommen waar ik, onder een groot wit laken, drie keurig opgemaakte poppebedden ontdek, elk aan het hoofd- zowel als het voeteneinde doodstil beslapen door poppen van mijn zusje en mij. Ik aai ze stuk voor stuk, doe de knoopjes van hun kleren voorzichtig open en dicht, noem hun ingewikkelde namen in alle volgordes. Als ik het laken tenslotte terugvouw is het boven al bijna donker, maar de tuin kan ik, in het laatste licht, nog één keer opzoeken. Het is er heel stil geworden, met schemerige kleuren.
Nadat ik de bamboestok weer op precies dezelfde plaats tussen de dahlia’s heb geschoven doe ik de verandadeuren haast geruisloos dicht, steek de lamp bij de kachel aan, en loop naar het zwarte jadekastje, waar achter twee deurtjes, onderin, de oude fotoalbums liggen. Ik haal een grote beker chocolademelk, zet de koekjestrommel er naast, en leg de albums in een rij voor mijn voeten.
Dan kijk ik foto’s, uren achtereen. Het vloeipapier ritselt tussen de zware, grijskartonnen bladen, en soms is een foto losgeraakt, zodat ik achterop in verbleekt vulpenschrift een seizoen, een jaartal en een paar namen zie staan. ‘Zomer ’53, met Jo, Hans en de kinderen in Bergen.’ Witte zonnehoedjes, een bolderwagen, mijn zusje laat twee handen vol schelpen zien. – Ik lik aan de losgeraakte hoekjes, over vijfentwintig jaar oud spuug heen, en plak de foto boven de gelijknamige tekst in het album. De beelden die nu in mijn hoofd komen lijken de voorafgaande van het huis en de tuin sterker te verbinden, wederzijdser, en dit, bedenk ik opeens, is misschien wat mensen doen: hun voortdurende aanwezigheid geeft je indrukken een sfeer van veilig, vanzelfsprekend toebehoren.

‘Wat doe jij toch steeds in die tuin?’ Plotseling, als ik het vijfde album opsla, schiet die zin even helder door mijn hoofd als de aanblik van deze veel nieuwere, glanzende foto’s. Ze zijn groter, zonder kartelrandjes, en lichter van kleur, terwijl de getoonde kinderen al bijna even groot zijn als wij konden worden. Mijn zusje in haar eerste tweedelige badpak – het seizoen is weer zomer, en het onderschrift draagt een fier uitroepteken. Snel sla ik de pagina’s om; in dit boek zijn ze spierwit, zonder vloeipapier, en het linkerblad is steeds blanco gelaten. De bladen draaien stroef en scheef over de spiraal in het midden, en wanneer ik een onhandige slok chocolademelk neem plenst een leverkleurige vlek over een fotoserie waarop ‘de dochters zich prepareren op een nieuw schooljaar in klasse II resp. V Gmn.’ Grote rollen kaftpapier, op de laatste foto houdt mijn zusje een zojuist geplastificeerde Homerus voor haar gezicht. – Gauw naar de keuken, vaatdoek halen. Het is donker in de gang, en een lichte paniek overvalt me. Wat een onzin ook, die albums, ik heb er allang genoeg van gekregen, wat er verder nog komt interesseert me trouwens ook helemaal niet. Maar wanneer ik de chocolademelk slordig heb weggeveegd blader ik toch gejaagd verder. Jurken met petticoats worden kokerrokjes, sandalen queenies met bandjes. Dan, opeens, stuit ik op een grote, centraal opgeplakte kleurenfoto van mijn ‘zojuist behangen meisjeskamer, voorjaar 1964’. Muren in wit en pastelgeel, rotan stoeltjes met zacht fluwelen kussens, een crème gelakte hoge theetafel met kopjes, de zilveren theelepeltjes staan in het melkkannetje. Het boekenrek, de mand met pluche beesten, de spiegel, die afschuwelijke spiegel – zie ik daar haarspeldjes naast liggen, een vlekkerig doosje mascara, dat kan toch niet? Nee, dat kan niet! Dat moet weg, want als ze die rommel zien – en mijn boek, heb ik dat wel goed verstopt? Ik speur de foto af, dat boek heb ik toch wel weggestopt? Jachtig ga ik met mijn vinger langs de contouren van het lichthouten bureautje, waarop de leeslamp gelukkig in de goede stand staat en niet, zoals ‘s nachts, heimelijk een halve slag naar rechts, boven het bed – dan trek ik met een ruk mijn schouders omhoog, en luister. Het geluid van een sleutel in de voordeur, voetstappen in de hal, de tochtdeur schuift over de loper van de gang… bewegingloos blijf ik zitten, de lamp schijnt fel op het witte blad links, en rechts lezen alleen mijn ogen een nietszeggende reeks woorden: meisjeskamer, voorjaar 1964, meisjeska, mei –
Dan kiert de deur langzaam open, en een stem zegt ‘hee niet schrikken hoor ik ben het – kijk eens wat ik voor je heb?’ Ik kijk op, mijn vingers strak om het album; en wanneer ik Reindert zie staan, half verborgen achter een enorme bos rode dahlia’s, begint alles aan me te trillen en te schokken zodat het zware fotoboek van mijn schoot glijdt, en ik het uitschreeuw van de pijn wanneer de scherpe zijkant tegen de wreef van mijn voet slaat.

Het is nu winter, en de hoog ingesloten rechthoek van talloze achtertuinen, waaronder er één bij ons nieuwe huis hoort, ligt vol witte sneeuwplekken. Ik sta buiten, een zak bloembollen naast me, en een schepje in de hand. Een paar tuinen verderop zijn twee kinderen een schamele sneeuwpop aan het maken; het weer is zo koud en helder, dat ik de aanwijzingen die ze elkaar geven soms vrijwel letterlijk kan volgen. Dit soort dingen moet ik ook gedaan hebben in de winter: met sneeuw spelen, sleeën, schaatsen – maar ik herinner het me slecht, misschien omdat het meestal in gezelschap van anderen gebeurde. In de winter was mijn tuin immers niet minder ontoegankelijk dan deze; er viel nergens iets te doen want de grond was koud en hard, alle insecten waren uit zichzelf al weggegaan, en de vijver lag, donker en diep, vol rotte bladeren. Dus speelde ik in die tussentijd met anderen, en groef alleen af en toe, als de zon scheen, de sneeuw een beetje weg op plaatsen waar de crocussen ooit weer moesten komen.
Ik buk me en krab met het schepje over een kale plek aarde. Keihard. Ik pak een grotere schop, zet hem loodrecht tegen de grond, en stamp met mijn hiel op de bovenrand van het blad. Zelfs als ik mijn andere been daarbij plotseling optil en de schep met een schok mijn hele gewicht te dragen krijgt gebeurt er niets. Hijgend staak ik tenslotte mijn pogingen en kijk met ogen die tranen van de kou naar de witte wolkjes van mijn adem, die wonderlijk snel oplossen in de lucht. Ze brengen me op de gedachte een zware gieter met heet water te proberen, maar wanneer de stoom dampend van de grond slaat bedenk ik dat de bollen zo nog sneller stuk zullen vriezen. Werkeloos staar ik naar de grond, die zwart en nat glinstert van het al weer afgekoelde water. Wat kan ik nog doen? – Na een tijdje draag ik de schop en de gieter terug naar de bijkeuken, en pak voorzichtig de zak bollen op. Vier soorten dahlia’s heb ik gekocht, waaronder witte, die ik nog nooit heb zien bloeien.
Ik recht mijn rug en kijk de tuinen langs naar de twee kinderen, die nu vlak voor hun dwergsneeuwpop een brandende kaars hebben neergezet; terwijl zijn kleine witte hoofd met zwarte koologen langzaam scheefzakt en wegsmelt zingen ze met schelle, lange uithalen een triomfantelijk Wilhelmus.

De Revisor staat garant voor nieuwe literatuur sinds 1974, en daarom blijft het goed grasduinen in onze archieven (bij de DBNL). In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. In 2014 hernamen we al op aanraden van Nicolaas Matsier haar debuut, ‘Gegevens’. Dit is ‘Sjibbolet’, uit het zesde nummer van 1978.

*

Nee, dat gaat niet, die twee plaatsen hiernaast kunnen nu niet meer bezet worden. Ze zijn te dichtbij zeg ik u, en misschien is er in dit vliegtuig verder ook wel geen ruimte meer, maar dan is er toch evenmin tijd, want uzelf, ziet u, bent op dit moment al ver over het schema heengegaan. Zo valt deze gebeurtenis buiten de afspraak: onze gemeenschappelijke wereld is al een kwartier geleden opgestegen. Ja, wat wilt u? De brede aluminium vleugel waar dit raampje op uitkijkt heb ik allang in al zijn naden uit het hoofd geleerd, het gordijntje heb ik zorgvuldig tot halverwege de stroeve spiraalroeden teruggeduwd, mijn tas met vier zware boeken staat op de grijze zitting naast me, en ook ziet u daar een appel, zakdoek, sigaretten, een aansteker – waar moet ik er anders mee heen?

‘In het bagagerek’, wijst de witgehandschoende stewardess. Gladde lok met een toque erop. Loktok. Nee. Dit moment valt buiten onze overeenkomst, en ik ben degene die bijtijds op elke plaats aankwam, twee uur in de trein, twintig minuten bus, zeven kwartier op het vliegveld, om uiteindelijk deze plek hier te verwerven, te verkennen en in orde te maken. Gordijnen, tas, appel. Vóór me drie schuine rugleuningen, rechts de gebogen vliegtuigwand met het diepliggende raampje, links de twee vrijgebleven plaatsen. Nee, het gaat echt niet, ik heb dit gebied gezuiverd, er staat nu een ronde zeepbel omheen. Maar daar priemt haar droge witte handschoen, pats, dwars doorheen: ‘in het bagagerek’, en wenkt twee lange gestalten dichterbij. Hoog boven me zweeft een dubbele glimlach. ‘Handje helpen?’ vraagt één daarvan, en knikt naar de tas.

Hun vier knieën schuiven precies tegen de hoge rugleuningen hiervoor, en nu kan ik er nooit meer alleen uit. Gevangen, vier stangen. De appel en de zakdoek liggen op mijn schoot, ik leg mijn handen eromheen en blijf zo stil mogelijk zitten. Ik kijk naar het gordijntje dat vanuit deze positie te ver dicht zit. Ik kan er niet meer uit. Gaan we nu weg? Ik schrik van weer de witte handschoen, dicht in de buurt van mijn arm die ik snel tegen mijn zij druk. Wat, wat is er. Ze wijst naar een lichtgevend bordje. Moeizaam snoer ik de riemen zo vast dat de zakdoek er haast niet meer onder vandaan kan. Wanneer ze me glimlachend een dienblad vol snoepjes voorhoudt draait mijn hoofd zich vanzelf af.

En dan stijgen ze op, ja, maar ik houd me daar verder buiten. Als ze zo willekeurig met mijn tijd en ruimte omgaan, kan het doel evengoed opeens een ander worden: wie zal me beloven dat dit vliegtuig naar Florence gaat? Ook moet mijn sigaret nu uit, verboden te inhaleren. Meteen krijg ik het veel te benauwd. Alles zit dicht, mijn beide oren, het gordijn rechts, de viervoudige barrière links, de toegesnoerde riemen. Dit gaat niet, helemaal niet. Ik kijk snel opzij en trek dan in één plotselinge beweging de gordels los, rek mijn rechterarm naar het raam, en druk het dikke gordijntje zo ver mogelijk langs de weerspannige spiralen terug. Zo. Nu goed naar buiten kijken, daar is het rustig. De zon blinkt op de vleugel vol voegen en naden met rijtjes spijkers erlangs, dat heb ik al eerder goed opgenomen. Aluminium, met één l. Haast het hele woord gaat door je neus, aluminium. Mijn oren zitten nog steeds dicht. Eens proberen of ik kan gapen, hoewel, daar komt zij weer in dat strenge mantelpak, nog steeds met witte handschoenen aan. Ze deelt er dienbladen mee rond. Net zulke handen als Mickey Mouse, kunsthanden. – Lang geleden moest ik onder het huiswerk maken witte kanten handschoenen aan omdat ik mijn vingers te ver afbeet. Binnen het kant pleisters om mijn nagels, daarbuiten een pleister om mijn pen omdat die anders tussen de gehaakte vingers weggleed. Zo vreemd als dat aanvoelde, alsof het een ander was, zelfstandig, die alles hanteerde.

Ja natuurlijk, nee, dank u wel. Ik heb even niet opgelet, maar hij naast mij wel, en voor ik het weet hebben zijn snelle vingers lipjes uit stoelleuningen losgetrokken en zitten we alle drie in een schoolbank. Klak, klak, klak, ieder een blad op zijn tafel. Met een schok schuif ik zo ver mogelijk naar achteren, een vlak vol bakjes eten snijdt mijn adem doormidden. Nu vooral kalm blijven, proberen diep te zuchten, naar buiten kijken. Wat ik allemaal zie, aluminium, precies als zonet, daarbij het blauw van de lucht, ook hetzelfde. Zilver op blauw, wat was dat nog meer? Het insigne op haar uniform. Zie je wel, het is allemaal best na te gaan.

Zo. Nu eens kijken wat er precies op dat blad is uitgestald. O, wacht even. Even goed luisteren. Links naast me wordt een gesprek gevoerd, en er vallen namen die belangrijk zijn: Uffizi, hoor ik, Firenze. Eén van hen wil voor de avond nog een bezoek brengen aan het museum. Zie je wel, ze gaan er dus toch naar toe. Zelf noem ik de stad gewoonlijk Florence, maar wat die Uffizi betreft hebben ze gelijk. Officiën heb ik dat destijds vertaald, een heel kunstboek door. De vriendelijke redacteur zou dat nu zelf nog wel verbeteren, maar of ik er in de volgende delen op wilde letten. Negen delen alles bij elkaar, en toen ik er twee af had kon ik precies deze vijfdaagse vliegreis betalen. Dat leek me een goed plan. Nog zeven delen vóór me (één daarvan in de tas bovenop het bagagerek), vol met zoveel verwijzingen naar Florentijnse kunstverzamelingen, dat het me verstandig leek die ook eens werkelijk onder ogen te zien. Vooral bij deel twee, ‘De Italiaanse Renaissance’, viel heel veel te controleren.

Hoewel het me wat mezelf betreft niet helemaal duidelijk is, of ik al die dingen wel in het echt wil zien. Mijn vertaling riep soms zulke prachtige beelden op, dat ik niet weet of ik die eigenlijk wel vervangen wil. – Misschien is het belangrijkste voor mij nog, dat ik een proef wil nemen, en dan met name de proef van deze reis. Ik ben er al jarenlang niet meer uit geweest, want er moest hard en snel gewerkt worden. Ik herinner me nog heel scherp hoe plotseling het gebeurde, hoe plotseling de noodzaak opdoemde om alles wat ik tot dan toe begrepen en gedaan had totaal te herzien. Dat kostte nog veel meer tijd dan ik toen al vreesde, het werden geen maanden, maar jaren van hard en snel werken, maar nu is alles dan ook anders geworden. Nu weet ik beter dan ooit tevoren hoe zorgvuldig je met de wereld om moet gaan. Hoe elke situatie weer andere regels en afspraken heeft, zoals Florence, wordt hier Firenze. Hoe belangrijk het is om die regels zo goed mogelijk te leren, totdat ze als een handschoen om je heen passen. Natuurlijk was het niet eenvoudig, een pasvorm te vinden die in staat was iedere situatie voor me te hanteren. Maar nu ben ik zover. En dit is de proef.

Het spreekt wel vanzelf dat er een aantal nieuwe en heel strikte voorwaarden is opgesteld, waarbij zorgvuldigheid een eerste plaats inneemt. Van buitenaf lijkt het misschien sierlijkheid, of elegantie, maar zo noemen alleen anderen het. In feite gaat het om een voorzichtigheid die iedere bruuske beweging vermijdt, die niets aan mag stoten, omgooien, stukmaken: ieder teveel heeft onvoorziene gevolgen die veel te veel op zouden vallen. Verder moet aan ogen, haren, kleding en gestalte niets méér te zien zijn dan voor een redelijke onderlinge verhouding noodzakelijk is. Zo kon het dunne gouden kettinkje heel goed zonder hanger, en was het bij de jurk van bleekgele, soepele stof niet nodig de hals dieper uit te snijden; het vestje daar overheen is van witte wol, nauwkeurig in een dicht patroon gebreid. Ik wrijf over één van de grote kristallen knopen die ik er gisteravond nog op heb genaaid, ze schitterden toen prachtig in het lamplicht. – Dan mogen, volgens hetzelfde principe, bij het praten natuurlijk nooit – daar tikt iemand op mijn arm. Ik kijk vlug opzij, pak het plastic kopje dat in een putje op het blad staat, en reik het voor de buurman langs omhoog naar waar de stewardess een grote koffiekan ophoudt. Hij kijkt toe met het hoofd achterover tegen zijn stoel, neemt het kopje van haar aan en plaatst het voorzichtig op mijn blad terug. ‘Voor mij geen koffie hoor, op dit uur van de dag’, zegt hij, en dat is heel goed, want het wijst op regels die ik ken. Misschien iemand die mee wil spelen. Wat nog waarschijnlijker lijkt wanneer hij, zijn middagthee ingeschonken en zijn suiker met die van de man naast hem aangevuld, zich in mijn richting draait en vraagt of de reis naar Firenze gaat, of voorlopig niet verder dan Pisa? ‘Nee, Firenze’ – kijk, vanzelf de juiste code – ‘maar hoe dat precies moet, vanaf het vliegveld, weet u dat misschien, hebben ze daar speciale bussen voor?’ Hij lacht, hij geeft zijn verzekering. Voor het eerst naar Italië? Charmant vindt hij dat, en vooral wanneer hij de redenen hoort, het controleren van vertaalde schilderijen, beeldhouwwerken, paleizen: viel de sluier sluik of soepel, langs het opgerichte of geheven, figuur of gelaat? Een voorbeeld dat al vaker goed gewerkt heeft, en als ik zie hoe hij lacht laat ik die paar kunstige Franse zinnen die je bij ieder meesterwerk weer opnieuw tegenkomt ook meteen maar volgen – dat vinden ze dan immers vaak even leuk.

Terwijl hij (‘Nee, wacht u even! Laat ik het zelf eens proberen’) naar de juiste vertaling zoekt kijk ik naar zijn geamuseerde gezicht en wrijf tevreden langs mijn oor. Het lukt, het gaat best goed, mijn stem klinkt gelijkmatig, ook bij Uffizi, Firenze; de manier van lachen wordt nooit uitbundig, en de mimiek heeft uitsluitend te maken met wat er ter sprake komt – iets anders dan wat ik al goed heb leren hanteren is voor deze situatie niet nodig.

En zo hoef ik hem zelf verder geen gestalte te geven, geen derde dimensie. Dat is dan ook streng verboden: elk perspectief dat ik aan een ander toekende ging destijds zo hevig ten koste van mezelf, dat het noodzakelijk werd alles zo vlak mogelijk te maken, iedereen afgeplat. Alleen een klein beetje reliëf bleef, ter oriëntatie, nog over, en daarin kon ik van alle
aspecten net iets behouden: een stembuiging, een beweging, sommige kleuren, graden van warmte. Een vaag beeld, waarvan ik me beslist geen scherpere voorstelling mag maken. Bij hem geldt alleen iets als dat hij bruine ogen heeft en blond, achterovergekamd haar, dat van boven al wat dun wordt. Die combinatie van donkere ogen, licht haar en iets gebogen schouders geeft samen met zijn stem, zijn volle uitspraak, al meer dan voldoende reliëf. Historicus zegt hij te zijn, met een korte i en een rollende r. Hisstorricus. Zachtjes probeer ik dat na, mijn ogen gericht op de gelapte vliegtuigvleugel buiten het raampje. Histodlikus, Hisstodlikus. Hoe doet hij dat? Opeens wil ik dat heel graag weten – zonder nadenken draai ik mijn gezicht naar hem toe. Maar wanneer hij zich halverwege de vraag al hilarisch verslikt in zijn zoete middagthee schrik ik hevig. Sjibbolet, zijn uitspraak, de binnenkant van zijn mond – onmiddellijk moeten nu alle denkbare tegenmaatregelen volgen: talenstudies, ziet u, fonetische belangstelling, uvulaire, bilabiale of labiodentale r, daar komt het door. Hij lijkt te kalmeren, en het gesprek neemt weer een veilige wending.

Dan pakt hij een krant, en, heel moe ineens, staar ik uit het raam. Was dat op het nippertje? Toch wel, anders was ik niet zo geschrokken. Soms weet ik niet wat het precies is waarvoor ik bang ben. En juist dat maakt me dan het bangst. Was dit eigenlijk niet net zoiets als Officiën, Florence? Een code heeft niet alleen een vocabulaire, maar ook een syntaxis. Natuurlijk. Was dit dan soms syntaxis? Grammatica, de manier waarop namen verbonden worden. Maar zoiets is onbegrensd – hoe moet ik dat ooit aanleren? Zit mijn pasvorm dan even los in elkaar als een metselmuur zonder cement? God, wat gevaarlijk dan opeens. Moet ik daar nu op komen, hoog in de lucht, nergens, bewaakt door iemand die zo’n totaal vreemde uitspraak heeft en die zijn knieën onwrikbaar tegen de volgende rugleuning aangedrukt houdt? Ik kan er nooit uit. Met mijn handen in elkaar geklemd hoor ik mezelf weer vragen: hoe doet u dat, hoe spreekt u dat precies uit, historicus – sjibbolet, ik moet maken dat ik hier wegkom, mijn oren suizen, sjibbolet. Wat heb ik prijsgegeven, zijn ze erachter gekomen? Ik moet me rustig houden, heel rustig. Stil blijven zitten, kalm, en dan nu maar weer het oude middel: definities repeteren. Net zolang tot het over is. Zo. Handen over elkaar, en beginnen.

Hoofdletter A, één. Neutraliteit. Van Dale. Onzijdigheid, het tot geen van twee tegenover elkaar staande partijen behoren, het geen van twee tegengestelde eigenschappen bezitten. Tegenover elkaar. Neutraliteit. Twee. Koenen. Onpartijdigheid, het tussen de partijen in staan. Tussen in. Neutraliteit. Drie. Kramer. Onzijdigheid, het geen partij kiezen. Het geen. Neutrality. Vier. Webster. Condition which refrains from taking part, directly or indirectly; condition of immunity from invasions or use by belligerents. Or use. Neutralité. Vijf. Larousse. Etat de celui qui ne prend aucune part aux hostilités qui s’excercent entre des puissances belligérentes, entre des puissances opposées. Aucune. Zo. Eén keer rond. Nu hoofdletter B, andersom, en dan eventueel weer terug, C – of is het al over?

‘Waar denkt u toch zo hartstochtelijk aan’, vraagt de buurman, ‘we moeten er nu bijna zijn, als ik het wel heb, u wordt toch niet nog luchtziek? Op het laatste moment?’ Ik schud mijn hoofd, hoofdletter B dus, grabbel naar de riemen en snoer me stevig in, hoofdletter B, of zal ik de vleugel maar doen? Ook een goed middel gebleken, alleen is het wat minder sterk. Terwijl de luidspreker met een neusstem plaats, hoogte en temperatuur opgeeft leunt de buurman over naar zijn metgezel en zegt lachend iets in diens oor. De sjibbolet zeker, ik heb heus wel gemerkt hoe hij steeds even opzij keek vanachter die krant. Juist bij mensen die aardig zijn en er zo bijzonder uitzien als hij moet je ontzettend oppassen. Maar op die manier speel ik al lang niet meer mee. Ik vind het zelf verder wel, de juffrouw met het insigne en de gladde handschoenen zal het trouwens ook wel weten. Beter zelfs, want ze zit bovendien in het goede kamp, het grootste, waar alles verre van aardig en bijzonder is. Bij hen kost het me geen enkele moeite om niets prijs tegeven. Integendeel. Van nu af aan zal ik me dan ook nooit meer verspreken. Nooit.

Pas wanneer ik op een tweepersoonskamer hoog in een ouderwets hotel de klerenkast opentrek en plotseling tegenover een levensgrote spiegel sta merk ik dat ik nauwelijks iets afweet van wat er intussen gebeurd is – een douane, een bus, koffers en tassen, veel lawaai en drukte overal rondom, en de rollende r van het Congres waar de lange man die naast me zat naartoe moest – maar of hij alsnog één dezer dagen mocht – wat? Bellen, berichten, boodschap achterlaten? Ik weet het niet meer. Het enige dat steeds in mijn oren bleef rondsuizen (‘U had ook op een snoepje moeten zuigen, juffrouw, sommige mensen houden daar nog urenlang last van’) was sjibbolet, sjibbolet, en ik moet weten waarom het fout ging. Of weet ik dat allang? In de spiegel schemert lichtgeel met pluiswit, en zijdelings gluur ik naar de bleke vlek daarboven. Twee donkere ogen gluren terug. Jawel, ik heb er onderdehand heus wel iets van begrepen. Ik was dat niet, jij was het. Je was op andere dingen uit dan ik, ik probeer steeds alles zo snel mogelijk door te krijgen om het meteen in codes te kunnen omzetten en verder neutraal te blijven, maar jij, jij kiest eigenlijk veel liever voor bondgenoten buiten jezelf, je wilt eigenlijk veel liever je functies op anderen overdragen, je zet al je winnende, wervende kunstgrepen in, je praat maar, verzint maar wat, kuiltjes in je wangen, krullen langs je oren, wie wil jou niet op zich nemen? Hij wel, dat werd voldoende duidelijk. – Toch een prestatie eigenlijk, bij die combinatie van ogen, haarkleur, houding, wat moest hij toen lachen, en later bij de douane, zijn iets gebogen gestalte speurend naar mijn weekendtas – wat had hij ook weer gezegd? Etentje, borrel – nee. Hou op jij. Met een klap sla ik de kastdeur dicht, schop mijn schoenen uit, draai, zittend op het bed, een sigaret, en laat me halverwege de eerste, diepe trek achterover vallen – waardoor ik me natuurlijk meteen verslik. Hoestend schiet ik overeind, de tranen in mijn ogen, en ren naar de openstaande ramen, maar nauwelijks zit ik in de vensterbank of een blik naar beneden slaat in duizelingwekkende hoogtevrees terug, en struikelend wijk ik achteruit naar de andere kant van de kamer, waar ik me hijgend, de rug tegen de muur, op de grond laat zakken. Dat krijg je ervan, ja, dat komt ervan. Ik haal diep adem. Van nu af aan zul je me nooit meer verraden, van nu af aan is het afgelopen met die mooie voorstellingen: koud en glad zul je zijn als je
spiegelbeeld, klinisch en functioneel als de witte glaceehandschoenen bij dat mantelpak. Hij schaterde om de sjibbolet, maar het lachen zal hem snel genoeg vergaan als hij je vandaag of morgen tracteert, inviteert, wat het ook zijn mag. O ja, je zult van nu af aan alleen nog mijn eigen gezicht vertonen: einde van elke voorstelling. Ik duw mijn hoofd achterover tegen de muur en neem een laatste trek van de sigaret, lik dan snel over mijn handpalm, en druk het peukje er sissend in uit. Zo, dat zal je leren, voorgoed.

Wanneer ik mijn pols beetpak en hem een slag omdraai om op het horloge te kunnen kijken zie ik dat het al bijna vijf uur is. Ik kom snel overeind. Hoog tijd om aan het werk te gaan. Altijd ‘s middags vertalen, ‘s avonds typen, ‘s morgens nakijken, dat is de regel, zo moet het steeds blijven, anders gaat het mis. Dan begint de avond vandaag maar wat later, dat kan ook wel voor een keertje, en zeker na zo’n reis. Bovendien heb ik hier toch geen typemachine, immers. Ik loop naar het kleine formica tafeltje dat met een stoel half eronder geschoven naast de wastafel staat, acht stalen poten vlak bij elkaar, op rubber dopjes. Op de tafel een kanten kleedje onder een glazen asbak met twee platte pakjes hotellucifers. Ik pak een rol biscuits uit de weekendtas, en dan een beugelflesje, waaruit ik groene limonadesiroop in het wastafelglas giet. Aanvullen met water, de kraan piept, drie koekjes op een stapeltje neergelegd, glas ernaast, boek, woordenboek F-N, schrift, pen; een vertrouwde formatie waar niets aan ontbreekt. Voor het eerst vandaag voel ik me veilig. Ik rol een sigaret en bestudeerde openingszin. Per dag moet ik volgens de berekening 2½ pagina vertalen om de inleverdatum over zes weken te kunnen halen. Veel foto’s dit keer, dat is makkelijk, dan kan ik daar vooral op afgaan. Meteen al op bladzijde drie een prachtige plaat. Goed naar kijken. ‘Détail van de Aanbidding. De jongeman rechtsonder is vermoedelijk een zelfportret van de schilder’, staat erbij. Ik kijk lang naar de ernstige jongeman rechtsonder. Waarom zou hij dat gedaan hebben? Zichzelf, ten voeten uit, in een situatie die zich misschien wel nooit heeft voorgedaan? Waar hij in elk geval zelf zeker niet bij was? Hoewel, iets verderop, rechts van de Maria, staat iemand naar hem te kijken. Het is een lange, gebogen figuur met een groot boek onder zijn arm, een geschiedschrijver waarschijnlijk, en die kijkt naar hem. Dat is heel handig van die schilder, want zo bewijst hij eigenlijk dat hij er wèl bij was, en meteen ook, dat de situatie zich moet hebben voorgedaan. Allemaal via de man met het boek. – Historicus, wonderlijk. Jazeker. Dat kan wel zijn, ja. Maar nu wou ik toch wel graag gewoon aan het werk.

Ik pak het bovenste koekje, breek het in drieën, roer met de achterkant van mijn pen door de limonade, lik de penhouder droog, en schrijf in glanzende hoofdletters de titel van het boek op de kaft van een nieuw schrift. Dan vouw ik het open, noteer een dikke romeinse I, en laat die langzaam volgen door de uitgebreide, sierlijke openingszin. Daarna komt, kalm en geleidelijk, regel na regel op het papier te staan; ik ben nu volkomen rustig, en het doet er niet meer toe waar ik ben. Tussen mij en dat grote glimmende platenboek dat rechtop tegen de muur steunt verschijnen allerlei beelden en voorstellingen, ik beschrijf middeleeuwse straatjes, bedrijvigheid, kloosters en paleizen waar, zo staat hier, kunstenaars werken en wedijveren, ze kijken in het rond, mengen hun kleuren, hebben geldgebrek of, zo staat hier, baden in weelde. – Alleen wat voorgoed voorbij is, kan zo duidelijk beschreven worden.

Wanneer mijn pen leegraakt en ik naar de weekendtas loop om hem bij te vullen wordt het al bijna donker, en op zoek naar de inktpot stuit ik op een grote plastic zak met etenswaren. Honger? Blik op het horloge. Dat zou best kunnen. Ik doe de booglamp boven de wastafel aan, en terwijl ik mijn haar alle kanten uit borstel bedenk ik dat ik maar niet meteen beneden ga eten, in zo’n eetzaal met al die mensen. Niet dat mijn haren niet mooi zitten, of mijn kleren, maar misschien is het eerder omgekeerd: ze kijken naar je, ze komen bij je zitten, ze willen praten, en dan? Dan willen ze van alles weten, je naam, je herkomst, je bezigheden, hoe lang al, hoe lang nog, en tot slot moet hun onderzoek ‘hopelijk nog voor u teruggaat’ worden voortgezet – nee, ik kan maar beter hier blijven. In die zak zit tenslotte van alles, voor twee dagen minstens, appels, melkpoeder, en een zelfgemaakt soort zoute koek met uien en tomaat. Ook nog mosterd, peper en een taartje, uit het vliegtuig. Handig van mij om dat allemaal mee te nemen. Ik ga op het bed liggen, doe het bedlampje aan, en lees mijn vertaling door. Eet voorzichtig aan het taartje.

Het is uit behoefte aan koffie dat ik tenslotte het platenboek naast me neerleg, van het bed afkom en naar het raam toeloop. Ik laat me op mijn knieën zakken, plaats beide ellebogen nauwkeurig op de lage vensterbank, en zo, met opgetrokken schouders, waag ik een blik in de diepte. Het is druk op straat, de lantarens branden al, en ik speur tussen de lichtende gevelopschriften naar iets als ‘espressobar’, ‘coffeeshop’, hoe noemen ze dat hier. ‘Ristorante’ zie ik ergens staan, maar het lijkt me niet goed om in een restaurant alleen maar koffie te bestellen, dat kan opvallend zijn. En dat wil ik niet. Ik wil niet opvallen. Gelukkig heb ik een beige nylon regenjas meegenomen, zo een als je wel in supermarkten koopt en die altijd veel te groot zijn; een hoofddoekje daarbij, en ik ben het aanzien niet meer waard. Zal ik dan maar gewoon de straat op gaan? En eens zien waar een koffiehuis te vinden is? Terwijl ik de nylonjas, die ritselend tot bijna op mijn enkels valt, aantrek, en het hoofddoekje zoek, bedenk ik dat hier beneden misschien ook wel koffie te krijgen is. Maar dan kan de jas niet aan, en misschien zitten er mensen uit het vliegtuig, nee, dan probeer ik het toch maar liever buiten. De jas sleept over de traptreden, en op weg naar beneden probeer ik de hoofddoek alvast in een zo groot mogelijke driehoek te vouwen. – Maar dan, wanneer ik de sleutels bij de receptie afgeef, wordt me een briefje overhandigd, en dadelijk daarop verdwijnt de portier gehaast naar achteren. Naar de bar, denk ik, want er komt muziek vandaan. Op de envelop staat alleen mijn kamernummer. Vier, één, drie, lees ik. Meer weet hij niet, nee, en dat is maar goed ook, van mij mag het blijven, zo. Ik loop snel naar de zware draaideur en zet me net schrap tegen één van de vier dikke koperen stangen, wanneer er aan mijn jas getrokken wordt. Juist op dat moment kom ik met draaideur en al in beweging, zodat de kraag naar de rechterkant van mijn schouder glijdt en halverwege blijft steken. Mijn arm wordt mee naar achteren getrokken waardoor ik niet meer kan duwen, en noodgedwongen draai ik mee om, de jas tussen de draaideur, ik in een driehoekige cel van twee glasplaten en één glanzend ronde houtwand. Aan de andere kant van het glas staat, moeizaam zijn lachen inhoudend, hij. De portier schiet al behulpzaam op de draaideur af en drukt die in tegengestelde richting terug. Nu ben ik weer in de hal. De jas hangt aan één kant op de grond, maar met een paar lange passen is hij bij me, en terwijl hij met een brede glimlach zijn excuses aanbiedt ontdoet hij me handig van het ritselende nylon. Vriendelijk vraagt hij of ik dacht dat het regende buiten; zegt hij dat het daarentegen heerlijk weer lijkt; vraagt hij waarheen ik toch zo haastig op weg ben? en of we elkaars namen eigenlijk wel kennen? ‘Mij’, zegt hij dan,
‘mag je Jacob noemen’. Daarop steekt hij vol aandacht zijn duim door het ophanglusje, zwaait de jas over zijn schouder, en kijkt afwachtend op me neer. Ik haal diep adem. Jacob. ‘Alleen de voornaam dus?’ vraag ik. ‘Dus’, knikt hij ernstig, ‘wat je maar wilt’. Ik sla de hoofddoek om mijn hals en grijp de beide uiteinden stevig vast. Dan kijk ik hem recht aan, en zeg de naam die voor al mijn vertalingen geldt: ‘Maria Hertens’. Hij vindt hem mooi, een naam die prachtig bij me past. Ik antwoord dat ook zijn naam veelzeggend is, voor een historicus, waarop hij lacht, en zegt dat het oude testament er inderdaad allang was voordat het nieuwe gemaakt werd. Jacob, Maria. Hij is snel, fascinerend snel. Overal verbindingen. Ik ken dat, en ik wil het niet. Nu niet meer. Ik kijk naar zijn handen, die vergeefs proberen de gladde jas op te vouwen, en zeg: ‘Volgens sommige opvattingen had het één dan ook beter zonder het ander kunnen blijven’. Dadelijk staakt hij zijn bewegingen. ‘Ja?’ vraagt hij, ‘denkt u er zo over? Ikzelf – niet direct, geloof ik, althans, ik merk dat het me heel veel genoegen doet je weer te zien, maar inderdaad, ik dacht al, min of meer -’ Verbindingen uitgeschakeld. Even maar. Want dan rolt hij de jas resoluut open en houdt hem uitnodigend op: ‘Ave dan maar, Maria?’ Zijn ratelende r’s, omringd door al die diepe, korte a’s, die hij steeds weer lijkt te proeven en op te eten maken dat ik zwijgend mijn hoofd buig, en de dunne mouwen snel langs mijn handen laat glijden.

Maar goed dat ik mijn echte naam niet heb opgegeven, hij zou hem onherkenbaar gemaakt hebben. Zijn uitspraak heeft iets gevaarlijks; maar goed dat ik nu nog gewoon weg kan gaan. ‘U maakt het me gelukkig niet moeilijk’, zeg ik glimlachend tegen de revers van zijn bruine jasje. Dan keer ik me snel om naar de draaideur. Wanneer die zich moeizaam in beweging zet en ik door de glaswand heen achterom kijk staat hij daar, iets gebogen, één hand in zijn broekzak en de andere, arm over de borst, op zijn schouder. Hij staat daar heel losjes en alleen. Hij draait zich om en loopt terug naar de bar.

Buiten in de warme avondwind waaiert de jas los en ritselend achter me aan terwijl ik snel en zonder opkijken voortloop, het hoofddoekje telkens om mijn linker pols windend, losdraaiend, weer vastwikkelend. Jacob, historicus. Wat een naam. Nog nooit iemand ontmoet die zo heette. Nog nooit ook die merkwaardige combinatie van haren, ogen, houding. Ik herinner me opeens hoe de groep medereizigers bij het vliegveld op de bus stond te wachten, de blonde stewardesss in het midden met een lijst in haar handen; hij stond rechts van haar, iets afzijdig, met een aktentas onder zijn arm. Ik had vergeefs naar toiletten gezocht om in de spiegel te kunnen kijken en wat water te drinken, en toen ik aan kwam lopen hief hij zijn hoofd op en keek naar me. Vanuit de verte zag ik hem bij die anderen staan en naar me kijken. Historicus – o, vandaar. Alsof zijn blik zou bewijzen dat de anderen bestonden, en dat ik erbij hoorde. Ha, daarom moest hij mijn naam weten natuurlijk, mijn code, mijn wachtwoord, daarom trok hij mijn jas uit, sloot me op in de draaideur. Ook de portier was dus al ingeschakeld, maar gelukkig heb ik alles nu tijdig begrepen, en nog steeds niets prijsgegeven – alleen misschien even met die sjibbolet in het vliegtuig, ja, maar dat was zijn uitspraak, niet de mijne. Alsof ik hun codes zou moeten leren kennen om de mijne te kunnen handhaven. Alsof dat zou moeten. Wat een vergissing, wat een gevaarlijke vergissing. Dat was natuurlijk wat de sjibbolet prijsgaf; en het was niet mijn verraad, maar het jouwe. Jij bent het die hen erbij wilt halen, in wilt roepen, mee wilt krijgen; ikzelf wil hen helemaal niet werkelijk leren kennen. Ik wil hen alleen maar doorzien. Inzicht krijgen in hun code, hun wachtwoord, alleen daar zal ik alles voor doen: lachen en grapjes maken, hen met wonderlijke voorstellingen en mimiek betoveren; en het duurt niet lang, of ik heb hen volkomen door. Zo zal ik hen altijd voor zijn, o ja, want zij doen precies hetzelfde, ook al noemen ze het anders; het is allemaal een kwestie van vertalen, Uffizi, Firenze, Maria. Zo zal niemand mij ooit een vraag stellen die ik niet eerst kan vertalen, niemand. Er is nooit iemand geweest en er zal nooit iemand zijn die… ik ga langzamer lopen en leun dan, duizelig en ontzet, tegen een winkeldeur. Ik doe mijn jas dicht, knoop voor knoop, van boven naar onderen. Wat is dit voor een vreselijke, onbekende bedroefdheid die me plotseling zo loodzwaar maakt, waar komt dat beeld vandaan van die houding van hem, de manier waarop hij bij de draaideur, op het vliegveld stond, wat is er voorgoed, ondraaglijk, vergeefs, wat is er met mij? – Je hebt het allang bereikt, hoor ik mezelf denken, je kunt allang niet meer terug. Er is volstrekt niemand, nooit geweest, en dat is het enige waar je bang voor bent. Niemand kon ooit werkelijk voor of tegen me zijn, want er is nooit iemand geweest die zelfs maar in de buurt kwam van wat ik zelf zei, van de taal die ik zelf hanteerde. En ik wilde alles doorkrijgen, behalve dat – precies dat wat al mijn pogingen overbodig zou maken. – Wat is dit verschrikkelijk zwaar, alsof ik langzaam zink, steeds dieper. Er is helemaal geen enkele ander.

Wanneer ik tenslotte opkijk weet ik niet waar ik ben. Verlichte winkelruiten, stalletjes, straatlantarens. Aan de overkant mensen die achter een groot raam zitten te eten. Kaarsen op tafel, flessen met mandjes eromheen. ‘Ristorante’, lees ik in sierlijk, roodgloeiend schuinschrift, daaronder aan- en uitflikkerende namen van Italiaanse maaltijden. Ook namen van koffie, cappuccino, espresso, ristretto. Koffie. Ik steek de staat over, vind een leeg tafeltje in een hoek bij het raam en bestel bij de ober cappucccino, deux, duo, waarbij ik twee vingers als een V-teken in de lucht steek. Ik trek de jas van mijn schouders, werk hem tussen mij en de stoel vandaan, en begin hem langzaam op te rollen. Wat doe ik? Wat zal ik doen? Een lege, afwezige rust dempt alle kleuren en geluiden. Waarom ben ik hier? – Ik denk aan mijn kamer thuis, de twee gemarmerde lampjes boven mijn werktafel, de oude, zwarte typemachine met witte letterdopjes. De bloempot rechts daarvan, pal voor het zijraam, waarin een gespikkelde boon is uitgelopen tot een dunne stengel van wel een halve meter lengte. Alleen helemaal bovenin zitten twee gave ronde blaadjes. Als ik ‘s morgens de kamer binnenkom heeft de steel een smalle boog naar rechts gemaakt, naar het venster toe, en ‘s avonds laat, als ik de twee lampjes uitdoe en wegga, wijst hij naar links. Elke dag opnieuw, onvermoeibaar, al weken achtereen. Zou hij nu ik er niet ben ‘s nachts overeind staan als een hoge, rechte lijn? Ook voor hem is het verschil tussen echt licht en kunstlicht niet werkelijk belangrijk. Zou hij wel vier dagen zonder water kunnen? Vier dagen is lang. Misschien wel te lang. Misschien gaat hij dood. En dat dan alleen omdat ik vond dat… de ober zet twee cappucino’s neer, één aan de overkant van het tafeltje. Die trek ik het eerst naar me toe, om het schuim ervan in het andere kopje te scheppen zodat daar nu een hoge witte berg op komt. Vier dagen weg omdat ik vond dat ik de schilderijen in het echt moest zien. Dat verbaast me. Er waren toch plaatjes bij? Niet altijd. O ja. Dit zegt me niets, eigenlijk. Er zou immers altijd nog zoveel overblijven dat anders was, ik kon toch nooit alles gecontroleerd hebben? Als het binnen de vertaling zelf maar klopte; en wat het verband met de werkelijke schilderijen betrof, daar moest de redacteur maar voor zorgen, die was per slot kunsthistoricus. Historicus – het schuim op mijn tweede kopje koffie is nu vrijwel opgelost, en ik roer de laatste belletjes zorgvuldig weg. Kunstlicht, echt licht. Vaak kon de stengel ook dagenlang naar links blijven wijzen omdat ik de gordijnen ‘s morgens niet open wilde doen: het schijnsel van onder de twee lampekapjes was zoveel minder schel en onrustig. Wat moest ik ook met een buitenwereld die zoveel belichtingen, vormen, houdingen had, zoveel manieren en code’s, terwijl niets daarvan ooit in mijn eigen richting had gewezen? Ook hij noemt me bij een naam die niet de mijne is en zegt dat die zo prachtig bij me past – maar het is heel goed zo. Ik heb gedaan wat ik kon om hen te leren kennen, ik heb de proef op de som genomen, en toen heeft de sjibbolet alles duidelijk gemaakt. Wat er nu nog overblijft is geen vijand of vriend meer, maar een vreemdeling, met een taal die hij alleen zelf misschien kan verstaan. – Ik krab de suiker uit het tweede kopje. Is dat nu allemaal echt zo droevig? Het lepeltje maakt een smakkend geluid als ik er hard op zuig. Ik weet het niet. Waar het in elk geval om gaat is, dat het waar is. Net zoals het waar is dat de stengel niet lang zonder water kan. En dat ik morgen terug naar huis ga. Ik heb niets of niemand meer te zoeken.

Wanneer ik opsta, de jas pak en hem in een rol bij de kassa neerleg om te betalen kijk ik meteen even naar het pakje extra geld dat ik geleend heb voor ik op reis ging, omdat je nooit kon weten wat je te wachten stond. Dat zij te laat vertrokken zijn is voor hen waarschijnlijk veel rechtvaardiger dan dat ik nu te vroeg wil weggaan, en ik zal dus in elk geval wel moeten bijbetalen. Ik reken af, pak de jas, en loop de straat op, in een richting tegengesteld aan die waar ik vandaan kwam. Zo moet ik vanzelf bij het hotel terechtkomen.

De draaideur komt zwaar in beweging, en drie dikke glaswanden zwenken moeizaam door het beeld dat ik aan de andere kant waarneem: twee bekende gestaltes, die van de blonde stewardess en die van hem, beide. Ze heeft haar uniform verwisseld voor een mooie, gladde jurk, en ziet eruit alsof ze naar parfum en poeder ruikt. Ze zit in een van de vier diepe armstoelen die om een haltafeltje staan, terwijl hij zich met de rug naar me toe op de leuning van de stoel naast haar heeft opgesteld, en nu met zijn linkerhand achter in zijn nek wrijft. Voor hen, op het tafelblad, staan twee wijnglazen. Witte wijn, haar glas is al bijna leeg. Ze kijkt op, ziet me staan, en zegt iets tegen hem, haar stem klinkt vrolijk. Hij komt snel overeind en draait zich naar me toe, zijn hand verhuist nu van zijn hals naar zijn rechterschouder, en in de andere hand heeft hij een lange sigaret. Waarschijnlijk één van haar, want op haar armleuning ligt een langwerpig gouden pakje. Ik loop naar haar stoel toe, langs hem heen, sta stil, en vraag of ik morgen, omdat ik morgen terugga, op hetzelfde kaartje kan reizen, of dat het dan niet meer geldig is. Ze legt haar hoofd verbaasd tegen de rug van de brede fauteuil en kijkt snel even omhoog naar hem achter mij, en dan glimlachend naar waar ik sta. Ze fronst haar wenkbrauwen en zegt dat ze denkt dat ik inderdaad een nieuw kaartje zal moeten nemen, maar wil wel informeren of ik het misschien later nog terug kan krijgen. Of er iets gebeurd is, toch niets ernstigs? Jawel, knik ik, maar het zat al zo lang tegen de grens aan, dat het eigenlijk maar beter was, zo. Ze zegt dat haar dat spijt voor mij, juist nu ik zo’n mooie reis zou maken, maar dan zeg ik dat het misschien juist wel kwam doordat ik weg was gegaan. Ze kijkt me met wijde ogen aan en zegt dat ik me maar niet bezwaard moet voelen, want als het er van te voren al zo slecht voorstond dan kon iedere aanleiding immers voldoende zijn – maar ze zou haar uiterste best voor me doen, zodat ik het geld misschien nog terug kreeg… Ze pakt een zwart laktasje van de grond en haalt er een notitieboekje uit. ‘Geef me je naam maar’, zegt ze, en ook dat ik, als ik morgenochtend om half negen klaarsta, met haar mee naar het vliegveld kan. Ze slaat het notitieboekje open en knipt met een smalle ballpoint. ‘Hoe heette je ook weer precies?’, vraagt ze vriendelijk. O, zo vriendelijk. Ik kijk naar haar blonde lok die glazend naar voren valt, geef me je naam maar, hoe heette je precies. – En dan hoor ik zijn stem: ‘Ze heet Maria. Maria Hertens’. Hij loopt, achter me langs, om haar stoel heen en legt één hand op de rugleuning, terwijl hij zich iets over haar heenbuigt. ‘Maria Hertens’, zegt hij nog eens, met die volle a, die rollende r’s. Ik doe een paar passen opzij en kijk naar hen, hij leest de naam die zij schrijft zoals hij die aan haar heeft opgegeven. ‘O ja, nu herinner ik het me weer’, zegt ze. Ik zie hen heel scherp, ik hoor hen heel duidelijk, alsof ik dit al duizend keer meegemaakt heb, ze zeggen dingen die zo bekend zijn, geven een voorstelling die zo vertrouwd is, alles past als een handschoen om me heen, totaal afgesloten. En dan hoor ik mijn eigen stem, afwezig, overbodig, terwijl ieder woord moeizaam over het vorige heenklimt: ‘Maar zo is het niet, hoor, zo is het niet; als zij zich mijn naam herinnert zoals hij hem nu uitspreekt dan doet zij ermee wat hij er misschien mee had moeten doen, maar dan omgekeerd, van buiten naar binnen, van achteren naar voren, begrijpt u, soms moet dat, in sommige gevallen is dat het enige goede. Soms moet je woorden op een andere manier, in een andere volgorde uitspreken dan je gewend bent, zoals bijvoorbeeld ook in het hebreeuws. De man uit de bijbel, die zijn naam heeft, die deed het ook zo. In het hebreeuws bestaat een woord dat hun vijanden niet konden uitspreken, als je het opgaf wist je wie bij de anderen hoorde. Ik denk dat je dat woord soms – misschien niet op kunt geven omdat je het niet wilt, niet wilt weten hoe ze het uit zullen spreken, terwijl het toch heus allang duidelijk was -’ De inspanning die dit kost maakt dat ik nog maar wazig zie hoe zij opstaat en iets zegt over het arme kind, totaal overstuur, misschien toch een zwaar verlies, ze slaat haar arm om me heen en zegt dat ze me nu gauw naar mijn kamer brengt, de rest komt morgen wel. ‘Ik zal je op tijd wakker maken, hoor’, zegt ze, en tegen hem: ‘Ik ben zo terug, en dan kunnen we er gauw vandoor’. ‘Anders moeten ze maar even wachten’, zegt hij.

Maar ze hoeven niet te wachten. Ik lig in het brede bed en denk aan de bloempot waarin de stengel op dit uur stil en loodrecht omhoog zal staan. Morgenmiddag, als ik thuis kom, zal hij in een boog naar het venster wijzen. Zo heeft hij geen enkele dag zonder water gezeten. ‘s Avonds zal ik de twee lampjes aandoen, en dan kan ik rustig uittypen wat ik vandaag vertaald heb. Alles komt in orde. Zolang je maar nergens meer op hoeft te wachten.

Wie wint vanavond de Libris Literatuurprijs 2020? Manon Uphoff is, getuige een paar vooruitblikken, favoriet. Voor het eerste (dubbel)nummer van 2006, thema ‘Kritiek’, schreef ze aan de meute critici een brief over literaire kritiek en de gedroomde lezer. Het heeft weinig aan actualiteit ingeboet, en desgevraagd zou de auteur alleen ‘echtgenote’ vervangen door ‘echtgeno(o)t(e)’. Lezen! (Vier van de zes genomineerden schreven voor De Revisor: lees Sander Kollaard in Binnenpost, Oek de Jongs’ essay ‘Een klievende roman’ en Wessel te Gussinklo’s ‘De opdracht’.)

*

Beste…,

Nou dat was een reuzefijne week waarin ik schreef aan een stuk dat moest gaan over u, mij, de literaire kritiek, over boeken en auteurs, terwijl er ondertussen voortdurend nieuwe en prikkelende en tot nadenken stemmende stukken van anderen in mijn mailbox belandden, in een artikel van Arjen Fortuin zo’n beetje alle Nederlandse auteurs door het afvalputje werden gespoeld onder de kop ‘De Belgen zijn beter’ en het verhaal dat ik voor het glossy damesblad Elegance had geschreven, geweigerd werd ‘omdat de lezers zich er niet bij thuis zouden voelen’:

Beste Manon,

Dank voor je korte verhaal. De hoofdredacteur en ik waren er zeer van onder de indruk en ik heb het ook met veel plezier gelezen. Het is van hoge kwaliteit en goede lengte, maar, je voelt de bui misschien al hangen, helaas: we kunnen het niet plaatsen.

De reden is dat de wereld die jij beschrijft (Manga, Tokioscène, Kill Bill, Tarantino, onthoofding op tv) niet refereert aan de wereld van de lezeres. Het staat gewoon te ver van haar af. We vinden het ontzettend jammer, want nogmaals, het verhaal is prima en het onderwerp ook razend interessant, maar de lezer moet er wel iets van zichzelf of de wereld om haar heen in herkennen.

Dus Manon, we keuren het niet af, maar plaatsen het niet. Toch zouden we dolgraag een kort verhaal van je willen plaatsen. Zie jij kans om een nieuw verhaal te schrijven, met bv 10 februari als uiterste inleverdatum?

Nogmaals Manon, ik vind het heel vervelend maar ik hoop toch dat je de tijd en de moeite nog wil nemen.

Ik hoor het graag!

Hartelijke groet

Godzijdank dat het verhaal in ieder geval ‘van hoge kwaliteit’ en vooral ook ‘van goede lengte’ was geweest. Verheugend ook dat ze het niet ‘afkeurden’, maar het gewoonweg niet plaatsten. Het omgekeerde, bleek ook, zou geen enkel probleem zijn geweest. Een ‘afgekeurd’ verhaal, beroerd geschreven maar naadloos aansluitend bij de kort te houden leefwereld van de lezeressen van de Elegance. Ik schreef terug – het stuk van Ilja Leonard Pfeijffer over het geweigerde gedicht van Harmens gonsde nog door mijn hoofd – dat het ‘jammer’ was, maar ‘geen enkel probleem’, te laf om na te vragen of er wel betaald ging worden.
‘Het verhaal loopt niet weg,’ mailde de redactrice nog geruststellend, ik vond er ‘vast nog wel een plaatsje voor’. Waarna dit stuk maar bleef steken in mijn pen, brief werd, beschouwing, van alles en nog wat, toen het begon uit te dijen als een gezwel, snoeide ik het bij, wilde ik nu eens echt hard uithalen, dan weer me hautain afzijdig houden, raakte ik volledig verstrikt, klaagde ik mijn nood bij collega Herman Franke die me het hele artikel nog eens uit handen sloeg met zijn column (zie zijn bijdrage in dit nummer) die kort, krachtig, scherp en oneindig veel indringender verwoordde wat ik maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag nu eens aarzelend en weifelend, dan weer koortsachtig verhit probeerde uit te drukken. Nee, voor polemiek ben ik niet in de wieg gelegd. Iets in mij trekt zich terug, zoekt niet de regelrechte aanval, maar het volgende boek. Soms zie ik u als geliefde, soms als vriend die over mijn schouder meekijkt. Soms als een vijand die stinkt uit de bek, druipend geel slijm tussen uw tanden. Soms schrik ik van u als u uit het donker naar voren komt en ik mijn hand wel uit wil steken, maar het koude glas raak, zoals de keer dat ik in een warenhuis schrok van mijn eigen spiegelbeeld dat op me af kwam lopen, ferm en fris als een onbekende, maar vastbesloten me te ontmoeten.

Veel dierbaarder dan het antwoord op of de speurtocht naar de vraag wat ik bedoel is me mijn eigen zoektocht in de duisternis, op zoek naar iets dat er is, maar dat zich nog niet laat grijpen. Het spoor dat een mot trekt in het donker. Het moment dat taal zich hecht aan iets, ermee samensmelt, er even onlosmakelijk mee verbonden raakt als de stem van Billy Holiday of Nina Simone met de muziek (‘lilac wine, is bitter and heavy, like my love – isn’t that he, coming to me’) of er gulzig op landt als een vlieg. In zijn voorwoord bij A Streetcar Named Desire zegt Tennessee Williams over het schrijven: ‘My back is to the wall and has been to the wall for so long that the pressure of my back on the wall has started to crumble the plaster that covers the bricks and mortar.’ En op de vraag of hij nooit te maken heeft met blokkades, is zijn onmiddellijke antwoord: ‘Oh, yes, I’ve always been blocked as a writer but my desire to write has been so strong that it has always broken down the block and gone past it.’ In dit proces zit voor een groot deel de eerste beloning van het schrijven. Het moment dat je de muur voelt verkruimelen.
Iedere schrijver is ook criticus van het eigen werk. Dat mag een schot voor open doel zijn, maar hij is dit meteen in veel sterkere mate dan de criticus ‘ook’ schrijver is van de boeken die hij haat of bewondert, die hem tergen, uitdagen, doen geeuwen van verveling en die hij door te lezen en te kritiseren tot eigen werk maakt. Of waarvan hij zich juist in scherpe bewoordingen distantieert. Het is onderdeel van het lezer zijn dat je het werk dat je leest heimelijk als je solitaire ontdekking beschouwt, het resultaat van eigen leeservaring, inzicht en grote gevoeligheid. Hoe armer het boek, hoe gekwetster de lezer. Hoe rijker het boek, hoe rijker de (bekwame) lezer zich voelt. Sommige van de schatten zijn zichtbaar voor de ergste bijzienden, andere meer verborgen, het lijkt wel of die alleen voor mij zijn, alleen door mij te vinden, o, wat een voortreffelijk, buitengewoon lekker mooi aangrijpend onthutsend overweldigend omverwerpend enzovoort boek is dit toch!
De beste werken smeden de beste lezers. En de beste recensenten, nog nagloeiend van het avontuur, weten dat als zij met hun lezing dit beste in het werk tot stand doen komen, dit toch altijd eerst de kwaliteit van het werk is.
Betekent dit dat als er in een werk geen rijkdom wordt waargenomen, die er ook niet in aanwezig is?
Dat hangt ook af van de kwaliteit van de waarneming.
Zoals jullie zoeken en hunkeren naar het beste en scherpste boek, zo hunkeren en zoeken wij ons hele schrijversleven naar iemand die lijkt op onze beste, gedroomde lezer. Anthony Burgess beschreef hem ironisch: ‘The ideal reader of my novels is a lapsed Catholic and failed musician, shortsighted, color-blind, auditorily biased, who has read the books that I have read.’ Waarmee hij meteen de vinger op de zere plek legt. De werkelijk ideale lezer zijn wij zelf, maar wij zijn op grond van verhouding en band met ons werk nogal verdacht.

Als een schrijver zijn manuscript eenmaal de publieke arena heeft ingezonden, doet hij er wijs aan zijn mond dicht te houden. Hij heeft immers al gesproken, langdurig, zonder dat iemand hem in de rede viel.
‘Schrijven doet het individu als het ware uit zichzelf treden en in contact komen met een gemeenschap van anderen. Schrijven gaat onvermijdelijk samen met zwijgen; schrijven, dat is in zekere zin “zich stil als een dode houden”, de mens worden aan wie de laatste repliek wordt ontzegd; schrijven, dat is van meet af aan de ander die laatste repliek gunnen,’ zegt Barthes in zijn Essais critiques.
Het is een ongeschreven wet dat een schrijver, nadat hij het boek heeft prijsgegeven aan de openbaarheid, aan andere ogen, andere geesten, zich niet meer opwerpt als verdediger van het werk waarvan hij, bij volle bewustzijn mag je hopen, ‘afstand’ heeft gedaan.

Zoals wij proberen te vergeten dat het pijnlijke oordeel gefundeerd kan zijn, gaan jullie (nu en dan zie ik jullie als een meute) soms te gretig voorbij aan de pijn van een onverdiende en voortijdige dood van een boek. Het jammerlijk besef dat alle vakbekwaamheid, inzet, eerlijkheid, gekte, waanzin, beheersing niet zijn gezien, niet goed zijn waargenomen en het boek is aangevallen of opzij geschoven op oneigenlijke gronden. Dat jullie hadden moeten zien, moeten weten, volledig voorbij zijn gegaan. Dat jullie hebben verzuimd die best mogelijke lezer te worden, niet noodzakelijk de lezer wiens eindoordeel het gunstigst uitvalt. Dan zouden we jullie het boek opnieuw willen aanbieden, het diep in de strot duwen desnoods. Dat is waarom we soms smeken, zachtjes jammeren, fluisteren, temen, flemen, rouwen en bijten in kussens of ons achteloos, koppig, overtuigd van de eigen prestatie koel van jullie proberen te distantiëren.

Nadat een tweetal lezers zich over het manuscript van Under the Volcano had gebogen en in het leesrapport hun bezwaren had geuit: het zou te traag zijn van opbouw, er zou te veel couleur locale in voorkomen, de karakters waren geen karakters, de helft kon wel weg en ga zo maar door, schreef Malcolm Lowry zijn beroemd geworden brief aan zijn uitgever. In die brief zien we een schrijver majestueus zijn werk ‘verdedigen’, nee, dat is het goede woord niet, een schrijver die zich opwerpt als die best mogelijke, bekwame lezer die tegelijk scherpe criticus is, een die zijn lezer opleidt en laat zien wat de lezer had moeten en kunnen doen. De brief is een krachtig en overtuigend pleidooi voor het recht van het literaire werk om gelezen te worden door de best mogelijke lezer. Omdat die er in dit geval niet was, kon de auteur niets anders dan reageren en zichzelf naar voren schuiven als die lezer én gids. Want die auteur is, hoewel verdacht, niet de minste lezer en kenner van het eigen werk. Pas als je als auteur ervan overtuigd bent dat de best mogelijke lezer zich over je boek heeft gebogen, ontstaat er rust. Kan je erop vertrouwen dat het boek onafhankelijk zijn weg zal gaan.
Lowry laat zien wat er gedaan had kunnen worden met het materiaal dat voorhanden is. Dat alles erin gezien en gelezen moet worden als het resultaat van een beslissing.

‘I venture to suggest finally that the book is (…) a great deal more carefully planned and executed than he suspects, and that if your reader is not at fault in not spotting some of its deeper meanings or in dismissing them as pretentious or irrelevant or uninteresting where they erupt on the surface of the book, that is at least partly because of what may be a virtue and not a fault on my side, namely that the top level of the book, for all its longeurs, has been by and large so compellingly designed that the reader does not want to take time off to stop and plunge beneath the surface.’

Dat het kunstmatig is, gewrocht, doorwrocht. Kunst.

Het verzet zich tegen zwakke, achteloze lezing. Roept om de best mogelijke lezer. Niet tegen de kritiek die dan alsnog kan worden gegeven, en is een van de krachtigste, ontroerendste en overtuigendste pleidooien voor herlezing die ik ooit ben tegengekomen.
‘I am pleading for a rereading of Under the Volcano in the light of certain aspects…’ en ‘poems often have to be read several times before their full meaning will reveal itself, explode in the mind, and it is precisely this poetical conception of the whole that I suggest has been, if understandably, missed.’
Daarbij trekt hij als gids vooruit, gaat op alle kritiekpunten in en toont aan hoe die na een intensievere, aandachtiger, zorgvuldiger lezing aan kracht verliezen. Stap voor stap toont hij met, door en voor zijn tekst nauwkeurig wat die herlezing kan opleveren en reikt de lezer het gereedschap aan waarmee die zichzelf als lezer kan verbeteren.
‘I am asking you for the moment to be generous enough to consider beside the point – if he were conditioned, I say, ever so slightly towards the acceptance of that slow beginning as inevitable, supposing I convince you it is – slow, but perhaps not necessarily so tedious after all – the results might be surprising.’
Het bijzondere en legitieme aan deze brief is niet alleen dat hij überhaupt geschreven is, maar dat hij is geschreven voorafgaand aan de publicatie van Under the Volcano. En dat wij er op een later moment inzage in krijgen. Nou lijkt het makkelijk voor een schrijver van alles en nog wat te bedenken en dit als geklopte room over een mislukt gerecht te spuiten.
‘Reading all this over I am struck among other things such as that writers can always grow fancy about their books and say almost anything at all,’ zegt Lowry dan ook. ‘This all does not of course matter two hoots in a hollow if the whole thing is not good art, and to make it such was the whole of my labour.’
In het geval van Lowry was het geen reactie op kritiek na verschijnen, maar voorafgaand aan publicatie – en dat maakt veel uit.

Achteraf op kritiek reageren is veel ingewikkelder. Een innerlijke stem houdt tegen. Niet doen, niet doen. Vooral niet de openbaarheid zoeken. Waarom niet? Is het omdat we al weten dat we zullen eindigen in de hoek van de mokkers en gekwetsten? Is het altijd een zwaktebod? Hangt er altijd de kwalijke reuk over van gekrenkt eergevoel, ziekelijke paranoia, gebrek aan zelfkennis? Wat is er tegen die publieke verdediging?
Er is geen schrijver ter wereld die er niet over droomt dat de criticus die zijn werk (onterecht) heeft gefileerd, zich op een dag gedwongen zal voelen van mening te veranderen. Of op zijn minst bereid is het werk een ‘herkansing’, een herlezing te gunnen.
‘Ik volg al jarenlang de giftige maar mislukte pogingen van mijn collega’s tot het schrijven van dit kleine onvergankelijke meesterwerk: een reactie op een slechte recensie die zowel recensent als recensie dodelijk treft. Ze stranden stuk voor stuk in rancuneus onmachtig proza. Het werkt niet. Per saldo heeft de schrijver zich op zijn pik getrapt betoond,’ schrijft Herman Franke. Wat hem er niet van weerhoudt ondertussen met duivels plezier zo’n onvergankelijk meesterwerkje te scheppen. Eenmaal bekritiseerd werk krijgt bij een-en-dezelfde criticus zelden een herkansing. Al moet ik dat een beetje nuanceren. Op Frankes Volkskrant-column, waarin hij Aleid Truijens en Arnold Heumakers aanspoorde Bernlefs Onzichtbare jongen te herlezen (een boek waarvan Aleid Truijens de eerste helft prachtig had gevonden, de tweede helft slecht, en Arnold Heumakers het eerste deel slecht en het tweede deel prachtig) kwam in ieder geval reactie van verschillende critici.
Lezen is een daad van overgave. Het kan niet altijd alleen maar de auteur zijn die wel eens een ‘zwakke’ periode kent, het ‘even niet meer weet’, ‘zoekende is’, ‘de weg kwijt’ of ‘gemakzuchtig’ is.

Ik ben op mijn hoede, leggen ze futloosheid van de criticus bloot? De vraag die ertoe doet: Is er kans dat het boek bij herlezing toeneemt in rijkdom en betekenis? Valide tegenvraag: Hoe groot is de kans dat het na een tweede blik juist platter wordt, aan diepte verliest? Kan het ene en het andere tegelijk waar zijn? De vraag stellen is hem beantwoorden. Bij twijfel verdient het boek opnieuw te worden opengeslagen.
Misschien door een ander. Daarom zijn jullie ook met velen, moeten jullie ook een horde zijn.

Toch houden we elkaar tegen, nemen het mobieltje zacht uit de hand. Drukken we elkaar en onszelf in dringende mailtjes op het hart na twaalven geen mailtjes meer te versturen. Niet naar de gehate recensent. Houden we elkaar voor dat we er om andere redenen dan wetten en praktische bezwaren van af moeten zien in de brievenbus te pissen, de echtgenote te verkrachten, de kinderen te ontvoeren.
Dat we door moeten naar het woord, het woord alleen. Een volgend boek.
We hebben jullie nodig.

Liever dan gelaten waardering, onverschilligheid of teveel aan ontzag, zie ik woede of grimmige ergernis. Opgelucht dat ik ze in ieder geval tijdig heb geschrapt, sla ik mezelf snoeihard om de oren met zwakke passages. Boos sla ik met mijn hand op tafel, valt het bouwwerk, dan is het te wankel. Geen schrijver die de ontzetting van Jeanette Winterson niet begrijpt, nadat bleek dat tekst die ze had gesnoeid, in Zwaarte was blijven staan. Probeer maar eens te ontschrijven wat al is prijsgegeven.
‘Hoe durft u te schrijven: “De charmante kerstboom, zo chatoyant met zijn lichtjes, leek hun een belofte van vreugde wonderbaar?”’ laat Nabokov in het korte verhaal ‘Spits van de admiraliteit’ een boze schrijver en criticus uitroepen als reactie op het flinterdunne romannetje van ene Solntsev, vermoedelijk het pseudoniem van ene Katja, met wie hij ooit een liefde heeft beleefd. ‘Uw adem heeft de hele boom al uitgeblazen, want één adjectief uit effectbejag achter het substantief geplaatst is genoeg om de mooiste herinnering kapot te maken. Voor de catastrofe, dus voor uw boek, was het bewegend geglinster van spikkeltjes licht in Katja’s ogen voor mij zo’n herinnering, en de kersrode weerkaatsing op haar wang van het poppenhuisje van geglansd plastiekpapier aan een van de takken, als zij het prikkelig groen uiteenboog en zich rekte om het vlammetje van een dol geworden kaars te doven. Wat heb ik daar nog van over? Niets – niets dan een weerzinwekkend literair brandluchtje.’

Wat als literair werk wordt gepresenteerd, schrijft ook Kees ‘t Hart in dit nummer, verdient het dat alles erin gezien wordt als opzettelijk en intentioneel. Ook als sommige woorden, passages de auteur lijken te zijn ontsnapt, als het hele boek lijkt te zijn ontsnapt. De schrijver is degene die kon herschrijven, overlezen, schrappen, toevoegen, kon besluiten van publicatie af te zien. Zodra de keuze is gemaakt, is er geen andere route meer dan alles wat is geschreven te zien als resultaat van een beslissing.
Dat maakt een frase als ‘natuurtalent’ ook zo strontvervelend, nietszeggend en beledigend. Het is niets meer dan een ander woord voor ‘lui’, zonder dit met voorbeelden uit het werk te willen staven. Laat zien.

Een van de kleine ontdekkingen die ik als auteur heb gedaan, nogal laat misschien, is dat het boek dat je maakt nooit zo autonoom is als je het zou willen hebben, en dat het ook zinloos is of onzinnig om daar als auteur mee bezig te zijn. Als wat je maakt goed is zal het nooit, nooit autonoom zijn. Hoe beter het is, hoe meer het streeft naar contact. Het kan alleen gekend worden in dit contact. Alleen zo bestaat het. Het roept en lokt en vraagt naar de lezers of speelt ‘hard to get’. Het wil die best mogelijke lezers, maar zal als het echt niet anders kan (een tijd) genoegen nemen met de mindere lezer. Het kan wachten, geduldig zijn, op de toekomst, op die ene lezer, voor het genoegen zal nemen met de gedachte dat die er nooit zal komen. Geen hond. Zelfs dan kan het zich nog verwarmen met de gedachte aan verleden lezers.
Soms is de komst van één lezer genoeg.

Nou ja, genoeg over kritiek. We zijn het – in de grond van de zaak – roerend met elkaar eens. We zijn het altijd met elkaar eens geweest, u en ik.

We zullen elkaar nog wel treffen. Bijna dagelijks. Voor lange tijd zal u mijn spiegelbeeld vormen, terwijl ik over fragmenten, passages en stukken dwaal, verbonden ben met de karakters, verwikkeld in schimmige liefdes, haat, walging, loyaliteit, verlangen, zoekend naar dat ene dat klopt omdat ik geen manier meer ken om het niet kloppend te maken, omdat het door mij niet meer onderuit gehaald kan worden, of alleen nog op gronden die me niet kunnen schelen. Het is de wereld die me dierbaar is en het wemelt er van de muren.

U moet wegen, vergelijken, beoordelen, in een tijdvak plaatsen, genres benoemen, overgangen waarnemen, veranderingen opmerken, proeven, testen, andere, meer of minder argeloze of verdwaald ronddolende lezers voorlichten, gidsen. U wilt ook dingen. Steeds weer nieuwe dingen. U bent gulzig. U wilt geen boeken lezen die u meteen met de vuilnis mee zou willen geven, die u onder in de kattenbak zou willen leggen, u zou wel weer vaker van uw sokken geblazen willen worden, wel eens echt onstuimig door een boek tot overgave en jankend op de knieën gedwongen willen worden. Heb ik enig, enig idee hoeveel rotzooi er is? Hoeveel schrijvers muurtjes van bordkarton neerzetten en één keer duwen met hun kippengewichtje en poef, daar is hun muurtje al gevallen en het boek klaar. Wat zou het niet verrukkelijk zijn om van tevoren eens beter ingelicht te worden over de ware inzet van de schrijver, over de werkelijke motieven en overwegingen, en dan het boek als onherleidbaar ‘gevolg’ van die inzet, motivatie en overweging te wegen. En zie ik niet dat dit, onder zware omstandigheden nog steeds gebeurt? U neemt hoestend een slok water uit het glas dat ik voor alle zekerheid maar vast voor ons allebei heb klaargezet. U verliest uw zelfbeheersing, sproeit in de rondte. Voortaan wenst u alleen het boek, en niet meer lastigvallen met de hele aanloop ernaartoe, die kop van die auteur op alle pagina’s, die auteur zo groot op posters dat je ‘s nachts in je slaap door het beeld wordt achtervolgd, die auteur als meningenspuit, die auteur met zijn of haar verleden, die auteur in een leuk outfitje in alweer een glamourblad, die auteur als bitterste criticus van werk van andere auteurs, die auteur in de kroeg, die auteur als narretje, die auteur als kwijnende spookverschijning met die blik van ik-klaag-aan, die auteur hier en daar en overal, als een klevende zwam.
Een krachtige overtuiging wenst u voortaan alleen nog uit de tekst te destilleren, niet er later als een kreukelige bijsluiter nog eens opgeplakt. Heb ik wel enig idee van uw inzet?
U heeft gelijk.
Zoals we ook niet overal in spelletjes, programmaatjes, quizjes, achterpagina’s, magazines geconfronteerd willen worden met elkaars lijfelijke aanwezigheid, hoofden, handen, haren, geur, verkeerde broeken, slobberige truien, mislukte kapsels. En we elkaars tientallen argumenten begrijpen waarom het toch niet erg is, juist wel goed, passend in deze tijd, en nou ja omdat we mensen… winkeltje… ijdelheid… moeten leven. En de onkreukbaren gaan maar ergens anders aan een andere tafel hun onbuigzame moraal bewieroken, dat wij als schrijvers, badend in aandacht en in het licht van een studiolamp moeten beseffen dat wij minder zijn, altijd zwakker, altijd stompzinniger, altijd noodzakelijk onbenulliger dan ons beste werk. Dat jullie als recensent, gevleid en trots op de bereikte positie, jullie mening glanzend uitvergroot op een opvallende plaats, moeten beseffen dat jullie altijd kleiner, altijd afgeleider, altijd pas echt belangrijk kunnen zijn als jullie stem er één is (misschien de zuiverste) in een koor van stemmen.
U weet net zo goed als ik dat de macht van auteurs en recensenten de laatste decennia is gegroeid, maar dat de macht van boek en kritiek is afgenomen. Daarom worden sommigen van u ook steeds agressiever prescriptiever, u leeft van en met ons. Vallen wij, dan valt u mee.
Het is niet onmogelijk of ondenkbaar dat boekverkopers, jury’s, commissies er op een dag werkelijk in slagen uw mening of oordeel uit de openbaarheid te drukken. Dat zou moord zijn, en alleen te verdragen als we er zeker van kunnen zijn dat daarmee niet onze best mogelijke lezers zijn omgebracht.
Alleen in die hoedanigheid hebben we u werkelijk nodig.

Wat is de rol van een literair tijdschrift in de anti-racismebeweging? We zijn in gesprek en werken eraan. Misschien is het simpelweg: veel lezen, erkennen, schrijven en een podium bieden. Vandaag herlezen we Daan Stoffelsens stuk over Teju Cole.

*

Hij is geestig, intelligent, fel: de gedroomde publieke intellectueel. Ik schudde vrijdagmiddag in Spui25 Teju Cole’s hand, en luisterde. Over racisme, over de ondervertegenwoordiging van vrouwen, over smaak en cultuur, over hoe je over de tactics van zwarte activisten van mening kunt verschillen en over white privilege / supremacy. Interessant, maar ook ongemakkelijk. En ongemak leidde, bij mij althans, tot een gevoel van onmacht. Ik heb er al wel over geschreven, maar mijn macht is beperkt tot lezen, kijken, schrijven. Wel leerde ik, die middag en avond, dat verder kijken dan je neus lang is, kan helpen. Bij dezen: welke nieuwe (literaire) stemmen moet ik lezen, welke moeten een podium krijgen in De Revisor? [In 2016 werd voor de beste inzending de fles rode wijn in het vooruitzicht gesteld die Stoffelsen kreeg voor zijn praatje. – red.]

(Plus: mijn praatje en zeven aantekeningen.)

  1. Coles Spui25-lezing was ijzersterk (hij is hier terug te kijken en terug te lezen bij De Groene Amsterdammer). Hij gaf zijn eigen interpretatie bij een prachtig koningsmasker uit Ife (hedendaags Nigeria), beschreef de eurocentrische receptie ervan, Bellows uitspraken over de ‘Tolstoy of the Zulu’s’, diens uitspraken in zijn Nobelprijsrede, en toonde zich in het slot evenzeer activist als kunsthistoricus. Dat is de mildere Cole, die ook in Nooit meer slapen geïnterviewd werd. Deze week in De Groene Amsterdammer. Zie ook mijn recensies van Coles boeken, fragmenten en vertalerstoelichting bij Athenaeum.nl.
  2. Voor het gesprek met Stephan Sanders volstaat het mijn praatje hieronder en dat van Quinsy Gario na elkaar te lezen; het ging bij hem alleen over Coles essay ‘Black Body’ (alsof er geen lezing was geweest, alsof Vertrouwde en vreemde dingen niet vijftig essays bevat), en, na een ingreep van een goed geïnformeerde Cole, over racisme in Nederland.
  3. Gario’s kritiek is zinnig, en werd bevlogen uitgesproken, al geloof ik dat ik blij ben dat De Groene Amsterdammer het oneens met zichzelf kan zijn.
  4. Net als Gario werd ik niet betaald voor mijn verhaal, het was ‘free intellectual labor’ met de kans een idool te ontmoeten en zichtbaar te zijn in een relevant netwerk. Maar de kwestie dat de culturele en journalistieke infrastructuur jonge makers en stagiaires slecht of niet betaalt is hoogstens complementair aan Gario’s klacht dat zwarte makers geen plek krijgen in die infrastructuur – het doet er niet aan af. Het gaat niet om Gario of Stoffelsen, maar om het feit dat er al heel veel witte mannen beeld- en woordbepalend zijn.
  5. Inderdaad, mannen. Schuldig. Maar we werken eraan.

    Archieven

    Rubrieken

    Luister naar De Revisor