De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (nog een reden om abonnee te worden!). ‘Val’ verscheen in het ‘halfjaarboek voor nieuwe literatuur’ 5, in 2012. Een verhaal van fysiek en verval.

*

Er is het geluid van de duiven ‘s ochtends in de zomer en lange tijd is dat genoeg, de duiven en de druppels dauw en al die gevoelens van verwachting. Waar ze allemaal wel niet heel goed in zullen worden, wereldkampioen, de beste aller tijden en allemaal tegelijkertijd, maar fatsoenlijke mensen zijn ze sowieso al.
Want de hele familie gaat altijd naar de kerk op zondag, ’s ochtends allemaal op bezoek bij God en heeroom Thomas, die priester is, vreemde gewaden draagt. Janna’s moeder doet dan een te zware hoed op, haar vader wringt zich onbeholpen in het pak dat hij direct na de dienst opgelucht weer uittrekt, onder het dwingende ritme van de klokken marcheren ze naar de open mond van de kerk. Ze heffen hun hoofden op naar heeroom Thomas om de hostie te ontvangen, doen hun monden alvast een beetje open en allemaal zijn ze weer kinderen, voor even. Pas tijdens het terug schuifelen naar hun plaatsen nemen ze hun eigen gedaante weer aan, schikken hun jasjes, halen hun schouders op en pakken hun portemonnee en dan staat heeroom Thomas daar nog altijd met die wijn, al die lichamen van Christus. Als iedereen naar buiten gaat staat hij bij de deur om hun een hand te geven en wat woorden en op het grasveld voor de kerk zwelt het geluid weer aan. Geen van de parochianen kijkt naar de kleine pastorie. Niemand gaat op bezoek bij heeroom Thomas, ‘zo’n man alleen’, hij komt bij hen en gaat weer. Die avond verwacht Janna wonderen van hem en iets van het blauw van Maria’s gewaad.

Als eerste ziet ze zijn sloffen en pas daarna gaat haar blik omhoog, langs zijn broek en trui naar zijn bleke gezicht, de dunne lippen en het zwarte haar dat hij in een scheiding opzij heeft gekamd. Hij zegt niet dat ze binnen mag komen en even staan ze daar tegenover elkaar, tot hij ten slotte in beweging komt en de deur wijder opent. Hoewel het lente is en al niet koud meer, draagt ze een bontjas die ze aanhoudt als ze hem naar binnen volgt. Zelfs in zijn eigen huis beweegt hij zich voorzichtig, alsof hij zich er voortdurend van bewust is dat dit niet zijn thuis is maar een ruimte die hij tijdelijk bewoont, van de parochie leent. Vaag herinnert Janna zich de dag dat hij gewijd werd en hoe hij in de kerk knielde, waar iedereen het zien kon. Plat op de grond lag hij, keerde zijn zolen naar het dreunende gebed van de gemeente. ‘Lichaam van Christus, amen’ – hij heeft geen vrouw, geen kind, hij heeft alleen maar God en die zegt niets, zegt althans nooit iets tegen Janna.

Ze is het oudste kind van de familie, maar dat telt niet omdat ze geen stamhouder is. ‘Aan meisjes hebben we niets,’ grappen haar ooms, die een voor een kinderen krijgen. Nieuwe nichtjes en neefjes worden naast elkaar en in de lucht gehouden, gewichten en maten vergeleken als vis op de markt. Janna beseft – langzaam – dat haar klasgenootjes toch gelijk hebben en vanaf dat moment kan ze niet meer begrijpen hoe alle volwassenen hun kinderen durven te tonen en hun dikke buik, hoe ze zomaar kunnen praten over zwangerschap. Ze is niet preuts, niet erg, niet voor een kind.
Heel vaak doet ze alsof ze doodgaat, dat is het beste spel. In haar kamer ligt ze met gesloten ogen en gevouwen handen op de grond en denkt aan het verdriet van haar ouders, dat overweldigend moet zijn, en hoe ze naast het graf over haar zullen praten. ‘Niet te snel fietsen,’ zegt haar moeder als ze een fiets met zijwieltjes krijgt, ‘niet te snel groeien.’ Soms twijfelt Janna of ze wel echt een meisje is, zo slecht is ze in touwtjespringen en in alle spelletjes waarvoor je met een elastiek je vingers moet verstrikken. Bij de kaasboer noemen ze haar ‘jongeheer’, aaien over haar korte, borstelige haren, ‘dat wordt een hartenbreker, later’. De verkoopsters hebben ruwe vingers, zware borsten. Ze vertellen haar het sprookje van Roodkapje zonder te zeggen waar de wolven zijn en Janna hoort alleen de goede afloop. Later zal ze, zoveel is zeker, een vrouw worden die lange, vaag geïrriteerde telefoongesprekken voert en haar familie belt vanuit een verre stad om te vragen wie ze vroeger was.
Nu kan ze alles nog verliezen: haar huid die nog geen rimpels heeft, haar toekomst en haar thuis en al haar dromen. Wat een rijkdom om zoveel te kunnen kwijtraken, maar natuurlijk is ze ongelukkig en ‘s avonds vaak in tranen die ze in de spiegel bekijkt. Lang oefent ze om mooi te kunnen huilen, staart vanuit haar slaapkamerraam uren naar de zieke bleke maan. ‘Was je handen,’ zegt haar moeder, ‘was je jas.’ Eén keer krijgt Janna haar rimpelige lijf te zien, naakt onder een ochtendjas, haar borsten verschrompeld, haar aderen zichtbaar. ‘Zo word jij later ook, denk niet dat je eraan ontkomt,’ zegt haar moeder. Maar Janna weet dat dat niet waar is, dat je niet zo kunt verdrogen als je niet iets verkeerd hebt gedaan, of iets belangrijks hebt nagelaten. ‘Was je handen,’ zegt haar moeder, ‘en je jas, die is net nieuw.’
Janna heeft een bontjas zoals iemand uit de film en ze weet nog hoe ze ermee voor de spiegel paradeerde en zich probeerde voor te stellen wie ze zou kunnen worden, terwijl de verkoopster en haar moeder op een afstandje stonden met gekruiste armen en verslagenheid op hun gezicht. ‘Ze groeien op, hè?’ zei de verkoopster, maar haar moeder antwoordde niet, ze had haar portemonnee gepakt en met een bruusk gebaar betaald. Soms zegt ze dat ze babykleertjes heeft zien hangen in de winkel, ‘zo schattig’. Kijkt dan naar Janna met spijt in haar ogen.

‘Wil je thee?’ vraagt heeroom Thomas en ze knikt. Ze is hier niet met een duidelijk plan gekomen, maar met een vage hoop en misschien is het genoeg om thee te krijgen, iets warms vast te houden dat hij haar heeft gegeven.
‘Zo,’ zegt hij, als ze tegenover elkaar zitten, ongemakkelijk en zonder elkaar aan te kijken. Hij heeft zijn handen gevouwen, zijn benen over elkaar geslagen. Hij wacht op haar probleem, haar vraag, want dat is waarmee mensen naar hem toe komen. Ze zegt niets. Er valt niets te zeggen, er is niets vastgelegd, niets zo duidelijk dat ze er woorden voor kan vinden, laat staan ze uit te spreken. Daarom zwijgen ze, en roeren in hun thee, houden ongemakkelijk hun kopjes vast en nemen kleine, voorzichtige slokken. Ze vraagt zich af of hij aan Hagar denkt, aan Judith en aan Bathsheba.

‘Zit niet zo wijdbeens,’ zegt haar moeder, ‘dat hoort niet bij een dame.’ Janna past panty’s als er niemand is, ze kruist haar benen en wacht totdat ze eindelijk zal bloeden. Gekregen snoep bewaart ze tot de chocolade wit is uitgeslagen, de zuurtjes droog en stoffig smaken. Wat pijn doet pakt ze in om het beter te ontvangen. ‘Dank u,’ zegt ze en denkt aan al het zoete dat zal komen, later. In haar buik begint iets krachtig, zenuwachtig te bewegen, iets donkers als de karpers van haar oom.
Ze heeft die bontjas al en later koopt ze een paar rode, hooggehakte laarzen bij de tweedehandswinkel in de stad. Waar Janna woont zijn er geen hoeren, maar natuurlijk weet ze wel hoe die eruitzien. Terwijl ze probeert uit te vinden hoe het is om je lichaam zo volkomen te beheersen dat je in staat bent om het te verkopen, verandert ze, wordt langer en ranker. ‘Een slanke den, je dochter,’ zeggen de tantes hoofdschuddend en Janna denkt aan bleke berkenstammen en het verwoeste lijf van Anna Karenina.
Aan de muur van de kapel hangt heeroom Thomas een schilderij van een naakt meisje, het landschap achter haar een uitgestrekte vlakte, Russisch of zoals Janna zich Rusland voorstelt, met dat soort ijzige kou. Het meisje heeft een bleke huid van olieverf, ze klimt een ladder op die nergens heen gaat. ‘Hoop,’ zegt heeroom Thomas, ‘is wat die ladder symboliseert.’

Zodra Janna haar kopje neerzet staat hij op om opnieuw in te schenken, zo snel dat hij een vaas omstoot. Ze houdt haar adem in maar hij vloekt niet, probeert alleen verwoed het water op te dweilen terwijl Janna de bloemen opraapt, de scherven van de vaas voorzichtig tussen twee vingers oppakt. In de keuken – sober maar netjes opgeruimd, geen vaat, geen spoor van wat hij eerder heeft gegeten – ziet ze flessen staan en ze vraagt zich af of hij de miswijn hier bewaart en wanneer precies die wijn het bloed van Christus wordt. Als ze weer tegenover elkaar zitten is het opnieuw stil, maar hun zwijgen is veranderd, bijna saamhorig nu.
‘Waarom bent u eigenlijk priester geworden?’ vraagt ze abrupt. Want ze moet weten of het waar is wat haar vader zegt, dat heeroom Thomas’ geloof niet het geschenk is dat hij hun voorspiegelt op de zondagsschool. Ze is maar al te graag bereid haar vader niet te geloven; nog steeds overweegt ze om heilig te worden. Tussen de prikkelbosjes achter het huis hangt Jezus’ doornenkroon en vaak voelt ze een grote kracht of boze geest diep in haar buik, vooral als ze alleen is. Steeds vetter wordt haar vader, vetter worden al haar ooms, alleen de heeroom groeit niet omdat je van het woord van God niet dik wordt. Ook daarom overweegt ze het martelaarschap. Ze hunkert naar bewijzen dat haar vader ongelijk heeft, dingen die ze hem in het gezicht kan smijten want tegenwoordig vecht ze zonder onderscheid, tegen de spruitjes op haar bord, hoe laat ze thuis moet komen, de oorlogen die elders op de wereld worden uitgevochten. Nooit eerder waren de plafonds zo laag.

Elke zaterdagavond komt heeroom Thomas eten en voor die gelegenheden dekt Janna de tafel met het witte tafelkleed, met het wedgwoodservies en het zilveren bestek, het is een offer dat wordt klaargemaakt. Ze legt de messen naast de borden en ziet voor zich hoe hij een van die messen door het vlees van de biefstuk beweegt, legt vorken neer en denkt hoe hij een van die vorken naar zijn dunne lippen brengt. ‘Thomas,’ zegt haar vader, ‘is zo geworden omdat niemand van ons wilde en iemand het moest doen. Maar ook is het iets dat altijd al in hem zat, dat heilige, het is een soort van ziekte, een gebrek aan bloed.’
Voor het eten gaat heeroom Thomas voor, vouwt zijn handen en bidt het Onzevader. Janna kijkt door haar oogharen naar de devoot gebogen hoofden van haar ouders. Heeroom eet met kleine, afgemeten happen; veegt na elke hap zorgvuldig met het servet over zijn mond. Er is de macht die hij op zondag heeft en hoe hij in zijn eentje zingt, zijn stem een steen met vleugels in de te grote kerk. Hem is het recht tot offeren gegeven, en elke zondag heft heeroom Thomas de hostie hoog, ‘lichaam van Christus’. Er is die macht en dan is er de jus die zijn mond doet glimmen van het vet.
‘Zij is,’ zegt haar moeder en wijst op Janna, ‘ze is nogal los. Als zij een puber wordt, berg je dan maar.’ Janna wiebelt op haar plek, volgt met haar vinger het bloemetjespatroon van de bank. ‘’t Kan alle kanten op,’ zegt haar moeder en gaat rond met de gevulde eieren, ‘de straat op of een oude vrijster, met haar weet ik het niet.’ Janna weet niet precies wat een oude vrijster is maar ze ziet vieze oude lijven, armoedig van verlangen voor zich. Ze moet de kamer verlaten om bij te komen. Als ze in de gang tegen haar eigen, nu al smoezelige bontjas leunt, ziet ze heeroom Thomas buiten op het plaatsje staan. Door het beslagen raam van de achterdeur blijft ze een tijdje naar hem kijken, het broze in zijn rug. Het gebrokene, preekt hij op zondag, is de essentie van ons mens-zijn.

‘Waarom?’ herhaalt hij haar vraag. ‘Misschien was het een val waar ik in ben getrapt.’ Zijn vuisten zijn gebald, de knokkels wit. ‘Te denken dat er zoiets groots bestaan kan, en dat, als het bestaat, wij ermee kunnen spreken… Dat is al heiligschennis.’
Hij kijkt langs haar heen naar het raam dat zich achter haar bevindt en even denkt ze dat hij zal gaan huilen. Uit zijn gezicht is alle samenhang verdwenen. Heeroom Thomas, houdt ze zichzelf voor, heeroom. Maar hij heeft niet meer alleen de hemel boven zich, hij is een oude man en bang als alle anderen. Plotseling ziet ze dat: hoe het verval zich al een weg baant door zijn huid heen.
Ze wil hier weg, ze trekt haar jas al aan, maar als ze opstaat valt hij op zijn knieën. Ze denkt dat hij wil bidden. In plaats daarvan grijpt hij haar benen vast, zijn handen zijn sterk en zijn greep is verkrampt. Ze onderdrukt de neiging om hem los te schudden, van zich af te slaan omdat ook hij niet is zoals ze had gehoopt.
‘Alsjeblieft,’ begint hij, ‘alsjeblieft’ – maar ze kijkt op hem neer en ziet de beelden in haar hoofd, ze ziet de films en zichzelf daarin. Ze maakt een knoopje van haar blouse los en dan nog een, ze weet niet waarom. Moeizaam komt hij overeind. Zijn handen op haar huid zijn tastend als die van een blinde, ze zoeken niet naar haar maar naar iets anders dat zij niet bezit. Hij hijgt en ze durft niet naar hem te kijken. Ten slotte maakt hij een geluid dat op huilen lijkt, zijn greep verslapt en ze stapt achteruit. Ze slaat haar bontjas dicht, de stof is ruw tegen haar huid en heel even nog aarzelt ze, kijkt om. Midden in de kamer is hij blijven staan, zijn armen hangen zwaar naar beneden alsof ze niet bij zijn lichaam horen, hij beweegt zich niet. Ze zou iets willen zeggen, iets van afscheid of een groet, een afronding van wat dit dan ook was. Maar ze zegt niets, sluit met een klap de deur, loopt door de lange gang naar buiten. Daar begint ze pas te rennen. Ze rent om haar spieren te voelen, hoe sterk haar benen zijn, hoe prettig alleen al de beweging van het rennen. De knoppen aan de bomen staan op barsten.

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (word abonnee!). ‘Beesten’ verscheen in Revisor 11, in 2015. Destijds introduceerden we het zo: de beesten ja, die ‘zich verderop in de heuvels verscholen’, en dit is het verhaal van een ontmoeting met zo’n beest. ‘“Hallo vos,” zei ik heel zachtjes tegen hem.’

Ontmoeting, schrijf ik, confrontatie, bedoel ik. Het is fysiek, en pijnlijk, en achteloos verteld. Dat is de kracht van dit verhaal, dat Versteeg de strijd tussen mens en dier laat beschrijven aan een schrijver, wiens blikken en vingers terloops afdwalen. Hoe vertel je iets ondenkbaar gruwelijks, iets wat meer is dan zomaar een verhaal? Hoe vertel je het verder? Het kan op zeker drie manieren, en Versteeg slaagt.

*

Zodra Alix niet oplet excuseer ik mezelf. Goed gezelschap zijn is simpel zolang ik op het podium sta; het is pas tijdens de borrel daarna dat ik geen raad weet met mijzelf. Het duurt nooit lang voor ik mezelf begin te haten om de onzin die ik uitsla over schrijven, de clichés die als waarheid ontvangen worden. Sinds mijn eigen rijbewijs is ingetrokken moet ik de tijd zien door te brengen totdat Alix me naar huis brengt, maar zij heeft plezier in deze avonden, de zeldzame gelegenheden waarbij ze in het middelpunt van alle aandacht staat, echtgenote van de schrijver. Ik oefen in het niet aanwezig zijn, staar naar de tuin van de villa, sneeuw op de coniferen en de bomen daarachter, donkerder vormen in de donkere nacht. Het raam weerspiegelt het feestje binnen, schaduwen van onszelf bewegen buiten in de sneeuw.
‘Wil je wat drinken?’
Ik draai me om en zie een vrouw van een jaar of vijftig. Eerder vanavond zag ik haar binnenkomen samen met haar echtgenoot, een man met het verslagen uiterlijk van de gepensioneerde academicus. Mensen bezoeken deze avonden niet omdat ze geïnteresseerd zijn in mijn boeken, maar omdat er hier in de buurt niets anders te doen is. De vrouw keert terug met een fles en twee glazen, vult die bijna tot de rand en overhandigt me er een. Ik vraag me af wanneer ze zal beginnen over haar eigen ambities om schrijver te worden, wanneer ze zal opbiechten dat ze nog nooit een boek van mij gelezen heeft.
Ze zegt niets. Dus uiteindelijk ben ik degene die de eerste platitude uitbraakt over hoe mooi dit toch is, de heuvels, de besneeuwde bossen. Ze snuift.
‘Wil je een verhaal horen?’
Ook die vraag heb ik al te vaak gehoord, maar ik heb geen zin om mijn plek bij het raam te verlaten. Ik maak een vaag, nietszeggend gebaar, dat zij opvat als een bevestiging.
‘We wonen hier niet ver vandaan’, zegt ze. ‘We zijn naar het platteland verhuisd om de rust en de stilte, rond de tijd dat Joshua ging studeren. Het huis dat we kochten ligt afgelegen, de dichtstbijzijnde buren kilometers verderop. Vaak raken mensen teleurgesteld als ze uit de stad hier naartoe komen, missen de theaters, musea veel meer dan ze vooraf konden bedenken. Maar wij waren gelukkig. We wandelden iedere dag uren in de heuvels. We waren vastbesloten hier te blijven, oud te worden. Het wemelt van de herten hier, soms zie je vossen. Je vindt de afdrukken van wilde zwijnen en vaak als we hier wandelden vroeg ik me af welke beesten zich verderop in de heuvels verscholen. Ik stelde me die dieren altijd voor als vriendelijk, zoals de pratende wezens uit mijn oude kinderboeken.’

Ze zwijgt even, staart uit het raam.

‘Het was winter, er lag sneeuw zoals nu, een prachtige dag om te wandelen. Joshua was hier en de laatste paar kilometer liepen Erik en hij een eind voor mij uit. Sneeuw in een bos waar niemand komt is prachtig, de wereld zo anders, het enige geluid dat van mijn eigen voetstappen. Ik was niet verbaasd toen ik een vos zag, een stukje verderop. Zijn vacht stak helder oranje af tegen de sneeuw, het was een prachtig dier. Eerst dacht ik dat hij me niet gezien had. Ik stond heel stil, staarde naar hem en na een tijdje keek hij op.
“Hallo vos,” zei ik heel zachtjes tegen hem.
Alles was zo stil. Ik was dankbaar voor het moment, de schoonheid ervan.
Er bestaan plekken waar vossen brutaal zijn, zelfs huizen binnendringen, maar de vossen hier zijn schuw. Dit dier niet; het leek alsof er een elektrische schok door hem heen ging toen hij me zag. Toen kwam hij in beweging, rende niet van mij weg maar naar me toe.
Eerst begreep ik niet eens wat er gebeurde. Ik stond stil en wachtte, keek naar het dier dat op mij afstormde, zijn bek wagenwijd open. De vos maakte een keelgeluid tussen grommen en blaffen in, zijn oren lagen plat op de zijkant van zijn kop. Even was ik te verbaasd om te bewegen, toen begon ik te rennen. Terwijl ik rende bedacht ik hoe belachelijk het was om zo bang te zijn voor een vos, maar ik rende zo hard als ik kon. Het dier kwam snel dichterbij; nog voor ik me kon omdraaien viel hij aan. Ik trapte naar hem, maar hij was niet bang.
De vos had moeite om door de dikke stof van mijn skibroek te komen, maar het lukte hem wel. Zijn tanden zonken diep in mijn kuit. Ik struikelde, viel bijna over de vos heen. Terwijl ik viel lukte het me om het dier tegen de grond te duwen. Hij blafte, siste naar me, zijn nekharen recht overeind. Ik drukte hem met al mijn gewicht tegen de grond, maar ik wist niet hoe lang ik dat kon volhouden.
Ik schreeuwde.
Het geluid van mijn stem verdween in de sneeuw. Erik en Joshua waren waarschijnlijk al thuis en zouden me hoe dan ook niet horen. Het huis dat hier het dichtstbij was werd alleen in de weekends bewoond. De vos grauwde. Hij was veel sterker dan je van zo’n klein dier zou verwachten, worstelde als een bezetene om los te komen. “Erik!”
Er viel wat sneeuw van een tak, verder niets.
Ik was ervan overtuigd dat het dier me naar de keel zou vliegen zodra ik hem liet gaan. Hij zag er ziek en tegelijkertijd woedend uit, er was iets mis met zijn ogen. De hele tijd maakte hij dat keelgeluid, happend naar mijn wanten, zijn oren nog steeds plat tegen zijn kop. Ik probeerde hem te sussen, zachtjes tegen hem te praten. Het was zinloos. Het hele wezen van het dier, al zijn samengebalde energie was erop uit mij te verwonden. Uiteindelijk lukte het me om mijn telefoon te pakken en naar huis te bellen, de vos nog steeds tegen de grond gedrukt. Ik kreeg Josha aan de lijn, maar de verbinding was slecht en hij dacht dat ik een grapje maakte.
“Je moet opschieten, mam,” zei hij.
Ik wist precies waar hij stond, leunend tegen het fornuis, roerend in de pan chocolademelk die op het vuur stond. “Anders komt er een vel op.”
Erik mompelde iets onverstaanbaars op de achtergrond.
Ik stelde me de keuken voor: warm, goed verlicht, vriendelijk. Er waren alle dingen die we samen hadden uitgezocht, geblokte tegels op de vloer, het oude houten tafelblad. De wond aan mijn kuit bonsde als een bezetene. “Joshua, vraag papa. Neem iets zwaars mee om te slaan, een breekijzer, een hamer.”
Hij gnuifde. “Mama wil een breekijzer.”
Opnieuw Eriks stem, dringender nu. “Wat is er aan de hand?”
Ik herhaalde het verhaal. Hij zei dat ze zouden komen, dat ik rustig moest blijven. Inmiddels begon het te schemeren. Ik wachtte, terwijl ik de nek van het dier zo goed ik kon tegen de grond bleef drukken.’
Ze klemt haar beide handen om het glas terwijl ze praat, en ik bestudeer haar gezicht. Ik kan me haar niet voorstellen in gevecht met een wild dier en alsof ze voelt wat ik denk tilt ze haar jurk een stukje op, toont een groot litteken op haar kuit. Lacht spottend.
‘Ik weet niet hoe lang ik daar wachtte. De hele tijd voelde ik de wil van het dier, zijn pure haat. Ik wist niet eens dat dieren dat kunnen, haten, ik dacht dat dat iets voor mensen was. Uiteindelijk zag ik ze komen, Erik met Joshua naast hem, een ijzeren staaf in zijn hand. Ze wandelden heel rustig, versnelden pas toen ze me zagen.
“Gaat het,” vroeg Erik dom.
We wisten alle drie dat het dier dood moest, maar niemand wist hoe. Omdat we hier niet vandaan komen. Omdat we, anders dan onze buren, geen geweer hebben, altijd al tegen de oorlog waren. Maar als wij deze vos niet doodden zou hij zeker opnieuw aanvallen.
Erik staarde naar het breekijzer in zijn hand.
We kochten altijd biologisch vlees, met op de verpakking plaatjes van lachende koeien. Vliegen in de zomer brachten we een voor een naar buiten; het kostte zelfs moeite om een mug dood te slaan, als ik er ook maar even over nadacht. Joshua stapte naar voren, deinsde meteen weer achteruit toen de vos naar hem hapte.
“Ga maar weg,” zei ik. “Ik ben toch al gebeten.”
Hij stond daar als een klein kind, zijn handen hulpeloos langs zijn lijf.
Erik tilde het breekijzer op, alsof hij alleen wilde voelen hoe zwaar het ding was.
“Eén goede klap,” zei ik. “Eén klap op zijn kop.”
De vos worstelde harder nu, alsof hij begreep waar we het over hadden. Misschien begreep hij dat. “Sla dan,” zei ik tegen Erik. “Hard.”
Nog aarzelde hij, maar toen veranderde er iets in zijn gezicht en hij bracht het ijzer omhoog, toen snel naar beneden. Hij sloeg op het lijf van de vos, niet op zijn kop, waarschijnlijk omdat hij bang was mij te raken. Het dier schreeuwde, een bijna menselijk geluid. Het scheelde niet veel of hij had zich losgevochten.
Erik sloeg nog een keer. Weer krijste de vos. Hij worstelde om los te komen en ik leunde nog zwaarder op hem. Erik moest zestien keer slaan voordat het dier eindelijk opgaf. De laatste klappen kwamen op mijn hand terecht; in het ziekenhuis zeiden ze later dat de middenhandsbeentjes gebroken waren. Op dat moment wist Erik zelf niet eens meer wat hij deed, hij sloeg als een bezetene.
“Het is genoeg,” zei ik, voelde voorzichtig aan mijn kuit. “Je hebt hem doodgemaakt.”
Joshua hielp me overeind. De vos lag in de sneeuw, een bloederig hoopje vacht. “We moeten hem meenemen,” zei ik. “Hij moet worden getest.”
Erik stond nog altijd met het breekijzer in zijn hand, hij hijgde. We hadden niets om het dier in mee te nemen en dus trok Joshua zijn jas uit, rolde de vos daarin en gaf hem zo aan Erik. Ik hinkte naar huis, leunde zwaar op Joshua, Erik een stukje achter ons, in zijn armen dat zielige, bebloede lijf.’
Ze zwijgt.
Ik schenk ons opnieuw in. Achter ons hoor ik haar man met luide stem hetzelfde verhaal vertellen. ‘Dat beest grauwen als een bezetene en ik slaan, sláán!’
Ik ga met een vinger langs de ruggengraat van de vrouw, alleen om te zien hoe ze zal reageren. Ze reageert niet. Het is alsof we hier niet zijn, of niet zo dat het ertoe doet.
‘Zie je,’ zegt ze. ‘Ik hoef me niet meer af te vragen of er beesten zijn, verborgen. Ze zijn er, dat weet ik nu. Het is geen troostende gedachte.’
In de sneeuw buiten beweegt iets, maar als ik opkijk zie ik niets, alleen onze reflectie. Van de andere kant van de kamer wenkt Alix me om te vertrekken.
‘Wie was die vrouw,’ vraagt ze me terwijl we naar de auto lopen. Ik kijk achterom en zie haar naast haar echtgenoot, het gezicht afgewend.
‘Zomaar iemand,’ zeg ik. ‘Ik weet het niet.’
‘Jullie konden het zo goed met elkaar vinden.’
Ik haal mijn schouders op. De auto beweegt soepel door de heuvels, bomen aan beide kanten van de weg. Ik leun tegen het raampje en bekijk Alix’ profiel. Ze ziet er verdrietig uit; ik zou haar moeten aanraken.
In plaats daarvan schraap ik mijn keel.
‘Die vrouw vertelde een verhaal,’ begin ik, maak dan mijn zin niet af.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, en in totaal schreef ze tien bijdragen voor ons. Dit jaar publiceren we nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘Het ei’, uit het zesde nummer van 1993.

*

Ja, jij en geen ander; toe, dat spreekt toch vanzelf. Ben je niet altijd de enige die precies deze plaats bezet en een eigen gezicht geeft aan wat je ook ziet? – Zo stap je nu van je fiets af en kijkt nog wat beter: op het groen van het grasveld ligt een blauwgrijs ei. Het ei is klein met veel vlekken, je buigt je voorover en hoort verderop een onrustige vogel. Vast de vader, een merel. Wat doet dat ei in het gras?
Wie anders dan jij die daar meer van wil weten. Je zakt door je knieën en voelt met een vinger: het ei is nog warm. De geur van het gras, het geluid van de vogel, de kleur van het ei – hoezo wie anders dan ik. Iedereen die hier neerhurkt zou immers hetzelfde beleven, beeld, geur en geluid? Met pal in het centrum dit blauwgrijze ei, precies op de plaats waar nu het gevoel ontstaat dat het ei terug moet, in het nest van de merel. Iedereen zou dat voelen, het is niet meer dan een vaststelling zonder enig verband met karakter, verleden, of persoonlijke keuzes.
Maar als je nu in je tas naar een zakdoek graaft om het ei in te doen zodat het warm blijft, niet stuk gaat, dan duidt dat toch zeker op een heel eigen aanpak? Welnee, want zo hoort het, en er moet er toch één zijn die dit op zich neemt. Degene die nu de fiets tegen een boom plaatst, een voet op het frame zet, je rok is te nauw. De rok flink omhoog stroopt, de andere voet op het zadel plant en dan merkt dat de fiets in beweging komt, uit zichzelf rijdt hij weg. Hop gauw met een sprong terug op het gras; dit had je kunnen voorspellen, het zijn wetten van wielen en zwaartekracht. Wat je doet is wat iedereen zou verzinnen: het achterwiel in zijn rondgang blokkeren door een tak in de spaken. Opnieuw een voet op het frame en een op het zadel, de zakdoek met het ei houd je hoog in de lucht. De merel tiert het uit van ontzetting want zijn nest is vlakbij, ha ik rek me, het lukt – waarna de fiets door de druk naar achteren wijkt. Hij valt rammelend plat en daar zit ik scheef op het grasveld terwijl de zakdoek zich sierlijk, wijdopen en wit over het voorwiel drapeert.
Goed, zelfs de pijn die ik nu uit mijn dijbeen wrijf zou een ander evenzo kunnen hebben want ook dat is een wet, van hard tegen zacht; het had veel erger gekund. In elk geval laat de merel nu niet meer van zich horen, hij was meteen terug bij zijn nest; en terwijl ik tevreden tegen de boomstam zit zie ik de kastplank weer voor me met hele reeksen eieren, op formaat gerangschikt – blauw, blauwgroen, grijs gespikkeld, zelfs een kolibri-eitje zo groot als een erwt – die we lang geleden op watten bewaarden, mijn schoolvriend en ik. Maar een ei dat nog warm is leg je terug als je kan, en eens brak toen een tak af hoog onder zijn voet, ik depte de schrammen met een witte zakdoek. ‘Het had veel erger gekund.’
Kijk, daar zijn we: dus toch jij en geen ander. Alsof hier geen sprake was van een persoonlijke drijfveer, een verleden, een keus! Als een koekoeksjong nestelt de eigen ervaring zich overal tussen en maakt wat je ook doet ondergeschikt aan zichzelf: niet het blauw van dit ei maar het blauw in de reeks die je uit hebt geblazen; nietje val deze keer maar die andere val in een persoonlijk verleden. Ook de witte zakdoek is nu niet langer neutraal, hij dient als afspiegeling van die andere keer; wel, wat blijft er dan over aan beeld of beweging dat een zelfstandig bestaan heeft, buiten jou om?
– Dat zie je toch zo, hier. Deze slag in mijn fietswiel, als gevolg van de val met een tak tussen zijn spaken. Het geplette gras, de kras op de boomschors, de rode schram op mijn dijbeen. En hopelijk, later: de merel die nieuw uit het ei zal komen, en leert vliegen, en fluit.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, en in totaal schreef ze tien bijdragen voor ons. Dit jaar publiceren we nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘Handleiding’, uit het derde nummer van 1991.

*

Ik heb ze een beetje leren kennen, de dingen. Ze verbazen me nog steeds, met hun schijn van onmacht waar een wereld vol eigenzinnigheden achter schuil blijkt te gaan; maar hoe minder ik van ze verwacht, hoe meer ze ook mij in mijn waarde laten. Wat ik vroeger aanzag voor een moedwillig plan waarin stoplichten op rood sprongen juist als ik haast had, het deksel zich niet van een jampot liet draaien meteen al ‘s ochtens met de dag nog vol weerstand, of een kous een grillige ladder trok om een keurig tenue te kijk te zetten – dat komt me nu voor als natuurlijk en juist, als het recht van elk voorwerp op zelfstandig beleid.
Zo past in een fluitketel meer water dan in een theepot maar weer minder dan in de roodplastic emmer die voor de schoonmaak bestemd is; en ik leid daaruit af dat de theepot, ook al vanwege zijn breekbaarheid en verfijnd porseleinen voorkomen, een hogere status toekomt dan de emmer, van kunststof, of de aluminium ketel. Vandaar ook dat thee op waxine moet trekken, terwijl water lawaaiig op gas aan de kook komt; en een emmer van plastie verdraagt het vuilste sop want zodra je hem leeggiet is hij, glad als voorheen, elke inhoud vergeten.
Dit wijst op de mogelijkheid van een geheugen, bij voorwerpen, een geheugen dat nauw is verbonden met het materiaal waaruit ze gemaakt zijn. Hoe natuurlijker de grondstof, hoe sterker de herinnering: zachte wol onthoudt, hoe vergeefs ook, de eerste vorm van een trui die in de was is gekrompen, het porseleinen deksel van de theepot mist zijn ronding langszij sinds er een scherf vanaf sprong, en glanzend schellak zal nooit meer de kras vergeten dwars door de muziek heen die, amper begonnen, aan jouw woorden bleef haken. Alles heeft er nog weet van, op de dag af precies: hoe het klonk of eruit zag, hoe het heel was of mooi was vóór dat ene moment waarvan het niet meer herstelde.
Ik leef met ze mee, met de dingen; dat is alles wat ik doen kan. Ik houd rekening met de grenzen van hun aanleg en verdraagzaamheid en probeer mijn teleurstelling over een kras of een breuk zo goed mogelijk te verbergen. Want doe ik dat niet, dan zullen zij, op hun beurt, de aanklacht terugkaatsen: niet hun eigen aard en materie, maar mijn aandeel, mijn omgang is de oorzaak van alles. Zou ik daar op ingaan, wat blijft er dan over van hun moeizaam verworven zelfstandigheid? Nee, er is me veel aan gelegen ze de vrije hand te laten in een eigen beleid dat zich niets van mij aantrekt; al is het soms lastig genoeg om begrip op te brengen voor hun onmiskenbare neiging om zichzelf, of elkaar, het bestaan te bemoeilijken.
Op welke manier, bijvoorbeeld, is de theepot zijn scherf verloren, tegelijk met de knop die zijn deksel bekroonde? Doordat hij bij het opschenken plotseling te vol raakte: kokend heet water spatte naar links en naar rechts en de ketel, met schrik op het aanrecht beland, sloeg het deksel kapot dat daar wit lag te wachten. De knop bovenop schoot als een kogel door de keuken en hield zich weken lang schuil tot de stofzuiger hem weervond in een kinkelende dans op en neer door zijn chromen buis; maar van de scherf was nooit meer een spoor te bekennen, en langs het deksel dat hem nog altijd gedenkt loopt een rand die nu bijna zwart is van aanslag.
Natuurlijk, bij al deze gebeurtenissen – een kous die aan de stoelpoot haakt, een trui verkleind tot een kindermaat, een kras op de grammofoonplaat – kan ik mijn aandeel niet helemaal wegcijferen; maar hoe zou er van opzet sprake kunnen zijn wanneer de gevolgen mij, juist mij zo op de proef stellen? Ik immers ben degene die er steeds naar moet kijken, die er steeds aan moet denken en die alles onthoudt, het één na het ander. Maar misschien is me daarom ook gaandeweg duidelijk geworden dat het eerst en vooral de dingen zelf zijn die hun lot bepalen, ieder voor zich. Vervolgens richten ze zich op elkaar in een verstandhouding die blijkbaar zo veel te wensen overlaat dat ze in tal van eigenzinnige conflicten ontaardt; en pas daarna kan ik, als buitenstaander, mijn best doen om tussen het een en het ander op een zekere bemiddeling aan te sturen.
Een taak die overigens allerminst simpel is, want de vaardigheden waarop mijn omgeving me aanspreekt zijn van steeds wisselende, sterk uiteenlopende of soms zelfs volstrekt tegengestelde aard en het valt niet mee om zoveel strijdige eigenschappen beurtelings in mijzelf op te roepen, laat staan ze tot de gewenste verzoening te brengen. Enerzijds zijn er immers contacten die een bepaalde snelheid vereisen, zoals het afstrijken van een lucifer, het inslaan van een spijker, het opvangen van een vaas die dreigt om te vallen; anderzijds zijn er betrekkingen die alleen willen lukken wanneer ze zo traag en omzichtig mogelijk worden benaderd, zoals het afdrogen van porseleinen kommen of het repareren van een rafelig kraagje aan mijn mousseline blouse.
Vandaar misschien dat juist bij dringend verstelwerk – ik wil de blouse vanavond nog dragen, over een uur moet hij heel zijn – een draad eerst zal weigeren in een naald te gaan, de naald daarna keer op keer aan de draad zal ontglippen om zich in de plooien van de stof onvindbaar te maken, de draad dan, op zijn beurt, in knopen verstrikt raakt, waarna de schaar op de grond valt en de naald opnieuw zoek is.
Ik leid daaruit af dat de samenwerking tussen verschillende voorwerpen des te onverzoenlijker verloopt naarmate ze meer op elkaar zijn aangewezen, of zelfs bij uitstek voor elkaar bestemd lijken. Dit brengt hen tot een grillig gedrag dat zich echter op allerlei terreinen en bij iedere handeling in zoveel varianten bewezen heeft, dat zelfs de zorgvuldigste bemiddeling geen garantie kan geven op een gunstige afloop. Ik aanvaard het, of probeer me er bij aan te passen; maar het verbaast me nog dagelijks hoeveel moeite de dingen zich getroosten om elkaar, of zichzelf, de voet dwars te zetten. Want wat winnen ze bij al deze weerstand, wat kan hier hun voordeel, hun drijfveer zijn?
Wanneer de kousenlade niet open wil, blijken het altijd de kousen zelf te zijn die, schijnbaar weerloos in hun ragdunne voorkomen, als slangen in het mechaniek zijn gekropen met als enig gevolg dat ze nu zelf verstrikt en gevangen zitten; en de jam in de jampot die zijn kleefkracht gebruikte om het deksel klem te zetten heeft zich daarmee voorgoed onbereikbaar gemaakt, nog volop oranje maar zonder geur, zonder smaak. Of wat te denken van de spijkers die zich, de één na de ander, tegen mijn hamer te weer stellen net zo lang tot ze krom staan en weggegooid worden – waarom kiezen ze voor een dergelijk lot terwijl hun laatste opvolger nog jaren achtereen het schilderij mag dragen dat zo vrolijk vol kleur is?
Ik probeer hen te begrijpen: blijkbaar lopen de conflicten zo hoog op dat ze hun functie nog liever onklaar maken dan zich in dienst te stellen van een kunstwerk of blouse, in aanzien misschien voornamer dan zij. Ik probeer hen te behoeden: zo zorgvuldig mogelijk ga ik te werk want een spijker, een draad of de rand langs een deksel blijken in al hun bescheidenheid veel meer aandacht nodig te hebben dan ik voorheen kon vermoeden. Ik probeer ze te weerstaan, hun drift te voorkomen: want al verdient de hitte van water, de hardhandigheid van een fluitketel of de ijdelheid van nylonkousen amper mijn mededogen, hun straffen treffen me des te persoonlijker. Zelfs die roodplastic emmer, zo eenvoudig en glad – nooit zal ik vergeten hoe gewiekst hij me eenmaal liet struikelen en met zijn grauwe sop zowel het vloerkleed als mij volkomen doorweekte zonder enige aanleiding, zonder enig excuus.
Waarom gebeurt zoiets, van welke aard is de tweedracht die hier aan het licht komt? Want wat ik ook probeer, hoe omzichtig, liefdevol of beducht ik ook te werk ga, steeds blijken de dingen me te slim af te zijn, als goochelaars die het één vertonen om het ander te verbergen. Terwijl het niet eens nuttig is om mij zo te bedotten, niet nodig is om juist mij zulke lessen te leren over grillen en luimen, over redenen en regels die niet zijn te vatten. Juist ik immers weet al zo lang dat achter elke reden een andere schuil gaat, tot oneindigheid toe; reden na reden die, ook zonder opzet of eigengereidheid, alles voortdurend van aanzien verandert.
Want kijk hoe tussen ver en nabij steeds verschillen ontstaan in formaat en in scherpte; luister hoe anders de regen ruist op een boom of een boot of het steen van de straat. Zie hoe de lichtval met schaduwen schuift en hoe elke richting de ruimte wijzigt, de omtrek vervormt van wat je ook waarneemt. Geen tijdstip, geen standpunt dat het zicht niet verandert, geen aanblik die uit is op zijn eigen herhaling. En ik weet het al lang, ik wist het al jaren. Waarom went het dan nooit, waarom word juist ik zo voortdurend terechtgewezen, wat ik ook doe?
Hoe nieuw alles is, telkens weer, het scherpst nog als het gaat om bezigheden waarmee je allang op vertrouwde voet dacht te staan. Wil je het theelicht aandoen door een lucifer af te strijken, al sinds dertig jaar langs datzelfde doosje met de ranke vogel, dan blijkt het zwavel opeens in je oog te kunnen spatten – zo pijnlijk trefzeker dat het oog er op zijn eentje nog uren van huilt. Ook de stofzuiger is heus niet altijd zo goedgeefs en gedienstig als die enkele keer dat we samen een stuiter, een speld of de knop van de theepot opsporen; want het gretige lawaai waarmee hij een dunne kous in zijn slang gevangen houdt verhit hem zozeer dat hij afslaat, ten slotte, en mij een middag laat wachten voor we door kunnen gaan.
Je went nooit aan de dingen, ze verzinnen altijd iets nieuws; of iets ouds wordt herhaald met een ander doelwit, op een andere plaats, in een andere stemming. Ook en zelfs als het gaat om een gloednieuwe aankoop, een nuttig artikel dat zich misschien beter wil schikken vanuit een fris begin – ook dan zal de garantie die erbij wordt geleverd nergens borg voor staan, want geen toelichting of handleiding blijkt melding te maken van de strikt eigen mogelijkheden die elk voorwerp verbergt: niet de functies waarvoor ze in opzet bestemd zijn maar de talloze omwegen waarlangs ze, ieder voor zich, aan die opdracht ontkomen. Zo lees je op de verpakking van theelichten dat ze uit paraffine bestaan, acht branduren tellen en tevens geschikt zijn om borden te warmen; maar leer je eenmaal hun vermogen kennen om telkens opnieuw de dienst te ontduiken door in hun pit te verdrinken dan verandert je houding, en je tempert je aanspraken. Zodra het vlammetje sputtert en dooft zul je een deel van het kaarsvet, vloeibaar als olie, voorzichtig afgieten en je houdt er opnieuw een lucifer bij, soms drie keer per avond – bereidwillig, begrijpend, het hoort erbij naar het schijnt. Maar hoe komt het dat niemand je hierop voorbereid heeft, zodat je eerst af kunt wegen of je het wel aan wilt gaan?
Alleen soms, op bepaalde dagen, verloopt alles voorbeeldig. Het doosje met de vogel hoeft maar één enkele keer dienst te doen, de theepot mag stil op het licht blijven staan, en lang kan ik dan kijken naar het gele schijnsel dat zich rondom spiegelt in geslepen glas. Zo hoort het, denk ik tevreden, en zo gaat het ook soms. Als je er maar niet te vast op rekent.
Maar waarom zou het zo horen, wat weet ik daarvan? De beloften op de verpakking, de aanwijzingen bij gebruik – niet meer dan voorschriften zijn het, naar bestemming uitgevaardigd en door ervaring, blijkbaar, bevestigd. Maar wie bepaalt die bestemming? En wie had die ervaring, wetmatig, constant – wie beleefde ooit hetzelfde als wie dan ook anders? Wie beleeft zelfs ooit hetzelfde als hijzelf, bij herhaling hetzelfde: als een uitgediend voorwerp dat alleen nog in staat is zijn eigen handleiding op te volgen? Geen waarneming ter wereld die zich daartoe zou lenen, geen aanblik of toestand die daar genoegen mee neemt. Want niets herhaalt zich zo lang je het vrij laat; en je moet het wel vrij laten omdat elke verwachting de omgang klem zet, als een spaak in het wiel.
Natuurlijk, er is stellig een aantal verschijnselen waar je min of meer van op aan kunt. Het effect van water bijvoorbeeld, dat alles nat maakt – al geldt dit toch niet voor bepaalde dieren als zwanen en eenden, of voor een pan, een koekepan, die erg vet is geworden. Ook kan onderdompeling in water nu eens onaangenaam zijn en dan weer verfrissend; de ruiten kunnen er schoon van worden maar de vloerbedekking vuil als er een emmer op omvalt; en in een stopfles vol water zijn mijn glazen stuiters nu extra doorzichtig terwijl zes zilveren kogels, precies even groot, hun glans juist verloren door roestige aanslag.
En natuurlijk, opnieuw: de meeste van deze verschijnselen zijn stellig verklaarbaar, je leert ze op school al met nadruk kennen. Corrosie bijvoorbeeld, of dispersie van licht, of viscositeit, die verband houdt met vloeistof. Maar is die kennis nauwkeurig genoeg, behulpzaam genoeg bij wat je dagelijks meemaakt? Zo algemeen zal immers geen ervaring zich voordoen, net zo min als je een stad kunt beschrijven aan de hand van een landkaart: geen straat krijgt een naam, geen stoplicht een functie, geen bewoner verroert zich want gezien op die schaal is het enkel een havenstad gebouwd aan de oever van een brede rivier, en daar moet het bij blijven. Ook leer je over een stuiter hoe hij stil kan liggen als een dobbelsteen, over water hoe het ijs kan zijn, vast als het helderste glas. Graviteit misschien, aggregatie in fasen. Maar hun vaart en belichting, hun duizend ontmoetingen elke dag weer in alles wat wisselt en ze werkelijk aangaat, de stuiter, het water, het zilver, het licht – daar wordt niet van gerept want op die schaal kent het geen benadering.
Toch zijn er soms dingen, bepaalde verschijnselen, die hier geen aanstoot aan nemen. En het zijn niet de minste; ruim en weids als de wereld komt niets hen te na. Zo leerde je over de seizoenen, de wind en de regenboog dat hun vrijheid te groot is om zich aan iemand te storen, aan mij of een ander; ze zijn in alles alleen en wat ze ook aanrichten, steeds bieden hun wetten een afdoende excuus. Vandaar dat de sneeuw me ijskoud kan maken, de storm mijn paraplu kan meenemen en de regenboog veel te vroeg uit mijn zicht kan verdwijnen, zonder dat ik ze ooit op hun daden zal aanspreken: ze behoren niemand toe en zijn aan niemand verantwoording schuldig. Datzelfde geldt ook voor de zon en de maan, voor de doodstille sterren. Voor de hoogte van de bomen die mijn uitzicht bepalen, voor het verlies van hun bladeren elk jaar opnieuw en voor de traagheid waarmee de rivier daarachter op weg naar de zee stroomt zoals de meeste rivieren. Zelfs de stoplichten ginds bij de brug kunnen me nog zo vaak laten wachten, toch blijf ik steeds weten dat het geen opzet kan zijn want ook zij maken deel uit van een ruimer systeem dat in groen, rood en geel de hele stad overziet ongeacht wie er haast heeft, ik of een ander.
Maar hier, bij mij thuis – is het onredelijk om te verwachten dat de dingen zich hier enigszins om mij gaan bekommeren, of op zijn minst om elkaar, gegeven hun gemeenschappelijke ruimte en omstandigheden? Niets dat hier staat zonder mijn eigen tussenkomst; ik ben degene die het gekozen heeft, gekocht of gekregen, gezocht en gevonden, geplaatst of opgeborgen. Alleen ik ben de reden van alles wat hier is om zich hier te bevinden, alleen ik ben de oorzaak van elke betrekking: tussen de vaas en zijn bloemen, tussen tafel en stoel, ketel en aanrecht, zelfs de naald en zijn draad. Juist dit, juist hier, nergens anders hetzelfde; op de hele wereld zal niets op juist deze manier in onderlinge verbinding staan.
Hoe is het dan mogelijk dat de connecties zo haperen, of een willekeur tonen die me steeds weer verwart? Nu eens staat de theepot links, dan weer rechts in het kastje terwijl ik hem toch het liefst bij de soepkommen zie, eveneens porselein – je vindt hem wel terug, maar waarom op zo’n afstand? Eenmaal zelfs had hij zich tussen de levensmiddelen verschanst, een pak rijst op de voorgrond. Rijstkom en soepkom: was dat soms het raadsel dat ik op moest lossen? Het is waar dat je de kommen voor beide kunt gebruiken en dat de thee naast de rijst staat, met een soepblik vlakbij. Zou dat het zijn?
Op deze manier kan ik meer dingen begrijpen, al is het ook altijd pas achteraf. En misschien dat het houvast van handleidingen of wetten juist hier geen kans krijgt omdat het aantal keuzes te groot is, zo eindeloos groot; zoveel speelser bovendien, en zo veel willekeuriger dan ooit valt te voorspellen. Om die reden zal ik het ook zelf nooit leren want elke ervaring blijft steken in een eenmalig inzicht – op herhaling hopen is even onredelijk als van een goochelaar verwachten dat hij te pas en te onpas een horloge kwijt maakt, of bij elke gelegenheid zijn zakdoek ontvouwt in een spectrum van sjaaltjes. Hij deed het die avond, juist toen en juist daar onder betoverend lamplicht waar niets hem te na kwam; maar laat hem met rust als hij stil over straat loopt, thuis aan het raam zit en wil zijn als een ander.
Zo ook laat ik de dingen met rust, als het enigszins kan. Ze mogen zijn als de andere gelijksoortige dingen, in andere huizen door de hele stad heen: geen huis zonder een tafel, een leunstoel of ketel waarmee ze zich, soort bij soort, meer verwant zullen voelen dan hier bij mij met de rest van het huisraad dat ze omringt. Want hoe dicht ze ook in elkaars buurt staan, elkaar soms zelfs omvatten – wat heeft, niettemin, een kast voor verwantschap met serviesgoed of pannen, wat bindt een tafel aan een lamp, een theelicht aan een vaas met bloemen en wat heeft een lade voor kennis aan grillige kousen? Ze zijn hier nu eenmaal, ze kunnen niet anders en hoe minder je van ze eist, hoe beter ze zich schikken. Pas als je ze aanspreekt voor eigen gebruik, een beroep wilt doen op hun nut en hun functie – pas dan zullen ze, ieder voor zich, hun strikte voorwaarden stellen.
Met recht natuurlijk, en meer zelfs dan dat. Want steeds blijft voorop staan dat geen voorwerp hier ooit om mijn aanwezigheid vroeg; dat ik het alleen was die ze lukraak bijeenbracht, ze her en der weghalend uit winkels en warenhuizen alsof het alleen mij aanging waar zij zich bevonden. Is het een wonder dat ze dan op den duur genoegdoening eisen? Niets zo vanzelfsprekend als hun wens om, vroeger of later, begrip te ontvangen voor hun eigen lot, hun eigen verlangens en hun eigen regels van aard en van omgang.
Maar hoe kan ik hen begrijpen zonder te worden als zij, hoe kunnen wij, zij en ik, ooit tot een vergelijk komen als we onder zo volstrekt verschillende voorwaarden leven? Zij hebben immers, hoe ruim ook bemeten, een aantal wetten ter beschikking die hun broosheid, hun roest, hun inhoud of werking voldoende verantwoorden om zich achter te verschuilen zodra er iets mis gaat. Maar wat heb ik aan te voeren? Omtrek, gewicht, schaduw, beweging – wat ik ook voorstel, geen van mijn eigenschappen lijkt solide of vaststaand genoeg om partij te geven aan wat me omringt. Ze staan sterk, de dingen, en soms is het moeilijk ze niet te benijden om hun stille rechtmatigheid, hun zwijgende gelijk.
Te mogen zijn zoals zij, op gelijke voet. Een voorwerp, een werktuig – of, omdat ik nu eenmaal verplaatsingen aanricht: een toestel, beweegbaar, met als enig besef zijn ingebouwd voorschrift. Je beroept je uitsluitend op je eigen handleiding, en als het niet werkt kan niemand dat helpen, ikzelf nog het minst. Zoals het theelicht dooft, de spijker krombuigt en de lade klem zit zonder dat één van hen spijt toont of last krijgt van twijfel over zijn plicht en bestemming, zo kan ook ik elk voorschrift verzaken en elk aandeel ontkennen door op de grenzen te wijzen die mijn omgang beperken.

illustratie Hedda Martens, Handleiding, in De Revisor

Mijn opdracht negeren en doen wat ik wil, onberekenbaar, grillig, net zoals zij – heeft dat ons dichter bij elkaar gebracht? Soms ontstaat, hoe dan ook, op bepaalde dagen een zekere rust tussen mij en de dingen; geleidelijk perken ze hun eisen in, en we laten elkaar wederzijds begaan zonder veel te verwachten. Ik voor mij doe in vrijheid wat het meest in mijn aard ligt: ik zit op een stoel, ik loop door de kamer, ik kijk uit het raam naar de brede rij bomen en de rivier daar achter die naar het westen stroomt. Ik rook sigaretten, ik lees in boeken en wat ik ook doe of juist nalaat, het is niet aan mij om garanties te bieden op vaatwas, verstelwerk, het poetsen van zilver of het zemen van ramen want al deze functies betreffen een omgeving die, net zoals ik, zichzelf in stand houdt naar eigen voorschrift. Het stof dat zich gaandeweg overal aandient komt voort uit de kamer zelf; het vet op het fornuis is een gevolg van de boter; en de aanslag van rook die de lampekap geel kleurt kiest de sigaretten als oorsprong, niet mij die ze oprookt.
Probeer ik af en toe met spons of stofdoek toch nog iets om me heen op orde te brengen dan voel ik hoezeer dat als een gunst wordt beschouwd, een welwillende bijdrage aan wat de dingen nu eenmaal niet alleen afkunnen: de tafel weer glanzend, de stopfles met stuiters weer helder doorzichtig en de vaas met bloemen van vers water voorzien – dat stemt hen zowel als mij afdoende tevreden. En als ik wil luisteren naar mijn mooiste grammofoonplaat die zijn kras steeds zal koesteren ben ik bovendien wel bereid om, tegelijkertijd, het kraagje te repareren dat nog altijd niet hersteld is, al is daar geen haast bij. Maar er zijn nu wel grenzen aan mijn dienstbaarheid en die laat ik straf gelden, net zoals zij. Wanneer de rijgdraad blijft haken zal ik hem doormidden moeten knippen, voor deze een andere; en als de ene naald zoek raakt neem ik rustig een nieuwe, ook als de tweede naald wegraakt; tot drie keer aan toe. Het is mijn taak niet hun raadsels op te lossen, het is mijn zaak niet hun motieven te doorgronden net zo min als het hen aangaat waarom ik doe of juist nalaat wat zij, onderling, van mij verwachten. Wie nergens op rekent hoeft ook nergens aan te twijfelen; zoals ik dat van hen leerde zo leren zij het van mij, en we wisselen elkaar af als goochelaars die beurtelings voor het voetlicht treden, beleefd hun hoed lichtend wanneer de één de ander passeert bij het komen of gaan.
Zo kom ik ook de naalden weer tegen, twee van de drie, juist wanneer ik er het minst op reken. De één hangt onder mijn rokzoom, op zijn kop aan de draad als een knappe trapezewerker; de ander dringt zich, pas dagen later, schuin in de zool van mijn linker voet. Wat zit hij diep en wat doet het een pijn om hem eruit te trekken. Maar al blijf ik standvastig en weiger de redenen te zoeken die speciaal deze naald tot zo’n wraakneming brachten, toch is er een kans dat de derde hem navolgt en daar is, misschien, nog aan te ontkomen. Dus roep ik de hulp in van de stofzuiger die, luidruchtig als steeds, de vloerbedekking afspeurt met een vaart en een doortastendheid waar ik niet aan kan tippen. Het hele huis gaan we af, want geen plaats waar de naald niet zijn toevlucht kon zoeken – en wat een onverwacht feest voor hem en voor mij wanneer de knop van de theepot in zijn buis op en neer danst! Ook zelf begin ik nu een zekere voortvarendheid aan te nemen in korte, ritmische passen waar de linkervoet, ontsmet en verbonden, zijn wrok bij vergeet. Draagt hij niet dezelfde hechtpleister als de stofzuigerslang, stevig omwikkeld bij een gat in het rubber? Als we klaar zijn zet ik het toestel naast het aanrecht, maak een emmer met sop, flink heet uit de ketel, en klim op een stoel om de ramen te zemen; bedrijvig gaat mijn arm naar links en naar rechts met de regelmaat van een ruitenwisser. Ook de glazen lampekap wordt weer helder doorschijnend en het schilderij, de spiegel, de brede kozijnen krijgen alle een beurt van de emmer en mij. Steeds hoger wordt de snelheid waarmee ik van de ene bezigheid op de andere overschakel: stofdoek vol stof, raam open en dicht, stoel en tafel met boenwas; mijn hand tolt langs de poten, en een borstel als hulpstuk kent geen ogenblik rust. Mijn hoofd gaat gloeien, ik denk nu aan niets meer en niets denkt aan mij, ik ben één
en al vaardigheid, functie en nut. Wat een kans van bestaan, zo bruikbaar en proper; ik lijk wel electrisch, onslijtbaar, perfect. Tiktiktik, zes bleekwitte kommen op een rij naast elkaar, klap dicht gaat een lade, klak open een doos met zilverbestek. Zo, nu nog de badkamer, ik draaf langs de stofzuiger want hier is de dweil maar waar is die emmer o natuurlijk, of hoe – en daar lig ik, languit in een donkere plas die steeds groter wordt, breder wordt, verder kruipt, hier.
Het verband om mijn voet is nu nat als de dweil, nat als de vloerbedekking, grauw als het water. Ik kom overeind met bevende knieën, ga naar de slaapkamer en val op het bed, uitgeschakeld.
Maar tegen het eind van de middag verandert het licht, en de schemerige kamer laat de vlek op het kleed stilzwijgend passeren. Achter het raam staan de bomen roerloos, elke dag zie je hun takken scherper want dit is de tijd dat hun bladeren vallen in de rivier die ze meevoert. En de rivier stroomt naar het westen waar de zee op en neer gaat, niet uit zichzelf maar door wetten van elders die ook voor de wind zorgen, en voor het licht, en de warmte.
Zou ik dat weten als ik het niet geleerd had – zou ik het me zelfs maar hebben afgevraagd als het me niet was bijgebracht? Sommige dingen zijn zo groot dat je hoofd veel te klein is, andere dingen zijn zo klein, zo subtiel in hun redenen dat elke vraag die je stelt zichzelf overstemt.
Ik ruim de emmer op, de dweil, en krijg opnieuw natte voeten maar als de lamp aan gaat is de kap mooi helder, net als het vensterglas waarin hij zich spiegelt. En juist wat ik dacht: naast het theelicht bevindt zich de knop van de theepot, een verstandige plaats. Wat blijkt hij precies op het deksel te passen, alsof er nooit iets gebeurd is; zelfs de donkere rand van de scherf langszij is, wie weet, met wat moeite wel weg te krijgen.

Ik sta op, vul een soepkom of rijstkom met water en zit weer aan tafel om de bruine aanslag van het porselein te boenen – maar dan opeens, in het licht van de lamp, schiet langs een houtnaad een zilveren straal: daar is hij, de naald, de laatste die weg was. Even laat ik hem daar, want wat koos hij een betoverend, ragfijn schouwspel om zich kenbaar te maken; niet kwijt of lastig wilde hij zijn, alleen maar de mooiste van alle naalden. Ik knik met mijn hoofd om hem te begroeten en in wisselende vonken groet hij terug, zichtbaar/onzichtbaar in het licht van de lamp. Wacht, wat zou hij er van vinden als ik hem op mijn beurt nu eens liet zien… even denken, hoe ging het ook weer? Ik loop naar het aanrecht om mijn handen te wassen, zo moet je beginnen. Dan naar de grammofoon om de muziek op te zetten die jij bijna gehoord had; en terwijl ik rechtop sta en luister naar vroeger probeer ik me de schoolproef te herinneren die we een paar jaar geleden nog samen herhaalden. Zou de naald wel willen meedoen, zich niet opnieuw voor mijn plannen verstoppen? Maar daar is hij al, hij glinstert uitnodigend om zijn schuilplaats prijs te geven.
Ik zit weer aan tafel, haal het rooster van het theelicht en strijk met de naald langs het waxinekaarsje. Kaarsvet of braadvet dat doet er niet toe, je kunt beide gebruiken om iets niet nat te laten worden. Want nu volgt het moeilijkste, alleen hier kan het mis gaan. Op school ging het fout, met jou ging het goed, wat zijn nu de kansen in deze omgeving?
De witte kom water staat voor me op tafel, mijn hand zweeft er boven, duim en wijsvinger gestrekt; dan, snel, voorzichtig, uiterst snel en voorzichtig raakt de naald het oppervlak – en het lukt me, het is gelukt: ja kijk, hij blijft drijven. Traag draait de naald om zijn as, en zijn schaduw langs de bodem van de kom draait schuin met hem mee. Een grote schaduw, want hij ligt ingebed in het water volgens een wet die bekend is, en de geul die hem draagt maakt zich breed door het lamplicht. Ook de lamp zelf zie je aan het oppervlak weerspiegeld, bleek als de maan in een ronding langszij. Terwijl de naald verder draait, rustig op zoek naar een richting die vaststaat, laat de grammofoon op de achtergrond zijn eerste tikken horen, licht, regelmatig, ze storen ons niet. Dan houdt de schaduw stil, draait nog even terug, houdt stil en beweegt weer, houdt stil nu, voorgoed. Het punt dat hij zocht zonder het te weten, of het punt dat hem zocht zonder het te willen, ligt in het Noorden, oneindig ver weg. De naald, ragfijn, wijst er naar toe door het wit van de kom heen, door de wand van mijn kamer, de muur van dit huis; hij kruist de rivier en hij schiet langs de bomen, de daken, de wolken en dan door naar de sterren waarvan er maar één is die zijn bestemming gedenkt, zomer en winter. Ik draai de kom in mijn handen maar de naald blijft standvastig; ik steek een pink in het water om zijn richting te wijzigen maar hij keert weer terug, exact op dezelfde lijn als voorheen. Dan sta ik op, loop met de kom door de kamer, en draaiend om onze as naar oost, zuid of west tonen we elk voorwerp de kant die het opkijkt: de stoel, het schilderij, de kast en de theepot, alles neemt deel aan een rondgang en richting die pas van ophouden weet wanneer de muziek, die de maat tikt, haar eindpunt bereikt – de grammofoonplaat is afgelopen.
Nu trekt heel de kamer zijn cadans terug, de lamp schijnt helder en alles hoort samen, niets hoeft hier ooit nog van zijn plaats te gaan. Roerloos sta ik, gelijk aan de dingen. De tafel, de leunstoel, de maan aan het venster: ook mijn eerste bewegingen verstoren hen niet, stil als een schaduw. De kom in mijn handen leidt me naar het raam en ik zet hem op de vensterbank naast de stopfles met stuiters, het verst in de richting die de naald heeft gekozen.
Daar mag hij blijven, net zo lang als hij wil. Of zo lang als het kan – totdat andere wetten hem de roest leren kennen die, buiten elke wil om, zijn oppervlak aantast en zijn ranke gewicht in water laat zinken.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, en in totaal schreef ze tien bijdragen voor ons. Dit jaar publiceren we nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘Karakter’, uit het vijfde nummer van 1987.

*

Het aantal vragen waar je een antwoord op weet verschilt van dag tot dag: wat gisteren nog voor de hand lag – vraag en antwoord heffen elkaar op en laten je alle tijd voor belangrijker dingen zoals boeken, meningen, het laatste nieuws – kan vandaag, of morgen, de aandacht volledig komen opeisen.
Misschien ben je te frivool geweest, te luchthartig want dat komt wel voor, soms zelfs dagen achtereen. Lachen, grapjes maken, opinies ten beste geven – op het werk lijkt alles routine, je past in je functie als vingers in een handschoen: beweeglijk, paraat. Wat kan er nog mis gaan? En dan, na kantoortijd, met je fiets door de stad want natuurlijk zijn alle winkels nog open, melk, krakelingen en zelfs brood ruimschoots voorhanden. Ook de bloemenmarkt is op zijn mooist in de namiddagzon, je koopt er niet alleen het lichtste boeket maar ook een hele reeks kunstige prentkaarten en bovendien, wat een vondst, twee Japanse waaiers. Kleurige cadeautjes om ‘s avonds te versturen naar je beste vrienden, een gezellig plan. Je hebt immers alle tijd van de wereld en de slager, die Veenstra heet, haalt zorgzaam het vel van een plakje rookworst. ‘Voor onze trouwe klanten’. In de spiegel achter zijn rug zie je hoe hij het plakje uitnodigend boven de toonbank houdt, je hand reikt ernaar – en sierlijk doe je een pas opzij, zodat zijn witte jas jouw zwarte overdekt terwijl je met smaak in de worst hapt.
Slager Veenstra, de bloemenmarkt, bakker Maas: hoe ver ze tegenwoordig ook uit de route liggen, op dagen als deze zijn ze moeiteloos te bereiken en in het mandje voorop mijn fiets liggen de zakjes met hun vertrouwde namen in blauw en roze, beschut door een bos bloemen in geel, wit en groen.

Een vaas voor de bloemen, een trommel voor de krakelingen, een plastic doos voor het vlees – het spijt me haast de verpakkingen te moeten weggooien waarin bloemen, brood en koekjes zo vanzelfsprekend thuishoren; zo veel beter misschien dan hier. Alleen het slagerszakje mag een uitzondering maken, vriendelijk schemert het door het plastie heen.
Maar wat wilde ik eigenlijk met al die koekjes, zijn het er niet veel te veel? Ik zet de trommel op tafel en haal de ansichtkaarten uit hun enveloppe, spreid ze breed voor me uit. Mooie, kleurige prenten om graag naar te kijken, daar zijn ze voor. Ik leg ze op een rij, in een vierkant, een rechthoek en eet van de krakelingen, de een na de ander. Vind ik ze lekker?
Daarnet, op de bloemenmarkt, wist ik nog zo precies wie er met welke kaart bedacht zou worden, en waar de Japanse waaiers heen gingen – die moeten trouwens om te beginnen breder verpakt worden, anders is er geen plaats voor het adres en de postzegels. Maar hoe doe je zo iets: een waaier breed verpakken?
Ik haal het papier er af, vouw ze open en dicht, de ene is lichtgroen met zilver, de andere blauw met een berglandschap. Ik kijk er lang naar, vouw ze dicht en weer open, welke is de mooiste. En als er één de mooiste is (de groene) kan ik de andere dan nog wel versturen, op gelijke voet – wie krijgt de minder mooie waaier? Voorlopig kunnen ze misschien beter in de cadeaulade terecht; kijk, wat nemen ze weinig plaats in beslag.
Ik veeg de kaarten bij elkaar, klop ze rechtstandig in het gelid en leg ze weer uit. Mooie kaarten ja, een hele serie gelijksoortige, simpele afbeeldingen. Gelukkig is hier geen afweging nodig, elke prent is me even veel waard. De vraag is alleen hoe ze zich bij de verschillende vrienden moeten presenteren. Je kunt toch niet zo maar, zonder enige aanleiding, een plaatje opsturen en volstaan met een groet, plus de afzender?

Alleen bij jou ligt dat anders, want een grote tentoonstelling van dit werk hebben we indertijd samen bezocht – zoals we indertijd alles samen bezochten. Alleen aan jou zou ik zo’n kaart kunnen schrijven met enkel een groet, plus de afzender.

Ik ga met een hand vol koekjes bij het raam staan en bewonder het uitzicht. Mooi, ruim water waarlangs de bomen al donker worden in de schemering. Links is een brede stenen brug waarop juist de lantarens aangaan, twee bij twee.
Dat ik aan dit huis, deze buurt niet gewoon raak is dikwijls storend, maar dat het uitzicht niet went spreekt waarschijnlijk vanzelf: het is te mooi om te wennen. Het beweeglijke water, de zware vrachtschepen die op de brug moeten wachten; soms zijn het zo veel achter elkaar dat mijn hele raam er vol mee ligt, van rechts naar links. Nu passeert, in dezelfde richting, een rondvaartboot die in luide talen bespreekt wat ik zie. Van drie verdiepingen hoog vraag ik me af wat zij zien, hier: een menselijke gestalte, omlijst door een venter met blauwe gordijnen.
Of, bij de volgende rondvaart: een lamp die nu aangaat boven de tafel en met zijn huiselijk licht een bos bloemen beschijnt in wit, geel en groen.

De beste stemmingen zijn die waarin het antwoord de vraag niet alleen opheft, maar er zelfs aan vooraf gaat. Er is dan geen sprake meer van twijfel, overweging of keuze want er is maar één weg, en dat is de jouwe.
Op zulke dagen denk je, dat je karakter hebt. Nee je denkt het niet eens, het is er, alsof de omgeving er een dimensie bij krijgt: bevattelijk, transparant. Ook op het werk maakt de hang naar routine moeiteloos plaats voor zo veel aanspraak, zo veel hartelijke nuancering dat zelfs de meest zakelijke brieven een persoonlijke klank krijgen, de meest dorre vergaderingen een verrassende weerschijn.
‘Initiatief’ – dat is het woord waar het meestal om draait wanneer het antwoord er is zonder dat enige vraag zich heeft aangediend. Maar om het initiatief gaat het me niet; het gaat me alleen om de vrijheid, de rijkdom aan mogelijkheden. Waarom zou ik een keuze maken, een doel nastreven? Hoe kortstondiger het karakter, hoe geringer de neiging de omgeving er bij aan te passen.
Eerder geldt het omgekeerde: er heerst nu zo veel overeenstemming dat zelfs het kleinste voorval de allure krijgt van een persoonlijk antwoord. Het ene antwoord na het andere – je ontvangt het, je geeft het, je merkt niet eens of er verschil is tussen beide bewegingen. Nog vóór je je afvraagt wat er vanavond gegeten moet worden doet zich al de behoefte voor aan een stoofschotel uit de diepvries en je knikt goedkeurend: lekker makkelijk. Soepel klikt je ballpoint in en uit tijdens een voorname bespreking en telkens wanneer je iets op moet schrijven is de stand precies de juiste. De zon schijnt. Je ideeën zijn verfrissend, krijg je te horen. Wat wil je nog meer?
Je belt iemand op om een afspraak te maken en verheugt je omdat je het nummer niet hoeft op te zoeken; vaardig danst één vinger over de toetsen van de telefoon en in de hoorn beluister je het welluidende deuntje van zes tonen, iedere vriendschap een andere melodie. Soms ken ik ze allemaal uit mijn hoofd, een prachtig vermogen waarmee, de hoorn aan het oor, rhapsodieën van vriendschap zijn te componeren. – Soms ook zou ik zulke stemmingen niet willen kennen, om ze niet evenzeer te hoeven missen. Om niet evenzeer weet te hoeven hebben van het verschil – tussen de ene dag en de andere, tussen aard en karakter, tussen vraag en antwoord.

Op de tafel onder het lamplicht glanst de rij ansichten, breed uitgelegd als een bont kaartspel. Ik neem ze in mijn hand, de rijkste waaier, en trek de prenten één voor één te voorschijn: mooi, mooi, mooi. Laat ik ze nu snel even schrijven; vulpen uit handtas, agenda er bij – waar is de agenda?
Kou kruipt langs mijn rug, waar is die agenda. In rood leer gebonden een foto van jou in het binnenvak, citaten, boodschappen, adressen; mijn eigen naam en telefoonnummer. Waar heb ik hem gelaten? Bloemenmarkt, slager Veenstra, bakker Maas… maar nee, natuurlijk, ik heb hem vast op mijn werk laten liggen, dat gebeurt immers wel vaker. Juist op moeiteloze dagen als deze overkomt me zulk onbezorgd gedrag, slordig, lichtzinnig en ik lach er dan om: wat geeft het, er is altijd wel weer een oplossing te bedenken. Of nee, ik hoef er niet eens een te bedenken want de oplossing dient zich vanzelf aan, nog voordat het vraagstuk proporties krijgt – ook nu weer, natuurlijk. Ik sta op, struikel over de prullenmand, zet hem vaardig overeind en neem plaats bij de telefoon, in een comfortabele leren fauteuil. Wat ik zal doen is mijn beste vriendin bellen; wij staan elkaar zo na dat ons adressenbestand vrijwel identiek is, en de paar mensen waarin we ons onderscheiden komen dan morgen wel. Ik zet het toestel op mijn knieën, pak de hoorn van de haak en draal met mijn wijsvinger boven het toetsenbord. Zeven; ja natuurlijk, zeven. Zeven – zes… zeven zes wat? Zeven zes twee? Of was het twee zes zeven? Zeven zes twee zes zeven, dat zal het zijn. Nee, dat kan niet, dan kom je één cijfer te kort.
Ontsteld kijk ik naar mijn wijsvinger, de nagelrand, het maantje, de geplooide huid bij de gewrichten. Wat kun je dat goed zien opeens. Wat zie je alles goed opeens: de nagel, de lamp boven de tafel, de prullenmand waar een prop naast ligt. Zo helder en scherp. Zo helder en scherp als de tonen die nu, misschien al een tijdje, uit de hoorn komen: nijdig in je oor, tuut tuut tuut.
Het geeft niet, straks komt het wel weer terug, de vertrouwde melodie van dit telefoonnummer, ooit komt het wel weer terug. Je kunt de adressen ook morgen schrijven, met je eigen agenda die immers gewoon op je bureau ligt te wachten. Zeker ligt hij daar, je zal zien. Morgen.

Die bloemen staan daar mooi, in hun vaas, maar er is iets aan de schikking dat niet helemaal klopt. Wat klopt niet? Alsof ze met te veel zijn, te dicht bij elkaar. Alsof er een kartelrand langs loopt, vlak onder die lamp – veel te schel lijkt het wel, veel te wit, als ijzer.
Met stevige passen loop ik er op af, en ritselend schiet de papierprop voor mijn voet weg – wat een schrik. Ik leg één arm om het boeket heen en probeer het met de andere hand wat op te schudden, losser te maken. Maar dan houd ik het opeens hoog tegen me aan, het is uit de vaas geglipt en de druipende, verstrengelde stelen maken mijn trui nat. Een lila trui van zacht mohair, met schulpranden langs hals en polsen; nu ik, op weg naar de keuken, de ovalen gangspiegel passeer zie ik hoe de kleur van de trui bij de bloemen past. Een bruid in pastel: ze staat even stil om koket over haar schouder te kijken. Je ziet de witte gymschoenen niet, noch de druipende stelen die aanstonds, bij een ronde glazen vaas, korter kunnen worden afgesneden.
Terug in de kamer, onder het lamplicht, laat de heldere vaas de stelen goed zien: iets uitvergroot, alsof ze kunstig in het glas zijn vastgegoten.
Zo, lijkt dat niet veel beter? Ik pak de prop op, mik hem achteloos in de prullenmand en zit weer aan tafel om kaarten te schrijven aan mijn vrienden. Die adressen komen morgen wel, en de vriendin die ik wilde bellen krijgt nu het allereerste bericht. Een eenvoudige zaak, want vanzelfsprekend gaat het om de ansicht die bovenop ligt.

Hoe je je woorden kiest, elke vriendschap voorzichtig om en om draait tot er een facet opblinkt waaraan je een gedachte, een waarneming opdraagt: een klein, kleurig divertimento dat de saamhorigheid bevestigt. Het kunnen verschillende gebeurtenissen zijn, elke ansicht een ander voorval; maar het kan ook dezelfde gebeurtenis zijn, telkens iets anders gesteld, getoonzet. Als een muzikant passeer je hun huizen, je wacht in het portiek tot de deur open gaat en speelt dan het deuntje waar ze misschien, voor zo ver je ze kent, heel even om zullen glimlachen. ‘Een aardige geste’.
Bij de vierde kaart begin ik aan mijn mouw te plukken, een lila pluis die steeds groter wordt. Hoe ver kun je gaan in wat je hun voorhoudt? Zo ver als zij je kennen, en jij daar weet van hebt. Maar vanaf welk moment begint die connectie te haperen en zal men, aan de andere kant van de deur, zijn wenkbrauwen fronsen: ‘Wat bezielt haar?’
Het transparante en toch zo onbuigzame kader waarbinnen je je eigen aard hebt opgezet – sommige dingen zeg, schrijf, doe je niet. Jij niet. Meer dingen misschien dan je zelf weet. De hoge toon van ingezonden brieven, de uitgelatenheid van een strandfeest, een flinke fietstocht in Duitsland, de maskerade van het carnaval – als ik daarmee de achterkant van deze kaarten vulde dan zou de afzender voor hen een vreemde zijn, vermomd als een ander. Eens waren die keuzes nog vrij, althans zo leek het, je kon alle kanten op; maar gaandeweg sluit het zich toe, steeds meer mogelijkheden raken buiten begrip. En je wilt het zo, je wilt niets liever dan dat: een omschreven, herkenbaar karakter.
Zodat een vriendin, aan de telefoon, haar geestdrift kan delen: ‘Ik dacht meteen, dat is nèt iets voor jou. Je moet maar gauw gaan kijken, jouw maat is er vast nog wel bij.’ – Het ging over de trui die ik aan heb en ze had gelijk, ik draag hem nu geregeld. Maar wat bracht haar op het idee, hoe wist ze dat, nog eerder dan ik zelf?
Die dag immers was ik gekleed in een mouwloos grijs vest met een riempje op de rug: een herenvest, dat van de blouse daar onder een overhemd maakte. – Kon die trui werkelijk iets voor mij zijn, zou ik hem nemen? Zo’n smaakvolle winkel ook, een trui heette er jumper, een jurk chemisier… Om nog even over mijn keus te kunnen weifelen ging ik een koffiehuis binnen en schoof bij aan de leestafel. Tegenover me zat een man in een vest als het mijne maar dan waardig, correct: het bijpassende jasje hing over zijn stoelleuning en voor hem, op tafel, lag een breed opengeslagen dossier waarin hij met een viltstift gele banen trok. Werkzaam, accuraat – af en toe, als ik opkeek van mijn geïllustreerde tijdschrift, zag ik hem fronsen, de tekst in zijn map beviel hem blijkbaar matig. Aantekeningen met een dun potlood, een blocnote waar in één ruk een vel werd afgescheurd… een markant karakter, besloot ik, daar stond hij voor.
Toen schoot opeens een prop over het tijdschrift, stuiterde tegen mijn vest en kwam tot stilstand naast een glanzende modefoto. Verbaasd keek ik op maar mijn overbuurman excuseerde zich heftig: dit was absoluut niet zijn bedoeling geweest, de prop was bestemd voor de asbak, tussen ons in – waarna hij twee extra koppen koffie liet halen en me later, toen ik opstond om de trui te gaan kopen, hoffelijk in mijn jas hielp.
Ladylike – dat was het gevoel dat hij me toen gaf en nog steeds geeft, want soms zien we elkaar weer: ladylike. Zal ik hem een ansicht schrijven over de prullenmand die omviel? Nee, liever niet. Hem zal ik een kaart schrijven over de kaart zelf; over de drukletters die in de afbeelding verwerkt zijn. Dat past goed bij zijn bezigheden, voor zo ver ik die ken.

Wat we elkaar toeschrijven, over en weer, hoe we elkaar met eigenschappen bekleden – maar misschien is dat ook wat je doet met je eigen bestaan, als een oester zijn schelp. Elke vraag krijgt het parelmoer van een antwoord, wordt overgeschilderd met antwoorden: de keuzes die je maakt of nalaat te maken, de gewoontes die je aanneemt, de toon die je voorstaat. Waar anders komen ze uit voort dan uit de wens het aantal vragen in bedwang te houden, het aantal mogelijkheden overzichtelijk? Een betrouwbare omgeving, daar gaat het om.
Jouw pasfoto in mijn agenda, de agenda op mijn bureau, het bureau op mijn werk. Geen kwestie van dat zo’n agenda kwijt zou zijn. Dingen raken niet kwijt, dat heb jij me vaak genoeg verzekerd; ze bevinden zich altijd wel ergens. Alleen niet altijd meer bij mij.

Ik houd de lila pluis op mijn hand en blaas hem zachtjes weg. Zachtjes, zachtjes dwaalt hij boven de tafel, boven de bloemen en daalt daarop neer, vederlicht.
Ik sta op, er moet eten gemaakt worden. Met een zucht sluit het deksel over de koektrommel, luchtdicht.
illustratie Hedda Martens, Karakter, in De Revisor

Een betrouwbare omgeving: op den duur raak je aan alles gewend. Ik loop naar de hoge ijskast die ik samen met deze kamers gehuurd heb, evenals het fornuis, de gangspiegel, de kapstok, het bed. Het zakje van slager Veenstra, roze geblokt, knistert vriendschappelijk wanneer ik het open maak. Er zit een karbonade in, ik bekijk het stuk vlees aandachtig. Een veeg blauw van het keurstempel langs de brede vetrand, een dieprode plek bij het bot; flink bot zit eraan, dat voel ik wanneer mijn wijsvinger er langs drukt. Misschien beter om deze maaltijd nog wat uit te stellen; tot morgen misschien. Waarschijnlijk heb ik te veel krakelingen gegeten om zo’n stevige karbonade voldoende te kunnen waarderen – het vlees gaat weer in het zakje, het zakje in de doos, de doos in de ijskast. De deur dicht, zwaar als een brandkast.
De radio staat aan maar een vast pianoprogramma laat nog even op zich wachten, en terwijl ik voor de gangspiegel mijn haren borstel klinken uit de kamer de zware slotaccoorden van een opera. Applaus nu, een overweldigend applaus; mensen die Bravo roepen, begeesterd door een beroemde sopraan. Ze moet keer op keer terugkomen en het publiek roffelt, fluit, is verrukt van haar optreden.
Ook dat zal ik nooit uitdragen: de extase van een operaliefhebber. Met de borstel boven mijn hoofd, onbeweeglijk, luister ik naar de kreten, het stampvoeten, de milde stem van een omroeper die spreekt van een onvergetelijke uitvoering.
Je luistert er naar, je verneemt het, maar het zal nooit dichter bij je horen, je hebt er geen deel aan. Zoals de exotische talen die mensen soms spreken in de stad, een café, in een film: je had er veel meer van kunnen weten, een hele gemeenschap vol stijl, gratie en levenslust had je omgeving nu misschien dagelijks opgevrolijkt als je je er tijdig op had toegelegd; en wie weet kan dat nog steeds. Maar je doet het niet. Je doet het niet omdat je hecht aan de antwoorden die je kent – je hebt er lang genoeg over gedaan om ze uit te zoeken, bij te houden, betrouwbaar te maken. Net zo lang tot je er van op aan kunt.
Toch vraag ik me af wat ik nu, over de tafel gebogen, aan de ansichtkaarten zie: de kleuren lijken niet helemaal meer te kloppen. De kleuren niet of de vormen niet? Er is iets wonderlijks mee, alsof ze afstand willen nemen, elkaar niet meer willen aanraken. Die kleuren zijn te sterk, ik zie het – te vlak eigenlijk, de reproducties zijn minder goed dan ik dacht. Natuurlijk, daar komt het door, gek dat me dat niet eerder is opgevallen. Als bewijs zal ik er de catalogus bij leggen, van die tentoonstelling indertijd; daar is stellig wel een aantal van deze prenten in afgedrukt. Ik loop naar het eind van de boekenkast, bij het raam, buk me, en vind geen catalogus.
Ach wat onnozel om dat te vergeten, vanzelfsprekend vind ik hem niet, tijdens de verhuizing hebben jij en ik immers besloten om die catalogus bij jou te laten. Misschien heb ik ook te veel naar de kaarten gekeken en moet ik ze nu wat rust gunnen. Het kan heel goed zijn dat de kleuren morgen, bij daglicht, hun schrilheid verzachten en me weer even passend, even betrouwbaar voorkomen als vanmiddag nog, bij de bloemenmarkt.
Kijk hoe buiten, op het water, een rondvaartboot als een lampion door het donker glijdt. Zo donker al, zo laat al. Zou ik kans zien om nu naar beneden te gaan, rustig alle trappen af om bij de voordeur de krant uit de brievenbus te halen? Het avondblad, een glas wijn en mijn favoriete programma vol lichte, vriendelijke melodieën op de radio: dat moet toch een aantrekkelijk vooruitzicht zijn.
Ik tik de lila pluis van het boeket en hij valt niet, hij zweeft. Zwevend belandt hij op de verwarming, danst weer omhoog, daalt neer… ik verman me, stap op de deur af die leidt naar het gemeenschappelijke trapportaal en knip het licht aan. Spierwit licht waarvoor je terugdeinst. Dat kan ook niet anders, zo wit. Ik waad er door heen, op mijn gymschoenen, met wijde armen; de marmeren gang, het marmeren trappenhuis, opnieuw zo’n gang, de ren naar de buitendeur, krant van de mat en dan snel weer omhoog, de leuning haakt aan mijn mouw, ademloos: daar zijn we weer, op het nippertje. Deur dicht, sloten erop, klik klik en klak. Uitblazen in de hal met de kapstok. Ik kijk opzij, naar de ovalen spiegel, dan recht voor me uit, de kamer in. Ik loop, heel voorzichtig. Heel voorzichtig nu.
Wat is hier aan de hand? Ik sta stil in het centrum, de krant iets geheven, wat is hier aan de hand. Het licht van de lamp op het brede boeket, het donkere raam dat blinkt, nee spiegelt. De heldere muziek. De kaarten op tafel, gekleurd in een rij… de glazen vaas links. Wat is hier aan de hand? – De dunne muziek. De kaarten op tafel. Het licht, zo licht nu – wie is er om dit nog te zien.
Het is hier, voor altijd, in glas gegoten. De stelen in water, zo scherp en helder. In glas gegoten.
Ik sta heel stil, de krant iets geheven. Nog nooit heb ik zo stil gestaan.

Wanneer smelt het los, wanneer zet je je eerste passen: de ene voet, de andere. Witte schoenen met veters, de veters in lussen. De mouw van een lila trui, geschulpt bij de hand die de krant nu op tafel legt. De muziek verspreidt zich, ijl en berustend.
Je schuift de kaarten opzij, vouwt de krant uit en kijkt lang naar de voorpagina, het laatste nieuws.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, en in totaal schreef ze tien bijdragen voor ons. Dit jaar publiceren we nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘De zaalwacht’, uit het vijfde nummer van 1985.

*

Bedachtzaam heeft de bibliothecaris zijn overjas tot de hals toe dichtgeknoopt. Met opgeheven kin duwt hij twee vingers tussen kraag en adamsappel en blijft een paar tellen zo staan, alsof hem plotseling iets te binnen schiet; dan draait hij zich aarzelend om en begint aan zijn avondronde. Af en toe trekt hij een doekje uit zijn jaszak en wrijft ermee over een tafelrand, het etiket van een archieflade, de houten ribben van een vitrine. Hij tast langs de smeedijzeren grendels van de bibliotheekramen: het achterste is vanmiddag een uurtje open geweest. Geruisloos wordt een stapel boeken van de tweede vensterbank overgebracht naar de derde en een grote enveloppe verhuist van de derde vensterbank naar zijn kantoortje – een lange wandeling over de hele lengte van de bibliotheekzaal. Ten slotte beweegt hij zich in de richting van mijn zitplaats en fluistert of hij een moment mag storen: wat volgt is het rituele, maar dringende verzoek om bij het weggaan alle lichten te doven en de benedendeur goed dicht te trekken. Terwijl hij zich omdraait steunt zijn hand even op het tafelblad; een dubbele trouwring glanst in het schijnsel van de lage lamp die hij een kwartier geleden behulpzaam heeft aangeknipt. Elke tafel telt drie van zulke lampen, hun gedraaid houten voetstuk onzichtbaar verankerd.
Gedachtenloos volg ik zijn stille gang door de schemerige zaal. Onder de grootste vitrine, die van de paradijsvogel, staat zijn geruite boodschappentas. Hij bukt zich, neemt de hengsels bij elkaar en trekt terwijl hij zich opricht nog eenmaal het doekje uit zijn jaszak. Hij ademt op het vitrineglas en poetst; even siddert de exotische vogel tot in zijn lange staartveren. De bibliothecaris wijdt een laatste, zoekende blik aan het plafond, waar een grillige vochtplek al wekenlang zijn dadenloze zorg wekt. Dan verdwijnt hij in het portaal – het grauwe doekje is op de vitrine blijven liggen. Traptreden kraken, het ganglicht klikt aan en uit, en met een slag valt de buitendeur in het slot. Ik weersta de aandrang om op te staan, naar het raam te lopen en hem zo lang mogelijk na te zien.

Zodra meneer Hohlenfeld dit negentiende-eeuwse gebouw, eens eigendom van een voornaam Zoölogisch Genootschap, verlaten heeft krijgt de stilte die in de bibliotheekzaal heerst een ander karakter: nadrukkelijk, ongevraagd. Soms komt het me bijna impertinent voor, dit roerloos, geluidloos vertoon waarmee de strenge voorschriften van de bibliothecaris juist tijdens zijn afwezigheid in acht worden genomen; zijn gefluisterde verzoeken, geruisloze tred en bezwerende inspanningen hebben een dergelijk optimaal effect nooit teweeg kunnen brengen. Misschien dat hij daar ook zelf een vermoeden van heeft en zich daarom zo dikwijls in zijn kantoortje terugtrekt, de deur omzichtig gesloten.
Hij is hier bibliothecaris, conservator en zaalwacht; drie onderscheiden functies waarvan hij de laatste evengoed, of mogelijk zelfs beter, kan overlaten aan bijvoorbeeld het grijsstenen borstbeeld van Linnaeus, nu een imposant silhouet tegen het nog halfverlichte middenraam. Diens koele, laatdunkende contrôle werkt dwingender op het plichtsgevoel dan de verstolen inspectietochten waaraan meneer Hohlenfeld zich op gezette tijden te buiten gaat: elke blik die maar even afdwaalt naar het middenraam wordt door Linnaeus’ strenge voorkomen onmiddellijk op de boeken teruggedrongen, terwijl de onnavolgbare rituelen van de bibliothecaris juist door hun aanspraak op onopvallendheid alle belangstelling naar zich toezuigen. Als ordebewaker wint het stenen borstbeeld dus op punten; daarbij is het altijd aanwezig, dag en nacht, en het bekleedt die positie al gedurende 147 jaar, pal en onwrikbaar in zijn historische superioriteit. – Mogelijk is deze kille concurrentie zelfs rechtstreeks verantwoordelijk voor de enige nalatigheid die meneer Hohlenfeld zich in zijn functie van zaalwacht en conservator veroorlooft: al zijn inspectietochten beginnen en eindigen bij het middenraam, maar nog nooit heeft hij juist daar zijn doekje te voorschijn getrokken om er Linnaeus’ torso mee af te stoffen – met als gevolg dat de grote geleerde, wanneer de zon door het venster valt, een wat pluizig en zelfs bijna sjofel voorkomen krijgt.
Natuurlijk zou de bibliothecaris zijn mededinger gemakkelijk kunnen overtroeven wanneer een redelijk aantal bezoekers gebruik kwam maken van de faciliteiten die deze zaal te bieden heeft: de aangename stoelen bijvoorbeeld, twintig in totaal, zitting en rugleuning met leer overtrokken; de gepolitoerde tafels, hoog en solide op hun massieve bolpoten; het zachte lamplicht in de schemering – en de rust uiteraard: de gedempte stilte die alleen af en toe verstoord wordt door het rinkelen van een tram buiten of het toeteren van een vrachtboot verderop, bij de brede betonnen opklapbrug.
Maar bezoekers zijn hier zeldzaam, zeldzamer haast dan de folianten en plaatwerken in de hoge kasten, of de paradijsvogel in zijn vitrine, of het enkele poststuk dat bij aankomst eerbiedig in ontvangst wordt genomen om dan, schijnbaar voorgoed, naar meneer Hohlenfelds kantoortje te verdwijnen. – En wie al het voornemen had deze bibliotheek aan te doen zal daar door verschillende oorzaken moeilijk in slagen; niet alleen wordt de voordeur veiligheidshalve altijd op slot gehouden en vereist het een zekere doortastendheid om ongevraagd de bel te gebruiken, maar vervolgens is het klingelen van de koperen schel hierboven ternauwernood hoorbaar. En ten slotte bleek het negentiende-eeuwse bord met de naam van het Zoölogisch Genootschap, waaruit men het bestaan van de boekerij op eigen gelegenheid dient af te leiden, onlangs spoorloos te zijn verdwenen – zorgvuldig verwijderd, met schroeven en al. Meneer Hohlenfeld laat het maar zo: ‘Wie ons niet vinden kan heeft ons te weinig gezocht,’ schijnt zijn enige commentaar te zijn geweest toen hij van het vergrijp op de hoogte werd gesteld. Hemzelf was de verdwijning hoegenaamd niet opgevallen.
Mocht een enkeling echter toch nog door weten te dringen tot deze naar boenwas en naftaline geurende bovenzaal dan blijkt er niet zelden een vergissing in het spel te zijn: ‘We dachten dat hier zoveel natuurboeken waren.’ Dat dacht meneer Hohlenfeld ook; maar vragen over zeehondjes, LeRoytuinen en safariparken brengen hem in grote verlegenheid. Een verlegenheid die wederzijds wordt wanneer hij, ‘met dank voor Uw welwillende belangstelling’, de misleide bezoeker met zachte drang op het gastenboek wijst: bedremmelde handtekeningen op grote vergeelde bladzijden die met inktpotlood in kolommen verdeeld zijn. Beroep, Woonplaats, Doel van Uw komst, Opmerkingen.
Breed opengeslagen op een speciale lessenaar bij de deur biedt het gastenboek in één oogopslag het overzicht van drie jaren al dan niet welwillende belangstelling, en wie terugbladert naar de eerste pagina’s komt uitsluitend nog sierlijk schuinschrift tegen, de inkt lichtbruin verschoten en het ‘Doel van Uw komst’ met uiterste precisie omschreven. ‘Inzage van Gesner 1551, Historia Animalium, betreffende de Olifant.’ ‘Aldrovandi, enkele van de magnifique houtsneden bij de uitgave 1637, Bononiae.’ ‘Dodoens en Fuchs over den Smeerwortel.’ – In die tijd, vlak na de oorlog, zijn bezoekers eveneens schaars, maar aanzienlijk doelgerichter; men komt dan nog uit alle delen van het land en de faam van de bibliotheek blijkt zelfs internationaal te zijn. Misschien was dat mede te danken aan de toen nog in de benedenzaal ondergebrachte collectie geprepareerde dieren en planten die evenals een keur van ethnografica, curiosa, mineralen, schelpen en fossielen, sinds lang uit het gebouw is verdwenen: het Zoölogisch Genootschap telt al sedert 1937 geen leden meer en bestaat alleen nog voort in de naam en de geschiedenis van haar boekerij. Ook de vermelde exemplaren van Gesner en Aldrovandi heb ik hier vergeefs gezocht, maar volgens meneer Hohlenfeld is die leemte slechts tijdelijk. Een twintigtal al te kostbare werken is ooit door de gemeenteuniversiteit onder speciale beveiliging gesteld, en pas wanneer de bibliothecaris een ‘plan voor adequate maatregelen’ heeft goedgekeurd zullen de kostbare folianten naar hun oorspronkelijke adres terugkeren. – Waar dat plan ook uit moge bestaan, kennelijk kan het meneer Hohlenfelds instemming nog altijd niet wegdragen, terwijl uit het gastenboek valt op te maken dat sedert mijn eerste aanvraag al negen jaar – twee bladzijden terugslaan – verstreken zijn.
Een plan voor adequate maatregelen – erg vertrouwenwekkend klinkt zo’n formulering dan ook niet, zeker niet in de oren van de bezorgde bibliothecaris. Elke maatregel zal immers onherroepelijk gepaard gaan met wijzigingen in de bestaande toestand en het lijkt vanzelfsprekend genoeg dat hij, als conservator, daar moeilijk zijn goedkeuring aan kan hechten. Veranderingen die zich zijns ondanks voltrekken – de vochtplek tegen het plafond, het weghalen van Aldrovandi en Gesner, de verdwijning van het naambord bij de straatdeur – zijn van een andere orde en vervullen hem met een afwezige berusting, zoals hij ook nooit zal klagen over de kou in de winter, of over het stof dat elke dag opnieuw over de paradijsvogelvitrine neerdaalt. Maar de mogelijkheid dat hij persoonlijk zou bijdragen aan welke ingreep dan ook is, zowel door zijn functie als door zijn karakter, per definitie uitgesloten. – Bovendien blijken latere edities van de in beslag genomen boeken soms nog wèl voorradig, en wie de plaat wil zien waarop rotganzen, in verschillende stadia, als amandelen aan de bomen groeien om ten slotte overrijp van de moedertak in het water te plonzen kan evengoed een wat fletser uitgevallen herdruk raadplegen. Ook de ontwikkeling van schubvis tot bisschop, van mossel tot eend en van meelbaal tot muizenfamilie bleef door die vroege decennia heen onaangetast; als bewijs daarvan wees meneer Hohlenfeld me op bepaalde eigenaardigheden in het zetsel, benadrukte ligaturen of juist ontkoppelingen die hem ook bij de zeldzamer druk waren opgevallen en beschaamde daarmee mijn onberedeneerbare verlangen naar een oertekst, waarin zulke verfijningen immers moeiteloos aan me voorbij zouden zijn gegaan. Met welk recht zou ik hem ooit mogen aanzetten een ‘plan voor adequate maatregelen’ goed te keuren terwijl hij zijn verloren bezit zo oneindig veel genuanceerder moest missen? Misschien was zijn afzijdigheid wel de enige mogelijke houding, zoals bij het Salomonsoordeel de werkelijke moeder haar kind liever afstond dan het onder de strijd te zien lijden.

Aldus leiden de wiegedrukken van het Zoölogisch Genootschap elders een beveiligd bestaan en zijn de schelpen, mineralen, curiosa en ethnografica, preparaten en opgezette dieren over het hele land verspreid geraakt; maar de bibliotheek is zichzelf volmaakt gelijk gebleven. Bijna anderhalve eeuw lang is geen stoel vervangen, geen tafel verschoven, geen kast, schilderij of vitrine van positie veranderd. Nooit heeft de stoffige Linnaeus een ander overzicht gehad dan hij nu heeft, en al kon meneer Hohlenfeld niet verhinderen dat de benedenzaal werd leeggehaald en vergrendeld of dat het incunabelenkabinet nu alleen nog maar een paar opgerolde gravures herbergt, toch is het aan het beleid van de conservator te danken dat het borstbeeld zich zelfgenoegzaam kan blijven koesteren in zijn versteende heerschappij.

Ik huiver, het wordt kouder hier; het is koud voor de tijd van het jaar. Maar als ik nu opsta om in het kantoortje van meneer Hohlenfeld de thermostaat bij te stellen – een vernieuwing die zich van gemeentewege heeft voltrokken terwijl hij, een maand lang, onopgehelderd verstek liet gaan – dan is de kans groot dat die op zichzelf zinvolle handeling wordt gevolgd door een reeks van steeds minder verantwoorde activiteiten, aflopend van koffiezetten, handen wassen en boterhammen uitpakken tot ongericht rondwandelen, boeken uit kasten halen en weer terugzetten, voor het raam staan staren of zelfs het doekje van meneer Hohlenfeld zoeken om er een paar versgevallen stofpluizen in op te vangen.
Niet dat een dergelijk gedrag per definitie onaanvaardbaar zou zijn, want onder bepaalde omstandigheden is er wel degelijk iets voor te zeggen; wie bij voorbeeld uren achtereen hard gewerkt heeft kan zich geen betere ontspanning wensen. Maar dezelfde handelingen die na gedane arbeid zo’n verdienstelijk effect hebben zijn voor iemand die nog niets heeft uitgevoerd betekenisloze afleidingsmanoeuvres: ongeoorloofd uitstel, vacuumgezogen tijd. Dus wrijf ik in mijn handen – een gebaar dat op werklust zou kunnen wijzen maar in dit geval bedoeld is om verkilde vingers wat soepeler te maken, wie weet zal dan ook mijn pen met wat meer gemak door de te redigeren tekst heen glijden – en buig me opnieuw over mijn werk: een stapel gortdroge, wijd uiteen getypte bladzijden, her en der geperforeerd door een al te daadkrachtig aangeslagen o.

‘Carolus Linnaeus en de Taxonomie.// Zoals in het voorafgaande werd uiteengezet73 ontleende L. zijn achternaam aan de lindeboom op het erf van zijn voorouders. Bovendien hebben twee uitheemse lindes hun naam aan hem te danken: de T. Europaea of Corinthische linde74 en de T. Americana. Hieraan kunnen wij illustreren dat, anders dan bij mensen, bij planten en dieren de verwantschapsnaam voorop staat, in dit geval T., voor Tilia. (Bladen scheef hartvormig, bloemen in bijschermen, de vrucht doorgaans een éénhokkig nootje.)// Van soort naar geslacht, van geslacht naar orde, van orde naar klasse: een zogenaamd viertrappig stelsel, dat wij in deze vorm aan Linnaeus te danken hebben, al treffen we het ook al bij Aristoteles aan (384-322 v.Chr.). Elke soort krijgt een technische beschrijving die uit twaalf woorden bestaat – polynomie geheten – en een naam die uit twee woorden bestaat, het tweede een specificatie van het eerste: dit noemen wij binaire nomenclatuur. Een en ander werd door Caesalpinus en Bauhin, Rivinus en Tournefort75 al eerder voorgesteld, maar juist Linnaeus wist er ten volle gebruik van te maken. De beroemde geleerde baseerde zijn botanische systeem op de sexualiteit van planten, zodat hier sprake is van een kunstmatig stelsel76. Ditzelfde indelingsprincipe was een kwart eeuw voordien al door de Tübinger arts Camerarius (1665-1721) beschreven, zoals blijkt uit diens brief “Over het Geslacht der Planten”77 waarin hij een uitvoerige uiteenzetting geeft over de eigenschappen der meeldraden.’

illustratie bij Hedda Martens, De zaalwacht, in De Revisor

(…) Acht pagina’s verder heeft deze betoogtrant me allengs van elke gedachte beroofd en komt mijn pen alleen nog in beweging om het kwistige spoor van noottekens, als kilometerpaaltjes langs de regels uitgezet, stelselmatig te schrappen. Nadenken is daar allerminst bij nodig want ik schrap in commissie: de uitgeverij die mij al jaren van soortgelijk thuiswerk voorziet verbiedt elke voetnoot, omdat een breder publiek erdoor zou worden afgeschrikt.

Maar bij doorlezing van het lijvige ‘Aanhangsel’ dat deze auteur desondanks, en ongenood, heeft samengesteld blijken de verhoudingen verwarrend genoeg precies andersom te liggen: zo dor en slaapverwekkend als zijn eigenlijke artikel is, zo levendig en kleurrijk zijn de toevoegingen die in het driemaal zo omvangrijke notenapparaat geopenbaard worden. Het is alsof elk van deze verguisde verwijzingen – de nummers (100) tot en met (109) met een ovalen gaatje in het midden – heimelijk een luikje opent waarachter telkens weer een ander tafereel voor het voetlicht treedt. Soms een tableau vivant van touwtrekkende achttiende-eeuwse geleerden, soms een stilleven van een vrucht of een bloem, Linnaea borealis, met de tederste precisie omschreven; soms ook een aanhef of zinswending uit de zorgzame correspondentie van een uithuizige botanicus, in een verre streek op zoek naar zeldzame gewassen. – Dit mag niet ongelezen blijven; het is meer dan de uitgever zich wensen kan. Maar hoe ik ook heen en weer blader van Aanhangsel naar artikel en van artikel naar Aanhangsel, nergens doet zich een mogelijkheid voor om het één probleemloos in het ander te laten overgaan – de voetnoten fungeren als grensgetallen tussen twee nauw verwante, maar onverenigbare werelden. Om vergelijkbare redenen laat een camera zich niet in een fotoalbum plakken of een stel breipennen zich niet in een wintertrui verwerken; al zijn ze nog zo op elkaar aangewezen, een stijlbreuk houdt ze onherroepelijk gescheiden.
Desondanks lees ik met bijna opgetogen aandacht verder. Leek het oorspronkelijke artikel me soms uren per hoofdbrekende pagina te kosten dan ben ik nu al ongemerkt op de helft gekomen van dit aanzienlijk omvangrijker Aanhangsel, waarin de gedrevenheid van de auteur toenemend tot uitdrukking komt doordat niet alleen de o, maar ook de d, de p en de b steeds vaker geperforeerd raken. In noot 77 wordt over Cameriarius, professor aan de universiteit van Tübingen, verteld dat hij zich

‘verdiepte in de eigenschappen der meeldraden, die men voordien beschouwde als uitscheidingsorganen waardoor “zaken die voor de plant verkeerd waren” werden afgevoerd. Bij nader toezien, aldus de hoogleraar, lijken zij echter veeleer “een soort vaten of kapsels (te) zijn, met stof gevuld… Dit stof is wat de neus geel kleurt als men rozen of lelies ruikt”.’

Ik lach zachtjes en kijk prompt waakzaam om me heen, maar de zaal rust roerloos in het lamplicht en Linnaeus blikt strak in de verte.

‘Camerarius besluit vervolgens de “stofvaten” weg te halen, onder andere bij de hop, het bingelkruid en de wonderboom, maar komt tot de ontdekking dat na die behandeling aan deze gewassen geen zaden ontstaan: “Een bewijs hoe nadelig dit wegnemen, dit verlies, voor de plant was”.’

Ik leun achterover, noot zevenenzeventig; ik hoef al niet eens meer in het artikel op zoek te gaan om te weten hoe streng ook deze toevoeging ter plaatse van de hand zal worden gewezen. – Wat is er met deze auteur? Wat beweegt hem om een ongewenst notenapparaat alles mee te geven wat zijn officiële bijdrage ontbeert?
Ook de andere medewerkers aan dit omvangrijke boek in wording – twee voor de zoogdieren, een voor de vogels en een voor de koudbloedigen – hebben bewerkelijke manuscripten ingeleverd die soms zelfs zozeer in gebreke blijven dat alleen hun verplichte anonimiteit misschien nog als een excuus kan gelden. Maar waar de vier anderen een voor de hand liggende gemakzucht vertonen, zich uitend in een slordige stijl, onvolledige informatie, een ordeloos betoog of zelfs rechtstreekse onjuistheden – voorzover ik daar zelf achter kon komen – ligt het probleem bij deze auteur (Geschiedenis der Biologie) juist andersom: zijn informatie is hypercorrect, zijn stijl overbezorgd en zijn ordening onbetwistbaar. Bovendien is hij de enige die al zijn werkstukken voortijdig heeft ingeleverd, de enige ook met bronvermeldingen, voetnoten, citaten; en de enige ten slotte, met wie ik me op geen enkele manier raad weet.
Ik zucht, maak een stapeltje van de tien plus dertig onverenigbare papieren en klop ze rechtstandig tegen het tafelblad – waarop een sneeuw van uitgeponste ovaaltjes de vrijheid kiest en geluidloos in een kring om mijn zitplaats neerdaalt. Ik zucht opnieuw en sta op. Nu zal ik dan toch het doekje van meneer Hohlenfeld moeten pakken om de witte confetti van de vloer, de stoelen, de tafel, de boeken te vegen. Het raam gaat moeilijk open, maar ten slotte waaieren de snippers breed uit over de donkere straat, als vuurvliegjes in het matte lantarenlicht. Ik sluit het venster en kijk een tijd lang moedeloos naar buiten; zelfs voor een gang langs de boekenkasten ontbreekt elke drijfveer en het beste kan ik maar wat koffie gaan maken, mijn handen wassen, een boterham eten. Ik passeer Linnaeus en blaas, steels maar krachtig, het stof van zijn stenen aangezicht.

Het raamloze kantoortje van meneer Hohlenfeld is overvloedig gemeubileerd maar biedt nauwelijks een bruikbare zitplaats, de eikenhouten bureaustoel van de bibliothecaris uitgezonderd. Een sleetse sofa, erfstuk van het Zoölogisch Genootschap, heeft al zoveel steun van de zijmuur nodig om zichzelf staande te houden dat het tactloos zou zijn hem op zijn oorspronkelijke functie aan te spreken, en het pluche tabouretje dat tussen een vitrine met zeldzame vlinders en een zware kast vol oude natuurkundige instrumenten staat komt al evenmin in aanmerking, omdat het meestal schuil gaat onder een wankele stapel boeken en papieren. Meneer Hohlenfeld vertoont dan ook niet de minste neiging om zijn kantoortje als ontvangstruimte te gebruiken: het is zijn eigen, vensterloze privéruimte waarvan de intimiteit nog wordt benadrukt door de verstolen aanwezigheid van een klein tafeltje, bedekt met een geblokte handdoek waarop koffie- en theegerei, een busje cacao en een rood koekblik staan uitgestald.
Toch heeft juist dat tafeltje me het privilege bezorgd hier ‘s avonds naar believen binnen te lopen, de lichten aan en uit te doen en zelfs openlijk op meneer Hohlenfelds bureaustoel plaats te nemen.
Toen ik indertijd alle moed bij elkaar raapte en op deze zijdeur klopte om de bibliothecaris in gedempte maar dringende bewoordingen uit te leggen dat het werk waar ik al een half jaar lang dagelijks mee op de leeszaal zat nooit tijdig af zou komen wanneer ik niet ook de avonden tussen zijn boeken door mocht brengen, was ik voorbereid op een omslachtige en vergeefse discussie. Vandaar dat zijn onverschrokken toestemming me aanvankelijk in grote verwarring bracht; zelfs van bedenktijd wilde meneer Hohlenfeld niet horen. Hij zag het, zo zei hij, als zijn plicht om ‘elke gewetensvolle arbeid waar de boekerij van het Genootschap toe bij kon dragen naar vermogn te bevorderen’ en meende aan mijn inzet en zorgvuldigheid niet te hoeven twijfelen ‘gezien wij U al bijna een decennium lang onder onze trouwste bezoekers mogen rekenen’. – Beschaamd liet ik zijn wellevende betuigingen langs me heen gaan: hij moest eens weten. Het niveau van de natuurboeken die ik hier in serie geredigeerd heb zou zijn goedkeuring immers ternauwernood kunnen wegdragen, terwijl ook mijn inzet en zorgvuldigheid de laatste tijd ernstig te wensen overlieten. De neiging was groot hem dit alles ademloos op te biechten, maar hij noch ik zou daar in het minst bij gebaat zijn en gelukkig kon ik me al wat minder bezwaard voelen toen de bibliothecaris bij nader overleg fijntjes onthulde dat hij, ter bevordering van zijn nachtrust, altijd een late wandeling maakte die hem vanzelfsprekend langs dit gebouw voerde zodat er ‘geen kwestie was van enige extra inspanning of verantwoordelijkheid.’ Bovendien had ik zijn sluitingsceremonieel intensief genoeg gadegeslagen om hem verbaasd te doen staan over zoveel kennis van zaken; werd zijn nachtelijke contrôlegang daar nog aan toegevoegd, dan leek er niets meer mis te kunnen gaan.

De eerste avond draalde hij echter uitzonderlijk lang bij het weggaan; hij vergrendelde de deur van zijn kantoortje met uiterste nauwkeurigheid en deelde me herhaaldelijk mee hoezeer hij vertrouwde op onze bijzondere overeenkomst. Maar toen hij om een uur of negen verontschuldigend langskwam (‘ik dacht, wellicht kan ik U alvast helpen met afsluiten’) schrok hij zichtbaar van mijn zilverkleurige thermoskan die, naast een boterhampakje, nieuw stond te glanzen op een stapel naslagwerken. – ‘Ach, als U eens van de schade wist, de schade die boeken kan worden aangedaan.’ Schuldbewust beloofde ik hem tot driemaal toe alle etenswaren voortaan buiten de bibliotheekzaal te gebruiken, maar waarschijnlijk was mijn taal te nadrukkelijk, of de thermoskan te opzichtig, om meneer Hohlenfelds onrust te bezweren. Er leek geen andere oplossing dan mijn tas maar meteen in te pakken, de naslagwerken terug te zetten en de bibliothecaris naar buiten te vergezellen om daar, onder zijn persoonlijk toezicht, de voordeur te vergrendelen. Toen de mij toegewezen sleutels, conform onze afspraak, rammelend in de brievenbus verdwenen waren vroeg ik beklemd of hij nu later op de avond nogmaals deze wandeling ging maken. ‘Jazeker,’ antwoordde hij met een lichte buiging, ‘ik heb U daarvan verteld. Het is een gewoonte – een laatste groet, zou men kunnen zeggen… Toe, maakt U zich vooral geen zorgen,’ voegde hij daar nog, onverwacht vriendelijk, aan toe.
Maar ik maakte me wel zorgen. Toen hij de tweede avond niet verscheen bracht ik mijn tijd voornamelijk door in werkeloze afwachting van zijn komst, vol zelfverwijt over de tweestrijd waaraan hij nu stellig ten prooi zou zijn; en ook de derde avond dreigde in vruchteloze twijfel te verlopen. Juist zat ik echter met brood en thermoskan op de bovenste traptrede en overwoog mismoedig dit hele experiment maar meteen op te geven om meneer Hohlenfeld van alle extra verantwoordelijkheid te bevrijden toen, bijna tot mijn opluchting, de buitendeur zachtjes van het slot werd gedraaid en zijn vertrouwde stappen naar boven kwamen. Hij hield een in krantepapier gewikkeld pakje onder zijn arm en klemde dat, omhoog kijkend, plotseling steviger vast. Daarop knikte hij beheerst, liet zijn blik met enige schroom langs de thermoskan, het broodpakje en mijn schoenen glijden en schoof zijdelings langs deze uitstalling heen: ‘Neenee, blijft U gerust zitten.’ – Maar enkele ogenblikken later hoorde ik een zwaar, rinkelend geluid waaruit viel op te maken dat zijn kantoorsleutel, die achter de paradijsvogelvitrine hing, hem uit handen geglipt was – en dit leek me het sein om te besluiten dat het zo niet langer door kon gaan.
Morgen, meteen morgen zou ik de uitgeverij om uitstel vragen; een voorstel dat weinig kans van slagen had – de verschijningsdatum van het boek was onverbiddelijk verbonden met de opening van een belangrijke tentoonstelling – maar dat toch, vanavond al, als argument zou dienen om meneer Hohlenfeld van zijn kwellende verplichtingen te ontslaan. Mij restte alleen nog een tweede bezoek aan het gewijde kantoortje – en de voorbereiding van een tweede betoog, waarin opluchting en dankbaarheid overtuigend de hoofdtoon moesten voeren.
Toen werd er voorzichtig op mijn schouder getikt; ik schoot overeind en keek betrapt achterom. De bibliothecaris was, geluidloos als altijd, naderbij gekomen en zond me een zeldzame glimlach toe: ‘Schrikt U toch niet! Ik wil U alleen maar vragen me even te volgen. Dit is immers geen doen, zo-’ met een bijna komisch gebaar vatte hij het picknick-tafereel op zijn bibliotheektrappen samen. Vervolgens, hoffelijker dan ooit, introduceerde hij me met onweerstaanbare precisie in de geheimenissen van zijn kantoorruimte. Hij wees op de lichtknopjes, verklaarde de werking van het waterkookapparaat, deed de bus met poederkoffie open en dicht; en ten slotte, uitnodigend op een grote doos suikerklontjes tikkend, droeg hij me op hem eerlijk te beloven hier in het vervolg mijn avondpauzes door te brengen: ‘Dat zal Uw werk stellig ten goede komen.’ – We spraken af dat de volgende ochtend, om elf uur precies, een praktijk-demonstratie zou plaatsvinden. Ik mocht daarbij vanuit zijn bureaustoel toekijken, en bij die gelegenheid gebruikten we voor het eerst in negen jaar gezamenlijk de koffie.
Sedertdien komt de bibliothecaris ‘s avonds nog geregeld langs. Maar ook dat blijkt een bestaande gewoonte te zijn, waarmee hij allerminst de bedoeling had me ‘in ongelegenheid te brengen’.

Niet, dat in het kantoortje van meneer Hohlenfeld géén boeken te vinden zouden zijn. Integendeel, ze staan in rijen, pakken en stapels, soms met touwen bijeengebonden en soms door briefjes of kranten in series gescheiden op elke denkbare plaats opgesteld: laag langs de lambrizeringen, hoog op de archiefkasten, blokvormig tussen de poten van de vlindervitrine, schuin tegen de sofa en zelfs half verborgen onder de overhangende handdoek van het theetafeltje. Maar ‘de schade, de schade die boeken kan worden aangedaan’ valt hier lang niet meer te vrezen: ze is al sinds jaar en dag een voldongen feit, en geen aantasting, kwetsuur of schending lijkt aan deze doorleefde verzameling te zijn voorbijgegaan. Respectabele folianten liggen scheef uit de band of worden als bundels oud papier door een elastiek bijeen gehouden, klassieke ruggen zijn gebarsten, opengeklapt of helemaal weggeraakt zodat de ribben als rupsen van touw beschamend bloot liggen; goudbedrukt leer is verdoft, gescheurd en verkleurd, eeuwenoud perkament is gevlekt en kromgetrokken; zeldzame gravures zijn losgeraakt, gekreukt of verdwenen. Hier valt al evenmin iets aan te verergeren als te verhelpen, en het raamloze kantoortje van de bibliothecaris fungeert hooguit nog als een laatste toevluchtsoord voor een massa ontluisterd drukwerk waarvan de gemiddelde leeftijd zo’n honderdvijftig jaar moet zijn. Een overvol lazaret, een knekelhuis misschien wel – maar meneer Hohlenfeld zal nooit in staat of bereid zijn dit laatste oordeel onder ogen te zien, laat staan de consequenties ervan ten uitvoer te brengen.

De tijd dat hij nog brieven deed uitgaan, smeekschriften op den duur, om restaurateurs, musea, binders, nutsbedrijven of fondsen voor zijn zorgenkinderen te interesseren is sinds lang voorbij. De Universiteit wilde nog wel een paar al te unieke patiënten onder haar hoede nemen maar die heeft hij dan ook niet weergezien, en wat overbleef is kansloos, omdat de kosten de baten nimmer meer zullen dekken. Dus verbergt hij de deerniswekkende slachtoffers van een tijd waarin de bibliotheek nog veelvuldig maar oncontrôleerbaar bezocht werd in zijn besloten kantoorruimte, en behoedt ze aldus voor de blikken van gezaghebbende curatoren die hun ‘plannen voor adequate maatregelen’ immers roekeloos met het begrip ‘saneringen’ in verband brachten. ‘En bij saneringen,’ verduidelijkte hij tijdens onze tweede koffiepauze, ‘worden tal van belangeloze voorwerpen aanstonds verwijderd; ze heten uitgediend en nemen dan, zegt men, enkel nog plaats in beslag… maar hier niet, begrijpt U?’ – Een hoekig armgebaar voltooide zijn bekommerde uiteenzetting. ‘Hier staan ze hoegenaamd niemand in de weg.’

illustratie bij Hedda Martens, De zaalwacht, in De Revisor

Dat laatste is niet onverdeeld waar; aanvankelijk kost het de nodige moeite om, zonder struikelend en stotend nog meer letsel aan de al zo beproefde boekenstapels aan te brengen, de zes en een halve meter af te leggen die, vanaf de deuropening, rechtsaf bij de vlindervitrine, tussen het fysisch kabinet, de archiefkasten en het brede bureau door naar de theetafel voeren. Zelfs meneer Hohlenfeld blijkt zijn routes niet altijd even feilloos te kiezen, temeer daar de strategie van zijn looppaadjes dikwijls ontregeld raakt door eigenhandig aangerichte verplaatsingen en verschuivingen waarvan hij, op zoek naar iets onverwacht belangwekkends, het blokkerende effect niet voorzien heeft. Maar ook dan, wanneer hij zijn enkels of schenen zichtbaar pijnlijk bezeerd heeft, gaat zijn aandacht eerder uit naar de toestand van de getroffen boekwerken dan naar zijn eigen kwetsuur – hoewel ik hem éénmaal zijn linkervoet op zo’n onvoorzien obstakel heb zien zetten terwijl hij met een vertrokken gezicht zijn wreef betastte en zelfs een lange, bruine schoenveter losknoopte.
De route waarop ik ben aangewezen is dan nog redelijk begaanbaar, temeer daar de bibliothecaris er speciale zorg voor draagt op het laatste gedeelte, tussen bureau en theetafel, een breed parcours vrij te houden voor zijn verrijdbare bureaustoel waaronder drie onberekenbare wieltjes zitten. – Ik knip een perkamenten wandlampje aan en licht het deksel van de electrische waterketel die, zoals altijd, al voor de helft gevuld blijkt te zijn. Het is voldoende om de stekker in het stopcontact te steken en dan ruim geduld te oefenen tot de ketel, tikkend, ploffend en rumoerend tegen decennia van gestage kalkafzetting, zijn taak volbracht heeft.

illustratie bij Hedda Martens, De zaalwacht, in De Revisor

Hoog boven de theetafel is tegen de muur een plankje bevestigd waarop, links en rechts gesteund door marmeren eekhoorns, achtentwintig jaarboekjes van het Zoölogisch Genootschap in het gelid staan. Ze zijn volkomen intact, dieprood van kleur en met glinsterend goud bestempeld; zelfs het inlegvel met errata ontbreekt nergens. Een vergeelde nota van de firma Brill te Leiden steekt tussen twee pagina’s die een beschrijving bieden van de wonderlijkste geschenken, ‘in het gedenkwaardige jaar 1879 door ons Genootschap in dank ontvangen’ en afkomstig van Effectieve leden, Honorair leden of Buitenleden. Maar vooral de leden van Verdiensten, waaronder opvallend veel scheepsgezagvoerders, leveren hier een vooraanstaande bijdrage:

‘4 hanesporen in étui van Bali en Macassar’
‘Voorhoofdsbeen met hoorns van den deluvialen stier, Bos premigenius, gevonden op ca 12 voet diepte in den leemheuvel op het landgoed Amsten bij Loghem’
‘2 visschen op Liquor, Aluterus scriptus
‘witte vos op astrakan kussen’

… etc. etc. Niet zelden een twaalftal pagina’s vol, en dat achtentwintig jaargangen lang, voortgezet in de zeventig resterende boekjes die, achter glas, op de grote zaal staan.
Waar zou het allemaal gebleven zijn? In beslag genomen, verkocht, verloren gegaan, door de erven teruggevorderd, verdeeld over provinciale musea, opgeslagen in kelders of op zolders van allang vergeten instituten? In de bibliotheekzaal staat nog een curieuze, manshoge pendule die van top tot teen met tropische schelpen beplakt is, en ook de oude sofa naast de vlindervitrine zal wel in één van de jaarboekjes vermeld zijn – toen ongetwijfeld nog zonder het strakke paktouw dat nu als een scheerlijn om de vier klauwvormige poten spant. Bovendien is er het fysisch kabinet met zijn verzameling microscopen, astrolabia, manometers, stereokijkers en andere, moeilijker te definiëren natuurkundige instrumenten waarvan sommige nog afzonderlijk door een glazen stolp beschermd worden; maar verder lijkt er van de vele kostbaarheden en exotica bitter weinig meer behouden te zijn.
Terwijl de waterketel met onderaards gerommel naar zijn kookpunt toewerkt drentel ik in lijdzame afwachting heen en weer door het middenpad, langs de draaistoel, het bureau, de vlindervitrine en dan weer terug. Tegen het zijpaneel van een hoge houten archiefkast die zijn laatjes achter een ratelend rolluik verbergt is, waarschijnlijk op latere datum, een ijzeren kleerhaak geschroefd. Er hangt een sleutelbos aan, een plastic tasje met opdruk en een knooploze beige stofjas. – Die jas heb ik meneer Hohlenfeld nooit zien dragen, en toch hangt hij daar telkens in een iets andere positie, vaak met één van de mouwen binnenstebuiten gekeerd alsof hij in haast werd uitgetrokken. Misschien wordt de jas alleen binnenskamers gebruikt wanneer er niemand bij is; of ‘s morgens vroeg, tijdens de eerste ochtendronde. Ik weet dat in de linker binnenzak twee ansichtkaarten zitten en ook, altijd, een paar toffees.

Water kookt bij tachtig graden, aldus de insectenkenner Réaumur, die naast de thermoskan ook het porselein uitvond en niet te vergeten het blik, vindingen die alledrie op deze theetafel in praktijk zijn gebracht. Met des te meer zorg maak ik de bus poederkoffie open en giet het bruisende water in twee chinees blauwe kopjes, die naast elkaar op het vloeiblad komen te staan waarmee meneer Hohlenfeld een deel van zijn bureau beveiligt. – Réaumur maakte zich ook op tal van andere gebieden verdienstelijk; in de notenbijlage van mijn perforerende auteur staat uitvoerig vermeld hoe hij aan zijn lievelingsvogel, een buizerd, dagelijks sponzen voerde. Het ging hem erom dat de buizerd die stukjes onverteerbare spons weer opbraakte zoals in zijn aard lag; waarop de geleerde ze dadelijk in zijn eigen mond stak om de smaak van de spijsverteringssappen zo nauwkeurig mogelijk te kunnen bestuderen. Zuur vooral, en bitter; soms zoet. Toen de buizerd op hoge leeftijd overleed telde Réaumur alleen nog maar hoendervogels onder zijn huisdieren, en de sponzen die hij daaraan opvoerde moest hij met een draadje vastmaken om ze later weer tevoorschijn te kunnen trekken. Want kippen, pauwen en kalkoenen braken niet naar hun aard. – Ik kauw met tegenzin mijn brood weg en voeg nog een schep nescafé bij het tweede kopje koffie om het extra bitter te maken: de smaak van meneer Hohlenfeld. ‘Zo drink ik ze graag,’ lichtte hij toe; het suikerklontje, dat hij doormidden brak, bleek hij onder zijn tong te houden om de koffie er met welgevallen langs te zuigen.
Op het bureau van de bibliothecaris staat, precies midden achter het vloeiblad, een schoongespoelde zeskantige inktfles van Quink die tot over de helft gevuld is met kleine, dode insecten: een metaalblauw vlindertje, een opgerolde duizendpoot, een paar zilverige motjes en zeker wel tien lieveheersbeestjes, hun glimmende schild donker verkleurd. Waarschijnlijk heeft hij ze door de jaren heen verzameld tijdens het stof afnemen: er zijn eveneens twee kralen te onderscheiden, een imitatieparel en een rond, zachtgroen pilletje. Rechts van de inktpot staat een asbak vol knopspelden, paperclips en een enkel in elkaar gedraaid toffeepapiertje, en daar weer naast bevindt zich het portret van een blozende jonge vrouw. Zo te zien is het een ingekleurde foto die met iets te veel nadruk is bijgewerkt – de wangen rood, de tanden wit en de ogen felblauw met blinkende glimpuntjes op de iris. De houten sierlijst is opgebouwd uit vier grillige, donkergeverniste takjes met hier en daar een minuscuul uitgesneden eikeblad, middenonder voorzien van het Zwitserse wapenschild. De vrouw glimlacht sereen, onpersoonlijk en tijdloos, en hoewel ik vermoed dat het hier om meneer Hohlenfelds jonggestorven echtgenote gaat kan de geportretteerde ook uit een eerdere generatie stammen en bijvoorbeeld zijn moeder voorstellen: ze heeft het vriendelijke, brede gezicht van mensen die tussen hun twintigste en veertigste jaar nauwelijks veranderen.
Zou de bibliothecaris de foto zelf hebben bijgewerkt? Ik weet dat hij zich graag bezighoudt met het inkleuren van oude prenten, ansichtkaarten en ander plaatwerk dat hij van antiquariaten betrekt, of liever nog van de vlooienmarkt – ‘Er is daar zoveel moois dat nagenoeg onbeheerd te kijk ligt.’ Bij die speurtochten gaat zijn voorkeur meestal uit naar emblemata, stadsgezichten en insecten; heeft hij zo’n prent eenmaal verworven dan is hem er veel aan gelegen zo precies mogelijk na te gaan welke kleuren indertijd voor dergelijke gravures gebruikt werden. Soms weet hij de oorspronkelijke bewerking alsnog in kabinetten, archieven of bibliotheken op te sporen, maar ook een exemplaar uit dezelfde serie als zijn eigen aanwinst geeft antwoord op veel dwingende vragen: welk rood was het rood van de 19de-eeuwse weesmeisjes, welk groen het groen van de moeilijk te definiëren bomen aan de Lijnbaansgracht.
De bovenste lade van zijn bureau is over de volle breedte gevuld met een dubbele rij kleurpotloden, gerangschikt volgens de regenboog. Rood oranje geel, groen blauw violet; dieper weg liggen de grijzen, de verschillende soorten wit, het problematische bruin. Ook de parelmoeren ontbreken niet – maar thuis, bekende hij toen ik hem op een ochtend verdiept in deze werkzaamheden verraste, thuis bezat hij nog veel meer kleuren: zeker wel enkele honderden. ‘Stadsgezichten ach, dat is doorgaans nog goed te overzien – maar de insecten, weet U? Denkt U alleen al aan de structuur van talloze vlindervleugels; sommige schakeringen zijn louter weerschijn, louter breking van het licht …’ Hij liep voor me uit naar de vlindervitrine en wees op diverse Zuidamerikaanse soorten Morphio, liet de schaduw van zijn handen onder het glas zweven en zei dat hij de raamloze muren van zijn kantoortje soms betreurde – ‘Begrijpt U me goed, dit geldt alleen voor het optisch tekort dat de vlinders daardoor lijden moeten. Zelf ben ik hier immers volmaakt, volmaakt tevreden.’ Achteruitlopend stootte hij tegen een wankele boekenstapel, bukte zich iets te snel, hetzij om zijn been te betasten hetzij om de boeken tegen te houden, en greep gekweld naar zijn rug – ‘Ach het spijt me, U zult wel denken…’
Maar ik was diep onder de indruk van zijn werkstuk, de zwaluwstaartvlinder Eurytides harmodius die hij schubje voor schubje inkleurde: de doorzichtige vleugels breken het licht op honderd manieren alnaargelang de graden van warmte, het uur van de dag of de tijd van het jaar, en het tekenblad van meneer Hohlenfeld gloeide van kleur – het leek bijna in brand te staan onder zijn droge, bedrijvige handen.

De bureaustoel van de bibliothecaris is een waar pronkstuk: rug- en zijleuningen vormen een massief, fluwelig gecapitonneerd hoefijzer, steunend op stevige spijlen van gedraaid eikenhout. De zitting is bekleed met hetzelfde opbollende grijsgroene velours, afgebiesd langs de randen en vastgezet met een strakke rij bronzen sierspijkers. De stoel draait op een solide houten drievoet en het enige dat te wensen overlaat zijn de wieltjes daaronder, die in de loop van vele decennia hun vermogen tot richting, of vooral samenwerking, goeddeels zijn kwijtgeraakt. Vrijwel iedere aanzet om naar voren of naar achteren te rijden wordt meteen ontbonden in een stokkende draaibeweging die, afhankelijk van de verbruikte kracht, soms meer dan honderdtachtig graden beschrijft terwijl de stoel zich nog maar nauwelijks van het bureau heeft verwijderd.
Ikzelf heb me op die manier vaak pijnlijk klemgereden, maar meneer Hohlenfeld weet met summiere bedrevenheid al rollend precies te komen waar hij zijn wil, overal in het vrijgehouden parcours tussen bureau en theetafel. Zijn techniek berust, voorzover dat viel na te gaan, op minutieuze gewichtsverplaatsingen gepaard aan een lichte druk die hij, links of rechts maar tegengesteld aan waar hij naar toe wil, met zijn ellebogen uitoefent op de brede armleuning. Over regels van deze subtiele cybernetica bleek hij echter niets te kunnen meedelen; het verbaasde hem oprecht dat ik me geregeld als een slang tussen bureau en stoel weg moest wringen, en eenmaal zelfs zo muurvast zat dat beide abrupt met elkaar vergroeid leken – de leuningen onverzettelijk onder het bureaublad geklemd. Na veel wrikken en wringen was ik ten einde raad op de zitting geklommen, als een kleuter die heimelijk aan zijn kinderstoel ontsnapt.

Ook nu krijgt mijn knie een gevoelige klap wanneer ik ondoordacht naar achteren rol om het laatste restje lauwwarm water in één van de kopjes te gieten. – Het is vandaag vrijdag, en het wordt tijd om uit te zoeken welke boeken ik voor het weekend denk nodig te hebben. Gezien mijn moeilijkheden met de auteur Geschiedenis der Biologie is het misschien beter zijn werkstukken voorlopig te laten rusten, en eerst de afdeling Vogels tot een goed einde te brengen. Dat ik daar het verst mee gevorderd ben is niet zozeer te danken aan de bijdrage van de medewerker ornithologie als wel aan meneer Hohlenfelds bereidheid om het uitvoerige, vierdelige standaardwerk ‘Die Vögel Mitteleuropas’ bij gelegenheid uit te lenen, ‘Maar niet meer dan één band tegelijk, als U wilt, en graag uitsluitend buiten de werkdagen.’ Wat ik nu nodig heb is Band I, 1926: ‘Sperlingsvögel, Rackenvögel, Kuckuck, Spechte’. Daar valt de raaf onder en de hop, de geitemelker en de vink, de roek en de tapuit; ruim voldoende voor een overbelast weekend. Vooral vanwege de raaf, één van de vele vogels waaraan de onwillige auteur ternauwernood vijf regels gewijd heeft (Latijnse naam, familie, orde – Kopstaartlengte, spanwijdte – Voedingsgewoonten – Plaats van voorkomen) zoek ik in de bibliotheekzaal naar beschrijvingen die van wat meer toewijding blijk geven en loop met een stapeltje boeken de trap af naar het achter een gordijn verborgen fotokopieerapparaat. Grzimek, Buffon, Linnaeus, Schlegel, Cuvier; bij elkaar zijn het toch nog zo’n dertig kopieën, al kan ik twee edities van de kleine blokvormige Buffon-uitgaves boven elkaar leggen zodat de één het ravenhoofdstuk van voren naar achteren doorwerkt en de andere van achteren naar voren, tot ze elkaar, in het midden verdubbeld, ontmoeten.
Teruggekeerd naar meneer Hohlenfelds kantoortje zoek ik een vel papier om daarop, volgens afspraak, mijn verbruik aan te tekenen. Op zijn schrijfmachine, een oude Hammond waarvan de houten kap tegen de theetafel leunt, liggen een paar blanco velletjes, maar wanneer ik het bovenste tussen mijn vingers neem glijdt het hele stapeltje ritselend langs het steile toetsenbord naar beneden en onthult de aanhef van een nauwelijks begonnen brief. ‘Zeer Geachte Heer Schoonhoven,’ lees ik onwillekeurig, ‘Tot onze spijt moesten wij onlangs kennisnemen van Uw afwijzende houding jegens ons voorstel, alsnog enkele waardevolle folianten -’ Ik raap de losse velletjes bijeen en leg ze haastig terug, zo haastig dat ze opnieuw wegglijden; en als ik op de bureaustoel wil plaatsnemen draait die in een sierlijke arabesk om zijn as heen bij me vandaan – gehinderd dwing ik hem tot de orde. Pas nadat mijn bericht aan de bibliothecaris op de vier overeengekomen punten is ingevuld – 1. aantal overdrukken: 28. 2. aantal koffie: 3.3. tijdstip van vertrek: 22.30 uur. 4. bijzonderheden: geen. – dringt vaag tot me door wat me daarnet zo in verwarring bracht. Onmiddellijk besluit ik dat zo’n connectie nergens op berust en dat het een kwestie van puur toeval moet zijn; zoiets komt immers zo vaak voor, het is een bekende kwaal van oude schrijfmachines.
Want niet mijn indiscretie zat me dwars, niet de ongewilde confrontatie met meneer Hohlenfelds spijt over de afwijzing die hem ook nu weer werd aangedaan: wat me verward had was, dat uit de naam van de heer Schoonhoven elke o met kracht was weggeslagen en een zuiver ovalen gaatje naliet, tot en met het carbon en het doorslagpapier toe.

‘Zult U vooral nooit, nooit vergeten de waterketel uit te zetten… de catastrofe die dat kan aanrichten is voor geen mens te verdragen.’ – Elke avond opnieuw huiver ik bij het visioen dat de bibliothecaris toen opriep en werktuiglijk vermijd ik zelfs de bemiddelende schakelaar te gebruiken: als het water kookt gaat de stekker er meteen uit, hoezeer het me ook aan zou staan om, zoals meneer Hohlenfeld demonstreerde, de ketel zacht suizend op temperatuur te houden. Gezellig geluid, ook. – Ik dwaal nog wat door de bibliotheekzaal, doe de meeste lampen uit en staar een tijdje over Linnaeus’ onwillige schouder naar buiten. Mijn tas is al ingepakt; ongezien heb ik het dossier van de perforerende anonymus dichtgeslagen, de fotokopieën er boven op gelegd en alles tezamen in het ruime zijvak laten glijden. Nu nog de kopjes omspoelen en een paar kleine handelingen verrichten die, evenals de voorafgaande, alle tot het ceremonieel van het afsluiten behoren.
De koperen kraan die hoog boven het fonteintje in de toiletruimte tegen de verweerde, blauwig witte tegelwand is aangebracht hoeft amper te worden opengedraaid om al een zo krachtige waterstraal af te geven dat het wassen van de kopjes een speciale vaardigheid vergt: houd je zo’n kommetje te dicht onder de kraan dan springt er een wervelende waaier tot op ooghoogte uit tevoorschijn. Ik droog de kopjes af, breng ze terug naar de theetafel en kijk zoekend om me heen – niets vergeten? Bureaulamp uit, vitrinelampje uit, plafondlamp uit – nergens kan de duisternis vollediger zijn dan in meneer Hohlenfelds raamloze kantoortje. Zijn zware privésleutel komt weer veilig achter de paradijsvogel te hangen en terwijl ik in het portaal mijn jas aantrek zie ik diens sierlijk gebogen staartveren blauwig oplichten in de donkere zaal, waarvan de dubbele toegangsdeur om onbestemde redenen altijd wijd open moet blijven. Trappen af, kopieerapparaat contrôleren, trekslot van de haak, ganglicht uit: ik sta buiten, en rammelend belanden mijn geleende sleutels in de houten postdoos achter de brievenbus. Morgen, of waarschijnlijk vanavond laat al, zal meneer Hohlenfeld de schuif aan de binnenzijde opentrekken en opgelucht vaststellen dat alles is zoals het wezen moet.
Wanneer ik met mijn fiets de straat oversteek en nog eenmaal langs het statige gebouw omhoog kijk heeft het brede silhouet van Linnaeus, achter het middenraam, de wacht tenslotte onbetwist overgenomen.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, en in totaal schreef ze tien bijdragen voor ons. Dit jaar publiceren we nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘Bijzaak’, uit het eerste nummer van 1984.

*

Kijk: op deze bladzijden staat een glazen stuiter afgebeeld, in verschillende posities en omstandigheden. – Valt uit de foto’s op te maken dat het hier om een heel bijzonder voorwerp gaat? Ik hoop het. Want alleen als deze zwart-wit opnames min of meer duidelijk kunnen maken hoe wonderlijk de aantrekkingskracht van die stuiter is – al blijft het louter bij een indruk, een vermoeden, een licht verlangen misschien zelfs wel naar zo iets fascinerends – alleen dan is dit werkelijk een fotoreeks van de Stuiter met het Zilveren Lammetje. ‘Vanwaar al die hoofdletters,’ zou iemand zich af kunnen vragen. Die zijn er om te benadrukken dat het hier enkel en alleen gaat om de stuiter zelf; los van de herinneringen en gebeurtenissen die hem daarnaast, voor mij, ook een persoonlijke waarde hebben gegeven. Zulke toeneigingen zijn bijzaak, ze leiden de aandacht alleen maar af van de ronde, heldere zelfstandigheid die de Stuiter met het Zilveren Lammetje juist zo betoverend maakt. Hij is zichzelf ruimschoots voldoende; daar is niets anders bij nodig. – Natuurlijk, ook de lichtval speelt een heel belangrijke rol; maar dat geldt toch voor alles wat we met de ogen waarnemen, of het nu mooi is of niet? Hoewel ik er eerlijkheidshalve misschien bij moet vertellen – want wie niet op het eerste gezicht al bekoord raakt zou, bij nader toezien, een zekere argwaan kunnen krijgen – dat het lammetje niet werkelijk van zilver is: het is wit, van zichzelf. Een beetje vuilachtig wit. Het hoeft daarom nog niet van plastic te zijn of van een ander soort kunststof, want daar is het veel te oud voor – mijn overgrootvader heeft nog gezien hoe mijn grootvader de stuiter glimmend wreef tegen zijn grijsgewyberde slipover – maar veel meer dan gips kan het toch ook niet geweest zijn. Poreus, bobbelig gips, een beetje slordig gedaan eigenlijk, met de gietnaad nog duidelijk zichtbaar.
De zilveren schijn is gevolg van, alweer, de lichtweerkaatsing, op de belletjes lucht die het lam in zijn vacht hield toen het kokende glas om hem heen werd gegoten. Maar het resultaat is wonderbaarlijk, dat zal toch niemand willen ontkennen?

Wat ik me nu afvraag, maar wat uiteraard niet meer te verifiëren valt, is het volgende: stel dat iemand de foto’s niet gezien had; hij had alleen de beschrijving gelezen. Zou hij dan toch kunnen begrijpen waarom de Stuiter met het Zilveren Lammetje zo fascinerend is? – Dit lijkt natuurlijk een onmogelijke vraag, al was het alleen maar omdat de tekst tot dusver alle aandacht op de plaatjes richtte. ‘En als je ook zonder foto’s een beeld had willen oproepen, een fascinérend beeld zelfs, dan zou zo’n beschrijving toch op zijn minst een beetje litterair moeten zijn – in elk geval niet zo feitelijk en technisch als hierboven gebeurd is.’ Over het algemeen genomen zal dat zeker waar zijn; maar er bestaat een heel speciale categorie van onderwerpen die zo’n litteraire noodzaak nauwelijks kennen, en het is niet onwaarschijnlijk dat ook de Stuiter daartoe behoort. Het gaat in dat soort gevallen om heel simpele zintuiglijke gegevens waar iemand óf wel, óf niet gevoelig voor is; zoals je of wel, of niet gesteld bent op de smaak van drop, de pluizigheid van mohairwol, de aanblik van rood gekleurde dingen of de sensatie van zwemmen in zee. Voor wie er van houdt is één woord genoeg; en voor wie er niet van houdt eveneens. Zo zal bijvoorbeeld haast niemand bij een zin als ‘Het rook er naar uien’ over de noodzaak van een litteraire vorm gaan praten: het reukgegeven is volledig opgeroepen en er valt niets aan toe te voegen.

Het ziet er naar uit, dat datzelfde geldt voor: ‘Een helder glazen stuiter’. – Er zijn mensen die bijna dagelijks getroffen raken door iets blinkends of doorzichtigs dat ze op hun pad tegenkomen; ze bukken zich bij een stukje glas dat glinstert tussen de straatstenen, in hun jaszak is dikwijls een door kinderen vergeten ‘bakkel’ of ‘katoogje’ te vinden, en hoeveel herfsten ze ook tellen, steeds weer staan ze versteld van een breed uitgeweven spinneweb met dauwdruppels – ‘s ochtends vroeg, in het licht van het najaar. Zulke mensen zullen aan de meest feitelijke aanduiding al genoeg hebben om de Stuiter met het Zilveren Lammetje volledig te begrijpen; je hoeft alleen maar te zeggen: ‘Een glazen stuiter; in de zon, of bij lamplicht’ en zij zien alles meteen voor zich. – Maar ook het tegendeel is waar wanneer het om zulke geneigdheid gaat; iemand die werkelijk een diepe afkeer heeft van de smaak van drop of de sensatie van zwemmen zal slechts met moeite beleefd kunnen blijven wanneer een ander breed gaat uitweiden over een grote puntzak met zoute griotten, of over de natuurlijkheid van de watervlugge vlinderslag – ongeacht de welsprekendheid waarmee zo’n onderwerp gebracht wordt. Aan dit soort haast instinctieve oordelen van de zintuigen of de persoonlijkheid valt blijkbaar niet te tornen: ze zijn onlosmakelijk eigen en je kunt alleen maar hopen dat je woorden in goede aarde vallen.
Maar als dat werkelijk zo is, dan zou iemand die bijvoorbeeld een verhaal schrijft waarmee hij een breed publiek wil bereiken dit type onderwerpen maar beter ongemoeid kunnen laten. Doet hij dat niet, dan loopt hij immers het gevaar dat zijn bedoelingen een volstrekt averechtse uitwerking hebben? – Een dergelijk probleem heeft mij destijds lang beziggehouden in verband met de beroemde madeleine van Marcel Proust. Ook mensen die helemaal nooit iets van Proust gelezen hebben of die, zoals ik, om onnozele redenen aan de verkeerde kant begonnen zijn, kunnen een heel erudiet gezicht zetten wanneer de madeleine ter sprake komt: ‘O ja, Proust… op zoek naar de verloren tijd… prachtig hè, zoals hij door dat koekje, zo’n simpel oorsprongsgegeven, een wereld aan sfeer en herinneringen weet op te roepen…’ – Ik heb inderdaad lange tijd gedacht dat het om een koekje ging zoals je wel aantreft in roomboterallerhande: een dun, bros koekje dat leek op een platte ribbeltjesschelp. Die had ik zelf ook dikwijls in de thee gedoopt, want roomboterallerhande behoorde vroeger thuis tot de zondagse tractaties; en al was ‘soppen’ streng verboden omdat het niet hoorde, toch was het heimelijke resultaat erg lekker, dat weet ik nog goed. Ik kon later dan ook, van horen zeggen alleen al, aardig meepraten over de madeleine; maar toen ik ten slotte de nieuw uitgekomen Nederlandse vertaling van ‘Combray’ ging lezen begreep ik dat het allerminst om zo’n soort roomboterkoekje ging. Het ging om een zeker dik, kruimelig gebakje dat mij verder totaal onbekend was; uiterlijk leek het waarschijnlijk op iets wat kinderen aan het strand met behulp van zandvormpjes maakten. Nog steeds kon ik me echter wel voorstellen dat het een heel bijzondere, smakelijke en intieme beleving moest zijn, zo’n lepeltje in thee geweekt kruimelgebak.


Marcel Proust, de halve wereld en ik, wij waren allen op een verwante manier met dit soort gewaarwording bekend; want een zandgebakje of een boterkoekje, dat ontliep elkaar zintuiglijk toch niet zo heel veel. – Maar ten slotte kwam, weer jaren na deze letterkundige correctie, de tastbare werkelijkheid aan bod; en toen moest ik toch definitief van alle zintuiglijke saamhorigheid afzien. Die werkelijkheid diende zich aan in de vorm van een reusachtige plastic zak met drieentwintig madeleines, aangetroffen en – na een hele serie tegenstrijdige overwegingen – uiteindelijk ook aangeschaft in een Belgische pâtisserie-confiserie. Madeleines waren, zo moest ik begrijpen, van cake gemaakt, en niet van kruimelkoek: madeleines waren sponsachtige, bruine cakejes die je als vochtig schuimplastic plat kon drukken tussen je handpalmen. En toen ik bij de eerste de beste uitspanning in het Frans een glas thee bestelde, de madeleine daar in doopte en ten slotte de kleffe materie die dat opleverde met de tong tegen mijn verhemelte uitperste – toen wist ik me voorgoed beroofd van elke smaakverwantschap die mijn eigen kinderjaren met die van de kleine Marcel zou kunnen verbinden. Dit was vies, het was uitgesproken vies, wee en plakkerig; en al wilde ik nog zo graag alles weer goedmaken, ik kon tegen dit simpele oordeel dat tussen mijn tong en verhemelte ontstaan was niets beginnen. – Peinzend en wat treurig heb ik daar nog lang gezeten, de grote zak met tweeëntwintig madeleines weerloos half open op de rieten stoel naast me.
Misschien is zoiets wel meer mensen overkomen; zij zullen begrijpen dat het een ontheemd gevoel geeft. Maar het probleem waar het om ging was, of nu de beroemde Combraypassage zozeer in zijn zintuiglijke fundamenten werd aangetast dat er voor mij weinig moois meer aan viel te ontdekken. En daar zal waarschijnlijk toch niemand erg lang over na hoeven denken; een dergelijke ‘classic’ als het madeleine-gegeven kan immers onmogelijk afhankelijk zijn van de vraag of een willekeurige lezer zo’n natgemaakt stukje cake wel lekker vindt? ‘Je moet wel afschuwelijk narcistisch zijn als dát je reactie is op het verlies van een zo primitieve vereenzelvigingsmogelijkheid.’ Gelukkig kan ik dat beamen; bij herlezing bleek de madeleine-passage nog steeds heel mooi, al was het vroegere meeproeven nu vervangen door een soort wellevende neutraliteit. Je zou kunnen zeggen dat de ‘inhoud’ van de smaak weliswaar verloren was gegaan, maar dat de vorm, of de bedoeling, daar blijkbaar niet echt onder te lijden had.

Toch heeft me dat wel verbaasd. Doet het er dan zo weinig toe wat men aan oorsprongsgegevens krijgt voorgeschoteld, zelfs als ze je zo persoonlijk raken? Is dat dan alleen maar bijzaak en had de kleine Marcel bijvoorbeeld even goed een chocolaatje in zijn thee kunnen dopen of, stel, een stukje schuimplastic – stopverf misschien zelfs? Nee, zover gaat het niet helemaal; klaarblijkelijk moet het gegeven toch te rangschikken zijn onder wat wij als ‘eetbaar’ kwalificeren – althans in dit geval. Want al vertelt mijn eigen verleden me over de wonderlijke bekoring van bijvoorbeeld het eten van rolletjes teer (‘zwarte kauwgummie’ heette dat, volgens het zomerkamp-vriendinnetje van wie ik het leerde), het proeven van vochtige aarde uit een bloempot met witte cyclamen en, inderdaad, het zorgvuldig bebijten en doorslikken van een stukje beige stopverf, net vers langs een vensterruit aangedrukt – toch leveren dergelijke gewaarwordingen niet de smaak op die met een schemerige middag in Combray te rijmen is. De madeleine doet dat wèl – ook, blijkbaar, voor een lezer die zich niet langer wil indenken hoe zoiets proeft.


Hieruit volgt dat sommige mensen in staat zijn je privébelevingen ongevraagd weg te schrijven; het zintuiglijke eiland van eigenheid en afweer is bijzaak geworden, ondergeschikt aan de bedoelingen van de litterator. Maar is dat dan niet verbazend, of zelfs verontrustend? Wij hebben niet voor niets zulke primaire gewaarwordingen meegekregen; ze staan heel dicht bij het instinct, dat ons bij: ‘Vies!’ hetzelfde vertelt als bij ‘Heet! Scherp!’ enzovoorts, namelijk: ‘Pas op, kijk uit, ga weg!’ In het dagelijks leven doet men er goed aan, dergelijke signalen niet te veronachtzamen. En stel nu eens dat het zelfs mogelijk was om, met litteraire middelen, zulke vitale gewaarwordingen in hun tégendeel te doen verkeren – moeten we daar dan niet erg voor oppassen? – Immers, zoals ik al vertelde: de plastic zak die ik me bij Antwerpen aanschafte bevatte drieëntwintig madeleines. Meer dan een halve daarvan kon ik toen niet door de keel krijgen – maar dat is nu al weer enige tijd geleden. Nadat ik, thuisgekomen, de bewuste passage in de Proust-vertaling had herlezen en vervolgens een prachtige Pléiade-uitgave leende om die ernaast te leggen – dat moet ongeveer twee weken later geweest zijn – waren er nog maar zeventien madeleines over. Het heeft even geduurd, dat is waar, maar werkelijk: ik ben er van gaan houden, van zo’n stukje moscovisch gebak, gedoopt in lindenthee.
‘Nu, dat is toch zo erg niet,’ is misschien een reactie, ‘waarom zou dat verontrustend zijn, laat staan gevaarlijk. Het is toch juist wel aardig dat de litteratuur je smaak zo heeft kunnen verrijken?’ Ja, in dit speciale geval is dat zeker waar. Maar in algemener zin zou ik toch liever op mijn hoede zijn gebleven; het gaat er immers om dat het principe onrustbarend is. – Gesteld namelijk dat ik werkelijk heel goed kon schrijven, en dat ik daarnaast over een licht demonische inslag beschikte. In dat geval had ik deze gelegenheid te baat kunnen nemen om een prachtige vertelling te construeren over de zwarte kauwgummie, over de smaak van vochtige, donkere aarde zoals die niet alleen in een bloempot, maar overal in tuinen en plantsoenen te genieten valt; of over de sensatie van het platdrukken, tussen tong en voortanden, van een balletje verse stopverf. Misschien waren dan meer mensen gaan voelen hoe diep en geheimzinnig de vriendschap is die ontstaat wanneer je zoiets samen doet, of hoe vervoerend de droomwereld wanneer je alleen bent: in een herfstbos bijvoorbeeld, waar je voorzichtig een moskussen lostrekt om de geur te ruiken daaronder, met de smaak van gewelven en China. – Nee, laat het maar blijven bij de knikker, met het lammetje. Een foto kan ieder voor zich zelfstandig afwijzen of goedkeuren, en de bijgevoegde beschrijving verwees alleen maar naar de Stuiter, niet als oorsprong van wat dan ook, maar als doel op zichzelf: het staat iedereen vrij er om te geven of niet.

En het is goed zo, er zijn genoeg andere dingen waar je het over kunt hebben; wij moeten elkaars basis-belevingen maar gewoon met rust laten. Toch zal iemand misschien zorgeloos opmerken: ‘Ach, maar het kan toch helemaal geen kwaad om van die stuiter te gaan houden; ik zou het heus niet erg vinden om daar met litteraire middelen toe gebracht te worden.’ Maar ik zei toch, het gaat hier werkelijk om het principe – het verontrustende feit, dat zoiets mogelijk is. Ik zou er zelfs een morele, een zedelijke regel uit willen afleiden: de aanbeveling om alles wat zintuiglijk zo eigen is, letterkundig ongemoeid te laten.

En het is maar goed dat dat nu zo is afgesproken. Want blijkbaar is het weinig bekend dat ook geboeidheid door doorzichtige dingen lang niet zo onschuldig is als het op het eerste gezicht wil lijken. Het kan namelijk leiden tot een verschijnsel dat niet voor niets de enerverende naam ‘hypnotische hypermnesie’ draagt; wat inhoudt, dat sommige mensen die lang naar een glazen of glimmend voorwerp kijken, opeens allerhande herinneringen krijgen waar ze sinds jaar en dag geen weet meer van hadden. Zoiets kan weliswaar heel belangwekkend zijn, want wie is niet nieuwsgierig naar wat er allemaal in zijn hoofd verborgen zit; maar het kan ook tot zeer griezelige dingen aanleiding geven: zoals herinneringen waar je absoluut niets meer mee te maken wilt hebben, of pseudo-herinneringen die, op hun beurt, absoluut niets met jou te maken hebben – en dan hoeft het niet lang meer te duren of er dienen zich zaken aan als waarzeggerij, helderziendheid, telepathie… spoken en geesten zonder weerga. Nee, dat zijn toch werkelijk geen verschijnselen waar de Stuiter met het Zilveren Lammetje de aanstichter van mag zijn; mijn grootvader, die een doortastend en realistisch man was, zou zoveel spijt krijgen als haren op zijn hoofd – zijn dikke krulhaar was als een muts van grijze astrakan, met nog een extra reepje onder zijn fors gebogen neus – spijt van zijn laatste wilsbeschikking, waarin hij de stuiter onbetwistbaar aan mij vermaakte. Maar hoe had hij ook anders gekund: al vanaf de kleuterschool ging geen paas-, herfst- of kerstvacantie voorbij zonder dat ik wel een paar dagen bij hem logeerde in het donkere huis vol boeken, gedraaide trappen en hoge spiegels. – Grootvader had nooit ergens anders gewoond; hij was hier opgegroeid, evenals zijn vader, mijn vader en drie generaties broers en zusters, van wie ik haast niemand gekend heb. Ten slotte bleef hij alleen over in het oude geblindeerde pand, waar strikte afspraken golden voor de Duitse huishoudster die al ‘sinds alters de familie kende’.
De tijd die ik daar doorbracht stond voor het grootste deel onder de leiding van deze Vrouw Nutzi. Te beginnen bij de dikke griesmeelpap met bruine suiker die zij me in de ochtendkeuken voorzette volgde ik haar bezigheden door heel de woning tot laat in de middag; en terwijl wij, elke dag opnieuw, de trappen boenden, de gebarsten wastafels schuurden, de kussens klopten en de ramen met krantenpapier blinkend wreven zat Grootvader in zijn studeerkamer, waar Vrouw Nutzi maar eens in de veertien dagen mocht huishouden. In de trapportalen kwamen wij hem zelden tegen, hoezeer ik daar ook op hoopte; maar wanneer het vier uur was zou het bijna half vijf zijn, en op dat tijdstip konden wij onze opwachting maken. – Vrouw Nutzi had dan al een presenteerblaadje verzorgd waarop een jubileumbeker met chocolademelk, een glas witte port en een helder gevuld borrelglaasje rondom een schaal zoute koekjes stonden gerangschikt, en samen liepen wij daarmee de gangen door, gelig bijgelicht door een rij schelpvormige muurlampjes. Ten slotte gaf zij het presenteerblad aan mij over en klopte twee maal op de verboden deur. Grootvader zat achter zijn brede bureau; hij legde zijn handen op de leuningen van zijn stoel, verhief zich even, knikte, en ging weer zitten. Soms was hij nog met iets bezig dat moest worden afgemaakt; Vrouw Nutzi nam dan steels de gelegenheid te baat om her en der wat op te ruimen en weg te vegen. Maar hadden zij en ik eenmaal plaatsgenomen in twee massieve fauteuils waar je het oude leer aan de binnenkant in lapjes van af kon trekken, dan zou alles beginnen.
De gordijnen waren dichtgeschoven, de lampen opgestoken, en Grootvader trok de bovenste la van zijn bureau open; daaruit kwam een in bruin papier gewikkeld flesje tevoorschijn dat hij met zijn duim ontkurkte. Ik moest voorlezen wat er op stond – ‘Agnus. tora Elixir’, wist ik uit het hoofd – en er even aan ruiken; dan kreeg hij het weer terug, hield het schuin boven zijn borrelglas en liet er een paar druppels uit vallen. Dieprode druppels waren het, die in het heldere glaasje wolken en slierten draaiden zoals de aders in het marmer van het voorportaal of zoals de rook, kringelend uit de scherpe sigaret die hij nu opstak – nooit zonder Vrouw Nutzi het blauwe blikje eerst hoffelijk voor te houden, een aanbod dat zij steeds afsloeg. – Daarna gebeurde er een tijdje niets waar zij me bij nodig hadden; Grootvader en Vrouw Nutzi praatten over regelingen voor de huishouding en ik bekeek het plaatjesboek dat altijd in deze feuteuil hoorde, plat tussen de zitting en de rechter armleuning geschoven. Maar na ongeveer een half uur waren de glazen en de beker leeg – de zoute koekjes bleven meestal onaangeroerd -; en wanneer Grootvader het uiteinde van zijn tweede sigaret onder de koperen dover geplet had richtte hij nadrukkelijk het woord tot mij om te vragen wat ik alzo die dag gedaan had.
Daar had ik op gewacht. Ik stopte het boek ordelijk terug in de leunstoel en somde een aantal schoonmaakwerkzaamheden of boodschappen op, maar ten slotte kwam dan toch het moment waarop hij zei: ‘Dat is heel mooi van jou. Goed, als beloning zullen we nu…’ Hij schoof zijn bureaustoel achteruit, strekte zijn knieën en liep traag door de studeerkamer. Krakend gingen de deuren open van een beglaasde boekenkast; ik had mijn schoenen al uitgetrokken, zeulde een tabouretje naderbij en ging hoog op de pluchen zitting staan. Dan legde Grootvader zijn hand op mijn schouder en samen keken we naar datgene wat op de bovenste plank, voor een rij gelijkvormige boeken over ‘Brehms Thierleben’, doorschijnend stond te glanzen: de Stuiter met het Zilveren Lammetje. – Wij zwegen en keken, bijna even groot nu; roerloos voelde ik zijn zware hand op mijn schouder. Grootvader hoestte; ik wachtte. Hij hoestte nog een keer, dat wist ik, en daarop begon hij langzaam te vertellen: nu kwam het volgende van de vele, geheime avonturen, die het lam Frederik meemaakte in de kuddes van Gaza, met de herder, en de vijf wolfshonden.
Soms ook zochten wij eerst een kleurplaat op in één van de boeken Brehms; dat was dan het thier waar het avontuur zich op richtte. Maar tijdens het vertellen stond het boek weer in de kast, want het enige waar wij, volgens afspraak, naar keken was de Stuiter met het Zilveren Lammetje. – Vrouw Nutzi was intussen naar de keuken gegaan om het avondeten te verzorgen; ze had het presenteerblaadje meegenomen en ook, uit voorzorg, mijn schoenen. Straks zou ik door de hoge gangen naar haar toe lopen, dan was dit voorbij; en weer hoor ik het geluid waarmee, stroef krakend in hun houten sponningen, de glazen deuren van de boekenkast onherroepelijk dicht gingen. Grootvader had me al van het tabouretje afgeholpen, zwaar sleepte ik het naar de verste hoek van het vertrek terwijl hij weer achter zijn bureau ging zitten. Nu zou ik de studeerkamer verlaten. Op kousevoeten liep ik naar de brede deur, deed die open en stak beide handen achtereenvolgens omhoog: dag en dag, dag Grootvader. ‘Eet smakelijk, kleine, en slaap gezond,’ zei hij vriendelijk.
Door het sleutelgat kon ik nog licht zien; het licht van zijn bureaulamp. In de keuken had Vrouw Nutzi al voor me gedekt, alles wat ik at sneed zij eerst tussen twee messen aan stukjes.

Dit was dan toch, bij benadering, de geschiedenis van de Stuiter met het Zilveren Lammetje. De avonturen die Grootvader kende waren veel levender en mooier, maar die zijn nu voor altijd geheim. Waarom moest deze geschiedenis dan eigenlijk wèl verteld worden – te meer daar ik er, blijkt nu, alleen maar treurig van word? De herinnering werkte veel krachtiger dan te voorzien was, de beelden kwamen ongevraagd te voorschijn terwijl ik lang, te lang misschien, naar de Stuiter staarde en hem draaide onder het lamplicht. Zo gaat dat, ik had het voorspeld; alleen werd ik er nu zelf het slachtoffer van. – Bovendien kan deze geschiedenis ook nog aanleiding geven tot bijvoorbeeld de volgende vraag: – ‘Kijk, alles goed en wel, je vertelt zo’n verhaal; en de glazen stuiter speelt daarin een voorname rol. Maar hoe staat het nu met onze afspraak, over die morele regel die stelt dat je elkaar op een bepaald niveau niet mag beïnvloeden? Heb je nu niet toch geprobeerd om ook anderen tot een dergelijk soort privé-gewaarwording van doorzichtige of glimmende dingen over te halen?’ – Toch is dat werkelijk niet de bedoeling geweest, ik heb er niet eens aan gedacht; ik dacht enkel en alleen aan Grootvader. Maar dat pleit me niet vrij, in tegendeel; want juist hij heeft me laten zien dat je altijd consequent moet blijven. Dus als er bij het verhaal over de Stuiter, hoe onopzettelijk ook, toch van zo’n ‘basis’-beïnvloeding sprake is, dan moet die hele passage misschien zonder meer geschrapt worden.
Maar wacht- want wat een vreemde ontdekking is dit: bij herlezing blijkt dat de hele verontrustende gewaarwording van de Stuiter met het Zilveren Lammetje eigenlijk ternauwernood aan de orde is gekomen. Geen woord over zijn betovering, aantrekkingskracht, verbondenheid… niets, kortom, dat de Stuiter zelf met al zijn fascinerende eigenschappen aan het licht brengt. Maar dat kan toch niet zo maar. Die prachtige stuiter waar, voor mijn gevoel, alles om draait, kan toch niet zo maar bijzaak zijn? – Ik vrees echter dat dat de slotsom is die zich nu onvermijdelijk aandient. Natuurlijk zijn ook hier bepaalde grenzen te stellen: het voorwerp moet bijvoorbeeld wel onder de categorie ‘kleine dierfiguurtjes’ vallen, anders gaat het verhaal te ver ontsporen. Maar dan had het nog steeds even goed een stukje houtsnijwerk kunnen zijn, of een beestje van klei, van stopverf misschien wel – dat had hier zeker gekund. Of wie weet was een afbeelding al ruimschoots voldoende: een schilderijtje, een gravure… of zelfs een foto? Zou een foto of, voor de zekerheid, een hele rééks foto’s, genoeg geweest zijn?
Ik hoop het, want misschien krijgt de Stuiter met het Zilveren Lammetje dan toch nog de genegenheid die hem toekomt; zelfstandig en alleen als hij is, onberoerd door welke beïnvloeding of principiële regel dan ook. Want aan alles wat ik hier ter ere van hem probeerde te vertellen is hij schadeloos ontglipt: ‘Het had evengoed iets anders kunnen zijn.’ Wonderlijk is het wel, en niet helemaal eerlijk ook: dat het voorwerp waar een vertelling soms haar hele bestaan aan te danken heeft, op zichzelf eigenlijk nauwelijks gewaardeerd hoeft te worden. Of het nu mooi oogt of lelijk, klef smaakt of kruimig, van gips of van glas is, van deeg of van duinzand: net als de Stuiter met het Zilveren Lammetje is zo’n ‘oorsprongsgegeven’ niet anders dan bijzaak – betoverende, belangeloze bijzaak.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, en in totaal schreef ze tien bijdragen voor ons. Dit jaar publiceren we nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘Verantwoording’, dat het eerste nummer van 1982 opende.

*

Er schijnen mensen te zijn die zo zelden door hun verleden worden aangesproken dat ze er elke voorbije dag, week of maand vrijwel ongemerkt in achter kunnen laten; indrukken of gebeurtenissen die nog wat nawerking hebben worden ten slotte geruisloos door de herinnering afgerond, en mochten zij zichzelf ooit iets te vergeven hebben, dan zal dat weldra vergeten zijn. Hun gedrag is gericht op wat komt, niet op wat geweest is, hun handelingen zijn adequaat en ter zake, en de zeldzame waarneming die hen toch nog aan vroeger doet denken laat hoogstens een spoor na van weemoed: weemoed, geen wroeging, want alleen wie al te vaak omkijkt krijgt de schuld van wat achter moest blijven – en alleen dan vraagt elke herinnering om herstel, verantwoording, genoegdoening.
Maar een verleden dat dergelijke aanspraken maakt kent, zo houd ik mijzelf voor, zijn plaats noch zijn functie. Welk doel immers denkt het te dienen door uitgerekend mij, bij toeval op doortocht in deze provinciestad, al op de eerste straathoek te confronteren met de hulpeloze aanblik van een hoge, blauwgeverfde kinderstoel, precies die van vroeger, scheef geposteerd bij een overvolle vuilnisbak; welk beroep laat het doen door een doodgewoon rijtjeshuis zoals ooit werd bewoond door een oude onderwijzeres met omzwachtelde enkels, haar knotje vol spelden; en welke eis kent het toe aan zes roestige, in hun sierlijke lofwerk nog pijnlijk herkenbare straatlantarens, rommelig afgevoerd op een oranje vrachtwagen? Het is heel goed, houd ik me nadrukkelijk voor, dat dit plaveisel, indertijd vergeven van knikkerkuiltjes en tollegaatjes, nu eindelijk vernieuwd wordt: de omgeving die mij ooit zo vertrouwd was komt nu anderen toe, en wat daarbij verloren gaat is niet, benadruk ik stellig, te mijner verantwoording; wat zich hier voordoet is niet te wijten aan het feit dat ik verhuisde, volwassen werd of in een grotere plaats ging wonen, maar ligt simpelweg in de aard van de dingen zelf, die hun eigen geschiedenis hebben, hun eigen vooruitgang, en hun eigen aansprakelijkheid. – Indrukken en gewaarwordingen moeten zich bij een dergelijke gang van zaken simpelweg aanpassen, ze moeten zijn als een draaiorgelboek dat door je heen trekt en zich dan blad na blad achter je dicht vouwt, elke dag een nieuw lied, elke week een nieuw boek; en nooit, nooit hoef je iets over te doen.

Herinneringen zijn niet alleen vergeefs en overbodig, maar ook misleidend en hinderlijk: de weg langs de gracht die me vroeger naar school voerde, mijn hand tot gloeiens toe glijdend en botsend over de brede hekken die de straat van het water scheidden, geeft immers geen enkel houvast bij de eindeloze bustocht die ik tegenwoordig, in een geheel andere stad, langs hoogbouw en door buitenwijken ondernemen moet om de torenflat te bereiken waar mijn werk zich afspeelt; en evenmin leverde één enkele vermanend uitgereikte kroontjespen per week, of het zo verlangde maar zeldzame verlof met rode inkt te mogen schrijven vanwege ‘fraai en proper handschrift’ ook maar het minste voorteken van het breidelloze aantal balpennen, potloden en viltstiften in tal van maten en kleuren dat me bij mijn huidige werkzaamheden omringt. Waartoe zich wat dan ook te herinneren als elke herinnering verwart, pijn doet en nergens meer antwoord vindt? – Het leegstaande, vervallen schoolgebouw waar ik ooit aldoor te laat kwam vervult, behalve voor graffiti, geen enkele functie meer; de oude gracht met zijn brokkelige trapjes tot vlak boven het water waar destijds brede roeiboten aanmeerden is een modern, strak kanaal geworden tussen lichtroze straten, een prille rij boompjes langszij; en nergens kom je nog iemand tegen die je kent.
– Maar ook in de stad waar ik nu sta ingeschreven zijn straten, grachten en een huis waar mijn herinnering sinds kort een verbod op legt; veel strenger zelfs en veel dreigender, omdat alles hier nog onveranderd aanwezig is, alleen ik zelf niet meer. Misschien zou het nog doenlijk geweest zijn als ook in die buurt opeens niets bij het oude was gebleven, de gebouwen met roze steen gerenoveerd waren en de mensen en bomen van generatie verwisseld; maar statiger nog dan in mijn vroegste jeugd rijen de grachtenhuizen zich aaneen, en fotogenieker dan mijn geboorteplaats ooit was poseert dit stadsgedeelte met zijn ophaalbruggen, oude iepen en klokgevels voor steeds kunstzinniger ansichtkaarten. Nee, dit zijn herinneringen van een andere, dwingender orde; want als de reden waarom ik geen van die ansichtkaarten meer zal kopen en trots op het prikbord in het trappenhuis zal hangen, geen trein van iepenrupsen meer vóór van de straat zal redden om ze zorgvuldig op een boomstam terug te plakken, geen zes liter appelsap en twee dozen vulkoeken tegelijk meer zal kopen, nooit meer – als de reden voor dat alles niet terug is te voeren op de geschiedenis van de stad, de vooruitgang, of de loop der dingen in het algemeen, dat gaat het hier misschien toch om een verleden dat alleen mij aanspreekt, en dus ook alleen mij om verantwoording kan vragen.

 

Hinderlijk trouwens hoe mijn geheugen me de laatste tijd steeds meer in de steek laat op gebieden waar ik nooit eerder veel moeite mee had: voorheen was er weliswaar ook wel eens sprake van overvolle slagerswinkels waar ik, eindelijk aan de beurt, opgeschrikt naar de glimmende muurtegels tuurde om vervolgens bij de vinnige slagersvrouw drie kadetjes en een reep chocola te bestellen, maar dat soort verwarring bleek met behulp van zakboekjes en het bezoeken van uitsluitend zelfbedieningszaken nog redelijk te verhelpen. Nu, sinds ik een paar maanden geleden verhuisd ben, lijkt de absentie echter steeds dieper te gaan, en langzaam maar zeker de kern van mijn bestaan te willen raken. Want hoezeer de dingen in deze nieuwe woning ook hun vaste plaats hebben gekregen, gericht op een practische leefwijze – de lucifers bij de sigaretten, de boeken bij het bureau en de borden bij het aanrecht – toch ben ik voortdurend alles kwijt, en, wat erger is, verlies zelfs bepaalde automatismen; zoals de vanzelfsprekendheid waarmee men, thuiskomend van zijn werk, eerst de sleutel in het slot draait en dan pas de deur probeert open te doen; vervolgens eerst op zijn minst zijn wollen muts afzet en pas dan onder de douche gaat staan, om ten slotte niet ook nog, als het avond is en acht uur, ongewild en ongeweten een volledig ontbijt voor zichzelf klaar te maken.
Na weer zo’n serie gebeurtenissen sta ik verstrakt bij het raam van mijn eenpersoons keuken en probeer enig houvast te vinden in het geordende uitzicht op een reeks welverzorgde, statige buurttuinen met reusachtige beuken en kastanjes; het geeft rust en regelmaat om de bomen te tellen bijvoorbeeld, of hun namen te repeteren, ik zit hier drie verdiepingen hoog en kan de takken zelfs niet aanraken, maar het is goed om dit alles te zien en terdege te kennen. – Kom, wring je muts en sokken uit, zet dat ontbijt in de ijskast tot morgenochtend. Niet alles is onherstelbaar, soms gaan dingen vanzelf over. Misschien komt het omdat in dit huis niemand woont behalve ik zelf. Misschien komt het omdat in dat andere huis iedereen woont behalve ik zelf.
(En ga je nu vooral niet herinneren hoe blij en verbaasd je was toen alles begon en jullie in dat hoge, verwaarloosde kantoorpand aan het werk gingen, ieder weekeinde, met reusachtige breekijzers en klauwhamers en kruiwagens vol puin die je op verende rubber banden naar de zoveelste container toe reed. Iedereen zag grijs van het stof en als je lachte knarste het tussen je tanden, je haren werden dik en stroef als houtwol. We droegen overalls en stofbrillen, soms zelfs doeken voor onze mond, en werkten al maar door, verdieping na verdieping; steeds hoger weerklonk het kraken en scheuren van triplex wandplaten, het beuken van de breekijzers, het roepen over en weer. – En herinner je nu niet de pauzes waarin we bij elkaar zaten, kartonnen vol appelsap rond lieten gaan om de smaak van het gruis weg te spoelen, en een steeds luxueuzer voorraad tompoezen, stroopwafels of geglaceerde koeken verdeelden. Het heeft geen zin om opnieuw te voelen hoe trots we waren op onze resultaten, hoe saamhorig, en hoe verwachtingsvol over het huis zoals dat ging worden: elke verdieping zou, eenmaal schoongesloopt, worden ingebouwd door vaklieden volgens ieders eigen maar in voortdurende samenspraak evoluerende wensen en ideeën. En toen de bouw eenmaal begon, hoe vaak kwamen we niet kijken om elkaar daarna persoonlijk of telefonisch op de hoogte te kunnen stellen van onze geestdrift of verontwaardiging; we hielden ontelbare vergaderingen, en hoe meer alles tegenliep, hoe sterker de band werd die ons gezamenlijk gelijk moest bekrachtigen. Ten slotte begon het verven, sausen en afwerken, en richtte ieder zijn belangstelling meer op de eigen, gloednieuw ontstane kamers; maar de koffie-, thee- en appelsappauzes bleven, zodat we elkaars werkzaamheden tussentijds uitputtend konden bewonderen onder het uitwisselen van tal van opinies en raadgevingen. – Nee, ik wil me dit niet herinneren, evenmin als de veelvoudige verhuizing die daar op volgde, de kamperfoelie en de blauwe regen die we tegen de voorgevel plantten of de trapleuning die, pas maanden later eendrachtig in felle kleuren geschilderd, als een guirlande alle verdiepingen verbond. Ik wil me dat niet herinneren omdat ik het nooit had moeten geloven, nooit had moeten geloven dat het iets veilig stelde. Alsof niet alles wat je opbouwt in kan storten, en alsof juist ik niet al jaren eerder in de meest absolute zin met dat besef geconfronteerd werd (- o nee, hoe veel minder nog mag ik me dát herinneren, van die spiegel die brak en die zeven jaar schuld gaf; steeds als ik hem lijmde raakte alles vertekend – nee, doe toch weg al die vreselijke beelden, weg ermee, zie hoe ik me niets, helemaal niets meer herinner -) zie hoe ik uit het raam kijk, met alle kracht, niet staren maar kijken, wat een ontzettend grote kastanjeboom is dat, dikke duiven zitten erin, een, twee, drie, vier, ik houd niet zo van duiven maar van tuinen des te meer, ook al zijn deze hier net zo min van mij, net zo verboden en onbereikbaar als – stop, wat moest ik ook weer doen? Kleren uitwringen, ontbijt wegzetten, het is intussen al haast donker aan het worden…) Ik probeer in beweging te komen, me om te draaien, maar dan, vanuit mijn ooghoeken, bemerk ik iets en blijf oplettend en roerloos staan: vlak naast het kant en klare ontbijtblad zit een klein, bijna zwart muisje doodstil op het aanrecht. Hij kijkt naar mij, ik kijk naar hem, hij heeft zich rond gemaakt als een balletje van bont met opvallend grote doorschijnende oren en zijn ogen zijn glimmende kralen; precies een speelgoedmuis. Maar al binnen een halve seconde schiet hij langgerekt weg, valt met een bons van het aanrecht en verdwijnt in een spleet tussen de muur en de ijskast. – Dag muis, je had van mij niet weg hoeven gaan, je had best mogen blijven. Jou kan het immers niet schelen of je diner nu een ontbijt is of niet, en zo moet het ook wezen. In elk geval heb je me prachtig weten af te leiden; ik zal nu gewoon het licht aan doen, een ei gaan bakken, koffie zetten, een boek lezen… In twee nog ietwat onzekere stappen ben ik bij het aanrecht, haal de kaas tevoorschijn, snijd er een dikke scheve plak af voor straks, over het ei, en leg de korst vlak voor het muizeholletje.

Want natuurlijk heeft niet iedereen een verleden dat hem constant bedreigt, en als zíj gewoon door kunnen gaan wil ik dat ook kunnen, in dezelfde stad, onder dezelfde weersomstandigheden, via dezelfde routes langs straten en winkels. En als een gesprek dan niet te ontlopen valt, goed: laten wij glimlachen, laten we elkaar vriendelijk groeten en recente belevenissen uitwisselen, laten we afspraken maken en bij het uiteengaan breed wuiven, slingerend op onze fiets; laat dit dan genoeg zijn, geen woord van herinnering, alsof we elkaar op geen andere wijze gekend hebben. Voor hen is wat voorbij ging voorbij, er komt steeds weer iets anders en niets vraagt om rekenschap; want steeds blijft voorop staan dat de dingen hun eigen geschiedenis, hun eigen redenen en hun eigen beloop moeten hebben.
– Maar in hun huis niet ver van het mijne rinkelt soms midden overdag de telefoon, terwijl iedereen naar zijn werk is. Ik ben het, aan de andere kant van de lijn; ik bel als er niemand thuis is, om alleen te kunnen luisteren naar de zoemtoon die met zachte tussenpozen in mijn oor bromt terwijl ik me de kamer voorstel waar nu gelijktijdig, tot in de verste hoeken, een helder parallel geluid weerklinkt; rinkelend langs vensters, deuren en witgepleisterde muren, stuiterend over een blinkende spiegel, hakend achter een grote fotocollage vol bekende gezichten, hinkelend over het kleurig geblokte vloerkleed en struikelend, om het oude bankstel heen, op weg naar de zonnige open keuken waar op het fornuis… maar dan breekt het regelmatige zoemen af en wordt gevolgd door een nijdig, kort aangebonden getuut dat me betrapt de hoorn op de haak doet leggen.
Soms wordt er midden in zo’n rondgang toch ineens opgenomen, maar voor dat soort omstandigheden heb ik van te voren een algemene vraag bedacht; en wanneer ze me antwoorden, hartelijk als altijd, luister ik meer naar de geluiden op de achtergrond en de vertrouwde klank van hun stem dan naar wat er precies gezegd wordt. Mijn eigen reacties klinken misschien werktuiglijk – ja, het gaat goed, nee, er is verder niets bijzonders, ja, ik zal gauw weer eens langskomen – maar hebben dan ook de verdienste geen enkel verleden aan te spreken; ten slotte leverde de plaats die ik toen tussen hen in dacht te nemen geen enkele voorspelling over de huidige omstandigheden, met een gloednieuwe bewoonster die mijn kamers bezet houdt om redenen die, dat begrijp ik heel goed, veel doorslaggevender zijn en veel strikter ter zake doen dan welke herinnering ook.

Nu was ik gewaarschuwd, o ja, maar dan: erg nabij leek het toen allemaal niet, en er was immers een kans dat het zelfs nooit zou hoeven gebeuren. Dat hoopten we allemaal, natuurlijk, maar ik nog het meest, of het minst tegenstrijdig; en dat ik het onderscheid tussen hun positie en de mijne niet voldoende gemaakt heb is stellig mijn fout geweest, mijn eigen vergissing. Maar dan: hun taal, hun wereld was toen ook al zo veel vanzelfsprekender dan de mijne; vaak moest ik over hun zinnen zeer lang nadenken voordat ik de precieze bewering begreep, en als ik hun die dan ten slotte voorlegde, simpel en strak als een sluitrede, bleek nog dikwijls dat dat allemaal niet was wat zij zelf hadden willen zeggen. Het moest zachter zijn, wellevender, vol dubbele ontkenningen en modaliteiten, terwijl ik me juist genoodzaakt zag te zoeken naar betekenissen en consequenties die door geen enkele modaliteit versierd werden. Vandaar misschien ook dat hun ogen wazig werden toen ik, vooral sedert mijn verhuizing, mijn vragen steeds dringender door begon te drijven om hun uitspraken zo scherp te krijgen dat het mijzelf haast pijn ging doen. Hen niet; zij glimlachten terughoudend en veilig, met in hun stem iets van mededogen. – ‘Het lijkt wel alsof jij zelfs je privégesprekken nog in een computer moet stoppen’ zei laatst iemand, verwijzend naar mijn werk en beroep, ‘omgang met vrienden is toch waarachtig wel meer dan een studie in taalvergelijking?’ Dat moest ik beamen, gegeneerd, maar ook treurig. Want ik wist niet precies wat dat ‘waarachtig wel meer’ dan moest zijn als het mij niet buitensloot, aangezien zij onderling steeds opnieuw blijk gaven van een soort elastische consistentie die voor hun eigen positie een volmaakte verantwoording opleverde – en geen enkele voor de mijne. Maar misschien zijn zij daarom ook samen gebleven, en ik niet. Misschien zijn zij daarom gelukkig aan het worden –

In ieder geval heeft mijn werk het voordeel dat het zich afspeelt in een sfeer van volkomen duidelijkheid. Al zodra ik opsta ben ik me bewust van de heldere reeks vaste plaatsen en tijden die zich voor me uitstrekt, te beginnen bij een goed getimede opeenvolging van douchen, aankleden en ontbijten, waarna het nieuws op de radio het teken is om mijn jas aan te trekken, het huis af te sluiten en op weg te gaan naar de bus. Meestal staat die er dan al, dus stap ik in, vouw mijn buskaart scherp langs de voorgeschreven lijn, steek hem in de gele automaat en bekijk, eenmaal op mijn vaste plaats gezeten, tevreden de versgedrukte tijd (do 10 1/4) die me door een mechanisch brein is aangezegd. Het zachte zoemen waarmee de busdeuren zich uitvouwen en sluiten doet me, als er niemand naast of tegenover me is gaan zitten, dicht bij het raampje onderuit zakken, en zonder aan ook maar iets te denken kijk ik naar buiten terwijl de welbekende route probleemloos aan me voorbij trekt. De binnenstad heeft nog iets rommeligs, met hoge, tegen elkaar leunende huizen waar het beddegoed over de kozijnen hangt en groentewinkels allerhande kisten gekleurd fruit op de stoep hebben staan; de bus hotst over de straatstenen en stopt veelvuldig. Maar dan komen de buitenwijken met minder haltes of stoplichten, en het egaal geasfalteerde wegdek ligt tussen brede trottoirs, begrensd door eenvormige huizen waar je van voor naar achter doorheen kunt kijken: ordelijke buurten met soms een reeks goed onderhouden voortuintjes waarin de brievenbus, naast het klaphekje, een groot wit nummer draagt. Dan volgen villawijken, die de aandacht nog minder hoeven bezig te houden, en daarna wordt de bebouwing gaandeweg zowel schaarser als kolossaler: rechthoekige of L-vormige vrijstaande kantoorflats, geflankeerd door beschaafde schuine rijen glanzend gekleurde auto’s. Nu wordt het ongeveer tijd om aan het touw te trekken en uit te stappen; ik ben weer de enige, dat komt door het late uur waarop ik doorgaans begin en ophoud, en alleen voor mij vouwt het portier zich dubbel open en dicht. Ik loop langs een weg met jonge, ontbottende aanplant in vers geschoffelde borders, doorkruis zigzaggend een parkeerterrein, duw tegen brede glazen deuren en ruik de vertrouwde geur die ik me, net als de geur van schoolgebouwen, nooit te binnen kan brengen, maar altijd herinner: hier een mengsel van vloerbedekking, kopiëermachines, koffieautomaten, warme lampen en papier. Een trap op, weer glazen deuren. Langs de receptie, een eindeloos stelsel van witte gangen met blauwe lopers door, stoppen bij de automaat ‘warme dranken’, omzichtig voortwandelen met een gloeiend bekertje koffie, laatste deur door en kijk, iedereen is er al; groeten, jas uittrekken, plaats nemen. Op mijn bureau staat een telefoon, en links heb ik een tafel met een kleine computer waarop ik, na wat koffiedrinken, roken en in het rond kijken, de resultaten van mijn werk van de vorige dag intik. Een televisiescherm vertelt me onder zacht ratelend gebliep in groenig oplichtende cijfers en letters precies datgene wat ik er zojuist tegen beweerd heb; ik leun achterover op mijn bureaustoel met wieltjes, knik instemmend en druk op een knop: wat jij onthoudt, mag ik vergeten. Ik verfrommel een papier, mik het naast de prullemand, sta op, gooi opnieuw, dit keer raak, en ga als beloning een volgende koffie halen. Hoe ik ook op gang kom, het oogt altijd hetzelfde.
De gesprekken die hier gevoerd worden betreffen het werk, en het werk alleen. Men spreekt over eenduidigheid, consistentie, gelijkvormigheid of andere begrippen waarmee woorden, uitdrukkingen en zinnen gecategoriseerd kunnen worden, en de kleine computers die wij afzonderlijk gebruiken geven hun informatie later, vaak ‘s nachts, door aan een grotere, die midden in de kantoorruimte staat en waaraan je ook vragen kunt stellen. Als hij het antwoord niet weet komt dat ofwel doordat de informatie ontbreekt, of omdat de vraag verkeerd gesteld werd: men moet heel zorgvuldig met hem omgaan, en een goed begrip hebben voor de tekens waarin hij zich uitdrukt. Die tekens zijn eenvoudig en doeltreffend, maar verschillen door hun gedeeltelijke willekeur op een, zo vindt men hier, soms hinderlijke wijze van de omgangstaal. Vandaar waarschijnlijk dat vaak wat snibbig tegen hem gedaan wordt: stuurs naar het scherm blikkend kruist men de armen, wipt heen en weer op zijn stoel, heft de handen ten hemel en bewerkt het toetsenbord ten slotte met drie personen tegelijk. Dat moet niet, dat lijkt me niet goed; dat de taal die wij onderling gebruiken steeds maar even vanzelfsprekend en soepel verloopt verhult immers zoveel ernstiger nadelen. Soms meen ik dit soort dingen te moeten uitleggen, bijvoorbeeld tijdens de theepauze, maar er is dan niemand die me tegenspreekt en de computer staat zacht zoemend in ons midden, geflankeerd door twee grote aluminium theepotten en een rommelige verzameling halflege kopjes, terwijl er elke dag weer andere koekjes worden rondgedeeld en wij elkaar beurtelings inschenken.
Op de grens van middag en avond, wanneer de anderen deels samen, deels afzonderlijk vertrokken zijn, ga ik soms alleen voor hem zitten, roep ongericht verschillende termen op en kijk hoe hij zijn lichtende tekens onder een vriendelijk gepruttel aaneenrijgt, verwijdert, verschuift, verandert. Ik denk aan het ajourwerk van magnetische draadjes, ringetjes en lasjes achter zijn scherm, hoe de gegevens en opdrachten daarlangs heen en weer schieten, zuiver als water, niets dan de waarheid. Ik denk aan wat ik hem zou willen vragen, wat ik zou willen dat hij me vertelde en hoe ik hem zou geloven, hem als enige – omdat hij alleen is, op zichzelf als geen ander. Maar ook al heeft hij een nog zo omvangrijk geheugen, hij kent geen herinneringen; dus wat kan hij weten van verwachtingen, vanzelfsprekendheden, van wat dan ook dat niet eerst expliciet en ondubbelzinnig werd ingevoerd? Als ik hem met mijn eigen opvattingen liet programmeren zou ik alleen maar zelf gelijk krijgen, en evenmin iets te weten komen over het systeem van afspraken en vooronderstellingen waarin alle anderen consistent samen konden blijven, en alleen ik telkens faalde.
Ik zucht, sta op en haal mijn zoveelste zwarte koffie. In de gangen brommen al tonvormige reuzenstofzuigers, alle deuren staan open, en schoonmakers met dweilen en zinken emmers vegen bureaus schoon, zetten asbakken met een klap neer en spreken elkaar toe in onverstaanbare talen. De ceremonie van het groeten verloopt nu anders dan tijdens reguliere kantooruren: zij en ik hebben wederzijds iets schichtigs. Wat doe ik hier dan ook nog steeds? Ik loop hen alleen maar in de weg, en bij de koffiemachine is het al zo donker dat ik het plastic bekertje verkeerd houd en mijn rechter hand een stroom heet water over zich heen krijgt. Toch blijf ik, doe de deur van onze kantoorruimte goed dicht, en zit opnieuw voor de computer.
Het is al schemerig hier, en groen oplichtend kijkt hij naar me terwijl ik een sigaret draai en terug kijk. Misschien heeft hij wel zo’n goed geheugen en zo’n perfect gelijk, altijd, juist omdat hij geen herinneringen kent, geen verleden heeft dat hem vragend en verwijtend telkens opnieuw ter verantwoording roept bij alle informatie, elk gegeven, ieder beeld en elk teken dat hij te verwerken krijgt – maar wacht even, aan wiens kant staat hij dan eigenlijk? Persoonlijk zou ik misschien toch wel eens willen weten wat er gebeurt als… – Ik druk mijn tong tegen mijn voortanden, sla de begintoets aan en tik snel, voorovergebogen, de term ‘verantwoording’ in. Laat nu maar eens kijken wat jij dáár van terecht brengt; ik van mijn kant zal alle voorschriften in acht nemen, hoffelijk je complete ceremoniëel van toetsen en tekens respecteren, en dan is de beurt aan jou: vrij van verleden, adequaat en ter zake als geen ander mag je me opheldering geven.

Behoedzaam en geheel volgens de regels beschrijf ik een paar eigenschappen van de term: syntactische, morfologische, fonetische, drie korte zinnen waarin hij voorkomt, en de twee betekenissen die het standaard woordenboek vermeldt. Ik lees de informatie over, zend hem weg en neem een slok koffie. – Wat nu? Nu gaat hij deze twee betekenissen vergelijken met de beschrijving die anderen al hebben ingevoerd zonder dat ik er van af wist: met een derde betekenis, die verklaren zal waarom het woord hen zo veel minder aangaat dan mij. Hij heeft die informatie in zich en moet mij die nu geven; hij is mijn spion, mijn getuige. Dus stuur ik hem de opdracht te zoeken naar betekenis 3, en wacht. Maar op het scherm verschijnt na veel geschuif en gewissel alleen het knipperende teken voor ‘onbekend’. Onbekend – hoezo onbekend? Is de hele term er eertijds nooit ingestopt? Dat kan niet; zo ver kan het onmogelijk gaan. Dus nogmaals: wat is die onbekende betekenis? Waarom noem je hem zo – soms omdat je hem schuilhoudt? Ik druk op toetsen: zoek beter. Zoek nog eens. Ik wil dat je die informatie hebt; ik wil dat je hem geeft. Als jij hem niet geeft geeft niemand hem, en er moet een toegang zijn. Ik blader verwoed in de beduimelde handleiding; misschien is er een speciale methode om verborgen gegevens op te vragen. Op de gang komt het geraas van de stofzuigers steeds nader, steeds dichterbij slaan deuren open en dicht. In mijn hoofd begint iets vreemd hoog te zingen, een beklemde gejaagdheid maakt zich van me meester; ik verslik me in de koffie, mijn sigaret is uitgegaan, en in de schemerdonkere zaal vol lege bureaus licht de vlam van mijn aansteker hoog op. – Dit is onzinnig, laat ik hier mee ophouden; het was maar een proefneming, een spelletje; ik weet heel goed dat hij geen schuld heeft, hij weet het werkelijk niet, ook al hebben nog zoveel andere mensen hem nog zo veel informatie gegeven; deze methode is fout, het is onzin. Maar een felle, duizelige woede begint zich aan me op te dringen, en opnieuw vraag ik naar de derde betekenis, met hetzelfde resultaat; dan naar de ‘andere’ betekenis, de betekenis die anderen misschien gegeven hebben; met als gevolg een dollarteken omringd door haakjes en procenten, wat neerkomt op een foute vraagstelling. Maar mijn vraagstelling is niet fout, mijn vraagstelling is namelijk perfect, en altijd dezelfde: de andere betekenis wil ik weten, niet alleen van verantwoording, maar van alles, alle woorden, zinnen, gedragingen en overtuigingen die ik om me heen waarneem; datgene wat voorondersteld moet zijn, vanzelf schijnt te spreken en voor iedereen aanvaardbaar lijkt te maken dat alles is zoals het is en gaat zoals het gaat, voor iedereen, behalve voor mij. Mijn woede krimpt samen, concentreert zich. Ik kijk fel naar het scherm: verantwoording. Meerv geen/verkleinw geen. Een on buigzaam woord; het heeft dan ook veel te verbergen – voor mij, ja zeker, maar voor hen vast nog wel aanzienlijk meer. Zij vinden computers koud, willekeurig, meedogenloos; maar wat is er zo superieur aan de ondoorzichtigheid van hun eigen informatie? Maakt die hen soms minder onbereikbaar, minder onafhankelijk en vrij van verleden, minder adequaat en ter zake in wat voor hen routine is, de routine van het dagelijks bestaan? – Het begint er trouwens verdacht veel op te lijken dat hun kracht precies daarin ligt: in de ongrijpbare, verhullende termen van hun omgang, waardoor hun zicht op de wereld zo versluierd raakt dat ze onvatbaar worden voor de dreiging die mij, elke dag opnieuw, voor vrijwel iedere waarneming loodzwaar aansprakelijk stelt. Want als zelfs de vastomlijnde schema’s van mijn werk, de strakheid van dit gebouw, de zakelijkheid van onze besprekingen, als zelfs ook het glaszuivere mechaniek van deze schuldeloze machine mij niet veilig kan stellen – misschien zal ik hun geheim dan niet moeten zoeken in duidelijkheid of verborgen kennis, maar in onduidelijkheid: in hun vermogen, alles precies zo ontoegankelijk te laten als het zijn wil. Geen verantwoording, geen derde betekenis, geen aansprakelijkheid; geen rekenschap en geen redenen behalve de loop van de dingen, de gang der historie, of noem maar wat zij het noemen. – Misschien, ja. Misschien moet je daar genoegen mee kunnen nemen.
Ik sta op, ik ben moe genoeg nu om weg te gaan, en in de kamer hiernaast rammelen al emmers en klakken asbakken op stalen bureaus. Ik pak mijn tas, kijk naar de computer. Eigenlijk moet ik hem uitzetten, maar ik kan het niet over mijn hart verkrijgen: hij is zo zeldzaam onschuldig. Een toegift dan? Snel loop ik naar hem toe, wis het scherm schoon en tik met één hand, met de andere de bureaustoel bijtrekkend, het woord ‘drie’ in, voorbeeldig gevolgd door de vereiste gegevens, zoals dat het hier gaat om een telw en wel een hoofdtelwoord met als rangtelw het woord ‘derde’ (zie ook aldaar); het heeft in sommige functies een meerv, in andere een verkleinvorm, en er valt zo vast nog veel meer over te vertellen, maar dat zal ik een volgende keer nog wel uitzoeken. Het gaat nu om de toegift, die ik verstoppen zal tussen de voorbeeldzinnen. Ik wrijf over mijn ogen, maar hoef nauwelijks na te denken over de eerste: vbz I wordt ‘drie is te veel’, en vbz II, direct daar achter aan: ‘in de formele logica kent men de wet van het (of -: de) uitgesloten derde’. Mooi zo, dat is dus duidelijk; met dat soort duidelijkheid zijn hij en ik beiden vertrouwd genoeg. Maar nu voorbeeld III, waarin staan zal wat ik hem aan wil bieden. Even aarzel ik nog, gehinderd door iets, een opkomende herinnering; of misschien ook door één van de strikte richtlijnen waaraan ik me volgens de instructie dien te houden (‘in de voorbeeldzinnen is poëzie geoorloofd, mits kort gehouden en expliciet deel uitmakend van de literaire overlevering’) maar goed, het zij zo; en in fluorescerend groen verschijnt op het scherm achter voorbeeld drie:

hoor mijn vrind
door de bomen waait de wind
er waren drie schepen
de ene ging naar noord
en de andere naar zuid
en de derde kwam nooit weer-om-me
slaap mijn kind
door de bomen waait de wind
en er is maar Eén die
de derde weer-vindt

Terwijl ik naar het scherm tuur – wat blijft er van zo’n liedje over als je de melodie er niet bij hoort – dringt de herinnering van zoëven zich opnieuw, maar nu glashelder op: een vreemd huis met een hoge trapleuning waar ik nauwelijks bij kan, een nieuw ruikende pyama en een logeerbed met een hard plat kussen onder mijn hoofd; mijn vader en moeder zijn weg, ze zijn me niet meer op komen halen, en iemand die mijn tante is zit op het voeteneind en zingt een liedje voor me, dit liedje – ik lig doodstil en probeer niet te luisteren naar haar stem, wie ben jij, waarom doe je veel te aardig, waarom mag ik niet weten waar – ik staar naar een onbekende, gefiguurzaagde lamp aan het plafond, de kale peer in het midden doet pijn aan mijn ogen die ik stijf dicht knijp, handen op mijn oren die gaan gonzen, stijf dicht… – Dan klapt, achter mijn rug, de deur plotseling open en ik veer overeind; er stappen twee schoonmakers binnen. ‘Ik ben al weg hoor!’ roep ik iets te hard, struikel naar mijn bureau, pak jas, tas en das en ren de gangen door, de trap af, naar buiten.
Onderweg, in de bus terug, bedenk ik dat ik vergeten ben het versje weg te zenden en de computer uit te zetten. Morgen zullen de anderen het dus vinden en waarschijnlijk uitwissen, omdat het te lang is, en te weinig ter zake; maar vannacht is het voor hem, en niemand zal ooit weten wat het betekent behalve hij en ik. Het is een oud slaapliedje en het is de grens, de bodem van mijn herinnering.

Nee, jullie hadden gelijk: laten we het verleden voorgoed afsluiten, en alleen nog maar spreken over gebeurtenissen van nu; over gedane boodschappen, een fiets die kapot is, ons werk, onze plannen, en eventueel, zij het zelden, over een heel vroeger van driewielers en roestige zandvormpjes, herinneringen die nog vóór onze eigen aansprakelijkheid liggen; maar laten we het nooit, nooit meer hebben over een recenter verleden waarin we samen waren, en waarin voor het laatst wakker werd gemaakt wat nu voorgoed in slaap zal blijven. Ja, het gaat beter nu, maar vraag me niet hoe ver je gaan moet om te begrijpen dat je nooit meer, zoals vroeger, net zo lang kunt zeuren tot ook het derde scheepje, gepavoiseerd en wel, de haven weer binnen komt stomen. Volgen jullie dit nog? Ik houd nu nadrukkelijk vol dat het er altijd maar twee geweest zijn, want alles is draaglijk zo lang je niet anders gekend hebt. Nee heus, het gaat goed nu. Ik heb fascinerend werk, ik woon comfortabel, en er is ook verder nog zo veel te doen. – En jullie? O, wordt het huis steeds mooier, de verstandhouding steeds beter; dat wil ik graag geloven, alles moet intussen heel vertrouwd en tevreden zijn geworden – computers, houden jullie ook van computers? Nee, daar houden zij niet zo erg van, databanken, volkstellingen, schaakmachines… Haastig begin ik een ordeloze uiteenzetting over mijn computer, wat hij allemaal weet en kan, hoe vriendelijk zijn geluiden zijn en hoe zuiver zijn antwoorden. Maar ik zie hen elkaar aankijken, wegdrijven, ze gaan weg: het is tijd om weg te gaan. Vanuit het raam kijk ik ze na, ik zie hoe ze weggaan naar noord noch naar zuid, en ondanks de krampachtige leegte in mijn hoofd weet ik, en zal ik steeds weten, hoe ik hen gekend heb; ik heb hen gekend.
– Dat er op een gegeven moment een ander zou komen om mijn plaats in te nemen – ik wist het, men had me er van te voren over ingelicht; en ook al was ze nieuw en kende niemand haar, het geld was hard nodig en mijn verblijf werd weliswaar op hoge prijs gesteld maar was daarom niet minder gratis; dus als er een koper kwam moest ik het veld ruimen – niet dan nadat, trouwens, en daar kon ik volledig op rekenen, ook voor mij een volwaardig heenkomen gezocht was. Ik weet het: op de hele procedure is niets, maar dan ook niets aan te merken, en gevoelens of herinneringen zijn hierbij evenmin functioneel of ter zake als bij tollegaatjes en knikkerkuiltjes die het wegdek onbruikbaar maken, of bij de oude geur van potloodslijpsel en bordesponzen in een vervallen schoolgebouw.
‘Hoe bevalt ze trouwens, die nieuwe, kunnen jullie een beetje met haar overweg?’ meende ik zonet toch nog te moeten vragen, terloops in de kast zoekend om hen vervolgens, rammelend met het theebusje, de rug toe te keren. ‘Ja, dat gaat heel goed,’ hoor ik, ‘ze past zich uitstekend aan en ach, wij kenden elkaar immers ook niet allemaal toen we aan het huis begonnen; zoiets regelt zich vanzelf, op den duur’.
Het regelt zich vanzelf dat men komt, dat men weggaat, dat men liefheeft en verwijderd raakt, iets vindt en het kwijtraakt; en heel dikwijls doet de vraag naar verantwoording nauwelijks ter zake. Als de computer geen antwoord geeft is dat niet omdat hij speciaal voor mij iets verborgen wil houden, als de bus niet stopt bij de halte is dat niet omdat juist ik er nu in wil stappen, en als ik degene was die elders moest gaan wonen kwam dat niet omdat het mijn verdiende loon was op grond van eigenzinnigheid, onverantwoordelijkheid of gebrek aan aanpassingsvermogen, maar simpelweg omdat alles zijn eigen beloop heeft en steeds maar weer gaat zoals het gaat; meer valt er door niets en niemand ter wereld nog over te zeggen. Voor de derde en laatste keer is een verlangen onbereikbaar geworden, maar van nu af aan zal ik, met uiterste toeleg, een andere koers varen.
Goed dan, het bezoek is vertrokken; laat ik de kopjes opruimen, de overvolle asbak leeggooien, iets te eten klaarmaken, en intussen uit het keukenraam naar de tuinen kijken voordat de schemering ze geheel in beslag heeft genomen.

Zie hoe het groen iets geheimzinnigs krijgt nu het licht bijna weg is; ver aan de overkant steekt men achter hoge, zeventiende-eeuwse ramen de lamp aan en trekt de lange overgordijnen dicht. – Misschien wil de muis nog komen; dit is het uur van de muis. Ik heb hem niet vaak meer gezien, maar elke dag leg ik wat voor hem neer en het is bijna altijd weg; dat geeft een soort huiselijke voldoening.
Morgen zal ik vroeg naar mijn werk gaan. Als het mooi weer is, zoals vandaag, zal ik niet de bus nemen maar de fiets, en bovendien zal ik ‘s ochtends de vuile was in de gootsteen te weken zetten, dan kan ik die ‘s avonds uitspoelen. Al die dingen zijn practisch, functioneel en voortvarend; en dat is precies wat ik van nu af aan zijn zal.

De volgende dag verloopt geheel volgens plan, en laat in de namiddag fiets ik tevreden huiswaarts, ongestoord door het feit dat mijn achterwiel hartverscheurend piept en één pand van mijn lange zwarte jas tot twee keer toe zo verstrikt raakt in de spaken dat de fiets met een ruk tot stilstand komt.
Terwijl de voordeur, slepend over de krant die op de mat ligt, achter me dicht valt besluit ik dat er nu ook maar meteen een afspraak gemaakt moet worden met mijn oude huis om nog wat laatste spullen daar weg te halen: een versleten maar dierbaar vloerkleed, een grijs gemarmerde melkkoker met ronde gaatjes langs de rand van het deksel, een grote rieten prullemand. Ik stap, mijn jas nog aan, rechtstreeks naar de telefoon; zij zullen nu ook wel thuis zijn. – Maar wanneer aan de andere kant van de lijn een opgewekt ‘Hallo, met Mabel’ klinkt, knijpen mijn ogen zich vanzelf stijf dicht en moet ik de hoorn wel een decimeter van mijn oor af houden. Mabel, dat is de nieuwe bewoonster; ze heeft in het buitenland gezeten en blijkt daar een Amerikaans accent te hebben opgelopen, niets stemt me onverdraagzamer dan dat. Het is verboden de taal te contamineren die de kern van mijn werk is, mijn dagelijks brood; ik ruik al het scherpe parfum waarmee ze ginds, in mijn voormalige kamers, de lucht vergiftigt. Ik maak duidelijk wie ik ben, en dat ik één van de anderen wil hebben. Maar dan zegt ze, terwijl mijn ogen zich gaandeweg heel wijd openen en de hoorn steeds dichter bij mijn oor komt, dat het groots (great) is dat ze me spreekt, dat ze al een paar keer geprobeerd heeft me te bellen omdat ze plotseling terug moet naar de States (the States), waarschijnlijk voor vrij lang, een paar jaar wel, maar dat ze de verdieping hier beslist wil aanhouden, en of ik er voor zou voelen die tegen een vrij lage huurprijs opnieuw te betrekken; dat de anderen in het huis gezegd hadden dat ik dat vast graag zou willen. Ik leg mijn hoofd tegen de stoelleuning, haal diep adem, en kijk naar het plafond. ‘O, zeiden de anderen dat?’ breng ik tenslotte uit. ‘Maar waarom – wat zeiden ze dan nog meer? Vonden ze het zelf ook… ik bedoel, vonden ze – ’ Ik hoor gefluister aan de andere kant van de lijn, dan ‘wacht even, hier komt…’ en vervolgens de vertrouwde stem van één van de huisgenoten. Hij vraagt wat ik vind, of het niet allemaal wat plotseling is, Mabel vertrekt al over een paar weken? Ik vraag wat híj vindt, en de anderen, maar hij lacht onbekommerd: ‘Leuk natuurlijk, best leuk. Wat mij betreft was je…’ – ‘Maar als ze weer terug komt? Wat gaan jullie dan doen?’ Een korte stilte, de telefoon kraakt. ‘Wat ga jíj dan doen,’ antwoordt hij, ‘dat lijkt me een betere vraag. Verder zal het zich heus wel regelen – het is dit keer toch ook prima gegaan?’ Ik zet mijn ene voet dwars op de andere, iets te hard, het doet pijn aan mijn wreef. ‘Je moet er maar eens goed over nadenken,’ vervolgt hij, ‘mijn zegen heb je, wees daarvan overtuigd.’ Ik zwijg even, beloof dan gauw terug te zullen bellen, en leg de hoorn op de haak.
Ik hang mijn jas op, loop naar de keuken en kijk uit het raam. – ‘Het doet nauwelijks ter zake waar men zich bevindt,’ citeer ik, met een strakke blik op de kastanjebomen, ‘zo lang men maar strikt alleen weet te blijven’. Geen verwachting, geen binding; niets, niets dan de feiten. Geen herinnering. Haar parfum uit die kamers zwavelen. – Maar dit hier… begon ik het nu niet juist te leren? Ik zucht, wat een beroering opeens. En wat moet er anders van de muis worden? Dat is toch niet goed, hem in de steek laten. Vreemd trouwens dat zijn kaaskorstje er nog is; krom getrokken en vettig glimmend ligt het naast de ijskast. – Kom, laat ik de was uitspoelen, zo keurig vanmorgen in de gootsteen te weken gezet. Ten slotte heb ik hier ondanks alles toch mijn eigen, overzichtelijke bestaan, met vrijwel niets te verliezen; dat is misschien nog wel zo veilig. Daarginds… Ik kneed het wasgoed, grijp in het koude grijze water. Hee, wat is dat. O god nee. Nee toch. – Op mijn trillende hand waar het vuile waswater in straaltjes van af druipt ligt stijf en roerloos de muis, mijn muis, zijn pootjes krom en bleekroze tegen de donkere, kletsnatte vacht. Mijn muis. Ik leun tegen de muur, staar naar zijn minuscule tandjes, draai hem voorzichtig om op mijn hand, ronde oren, neusgaatjes zo klein als het oog van een naald. Dat komt ervan, dat komt ervan, gonst het door mijn hoofd, je wou hem in de steek laten. Jouw muis hè? Ha. Dat komt er dus van.
Maar dan strek ik mijn rug en schop driftig tegen het kaaskorstje, dat onder de ijskast verdwijnt. Wat komt waarvan, mag ik dat misschien even weten nu. Had ik dan niet de was in de week moeten zetten, niet naar mijn werk moeten gaan en de hele dag de wacht moeten houden om dit te voorkomen; is dit soms weer zoiets dat alleen ik uitentreuren zal moeten verantwoorden? Ik weiger dat, ik doe het niet meer; alles regelt zich immers vanzelf of gaat zoals het gaat enzovoorts, dus ik ken nu mijn plaats, en mijn functie.
Ik ga bij het raam staan, de muis op mijn hand, doe het venster open en houd hem hoog boven de tuinen. Al die bomen die ik geteld, genummerd en benoemd heb, de reeks lange ramen aan de overkant waaruit ‘s avonds het licht grote gele vlakken op het gazon werpt, de serredeuren die de eigenaars op zomerochtenden wijd open doen om thee te gaan drinken aan ronde witgelakte tuintafels – onbereikbare tuinen waar ik alleen maar naar kan kijken, en dat is goed zo; ze behoren anderen toe, en ik zal me er buiten houden. Ik breng de muis, in de palm van mijn hand, dicht bij mijn gezicht en blaas voor het eerst en het laatst zacht over de haartjes tussen zijn ronde doorschijnende oren. Dan strek ik mijn arm en laat hem los, en hij valt, drie verdiepingen omlaag, tussen de struiken in het gras. Ik buig me ver uit het raam, maar kan tussen het schemerige groen niet zien waar hij ligt. Zijn vredige rustplaats daar waar ik nimmer een voet zal zetten: er is er maar Eén die hem ooit nog weer-vindt. Ik droog mijn handen aan de theedoek, loop naar de telefoon en draai met een nieuw, geel potlood één van hun nummers. Ik zal hun mijn besluit nu dadelijk meedelen: zonder verantwoording, adequaat, en ter zake.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, en in totaal schreef ze tien bijdragen voor ons. Dit jaar publiceren we nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘Evenbeeld’, uit het vierde nummer van 1980.

*

Deze wereld, er is geen betere, want hier is alles zelfstandig en stelt me geen vragen meer.
Elders zijn mensen, in groepen of paren; ze zijn steeds samen, en er was ooit een tijd waarin ik daar bij wilde horen. Maar dit werd de plaats waar ik blijven zou, en hier is een mooie, zwart met zilveren typemachine, een armband van glazen kralen, en een zachte, mohairwollen trui, waarvan ik de rechter mouw over mijn hand heen trek om de toetsen van de schrijfmachine glimmend schoon te wrijven. De letters op de toetsen worden beveiligd door een klein glasraampje, in een rond venster van blinkend chroom. Beveiligd waar tegen? Tegen het vuil van mijn vingers.
Ginds, achter de ramen van hun huizen, zijn mensen, mannen en vrouwen. Nu het zomer wordt zullen ze hun vensters wijd open zetten, en zoals ik hier kijk naar de letters van mijn schrijfmachine of de kralen van mijn armband, zo kijken zij naar elkaar, naar elkaars gezicht, handen of gebaren. – Maar wat zij doen heet liefhebben, en wat ik doe niet. Hoe zou ik nog liefhebben, nu ik weet dat ginds alles bezet is? Mijn bestaan kwam daar duidelijk ongelegen; hoe ik het ook inkleedde, men bleef me steeds aankijken met een gezicht, een houding alsof mijn aanblik nooit vanzelfsprekend zou worden. Dus waarom zou ik nog elders mijn best doen, terwijl hier bezigheid genoeg is, stapels papier, talloze bladzijden die ik kan vertalen, uittypen, corrigeren? Ik werk aandachtig, ik zorg dat het goed komt; en hier zal niemand me wegkijken.

Maar zojuist heeft een nieuw, inktzwart carbon mijn vingerafdrukken op iedere getypte pagina zichtbaar gemaakt, en al poetsend en raderend, bladzij na bladzij steeds weer diezelfde zwarte vingers (wat voor vingers? Jouw vingers, jij), dreigt mijn aanwezigheid ten slotte ook mezelf te veel te worden. Toch is dit de kleinst mogelijke wereld en er is geen betere, want alles wat ik ginds probeerde te zijn, tot ieders echo en evenbeeld toe, bleek onder geen voorwaarde langer vol te houden. – Hardnekkig radeer ik verder, en naarmate de resultaten beter worden neemt de dreiging af. Nu ik tot slot, met mohairwollen vingers, ook de toetsen van de schrijfmachine weer schoon heb gekregen rest hier geen spoor meer van mijn aanwezigheid, en gerustgesteld leun ik achterover tegen de hoge stoelleuning, terwijl mijn ogen de dingen op het bureau een voor een opnemen. Naast de stapel papieren links staat, op een dik woordenboek, een melkfles met een rode geranium, daarnaast een aarden potje met pennen en potloden, daarnaast een koperen asbak. Ik strek mijn hand uit om een sigaret te pakken, en de glazen kralen van de armband glijden doorzichtig glanzend van onder de pluizige mouw te voorschijn.
Ik kijk, dus ik ben. Het enige dat ik niet zien wil is mezelf, want daar grenst deze wereld zich af, en er is geen andere.

Wanneer ik tussen de middag het huis uit ga om yoghurt, goudreinetten en een buisje potloodstiften te kopen heb ik geen haast, maar mijn voeten gaan sneller dan nodig is. Het werk ging goed, het weer is zacht en wijst op het voorjaar, waar komt die gejaagdheid vandaan? Altijd dezelfde vraag, nooit een afdoend antwoord. Te veel mensen, te grote gebouwen, ja ik weet het; maar ook een dun, voorzichtig zonlicht over de grachten, mijn zijige fluwelen jas die voor ‘t eerst dit jaar niet dicht hoeft, en bij de kruidenier paaseieren in helder gekleurd staniolpapier. Waarom klopt mijn hart dan alsof het gevaar loopt, tranen mijn ogen tegen de zon, en glippen in de kantoorboekhandel vijfentwintig dunne potloodstiften tussen mijn vingers door om als een ragfijn mikado op de toonbank uiteen te vallen, terwijl ik alleen maar wilde weten hoeveel er in een buisje zitten? Met diezelfde handen heb ik vanmorgen de glazen kralen van mijn armband op een nieuwe draad geregen en daar een minuscuul viervoudig knoopje in gelegd, en met dezelfde ogen heb ik gisteren bij het licht van een felle bureaulamp tot diep in de nacht door gelezen. Maar dat was mijn wereld, aan een tafel bij lamplicht, waar alleen vermoeidheid soms dwingt tot verandering. Daarbuiten echter…

Een luid belgerinkel onderbreekt mijn thuisweg, terwijl nog maar één gracht en een klein straatje me van de voordeur scheiden. Gelaten sta ik stil en leun met mijn tas op een inmiddels door de brugwachter neergelaten slagboom. Traag gaat vlak voor me de witte ophaalbrug omhoog, zodat de vuile onderkant, breed en roestig, haast beschamend zichtbaar wordt. Ik kijk nu aandachtig toe, mijn armen om de boodschappentas geslagen. – Geneer je maar niet hoor, zeg ik in stilte tegen het anders zo sierlijke en op vele prentbriefkaarten afgebeelde brugje, en mijn ogen volgen de zware boot die langzaam en bijna geluidloos tussen de kademuren door glijdt. Het is een open vrachtboot vol grind, twee mannen lopen met stokken langs de boorden heen en weer en op het korte achterdek staat, op een geruite deken, een lege kinderbox met een kleurig telraam tussen de houten spijlen. Het kind zal wel binnen zijn, achter de raampjes van de kajuit. Bij de box staat een zonnestoel, en naast een opengeslagen tijdschrift zit een versleten teddybeer, één arm hangt dun en afgekloven langs zijn lijf. Ik kijk de boot na tot hij plechtstatig de hoek om draait en, in breder vaarwater gekomen, stampend en kolkend zijn snelheid verhoogt. Knopen heet dat, bedenk ik terwijl mijn ogen zich iets toeknijpen tegen de schittering van de zon op het water: hij maakt nu meer knopen. Ik schrik op als de brug zich met een bons in ere herstelt en de bomen piepend omhoog gaan, zodat de tas bijna uit mijn armen gedrukt wordt.
Ik heb nu geen haast meer, en sta lang stil bij een boekenstalletje waar alles één gulden kost, drie boeken voor een rijksdaalder. Eenmaal aangekomen bij het hoge oude huis waarin twee kamers van mij zijn haal ik eerst een onbekende fiets weg bij de kamperfoelie die tegen de gevel geplant is, en kijk dan of er al knopjes te zien zijn. Nee, maar wel talloze nieuwe grijsgroene blaadjes; en aan de voet van de struik, tussen de tegels, heeft iemand twee grote, helder oranje primula’s gepoot.
Deze wereld, er is geen betere.
‘Je waarnemingen doen alles eer aan, zelfs een ophaalbrug kan op je medeleven rekenen en mijn eigen primula op een jampotje water; noem je dat dan geen liefhebben?’
‘Nee, het is vooral kijken, en kijken alleen is voldoende. Als je kijkt neem je niets in bezit, je hoeft geen antwoord; maar bij liefhebben ben je uit op wederzijdsheid…’
‘Aha. En wat is daar tegen?’
‘Je wilt een beloning in de wacht slepen, begrijp je, je wilt iets terughebben; terwijl echt, goed kijken op zichzelf al zo volledig is dat wederzijdsheid, dus als er ook nog terug wordt gekeken, een soort paradox geeft – met als eindpunt het kijken naar jezelf.’
‘Je wilt toch niet beweren dat het einddoel van communicatie een blik in de spiegel zou zijn?’
‘O nee, geen doel, maar een onvermijdelijk gevolg. Wederzijdsheid leidt tot de eerste bewuste blik in de spiegel… en dat is, geloof ik, het begin van een soort einde -’
Wanneer de bezoeker, een medebewoner, na een verschrikte blik op zijn horloge en een haastig ‘Later verder, O.K.?’ langs het hoge trappenhuis naar beneden rent en de voordeur heel in de verte in het slot valt sta ik nog peinzend op de donkere overloop en kijk naar de spiegel bij de kapstok. Hoe zouden mensen zijn die nooit spiegels gekend hebben? Helemaal vrij van zelfbewustzijn? Nee, de spiegel zal gevolg zijn, geen oorzaak. Je wilt, op een bepaald moment, zien wat ieder ander ziet behalve jij: de aanblik die je ook zelf blijkt te bieden, je evenbeeld. Pas dan is je voorstelling van de wereld volledig en kun je haar afsluiten, maar dat betekent tezelfdertijd het begin van een soort einde. Waarom kan ik deze dingen toch nooit duidelijk genoeg uitleggen?
Fronsend ga ik aan mijn bureau zitten, voorzie een smal, groen vulpotlood van de nieuwgekochte spelddunne stiften en teken op een schoon vel schrijfmachinepapier zorgvuldig een grote cirkel, die weer even onzuiver wordt als elke meetkundige figuur waarmee ik mijn gedachten doorgaans orden. Zelfs de simpele raaklijn die ik nu links aan de cirkel trek, als profiel van de spiegel die het wereldbeeld afsluit, valt dun en beverig uit. Dan maar een lachspiegel – trouwens vast niet veel verschillend van het rimpelende wateroppervlak dat ooit Narcissus’ ondergang werd. Het begin van zijn einde… La Mythologie, est-elle une Psychologie? Ik leg mijn armen om het papier heen en denk aan het verhaal van de nimf Echo, die Narcissus zo lief had dat ze, toen wederzijdsheid uitbleef omdat Narcissus alleen zichzelf aanbad, ‘wegkwijnde naar lichaam en geest, en slechts een stem werd die zich alleen kon verheffen om ieder ander tot weerklank te dienen.’ Nog niet zo lang geleden deed ik voor haar nauwelijks onder, maar ik ben er op tijd mee opgehouden zodat ik haar nu, aan de overkant van de cirkel, een tweede, iets beter geslaagde raaklijn kan geven. Zij echoot de wereld, hij spiegelt zichzelf: een ideaal paar, zou je denken, zuiver complementair. En diametraal tegenover alles wat nu nog binnen mijn eigen bereik ligt; maar daar kan ik toch moeilijk spijt van hebben. – Nee, ik heb geen spijt, want dit is de plaats waar ik thuis hoor; zo is dat afgesproken.
Ik vouw het papier twee keer dubbel, kras met mijn nagel de vouwlijnen plat, en teken op de voorkant van het zo ontstane boekje de grote bloem van de geranium; dan links-binnen de doorschijnende melkfles, rechtsbinnen een paar kralen van de glazen armband met het viervoudige knoopje in het midden, en op de achterzijde het vulpotlood dat ik vasthoud. Kijk nou weer, een vulpotlood dat zijn evenbeeld natrekt – soms zijn de dingen ook echt geen grein beter dan de mensen. Gehinderd scheur ik het boekje aan stukken, gooi de snippers in de overvolle prullemand naast het bureau, en trek de schrijfmachine vastbesloten naar me toe. Laat ik toch gewoon mijn werk doen, net als ieder ander. Echo en Narcissus zijn raaklijnen: niets deden ze, helemaal niets, alleen liefhebben, zichzelf of een ander, en misschien is daar even weinig verschil tussen als tussen heel koud en heel warm – van allebei krijg je dezelfde blaar. Waar het op aan komt is datgene wat daar tussen in ligt; alleen daar is mijn wereld, en alleen dat is waar ik naar kijken wil.
‘De kennis die ons via de zintuigen bereikt,’ vertalen de klakkende toetsen van de typemachine, ‘verschaft ons de hoogst denkbare zekerheid. Zien, horen, ruiken en voelen vormen de basis van alle kennisverwerving. Kennis die niet zintuiglijk is, en dus op minder zekerheid aanspraak kan maken, noemen we afgeleid, in die zin, dat…’
De deur piept, en als ik me omdraai komt op dunne rode kousebenen Lisa binnen, het dochtertje van de huisbewoner die voor de primula’s zorgde. Onder haar arm houdt ze het grote mythologische platenboek dat ik haar gisteren heb meegegeven, toen een verhaal niet op tijd kon worden uitverteld.
‘Heb je ‘t gelezen?’ vraag ik.
‘Nee, veel te moeilijk,’ zegt ze, legt het boek bij de juiste bladzijde op het bureau neer, en leunt tegen mijn stoel. ‘Zulke rare woorden, idioot gewoon. Wat is nou – eh…’ Ze strijkt met haar wijsvinger over het opschrift boven aan de bladzijde, Metamorphoses Ovidii. ‘Dat kan ik zelfs niet eens zéggen. Wil jij het uitvertellen?’ Vleiend legt ze haar arm om mijn hals; een groot Mickey Mousehorloge tikt tegen mijn oor. ‘Weet je, dan mag jij ook strakjes’ – ze wil keurend op haar horloge kijken, maar het zit om haar andere arm – ‘daarna dus, bij ons komen eten.’ – Ons, dat zijn zij en haar vader. ‘Dat hoeft niet hoor,’ zeg ik terughoudend, ‘ik heb niet zo’n honger Maar ik wil het verhaal best uitvertellen.’
Tevreden wringt ze zich tussen het tafelblad en de stoelleuning op mijn schoot, duwt bedrijvig de schrijfmachine een eindje weg, en controleert nu met succes de tijd: ‘Nog een half uur hebben we, dan moeten we eten. Jij ook hoor, want je zegt altijd dat je geen honger hebt,’ ratelt ze overredend door, ‘en toch ben je veel te dun, voel maar.’ Ze knijpt vakkundig in mijn bovenarm, en voorspelt meteen daar achter aan op sombere toon: ‘Dus als je niet oppast word jij straks ook nog een steen.’ Daar moet ze in haar eentje smakelijk om lachen, de slimme, sprietige Lisa, die zelf alleen rijst met mayonaise zegt te lusten. Echo, had ik haar gisteren verteld, wilde toen Narcissus haar had afgewezen niets meer eten, en veranderde daardoor ten slotte in een holle stenen grot. – ‘De bosnimf kon alleen nog maar zeggen wat iemand anders ook net gezegd had, weet je nog?’ begin ik afleidend, ‘en Narcissus lachte haar uit, en zei dat ze net een papegaai leek Maar Echo durfde zelf niets te zeggen, omdat ze bang was dat iedereen haar dan vervelend zou vinden, dus praatte ze alleen maar anderen na, om niet…’ Lisa gaat streng rechtop zitten, en prikt met haar vinger in het boek. ‘Dat staat er vast niet,’ corrigeert ze, ‘gisteren zei je dat het voor straf was, omdat ze te veel kletste.’ – ‘Nou ja,’ aarzel ik, en draai aan het knopje van haar horloge, zodat de armpjes van het Mickey Mouse poppetje wild in het rond maaien. – ‘Niet doen!’ roept ze, ‘je maakt alles in de war, jij. En je moet opschieten, want straks gaan we allemaal eten!’ Ik kijk naar haar kleine, koppige profiel vlak voor me; haar halflange krulhaar zit vol pluizige knopen, want ze laat zich door niemand kammen. Berustend trek ik het boek dichter bij en vertel de rest van het verhaal vrijwel letterlijk na, alleen de moeilijke woorden vermijdend. Zo zijn we er binnen tien minuten doorheen, en Lisa hangt wat teleurgesteld tegen me aan zodat ik besluit haar nog wat extra’s te vertellen, over de echoput die ik gezien heb en waar een bandrecorder in bleek te zitten, en over de spiegelzaal van de Frame koning, waar hij maar een klein feest hoefde te houden om al het idee te hebben dat hij het grootste bal van de wereld gaf. Ze gaat wakker overeind zitten en zegt dat er op de kermis ook zoiets is, een Spiegelpaleis, maar ze is er nog nooit in geweest, en wil er nu samen een keer heen. – ‘O nee, dat is niks voor mij,’ zeg ik iets te snel, zodat ze haar gezicht verbaasd naar me toe draait. ‘Je kunt er geen kant op of je komt jezelf tegen, in honderd vormen en vermenigvuldigingen, heus, er is niets leuks aan -’ Ik kijk langs haar heen. ‘Heel vroeger ben ik daar een keer vreselijk verdwaald, ik was toen geloof ik bijna net zo oud als jij…’ dringend tikt haar horloge aan mijn oor ‘… maar volgens mij had je nu allang moeten eten.’ – ‘Ja dat zal wel weer,’ zegt Lisa terwijl ze zich stroef van mijn schoot laat glijden, ‘net nou het een keer echt werd.’ Ze staat al op de grond, en trekt ijverig haar kleren recht. ‘Ga je mee?’ – ‘Waarheen? Naar dat spiegelpaleis? Ik zei toch dat…’ – ‘Nee, ik bedoel meteen, voor te eten,’ antwoordt ze, en kijkt me ondoorgrondelijk aan. ‘Weet je wat?’ vervolgt ze listig, handen in de zij, krullen naar achteren schuddend, ‘je mag kiezen: eten of spiegelpaleis, één van de twee, of allebei.’
Grote V of kleine v, logische Lisa. – ‘Je bent slecht, je chanteert me, en in elk geval moet ik nu werken,’ zeg ik afwerend. – ‘Okee, dan dus niet eten maar wel spiegelpaleis,’ stelt ze meedogenloos vast, draait zich vliegensvlug om, en stuift naar de deur. Voordat ik iets terug kan zeggen rent ze al de trap op en is buiten bereik, alleen haar hoge stem galmt nog na: ‘Afgesproken is afgesproken!’

Afgesproken is afgesproken, A = A, dat is dus zo waar als wat, en het zal moeilijk zijn daar iets tegen in te brengen. Ik zet mijn wijsvinger op een kraal van de armband en druk die hard tegen mijn pols. Ik ben wel vaker met Lisa uit geweest: boodschappen doen, de bloemenmarkt, de dierenwinkel. Ze stopt dan altijd haar linker hand in mijn rechter jaszak, en haar kleurige wanten bungelen werkeloos aan koordjes uit haar windjack. Als zij er niet bij is krijgt de jachtigheid die zich in de stad vaak van me meester maakt niet zo veel kans, evenmin trouwens als de haast hypnotiserende rust waarmee ik soms tijden lang voor de etalage van de kantoorboekhandel, speelgoedwinkel of juwelier kan blijven staren en alles zo volmaakt waarneem dat ik het vervolgens weer even volmaakt vergeet, waardoor dezelfde dingen me telkens opnieuw fascineren. – Anderzijds blijven ze me juist daarom ook altijd onbekend, en bieden nauwelijks enige oriëntatie.
Verstrooid schuif ik het mythologieboek weg en trek de typemachine dichter bij: ‘zintuiglijke waarneming… hoogste graad van zekerheid…’ – ‘t Mocht wat. Afgesproken is afgesproken is veel zekerder, dat is een tautologie. En eigenlijk heb ik ook helemaal geen zin meer in werken. Misschien moest ik maar eens een proeftochtje naar die kermis gaan maken, zodat ik Lisa daar ooit veilig heen kan loodsen en niet weer halverwege de route blijf steken omdat ik dan plotseling terug naar huis wil. – In dat soort gevallen laat ‘wat de hoogste graad van zekerheid verschaft’ me opeens totaal in de steek: kleuren worden geluiden, etalages vlakke spiegelruiten, en voorbijgangers vermenigvuldigen zich tot in het oneindige terwijl ik, ja krullenlisa dat heb je goed doorzien, in steen lijk te veranderen; één keer ben ik, in de starre vaart waarmee ik naar huis terug wou, je warme hand uit mijn jaszak kwijtgeraakt en heb je wanhopig gezocht tot jij me tegenkwam; en uiteindelijk heb je toen zelf de sleutels, die ik tot drie keer toe liet vallen, in het slot van de hoge voordeur moeten steken.

Maar dit keer zal het beter gaan, dat beloof ik je.

In het stadsblad vind ik de kermis aangekondigd als Groot Lunapark met Vele Gloednieuwe Attracties; alles op de grote markt in het centrum van de stad, dus dat is van hier uit te lopen. Waar komt dat eigenlijk vandaan, lunapark? Luna was Diana, ook een bosnimf, maar veel belangrijker dan Echo. Voor Diana een heel plein vol kermis, voor Echo alleen een put met een bandrecorder.
Ik loop in een kwartier naar de markt; nu het avond wordt zijn daar overal schijnwerpers aangestoken, en snoeren gekleurde lampjes verbinden de schetterende, felbeschilderde kramen, tenten, draaimolens en gokmachines met het indrukwekkende pièce de résistance: een metershoge, met honderden lichtjes versierde achtbaan waarop helrode wagentjes pijlsnelle golven, bochten en cirkels draaien. Het hele stadsplein is veranderd in een uitbundig glitterdécor, en met een wat vreesachtige nieuwsgierigheid loop ik er om heen, op zoek naar het spiegelpaleis. Wanneer ik de cirkel bijna rond ben zie ik het staan, iets afgezonderd aan de buitenkant, als om zijn doorschijnende glazen wanden tegen het gewoel te beschermen. Voor de entree, roze met gouden krullen net als vroeger, staat een brede man in een blauw, gegalonneerd uniform, handen op de rug, een platte politiepet op het hoofd. Zo ongeveer moet de ingang van een ouderwets, pluchen animeerhuis er eertijds uit hebben gezien, alleen is de rossige schemering daarbinnen in dit geval vervangen door wit neonlicht op kille spiegels; want hier moet je je met je eigen spiegelbeeld vermaken. – Ik begin me nu steeds slechter op mijn gemak te voelen, maar het wordt dan ook tijd om naar huis te gaan. Mijn doel heb ik in elk geval bereikt, en de volgende keer, samen met ondernemende Lisa, gaat het vast nog weer beter.
Niet ontevreden loop ik zonder al te veel haast terug door een verlaten winkelstraat waar het kermislawaai nog maar heel in de verte doorklinkt, en blijf af en toe bij een verlichte etalage stil staan. – Dan, halverwege, vangen mijn oren uit tegenovergestelde richting opnieuw het geluid van muziek: dit keer echter een soort slepende, jazzachtige melodie, die vaag aan vroeger doet denken. Iemand zal zijn radio wel aan hebben staan, met de ramen wijd open terwille van het voorjaar. Mooie muziek trouwens, traag en een beetje zwaarmoedig. Ze speelden dat indertijd aan het einde van feestjes, of bals, hoe was het ook weer… ik sla rechtsaf, een brede zijstraat in, en kom plotseling tot stilstand. Nog geen vijftig meter verderop, aan de overkant van de lege straat, lopen drie mannen langzaam deze richting uit, en daar kwam die muziek vandaan: de één bespeelt een trompet, de ander een reusachtige hoorn en de derde, als ik het goed zie, een trombone. Ze spelen met een soort afwezige concentratie, volmaakt in het ritme van elkaar en hun voetstappen, en met een rust die de wijde, schemerige straat nog ruimer maakt. Onbeweeglijk blijf ik staan kijken naar hun kalme, geïsoleerde manier van doen; voor iedereen zichtbaar, spelen ze toch alleen voor zichzelf, en dat maakt hun gedrag op een wonderlijke manier vanzelfsprekend. De trompettist, die iets voorop loopt, speelt moeiteloos met één hand, en houdt de andere in de zak van zijn lichte regenjas. Wanneer ze de plek waar ik sta naderen kijkt hij even op en haalt als in een reflex zijn hand uit zijn jaszak. Onwillekeurig doet mijn hand hetzelfde. Bijna onmerkbaar heft hij zijn hoofd iets op, als om te groeten, maar de trage muziek die hij speelt hapert geen moment. Ik merk dat mijn hoofd met een vrijwel automatische spiegelbeweging antwoordt, en wanneer zijn hand weer in zijn regenjas verdwijnt voelen de vingers van de mijne opnieuw het warme, verfrommelde tramkaartje dat al jaren diep in mijn jaszak hoort. Ze verdwijnen om de hoek en ik sta nog steeds doodstil, minuten achtereen. Ook als de muziek al lang uit het gehoor is verdwenen echoot ze nog door in mijn hoofd, en de bijna onzichtbare gebaren van de trompettist kan ik nog steeds in mijn eigen arm voelen trillen.
Dit is de wederzijdsheid die ik ken – er is geen andere. Ooit was er een tijd waarin ik daarvoor leefde, en ieders weerklank en evenbeeld in me droeg; maar vlak voor ik hun grot werd, vol spiegels en bandrecorders, heb ik me omgedraaid om mijn eigen wereld in het gezicht te zien. En ook nu draai ik me om: terug, ik moet snel naar mijn kamer. Het is al helemaal donker geworden en ik had allang thuis willen zijn – zoveel werk immers, ik kan me dit soort pauzes helemaal niet veroorloven.

Snel reppen mijn voeten zich over de straatstenen. Het ranke witte bruggetje, dat diep doorveert en rammelend naschudt als er vóór me een auto over heen rijdt, staat vanwege het nieuwe toeristenseizoen volop in de schijnwerpers, en projecteert zijn rimpelloze, haarscherpe reflectie op het donkere grachtwater. – Et tu, Brute.

Maar als ik, eenmaal thuisgekomen, tussen de jassen aan de kapstok de witte regenjas van Lisa’s vader zie hangen haal ik die haast automatisch van het haakje en trek hem aan. Hij komt bijna tot op de grond, en wanneer ik met lange, ritmische passen op de overloop heen en weer stap waaieren de panden breed achter me mee. Eén hand in de jaszak, nee, de linker, de andere arm gebogen, iets omhoog, hoe is het mogelijk dat hij met één hand tegelijk kon spelen en het instrument vasthouden. Ik hef mijn hoofd iets op, haal de hand uit de jaszak: was het een onzeker gebaar? Met opzet of willekeurig? – Ik zet de deur van mijn kamer, rechts aan de overloop, wijd open, ga terug naar het andere eind van de gang, en kom opnieuw aanwandelen, langzaam, in de maat van de muziek die nog steeds in mijn hoofd klinkt; herhaal dan het tweevoudige gebaar – achteloos, verstrooid, verdiept in iets anders – en sla rechtsaf mijn kamer in, zodat ik na nog een paar passen noodgedwongen voor mijn bureau tot stilstand kom. – Daar staat de typemachine, de geranium in zijn melkfles, en het mythologieboek ligt open bij Metamorphoses. Plotseling gegeneerd laat ik mijn arm zakken, de mouw valt ver over mijn hand heen. Wat is dat nu weer voor raar gedoe. Snel loop ik de kamer uit en houd halt bij de spiegel naast de kapstok. Zie je wel. Hoe groot die regenjas ook is, het blijft onherroepelijk je eigen gezicht dat je, over de hoog opgezette kraag heen, zijdelings aankijkt. Altijd, in specula speculorum. Ik laat de jas traag langs mijn schouders op de grond glijden en blijf zo even staan, als op een witte wolk, voordat ik hem voorzichtig oppak en breed over het hele spiegelbeeld heen hang. – Deze wereld, er is geen andere. Witte lakens over de spiegels: ‘Hier kan alleen fluisterend gesproken worden, want de ramen zijn voorgoed gesloten, en nooit zullen wij weer zo liefhebben.’

Al de volgende dag weet Lisa – met een beroep op het nog steeds mooie weer en ‘omdat er anders weer niks van terecht komt’, want, zegt zij, ze kent mij – haar kermisplan te verwezenlijken. Ook haar vader heeft ze mee gekregen, ze komen samen de trap af. Hij groet me verstrooid, met een half oor naar Lisa’s gekwetter luisterend, en kijkt verbaasd naar zijn regenjas, die nog over de spiegel hangt: ‘Wat is dat nou, heb jij dat gedaan Puk?’ – ‘Natuurlijk niet,’ antwoordt Lisa beledigd, schiet op de jas af en geeft er een forse ruk aan, zodat hij met een plof voor haar voeten valt. ‘Onthulling van het standbeeld!’ juicht ze, en springt voor haar spiegelbeeld heen en weer. – ‘Zal ik hem anders weer eens aantrekken?’ aarzelt haar vader. Ja, waarom niet; het is immers, zoals Lisa, nu vóór ons de trappen afdansend uitzingt, mooi weer, het mooiste weer van de wereld: ‘’t Zonnetje schijnt zo heerlijk schoon, we gaan naar de kermis waar ik woon.’
Wanneer we ten slotte gedrieën langs de grachten lopen en Lisa met de éne hand in zijn witte, de andere in mijn zwarte jaszak voor het eerst drie seconden stil is, zegt hij peinzend: ‘Wat je gistermiddag zei over wederzijdsheid enzovoorts weet je, daar zit theoretisch misschien wel wat in… maar als je me toestaat, praktisch ligt het volgens mij…’ – ‘Hee, niet zo gek praten hé!’ roept Lisa, ‘we doen nou iets leuks hoor! We gaan naar de kermis waar ik woon,’ schalt ze opwekkend, en klapt haar handen met jaszak en al op de maat tegen elkaar. – ‘O.K. Puk, jouw feest,’ geeft haar vader toe, met een grimas in mijn richting, en verheugd begint ze aan één van haar breedvoerige uiteenzettingen over het schoolleven.
Wanneer we op de overvolle kermis aankomen wil ze meteen twee suikerspinnen, een roze en een witte, en gefascineerd kijk ik naar de toverachtige glasdraden die in een ommezien vanuit het niets tot een reusachtige pluim aangroeien. Waar Lisa hapt komen er smalle, felrode strepen in, en een roze pluis hecht zich aan haar ene wimper, zodat ze hevig met haar oog moet knipperen. Op naar de draaimolen, de botsauto’s, de waarzegster, de vliegtuigjes. Lisa draait, botst en zwiert met haast verbeten toewijding; ik sta terzijde met de restanten van de witte suikerspin en zie haar maar zelden lachen. Haar vader probeert de schiettent en biedt mij, onder Lisa’s gespannen goedkeuring, een groen ribfluwelen konijntje aan.

Misschien vergeet ze het spiegelpaleis wel. Dat zou plezierig zijn. Maar ze vergeet het niet. ‘Weet je ‘t echt zeker?’ vraag ik nog hoopvol. Ja, ze weet het zeker. ‘Verdwalen doe je heus niet hoor, dat lijkt alleen maar zo,’ stel ik haar nodeloos gerust voordat ze wuivend in het glazen bouwwerk verdwijnt. – ‘Moet je nou niet mee, het kan daar echt erg unheimisch worden,’ spoor ik haar vader ten laatste nog aan, maar hij meent ‘Ach kom,’ en kijkt met een glimlach, handen losjes op de rug, naar de brede glaswand waarachter al tientallen mensen tastend hun weg zoeken. Daar verschijnt ook Lisa, de armen overdreven voor zich uit gestrekt met tien gespreide vingers, haar onderlip strak naar binnen gezogen. Ze weet niet dat wij haar kunnen zien, want wat binnen in spiegelt is van buiten af raam, net als in politiefilms: iemand probeert voor de spiegel met zijn zakdoek een vuiltje uit zijn oog te halen en in de aangrenzende kamer kijkt zijn ergste vijand hem kalm, want ongezien, pal in het gezicht. Lisa verdwijnt, verschijnt even later op een andere plaats opnieuw en trekt rare gezichten, steekt haar buik vooruit, wappert met haar handen langs haar oren en duikt tot op haar hurken in elkaar, druk in de weer met haar evenbeeld. Ze rent verder en botst vlak voor onze ogen tegen het verraderlijke glas. ‘Ho,’ bromt haar vader naast me. Lisa wrijft over haar neus en kijkt beteuterd. Dan draait ze zich om en verdwijnt opnieuw in de doolhof.
Het is nu zaak me niet in haar te verplaatsen, niet te voelen hoe ze wordt opgeslokt door dat vreselijke labyrinth van verwrongen, gerekte, opgeblazen en ingedeukte beeltenissen waar ik zelf lang geleden, zo oud ongeveer als Lisa nu… nee, niet aan denken, absoluut niet aan denken, niet doen – vertwijfeld hechten mijn ogen zich aan Lisa’s vader die nog steeds in dezelfde ruststand, voeten iets gespreid, armen op de rug, regenjas lang en los, naar de glaswand tuurt en niet schijnt te merken dat de muziek overal om ons heen steeds luider schettert en de hoeveelheid mensen zich razendsnel kwadrateert, multipliceert, tegen me aan botst, over me heen walst – zijn gezicht draait opzij en kijkt me aan, zijn gestalte komt een stap dichter bij. ‘Luister,’ zegt hij, achteloos een lange gekrulde haar van zijn mouw plukkend, een haar van Lisa – ‘ik moet zoals gezegd nog steeds denken aan wat je zei over liefhebben, wederzijdsheid enzovoorts enzoverder…’ ‘Hoezo enzovoorts enzoverder,’ zeg ik gejaagd, ‘ik begrijp helemaal niet wat je bedoelt met Lisa daar in dat afgrijselijke spiegelding, ze moet er al lang uit, en jij staat daar maar en gooit haar haren om je heen…’ – Hij kijkt me verbaasd aan, terwijl ik zenuwachtig aan mijn armband trek en met dezelfde hand naar de glazen muur probeer te wijzen. Mijn duim blijft haken, de armband knapt, en ratelend vallen de kralen één voor een op het plaveisel. Als doorschijnende druppels, glinsterend in de zon, dansen ze nog een paar keien verder, rollen even door, en blijven dan trillend liggen. Hij bukt zich, ik buk me en even kijkt hij me van heel dicht bij aan, zijn ogen blauw als die van Lisa, maar als we ten slotte overeind komen liggen op zijn hand zestien gladde, heldere knikkers. ‘Dat zijn ze allemaal,’ tel ik, ‘geen eentje weg.’ – ‘Kijk, daar is Puk ook al,’ merkt hij op en ik kijk, ja, het is waar. Er ontsnapt me een zo diepe, bevrijdende zucht dat de tranen me in de ogen springen, en ik gegeneerd naar een zakdoek begin te zoeken. Voorzichtig, de hand vol kralen behoedzaam recht houdend, legt hij zijn vrije hand om mijn schouder en zegt zachtjes of hij ‘mag vragen wat er nu allemaal aan mankeert,’ maar ik lach alweer, buk me snel, en zoen de aanstormende Lisa op haar oor. ‘Ha, dat zag ik anders heus wel hoor!’ juicht ze, ‘doe maar niet net alsof jullie niks van plan waren!’ Ze gaat op haar tenen staan om in haar vaders opgeheven hand te kijken. – ‘Hoe vond je het Lisa,’ vraag ik, ‘kon je de weg terug op tijd vinden, toen je er uit wou?’ ‘Wat is daar nou aan,’ schudt ze haar krullen, ‘ik was vanzelf weer bij de uitgang, nou, toen ben ik er nog even in gegaan, en toen ging ik er weer uit, heel gewoon.’ – ‘En vond je het leuk? dring ik aan. ‘Ja hoor, best wel,’ zegt Lisa toegeeflijk, maar haar ogen kleven al weer aan een volgende attractie, en als een magneet wordt ze naar de achtbaan getrokken. – ‘Daar mag ik ook nog in hè?’
Lisa en haar vader in de achtbaan. Mijn jaszak vol warme kralen tuur ik tegen het zonlicht in, hun hels rondtollende rode karretje met de ogen volgend. Morgenavond, als Lisa in bed ligt, wil hij komen praten. – ‘Een lang, ernstig gesprek,’ zei hij, terwijl zijn wenkbrauwen vragend omhoog gingen, ‘goed? Maar ik beloof je,’ vervolgde hij bijna grimmig, ‘dat het niettemin gezellig gaat worden. O.K.?’
‘O.K.,’ heb ik geantwoord, ‘O.K.’

Zijn witte regenjas hangt weer naar behoren aan de kapstok; daarnaast, aan de capuchon, het windjack van Lisa met haar felgekleurde wanten aan koordjes uit de mouwen, en daarnaast mijn zwart fluwelen mantel. Ik zit aan mijn bureau en rijg, voor de zoveelste keer, zestien glaskralen aan een touwtje. Misschien zou ik het inderdaad eens met een elastiekje moeten proberen, zoals Lisa’s vader voorstelde, dat geeft veel meer mee; ik zou de armband ook makkelijker aan en af kunnen krijgen. ‘Het rekbaarheidsprincipe,’ had hij terloops betoogd, ‘is namelijk ver te prefereren boven alles wat strak en onbuigzaam -’ ‘… maar betrouwbaar is,’ zei ik snel, omdat hij duidelijk meer bedoelde dan mijn armband. Hij schudde lachend zijn hoofd, zijn ogen zochten Lisa in de kermismenigte: ‘Daar spreek ik je dan morgen wel over.’
Peinzend zuig ik een natte punt aan het touwtje, en duw het met moeite door de vijfde kraal heen. Dan sta ik plotseling op, loop naar de muurkast en rommel in een oud theeblikje tussen paperclips, punaises, draadjes en postzegels. Geen elastiekje. Natuurlijk niet: in mijn wereld zijn elastiekjes niet nodig. In de zijne – hij praat over liefhebben alsof het een sport is. ‘Jij alsof het een rekensom is,’ was bij de achtbaan zijn voorlopig weerwoord, hand in de zak van zijn witte regenjas, gravend op zoek naar kleingeld. Mijn hand, in mijn jaszak, groef opnieuw de verfrommelde tramkaart op. Ik klap het theebusje dicht en kijk besluiteloos naar mijn bureau met de schrijfmachine, de geranium, een rode zakdoek waarop een bergje glanzende, doorschijnende kralen. – Mijn wereld, er is geen betere, want in deze kamer glimmen geen spiegels meer om mijn aanwezigheid te registreren of na te apen, en hier zal geen echo van buiten ooit nog doordringen; zo was dat immers afgesproken. Elders zijn mensen in regenjassen, er zijn ophaalbruggen, lunaparken; maar hier… ik ga zitten, en pak het touwtje van de armband weer op. Het is klef, ik heb er te veel aan gelikt, en de kraal die ik aanrijg wordt meteen dof van de vingerafdrukken. – Aarzelend schuif ik de bureaustoel opnieuw achteruit, en sta op. Ik loop naar de deur, over de gang, langs de kapstok, de trap op. Misschien heeft hij nog wel zo’n elastiekje over, dan kan ik meteen Lisa even welterusten zeggen. Maar daarna ga ik wel meteen naar mijn kamer en aan het werk, want daar is mijn wereld, en ik hoef geen andere: zo was dat afgesproken.

De Revisor staat garant voor nieuwe literatuur sinds 1974, en daarom blijft het goed grasduinen in onze archieven (bij de DBNL). In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, met de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘De tuin’, uit het vierde nummer van 1979.

*

Toen ik veel jonger was, en nog vrij van verwachtingen, had de tuin al mijn aandacht: in de herfst ving ik er met een lange dunne bamboestok spinnen uit hun web om ze over de schutting te tikken of te begraven, in de zomer lag ik bij de vijver om vliegjes en kleine motvlinders uit het water te redden en ze in een lange natte rij op de rand te drogen te leggen, in de lente pelde ik de knoppen van de bloemen open zodat ze snel genoeg uit konden komen – steeds was de tuin vol opdrachten, en wanneer die uitgevoerd waren klom ik bij de poes op het schuurtje om tevreden heel mijn werkterrein te overzien. Op foto’s uit die tijd stond ik vaak alleen buiten met de handen op de rug en een neus vol rimpels, turend tegen het zonlicht. Jurken met felle strepen en blokken, en ‘s winters een gebreide muts tot ver over de oren: wie zou me uitlachen? Ook anderen hadden nog geen oordeel. Alles was immers gegeven, en daarbinnen was zoveel te doen.

Praten deed ik niet veel, maar waarom zou ik? Wanneer er kinderen kwamen voerden we geen gesprekken, maar speelden, en de enige taal die daarbij nodig was diende tot onderhandelen, hooguit aangevuld met het napraten van een volwassen frase. Hoe zou ik verslag van iets willen doen, een mening geven? Ik was nergens getuige van omdat ik alles volledig meemaakte, en daarop geen enkele aanvulling nodig had.

‘Wat doe jij toch steeds in die tuin?’
Praten is geen getuigenis, maar een bekentenis. Nog voordat mijn moeder, die fronsend in de verbandtrommel zoekt, haar vraag kan herhalen vertel ik vlug van de bij die ik uit de vijver wilde redden, maar die me toen plotseling gestoken heeft, vlak onder mijn nagel. ‘Je bent onderdehand ook veel te oud voor dat soort dingen.’ Een klodder zalf, gaasverband dat aan het eind fel wordt ingeknipt en vastgeknoopt. – Welk soort dingen? Die van de tuin, de vijver, de schuur? Ik staar lang en afwezig naar de verbonden vinger, die vreemd klopt, alsof hij er niet meer echt bijhoort. Ik leg de andere hand ernaast, leg beide over elkaar, naast elkaar, steek ze omhoog. Dan sta ik langzaam op en loop met geheven handen voetje voor voetje naar de spiegel in de gang. Twintig vingers, vier handen. Daarboven donkere ogen met een frons er tussen, en een neus die veel te veel glimt zodat ik er met de rug van mijn goede hand overheen wrijf, het toiletkastje open, en de schildpadden poederdoos van mijn moeder te voorschijn haal. Daarna borstel ik langdurig mijn haar, totdat de krullen wijd uit staan.
Kijk, dat ben ik dus. Ik klap het kastje dicht en loop naar de kamer van mijn zusje om haar de vinger te laten zien. Wanneer ik haar aankijk valt me voor het eerst op dat haar ogen donkerder zijn dan bij mij, en dat ze geen krullen heeft. Ik staar naar haar handen die gladder zijn dan de mijne, met rood gelakte nagels. ‘Wat doe je toch raar’, zegt ze, ‘altijd dat gekijk van jou. Kun je soms niet praten?’ – Ik doe raar, ik doe dingen en ik praat te weinig. Dus haal ik diep adem en doe zo uitvoerig mogelijk verslag van de bij, tot ze verbaasd begint te lachen en vraagt waar ik het vandaan haal: ‘Zo heb ik je nog nooit meegemaakt!’ Als beloning mag ik haar oogschaduw gebruiken, en het zwarte borsteltje voor de wimpers. Wanneer ik me tenslotte met een brede toneelglimlach van de spiegel af draai zegt ze ‘Poeh, chic hoor! Je lijkt wel achttien ineens.’

Daarna beginnen verwachtingen een rol te spelen; de mijne, maar ook die van anderen. Om beide kanten tegelijk tevreden te stellen is het vooral nodig zoveel mogelijk te praten: wervend, bezwerend, omzichtig. Alles wat ik doe lijkt opeens om voorspraak te vragen, en ik begrijp niet meer hoe ik ooit mijn dagen zo vanzelfsprekend door kon brengen, ongezien door hen, maar, vooral, ongezien door mijzelf. Wat deed ik toch steeds in die tuin?
Nu loop ik vier keer per dag op dunne hakken over de bemoste tegels, een hoekige schooltas onder de arm. Het pad naar het tuinpoortje is glibberig en onvast, en als ik laat in de namiddag terugkeer is mijn hoofd zwaar van gedachten over de indruk die ik behoor te maken, wil maken, of in werkelijkheid gemaakt zal hebben. In de zomer zit ik soms wel even buiten, maar dan met mijn gezicht vol zonnebrandcrème om snel bruin te worden. Dat staat gezonder dan de vale kleur die ik overhoud aan al dat denken, dat alleen minder wil worden wanneer ik lees. Dus lees ik zoveel mogelijk; soms moet ik er tot diep in de nacht mee door gaan, ondanks de dreigende contrôle. ‘Wat doe je toch steeds op dat kamertje, moeten we soms nog strengere maatregelen nemen?’ Nee, die neem ik zelf wel – maar naarmate mijn methodes verfijnder worden wordt mijn bewustzijn scherper, sta ik vaker verbeten voor de spiegel, oefen een glimlach en een geestige opmerking voor buitenshuis of een onschuldige blik en een afleidend vertelsel voor binnenshuis, trek aan mijn kleren, knijp in mijn wangen, ruk aan een redeloze krul – maar op den duur lijkt er geen beginnen meer aan, en raak ik het spoor totaal bijster. Er is geen middenweg. Hun wensen verdragen zich niet met de mijne, maar de mijne verdragen zich evenmin met mezelf. Wat ik zelf ben is ooit, lang geleden, zo vanzelfsprekend geweest, dat ik het niet onthouden heb. Ik voel alleen dat er geen enkele vorm op wil passen, alsof iedere verbinding die ik probeer onophoudelijk gevaar loopt. Pas ‘s nachts, als ik in het geheim kan lezen, ben ik veilig – althans voor mijn eigen toezicht. Maar zelfs het geringste kraken van de trap brengt me opnieuw in paniek, soms zelfs zo hevig dat ik, het bedlampje volop brandend, verstard naar betekenisloze woorden blijf staren, tot de deur openklapt in een baan van wit ganglicht, en een stroom van felle verwijten naar binnen slaat. Nog uren daarna lig ik bewegingloos in het donker, met een hoofd dat bonst van het nadenken. De slaap die dan eindelijk volgt is kort en onrustig, en op school zie ik er opnieuw ontoonbaar uit.
Zes jaar gymnasium. En pas dan word ik inderdaad achttien.

Achttien ja, maar achtentwintig? Acht-en-twintig jaar, wie heeft dat voor elkaar gekregen? Al die maanden, weken, dagen moeten in mijn eigen aanwezigheid verstreken zijn – wat deed ik toch steeds, al die tijd? Ik deed te weinig, en ik praatte te veel: om alle indrukken die ik niet wilde maken uit te wissen, die welke ik wel wilde maken voor te bereiden, mijn verontschuldigingen te rechtvaardigen, mijn beweegredenen te herzien. Langzaam maar zeker zag ik zo evenwel kans, me een toereikend aantal vrienden en kennissen te verwerven, en vervolgens legde ik me er met grote opletttendheid op toe het hun in zoveel mogelijk opzichten volledig naar de zin te maken. Hierin ontwikkelde ik een vaardigheid die op den duur nog maar nauwelijks van echt te onderscheiden viel; men kon zelfs denken dat ik een mening had, ideeën, een strikt eigen humor. Maar hoe groter mijn vriendenkring, hoe genuanceerder mijn opvattingen. Ik sprak ieders taal, parafraseerde ieders vertelling – een kosmisch woordenspel dat zich gestaag uitbreidde, totdat er geen gelegenheid meer was waar ik niet perfect bij paste. De gunsten die ik daarmee won werden uiteindelijk definitief bevestigd door de geamuseerde en ontfermende belangstelling van een grote, rustige man, die me eerst zijn boeken leende, toen mee op reis nam, en ten slotte vroeg, bij hem in huis te komen wonen.
Pas daarna begon echter geleidelijk aan tot me door te dringen dat ik me intussen in een wereld bevond waarvan de hoge kwaliteit en de evenwichtigheid me verbijsterden. Hoe was ik hier beland? Waar had ik dat aan te danken? Pogingen ook dit te rechtvaardigen liepen voor het eerst sinds al die overbezette jaren weer uit op het oude, verlammende gevoel dat ik niet zijn kon wat ik behoorde te zijn. Nu had ik dan inderdaad bereikt wat ik wilde bereiken en maakte precies de indruk die ik altijd had willen maken, maar de handhaving daarvan begon langzaam maar zeker boven mijn krachten te groeien. Beelden van heel vroeger drongen zich steeds onweerstaanbaarder op, en gingen groteske verbindingen aan met mijn volwassen bestaan. Volwassen, omdat ik werkelijk al bijna dertig moest zijn.

‘Wat doe je toch steeds met je tijd? Je zegt dat je het overal te druk voor hebt, maar waarmee, dat kun je niet zeggen; zelfs onze dierbaarste vrienden keur je nog maar nauwelijks een woord waardig.’ Reinderts geamuseerde glimlach wordt steeds schaarser, en met welk recht zou ik hem tegenspreken? Dit is de indruk die het maakt, ook al zijn mijn eigen redenen daar nog zo vreemd aan, en het is zeker een feit dat ik nooit aardig genoeg kan zijn om al die vriendschap nog langer te rechtvaardigen. Maar als ik niet meer onderhoudend ben, niet meer praat en lach als voorheen, zal er onherroepelijk van alles aan het licht komen. Want ik weet nu dat ik nog nooit één waarheid gezegd heb. Sinds ik werkelijk begon te praten heb ik ieder woord gelogen. Ik haat mijn stem, haat mijn beeld in de spiegel. Ik haat iedere indruk die ik achterlaat. Ik wil dat gezicht niet meer zien, die lach niet meer horen, ze leggen alleen valse verbindingen. Ik wil niet meer praten. Ik zal niet meer praten, tot ik weet wat ik te bekennen heb.
En zo, verstoken van het enige middel om wat dan ook te verantwoorden wacht ik, star en zwijgzaam, op de aanval die nu zeker moet komen. Want ik weet heel goed dat ik alleen aanvaard werd op grond van medeplichtigheid: al hun meningen waren de mijne, in alles zou ik hen bijstaan en verdedigen; maar nu deserteer ik. Ik blijf zoveel mogelijk binnenshuis, en wacht af.
Waarom komen ze nu niet? Waarom komt niemand me betichten, bedreigen, aangeven? Een verraderlijke stilte neemt langzaam maar zeker het hele huis in bezit. De telefoon en de bel rinkelen steeds minder, en als ik eens iemand spreek, toont men een zo vriendelijke en bezorgde belangstelling, dat ieder houvast me ontglipt, en ik toch telkens weer briefjes wil versturen waarop staat dat het niets geeft, dat het willekeurig is, tijdelijk, dat het hen niet betreft – niet hen? Maar wie dan wel? Wie heb ik dan zo perfide misleid?
Ik verlang naar een vreselijk ongeluk, een ramp die alleen mij treffen zal. Een deur die openslaat en me in een genadeloos fel licht zet, overspoeld door de meest verpletterende aanklachten.

Zo kruipen de dagen en de weken heimelijk verder, en passeert mijn dertigste verjaardag ten slotte vrijwel onopgemerkt. Reindert geeft me een boekenbon cadeau, en ik besef dat ik zelfs met hem alleen nog maar praat om te onderhandelen: wij wisselen mededelingen uit, opdrachten, en als het af en toe toch nodig is een mening te geven kies ik de stem en de formulering van anderen. Wat hem echter vooral moet hinderen is dat ik tegenwoordig geen jij en jou meer kan zeggen: ik gebruik namen. ‘Wil Reindert het zout aangeven?’ ‘Dit huis is van Reindert, en als die er liever alleen in wil wonen…’ Vooral dat laatste zeg ik vaak, omdat hij daartoe, lijkt me, alle reden heeft.
Wanneer ik dan ook, daags na mijn verjaardag, mijn ouders aan de telefoon krijg en hoor dat ze voor een aantal weken naar het buitenland vertrekken, stel ik hen dadelijk voor, hun huis zo lang aan mij uit te lenen. Ze stemmen, zij het na enig overleg, toe, maar tot mijn verbazing is Reindert niet blij dat ik een tijdje bij hem weg ga. Hij wil me in elk geval dagelijks op mogen bellen, en in de weekends zal hij overkomen.

‘En open gaan de zware deur’ – van welke dichter was dat ook weer? Weifelend steek ik, nadat ik op een zonnige herfstochtend mijn oude koffer het bordes op gezeuld heb, de sleutel in het koperen lipsslot. Naar links of naar rechts draaien? Dat vergeet ik altijd. ‘De goede kant op’, repeteert Reindert dan steeds, maar wat is de goede kant? En van mij uit gezien, of vanuit het sleutelgat? ‘Póntos euxéinos’, hoor ik opeens de stem van mijn vroegere leraar oude talen, en meteen, terwijl de brede voordeur in beweging komt, schiet ook de naam van de dichter me weer te binnen. Een veel te gewone naam, ergens rechts bovenaan in een blauw schoolboekje waarvan ik ieder plaatje ter wille van de diepte nauwkeurig nagetrokken en gearceerd heb. Ik kom in het marmeren voorportaal, dat wordt afgesloten door een gegraveerd glazen tochtdeur. Daarachter begint het huis. Ik zet de koffer neer op de plaats waar vroeger mijn schooltas hoorde, hang mijn jas aan een smeedijzeren hanger in de garderobe, loop door naar de grote woonkamer, en beland haast automatisch voor de hoge houten kast waarin de koekjestrommel moet staan. Pas wanneer ik tot de ontdekking kom dat de lange vingers en mariabiscuitjes vervangen zijn door een zondags restant krakelingen met roomboterallerlei klap ik snel het deksel terug, schuif de trommel op zijn plaats, en sluit de kast zorgvuldig af. Dan draai ik me behoedzaam om. Ik knijp mijn ogen stijf dicht, sper ze wijd open en kijk spiedend in het rond. Stil is het hier, en netjes ook. Alles net zoals vroeger, maar alleen zo schoon en opgeruimd; alsof het huis eigenlijk verhuurd wordt. Op mijn tenen loop ik langs het jadekastje, het rooktafeltje en de schemerlamp naar de tuindeuren, trek één van de velours overgordijnen iets dicht, en tuur daarlangs oplettend naar buiten.
Maar wanneer ik dan de tuin terug zie, alles precies zoals ik het bijna vergeten was: de tegels, het grasveld, het vogelhuis bij de vijver, de zware rhododendrons achterin met daarvoor de rode en gele dahlia’s, paarse asters, chrysanten, verlies ik als bij toverslag iedere waakzaamheid, en zie alleen nog maar de tuin terug, De Tuin. De zon schijnt door de ruiten heen naar binnen en maakt me warm en duizelig, zodat ik mijn ogen iets toe moet knijpen en beide handen als een brug tussen het glas en mijn voorhoofd houd. Ik kijk aan één stuk door, en herken alles volledig: het gras is nog nat van de dauw, twee zwarte merels scharrelen bij het tuinpad, en tussen de dahlia’s en asters glinsteren talloze spinnewebben – met of zonder spinnen, dat kan ik van hieruit niet zo goed zien. Zou iemand daar wel voor gezorgd hebben? Opeens weet ik heel zeker wat me te doen staat. Ik wrik de tuindeuren open, steek de veranda over en loop dwars door het natte gras naar de dahliastruiken, die hoog aan dunne bamboestokkken zijn opgebonden. De bloemen schudden zachtjes heen en weer als ik voorzichtig een stok los probeer te trekken, en grote koude druppels vallen op mijn handen. Ik kijk op, en een vuurrode dahlia wiegt vlak voor mijn gezicht heen en weer. ‘Wijnrood, bloedrood, karmozijnrood, robijnrood’, fluister ik vriendelijk, ‘dag robijnrode bloem.’
‘Dag robijnrode bloem’, herhaal ik nu luider, en verbaasd frons ik mijn wenkbrauwen. Wat zei ik daar? Ik kijk naar de bloem, naar de grond, en herhaal opnieuw wat ik zei. Ja? Ook als ik niet kijk en er met mijn rug naar toe ga staan? Met ingehouden adem draai ik me om, en terwijl ik vaag in de verte de open tuindeuren zie, en de kamer daarachter, zeg ik weer: ‘Een robijnrode bloem.’ Het werkt nog steeds! Zodra ik de woorden uitspreek zie ik de bloem erbij, net zo mooi als in het echt, of eigenlijk nog mooier – er lijkt, tussen wat ik zeg en wat er is, een verbinding te zijn die ik nog nooit eerder ontdekt heb. Hoe kan dat opeens? Ongelovig prik ik de dunne bamboestok, die ik nog als een toverstaf vasthield, loodrecht in het gazon en loop langzaam in de richting van de herfstasters, chrysanten, lupinen; ik noem hun kleuren één voor een, hun grootte, hun aantal, en mijn verbijstering groeit. Ik kijk naar het schuurtje en noem de verkleurde wingerdbladeren waarachter het schuil gaat, dan het schuurtje zelf, de schutting, het tuinpoortje; een mus, nog een mus, drie spinnen, de vijver – dit lijkt haast onuitputtelijk, de tuin is zo groot, zou het ook in het huis kunnen, de chinese borden, de eettafel de koektrommel?
Alles, alles lukt. Alles is precies zoals ik het zeg: eerst noem ik iets terwijl ik kijk, dan samen met een ander woord terwijl ik niet kijk, dan, de handen voor de ogen, een hele serie dingen achter elkaar, en het werkt, haast als een extra dimensie: alsof alles pas nu een omtrek, een plaats krijgt. – Tenslotte bereik ik langs duizend omwegen de grote antieke kast, trek hem open en zoek een dik besuikerde krakeling uit de trommel. Ik ga op een stoel bij de tafel zitten, zeg ‘Dit is groots’, en vind zelfs daarin een overdaad aan betekenis. Dan barst ik in lachen uit en lach, schater, schok van het lachen, totdat de krakeling op de grond valt. Ik pak hem op, spring overeind, ren naar de telefoon, en bel Reindert.
‘Hee’, vraagt hij, ‘ben jij dat? Sleutel kwijt?’
‘Nee’, zeg ik, de hoorn pijnlijk hard tegen mijn oor drukkend, ‘nee luister, er is iets wonderbaarlijks. Luister Reindert, ik geef alles namen, en het werkt! Hoor je me? Er zijn robijnrode dahlia’s, oranjegele wingerdbladeren, het tuinpoortje is van groengeverfd hout en rond van boven, en deze krakeling glimt van de gesmolten suiker…’ – ‘welke krakeling’, onderbreekt hij, ‘waar ben je in vredesnaam terecht gekomen? Wat is er gebeurd?’ – ‘Alles’, antwoord ik, ‘overal. Dit is fantastisch, Reindert, ik kom hier in dit huis, ik loop door de tuin, en opeens kan ik alles zeggen omdat ik in mijn hoofd overal beelden van krijg, elk woord heeft betekenis, ik voel wat ik zeg, begrijp je? En omdat ik het voel is het meteen ook waar, bedenk ik nu, zo waar als het maar zijn kan; voor het eerst van mijn leven spreek ik zomaar vanzelf de waarheid! En van de dingen in de tuin kan ik verder alle andere waarheden afleiden, het porselein, de kast, de koekjestrommel…’ – ‘Derhalve de krakeling’, concludeert Reindert. Hij lacht zachtjes. ‘Kijk eens aan, vandaar. En heb je mij toen van de telefoon afgeleid?’
‘Jou?’ Ik aarzel. De geamuseerdheid die ik al maanden niet meer in zijn stem gehoord heb wekt verre herinneringen aan een tijd vol mensen, allemaal mensen, tegen wie ik steeds maar moest praten en praten… – ‘Mensen weet ik nog niet’, zeg ik snel, ‘maar ik ben ook nog maar net begonnen, en alles moet natuurlijk niet tegelijk, zie je. Ik begin namelijk eerst met de tuin, dan de dieren in de tuin, het huis – misschien ga ik hier ook nog wat oude fotoalbums bekijken, dat geeft alvast beelden van mensen, en natuurlijk dan ook een gevoel’.
‘Mogelijk een wat erg historisch gevoel’, meent Reindert. ‘Zou je er anders bijvoorbeeld niet voor voelen als ik mezelf in levende lijve aandiende? Ik ben nu wel erg benieuwd naar je. Vanavond kan -’ ‘Nee, nee, nu nog maar niet’, zeg ik haastig, ‘ik kan beter eerst een paar dagen alleen blijven, dat hadden we toch ook afgesproken? Is dat goed?’
‘Ja hoor’, geeft hij toe, ‘natuurlijk. Maar het is zo heerlijk om je weer gewoon te horen praten. Zul je dat ook zonder tuin blijven doen? Of zouden we nu eindelijk eens echt een benedenhuis gaan zoeken? Dan kun je alle bloemen die je mooi vindt bij elkaar in je eigen tuin planten’.
‘Maar ik hoef ze helemaal niet in het echt te hebben’, antwoord ik afwezig, ‘ik heb ze immers al in mijn eigen hoofd, ik hoef hun namen maar te noemen, of hun kleur, en ik zie ze zo voor me’.
‘En de realiteit dan, zul je de realiteit niet uit het oog verliezen? Hoe zit dat eigenlijk – heb je wel eten daar, dat soort dingen, en vind je het niet vervelend om helemaal alleen in zo’n groot huis te zitten?’
‘Welnee’, zeg ik, en kijk door de openslaande deuren naar buiten. ‘De zon schijnt nog steeds. Schijnt bij jou ook de zon? Nu wil ik weer de tuin in, ok? Tot zaterdag’.
‘Vrijdagavond’, verbetert hij, ‘maar als je me eerder wilt zien, zul je dan bellen?’ ‘Goed,’ zeg ik, ‘ik ga nu naar buiten’.
‘De groeten aan de pioenrozen’, hoor ik hem nog zeggen, en dan ligt de hoorn op de haak. Pioenrozen? Ik weet niet eens wat dat zijn. Eerst beelden, dan namen. Woorden alleen hebben geen enkele inhoud. – En mensen? Natuurlijk wel, mensen wel. Maar waarom kan ik me Reinderts gezicht dan niet voor ogen halen? De dahlia heb ik meteen weer, en de gordijnen, zelfs de telefoon staat me zwart en glimmend voor de geest – waarom hij dan niet? En iemand anders, wie ik ook probeer, evenmin?
Maar wat kan het me ook eigenlijk schelen – snel loop ik de tuin in, trek de bamboestok uit het gras, en wandel prikkend en wijzend over het gazon, door het huis, de trappen op; ik buig me over de balkonrand, uit het logeerkamerraam, over de dubbele wastafel in de badkamer om lang en aandachtig in de brede spiegel te kijken, en breng de rest van de ochtend en de hele middag naamgevend door tot de schemering invalt.
Alles is bekeken, ook mijn kamer boven, de kleur van het behang, het boekenrekje met een stapel oude schoolschriften, de pluche dieren in een mand. Tenslotte ben ik zelfs op de vliering geklommen waar ik, onder een groot wit laken, drie keurig opgemaakte poppebedden ontdek, elk aan het hoofd- zowel als het voeteneinde doodstil beslapen door poppen van mijn zusje en mij. Ik aai ze stuk voor stuk, doe de knoopjes van hun kleren voorzichtig open en dicht, noem hun ingewikkelde namen in alle volgordes. Als ik het laken tenslotte terugvouw is het boven al bijna donker, maar de tuin kan ik, in het laatste licht, nog één keer opzoeken. Het is er heel stil geworden, met schemerige kleuren.
Nadat ik de bamboestok weer op precies dezelfde plaats tussen de dahlia’s heb geschoven doe ik de verandadeuren haast geruisloos dicht, steek de lamp bij de kachel aan, en loop naar het zwarte jadekastje, waar achter twee deurtjes, onderin, de oude fotoalbums liggen. Ik haal een grote beker chocolademelk, zet de koekjestrommel er naast, en leg de albums in een rij voor mijn voeten.
Dan kijk ik foto’s, uren achtereen. Het vloeipapier ritselt tussen de zware, grijskartonnen bladen, en soms is een foto losgeraakt, zodat ik achterop in verbleekt vulpenschrift een seizoen, een jaartal en een paar namen zie staan. ‘Zomer ’53, met Jo, Hans en de kinderen in Bergen.’ Witte zonnehoedjes, een bolderwagen, mijn zusje laat twee handen vol schelpen zien. – Ik lik aan de losgeraakte hoekjes, over vijfentwintig jaar oud spuug heen, en plak de foto boven de gelijknamige tekst in het album. De beelden die nu in mijn hoofd komen lijken de voorafgaande van het huis en de tuin sterker te verbinden, wederzijdser, en dit, bedenk ik opeens, is misschien wat mensen doen: hun voortdurende aanwezigheid geeft je indrukken een sfeer van veilig, vanzelfsprekend toebehoren.

‘Wat doe jij toch steeds in die tuin?’ Plotseling, als ik het vijfde album opsla, schiet die zin even helder door mijn hoofd als de aanblik van deze veel nieuwere, glanzende foto’s. Ze zijn groter, zonder kartelrandjes, en lichter van kleur, terwijl de getoonde kinderen al bijna even groot zijn als wij konden worden. Mijn zusje in haar eerste tweedelige badpak – het seizoen is weer zomer, en het onderschrift draagt een fier uitroepteken. Snel sla ik de pagina’s om; in dit boek zijn ze spierwit, zonder vloeipapier, en het linkerblad is steeds blanco gelaten. De bladen draaien stroef en scheef over de spiraal in het midden, en wanneer ik een onhandige slok chocolademelk neem plenst een leverkleurige vlek over een fotoserie waarop ‘de dochters zich prepareren op een nieuw schooljaar in klasse II resp. V Gmn.’ Grote rollen kaftpapier, op de laatste foto houdt mijn zusje een zojuist geplastificeerde Homerus voor haar gezicht. – Gauw naar de keuken, vaatdoek halen. Het is donker in de gang, en een lichte paniek overvalt me. Wat een onzin ook, die albums, ik heb er allang genoeg van gekregen, wat er verder nog komt interesseert me trouwens ook helemaal niet. Maar wanneer ik de chocolademelk slordig heb weggeveegd blader ik toch gejaagd verder. Jurken met petticoats worden kokerrokjes, sandalen queenies met bandjes. Dan, opeens, stuit ik op een grote, centraal opgeplakte kleurenfoto van mijn ‘zojuist behangen meisjeskamer, voorjaar 1964’. Muren in wit en pastelgeel, rotan stoeltjes met zacht fluwelen kussens, een crème gelakte hoge theetafel met kopjes, de zilveren theelepeltjes staan in het melkkannetje. Het boekenrek, de mand met pluche beesten, de spiegel, die afschuwelijke spiegel – zie ik daar haarspeldjes naast liggen, een vlekkerig doosje mascara, dat kan toch niet? Nee, dat kan niet! Dat moet weg, want als ze die rommel zien – en mijn boek, heb ik dat wel goed verstopt? Ik speur de foto af, dat boek heb ik toch wel weggestopt? Jachtig ga ik met mijn vinger langs de contouren van het lichthouten bureautje, waarop de leeslamp gelukkig in de goede stand staat en niet, zoals ‘s nachts, heimelijk een halve slag naar rechts, boven het bed – dan trek ik met een ruk mijn schouders omhoog, en luister. Het geluid van een sleutel in de voordeur, voetstappen in de hal, de tochtdeur schuift over de loper van de gang… bewegingloos blijf ik zitten, de lamp schijnt fel op het witte blad links, en rechts lezen alleen mijn ogen een nietszeggende reeks woorden: meisjeskamer, voorjaar 1964, meisjeska, mei –
Dan kiert de deur langzaam open, en een stem zegt ‘hee niet schrikken hoor ik ben het – kijk eens wat ik voor je heb?’ Ik kijk op, mijn vingers strak om het album; en wanneer ik Reindert zie staan, half verborgen achter een enorme bos rode dahlia’s, begint alles aan me te trillen en te schokken zodat het zware fotoboek van mijn schoot glijdt, en ik het uitschreeuw van de pijn wanneer de scherpe zijkant tegen de wreef van mijn voet slaat.

Het is nu winter, en de hoog ingesloten rechthoek van talloze achtertuinen, waaronder er één bij ons nieuwe huis hoort, ligt vol witte sneeuwplekken. Ik sta buiten, een zak bloembollen naast me, en een schepje in de hand. Een paar tuinen verderop zijn twee kinderen een schamele sneeuwpop aan het maken; het weer is zo koud en helder, dat ik de aanwijzingen die ze elkaar geven soms vrijwel letterlijk kan volgen. Dit soort dingen moet ik ook gedaan hebben in de winter: met sneeuw spelen, sleeën, schaatsen – maar ik herinner het me slecht, misschien omdat het meestal in gezelschap van anderen gebeurde. In de winter was mijn tuin immers niet minder ontoegankelijk dan deze; er viel nergens iets te doen want de grond was koud en hard, alle insecten waren uit zichzelf al weggegaan, en de vijver lag, donker en diep, vol rotte bladeren. Dus speelde ik in die tussentijd met anderen, en groef alleen af en toe, als de zon scheen, de sneeuw een beetje weg op plaatsen waar de crocussen ooit weer moesten komen.
Ik buk me en krab met het schepje over een kale plek aarde. Keihard. Ik pak een grotere schop, zet hem loodrecht tegen de grond, en stamp met mijn hiel op de bovenrand van het blad. Zelfs als ik mijn andere been daarbij plotseling optil en de schep met een schok mijn hele gewicht te dragen krijgt gebeurt er niets. Hijgend staak ik tenslotte mijn pogingen en kijk met ogen die tranen van de kou naar de witte wolkjes van mijn adem, die wonderlijk snel oplossen in de lucht. Ze brengen me op de gedachte een zware gieter met heet water te proberen, maar wanneer de stoom dampend van de grond slaat bedenk ik dat de bollen zo nog sneller stuk zullen vriezen. Werkeloos staar ik naar de grond, die zwart en nat glinstert van het al weer afgekoelde water. Wat kan ik nog doen? – Na een tijdje draag ik de schop en de gieter terug naar de bijkeuken, en pak voorzichtig de zak bollen op. Vier soorten dahlia’s heb ik gekocht, waaronder witte, die ik nog nooit heb zien bloeien.
Ik recht mijn rug en kijk de tuinen langs naar de twee kinderen, die nu vlak voor hun dwergsneeuwpop een brandende kaars hebben neergezet; terwijl zijn kleine witte hoofd met zwarte koologen langzaam scheefzakt en wegsmelt zingen ze met schelle, lange uithalen een triomfantelijk Wilhelmus.