Deze week wordt De Revisor #32, een themaloos nummer, gepresenteerd op de Grote Revisor Schrijverszomerborrel (sorry niet-schrijvende lezers), met nieuwe literatuur van Basje Boer, Gilles van der Loo, Robin Goudsmit, Sarah Hall (vertaling Karina van Santen en Martine Vosmaer), Karoline Brændjord (vertaling Liesbeth Huijer), Hannah Chris Lomans, Maureen Ghazal, Bibi Dumon Tak, Mariëtte Baarda, Martijn Simons en Naomi Rebekka Boekwijt. Abonnees ontvangen het nummer als eerste (hup, doe nu maar!). Voor de volger van De Revisor zullen veel van deze namen bekend voorkomen. Een lijstje, én uit het archief van het tijdschrift (dank DBNL!) Basje Boers korte, sterke verhaal ‘Bus 71’, uit 2009.

*

Het laatste wat niet van Evelien werd gezien, was dat ze de tuin in wandelde. Ik heb Evelien de tuin niet in zien wandelen. De buurman van boven ook niet. Of de buurvrouw van linksonder. Of meneer Geertsen die bij de overbuurvrouw op visite was en toevallig net het raam op een kier zette omdat het zo benauwd was binnen.
Meneer Geertsen was astmatisch en de zestienjarige dochter van de overbuurvrouw rookte Marlboro Lights.

Het laatste wat ik van Evelien zag, was haar lange rode sjaal die om de hoek van de straat wapperde. Eigenlijk was het geen sjaal maar een stuk gordijn dat Evelien om zich heen drapeerde omdat het koud was. En omdat ze romantisch was. Eigenlijk was het gordijn niet rood maar eerder vaalrood. Er stonden kleine witte bloemetjes op gedrukt.
Evelien had een lok haar uit mijn gezicht geveegd en ze kuste het stukje voorhoofd dat vrijkwam. ‘Dag Jakob,’ had ze gezegd. En omdat ze romantisch was, had ze geglimlacht en haar ogen neergeslagen.
Toen was ze om de hoek verdwenen en ik zei: ‘Dag Evelien’, maar dan tegen haar gordijn.

Drie dagen later was Evelien in haar tuin verdwenen. Of misschien was het diezelfde dag geweest. Of niet in haar tuin maar verderop in de straat. Of in een andere stad.
Ze deed niet open dus ik gebruikte de sleutel die ze me had gegeven voor als ik de planten water gaf. Het rook muf in het huis van Evelien. Droge was hing over de deurpost. De gaskachel stond op stand vier. Een kop koude thee stond in de badkamer, op de wasbak naast de tampons.
Ik deed een voor een de lichten aan. Sommige peertjes deden het niet meer. Evelien had erg veel lampen. En ook een stuk of vijf wekkers.
Haar jas hing over de bank. Ik voelde in de zakken. Portemonnee. Sleutels. Zonnebril. Op de jas lag haar muts maar nergens zag ik haar gordijn. Behalve voor de ramen natuurlijk. Vaalrood met witte bloemetjes. Ik streek er met mijn vingers langs. Ook het gordijn rook muf.

Ik wist dat Evelien niet zou bellen. Maar voor de zekerheid bleef ik thuis. De telefoon rinkelde één, hooguit twee keer per dag. Maar Evelien belde niet.

Soms ging ik naar het huis toe. Dan zette ik alle lampen aan. Maar ik veranderde niets. Ik draaide geen nieuwe peertjes in. En de gaskachel bleef op vier.

Ik dacht na over de dag dat Evelien verdwenen was. Het was een aangename herfstdag geweest met dan weer zon en dan weer regen.
Ik had niet gezien hoe Evelien haar blonde haren had geborsteld voor de spiegel. Ze bekeek haar gezicht van de zijkant, omdat ze wilde weten hoe andere mensen haar zouden zien.
Ik had niet gezien hoe ze bruine suiker had gegeten door een natte vinger in de pot te steken. Ze liet de korrels tussen haar tanden knarsen en keek door het raam naar buiten. De overbuurvrouw had bezoek.
Ik had niet gezien hoe ze de dorre blaadjes van een plant had geplukt. Of hoe ze een tosti had gebakken in de grillpan. Of hoe ze een nat spoor van de douche naar de slaapkamer had achtergelaten toen ze een nieuw scheermesje was gaan zoeken.
De laatste keer dat ik Evelien zag, had ze haar oksels nog niet geschoren. Ze was kleine donkere haartjes met een glimlach erboven. Daar was ik dan weer romantisch van geworden.

Drie maanden na de dag dat Evelien was verdwenen, zag ik haar. Vaalrood gordijn met blond haar erboven.
Ik stond twee meter achter het bushokje waar Evelien zat. Het enige wat ik wilde weten, was welke bus ze wilde nemen.
Bus 71. Ik stapte in. Op de allerlaatste bank zat Evelien. Ze keek naar buiten en tuitte haar lippen. ‘Evelien,’ zei ik maar ze keek niet op. Er waren geen witte bloemen op haar gordijn gedrukt. En bij nader inzien was het geen gordijn en zelfs geen sjaal. Het was een lange jas. Niet vaalrood maar roze. Alleen haar haar was net zo blond als dat van Evelien.
Ze keek op en lachte. ‘Waar ga je naartoe?’ vroeg ik en ik hijgde een beetje. ‘Monnickendam,’ zei Evelien niet. ‘Ik ga theedrinken in Monnickendam. En jij?’
We dronken jasmijnthee. Roze Jas heette Esther. Ik pakte haar hand toen we afscheid namen. Even maar. Ik speelde met haar vingers.
‘Kom je een keer bij me eten?’ vroeg Esther. Ze veegde een pluk haar uit mijn gezicht. Ik dacht niet aan de laatste keer dat ik Evelien had gezien. Esther glimlachte en ze drukte een kus op mijn hoofd. Ik dacht niet aan het vaalrode gordijn.

Esther kookte spaghetti. Ze praatte niet veel. Ik ook niet.
Esther had geen planten. Esther had geen tuin. Esther had een kat en een balkon. Esther had centrale verwarming. Haar gordijnen waren groen.

Ik ben nog een keer in het huis van Evelien gaan kijken. Ik gaf de planten water. Ik draaide drie nieuwe peertjes in. Ik vouwde de was op en ik legde de theekop in de gootsteen.
Ik zette de kachel uit. Ik zette de ramen open. Nu rook het niet meer muf. Nu rook het naar tuin.

Esther schoor haar oksels elke dag maar dat vond ik niet erg. Ik liet een vinger over haar huid glijden, van haar zij tot aan haar vingers, en dan weer terug. Esther kon heel goed tegen kietelen. Ik roemde haar omdat ze zo goed tegen kietelen kon. Ze roemde mij omdat ik niet tegen kietelen kon.
‘s Nachts rolde de kat zich onder de dekens op, tussen ons in. Ik voelde hem spinnen tegen mijn been.

Esther kocht nieuwe kleren. Ik had de jas niet willen kiezen maar ik deed het toch. ‘Deze?’ Ze hield een grijze omhoog. ‘Deze?’ Een zwarte met capuchon. Ik schudde mijn hoofd. ‘Deze,’ zei ik en ik hielp haar in een vaalrood exemplaar met witte stiksels. ‘Die kleurt het best bij je haar.’
Een week later kocht ik een cadeautje voor haar. ‘Een varen?’ vroeg ze met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Ik geef hem wel water,’ voegde ik er snel aan toe.
De week daarna kocht ik een lamp. Een kleine witte voor naast het bed. ‘Ik heb al een bedlampje,’ zei Esther nog. ‘Maar ik niet,’ zei ik, en ik wees op mijn kant van het bed.
De week erop kocht ik nog een plant, een kleintje. Ik verstopte hem achter het gordijn. Esther zei er niets van.
De week daarop noemde ik haar naam niet meer. In plaats daarvan zei ik ‘hé’. Of ik legde mijn hand in haar hals.
Ik gooide haar scheermesjes weg. Ik kocht twee wekkers. Ik deed de was en ik hing een laken over de deurpost.
Esther zei er niets van. Esther zei sowieso niet zoveel meer. Dat vond ik niet erg.

Het laatste wat niet van Esther werd gezien, was dat ze de deur achter zich dichttrok. Ik zag het niet en ik hoorde het niet.
Het laatste wat ik van haar zag, was een blote enkel op de trap van een café. Ik zat aan de bar beneden en keek hoe haar zwarte hakjes tree voor tree uit mijn zicht verdwenen.
‘Dag Jakob,’ had ze gezegd, en ze had erbij geglimlacht. Ik weet zeker dat ze glimlachte.

Drie dagen later opende ik de deur waardoor ze was verdwenen. Ik nam de kat mee en ook wat foto’s. De planten liet ik staan. Ook mijn sleutels liet ik liggen.

Nu kruipt de kat ‘s nachts bij mij onder de dekens.
Hij rolt zich op tegen mijn been en ik voel hem zachtjes spinnen.
De kat heeft nooit een naam gehad. Dat vind ik niet erg.

13 juni 2022 is het honderd jaar geleden dat Willem Brakman (1922-2008) werd geboren. Reden voor een avond in SPUI25, en voor een hername van Brakmans werk in De Revisor. In het dubbelnummer 5/6 van 1997 verscheen zijn laatste bijdrage aan het tijdschrift, een essay: ‘Waarheen met de literatuur?

*

Wanneer deze korzelige vraag, publiekelijk gesteld, als antwoord zou krijgen: ‘Het raam uit’, dan zou dat vermoedelijk grote verbazing wekken om de niet in te dammen boekenvloed en de niet te ontkennen realiteit daarvan. Het gespierder antwoord: ‘Naar groter omzet’ – niet minder reëel – zou dan ook grote instemming oogsten, maar in dat solide tumult kwijnt de literatuur weg als een van de vormen van wat vroeger geest werd genoemd en die al een plaatsje zoekt om te overwinteren, want de hoop sterft langzaam. Dat de literatuur door een overmaat aan schrifturen nog eens in zichzelf ineen zal storten is niet zo bijzonder, het bezwijken onder zichzelf is in vele vormen en op vele gebieden aan te treffen als het blindgeslagen produceren dat niets liever wil dan zichzelf reproduceren. Dat de literatuur daarbij toch nog overeind zal blijven is één van de grote vrezen.
Het zal duidelijk zijn dat het woord literatuur zo langzamerhand twee uitersten dekt: één die naar wij hopen waardig dient te verdwijnen en een die het nog lang zal volhouden onder andere namen. In het recente verleden was er ook in het Modernisme vaak sprake van een mogelijk verdwijnen van de kunst, maar dan als vervulde utopie – Blochs ‘Hoffnung’ concreet geworden – of als grensbegrip waarin geest en natuur zich met elkaar verzoenen, een oud verbond zal zijn hersteld, de natuurbeheersing beheersbaar zal zijn. Kunst in deze context bevestigde het bestaande in geen enkel opzicht, ook niet door er realistisch zo nauwkeurig mogelijke kopieën van te leveren, maar bezag en beproefde de werkelijkheid op wat het in positieve zin zou kunnen zijn. Kunst propageerde zo de vrijheid van de geest tegen de dwang der feiten (een stoot met zekerheid tegen de filosoof Lucacs gericht, de Hoofdestheet van het toenmalige Oostblok, om het humanere van de eigen opvatting te onderstrepen), zij koos voor de regio van het bijzondere om de wereld niet geheel in abstracta te doen ondergaan, toonde haar betrokkenheid op de waarheid door kritisch te zijn en alles veranderbaar te achten tot in het kleinste detail van alledag. Een micrologie van dissonanten om de hoop die daarin zou zijn neergelegd. Aan deze opvatting, hoe fascinerend en nobel ook, kleeft nu al iets bibliofiels, de geur van het met de hand gewevene, van dat wat wordt bewaard in een museum onder een glazen vitrine.
Wie zijn tijd wil begrijpen doet er goed aan niet met de vingertop het oppervlak na te lopen van al wat hij ziet, maar intenties op te sporen en dit bij voorkeur vanuit een voorgaande epoche om de grotere duidelijkheid van de verbanden tussen de totaliteit van die periode en de fenomenen die zich daarin voordoen. Aan een keuze ontkomt men niet en ik kies hier voor een standpunt in het hart van het Modernisme, dat van de immanente transcendentie, het uitgaan van een buiten de ervaring liggend maar het geheel toch bepalend verdwijnpunt, zonder ook maar een enkele maal af te dwalen naar wat voor gene zijde dan ook. Te kunnen zeggen: ‘Ik weet niet hoe de ideale samenleving eruitziet, maar een ding weet ik wel, zoals nú niet!’ en wel vanuit een inzicht in de werkelijkheid. Ook de kunst kan niet aangeven wat onder deze aardse verlossing moet worden verstaan, hoe die verzoening tussen geest en natuur (onder andere onze eigen natuur) eruit zou moeten zien, maar zij kan het tonen. Zij geeft geen nauwkeurige informatie maar laat het oplichten voor verrukte oren of vervoerde ogen. Dat is haar triomf, maar om het momentane ervan ook haar treurnis. Wie naar het juiste woord zoekt, zegt Heidegger, staart in de ruimte van de taal. Wie dan het juiste woord vindt, staat in de vreugde der literatuur. Taal die deze naam met ere draagt definieert haar begrippen niet, is als het ware een systeemloos systeem. Zij omspeelt het hierboven bedoelde met wisselende constructies en samenhangen tot zin en betekenis plotseling vonken. Over dit moment laat zich niet vervoegen, maar het verwerft zich juist daardoor de glans van objectiviteit en waarheid. Het is als het oplichten van een ster aan het firmament, een kort ogenblik om echter weer te verdwijnen achter de horizon. Het lijkt overdreven hier te spreken van een evidentie-theorie van de waarheid, maar ik heb meegemaakt dat een cabaretier zijn avond begon met een gewone zin over het bloemen kopen aan een bloemenkar en aan het eind van de avond in een prachtig gevonden afronding – echter in een totaal andere situatie – dezelfde zin gebruikte en daarvoor een daverend applaus kreeg. Opeens ervoer de zaal, duidelijk met dankbaarheid, hoe al het tussenliggende een vorm, een zin had gehad, een betekenis. Iets had al die tijd verborgen meegelopen maar toonde zich pas aan het eind, in een vervoerd moment.
Het is wel duidelijk dat in de periode van het Modernisme de schrijver de pas aangaf, de lezer volgde, zocht, plooide, wikte en woog en toegang verlangde en hieraan wordt duidelijk hoezeer nu de rollen zijn omgedraaid. Het boeket van talenten waarover de huidige lezer zou moeten beschikken is verschraald, maar niettemin vertegenwoordigt hij als lezer een absolute norm, haast een dreiging, die van het aantal. Zijn bezwaren tegen de categorieën voornoemd, voor hem vervalend en muf riekend, zijn overduidelijk: te esoterisch, te hermetisch, te afzijdig, te veeleisend, eigenlijk de verwijten die deze kunstrichting altijd hebben vergezeld, maar waarin nu de dreiging is opgenomen dat wie niet meehuppelt tot de onaanraakbaren gaat behoren. Kunst is tot kunstindustrie geworden, tot het produceren van kunstwerken voor de massa waarvoor alle productiemiddelen worden ingezet, van mestbesmeurde varkenspootjes tot en met een atoomcentrale en de ruimtevaart. De productieverhoudingen zijn constructies, overgenomen uit de sport, de mode, de film, de reclame, de Hochfinanz. Een universum van galerieën, megatentoonstellingen, kunstboeken, expertises, vervalsingen, schandalen, rijzende en dalende koersen, pseudo-elites, nuffig neergedaalde goden, uiterst moeilijk te doordringen cercles, enkele goeroes en wat vage boventonen van de criminaliteit om het exquise te benadrukken. Zoiets is niet mogelijk zonder een afgestompt kritisch bewustzijn. Nagestreefd wordt een zich plooien naar het dictum van zwaarte, druk, het grootste gemene veelvoud, zoals blijkbaar Susan Sontag voor ogen staat die het welwillende, obsolete lezen waarin het durend kunnen hernemen van eigen overtuigingen is opgenomen als een kostbaar goed, een ‘interpretatief filisterdom’ noemt, een poging het bijzondere te veralgemenen, A door B te vervangen en van X te beweren dat het in waarheid Y betekent. Dat is ook zo als men op consumententoon (die altijd verongelijkt is) verlangt dat alles maar duidelijk behoort te zijn, informatief, een verwachtingspatroon zo gauw mogelijk ingelost, alles uiteraard realistisch is en een duidelijke verhaallijn heeft. De huidige receptie heeft geen tijd meer om zich met bedoelingen op te houden. Het raadselachtige gedicht ‘Mijn broer’ van Hendrik de Vries zou dan ook geen enkele kans meer maken, daar de dichter maar heeft mee te delen welk eind zijn broer leed. Wie de déluge (ach, werd er beter gelezen, en zou er minder worden geschreven…) aan boeken en dat wil dus zeggen biografieën en debuten in ogenschouw neemt, kan letterlijk zien, horen en ruiken hoe de huidige cultuur er een geworden is waarin het lezen de omzet in hoge mate hindert en daarom krachtig in regie is genomen: sterrendom, boek van de week, genie van de maand, de doorbraak van X, het ‘gemaakt’ hebben van Y, zo raadselachtig als natuurfenomenen en niet te vergeten het prijzenbeleid dat velen prijst maar nauwelijks meer onderscheidt. Massa is kit, cohesie, klomp en klont, zij denkt niet maar weegt, drukt, verdrukt, onderdrukt, dreigt. Achter de massa zit de massa die ronkt en bromt als een vloed waarin opeens kolken ontstaan, tijdelijke ordeningen: er mag weer worden gedicht! een nieuwe sensibiliteit is ontstaan! het innerlijke mag weer! de literatuur wordt weer ethisch! etc. Als dat niet postmodern is… Wie zal dit al omvatten, welk forum kan dit bijhouden? Gelukkig is er de grote cesuur, de Eeuwwisseling, de toekomstgerichtheid puur, het zo definitief voorbije van alles en dat geeft ruimte.1 Na zo’n anderhalve eeuw van aanloopjes is de massa nu het absoluut nieuwe. Noemde ik in het bovenstaande de treurnis in de kunst om het slechts momentane gloren van de hoop, deze tijd kent al de positievere beelden: stoeten voorgeprogrammeerde bezoekers werken zich door de musea, zorgvuldig van iedere mogelijke eigen ervaring ontdaan middels kunstprogramma’s, bandjes en folders en op het laatste moment nog een toelichting rechts naast de lijst. Of zij drommen het boekhuis binnen in de illusie daar een eigen keus te doen uit het zo ruime aanbod. Maar die is al elders en door anderen voor hen gedaan.
Misschien zijn er ergens nog wat restanten zorg, nog net toereikend voor de verzuchting ‘de wereld is nu wel genoeg veranderd, het wordt hoog tijd haar te interpreteren’. Maar techniek en wetenschap ijlen voort, zijn een ‘Zijn an sich’ geworden waarin duidelijk pathogene trekken woeden. Het tempo van de vooruitgang, om dit woord maar eens heel losjes te hanteren, is te hoog en laat de mens die als tijdwezen nog ergens in wil wortelen vervreemd en ongelukkig achter met het bizarre gevoel dat de ratio wel een onmiskenbare zegen is, maar dat het toch ook eens om de mens ging en al die dingen en niet over de economischse groei sec, en sluiten maar. Een cultuur waarin dit eens wel centraal stond, wordt verwoest om een cultuur te propageren waarin een mensentype staat opgesteld waarvoor alles hebben niet genoeg is. Te beklagen zijn zij die zich in dat perspectief thuisvoelen en niet missen wat eens geest werd genoemd en waarin dat zo wonderlijke vermogen is opgenomen op zichzelf te kunnen neerzien en muurvaste eigen overtuigingen onder kritiek te stellen en te kunnen herroepen. Exact op dat punt begint een denken dat die naam met ere draagt, de rest is nevel. Dit zichzelf ter verantwoording kunnen roepen gaat teloor in het hoge tempo van deze tijd en wordt weer mogelijk gemaakt door een mensensoort dat zich nergens meer aan kan hechten: de wegwerpmens die en passant ook zichzelf in dat grote gebaar heeft opgenomen. ‘Betrachtungen eines Unpolitischen’ is een veel gehoond boek van Thomas Mann maar het mist geen adeldom van de geest. Bij alle rancune is het toch een nobel boek om de smart van een man die een tijd welke zozeer de zijne was, zag ondergaan en moest geloven in de komende. Een benijdenswaardig man om dit laatste, want dat kón toen nog. Nu verliest iedere politicus die ik zie lachen tijdens de uitoefening van zijn ambt op slag mijn vertrouwen. Lachen kan niet meer. De nieuwe cultuur is de smidse van de massamens, de mens die zich moet nummeren om zichzelf terug te vinden, die in vele gestalten oprukt, onder andere ook in die van de anti-massamens! Hij ontstaat uit de diep in de antropologie gewortelde noodzaak van een laag totaalniveau. Niet té laag, maar één dat beïnvloeding mogelijk maakt en zo de mogelijkheid schept de steeds toenemende bevolkingsdruk te overleven. Met onvermengde gevoelens zie ik onze cultuur overgaan in die van de bewustzijnsindustrie (het elders beschikken over ons vermogen om te kunnen oordelen en te beslissen), de kunstindustrie (als deze cultuur bevestigende) en de vermaak-industrie als men zo vriendelijk wil zijn deze onderscheidingen nog aan te brengen. Een samenleving, hoezeer de ratio en de daarbij horende techniek ook zullen groeien en bloeien, van hyperintelligente platneuzen. Een tijd genadeloos voor de enkeling, de enige hoop van velen. Het waarlijk nieuwe, eens de woonst der ware hoop, wordt tot een automatisme van schandalen, onthullingen en sensaties, de wanhopige speurtocht naar wat nog weet te schokken. Het woord doemdenken hier te gebruiken is een miezerig slimmigheidje de laatste der Mohikanen al het woord te ontnemen voor hij de mond heeft open gedaan. Ik die het woord zo ben toegedaan, hoop het eind der eeuw nog te beleven om mij dan op de grens op te stellen, mij eenvoelend met de gevangen vis die zich verloren weet maar zich het recht voorbehoudt te spartelen. Fraaier is hier echter een Cambronne op verloren post, uiteraard met de zon in de rug, die van pulp en wegwerpboek en met mijn schaduw voor mij uit. Ik zal dan een lokje haar uit het gezicht strijken, maar toch zo vrij zijn om te zien hoe daar mijn schaduw salueert.

 

1. Enige weken na het schrijven van dit artikel vond ik dit bevestigd door een schrijven van het Letterkundig Museum, waarin mij werd meegedeeld dat ik uit de ‘permanente’ tentoonstelling van de Nederlandse literatuur was verwijderd. Verantwoordelijk daarvoor was een ‘projectgroep’, een dynamische naam die al niet veel goeds deed vermoeden, maar wiens activiteiten werden omschreven als ‘zorgvuldig afwegend’. Wat al klinkt als een zwak excuus in deze zo sterke tijden.

13 juni 2022 is het honderd jaar geleden dat Willem Brakman (1922-2008) werd geboren. Reden voor een avond in SPUI25, en voor een hername van Brakmans werk in De Revisor. In het zesde nummer van 1978 verscheen zijn tweede bijdrage aan het tijdschrift, een verhaal: ‘Bedlam’.

*

Weer was het, zo vroeg al in de ochtend, warm en loom. Schenk draaide de deur achter zich in het slot, deed diep ademend een paar passen over het verdorde gras en verstrakte. Wat verderop stond Bolhaar die daar helemaal niet hoorde, hij hield het hoofd gevoelig schuin en op dat anders zo gekwelde pierrothoofd troonde een beate glimlach. Zijn witte en veel te grote handen hield hij zijwaarts uitgestrekt als deed hij aan ballet en hij liet ze rillen en trillen in het prille morgenlicht. Die was zeker toch tussen zijn benen doorgeslopen, dacht Schenk geërgerd, om zich al hupsend en bokkesprongen makend door het park te laten achtervolgen. Maar Bolhaar verkeerde bij nader inzien in een verrukte toestand, zijn diep omschaduwde bolle oogjes waren boller dan ooit en vreemd omfloerst, ze knipperden ook niet, maar tuurden onbeweeglijk naar een punt tussen de bestofte bladeren van de rododendrons. ‘Verdomde hallucinant,’ gromde Schenk. Hij greep de man bij de stakige bovenarm, verbaasde zich vagelijk dat hij zich zo willig liet meevoeren en duvelde hem weer achter de deur tegen de direct naar voren komende drom in. Hij sloot snel af en liep weer terug het park in om aan het uitgelaten gebonk en getik tegen de ruiten te ontsnappen. Opeens stond hij stil. Op een tak zat een vlinder, groot als een Bolhaarhand, de sprieten, dik als breinaalden, cirkelden rusteloos in het eerste zonlicht om de glanzende blauwzwarte kop. De voluit gespreide vleugels waren van een wollig, diep wijnrood en rijkelijk besprenkeld met druppen azuur.
Schenk staarde naar het insekt in een bel van geconcentreerde stilte, hij zag de uiterst gevoelige en nerveuze bewegingen aan de rand der vleugels en een vreemde traagheid doorstroomde hem, een zonnige loomheid waarin her en der kloppende netwerkjes, intieme rode holten en stukjes warme huid. Hij herstelde zich met een ruk, maakte onwillekeurig een beweging en zag het beest wegvliegen, opschokkend en weer neerglijdend, rood en helder tot het verdween om de hoek van het gebouw.
Omdat het al weken lang snikheet was hield Schenk ervan, voordat de therapiegroep losbrak, alleen in het portaal te staan, even niemand die in zijn nek blies, op zijn hielen trapte of voor zijn voeten liep, want de mensen in het gesticht hadden de merkwaardige gewoonte of behoefte om dicht tegen hem aan te willen scharrelen.
Hij moest daarvoor allerlei schijnbewegingen maken, zoals het frummelen aan zijn gulp zodat het leek alsof hij eerst nog even naar de wc moest, of het gebukt en nadrukkelijk de planten bekijken als ging hij ze eerst nog water geven. Maar ondertussen had hij in zijn broekzak de juiste sleutel al opgezocht en hup!… opeens stond hij buiten, de deur achter zich dicht. Tikken en bonzen op de ruiten genoeg, maar daar trok hij zich dan eens niets van aan, het was zijn moment. Als er nog niet doorheen was gedraafd en gesjouwd, deed het zware stenen portaal weldadig koel aan en dat was mooi meegenomen want het waren dagen om te bezwijken van de hitte. Het park lag dan nog stil en ingekeerd en geurde naar alle vakanties uit zijn jeugd. Hij luisterde wat naar het piepen van de vogels, het ploffen van een denneappel en als het zo uitkwam haalde hij uit pure dankbaarheid een bij of een brommer die nog leefde uit een web. Eerst dan gooide hij de boel los, met veel bewegingen en sleutelgerammel, want dat vonden ze leuk. Als hij de kop voorbij zag draven had hij vaak met ze te doen. Energiek waren ze als dijkwerkers, maar na een paar sprongen wisten ze al niet meer waarheen, want al die ruimte opeens verwarde hen blijkbaar bovenmate. Ze rolden en schudden verbijsterd met het hoofd, alsof de hele wereld in brand stond, wapperden met de handen en stootten een vreemd en strottig gehinnik uit.
Na de zware jongens zoals De Zwarte Hand, De Heilige Geest en dergelijke, kwamen de krikkemikken, de bleken, de schuifelaars en mompelaars die besmuikt omkeken of zorgelijk hun zakken volpropten met takjes of bladeren. Nee, dat van binnen naar buiten gaan viel toch niet mee, sommigen wilden na een paar stappen al weer naar binnen of ze zetten er opeens de sokken in als om voor eeuwig in het bos te verdwijnen. Hij moest eigenlijk aan iedereen wat doen, de één een ruk, de ander een duw en hij sprong heen en weer als de duivel in een wijwatervat. Zo ontstond de zogenaamde therapiegroep, iets wat in die dorre weken veel stof deed opwaaien, een wonderlijke knoedel die uitstulpte en bolde als een zak vol woedende katten.
Achter het paviljoen lag de keet materialen. Daar wachtte de Karel Doorman, een plompe zegekar, zo zwaar mogelijk in elkaar getimmerd met wielen ter breedte van een mannenromp en spaken zo dik als een mannendij. Binnen de zware henneptros struikelde iedereen over iedereen en liep men alle kanten uit, maar langzaam en statig rolde de wagen naar buiten en rommelde hij verder over het bospad. Dat leek bovennatuurlijk, maar het terrein helde daar wat. Dit viel niet direct op, maar het was zo en daarom waggelde het hele geval als vanzelf naar de hoop stenen waar hij dan weer vanzelf tot stilstand kwam. Daar werd ingeladen. Stenen blijven stenen, dat is zo, maar hij had het nog niet meegemaakt dat ze elkaar of hem te lijf gingen en uiteindelijk kwam alles in de kar terecht. Wat hielp was nu en dan het goede voorbeeld, Schenk beklauterde dan een wiel en dreunde een brok in de bak met een klap alsof iets dat daar leefde in een keer werd verpletterd.
Aan het slot ruimde hij de verspreide resten zorgvuldig op zodat er geen steen achterbleef, want daar hield Streckfusz niet van. Daarna ging de stoet op pad, dat wil zeggen de Karel Doorman sidderde, kraakte en wiegde, maar rolde dan kreunend vooruit. De verdwaasden trokken van her naar der, wierpen zich naar voren, arm in arm, been gehaakt in been, en nog maar een enkeling ging op de grond zitten of liep de andere kant uit. Er werd in de tros gebeten, kreten stegen ten hemel, maar al met al zette het zoden aan de dijk: de kar rolde.
Er waren drie kritische punten in de tocht: een ondiepe greppel waar de voorwielen zich ingroeven als voor de eeuwigheid, een versmalling in het pad waar van Schenk het uiterste werd gevraagd, en de helling met die verdomde dwarsliggende wortel net op dat punt waar het vehikel toch al achteruit dreigde te sukkelen. ‘Punten van bezinning’, zei Streckfusz, voor wie nog ogen in zijn hoofd had, nog uit zijn doppen kon kijken, er nog een paar op een rijtje had staan. Die kon zien hoe vlak voor zijn giechel alles stilstond, of liever bijna stilstond, om zo te zeggen op een Chinese buikhaar na stilstond en dan toch … weer verder ging. ‘Herstel, herstel, hoe het geboomt, zo zwaar en hoog, opeens ophield met waaien, verstarde en verstilde, gezichten van steen werden, het oog zich vastbeet in het grenzeloze en eerst dan… draaide het wiel weer verder, treurig wiegend, smartelijk krakend.’ Dat zei Streckfusz, niet één keer maar tientallen malen, want hij kon een man zijn van zenuwslopende herhalingen.
Uitladen ging gemakkelijker, de achterklep van de kar ging naar beneden en het puin werd er met de schop uitgeschoven en steeds, hoe lang de stenen ook al waren gebruikt, waaide traag nog wat kalkstof weg tussen de stammen. Weer terug op het uitgangspunt lag krek dezelfde steenhoop weer op hen te wachten, een wonderlijk gezicht, maar zo te zien maakte niemand van de groep zich zorgen. Dit zo raadselachtig weer aangetroffen puin was daar gestort door een volkomen gelijkwaardige groep, maar dan een die langs de achterkant van de gebouwen Zandvoort en Goolgate marcheerde. Waar de ene groep stortte, laadde de andere in – zodoende, en de bedoeling zowel als de nadrukkelijke opdracht was dat de groepen elkaar niet mochten zien opdat, zoals Streckfusz niet naliet te herhalen, het transport een diepere zin zou krijgen. Hij zei alleen niet welke. Misschien zag hij hen daar in het park wel rondrommelen als Sisyfussen in de onderwereld.
Soms kwamen om de een of andere reden de koppen bij elkaar – een val of zo, een inzinking, of de duistere behoefte de koppen bij elkaar te steken – en dan zag hij ze opeens zo dichtbij als onder een vergrootglas: die vliezige ogen, dat vele oogwit, de rusteloos trekkebekkende monden, dat witte vel. En dan dacht hij wel eens: ‘Zou het een straf zijn?… Zou de dikwangige, breedkontige Streckfusz onder het mom van gezonde buitenlucht en slakkenwegspoelende circulatie bezig zijn ze te straffen?’
Het puin dat werd gebruikt was afkomstig van twee huisjes die aan de hoofdweg hadden gestaan, vlak buiten de poort. Daar hadden tuinders gewoond die naar men zei na druiven met grote hardnekkigheid waren overgegaan op komkommers en sla en ten slotte met nog groter hardnekkigheid op tomaten. Op een gedeelte van dat dramatische en noodlottige puin had Streckfusz de hand weten te leggen en dat circuleerde nu therapeutisch over het terrein.
Hoe hij er precies uitzag, Streckfusz? Een zware man met een bleek gezicht waaraan opvallend veel wang viel te bekijken. Vanaf zijn kleine bruine oogjes hing als het ware een wangschort naar beneden, waarin van boven nog een klein neusje was aangebracht en van onder een bolle, vooruitstekende kleine mond. Door dat overvloedige wangvlees kreeg zijn gezicht een wat geschrokken uitdrukking, het trilde en sidderde altijd wel, alsof hij zojuist een geweldige kwetsuur te verwerken had gekregen, en zijn stemgeluid was daar geheel mee in overeenstemming: hoog, hees en verongelijkt. Zijn handen vielen ook op: molshandjes, bol en bijna bewegingloos door het zware spierwerk. Interessant was hij ook van achteren gezien. Dan rolden in een onverzettelijke stap zijn zware spieren, en daar weer omheen rolden niet minder de dikke plooien van zijn rommelige zwarte kleren, zodat hij deed denken aan een oude, stammensjouwende olifant.
Hij gaf ook cursus. Zijn zwaar, lesgevend hoofd bewoog zich dan heen en weer tegen een achtergrond van sterk glimmende anatomieplaten die waren uitgevoerd in bloedrood, citroengeel en kobaltblauw. Op de tafel voor hem stond het uitneembare cursushoofd; ook dat hoofd was van binnen rood, geel en blauw. Het was een hardroze, sterk glanzend hoofd dat aan alle kanten licht weerkaatste, de kin was krachtig en edel van vorm, de mond niet minder sterk en met ruime middelen uitgevoerd, wangen volmaakt in verhouding. De neus was uitgesproken klassiek en het voorhoofd hoog, edel en licht wijkend. De blik van het hoofd was hooghartig tot onverschillig, en omdat die blik ook zo gelijk bleef bij het klokkend en tokkend ontschedelen en onthersenen, werd het uiteenvallen in ziekten en weer samenvoegen tot roze gezondheid saai en moedeloosmakend onbelangrijk.
Het hoofd was overal genummerd, zowel van binnen als van buiten, maar alle stukken die zo geordend en overzichtelijk in elkaar pasten liepen rood en grimassend buiten op het terrein te janklaassen, lagen maanden lang blauw en versteend ergens op een slaapzaal met spitse vingers en lange gele nagels of schreeuwden met gele echoloze stem in een gecapitonneerde cel. In het leslokaal rolden en kantelden ze uit over de glanzende tafel, ze zagen eruit als taartpunten en uit de kleine bolle mond die deed denken aan een diepzeevis stroomden de medische vervloekingen, atrofieën, geel en bruin, woekeringen, depressies, wanen. Een explosie van krimpende en schokkende schimmen warrelde door het lokaal, terwijl het hoofd werd uitgegraven tot een schil met dode ooggaten. Maar wat later gleden ze braaf weer terug in de hoogglans der gezondheid.

illustratieDie täglichen Dinge stehen am Ende…

Er school geen troost in deze nummering van kwalen, maar huiver kleefde aan het zo vaak herhaalde ritueel, aan het zichtbaar worden van een even goddelijke als gruwelijke onverschilligheid. Streckfusz beëindigde daarom de lessen genuanceerd en afwisselend, al naar gelang zijn stemming. Soms wees hij pathetisch op de zoldering en de armoede der psychiatrie, de armste tak der geneeskunde, waar men het nog moest hebben van zo iets als deernis en zorg. Een enkele maal goochelde hij wat bij het heen en weer schuiven der stukken. Dan bloeiden tussen de ziekten opeens een papieren bloem, een speelkaart, brandende sigaret of speelgoedkonijn. Vrolijke fratsen, maar het tegendeel bleef mogelijk. Dan zei hij met ontroerde wangen dat de krankzinnigheid een toestand was die men zich het best kon voorstellen als die van een arm hoofd, verloren in de ijle koude van een hooggebergte of verdwaald in een ondoordringbaar woud vol ploffende beesten en moerassen, of als een hoofd dat langzaam weggorgelde in donker water vol gladde glibbers. Soms was hij opeens zeer tevreden met alles, klopte met eufore dreiging met de vinger op de kop voor hij hem wegsloot en sprak dan:

Klinkt dof geklop uit proffenknok,
Snokt blok na blok vlot in zijn hok.

Kortom hij was van goeden wille.
De dag van de vlinder was wel een abnormaal warme dag, maar zo was het al weken. Men zou kunnen zeggen dat het een tijd was van een ongekende hitte en droogte. Schoolkinderen gingen niet meer naar school, alle groen verdorde, gras werd geel, coniferen werden bruin, iedereen kloeg en in de kranten stonden grote koppen over zonnevlekken, bejaarden die het niet meer volhielden of koeien die een zonnesteek hadden opgelopen en gered moesten worden met cognac.
Dag na dag blakerde de zon aan de hemel, soms een zuchtje, een wolkje als een mans hand, maar het was al ijdele hoop, het bleef droog, en heet. Ook het park had zwaar te lijden, het hout knapte alsof het in het vuur lag, het gebladerte werd grijs, wie hoestte wierp wolken stof op.
In de paviljoens waar de ramen niet open konden, hing een tropisch vochtige broeienis, een lijfwarme onrust, en verveling walmde en krulde door de gangen en zalen. Maar de Karel Doorman werd getrokken; meer dan ooit was het maar goed dat hittige energieën afvloeiden. Het leverde een apocalyptisch beeld, stof wolkte om de groep waarin gezichten rondtolden, knalrood of lijkbleek, en de bewegingen waren breed en dramatisch en welhaast van een submarine gratie.

illustratie… von schmalen Wegen auf einsamen Inseln

Toen zag Schenk de slang. Nog maar een paar daagjes na die vlinder golfde hij opeens dwars over het pad in zijn geluidloos wereldje, zonnig bruingeel en met een flonkerend gouden kroontje op de kop. Hoewel hij het beest scherp genoeg zag, duurde het toch even voor het tot hem doordrong, maar toen was het al weer verdwenen en moest hij zijn schrik laten wegebben in de omneveld voortstrompelende groep die blijkbaar niets had gemerkt. In die tijd kwam ook Nel Snoep binnen. Op het onheilspellende verblindende midden van een middag werd ze afgeleverd, en niet gillend maar hoog en luid zingend. Dat was op zichzelf al ongewoon, maar tijdens een hittegolf die steeds weer de voorpagina haalde, die een katastrofe was voor vee, oeroude bomen, gazons, fruittelers en boeren, was dat toch nog anders. Iedereen, in huis en op het terrein, schrok op bij die kwetterende coloratuur alsof de dreigende ondragelijke hitte eindelijk een stem kreeg, een sopraan, vreemd hoog en veraf koerend als een sirenenzang. Hij zag haar voor het eerst op een middag toen Streckfusz om allerlei zaken afwezig was en zijn ronde werd overgenomen door dokter Hofman van de vrouwenkant, een rond, zacht pastelkleurig vrouwtje, aan de mannenkant bijgenaamd ‘’t handneukertje’.
Het was een moeilijke ronde, alles was warm als in een publiek badhuis, en waar een gordijn maar even kierde stak de zon naar binnen als een dolk. Irritaties en spanningen dropen van de muren, uit de rijen doorwoelde bedden stegen onweer en groene miasmen, er werd geschreeuwd, gespuwd, geonaneerd en zelfs de anders toch in zo’n volgzame christuswaan gedompelde Pauw sloopte de zenuwen met zijn maniakaal en gillend herhaald: ‘Zij krijgt een taartje!… Zij krijgt een taartje!’
Na het inferno van de zalen volgde Snoep in de isoleer. Om de hitte gingen ze niet naar binnen, maar hielden het bij ‘t luikje. Toen het zijn beurt was, rook hij op de plaats die door het roze, blonde Hofmanhoofd was ingeruimd nog een vleug parfum. Misschien was zo iets al voldoende, want hij zag en hoorde verder veel vleselijks. Door de razende trippel bestond Nel Snoep geheel uit stukjes: een groot hartvormig gezichtje, krijtwit gepoederd, waarin grote donkere zwuifogen en een zwaar aangezet pruimemondje. Verder in snelle opeenvolging mooie ronde, maar wel belachelijk smal uitlopende armpjes en beentjes, een roes van golvende heuplijnen, rode nageltjes en een gelakte, gitzwarte kap haar, waar geen beweging in zat en waaruit zich een dikke krul over het bolle voorhoofdje had gelegd. De cel was tot aan de nok gevuld met een vogelachtig getjilp, getippel, met hikjes, gilletjes en tierelierende melodietjes. Zacht misselijk van nog een vleug parfum klapte hij het raampje dicht en dacht diep na, dat wil zeggen hij steunde het voorhoofd even tegen het hout van de deur en verloor zich in vage herinneringen. Ten slotte kwam hij tot de conclusie dat het allemaal tot de vrouwenafdeling hoorde en dat hij daar dus niets te maken had. Dat meende hij, maar door het gezang waren loop en lot van Nel Snoep goed te volgen. Na enige tijd klonk het gekwinkeleer flardsgewijs uit het vrouwenpaviljoen, wat later zwakker en zeldzamer uit de villa van Streckfusz, waar ze hielp in de huishouding. Daar was ze ook een enkele maal te zien, wit van huid, zwart van haar en met charlestonbeentjes. Werken deed ze nooit. Haar rode nageltjes kwamen nog een keer ter sprake. ‘Het gaat goed met Snoep’, zei hij uit gepeinzen opschrikkend tegen de hoofdverpleger Flohil die juist passeerde. De strenge man maakte zwijgend een o’tje met duim en wijsvinger van de linkerhand waarna hij zijn andere wijsvinger daardoor heen en weer liet gaan. Een antwoord waarmee hij nog alle kanten uit kon.

Op een avond toen hij dienst had liep Schenk nog een eindje om door het park en dacht aan Floris Verster, die zo prachtig de tuin had getekend van het gesticht Endegeest. Een vreemde ontroerende tekening vanwege de groenzwarte bomen, waarachter zo onhandig en verdrietig een vlek oranje is gekrast. Bij de vijver trof hij Streckfusz, die roerloos in het water stond te staren.
‘Waar denk je aan?’ vroeg hij, toen Schenk vlak bij was.
‘Aan Floris Verster,’ zei deze.
‘Toen ik hier zoëven heen liep,’ zei Streckfusz, ‘moest ik opeens denken aan mijn kinderangst. Merkwaardig dat hij eigenlijk precies deed waar ik toen bang voor was.’
‘Wie?’
‘Pauw natuurlijk, het is bijna volle maan dus die wil wel. Als kind had ik angst dat Jezus opeens vanachter een boom of struik tevoorschijn zou springen, met zwarte ogen, zwarte mond en grote uitgestrekte wurghanden.’
Schenk keek zuur in het duister. ‘Pauw, waar was die nou weer zo gauw doorheen geslopen?’
‘En ja hoor, daar stond hij in vol ornaat,’ zei Streckfusz en wees ergens in het duister, ‘in zijn nachthemd, met die kroon van hem op zijn hoofd en zijn armen omhoog of hij een ballon vasthield. ‘Was me maar rein,’ riep ik in een goeie bui, ‘was me rein met Uw bloed o Heer, maak me wit als wol.’ Maar hij goochelt er danig op los, zet ogen op als schotels, doet de maan doorkomen en laat zijn doorboorde handen zien en voeten, zo wit als porselein.
‘Zo is het wel goed Pauw,’ riep ik, ‘laten we naar binnen gaan, want het is al laat, iedereen is al naar de couzee’ en opeens is hij weer weg. Die dingen zijn vervelend. Wie had er dienst?’
‘Ik,’ zei Schenk.
Streckfusz schopte een stokje in het water, de vijver rilde. ‘Veel bijen dit jaar,’ zei hij na een poosje. ‘Staan hier ergens korven?’
‘Nee,’ zei Schenk. Het klonk erg kortaf, maar hij had geen zin er nog iets aan toe te voegen.
‘Er zijn hier bijen,’ zei Streckfusz, ‘knap grote, pruimgroot zou ik zeggen.’ Ze zwegen een tijdje. Het was windstil, de maan maakte de hemel melkwit, maar zette het park vol donkere gestalten en zwarte schaduwen. De vijver was als een inktplas.
‘Zulke menselijke beesten,’ zei Streckfusz, ‘dikke wollen truitjes, die knopvoetjes zijn net gymschoenen en dan die venijnige bezige bekjes…’
‘Ik moet eens uitzoeken hoe hij eruit is kunnen komen,’ zei Schenk. Streckfusz draaide zich om en begon hoofdschuddend naar het pad te lopen. ‘Zo groot als een pruim verdomme,’ zei hij. ‘Doodgriezelig…’

illustratieDie täglichen Dinge schweben weg- und bezugslos im Raum

Zo trokken wanen en melancholieën een kar door het park in stee van te dommelen aan de bron. Op overzonnige hoekpunten regelden helwitte verplegers het storten en laden en hielden de moed erin. Schenk trok trouw mee met de kar en had zo de gelegenheid de troep van dichtbij te zien veranderen. De zure stank van zweet nam toe, de monden zakten smartelijk nog verder open, de koppen werden bleker en stiller, maar de ogen dwaalden donker en onrustig of overal van alles wemelde. De trekkers vermagerden tot op het bot maar het leek of hun pompoenachtige hoofden en handen en voeten steeds groter werden. Ze mompelden ook meer dan vroeger, maakten meer gebaren met die grote handen, maar zo verrassend hoffelijk dat ze deden denken aan de burgers van Calais. Substantie ging verloren, maar de geest woekerde.
Op een middag zag Schenk bij de ingang van Goolgate de gammelde kar die de lege flessen ophaalde en de kranten. Het paard was zo’n mager gevalletje met te dikke knieën en een veel te zware kop. Die wagen was niets bijzonders, vaak genoeg te zien op het terrein maar om de een of andere reden bleef de voortzeulende Schenk kijken en zo zag hij het vreemde gebeuren vanaf het begin. Hij zag hoe de man naar buiten kwam, een doos met flessen voor de buik, en hoe het paard zich opeens lostrok uit het rafelige tuig. De paardeborst zwol en golfde in een rollende macht van spieren als op een romeins reliëf en de briesende bek, onthutsend hoog in de lucht, ving de zon vonkend op de grote gele tanden. Goudgele manen schudden en flapten heen en weer, oogkleppen vlogen door de lucht, flessen duvelden kletterend op de grond. De flesseman nam een sprong en klemde zich wanhopig vast aan het toch nog meegesleepte en kantelende wagentje. Op dat moment begon Bolhaar te draven, zijn onmogelijke platvoetsjok veranderde waarachtig in een verende tred die met steeds grotere passen logisch overvloeide in de circussprong waarmee hij schrijlings op het steigerende paard terecht kwam. De meegesleepte man schreeuwde en kefte, het geluid zigzagde om het hoge, gierende briesen. Daarna draaide het paard zich op de achterpoten en explodeerde schuin omhoog richting vrouwenpaviljoen.
Schenk hoorde opeens het geluid van veel meer paarden, een armee van donderende hoeven barstte los, brak door, stortte tuimelend omhoog, terwijl hij staarde in een warwinkel van manen, poten zo groot als van een standbeeld, zilverglanzend leer en een rechte, albasten tors van Bolhaar. Steeds hoger en nobeler maalde het visioen zich ten hemel, wit als suikergoed, hier en daar doorzichtig en op sommige plaatsen zelfs met vlammen omkranst.

illustratieTägliche und nicht alltägliche Realitätsfragmente mit Wegansätzen

De man bij de gekantelde kar schreeuwde nog steeds en trapte in woede tegen zijn flessen. Een vreemd, wat achterhaald schouwspel, vooral door het verschijnen van drie roze biggen die hand in hand, getooid met matrozenmutsjes, zingend achter hem heen en weer dansten. Hun koppen glansden van pret, maar hun stemmetjes klonken, alsof ze op een grammofoonplaat veel te snel werden afgedraaid, en daardoor honend en vol giftige spot. Maar er waren nog wel meer stoornissen, zoals het plotseling gaan wiegen van bloem en blad en het meedeinen van loerende, hardgele bokkeogen, of een heel spoor afdrukken van mollige, ronde berepoten in een wandellaantje. Ook dreven er soms plotseling wonderlijke doorkijkjes rond in het park: heel eigen landschapjes in het gewone landschap, sterk vereenvoudigde lanen van helgeel zand, bruine bomen, grote groene bladeren en een strakblauwe lucht daarachter. Alles doodstil, weergaloos helder en vol van verwachting. Daarom kwam het goed uit dat Streckfusz Schenk een keer meenam naar zijn sombere kamer voor nadere toelichting. Hij stond daar zwart en rond bij het raam, keek naar buiten en begeleidde zichzelf met bedachtzame klopjes tegen de ruit. Schenk stond bij het bureau en keek naar een papier waarop enkele lijnen en een gearceerd gebied. ‘Bereich des Komplexes’ stond er in dikke letters.
‘Er is een lek,’ fluisterde Streckfusz tegen de ruit, ‘een metafysisch lek, een archetypisch lek. Ontstaan door de puinovaal, die ellips, die kosmische beweging om de gebouwen Zandvoort en Goolgate met consequenties.’ Die uitgesleten baan en zijn planetaire zwoegers zouden vanuit hoge hoogten gezien zeker die indruk maken. Maar er was meer. Hij was een punctueel man, verplegers regelden de therapie op de hoeken, alles liep als een uurwerk, maar wat voor een uurwerk! De ruit ronkte en trilde. Een uurwerk waarin, als de stenen maar nauwgezet werden geladen en gelost, het einde gelijk was aan het begin, waarin puin werd gesjouwd dat om zo te zeggen nog gesjouwd moest worden. Waar de trekkers zich ook bevonden op hun baan, ze waren er als het ware op hetzelfde moment al geweest en moesten er nog komen. In werkelijkheid sjokten ze wel vooruit, in waarheid echter terug. Een psychotische dans, beilo. En ook de dagen gleden, door een ingrijpen van hogerhand, steeds meer in elkaar over door hun volmaakt blakerende gelijkenis, en daar verder allen iedere dag opnieuw dezelfde kleding droegen en op stipt hetzelfde uur hun bijtpeen, slobberpap en pletterijsoep kregen verstrekt, schoof de ruimte ten slotte zichzelf binnen en beet de tijd in zijn eigen staart. Iets was er gespleten, geknapt of wat dan ook, het tijdloze brokkelde naar buiten, metafysiek siste door een ventiel.
‘Wij,’ zei hij, zich omdraaiend en een vuist borend in de richting van Schenk, ‘wij zullen… zien!’
‘Wat dan?’ vroeg deze, het gearceerde complex bekijkend.
‘Lava,’ zei Streckfusz, ‘erts, brokken antediluviale geest, opspattend schuim van de oerzee, nachtgevogelte, kelderbewoners, grondwater…’

De hitte werd er niet minder om, de hemel bleef een koepel van wit, heet glas, de kar werd steeds trager getrokken, cursus werd niet meer gegeven. In de paviljoens hing de verpletterende zware lucht van bloemkool; grote groengele druppels hingen en biggelden aan de binnenkant langs de ramen. Het kon dan ook niet uitblijven. Al zo vaak aangekondigd door plotselinge, doodstille verschieten in alle richtingen lag hij daar opeens, even brutaal als laconiek: een enorme wolf.
Hij zat op de grond en leunde slaperig tegen een boom die kraakte bij iedere beweging. Zijn grote witte voeten met de gele haaknagels lagen tot over het midden van de straat, een knuist stak diep in de zak van zijn overall en de zwarte harige kop met de lange golvende snuit lag voorovergezakt op zijn borst. Toch bleef het oppassen. De geweldige roze tong in de slee van zijn onderkaak schoof zachtjes heen en weer tegen de gele hoektanden, speeksel drupte staag uit de bek en wie uit het juiste raam keek, zag dat het ene oog in een vaste dommel was gesloten, het andere echter kierde, en net even een gitzwarte glans doorliet. De geknikte hoge hoed met zwarte band die hij op het hoofd droeg, deed niet komisch aan, eerder grimmig en honend. Hij zat daar zo te zien wel op zijn gemak, maar ineens was hij weg en had hij zichzelf ingeruild voor een woelende zigzaggerij in de struiken om de vijver en om de gebouwen. Takken versplinterden, stammen bonkten, hagen, heesters en struiken zwiepten heen en weer als in een storm. Maar boven het tumult uit was het hoge jammeren te horen van de biggen, klagende telefoonstemmetjes, een driestemmige doodsangst aah… ooh… oeh… Schenk beklemd en bedrukt meende zelfs even de letters scherp en zwart boven de struiken te zien zweven.

‘De Doorman opleggen,’ besliste Streckfusz en het was vreemd de kar te zien mokken in materialen terwijl de zon al lang stond te blikkeren. De kranten voorspelden eindelijk onweer, stormvlagen, hemelwater. ‘s Avonds werden op het terrein alle lantarens ontstoken, wat op zichzelf al een opgeschrikte indruk maakte, toen de groep toch weer kwam aanknakkelen, door het licht trok, in het duister verdween, weer opdoemde, steeds opnieuw belicht in alle denkbare standen der tragiek. Ogen waren in schaduwen verzonken, monden hingen agonaal open, oren stonden wijd van het hoofd, maar ze wilden niet meer ophouden, moesten van de kar worden gesleurd, tegenstribbelend weggedragen, maar ze rukten zich los, snelden terug, schreiend als kinderen met vierkante monden en lange ontremde uithalen. Daarom liet Streckfusz het maar zo. De kar rommelde verder, uit de paviljoens kwam geen geluid meer, de vijver lag zonder rimpel, bomen stonden roerloos maar afgezien nog van al deze duidelijke tekenen veranderde de lucht opmerkelijk. Eerst werd het licht iets bijgesteld, zodat de gebouwen versomberden in oude koperglans, schaduwen zich rood-zwart verdiepten en de hier en daar ronddrijvende gezichten groenig oplichtten.
Streckfusz wees op de vele verschietende sterren aan het firmament, maar bij nader inzien waren het helemaal geen verschietende sterren en trok er van helemaal links achter de bomen, dus vanaf het bruggetje schuin omhoog naar het duizelend middelpunt van de avondlijke hemel, een fijn raster van koperen klinknagels. Een glooiende, glijdende baan van glansjes trok langs de hemel, verdichtte zich op Eiffeltoren-hoogte tot een naargeestig licht, maar stroomde dan weer uiteen in stippen en strepen, naar omlaag en naar de horizon. Als een geweldige roetsjbaan omspande het verschijnsel het gehele landschap. Hoog en ver, maar boven de dakrand van Zandvoort, opeens verrassend dichtbij, gleden de diep glanzende vlekken staag richting vrouwenkant. Eerst daar werd met een schok duidelijk dat het noch om sterren noch om klinknagels ging, maar om het voorbijglijden van een geweldig veld ivoorgele schubben. Toen zagen de lichtgroene gezichten wat zich daar geruisloos langs de hemel en om de horizon rolde: een gigantisch serpent, dat in koperen en kosmische dimensies aangaf in welke richting de kop te vinden moest zijn.
En daar was hij ook, tussen weggedrukte en gekraakte boomstammen en dwars over de vijver, waarvan nog maar een paar lichtstrepen waren te zien. Een donkere, torens dragende massa waardoor een zigzaggend, roodbruin balkwerk liep en waarin twee fosforiserende schermen gloeiden, leeg en roerloos.
‘De gehoornde slang,’ fluisterde Streckfusz met bibberende wangen, ‘bidden jongens, o dat wordt rattekak.’ En hij zakte knappend en steunend op de knieën. Schenk bleef rechtop staan en keek naar de plotseling geheel zichtbaar geworden Nel Snoep. Ze bleek gekleed in een nauwsluitend zwart badpak waaraan een minuscuul rokje. Ze was witter dan ooit, verblindend wit, maar ook molliger en ronder en ze straalde voelbaar warmte uit. Ongeduld trilde in de smalle voetjes, de rollende, sterk ingesnoerde heupen, de helroodgenagelde handjes. In het ronde gezicht zoemden en flapten de geweldige wimpers en uit het dik aangezette hartje van de mond kirden onophoudelijk de giecheltjes als tonen uit een waterfluit.
Door het staag rollen van de schubben ontstond als vanzelf een middelpunt, het lag ongeveer ter hoogte van de eerste etage, boven de ingang. Een onbeweeglijke vlek, zwart als een schoolbord, en door het licht van de koperen banen leek het alsof het steeds nog maar zwarter werd. Allen wachtten en keken. Streckfusz was maar weer op zijn dikke hurken gaan zitten en zijn stevige, gevouwen handen draaiden ongeduldig met de duimen.
Heel ver op de achtergrond, maar helder als in een vriesnacht tekenden zich geluiden af, sloffende schreden, onmiskenbare schreden van moeilijke voeten in pantoffels, die een trap afdaalden of bestegen. Vermoeide zware stappen waren het, onwillige slepende stappen, van voeten die kreunden onder een groot zwaar lijf. Daarna knarste heel duidelijk een deurknop en onmiskenbaar ging een deur piepend open. Een klein geluid, tot in alle details te volgen, huiselijk te herkennen, maar kosmisch van afmeting. Het gestommel kwam naderbij, kwam nu ook duidelijk uit het zwarte gat waarin iemand blijkbaar bezig was, heen en weer stampte en nukkig mompelde. Dingen werden versleept, er viel iets om, er klonk even een nijdig gepruttel en daarna het ritmische geluid van bezemen. Lange driftige uithalen, schrapend als over een kokosmat, en opeens zweefden uit het gat de meest wonderlijke zaken. Voorop een terracotta beer met zonnehoed, die wollig stampend en met rollende buik nu en dan in een solodans verviel. Hij wilde niet meer weg en moest worden geduwd door een waggelende gans met een gigantisch onderlijf. Zijn grote, niet begrijpende ogen waren al een tijd wit en knipperend zichtbaar geweest in het duister achter de beer. Hij droeg een wit- en blauwgeblokt stoeipak met grote knopen, huppelde een tijdje onhandig in het rond op een been, maar pirouetteerde daarna opeens verrassend als een lichtblauwe kegel zijwaarts weg over het plein. Direct daarachter spitste zich sissend een heks uit het gat. In een
[p. 19]
flits staken haar langnagelige knokige vingers er uit, ook de kin en de scherpe neus waarnaast haar oogjes boosaardig glommen als twee druppels zwarte fietslak. Ze sprong tevoorschijn onder een geweldige punthoek, stootte een joelende toneellach uit en schoot met grote kikkersprongen van her naar der, krijsend en blazend, zodat de gekken elkaar gillend en trekkebekkend om de hals vlogen.
Bloemstruiken werden uit het gat gesmeten, ze kwakten op de stenen en sproeiden de bloemen omhoog in de lucht, waarbij alle geuren zichtbaar waren in belletjes geel, rood en blauw.
Een merkwaardige eend spiraalde zich kwetterend in het licht. Daaronder schreden gewichtige blauwzwarte torren tevoorschijn met flonkerende brilletjes en hoge hoed. Allen uit het gat droegen hun stuk landschap: een grillige hap blauwe lucht, een groene flard wei met bloemen, een warmbruine boomstam of een lap geel zand. Iedereen probeerde ook, onder gelach dat spatte en klaterde, of ze in en tegen elkaar pasten.
Zo schoven stukken zomer door en over elkaar heen, een spel van verrassingen, een weelde van mogelijkheden, soms herkend als droom. Tussen wouden, over een maagdelijk groene weide, gleed een paarse schaduw en in die schaduw dwaalde een stralend wit lam. Onvergelijkelijk alleen was het, maar uit de woudrand trad een man en stond in de zon en om hem heen bewoog de wereld in glanzende legpuzzelstukken. Ochtendlicht gloorde over de aarde en lummelend bij de rivier stond de hippopotamus en in de wouden knapten wat twijgjes, apen streken neer op de grond.
‘Hei ho!’ riep Streckfusz met een metalen basbariton. Zijn dikke wangen lieten geen lach toe, maar aan zijn vochtig glanzende ogen en open mond was te zien dat hij tevreden was en hij leek op Sinbad en op Boris Boef.
‘Hola hé,’ zei Schenk met een stem die hij bijna zelf niet meer herkende. Hij keek naar Nel Snoep, naar haar voluit gespreide handjes en hun uiterst gevoelige bewegingen, en een vreemde traagheid doorstroomde hem, een zonnige loomheid, waarin her en der kloppende netwerkjes, intieme rode holten, stukjes warme huid.
‘Wat ben je lief,’ zei hij, maar natuurlijk kirde en koerde de lach omhoog maar al landelijk tinkelend en parelend.
Gemompel klonk weer uit het zwarte gat, daarna de sloffende, zware stappen. Een kruk knarste kort en verbolgen, waarna een deur dichtsloeg met een luide knal.
Om en boven alles stroomden de schubben, in banen die weer rolden op hun eigen manier en naar het leek in steeds kleinere cirkels. Tussen weggedrukte en gekraakte stammen lag de kop, dwars over de vijver waarvan nog maar een paar lichtstrepen waren te zien. Een donkere torens dragende massa waardoor een zigzaggend, roodbruin balkwerk liep en waarin twee fosforiserende schermen gloeiden, leeg en roerloos.

Maandag 13 juni 2022 is het honderd jaar geleden dat de Nederlandse veelschrijver Willem Brakman (1922-2008) werd geboren. Reden voor een avond in SPUI25, en voor een hername van Brakmans werk in De Revisor. Zijn eerste bijdrage aan het tijdschrift stamt uit juni 1976, het derde nummer van die jaargang: ‘De grote schok was Rilke’.

*

Ondersteboven van een boek, wanneer was ik dat? Die vraag doet me schrikken, want ogenblikkelijk stelt men zich toch zoiets voor als een betraand oog, een van ontroering bibberende wang, een onthutst de stukken weer bij elkaar zoeken, en ook is er de wat angstige bijgedachte dat men bij het ontbreken van dergelijke reacties een lezersleven tekort is geschoten.
Ik moet voor grote emoties bij de literatuur uitwijken naar mijn jeugd, naar een boek als De Scheepsjongens van Bontekoe bijvoorbeeld, een verhaal, zo herinner ik me, waar ik maar niet uit los kon komen en dat ik aan het eind met een verschrikkelijk heimwee snel weer een vinger dik terugsloeg, het als een warme deken om me heen wikkelend, dubbel genietend weer terug te zijn in die wereld vol zon en vriendschap, maar ook – niet onbelangrijk detail – al enigszins aangevreten door zoiets als het ervaren van een onontkoombaar einde.
Met eerbied zij hier herdacht Fulco de Minstreel, weer een geheel andere maar ook zeer leerzame zieleknijper, die niet minder diep kraste in mijn kinderziel. Het was een archetypen en mythen samenknutselend boek dat een beeld schiep, of onthulde, dat me niet meer zou verlaten: de vrouw, wonderschoon, hooggezeten, blank als de maneschijn zelf, maar onbereikbaar, boos belaagd, maar altijd weer gered door anderen en ook steeds anderen toegewend. Dat waren inderdaad de boeken van wanhoop en verrukking, eerste en diepe ervaringen waarover ik veel later eens zou schrijven dat ik een leven lang altijd dààr naar binnen heb gewild waar dat beslist niet mogelijk was: bij de rijke dame in het automobiel in een film, bij de koningin in de gouden koets, in de kerststal en in een boek. Ik weet natuurlijk niet meer precies bij welk boek ik de laatste traan heb gestort, maar zoveel is wel zeker dat ik na Dik Trom, Pietje Bell (denk aan de dood van de bovenmeester), De Zilveren Schaatsen en dat soort boeken, de onversneden emotie niet meer heb gekend.
Ik ben er van overtuigd dat de kinderpsychologie dit alles moeiteloos zal kunnen verklaren en vleugellam doen neerstrijken, maar ik wil hier toch even een persoonlijk feit aanstippen, het feit namelijk, dat ik niet alleen een voor mijn gevoel meer dan normaal vermogen had verhalen te ondergaan (ik kon er werkelijk ziek van zijn), maar dat ik ondanks die emoties nooit iets vroeg over die verhalen. Dit is slecht, immers de gevoelswereld is een wereld vol raadsels en vooral vol tegenstrijdigheden, maar wanneer ik mijn vragende en kwekkende klasgenoten weer voor de geest haal, was ik een uitgesproken zwijger en, wanneer ik de overgeleverde opmerkingen van onderwijzers mag geloven, ook overtrokken met een opvoederafwerende laag. Voor wat men een gezonde ontwikkeling pleegt te noemen, is zoiets gelukkig zeer slecht. Wanneer men de nuttige ambachten in het oog vat, gedijt een jeugdige geest zeker het best als de opvoeder met niet aarzelende hand de bezem kan halen door een groot en rijk potentiëel, de ramen flink tegen elkaar kan openzetten en de stofwolken en sedimenten er uitjagen.
Het klinkt misschien wat provocerend, maar wat ik bedoel is het volgende. Stel dat twee meisjes door een bos wandelen en daar een exhibitionerende man ontmoeten. De schok is ongetwijfeld groot maar al giechelend geven ze deze ervaring wat later steeds weer aan elkaar door en slijten hem op deze wijze af. Het meisje dat dit alleen moet doormaken en er, zoals vaak gebeurt, niet over durft of wil spreken, heeft het moeilijk en bij haar komt een heel proces op gang. Afgezien van het resultaat kun je in ieder geval zeggen dat in dit laatste geval iets is gebeurd in een hoofd, in het eerste geval niet of nauwelijks. Geest wordt niet gevoed met eiwit, vetten en koolhydraten, maar met ervaring. Warme vriendschappen, hechte, echt fijne gezinnen en diepe innige contacten met bijvoorbeeld onderwijzers, voeren van de literatuur af.
Nu, in mijn hoofd heerste de temperatuur van het reptielenhuis van Artis en dat hoofd werkte wel. In de tropische sfeer vermenigvuldigde zich het materiaal met grote snelheid en het voerde mij, ongehinderd door definitieve antwoorden en ingrepen, in allerlei kleurrijke maar ver van de heldere sportvelden gelegen richtingen. Ik was als jongetje een zwijger, ‘langsamen und abgewandten Geistes’, om een term van Thoman Mann te gebruiken, omdat ik instinctief streefde naar eigenheid en dit de meest voor de hand liggende methode was om snuffelneuzen buiten de deur te houden.
Ik zal een weliswaar weinig dramatisch maar illustratief voorbeeld geven. Ik herinner mij me eens afgetobd te hebben over de betekenis van een afbeelding in een bibliotheekboek. Daar was het hoogtepunt getekend van het verhaal ‘Eind goed, Al goed’. Een jongen stormde daar op zijn vader af, die hem met open armen opwachtte, maar eronder stond de raadselachtige tekst: ‘Vader riep neen schreeuwde hij’. Het was een prachtig beeld: de man stond groot in het blad, met de rug naar mij toe en zijn gebaar was van een bijna alles omvattende ontferming.
De statuur van de man, het niet kunnen zien hoe hij er uit zag, het onnavolgbare gebaar paste bij de onbegrijpelijke tekst, die ik niet wilde inruilen voor wat voor pasmunt ook. Opengehouden en niet ingevuld werd die juist een bezit, een troostende mogelijkheid die overal kon huizen. Vertaald naar de werkelijkheid zou hij verschrompelen tot een ‘o ja’ en een pedagogenstem. Ik heb dan ook nooit naar de betekenis van die tekst gevraagd en hem gelukkig pas doorzien toen het niet meer hoefde.
Handje-plak met een dergelijke afscherming tegen anderen, een bescherming van het eigene en wezenlijke, gaan angst en vereenzaming. Trouw aan datgene wat men bij elkaar heeft gedacht, gedroomd, gezien, moet men betalen met verdriet, mensenhaat en zelfverachting, en de strijd ertegen.
Saamgevat wordt dit een angst voor de realiteit die zich dan meestal hult in het cliché van de doodsangst: de dood die zich zo makkelijk aandient als straffer en pootjehaker. Zo’n stoornis in de jeugd voert niet altijd naar het gesticht, maar soms tot de literatuur. Ik ben er nog en vertel u dat de duivelen der jeugd de engelen kunnen zijn der poëzie. Ziedaar mijn wat ruw geschetste en barokke achtergrond, niet uit ijdelheid geopenbaard maar aangestipt om duidelijk te maken dat ik niet alleen een goede kans maakte met de echte literatuur in aanraking te komen, maar ook al was voorbeschikt voor een bepaald soort literatuur. Wel beklom ik moeizaam en met veel bewondering al heel vroeg de toppen van de ironische Aldous Huxley, maar de schok, de grote schok, was zonder twijfel Rilke, ook wel Rainer Maria Rilke genoemd. Maar hij heette René. Zich Rainer te noemen had hij geleerd van Lou Salomé, een wat wonderlijke vrouw in wier greep ook Nietzsche een tijdje gekronkeld heeft. Men zei van haar: ‘Ze kan met geen man omgaan of hij bevalt van een meesterwerk.’
Rilke dus. Niet direct het hele goede, want eerst was er nog zijn onvermijdelijke cornet, die ik overigens maar matig kon waarderen. Ik kreeg de cornet van een vriend en deze leverde er eerbiedig en vol goede bedoelingen ook een portret van de poëet bij. Dit was gunstig, want het voerde tot een soort kritisch ping-pong. Het onplezierige, weke mandarijnengezicht opende mij respectloos de ogen voor het snikkende van zijn proza (het werk is in één maannacht geschreven in 1899) en deed het hinderlijke beeld opdoemen van een knaap die, al flink in de ban van zijn hormonen, zowel wilde rijpen als zuiver blijven. In zijn in alle toonaarden bezongen Fahne (‘Er trägt die Fahne wie eine weisse bewusstlose Frau’ etc.) herkende ik met enige schaamte mijn wensdroom een bepaalde lerares zowel uit de vlammen te redden als met haar in diezelfde vlammen ten onder te gaan.
Men ziet hoe onverzoenlijk men kan zijn, als men eigen trekken in een ander ontdekt. Toen ik dat mocht zien van het portret, zag ik het portret zelf ook weer scherper: een slap druipgezicht met te grote neus, weggeslagen kin, chinezensnor of, zoals ik het destijds met enige tevredenheid noteerde: een woudonanist.
Maar niet alle vooroordelen zijn fataal. Wat later nam ik Die Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge, weliswaar niet al te geestdriftig, ter hand. Het boek trof mij niettemin als een mokerslag. Rilke schreef het in Parijs, waar hij secretaris was van de beeldhouwer Rodin, die hem leerde zien en hem bevrijdde van het lyrische onbepaalde.
Opeens een genadeloos kijker kwam de werkelijkheid bij hem binnen en schreef hij een onvergetelijk boek over de vele vormen die de angst en de dood in een grote stad kunnen aannemen, in een bijna modern proza. Bijna modern, want ondanks alles handhaaft Rilke een poëtische ritmiek die in het werkelijk moderne proza ontbreekt (denk aan Handke en zijn gebruik van de stokkende en stotende omgangstaal). Malte is een gruwelijk boek over de werkelijkheid – hier toevallig Parijs – als storend element, als duistere achtergrond. Duister niet zozeer in de betekenis van onoverzichtelijk, maar van dreigend.
Het hoofdthema is eigenlijk het levensgevoel van de kunstenaar, gebouwd op een polariteit die men voor hetzelfde geld een verscheurdheid zou kunnen noemen. Een polariteit van rust – beweging, zwaarte – licht, waken – droom, werkelijkheid – spiegelbeeld, kosmos – chaos, dood – leven, heden – verleden, organisch – anorganisch en de alchemistische transmutatie van het ene in het andere tot een twee-eenheid waarvan de samenstellende delen als twee vijandige elementen worden gehandhaafd, ‘wütend in einander gebissen und zu einem Einzigen verkrallt’. Rilke, een meester in het doseren van het leed der ervaring, tast naar het voor hem net nog dragelijke (na het boek heeft hij inderdaad zelfmoord overwogen), maar wat hij ook overhoop haalt, hij blijft in het centrum. Hij blijft het natuurlijke uitgangspunt der mysterieuze gebeurtenissen of stemmingen; hij is daar waar alles van uitgaat en waartoe alles terugkeert. Zijn instrumenten zijn de thema’s liefde, dood en smartelijke herinnering, seine Kunst, seine kostbare Geige.

illustratie

Rilke. Tekening van Emil Orlik. Berlijn 1917

Zo kon hij onder meer op straat in het kreperen van mensen aan drank, ziekte of armoe, een heel eigen, zo niet eigenzinnige regressie ontdekken, namelijk het ontbreken van ‘der Wunsch einen eigenen Tod zu haben, einen gut ausgearbeiteten Tod’. Zelfs bij de rijken is dat zo, klaagt hij, bij de rijken die zich zo’n eigen dood toch kunnen veroorloven.
Voordat ik hiervan een voorbeeld geef, wil ik nog iets zeggen over het zoëven genoemde duistere en dreigende karakter van de werkelijkheid. De werkelijkheid bij Rilke is typisch een geschreven werkelijkheid, één die ook niet is los te denken van het schrijfproces. Het is een werkelijkheidsbeeld dat ontstaat door eenzelfde mechanisme als schuilgaat achter de droom. Uit veel van zijn brieven blijkt het grote belang dat Rilke hechtte aan de act van het schrijven zelf, het ritueel. Hij was, om het zomaar eens uit te drukken, een schrijver uit zelfbehoud en zo bediende hij zich van een proza op het scherp der snede, op de rand van de gevaarlijke doorbraak. Het was Rilke tegen Rilke. Door de vervormingen, omkeringen, vermommingen en bezweringen plotseling te vermengen met scherpe waarnemingen uit de buitenwereld, ontstonden het barokke, de collage, die zo kenmerkend zijn voor deze schrijver. Ongetwijfeld is het dit heel eigen karakter van de droom, het hermetische, het ‘langsame und abgewandte’, dat mij zo fascineerde, dat ik herkende en dat zijn door anderen zo vaak als moeilijk en donker afgedane taal zo transparant maakte.
Terug naar de eigen dood. Veel mensen, constateert Rilke, produceren wanneer hun tijd gekomen is een vreemd geluid. Een dun, jammerlijk gepiep stijgt uit hen omhoog en op de vraag ‘Wat is dat?’ luidt het antwoord: ‘Dat is de stem van de eigen kleine dood.’ Iets hiervan moeten wij kunnen navoelen, wij, die leven of liever sterven in een tijd die de dood, humaan maar zeer onteigenend, tot aan de laatste snik in pathopon verpakt. Maar dan is er Rilke’s voorvader, Detlev von Ulsgaard. Toen hem de reis werd aangezegd kleedde hij zich in zijn blauwe uniform met sjerp, steek en epauletten. Gevolgd door zijn hele hofhouding jachthonden incluis, besteeg hij daverend de trappen, daalde ze dreunend weer af en bonkte door alle zalen en vertrekken. Deuren moesten worden uitgebroken, leuningen verwijderd en uit zijn borst steeg een geluid omhoog als een boomstam, zodat wijd en zijd in de omtrek de boeren uit hun klompen schoten van angst.
Dagen lang heerste de grote dood geweldig en verpletterend in huis en omgeving, tot Detlev von Ulsgaard neerstortte op het parket van het slaapvertrek, donkerblauw gekleed, opeens veel kleiner dan men had gedacht, wat rimpelig en met de kleur van oude bijenwas.
Een machtig beeld van een grote vertellende, evocatieve kracht, een beeld waarin het grillige droomkarakter duidelijk is te herkennen. In mijn bewondering moet ik nog zo’n beeld kwijt, namelijk Rilke’s beschrijving van de dood van Karel de Stoute bij Nancy. Na de slag heeft men de koning gemist, men heeft gezocht, het is nacht geworden, het vriest en er valt wat sneeuw. De volgende ochtend vroeg trekt een wat wonderlijk troepje er weer op uit: twee edellieden, de lijfarts en de nar. Eindelijk vinden ze de hertog, half op het land, half op het ijs van een vijver. Wie in die tijd sneuvelde, werd geplunderd tot de laatste vezel, zodat de hertog daar naakt, stijf, koud en bedekt met wat rijp en sneeuw ligt. Vol deernis knielen de mannen bij hem neer, vol piëteit tillen ze hem op, en zie… de wang van de hertog blijft ach ter op het ijs als een vreemde witte schil. Een subliem détail, dat het toch al indrukwekkende beeld volmaakt afrondt. De betekenissen klinken hier samen zoals de tonen in een accoord: in het sneeuwlandschap ligt verstening en de kilte van de dood; door het carnavaleske van de stoet schemert het protest ertegen; uit het zoeken en dwalen spreekt deernis en ontferming; uit de naakte koning hulpeloosheid en onmacht, en in het achterblijven van de wang ligt een jammerlijke onttakeling, even doorflitst van een grimmige spot.
Men ziet hoe een dergelijk, naar vele richtingen vertellend beeld het lineaire karakter van taal en verhaal kan doorbreken. Rilke, die niet alleen een zeer beeldend schrijver maar ook een beschikker over superbe beelden was, verdiende alleen al hierom een betere aansluiting met onze tijd. Maar het is stil om deze verstilde figuur. De vertaling van Nabokov’s Ada, zo’n tien jaar na verschijnen, deed in Duitsland honderd maal meer stof opwaaien dan de honderdste geboortedag van Rilke, in 1975. Het is druk in de letteren, te druk. Zeker voor een man ‘langsamen und abgewandten Geistes’. Voor mij was Rilke een geschenk van de oorlog, van honger, kou, duisternis en vooral van veel tijd. Prima Malte– elementen en ook hier bloeide de poëzie niet bepaald op een gezonde en sprankelfrisse bodem. Toch leefde ik met die poëzie op een intense, maar ook wel natuurlijke manier, want ik beschikte erdoor over bezwerende formules op momenten van grote zwakte. Brak ik op weg naar een vriend mijn nek door de duisternis ergens in een tuin, dan lag ik op mijn gezicht in ‘die Gärten des dunkelblaus’. Zeulde ik met mijn vader in de eindeloze hongerwinter de loodzware emmers as en sintels tegen de huthoge berg afval op voor ons huis, dan mompelde ik krachtgevend over ‘die Berge des Urleids’. Natuurlijk was dit een poging een uitgesproken rotwereld in zuivere versregels te transponeren en de vraag blijft knellen hoezeer een uitgesproken rotwereld voorwaarde is voor zuivere versregels.
Dat was in de oorlog. Na de oorlog werd dat anders. Zo werd Rilke een junge-Mädchendichter, een altes Weib. Thomas Mann, een andere ook door mij hoog in het vaandel gevoerde figuur, werd bij monde van Günter Grass ‘überkommener Existenz, verälteter Blödsinn’. Zelfs John Cowper Powys, een episch gigant der Engelse letteren en een sierraad in mijn boekenkast, mocht ik kortelings in ‘n kritiek aantreffen als ‘an old windbag’. Een pijnlijke golfslag van de tijd en dubbel pijnlijk bij Rilke, want hem bewoog nu juist in hoge mate wat men zou kunnen noemen ‘der Wille zur Dauer’, een streven naar levensverduurzaming. Dit thema treedt op in tal van zijn gedichten en toont zich nadrukkelijk in veel situaties en personages van zijn Malte, ondermeer in Malte’s grootvader, die geen verschil maakt in de omgang met overleden familieleden, historische figuren en levende tijdgenoten.
Spookhistoriën rimpelen door de hele Malte heen en zijn afleidbaar vanuit dezelfde grondidee. De wonderschone scène waarin graaf Brahe en Malte’s vader elkaar toedrinken onder het voorbij zweven van het spook van Christine Brahe krijgt tegen deze achtergrond een bijzonder visuele plastiek. Na de oorlog kon men Rilke’s renommé duidelijk zien afkalven; Rilke, wiens naam nog even tevoren synoniem was geweest met ‘Dichter’. Een kater die mijns inziens vooral te wijten was aan ‘s dichters met zoveel energie beleden afzijdigheid (‘gesteigertes und vertieftes allein sein’). Hóe afzijdig blijkt wel als men zich realiseert dat Rilke is geplaatst in de epoche van de jonge Eliot, Pound, de psychoanalyse, het neopositivisme, Webern, Alban Berg, de surrealisten, de Ierse renaissance. Een tijd vol afbraak en opbouw waarin Rilke echter, de leiseste von allen, de doctor serafico, verscholen ging achter rozenblad, in parken en Pace-hotels.
Het oog werd wat gevoeliger voor andere aspecten, voor de snob, de hyperestheet met zijn slobkousen, de eeuwige kostganger van hertoginnen en de elegante bedelbrievenschrijver.
Het heeft nog merkwaardig lang geduurd voor men oog kreeg voor zijn politieke desinteresse. Blijkbaar uit een behoefte aan duidelijke distantie vond men al wroetend eerst nog wel wat negatiefs zoals een brief aan (hoe kan het anders) een hertogin – de hertogin Scotti – waarin hij zich zeer lovend uitlaat over ‘Energie und Latinität’ van Mussolini, met veel moeite verder ook wat antisemitische uitingen ten opzichte van zijn collega Franz Werfel. Het bleef zwaar werk Rilke tot een voorfascistische auteur om te smeden, want, zelfs al zou hij politieke meningen hebben gehad, in zijn poëzie is er niets van overgekomen. Vermoedelijk was zijn bewondering voor de viriele en musculeuze Mussolini alleen van esthetische aard, want ik kan me de grote verzonkene maar moeilijk voorstellen tussen de Italiaanse futuristen met hun uitgesproken voorkeur voor auto’s, vliegtuigen en pantsers. Eerder in agrarische utopieën ergens op een afgelegen boerderij, zoals in het stille Worpswede, waar hij met de voor mijn gevoel altijd zo bottige en benige beeldhouwster Clara Westhof, ‘s ochtends blootsvoets en hand in hand door het bedauwde gras de opgaande zon tegemoet liep, of – meer in overeenstemming met de stijl van die tijd – golfde.
Zijn afkeer van bepaalde beschavingsvormen zoals de industriële maatschappij, steden, machines, is duidelijk in zijn werk aantoonbaar, evenals zijn groot heimwee naar het voor-industriële tijdperk, naar aura en intimiteit van het handwerk zonder machines. Zijn antipathie tegen het woekeren van een technologische beschaving die hij in zijn gedichten reeds voorzag, deelt hij in ieder geval met grote groepen van de huidige jonge generatie en het zou dan ook niet onlogisch zijn wanneer zijn elegieën een plaatsje zouden krijgen tussen Mao en Hesse.
Maar ook in die kringen gaat men koeltjes met de zanger om. Wat heeft hij ook te bieden? Geen klewangwettende krijgszangen voor de barricaden, geen klassebewustzijn oproepende balladen noch aanwijzingen voor een reis naar het Nirwana, maar in- en afkeer in een tot het uiterste door zichzelf gefascineerd zijn. Drie maal heeft Rilke een poging gedaan aan die zelffascinatie te ontsnappen: zijn Russische reis met Lou Salomé, zijn tijd in Parijs en, laat in zijn leven, zijn kennismaking met de kring van de Nouvelle Revue Française via de dichter Paul Valéry. Maar iedere keer opnieuw bleek de verleiding van de stilte weer sterker (Weite haben, gesteigertes vertieftes allein sein).
Schrijven is niet, althans niet in de eerste plaats, een zich richten tot de lezer, het is ook geen tweegesprek, maar schrijven is het omgaan met het onuitsprekelijke. Hoe zuiverder de taal wordt gehanteerd des te helderder toont zich datgene wat zich niet laat uitspreken en zo kan men zeggen dat een werkelijk groot dichter spreekt om te kunnen zwijgen. Het is die stilte waaromheen het schrijven van Rilke zo duidelijk roteert en waaraan hij zijn leven ondergeschikt heeft gemaakt. ‘Schweigen, damit die Seele leise heimkehre in das Flutende und Viele.’
Ik moet hier denken aan Der Zauberberg. Dat is het verhaal over de jonge Hans Castorp die in Zwitserland een aantal jaren doorbrengt in een sanatorium. Het leven daar is een couveuseleven, het is er veilig, warm, men wordt verzorgd en er is tijd in overvloed. Ook kuren er in het sanatorium twee zonderlinge figuren die elkaars antipoden zijn, namelijk Herr Settembrini, een humanist, die werkelijk bol staat van positieve gedachten en Herr Naphta, een oververfijnde en zeer scherpzinnige Jezuït met licht diabolische trekken. Beide figuren bekommeren zich zeer om de geest van Castorp, waardoor het boek soms sterk doet denken aan een Bildungsroman, en ze voeren ter lering een nergens afsluiting vindend twistgesprek. In grote, machtige golvingen bestrijkt dit gesprek het hele boek. Beschouwing, bezinning en bespiegeling ohne Ende in een bijna doodstille wereld. Tot er eindelijk iets gebeurt. Door de zijdeur komt Herr Peeperkorn op, een machtige vitale daveraar met naar Thomas Mann niet moe wordt mee te delen – grote, sproetige en langnagelige handen.
Het is een indrukwekkende man. Om hem heen wordt de wereld weer concreet en de dingen komen tot leven. In een oogwenk heeft hij de Russische patiënte Clawdia (al jaren in stilte aanbeden door Hans Castorp) tot zijn maîtresse gemaakt. Hij ontvangt zijn, in record-tempo geworven vrienden ‘s ochtends aan zijn bed in een feestelijk en vorstelijk ontwaken en opstaan, een soort Grand Lever zoals van Lodewijk de Veertiende. Hij drinkt veel, hij eet veel, hij mint veel en is groot en machtig van gestalte. Buiten omhult hem een wijde, zwarte cape. Op zijn golvende witte manen rust een flambard, en intimi wisten al spoedig dat het hier ging om een zeer gelijkend portret van de schrijver Gerhart Hauptmann. Waar deze man is moet wat gebeuren. Zo organiseert hij overdadige picknicks, hij voert als nieuwkomer zijn gezelschap van panorama tot panorama en is een vreugde voor velen. Maar hij heeft zijn buien van melancholie. Misschien bracht dit hem uit het dal in het hooggebergte. In ieder geval deelt hij op een dag aan zijn geliefd gezelschap mee dat hij hen iets belangrijks heeft te zeggen. Op aandrang van Herr Peeperkorn zal dit geschieden op een wandeltocht en daar trekt de groep de bergen in, op zoek naar een geschikte plek.
Er zijn in Der Zauberberg een aantal fragmenten die steeds weer worden geciteerd, bijvoorbeeld het verdwalen van Hans Castorp in een sneeuwstorm, (overigens ook een storm van zeer diepzinnig en hooggestemd proza). Er is de bekende strandwandeling met de beschouwingen over de tijd, of de verrukkelijke bladzijde waarde geneesheer-directeur, Hofrat Behrens, zijn zegje zegt over sigaren. Maar ik vind Peeperkorn de beste. Hij kiest namelijk voor zijn oratie een plek uit bij een waterval. Daar staat hij, de grote man, machtig gebarend wijst hij naar de hemel, naar de grond, hij omarmt iets in de lucht en in een moment van grote ontroering legt hij even snikkend een grote, sproetige en langnagelige hand over de ogen. Niemand verstaat een woord door het lawaai van het water, maar als hij uitgesproken is gaan allen bedrukt en stil naar huis. Iets belangrijks moet Herr Peeperkorn toch hebben ervaren, gezien zijn mimiek en gebarentaal. Daarbij, in het verhaal neemt hij nog diezelfde nacht gif in en hij gaat dus weer door de zijdeur af. Wat hij gezegd heeft zullen we nooit weten, maar toch wilde hij, blijkens zijn aankondiging, zijn vrienden iets belangrijks zeggen. Dat hij dit deed, overstemd door een waterval, dat hij om zo te zeggen sprekend zweeg, stempelt Herr Peeperkorn tot een dichter. Hij moet ervaren hebben dat het belangrijkste onuitspreekbaar is. Zeker, men kan van dit leven vrijwillig scheiden, afscheid nemen van de bergen, de picknickvrienden, de zorg en de warmte van het sanatorium, uit een angst voor een grijnzende leegte achter de eigen dalende vitaliteit, maar afdoende argumenten hiervoor zijn er nooit, want de opvatting dat dit leven de moeite waard is om geleefd te worden, is evenmin bewijsbaar als het tegendeel.
Het zijn vooronderstellingen van waaruit men leeft of sterft en die zijn onafleid baar. Dit is een wonderlijk zwart gat in ons denken en gewoonlijk staat men even op de tocht die uit dat gat komt, in de aula van een crematorium of aan een groeve – dat zijn zo de geijkte plaatsen. Peeperkorn, een typische dalman, verdwaalde in het hooggebergte van de geest en dat werd hem fataal, daar hij geen afdoende verweer bezat. Ware dichters echter nemen de wapens op. Als waardige bergbewoners beschikken ze over het wonderlijk vermogen om bijvoorbeeld een paar huiverende edellieden in het ochtendgrauw, een lijfarts die het lijf kwijt is, een nar die voorop hobbelt – en dat allemaal op zoek naar een dode koning – te laten zien niet als een moedeloos makend partijtje ongeregeld, maar als een onvergetelijk, ver buiten zichzelf verwijzend en daardoor even raadselachtig als troostend beeld.

Maandag 13 juni 2022 is het honderd jaar geleden dat de Nederlandse veelschrijver Willem Brakman (1922-2008) werd geboren. Reden voor een avond in SPUI25, en voor een hername van Brakmans werk in De Revisor, te beginnen met een fragment uit Leesclubje, dat in het vierde nummer van 1985 verscheen, en werd begeleid door een interview.

Wam de Moor vraagt hem naar dit boek: ‘En nou vroeg je over dat Leesclubje. Kijk, het omgekeerde is ook zo. De begaafde verteller kijkt in lege ogen, dooie ogen, doffe ogen. Een schrijver die werkelijk in deze tijd het boze aan wil wijzen, het de essentie van de geest ontkennende, die moet bij een leesclubje gaan. Ik spreek uit ervaring. Je kijkt naar mensen waarvan je zegt: Ik zié dat daar geen millimeter veranderd is in die koppen. Visse-ogen, dooie ogen, doffe geesten waarvoor alles vleugellam terneer schijnt te zitten. Daarvan heb ik in mijn roman gezegd: Dáár is het boze. Je zult je er verschrikkelijk mee amuseren, want het is een heel gek boek. Hier weer hetzelfde gevaar als bij die andere gevoelstoestanden: laat, als de goede toneelspeler, niet de échte boosheid toe. Je moet geen échte tranen plengen. Dat is fout. Altijd moet je het hanteren. Dus bij mijn gif, bij mijn rancune ben ik nooit de distantie kwijt geraakt en dat is in dit laatste geval héél knap.’ Leesclubje verschijnt 13 juni in een Salamandereditie.

*

Daar het korte moment van het voorbijwandelen me niet veel verder bracht zocht ik naar een mogelijkheid langer en ongestoord te kijken. Dat was niet eens zo makkelijk, want nergens valt men meer op dan in een stille boslaan, ondanks alle struiken die daar staan. Gewoon voorbijwandelen is al verdacht, laat staan twee of drie maal, en zeker als men er niets te zoeken heeft, want dat is spoedig genoeg uitgezocht. En wie zich denkt te beroepen op de mooie natuur, het prevelen van de wind in de bladeren, die moet dat maar eens langzaam en zorgvuldig uitspreken en zich daarbij voorstellen dat hij voor een rechter staat of voor een politieagent… Een boslaan wordt dan opeens een dooie bedoening, waar niks te beleven valt, van voor tot achter kledderig in de herfst en ver gelegen buiten iedere nuttige route. Wie daar op mijn jaren hardnekkig pleegt te kuieren doet dat richting verpleeghuis.
Het leek mij dus het beste het vallen van de duisternis af te wachten en dan buiten de lichtkring van de lantaren opeens tot stilstand te komen, als een boom. Daar ik op mijn tweede inspectie al gordijnen zag bewegen bij de villa’s in de buurt wist ik dat ik snel een plaats moest vinden, en dan vindt men hem ook. Roerloos versmolt ik met de schaduw van een beuk en keek naar de helpende vrouwen.
Ze waren drie in getal: daar was mevrouw Stortebeker, een fletse matrone wier grootvader nog in de Boerenoorlog had gevochten; zijn doorschoten flaphoed hing bij haar in de gang. Ik herinnerde mij haar goed, want in mijn verkopersdagen kocht zij van mij eens een ijskast, op een namiddag toen het stil was in huis, en zij prees mij om mijn vioolspel op een wat vochtige wijze. Ze was toen al flets en matrone-achtig, en ook al weduwe, want haar man was al heel schimmig overleden, heel hoffelijk zei ze zelf, maar niemand wist daar het fijne van, wat is hoffelijk… Zelf liet ze hierover ook na aandringen niets los, vermoedelijk uit fletsigheid.
Wat mistig en vaag verscheen ze mij nu weer in de boslaan, met zware tassen vol wasgoed en met nog wat lekkers voor bij de koffie erbovenop. Haar wasgoed vulde de trap naar boven steeds verder en deed denken aan het sprookje van de overkokende pap. Het wezen der droeve dagen bleek te bestaan uit wasgoed: lijfgoed in knoedels, rollen overhemden in elkaar gewrongen als pruimtabak, pakken lakens, handdoeken, sokken in dikke proppen… alles gul en trots op de treden uitgestort; de heer Colijn moest er door naar boven waden als hij zijn rimpelige, wat vochtige en sterk naar chloor riekende leger opzocht, en vreesde halverwege door iets donkers vol in de borst te worden gestompt, om alles wat hij die dag had lopen koeren tegen de helpende vrouwen.
Buiten in de eenzame en doodstille boslaan wist ik ervan, niet voor niets staat men nervig, koud en stram tot in het gebeente te staren in die ene vlek lantarenlicht waarin al wat onbegrijpelijk is samenkomt, om dan aan het eind van de laan iemand te zien opdoemen die behalve flets en matrone-achtig vervuld is van een weeë goedheid. Want dat was mevrouw Stortebeker, ze was van een drenzerige, nevelige, zon-over-zeegeurende goedheid. Bij haar viel je altijd bijna in slaap, zelfs als ik voor haar vioolspeelde dommelde ik nog bijkans in. Dat was pas troostend, en daar ik mijn mond niet durfde bewegen vanwege de scherp toeziende buren, produceerde ik een heel klein scheef openingetje met mijn mond en liet voorzichtig een klein gejank los, dat niet binnen te houden was en waarbij een petieterig traantje pinkelde in het lantarenlicht.
Geen wasgoed zonder wasvrouw, en die kwam dan ook een keer aanstappen in de blauwpaarse schemer op een manier die niet mis was. Ze gaf een jengel aan de bel die alle hens aan dek riep en de deur ging achter haar dicht met een klikje dat me de keel dichtsnoerde. Spoedig was ze er echter weer, achterwaarts liep ze over de tegels van het tuinpad, gespierd maar ruggelings maakte ze zich uit de voeten, en haar stevige armen rolden voortdurend in verontschuldigende bewegingen. Ze had even alles mogen strijken, maar daarna, mars, mars… Wie had dat gedacht, geheel zonder merg was het oude bot dus niet en haast stervend van kou, tocht en vochtige avondlucht kon ik hem maar al te goed begrijpen, want de oude geilbaard zag kansen als nog nooit in zijn leven.
Plotseling werd het nog donkerder in en om het huis aan de boslaan want ook de huiveringwekkende gestalte van mevrouw Zwaan diende zich aan, zij van de wippende handen en de krijtwitte plooien. Begraven in mijn boom zag ik haar komen, nauwelijks nog van deze wereld schepte ik toch een diep behagen in de nu onvermijdelijk volgende brijzeling der dingen. Maar ook dat was nog verrassend, ik kon het zien aan haar wijze van binnenkomen; ze hield de knieën wat tegen elkaar, zodat de armzalige witgeplooide heupen nog wat leken, en er blikkerde ook iets vreemds bij de mond. Ik lette scherp op, een klein ontroerend gekreun van aandacht ontsnapte me zelfs toen ik zag dat ze daar op het tuinpad een glimlach instudeerde. Dwars tegen de natuur van dat gezicht in dwong ze het tot een glimlach, tot een scherpe flits van kleine snelle tandjes, dat wat een konijn als laatste op deze wereld ziet als het door een fret wordt besprongen. Alles diepzee en duisternis, maar ondanks de gebaksdozen, papieren zakken en tassen die ze bij zich had was ik geen moment in twijfel of de heer Colijn zou het spel doorzien. Hier kwam ik echter bitter bedrogen uit, en niet alleen toen, want ik heb daar aan de boslaan taferelen gezien en dingen gehoord die me de stuipen op het lijf hebben gejaagd en vaak in tranen van vernedering hebben doen uitbarsten.
Natuurlijk kwamen de helpende vrouwen niet allemaal apart en gescheiden, ze troffen elkaar vaak voor de deur met wasgoed en banket en allerlei soorten van knisperende verrassingen en gingen dan dicht tegen elkaar naar binnen, nadat eerst het silhouet van de heer Colijn in de deuropening was verschenen met geheven armen van vreugde. Dan gloeiden de ramen op in ongekende geheimzinnigheid, een zachtrode doezel deed het geel van het lantarenlicht kil afsteken, en nu en dan zag ik een schim langs het venster gaan die instemmend knikte en het hoofd aangenaam luisterend wat scheef hield.
Wie zal dat peilen? Ik niet, en ook moest ik overdag toezien hoe de mossen verdwenen, ze verbleekten naast de voordeur, op de tegels van het tuinpad en op het gemetselde muurtje aan de kant van de laan. Het werden weer vriendelijke grijze tegels en rode bakstenen; nu en dan krulde er een pluim smook uit de schoorsteen die wees op gerief en gebraad.
Zien liet Colijn zich niet veel, horen des te meer, en zijn fiedel, die lang in de kast stof had liggen verzamelen zong weer onverdragelijk door het huis. Op een kwade dag heb ik hem gezien toen ze gedrieën vertrokken, de zwarte auto van mevrouw Zwaan stond voor, de oranje verlichte voordeur stond wijd open en van binnen klonk gelach. En daar waren ze hoor… en wel hecht in elkaar verslingerd, ik bedoel hun armen hadden geen seconde rust en zo in het tegenlicht van de deur leek het op een schooljongensuitvoering van de Laocoöngroep. ‘Ze stapten in en reden weg’, dat is zo’n zin die veel bedekt wat ook beter maar bedekt kan blijven, maar ik wil er nog wel van zeggen dat de achterkant van de auto er geheel uitzag als die van een voituur dat naar het theater gaat. En passant zij nog vermeld dat het achterhoofd van de heer Colijn heen en weer rolde op de rug van de achterbank als in vervoering, en zijn hand sloeg reeds de maat van al wat nog komen ging.
Door alles wat ik had moeten zien was mijn houding veranderd; om te beginnen was ik natuurlijk geheel verstijfd, maar verder waren mijn handen, die ik lang recht langs het lichaam had gehouden, tot vuisten in elkaar gekrompen, waarna ze zich nog verder in zichzelf wrongen met witte knokkels en nu en dan een geluid als van bomen die in een bos door een herfstbries langzaam tegen elkaar knarsen. Normaal loop ik altijd wat krom, maar toen had mijn rug zich gerecht en was vervolgens langzaam hol getrokken onder hevige pijnen. Ook mijn nek was verhard en in mijn gezicht voelde ik een nooit meer te veranderen grijns van hout.
Dat is zeker mijn redding geweest want anders had ik mij zeker niet kunnen beheersen bij wat ik nog zou gaan zien. Het was op een dag die vol was geweest van getijden en kosmische boodschappen, flarden roze heimwee, het geel van oude prenten en ten slotte een donkerende hemel met hier en daar al een winters fonkelende ster. Toen kwam mijn lieve dikke het bospad op wandelen; ze had iets anders bij zich dan haar rollende bewegingen en de geur van gebakken vis. Ik sla mijzelf nu even over en vermeld alleen het volgende; om ondoorgrondelijke redenen, en als het niet waar is wat ik heb gezien geef ik geen cent meer voor mijn brein, voltrok zich de afschuwelijke vrijage vlak voor mijn neus, en atmosferische storingen, die in die tijd stevig heersten, zorgden wat het verstaan betreft voor akoestische unica.
Het begon al met de grofheid dat Colijn naar buiten trad toen hij haar zag aankomen, al van verre riep: ‘Heeft u wat fijns voor me?’ en in plaats van hem voor ‘t leven terug te striemen om een dergelijke onbewaakte uiting rolbuikte ze hem warmpjes tegemoet en zong hem toe: ‘Waar had u aan gedacht dan?’ ‘Aan frou-frou,’ riep de poseur, ‘aan bonbons met lepeltjes smurrie, of harde Weners, of vruchtenkoekjes die even krakken in je mond.’
‘Vandaag niet hoor,’ zei ze en ging hem voor naar binnen, ‘ik blijf maar een minuutje,’ zei ze nog schalks over een globuleus schoudertje. Maar de ramen gingen alle aan, diep donkerrood, en condens biggelde van de ruiten af. Een paar dagen later was ze er weer, nu met een pak gebakken vis, de staarten staken eruit. Hij stond weer buiten met z’n wijde neusgaten, legde het in trance aangenomen pakje op een paal van zijn hek, nam haar mollige, zo intens goedige hand diep in de zijne en zei: ‘ik ken waratje je naam nog niet eens…’
‘Hosanna,’ zei ze, ‘dat betekent droefenis en smart, net als Dolores.’
‘Dolores,’ fluisterde ik tussen mijn gebarsten lippen die vol houtsplinters staken, ‘Hosanna,’ en mijn bladeren ritselden als oude kranten.
Een kans als geen en hij nam hem waar met handen en voeten, mijn God… wat leek die man toch op mij, een beetje van datzelfde schaamhaar op mijn kin en ik kon zo in zijn plaats treden om hem eens te laten zien wat ernst, inzet, intensiteit, veel teleurstelling en verdriet voor substantie geven aan een werkelijk gevoel. Voorlopig schaamde ik me dood, want hij legde een geaderde hand op zijn borst als in de Grand-Guignol en riep: ‘Goede God.. hoe hebben je ouders je zo’n naam kunnen geven! jij die altijd zo opgewekt bent, en zo blij…’ ‘O fondant,’ kreunde ik, ‘reukwater en slap slijm… waarde Heer, werp toch uw bliksem tussen zijn dorre benen zodat de restanten sissen en knetteren.’ Maar dat gebeurde niet, wel iets heel anders; voor hun dialoog hadden ze een in de heupen wiegend toneelloopje gekozen, een hand hielden ze gestrengeld, de andere zweefde sierlijk achter hen aan. Zo liepen ze ter hoogte van mij voor het huis aan de boslaan langs, hij aan de ene kant van de heg, zij, om het zo maar eens uit te drukken, op de boslaan zelf. Daar deze heg echter om allerlei redenen die met het tuinschuurtje samenhingen steeds hoger werd wiegden ze ten slotte voort met recht omhoog gehouden arm en tot het uiterste tastende vingertopjes. Mij schonk het ‘t volle uitzicht op een oksel waarover ik kort wil zijn. Iets kraakte plotseling op de boslaan als een oud zeilschip in het pakijs. Ze keek verschrikt om, mijn lieve dikkerd, en tripte de boslaan af.

illustratie

In mijn houten dromen nam ik wraak, daarin stonden beiden aan weerskanten van een hek en Colijn had zijn arm ver over de spijlen gestoken om haar aan te raken. Zijn arm was een hunkerende arm en alle bewegingen spraken van gier en beven. Hij streelde haar haren, haar ronde wangen, haar hals, en zijn lange vingers tastten zich een weg in haar kleren in een hoopvolle poging een van haar borsten te omvatten. Maar hij kon zijn arm niet ver genoeg door de spijlen wurmen, ik hoorde het desperate bonken van zijn elleboog tegen het hout en zag het onmachtige draaien en grijpen van zijn hand. Wat hij probeerde was onmogelijk, ik zag aan zijn uitgeschoven vingers hoe hij trachtte onder haar middel te komen om daar die hand tussen haar benen te leggen. Hij trapte ervan tegen het hout, ontelbare visioenen tuimelden door zijn hoofd, maar het ergste was toch dat hij haar nooit helemaal te zien kreeg in zijn delire: als hij haar blanke voorhoofd zag dan was haar kin verdwenen, de ene wang vernietigde de andere, ja als hij in zijn wanhoop haar het hevigst tegen zich aandrukte dan bleef er slechts een oor of een neuspunt over. Geheel was zij slechts te zien toen ze wegliep, in de verte tusen twee spijlen. Vreugde en leedvermaak droomde ik er niet bij, daarvoor leek hij ook te veel op mij. Toch was dat nog niet alles en moest ik ook de glasheldere verrukkingen meemaken van het banale en onbenullige. Ze zaten tegenover elkaar in de huiskamer, de gordijnen waren opengetrokken, de lamp was aan boven de tafel en het schilderij van Samson en Delilah was scherp te zien. Het kleed was van de tafel genomen, voor hen stond een glas bier en ze zaten erbij als in een café op zondagavond.
Heel sloom, ja veelbetekenend nam Hosanna een slokje van haar bier en ze glimlachte tegen de heer Colijn met gesloten, vochtige lippen en een mond vol schuim. Praten kon ze natuurlijk niet, maar dat is juist het geheim van ‘t café. Onnodig te zeggen dat Colijn hetzelfde deed (zo te zien werd dat ook verwacht), maar dan wel met dat begrijpende lachje en dat snuiven door de neus. Na dit ritueel stonden beiden als door een stilzwijgende overeenkomst getroffen op en kwamen ze naar buiten. Het weer paste zich ogenblikkelijk aan; het was op slag bijna donker. Ze liepen langzaam de boslaan af en op, dicht tegen elkaar, en zij verbaasde zich dat hij zijn arm niet om haar middel sloeg en hij op zijn beurt zei op het moment dat ze mij passeerden: ‘Geef me eens een arm…’
Dat deed ze, innig, zelfs omvatte ze zijn hand en drukte die zo nu en dan zodanig dat er voor twijfels geen ruimte meer was.
‘Nu zijn we echt samen,’ zei hij toen ze weer langs mij heen schoven. De claqueur.
‘Ja,’ zei ze heel laag en met een even bewegende schouder.
‘Zijn we nu een minnend paar?’ vroeg hij hypocriet.
‘Dat weet jij ‘t beste,’ antwoordde ze en weer gebeurde er iets met hun armen, maar ook vlijde ze haar lieve hoofd op zijn schouder. Pas in de donkere verte zag ik hoe hij zijn arm om haar middel legde, en toen ze weer terugkwamen zei ze teder: ‘Je kunt je arm daar wel houden hoor.’ Daarna draaide ze zich vlak voor mijn neus binnen in die arm naar hem toe en kuste hem. Het minste geluid, een lik of een smek had alles nog kunnen vernietigen, maar nee, het zat er niet in en stilte na stilte gleed de volmaakte knuffel binnen.
Mijn keel schoot vol want er zijn grenzen. ‘Doodt hem Heer,’ zei ik met het rauwe geluid van de waarheid, ‘doof dat brein,’ en ik draaide mijn (aan die beweging niet gewende) ogen naar omhoog. Nu, ‘mijn woord steeg op, onaards van ziel en zin. Zo’n innig woord dringt diep de hemel in’ …om Hamlet maar eens op speelse wijze te citeren.
Het huis aan de boslaan was niet echt somber, het was ook niet in zichzelf verzonken, want dat wordt van alle huizen aan een boslaan gezegd als er maar een boom voor staat. Het is moeilijker er een naam voor te bedenken, maar ik hou het erop dat het een huis was waar kleine gewoontes woekerden, zoals het dragen van de asemmer naar het hek op steeds dezelfde tijd, het behaaglijk en langdurig vegen van de voeten op de ijzeren mat bij de voordeur, het verdroomde perkjeharken, of het raampje openzetten op de zolder voor de bewaarappelen en -peren. Nog een echte casa keutel, een tuttlehome, en aan mij wel besteed. Als in zo iets de verlichting in orde is, het hout gekapt voor de winter en er verder helpende vrouwen zijn die met wat zachte drang ertoe gebracht kunnen worden te helpen zonder al te veel te storen, nu, dan is het licht der lichten waarlijk opgegaan.
Ik heb daar lang over staan nadenken, mij ook eens op al die bankjes gezet waar de heer Colijn placht uit te rusten van zijn vioolspel en daarbij mijn baardharen gestreeld tot het moment dat ik een punt aan mijn sik kon draaien. Daarna besloot ik hem te doden en de vraag was dus heel simpel: hoe en wanneer.
Men bedenke goed dat ik niet over één nacht ijs ging, het was geen wilde impuls, het was moord met zeer voorbedachten rade. Ik had het nu lang genoeg koud gehad in mijn leven, buiten rondgedwaald, naar verlichte vensters gekeken of voor mij uit zitten staren in een kil huis waarover de nacht viel als over geen ander huis. Daarbij, als ik even een glosse mag inlassen, er waren tekenen dat ik een van de draaipunten in mijn leven naderde: herhaaldelijk had ik plotselinge stormvlagen gehoord om straathoeken of in de diepte van donkere stegen, en had ik zo maar uit het niets de geur van wier en schelpen geroken, niet alleen in de bossen, maar ook een keer in een banketwinkel. Ook was mij een keer toen ik de weg kwijt was en wat liep rond te struikelen in het kreupelhout een oude schoolkameraad gepasseerd, zijn haren waren vette slierten alg, zijn gezicht was bol en zwartblauw als de enige bloemenvaas die ik heb, en zijn ogen waren heel groot en zwart van ellende. Mijn leven nam een ernstige wending, dat was duidelijk, dat van de heer Colijn overigens niet minder, maar ik voelde diep de noodzakelijkheid daarvan; hij moest kleiner worden opdat ik zou kunnen toenemen.
Zodoende trof hij me een keer op een namiddag, toen hij terugkwam van een klein blokje om, zittend aan op zijn stoep. Ik had, nu de zaak van kracht was geworden alles om mij heen eens goed opgenomen; het huis rook aangenaam, er waren geen blaffende honden in de buurt, ook niemand die motorfietsen repareerde en zelfs een radio had ik niet gehoord, en dat terwijl ik daar toch zeker een uur had gezeten, zodat ik een volledig gevoelloos en stijf achterste had gekregen.
Hij moest me daarom echt omhoog helpen, waarbij ik menig onnodig gesteun en gekreun heb gelaten om hem wat zachter te stemmen, want hij had flink de pest in, dat zag ik wel. Verwend.
‘Leuk u eens te zien,’ zei ik.
‘Wat doet u hier?’ Het klonk kort, in alle woorden was de dichtslaande deur al te horen, maar ik was zo geboeid door het ophelpen van mijzelf en ook door het feit dat hij zo’n aangename, warme hand bezat, dat ik daar maar niet al te veel aandacht aan schonk, en alleen waakzaam genoeg bleef om eventueel nog net mijn schoen tussen de deur te krijgen. Hij zag er inderdaad rozig uit na zijn ommetje, zeker had hij de lieve dikke nog ergens ontmoet voor een hand op zijn gulp of een paar vingers door zijn haar.
‘U heeft zeker ook lekker warme voeten?’ vroeg ik ondanks mijzelf toch kribbig.
‘Daar heb ik nooit over te klagen,’ zei hij met vreemde, starende ogen, terwijl hij met bevende hand de sleutel in het slot wriemelde. Ik glipte langs hem heen en stond tegelijk in de gang, die toch donkerder was dan ik verwacht had en enorm naar wasgoed rook.
‘Hee,’ riep hij.
‘Let u maar niet op mij,’ zei ik terwijl ik mijn hoed aan de kapstok hing en daarna de kamerdeur opende; een overdadig gemeubileerd vertrek, toch een vleugje ouwemannengeur, veel foto’s, verschrikkelijk veel vaasjes, stenen katten en gehaakte kleedjes. Zijn stoel stond pontificaal in het midden, een opgestopte oude zorg, die veel licht van de tafel wegving. In de kamer aan de andere kant van de schuifdeuren stond bij de tuinramen een sofa, er hing daar een mooie sfeer, maar helaas was de sofa bedekt met een grauw kleed waarop een kattemand.
Ik hield er half en half rekening mee dat hij me bij de arm zou grijpen om te proberen me de gang weer in te werken, maar ik merkte niets, het bleef intrigerend stil achter me en toen ik me omdraaide stond hij dan ook zorgelijk bij de deur, opeens wat gebogen, de mond dommig openhangend en met een paar dunne vingers van de ene hand aan de pols van de andere.
‘Wat is er?’ vroeg ik, ‘moeilijkheden?’
‘Mijn hart klopt opeens zo rot,’ zei hij met doffe stem, ‘voel eens?’
Ik greep zijn pols en trok het daarbij horende gezicht, een ingekeerd staren in veel van dergelijke ervaringen. Dat was natuurlijk pose, want wat wist ik van polsen af. Ik heb wel ontzettend veel gelezen, maar de literatuur is niet erg scheutig in dit opzicht, daarbij kon ik de gedachte niet onderdrukken dat het wel een geweldige bof zou zijn geweest als hij daar met doffe ogen in elkaar zou zakken en zonder veel poeha de geest zou geven. Dan snel de kelder in en de rest kon ik daarna wel ergens naslaan in een detective. Maar hij bleef natuurlijk overeind, ik ken dat soort klagers, daar is nooit veel van te verwachten. Niet dreigen zeg ik altijd maar, doen!… ‘Een mooi polsje,’ zei ik, ‘eentje voor de eeuwigheid.’
‘Een rotpols,’ zei hij, ‘maar dat is het niet alleen, voor de deur daarnet kreeg ik opeens zo’n beklemming op de borst, hier…’ Mompelend begon hij heen en weer te lopen terwijl hij een knedende hand op zijn linkerborsthelft hield en nu en dan ook met een paar trillende vingers over het voorhoofd veegde. Hij zag nu inderdaad lijkbleek en ik mat de afstand tot de sofa voor de tuinramen met peinzende blik, dat zou een hoop gesjouw schelen.
‘Ik ben ook misselijk,’ zei hij, ‘Jezus wat voel ik me beroerd.’
‘Rustig blijven en ontspannen,’ raadde ik hem aan, ‘diep ademen, hier en daar in je lichaam knijpen zodat je voelt dat je er weer bent en vooral goed naar de dingen kijken die je vertrouwd zijn, dat helpt.’
‘De dingen zijn me niet meer vertrouwd,’ jammerde hij, ‘alles staat met de rug naar me toe. Mijn God wat voel ik me ellendig en alleen.’
‘Ik ben er,’ zei ik, ‘ik ken dit soort zaken toch, geloof me…’
‘Ja?’ mekkerde hij kinderlijk, ‘is dat zo?’ ‘Kan het geen kwaad?…’
‘Absoluut niet,’ zei ik, ‘het is gewoon een angstaanval en daar ga je niet aan dood.’
Ik zag dat hem dat opluchtte en ook dat hij zich zou gaan aanstellen met hele verhalen over wat hij had gegeten en god weet ook nog dat-ie als kind van de fiets was gevallen. Daarom drentelde ik zo huiselijk mogelijk door beide kamers rond; ik kon mijn inspectie zelfs tot de keuken uitbreiden door aan te bieden een glaasje water voor hem te halen.
‘Graag,’ zei hij op de rand van een ontspannende huilbui, ‘dank je zeer, dank je zeer.’
‘Een kleine moeite,’ zei ik en liep naar de keuken. Dat is de test der testen, het zeepbakje zag er waarachtig proper uit, het stuk zeep was droog, nergens een vies en kleverig aanrechtdoekje, en een bord dat ik even schuin in het licht hield vertoonde nergens vingers of akelige plekken. Ik rook ook nog even aan de gordijnen, haalde een vinger over de vensterbank en bekeek snel maar vorsend het gasstel op vetspetters. Alles was onthutsend prima en ik moet zeggen dat ik ietwat geschokt terugliep naar de huiskamer. Bestormd door emoties deed ik de deur open en zei: ‘O ja, dat water.’ Toen ik weer terugkwam zag hij er een stuk beter uit, hij had zijn boord losgemaakt, zat op de grauwe sofa en keek de tuin in met de dankbare blik van iemand die meent dat het leven hem opnieuw is geschonken. Het stond echter anders geschreven in de sterren boven het huis aan de boslaan, en zoals zo vaak was ook dat weer een kwestie van overgangen.
Buiten was het blauw en schemerig geworden en terwijl ik door het raam keek wist ik dat het buiten zeer stil zou zijn, hier en daar zouden de lichten in de huizen worden ontstoken en her en der zou men zich gereedmaken voor het eten, heen en weer dribbelen tussen keuken en huiskamer, wat gezellig doelloos voor de boekenkast staan of in een leunstoel wat voor zich heen staren. Dat zijn de intens gelukkige momenten van de luwte voor de warme volte; naar mijn gevoel zijn het kleine afglansjes van de eeuwigheid. Ontroerd trad ik aan het venster, ervan genietend eens van binnen naar buiten te kunnen kijken en zag hoe aan de overkant, diep in het geboomte, voor een venster het gordijn met een ruk werd dichtgeschoven. Een teken.
‘Een klein wandelingetje zal je goed doen,’ zei ik, ‘geloof me, ik heb ervaring in dit soort dingen.’
‘Zijn die gevaarlijk?’ probeerde hij nog even op een ziekentoon en zeker van een geruststellend antwoord.
‘Nou…’ zei ik zuinigjes, ‘er wordt nogal wat adrenaline uitgegoten in het bloed en dat is erg slecht voor veel dingen. Voor je het weet zegt er iets knak in je hoofd en dan is het al bibber en struikel wat de klok slaat. Na een klein ommetje ben je dat weer kwijt, lollig is het natuurlijk niet, dit is eerder het uur voor een beschouwelijke borrel.’
‘Misschien een andere keer?’ begon hij timide, want ik voelde dat hij me op dat moment maar wat graag kwijt wilde zijn om er dan lekker in zijn eentje van te genieten dat alle gevaar geweken was; ik had echter heel andere plannetjes.
‘Beter nu,’ zei ik vastbesloten en toen hij nog wat tegenstribbelend alles aan het regelen was (eigenlijk heb ik niet veel tijd, ik zou liever wat gaan rusten, en dat soort zaken) kon ik me toch niet inhouden hem even bij de hand te vatten om te voelen of hij op dat moment net zulke koude handen had als ik. Nou dat had-ie, krek dezelfde kille lerpen als waar ik een leven lang aan geleden heb, om van mijn voeten maar te zwijgen. Alleen bij hem was het maar een aanvalletje, bij mij was het de grondslag van mijn bestaan. Na een paar voorbereidende glaasjes was hij echter in de beste stemming, en zo beweeglijk aan het ronddraaien in zijn leunstoel dat het een kleine moeite was om mijn jenever in de pot van de kamerlinde te kiepen. Het speet me wel, want het was zo’n zeldzaam exemplaar met kleine blaadjes, maar ik kon niet goed bij een andere pot. Ik koos de weg door het park met de vijver, het was er zo donker dat het pad als het ware regelrecht in het niets scheen te voeren. Snaterend hing hij aan mijn arm, nu en dan struikelend. We bleven staan, of liever ik bleef staan en hij gehoorzaamde als een willoze pop. In de buurt klakkerde water, vreemd want er was nauwelijks wind, er stond maar een zuchtje dat nauwelijks voldoende was voor een veeg of rimpeling. Desondanks klakkerde het water en ik legde dat met kracht aan mijzelf uit als een teken, een zacht roepen en lokken, een aandringen. ‘Griezelig hè,’ zei Colijn, ‘onheimelijk,’ en daarna begon hij te lachen. Zeldzaam, want ik wist met absolute zekerheid dat hij op de hoogte was van het gevaar, zijn nerveuze gekir en wapperende handen wezen daarop, maar hij bedroog zich natuurlijk wat betreft de aard en de nabijheid ervan.

illustratie
Hij begon nu met zachte stem te zingen, bibberig, smekend haast, maar ik bleef onverbiddelijk naast hem en zorgde ervoor dat hij niet te veel van de koers afweek. Plotseling begon hij echter te declameren, wat me een ongunstig symptoom leek van een langzame ontnuchtering. ‘’k Heb haar peignoir nog hier, die tweedehands, versleten, grofgebloemd, haast als een schort, haar lijf omsloot…’ weende hij.
‘Verdomme,’ mopperde ik voor mezelf, ik voelde dat ik mij moest haasten, maar hoe?… De heer Colijn zelf wees mij de weg door uitnodigend te struikelen, en dat ging zo snel dat het was alsof hij plotseling voor de helft in de grond verdween. Ik haalde de hamer uit mijn binnenzak en zocht in het donker turend naar de plaats van zijn hoofd. Dat was veel moeilijker dan ik gedacht had, want we waren juist op een plek aangekomen waar een lantaren over laag geboomte scheen, net in mijn gezicht, zodat het donker eronder ondoordringbaar was. Mijn bedoeling was om met één hand zijn bol op te sporen, om na de plaatsbepaling met een geweldige tok alle problemen op te lossen. Om buiten het licht te blijven hupte ik op mijn hurken in het rond, de hamer geheven, maar ik had de indruk dat hij danig bezig was zich op handen en knieën uit de voeten te maken. Nog onverwachts had ik hem bij zijn haren, mikte kort en sloeg toe.
Ik moet zeggen dat hij zich niet dapper verweerde, maar het meest afschuwelijke deed wat in dergelijke gevallen mogelijk is; hij begon te schreeuwen: ‘help!’, ‘moord!’ en meer van dat fraais. Hij produceerde een onthutsend krachtig en mannelijk geluid, heel hel, vooral dat ‘help!’, dat ik als een pijl over het donkere water van de vijver zag scheren. Ik had het geluk hem met de voet krachtig in de buik of misschien in de borst te raken zodat hij al meteen een toontje lager begon te zingen, en toen ik eenmaal op deze manier goed zijn positie had bepaald wierp ik mij met alle kracht in die richting en had tegelijk mijn vingers om zijn keel, zijn gebrul smorend, maar helaas niet lang genoeg. Woedend om al die onnodige moeite ramde ik de plaats waaruit dat afschuwelijke geschreeuw opsteeg in elkaar, drukte mijn knokkels alle plaatsen in waar ik meende ogen te zien glimmen en trachtte zo veel mogelijk edele delen te raken met knieën en ellebogen.
Niets hielp, integendeel, het ontzagwekkende geschrei steeg als een zuil ten hemel, een hels en hees geloei als van een koe, dat waarachtig zelf een lichtglans verspreidde. Nooit had ik kunnen vermoeden dat het geluid van de ware doodsnood lichtgevend was, maar dat is zo, een licht fosforiserende gloed koepelde zich over het park, die hem echter noodlottig werd, daar het mij meer overzicht van de situatie verschafte. Om te beginnen zag ik vlak voor me zijn enorm wijd gesperde mond, de bron naar het mij voorkwam van alle ellende, en even ziedend als vastbesloten een voor mij noodzakelijke stilte te scheppen beukte ik erop los tot hij mij onverwachts een lauwe gulp in het gezicht spuwde. Een brede straal bloedsoep spoot uit het duister in mijn gezicht, of erger nog in mijn mond, die natuurlijk ook wijd open stond. Tot in de witte pit van mijn gedarmte gilden weerzin en ontzetting, en wurgend en brakend trachtte ik mij te ontdoen, te reinigen van het in mijn mond stollende slijm en de zoete, ondraaglijk warme pap die zich voor mijn gevoel overal in mijn lijf vasthechtte en -zoog.
De nacht kwam tot leven, zijn geschreeuw had spoken uit hun hol gejaagd, en hier en daar hoorde ik al dat geroep van ‘hallo…’ en ‘is daar iemand?’. Zelfs meende ik even schreden te horen. Het vreemde was dat mij dat totaal niets uitmaakte, ik had op dat moment wel wat anders te doen en vermoedelijk was dat ook de reden dat de figuren zich weer verwijderden, even drullig als ze gekomen waren.
Voor mij in de schemering zat de heer Colijn op zijn knieën, zijn armen had hij geheven en hij wiegde van de beroerdigheid. ‘Alsjeblieft,’ riep hij hoog en jammerend, ‘doe mij niets aan, want ik ben de heer Colijn.’
Het was wel goed verstaanbaar, maar toch kwam het er allemaal vreselijk brijachtig en gebroken uit, en dat was ook geen wonder met die tot moes geslagen mond. ‘Verdedig je, lafaard!’ riep ik, want zo iets meende ik me uit de literatuur te herinneren. Hij omklemde echter met een verontrustende kracht mijn benen en smeekte hoog en schel om genade. Tevergeefs trachtte ik mij los te rukken, want wie in een dergelijke situatie niet over zijn knieën kan beschikken ligt voor hij het weet op de grond, misschien zelfs achterover op zijn rug en dan zijn de moeilijkheden niet ver te zoeken. Daarom boog ik mij ver voorover en probeerde hem aan zijn oren van mijn knieën te rukken, maar hij sproeide een ware fontein van bloed in mijn gezicht, die me opnieuw kotsmisselijk maakte. Hoe zo iets kan is mij nog een raadsel. Gelukkig begon hij op dat moment te trappelen en te slaan en dat schiep weer nieuwe mogelijkheden. Voor ik het wist tuimelde ik achter hem aan en in de richting van de vijver, de hamer die ik blijkbaar weer had teruggevonden in de hand. Vermoedelijk wilde hij half wadend, half zwemmend ontsnappen, ik had daar wel eens over gelezen, maar dan betrof het mannen die gekleed waren in wijde, witte overhemden en met opvallend brede mouwen. Ik bedoel maar dat het te verwachten was dat hij al na een paar passen in de vijver zou vastlopen in de modder, zodat ik hem vrij makkelijk kon inhalen en op zijn hoofd slaan.
Na een paar fikse slagen zakte hij langzaam in elkaar en verdween hij onder het oppervlak, ik zag zijn hoofd geleidelijk en tragisch verdwijnen, bijna statig, en keek hoe in het steeds sterker wordende licht (ik kreeg eindelijk in de gaten dat de maan was opgekomen) het kroos zich traag boven hem sloot.
Dat was dat, ik keerde mij om, maar wachtte dan even om mijn ellende wat te ordenen; natte schoenen, natte sokken, natte broek, modder overal en dan ook nog naar huis lopen… Dat laatste kikkerde me echter opeens enorm op, want ik realiseerde mij dat ik het huis aan de boslaan nu het mijne mocht noemen, en als zodanig van plan veerkrachtig de wal te bereiken kreeg ik de schrik van mijn leven toen ik opeens weer bij een been werd gegrepen. Rillend van afgrijzen zag ik een stakige arm boven water komen en een hand klauwde zich vast aan mijn broek. De schrik was natuurlijk begrijpelijk, maar spoedig had ik mij ervan hersteld, en daar ik in alle consternatie mijn hamer opnieuw was verloren (naar het zich liet aanzien definitief) greep ik in mijn broekzak naar mijn zakmes, zag ondanks alle geruk en getrek kans het toch te openen en stak ermee in die verraderlijke hand.
Hijgend boog ik mij voorover, steunend op de knieën, en staarde uitgeput op het met kroos bedekte oppervlak van de vijver. Zo zag ik hoe opeens overal luchtblaasjes te voorschijn sprongen. Zijn laatste snik, dacht ik, terwijl ik mijn arme hart hoorde pompen in mijn oren, en vaag overwoog dat al die opwinding niet goed kon zijn voor de oude tikker. Maar terwijl ik bezig was mij stram en moeizaam op te richten en tegelijk een voet trachtte los te wrikken uit de modder waarin hij zich had vastgezogen brak het kroos vlak voor mijn neus en rees het gezicht van de heer Colijn weer langzaam uit de diepte omhoog. Een mond tuitte zich boven het water uit op een doodgriezelige manier, het leek wel of hij mij met inspanning van alle krachten nog een kus wilde geven en ik schreeuwde het uit van ontsteltenis, temeer daar hij tegelijk kans zag een geniepige slag op het water te geven, zodat ijskoude druppels in mijn gezicht spatten. Niets bleef mij werkelijk bespaard, want daar steeg uit het water een geschrei dat waarlijk bol stond van angst, het was een God bezwerend, paniek door het bloed jagend, aarde en park tot getuigenis aanroepend krijten, dat pas verstomde toen ik met bevende handen zijn bol weer onder water duwde en die keer voorgoed.
Doodmoe sleepte ik me naar huis, opende de deur met mijn sleutel, stond in mijn gang en deed mijn licht aan. Alles was stil en langzaam welfde het huis zich over mij heen, een beschermende, schulpende hand, een wake in de nacht, een tempel voor helpende vrouwen, een woon, ja, een dak boven het hoofd zoals de dichter zegt. Tegelijk echter ging de telefoon, het was een stem die ik niet kon thuisbrengen en die mij links en rechts om de oren sloeg. Het was een geaffecteerde stem met een snik erin die voortdurend aan de bovenkant aanwezig was als trilling en aan de onderkant als schorre rafel. Er was sprake van een zekere Sofieke die haar man had verlaten en daarom weer dreigde thuis te komen, maar ik meende ook een keer te verstaan dat Sofieke juist was overleden en dat haar man haar daarom had verlaten. Even later klopte dat niet met een plotseling overvloedig snikken en meende ik met een doodmoe hoofd te begrijpen dat Sofieke door haar man was gedood daar zij deze had willen verlaten, al was het natuurlijk ook mogelijk dat beiden gewoon in het huis van de geaffecteerde stem wilden terugkeren en dat dit zeer ongelegen kwam. Hoe dan ook, ik legde bedachtzaam de hoorn neer en bekeek de vochtige afdrukken van mijn vingers. Nee, eenvoudig zou het allemaal niet zijn.

Voor het dertiende nummer onder nieuwe redactie, 2016-3, gewijd aan het oeuvre van A.F.Th. van der Heijden, schreef Lisa Weeda ‘Indexen voor verwijtbaarheid’, geïnspireerd op Van der Heijdens MH17-roman Mooi doodliggen, en vanzelfsprekend verwant met haar voor de Boekhandelsprijs en Libris Literatuurprijs 2022 genomineerde romandebuut Aleksandra. Vandaag hernemen we het verhaal, we denken terug aan 2014, we denken aan Oekraïne.

*

2791 kilometer

P = VRM2. Peuris-sterkte, verwijtbaarheid, relevantie, mediageniekheid. Een team van mannen en vrouwen berekent een situatie via de Wet van Pleuris. Ze zoeken aan de hand van getallen en een blik op sociale media en algemene berichtgeving uit of het erop of eronder is. Een man, Dirk, schuift zijn computer opzij, stopt zijn duim en wijsvinger tussen de dubbele Windsor knoop van zijn stropdas, geeft een ruk aan de stof en zegt: ‘Een crisis is meestal niet fysiek. Fysiek duurt niet zo lang. Een ramp vindt plaats er als er iets fysiek fout gaat.’ Dirk ververst een pagina op zijn computer door op de F5-knop te drukken. Met de vingers die hij net gebruikte om de stropdas losser te trekken, begint hij nu haastig aan dezelfde stof te futselen, net zo lang tot de hele knoop is losgemaakt. Hij loopt naar het whiteboard op wielen dat een half uur eerder de ruimte in is gerold door Kim, de stagiaire, en schrijft met een zwarte marker boven aan het bord in blokletters ‘Indexen voor verwijtbaarheid’.

2679 kilometer

Een journalist, Johan, gewapend met alleen een camera en analoge rollen film, reist in een cargovliegtuig naar een plek waar een vliegtuig is neergestort. Of deze journalist bestaat of niet, hij wil de scherpste blik hebben van iedereen. Zijn afstand tot de gebeurtenis is het cadeau dat hij krijgt, het cadeau waarmee hij overal doorheen kan kijken. Als hij aankomt op de plek waar het onheil zich op eerder onheil heeft gestapeld, hoeft hij alleen nog het beste licht door een lens te laten glippen. Op een plek waar leeftijdsgenoten met andersoortige namen andere leeftijdsgenoten neerschieten en vaak helemaal niet weten waarom, beweegt hij zich als een vis in het water. Als iemand met onschuldige ogen.

309 kilometer

Het driejarige meisje Vika daalt trede voor trede het trapje van haar woonhuis af. Met een telefoon in haar hand loopt ze de binnenplaats op. Ze houdt het toestel in de lucht en zwaait ermee naar haar vader Vova, die met zijn hoofd onder de motorkap van zijn terreinwagen hangt. De ringtone stopt een moment. Het is stil op de binnenplaats. Dan rinkelt de telefoon weer. Vova neemt op en drukt zijn hand zacht op de donkerblonde haren van Vika, kriebelt haar achter in haar nek.
‘Ja,’ zegt hij, ‘ik kan jullie wel langs de checkpoints loodsen. Als jullie een accreditatie hebben, kunnen jullie er één keer door. Daarna kom je op een lijst te staan en wordt het moeilijker. Als jullie veel geld meenemen gaat het praten makkelijker. Nee. Nee meteen laten zien hoeveel je hebt en een klein beetje achter de hand houden voor als ze gaan dreigen. Dollars, geen grivna’s. Dan kan je nog beter met roebels aankomen. De nieuwe valuta. Alles in cash. Ik ook. Ik hoor het wel.’
Vika trekt aan Vova’s broekspijp. Hij hangt op en stopt de telefoon in zijn zak. Het meisje laat zich optillen en zwiert een rondje door de lucht. Haar vader drukt zijn neus in haar haren.

111 kilometer

Binnenkort sterft de 78-jarige Nadja aan de gevolgen van een granaatscherf in haar buik. Ze past op de boerderij van haar jeugdvriendin Nina. De mortiergranaat die op de boerderij af suist, hoort ze te laat. Als ze het geluid eerder had gehoord, had ze gedacht dat deze langs de boerderij zou vliegen. Welke gek richt er nu op iemands woonhuis. De granaat schiet door het dak van de tweede verdieping, neemt de muur en een deel van de veranda mee en komt tot ontploffing in de moestuin. Tussen de tomaten en het huisje waar ooit de grootmoeder van Nadja’s vriendin woonde toen die te oud was om nog voor zichzelf te zorgen, ontstaat een krater van vijf diameter en twee meter diep. De mortiergranaat is in stukken uiteen gebarsten in de rulle grond. Door het gat in de muur is er een stuk van het projectiel door haar jurk heen geschoten. Nadja legt haar handen tegen de hete scherf en voelt hoe het textiel rondom het ijzer ook warmer en warmer wordt. De buurman, Aleksandr, rent de kamer binnen met een jachtgeweer in zijn handen.
‘Waar zijn de klootzakken, waar zijn ze,’ roept hij.
Hij richt eerst op Nadja, dan de kamer rond, naar het gat in de muur en tot slot op haar buik. Dan rent hij weer naar buiten. Over de landweg schreeuwt Aleksandr naar zijn zoon, die zich al een minuut verbijsterd aan het tuinhek vasthoudt: ‘Haal een auto, haal een auto!’

2497 meter

Yulia belt aan bij het huis van haar broer Oleg. Ze veegt met de palm van haar rechterhand het zweet onder haar oksels vandaan. Om haar linkerpols bungelt een camera aan een koordje. Oleg doet open. Hij draagt geen shirt. Yulia laat de camera voor zijn gezicht heen en weer zwaaien en geeft een knikje met haar hoofd.
‘Ze zeggen dat de lichamen ook in de velden liggen. Ze zijn zo, plof, tussen de zonnebloemen beland. Ik geloof er niets van.’
Oleg loopt vanuit de deuropening terug naar binnen. Terwijl hij een gebatikt shirt over zijn hoofd trekt, loopt hij naar de achtertuin en pakt zijn bruine fiets. Kort voelt hij in de achter- en voorband of er nog genoeg spanning op het rubber staat. Hij duwt de fiets door de keuken en de gang en sluit de voordeur achter zich.
‘Gaan we niet met de auto,’ vraagt Yulia. ‘Als ik dit had geweten, was ik wel gaan lopen.’
‘Met een auto komen we daar nooit door.’
Hij trekt aan de ketting om te voelen of die niet te los zit.
‘Wanneer is de laatste keer dat je op dit ding reed?’
‘Paar maanden. Spring nu maar achterop.’
Yulia gaat zijlings op de bagagedrager zitten en Oleg zet af. De zus slaat een arm om haar broers heup, drukt de camera in haar schoot. De weg tussen de zonnebloemvelden is stoffig, het asfalt is jaren geleden gebarsten. Verderop doemt het reliëf van een op zijn kant liggende tank op.

1120 meter

Sinds drie maanden haalt Widja geen kool, maar mijnen van zijn veld. Hij is de hele dag van huis en kamt het stuk land, dat hij van zijn vader Nikolaj heeft geërfd, centimeter voor centimeter uit. Dwars door het perceel ligt een loopgraf. Tussen de aarde en de overgebleven stukken gewas buigt hij door zijn knieën. In zijn knokige grote handen houdt hij een lange stok, die hij meters voor zich uit over de bodem beweegt.

793 meter

Natasja houdt haar smartphone gericht op een steeds groter wordende donkergrijze pluim, die achter een rij boerderijen opstijgt. Ze ademt met korte halen in de microfoon van haar toestel, alsof ze net honderden meters gerend heeft. In de donkere pluim zijn oplichtende vlekjes te zien. Als sterren aan een nachtelijke hemel die soms helder, dan weer minder helder zijn. Ze lichten fel op en doven iets uit. Vallen daarna in rechte strepen richting de aarde. Honden blaffen onophoudelijk, als een geluidsloop die onder de videobeelden lijkt te zijn gemonteerd.

524 meter

James, een verslaggever voor een landelijke nieuwszender, betaalt Modja dertig dollar om op haar landje te mogen staan. Modja strijkt haar bloemenjurk glad en neemt het geld mokkend aan. Ze kijkt naar de briefjes in haar gerimpelde hand.
‘Gisteren kreeg ik tien dollar meer.’
James klimt langs haar heen het tuinhek over en doet alsof hij haar niet verstaat. Hij maakt een draaiende beweging met zijn wijsvinger en de cameraman begint te filmen.
‘Wat ligt hier allemaal in uw tuin?’
Modja staat met over elkaar geslagen armen naast James. Ze haalt haar schouders op en kijkt om zich heen. ‘Er lag veel meer, maar dat was geen gezicht. Alsof er een gigantische bak aluminiumfolie naar beneden was komen regenen. Ik heb stukken bij elkaar op een stapel gelegd, daar naast ons tuinhuisje. Al mijn planten naar de gallemiezen. Ik kan de aardappelen wel vergeten deze winter.’

122 meter

Dmitri verplaatst een betonnen roadblock samen met een andere jongen. Ze drukken hun smalle schouders tegen een kant van de grote grijskleurige steen. De lucht van heet asfalt stijgt op hun neuzen in.

4 meter

Pasfoto’s achter een gaasje in een vak van een portemonnee. Niet helemaal zichtbaar, zodat je ze er altijd uit moet halen en er iets bij kunt vertellen. ‘Dit zijn mijn kinderen. Die is tien en die is veertien. Soms kunnen ze goed met elkaar overweg, soms slaan ze elkaar de hersens in. Dit is mijn vrouw. Ik verwissel de foto altijd als ze een nieuw portret laat maken voor haar paspoort.’ Een opblaaskussen waar je je nek in kunt leggen als je zittend wilt slapen. Een ring voor twintig jaar samen. Aan de binnenzijde staat gegraveerd: Op nog twintig. Op meer. Op langer. Wie voor het douchen de ring afdoet, leest in spiegelschrift wat voor liefde hij of zij bezit. Een telefoon met een beschermlaag over het glazen scherm geplakt. Alleen in de beschermlaag zit een barst, niet in het glas daaronder. Een paspoort met een verouderde foto. Over negen maanden moet er een nieuw exemplaar worden aangevraagd bij de gemeente. Het zal tachtig euro kosten en door het oude paspoort wordt een gat van bijna een centimeter in de breedte gestanst.

0

Danyil of Andrey of Kolja legde zijn hand op een knop en vuurde vier projectielen af. Iemand vliegt duizend voet te laag over een oorlogsgebied. Iemand plant geen alternatieve vliegroute. Het is een naam op een officieel formulier, waar jaren op gewacht kan worden. Grigoriy wordt na vier weken uit zijn bed gelicht, midden in de nacht, terwijl hij zijn dochter Tatiana vasthoudt omdat ze verschrikkelijke dromen heeft. Het is een piloot die nog op de knop van zijn schietstoel drukte, als een kapitein die te vroeg het schip verlaat, tegen alle regels in. Aleksandr, die Nadja met een door ijzer opengereten buik op een eetstoel vindt, wil een verhaal kunnen vertellen. Het maakt de misselijkheid, het huilen, de grafzerk minder nutteloos. Vova wil naar zichzelf kunnen kijken of ergens naar kunnen wijzen en later tegen zijn dochter Vika kunnen zeggen: ‘Hij begon, kijk maar. Hij deed dit en dit en toen gebeurde dat.’ En dat is dan alles wat er overblijft, hoe schuld in de boeken komt te staan. Schuld is een huls gevuld met een voor elk individu verschillende inhoud. Het is fictie. Fictie heeft een oneindig aantal motoren en verschiet constant van gedaante als het zich vermengt met de werkelijkheid. Eén foto, door Johan genomen vanuit één standpunt op één plek, is waar de fictie zich voor het eerst de werkelijkheid binnen stompt. Een andere versie van argeloos geweld. Er vliegt een ander vliegtuig over. Iedereen blijft in de lucht.

In ons themanummer 10 leugenaars (#17, 2017, nog steeds te koop) leverde Bernke Klein Zandvoort de twaalfde bijdrage. Een essay over dreiging en vandalisme, werkelijkheid en waarheid. Vandaag halen we ‘Non-fictie en het andere verhaal’ uit het archief.

*

Vandaal (1778) – naam van een Germaans volk, ‘zij die rondzwerven’, waarin Germ. stam wandal voorkomt, ook in wenden en wandelen.
Vandalisme (1794) – term door een Franse bisschop bedacht om de reacties van het Parijse ‘gepeupel’ te kenschetsen tijdens de Franse Revolutie, die hem deden denken aan de stelselmatige plundering van Rome door de Vandalen in 455.
Vandalisme (1825) – het uitdooven van kunde, en het terugbrengen van barbaarschheid, verwoestinggeest.
Vandaal (2017) – iem. die zich schuldig maakt aan vandalisme.[1]

Mijn voordeur midden in de nacht, vijf jaar geleden: Bitch! You! Open the door! You think you can come to Tottenham, being all white, without paying up?
Als ik niet open zou doen, zouden ze terugkomen, werd er met veel volume gedreigd. De groep mannen, misschien waren het jongens, heb ik niet kunnen zien. Ik hoorde ze alleen. Met platte hand werd er op mijn deur geramd, series harde slagen met korte tussenpozen. Bewegingloos lag ik in bed te luisteren, te verkrampt om mijn telefoon te pakken. ’s Ochtends trof ik buiten een kleine ravage aan. Twee fietsen bleken gestolen, er waren gaten in het metalen hek geknipt, containers kapot getrapt. Op het politiebureau werd een aantekening over vandalisme gemaakt, meer kon er met mijn flarden informatie niet worden gedaan. Moe en nog steeds een beetje bang liep ik terug naar huis. Ik was gezien, maar ik wist niet door wie en wat dat betekende. Alsof ik me tegen iets moest wapenen, keek ik onwillekeurig iedereen op straat aan. Een jongen keek net iets te lang terug. Of deed hij dat omdat ik hém zo aanstaarde? Elke man die mijn kant op kwam, een vrouw die tegen me aan botste – iedereen was verdacht, iedereen werd deel van mijn schimmig scenario.
Tottenham, een wijk in Noord-Londen. Ik was er een jaar na de rellen van 2011 komen wonen. In mijn straat bedekten spaanplaten schots en scheef over elkaar getimmerd nog de uitgebrande ramen van een paar gebouwen, maar op zoek naar een nieuw huis was het mijne mooi en groot en goedkoop geweest. Bovendien vond ik dat ik best eens in een andere omgeving kon wonen dan de gemoedelijke woonwijken vol speeltuinen en groenstroken, gegund aan maar een dun reepje van de wereldbevolking. Hier zaten de stoepen vol gaten opgevuld met dikke klodders cement. Te zien vanuit mijn raam: een Poolse supermarkt, twee Somalische kappers, een pawnshop, een wedkantoor en op een blinde muur om de paar weken een andere billboardreclame. Drie weken lang heeft House of Cards recht mijn woonkamer ingekeken. Eenentwintig dagen de valse glimlach van Frank Underwood, het gezicht van een doorgewinterde leugenaar.

Ik ben een slechte leugenaar.

‘Je bent zo eerlijk als het schelle licht van de Maoz op de hoek van het Muntplein,’ omschreef een vriendin het eens. Ik lachte om het beeld, maar begreep waar ze op doelde. Eerlijk zijn is een kernwaarde in mijn familie. Het is synoniem aan volledige transparantie. Eerlijk zijn betekent, dat het selectief weglaten van delen van een verhaal, het vertellen van de halve waarheid is. En een halve waarheid is géén waarheid. Als je niet de hele waarheid vertelt, zo is de redenering, wordt automatisch de vertelde waarheid gediskwalificeerd.
Lang heb ik daarom gedacht dat het weglaten van informatie, liegen was. Maar in het leven dat buiten het tuinhek van mijn ouderlijk huis begon, zou die redenering aan het wankelen worden gebracht. Ik zag dat een roman, een gedicht of essay, vormen van vertellen zijn waarin heel veel niet wordt gezegd. Ik zag dat de verhalen die we over onszelf, over persoonlijke en gedeelde verledens vertellen, optellingen zijn van wat is weggelaten. Is het niet meer dan te verwachten dat daar vervolgens ficties insluipen?

De woorden

Een leugen is het negatief van de waarheid, een onwaarheid. Dat klinkt een beetje als een formule, (onwaarheid = waarheid x –1), maar veel meer over wat een leugen is, weet ik dan nog niet. Om daar dichterbij te komen, moet ik weten wat waarheid is, de variabele in de formule.
Wanneer iemand het over ‘de waarheid’ heeft, zie ik onopzettelijk een vorm opdoemen, een blob in de ruimte. Het doet zich voor als iets absoluuts, als iets dat niet alleen in je eigen hoofd afspeelt, en dat klopt ook wel als ik naar de vroegste betekenissen van het woord kijk: juist, echt, en werkelijk, feitelijk[2]. Als ik nog iets verder inzoom, zie ik dat ‘waar’ en ‘woord’ uit dezelfde stam zijn gegroeid. Feitelijkheid en woorden zijn dus in hun wortels met elkaar verbonden. Wat in woorden gezegd of geschreven wordt, is waar, lijkt die verstrengeling te zeggen. Lijkt, en daar ligt volgens mij precies het probleem.

Terug naar Tottenham, naar de rellen van 2011. Winkels en banken werden met stenen ingegooid, geplunderd en in as achtergelaten. Mensen renden over straat met plasmaschermen, sportschoenen en stapels kleding. Van auto’s bleef niets over dan hun metalen karkassen, ook bij mij in de straat, zou ik later op videomateriaal zien. Gezichten gewikkeld in bandana’s maakten brandende barricades. Samen met buurtbewoners van verschillende afkomst, jouwden de bandana’s de politie uit. Murderers! Murderers! klonk het in de straten, terwijl in de luwte van de tuinen in alle rust kledingstukken werden uitgeruild, de eerste laptop voor 20 quid werd verkocht.

De rellen in Tottenham gingen via artikelen, tweets, foto’s en video’s de wereld over als een uitbarsting van hebzucht en vandalisme. Schorriemorrie van de bovenste plank, dat was het, tuig dat zo nodig stennis moest schoppen. Dat is geen leugen, maar ook niet de hele waarheid.
Ik moest denken aan de Vandalen, het volk dat de geschiedenis in ging als barbaarse plunderaars, omdat ze na hun overmeestering van Rome, als zodanig door de Romeinen opgetekend werden. Alles wat dit volk nog meer deed, bijvoorbeeld dat ze in verhouding juist heel veel van de Romeinse cultuur bewaarden, werd weggelaten, kwam in het wit tussen de woorden terecht. Zoals in een kinderdagboek waarin alleen de slechte dagen je tot schrijven motiveerden, vertroebelde het beeld, sloop er fictie tussen de feiten, sloop de fictie in het woord ‘vandaal’.
Weggelaten uit de Tottenham-vertelling is de voortslepende armoede in die straten, waarbovenop de regering het jaar ervoor nog eens honderden banen in die wijk had geschrapt, het schoolgeld verhoogde, jeugdwerkers had weggesaneerd. Andere missende informatie: de dood van Mark Duggan, door twee politieschoten om het leven gebracht.

Twee schoten, drie verhalen

  1. Onder de naam Operation Trident onderzocht een afdeling van de Metropolitan Police wapencriminaliteit in de zwarte gemeenschap in Londen. De 29-jarige Mark Duggan was verdacht en werd afgeluisterd, waardoor het bekend was dat hij die bewuste donderdag met een zojuist gekocht wapen in een taxi Tottenham binnenreed. Politiewagens snoerden de taxi in, Duggan opende het portier, zette het op een rennen en werd met twee schoten om het leven gebracht.
    De officier, V53 wordt hij in de rapporten genoemd, vertelt de jury later dat hij er zeker van was dat Duggan een wapen in zijn hand had – I was only focussing on the gun. Hoewel het in een sok zat, kon hij de vorm van het wapen goed onderscheiden. De eerste kogel raakte Duggans borst, het lichaam kromp ineen. Omdat het pistool in Duggans hand bleef (I-was-only-focussed-on-the-gun), schoot V53 nog een keer, dit keer in Duggans arm. Het achterover vallende lichaam werd door de andere officiers omsingeld. V53 kan ondertussen het wapen nergens meer vinden. Het wordt uiteindelijk meer dan zes meter verderop gevonden aan de andere kant van een hek. Geen van de officiers, allemaal getraind om ogen op het geweer te houden, hebben het door de lucht zien vliegen.
  2. Mark Duggan – kledingverkoper, verloofd, drie kinderen – had twee relatief kleine veroordelingen voor het bezit van cannabis en handel in gestolen goederen op zijn naam staan. Die donderdag kocht hij een wapen met één kogel die er in een schoenendoos bij geleverd werd. Duggan wist dat hij werd gevolgd, want vanuit de taxi stuurde hij een sms Trident have jammed me. Vijf seconden voordat de taxi werd gestopt, tien seconden voor hij werd neergeschoten, sprak hij nog door de telefoon.
    Een forensisch patholoog stelde vast dat eerst de arm werd geraakt. De tweede kogel kwam onder een steile hoek in het lichaam terecht, dus toen Duggan al aan het vallen was. Duggans DNA werd niet op het pistool gevonden, noch op de sok. De trekker was nooit overgehaald. Een ooggetuige zag Duggan met a shiny object, een telefoon, de taxi uitkomen. De verklaring is nooit bevestigd.
  3. Vier dagen na de dood van Mark Duggan heeft de familie nog altijd geen verklaring gekregen. Samen met een menigte buurtbewoners verzamelen ze zich bij het politiebureau om te protesteren, antwoorden op te eisen. Als die niet komen, richten twee mannen hun woede op het eerste object in hun nabijheid, een politie-auto. Ondertussen verdeelt een jongere, agressieve groep zich met jerrycans en vuurwerk over de straten. Onder hen rommelt het gerucht dat een zestienjarig meisje door de politie met knuppels zou zijn neergeslagen. Of het gerucht waar is, is niet te achterhalen en maakt voor het verloop van de gebeurtenissen niets uit. Het rumoer werkt als katalysator. In een Youtube filmpje dat brandende auto’s laat zien en hevige gevechten, hoor je iemand over het beeldmateriaal heen schreeuwen ‘Didn’t you see the girl getting roughed[3] by the Feds, man? Come on!’[4]

Samurai-krabben

Ongeveer een jaar later vierde ik mijn verjaardag. Het was de avond voor het incident, klasgenoten waren gekomen, er werd gedanst, hard gelachen, de ramen stonden wijd open – ik had nog nergens erg in. Ik was al maanden gewend aan Tottenham, ging op in het buurtleven. Leerde okra koken, areppa’s eten, fietste via een aaneenschakeling steegjes het laatste stukje van mijn route terug naar huis.
Maar de dagen na het incident wist ik niet meer zeker of ik hier wel kon blijven wonen. Op straat bleef ik daarom iedereen recht in het gezicht aankijken, in de hoop dat het me antwoorden op zou leveren. Een groep jongens hing slaperig tegen een stapel dozen, anderen waaierden midden op de weg rond een grote geblindeerde auto. Op de hoek predikte een man het einde der tijden door een megafoon. Dat deed hij vaker in de weekenden, maar nu werd iedereen personage, en zijn apocalyps moeiteloos deel van mijn verhaal. In het volle daglicht was zich een fictie aan het ontspinnen. Beetje bij beetje voelde ik hoe mijn beweegruimte werd ingenomen door angst.

Ik moet denken aan de samurai-krab, waarover Carl Sagan vertelt in een van de afleveringen van zijn serie Cosmos. Een verademing, deze serie uit de jaren tachtig, tegenover alle hedendaagse natuurdocumentaires waar de oceaan wordt voorgesteld als een plek met een soundtrack en een plot. Sagan legt uit dat toen de samurai van een bepaalde clan een oorlog dreigden te verliezen, ze zichzelf niet aan de vijand, maar aan zee overleverden. De jaren erna ging het verhaal dat de samurai nog op de zeebodem voortleefden, en soms dacht men in het rugschild van een krab het gezicht van een samurai te zien. Als zo’n krab op het dek van een visser terecht kwam, werd die niet zoals andere krabben voor consumptie bewaard, maar terug het water in gegooid. Als gevolg van kunstmatige selectie is zo door de eeuwen heen de perfecte samurai-krab ontstaan, besluit Sagan, het boze gezicht steeds scherper in het schild getekend. Door te selecteren hielden de vissers het verhaal in stand.

Stond Mark Duggan tegenover V53 met een wapen in zijn hand? Het was waar voor V53. Een voorgeprogrammeerde gedachte vervormde de werkelijkheid.
Was het gerucht over het meisje dat zou zijn neergeslagen door de politie waar? Het is nooit bewezen, maar het verhaal leidde als een aansteeklont naar de feiten.

Ik wist dat ik op een soortgelijke manier ten prooi was gevallen aan kunstmatige selectie, de dagen dat ik unheimisch door mijn buurt liep, m’n voordeur achterdochtig van het slot draaide. Maar het maakte niet uit dat ik dat wist. Het was even realistisch. Ik wás mijn adrenaline, m’n angst, de flarden informatie die ik had, en vooral: alle informatie die ik níet had.
‘When you are in the middle of a story it isn’t a story at all, but only a confusion,’verwoordt Margaret Atwood het zo mooi, ‘a dark roaring, a blindness, a wreckage of shattered glass and splintered wood; like a house in a whirlwind, or else a boat crushed by the icebergs or swept over the rapids, and all aboard powerless to stop it. It’s only afterwards that it becomes anything like a story at all. When you are telling it, to yourself or to someone else.’ [5]

Het is pas nu, vijf jaar later, dat ik mijn herinneringen aan Tottenham als een verhaal kan ontvouwen en daarbij een beetje kan zien wat werd weggelaten.

Hoe ik in de spiksplinternieuwe Aldi om de hoek, niet zag dat daaronder de oude was afgefikt.
Hoe tot die bewuste nacht van mijn verjaardag het sireneblauw dat alle weekendnachten over m’n muren kroop, altijd had gevoeld als andermans verhaal, nooit het mijne.
Hoe een klasgenoot met haar borsten dronken uit het raam, de aandacht van een groepje dealers probeerde te trekken. Dat de voordeur van mijn appartementencomplex open bleef staan.
Hoe het sireneblauw dat in de weekendnachten over m’n muren kroop, altijd had gevoeld als andermans verhaal.

Dat mijn verhaal zich afspeelde binnen andermans verhaal, waarin nieuwe mensen oude gebouwen opkopen, white privilige met opgerolde yogamatjes door de straten fietst en 4 pond voor een brood of koffie neer wil leggen. Waarin ik wel even in een ‘echte’ wijk zou wonen en er met hetzelfde gemak weer kon vertrekken, terwijl anderen er heel non-fictie nooit uit weg zouden komen. Hoe ik nu met ‘raw material’ een verhaal kan schrijven. Een verhaal gemaakt van woorden, die stuk voor stuk gewoontes hebben en zich thuisvoelen tussen andere woorden. Woorden die samen een uitsnede maken, waarbinnen ik nog steeds niet goed weet wat liegen is, maar wel kan zien dat het onbegrip alleen maar verder is uitgedijd, nu ik schrijf.

[1] Etymologisch woordenboek van het Nederlands, M. Philippa e.a. (2003-2009)
Vandalisme, E. Sanders, nrc november 1994
De Vandalen, Wikipedia
Vandaal, Van Dale, Van Dale Uitgevers, 2017
[2] Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, M. Philippa e.a. (2003-2009)
[3]  Roughed = ruw bewerkt
[4] Mark Duggan’s death: two shots fired and two conflicting stories, The Guardian, januari 2014
Tottenham riots: a peaceful protest, then suddenly all hell broke loose, The Guardian, augustus 2011
[5] uit Alias Grace, M. Atwood, Little Brown UK, 1997

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (word abonnee!). ‘De levenden’ verscheen in Revisor 11, in 2016. Een verhaal over de dood op doorreis. Bij ‘De levenden’ schreef ze ook het satellietverhaal ‘Voorbijgangers’, een non-fictievariant.

*

We hebben de gordijnen gesloten in een poging om de warmte buiten te houden en zij zit in de vensterbank met opgetrokken knieën, vergeelde vitrage als een bruidsjurk om haar heen. De punt van haar sigaret gloeit in het schemerdonker. De sprinkler kan elk moment afgaan en daar verlang ik naar: een regenbui in deze al te hete kamer, water om de meubels te doorweken, het hoogpolig tapijt. Vanmiddag scheen de zon zo fel dat alle straten uitgewassen leken. Toen ik naar buiten ging dacht ik even dat het gesneeuwd had, zo wit was het licht of misschien was er iets mis met mijn ogen. In de supermarkt stond een oude vrouw geluidloos te huilen. Haar haren hingen in vette lokken over haar schouders, ze stond naast het verpakte vlees, worst en spek in kille rijen uitgestald. Ik dacht eraan om haar een hand te geven, om iets tegen haar te zeggen. In plaats daarvan kocht ik wodka en crackers voor iemand die ik gister nog niet kende. Buiten zat een duif ineengedoken in de goot, haar rechtervleugel was een bloederige massa. Ze bleef proberen op te vliegen, maar het lukte niet.
Ik zag haar het eerst door het raam van de bus, ze droeg een wit overhemd en zo’n gleufhoed als detectives in oude films soms hebben. Ze zei iets wat de buschauffeur aan het lachen maakte, hij boog naar haar voordat hij haar tas in het ruim schoof. Tegen mij was de man stug en ontoeschietelijk geweest, maar ik was een toerist.
Ze koos de stoel naast mij uit en ik knikte naar haar. Ze zag het niet, ze staarde voor zich uit en wuifde zichzelf koelte toe met haar hoed. De wallen onder haar ogen waren rode halvemaantjes. De zomer was uitzonderlijk heet, hele stukken van het natuurpark vlakbij stonden al weken in brand. Zo nu en dan vlogen er helikopters over die verwaarloosbare hoeveelheden water op de vlammen lieten vallen. Of de hitte binnenkort zou ophouden, vroeg ik. Ze haalde haar schouders op en noemde een datum waarop ik alweer aan de andere kant van de wereld zou zijn, thuis. Ik zei dat ik ernaar uitkeek.
We reden langs dorpen die niets meer waren dan wat losse huizen met golfplaten daken, een bar voor de toeristen en uitgestrekt, dor land – het enige mooie eraan waren de Spaanse namen. Er zat een Chinees tegenover ons die om de twee minuten aan de buschauffeur vroeg waar hij was. Buiten het raam trokken gelige heuvels voorbij. Ik probeerde vast te houden wat ik tijdens de weken daarvoor had gezien, de granieten onverschilligheid van het gebergte en in het bos de beren en de herten en de vogels die niet bang van mensen waren, het bijna blauwe woud. In de stilte had ik iets gevonden wat ik alleen uit kinderboeken kende, maar ik wist ook hoe snel het zou verdwijnen.
Waar ik naartoe op weg was, vroeg ze. Nergens, wilde ik antwoorden, ik ga nergens naartoe, maar in plaats daarvan noemde ik de naam van een stad dichtbij. Ik had er op de heenweg overnacht in een motel dat Slumber heette. Het beloofde zwembad bleek een betonnen bak gevuld met zand, toen ik er ’s avonds aankwam stond de Indiase eigenaar me te woord vanachter tralies. Ik probeerde een grap te maken, maar hij keek alleen maar naar me, zijn bruine ogen ondoorgrondelijk. ’s Nachts lag ik wakker en luisterde naar de vrachttreinen die elk kwartier langs daverden. Mijn leven was wat zich in deze kamer bevond; nooit zou ik nog andere schoenen dragen dan de bergschoenen in mijn tas. De eenvoud van die gedachte had me gerustgesteld, de wetenschap dat er geen terugkeer meer zou zijn. Nu zat ik in een bus op weg naar de stad die ik toen had verlaten, op weg terug naar alles waarvan ik voor altijd afscheid had willen nemen.
‘Kan ik mee,’ vroeg ze.
Ik wist niet wat ze wilde en de gedachte aan gezelschap was beangstigend: wat ik zou moeten zeggen of doen, wat ze van mij zou verwachten. Maar ik had ook geen duidelijk plan en het leek het eenvoudigst om mijn schouders op te halen. Bij het eindstation van de bus stapten we uit, samen met de Chinees, die ons vroeg naar een trein die hier niet stopte. Voor de tweede keer liep ik langs de verwaarloosde huizen, de straten met het politiebureau aan de ene kant en bail agents aan de andere, de winkels vol met body parts. Het lukte mij nooit om bij dat woord aan auto’s te denken, maar toen ik dat tegen haar zei haalde ze alleen haar schouders op. Bij het motel stond ze erop om buiten te blijven terwijl ik een kamer boekte, ze drentelde wat rond het zwembad. Iemand had parasols in het zand gezet, en een hoog hek daaromheen.
‘Dit is het,’ zei ik toen ik de deur opende. Ik vroeg me af wat ik deed, waarom ik een onbekende mijn motelkamer aanbood. Dit is hoe mensen vermoord worden, dacht ik, één keer niet nadenken is genoeg. Ze gooide haar weekendtas op het bed en keek de kamer rond.
‘Die hoed staat je goed,’ zei ik.
Nu we in de kamer waren kreeg elke zin een ondertoon die ik niet bedoelde. Ik zette de televisie aan en zij trok mijn rugzak naar zich toe, haalde mijn spullen eruit: de vieze kleren en de brander, de slaapzak die geschikt was voor koude nachten in het hooggebergte, de waterzuiveraar. Ik vroeg me af of ze hier wilde blijven slapen en ook of ze een wapen had, een mes of een pistool. Ze vond mijn paspoort en bladerde erdoorheen, zocht naar stempels en deed een poging om mijn naam uit te spreken. Boven ons hoofd draaide de ventilator zinloos zijn rondjes. Dat paspoort is hier alles wat ik ben, dacht ik. Als ik dat kwijtraak kom ik niet snel thuis, misschien wel nooit.
‘Ik heb dorst,’ zei ze, en ik bood aan om iets te halen.
Wanneer ik terugkom met wodka en met crackers zit ze in de vensterbank, mijn paspoort nog steeds in haar handen. Ik had een politieagent kunnen zoeken, maar wat had ik moeten zeggen? Thuis had het eenvoudig geleken, het woud in te gaan en nooit meer terug te komen, er zou niet het gedoe zijn met een lichaam en iemand die dat vond. Mensen gingen dood in deze wildernis. Ze verdwaalden, vielen van rotsen of kwamen om van de dorst. Hier zou mijn verdwijning een ongeluk zijn, een van de zoveel per jaar. Maar toen ik eenmaal hier kwam was ik te bang om het te doen, mijzelf op te geven, en ook was het genoeg alleen te hoeven lopen en te slapen en te eten, om wekenlang niemand te hoeven zijn. Nu al voel ik hoe de paniek terugkeert over verwachtingen en verplichtingen, alles waaraan ik niet voldoe. Er moet een moment zijn geweest waarop iets in mijn leven zich omdraaide en vreemden veiliger gezelschap werden dan de vrienden die ik had, maar dat moment had ik gemist en toen ik het doorhad was het te laat, alles al te ver weg. Er was een beek waarvan het water zo koud was dat ik mijn lichaam niet meer voelde.
Haar handen trillen als ze een nieuwe sigaret aansteekt. De vlam van haar aansteker raakt bijna de gordijnen, maar ze lijkt het niet te merken. Ze beschermt haar sigaret met beide handen alsof het hierbinnen stormt.
Ze zegt: ‘Mijn vader is hier vlakbij vermoord.’
Ze zegt het zonder me aan te kijken, haar stem klinkt onverschillig. Toen ik hier voor het eerst kwam was ik ‘s avonds op goed geluk door de straten gelopen op zoek naar een motel, goed van vertrouwen en met mijn grote rugzak een duidelijk doelwit. Dat is het eerste waaraan ik denk terwijl zij verder praat over de stad, de banen die er niet meer zijn, de meth die alles kapot had gemaakt, ook haar, bijna: het risico dat ik in mijn naïviteit gelopen had. Merkwaardige impuls voor iemand die hier kwam om dood te gaan, maar dat is wat ze zeggen: dat wie van plan is om zelfmoord te plegen zorgvuldig wacht voor het verkeerslicht, voordat hij oversteekt eerst drie keer kijkt of alles veilig is. Het is eenvoudig om er zo, afstandelijk, over te denken. Er zijn de statistieken en de filosofische debatten, er zijn woorden die alles pijnloos maken. Op de dag dat ik weer in de bewoonde wereld kwam hoorde ik dat Robin Williams zelfmoord had gepleegd. Ik stond op de veranda van een winkel die alleen ijsjes verkocht en naast mij stonden twee vrouwen te praten over zijn dood, en dat ze ooit een show van hem hadden bezocht en toen geen woord van wat hij zei hadden verstaan.
Ze bestudeert haar nagels en zegt dat de bus er dagelijks langskomt, dat ze langs de plek waar hij vermoord is moet om bij haar werk te komen. ‘Alleen al het idee dat je hier weg kunt gaan,’ zegt ze. ‘Niet in deze kutstad te wonen, hier niet meer te hoeven zijn.’
Ze praat niet tegen mij, maar ze heeft mij nodig om iets te kunnen zeggen. Omdat ik hier niet ben, niet echt, omdat ik morgen weer vertrek kan ik degene zijn die luistert naar haar toonloze geneurie, het liedje dat hij vroeger voor haar zong. Dus wanneer de fles uit haar hand op de grond valt sla ik mijn arm om haar heen. Ik help haar van de vensterbank en met de paar wankele stappen naar het bed en ondanks de hitte stop ik haar in, de spullen uit mijn rugzak om haar heen uitgespreid als offergaven, mijn paspoort in haar hand. Als ze in slaap valt en zachtjes begint te snurken, staar ik naar de tv en wacht terwijl het donker wordt. Op hbo rijdt een man door eindeloos, moerassig land.
Toen ik vanuit het bos naar beneden kwam had ik de lichtjes gezien, de lampen en kampvuren waar mensen zich omheen hadden verzameld. Tussen de bomen was het al donker, maar de zon ging bloedrood onder boven de rivier. Het begon zachtjes te regenen en toen ik eindelijk, verdwaasd en moe bij de camping aankwam riep iemand vanaf zo’n vuur naar mij, welcome back among the living en ik had niet geweten wat ik terug kon zeggen.

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (word abonnee!). ‘De levenden’ verscheen in Revisor 11, in 2016. Een verhaal over de dood op doorreis. Bij ‘De levenden’ schreef ze ook het satellietverhaal ‘Voorbijgangers’, een non-fictievariant.

*

Na dagen gedroogd voedsel hopen we op een goed ontbijt, maar daarvoor komen we net te laat aan bij het restaurant aan het begin van de trail. In plaats daarvan eten we ijsjes, het enig eetbare dat te verkrijgen valt, en bekijken de kranten: Robin Williams is dood. Een stel uit Santa Cruz geeft ons een lift terug naar de vallei en daar nemen we de bus terug naar de bewoonde wereld. In El Portal, vlak buiten Yosemite, het motel. De Cedar Lodge werd berucht nadat een motelmedewerker drie vrouwen ombracht die kort daarvoor in het motel hadden verbleven. Wie de berichten over de Yosemite-moorden terugleest, ziet hoe het afgrijzen niet slechts betrekking heeft op de misdaad zelf. Het gaat om de plek waar de moorden gepleegd zijn; de zuiverheid van Yosemite is besmet, het paradijs verloren.


Een eind na Cedar Lodge passeert de bus een stadje in nagebouwde westernstijl, en daar stapt ze in. Ze draagt een spijkerbroek en hemd, een mannenhoed. Ze heeft een uitzonderlijk vriendelijk gezicht. De meeste mensen in deze bus kennen elkaar, reizen vermoedelijk iedere dag deze route. De vrouw wisselt grappen uit met een oudere heer voorin de bus, er wordt gelachen. Ze wuift zichzelf koelte toe en klaagt over de hitte.

Als ik het me goed herinner is dat het eerste waarover we spreken, de hitte die ‘snel’ voorbij zal zijn, binnen een week of zes. Later, als de bus leger is, het grootste deel van haar gezelschap uitgestapt, vraagt ze waar we vandaan komen, en waar we naartoe gaan. Terug naar Merced, zeggen we, en vandaar verder. Dat snapt ze niet. Waarom zou iemand ervoor kiezen naar Merced te gaan? Ze haat de stad. Waarom, vragen we. Het is een onschuldige vraag, waarop we een onschuldig antwoord verwachten.
‘Mijn vader is er vermoord.’
Daarop is geen reactie mogelijk, niet echt. Niet anders dan: I’m sorry, en plotseling ben ik blij met het Engels, dat in elk geval deze mogelijkheid kent, een betere dan het Nederlandse ‘wat erg’ of ‘gecondoleerd’. De bus rijdt over een viaduct en ze wijst ons aan waar hij precies gedood is. Ze is blij dat ze in elk geval niet meer in Merced woont, ook al passeert ze de plek nog elke dag op weg naar haar werk. Er is te veel misdaad in die stad, er wordt te veel gemoord. Het zijn de drugs, zegt ze, vertelt dan over haar eigen verslaving. Inmiddels is ze er min of meer bovenop, met dank aan de AA. Op dat moment mengt zich een andere jongen in het gesprek. Hij praat zacht, bijna onverstaanbaar, maar ook hij is begonnen met AA meetings, pas net. Ze complimenteert hem, moedigt hem aan om door te gaan.
Niet lang daarna stopt de bus bij het station. Een Aziaat zoekt verdwaasd naar de trein die hier niet stopt. We nemen afscheid, zij reist verder en wij lopen naar het motel, alerter nu op bedreigingen dan eerder. De stoep krioelt van de torren.

Die toevallige ontmoeting is nu twee jaar geleden en ondanks mijn notities is de herinnering vervaagd – zo weet ik niet meer zeker of ze alleen reisde, of deels met een vriendin. Soms vraag ik me af hoe het met haar gaat en met haar leven dat zo anders dan het mijne is. Maar ik ken haar naam niet en zou haar op straat niet meer herkennen: er was iets echts, heel even, maar tenslotte zijn we niet meer dan voorbijgangers, toevallige personages in het verhaal van de ander.

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer. ‘Stank’ verscheen in Revisor 7, in 2013, een verhaal over rot en relatie.

*

De stank komt op een zondagochtend. Eerst denkt hij dat die vreemde lucht van buiten komt, misschien wel van het industriegebied dat weliswaar niet vlak naast hun huis ligt, maar er toch zo dicht bij in de buurt dat ze zich zorgen maakte telkens als er weer een ramp gebeurt. Het is een indringende geur die hij nooit eerder heeft geroken, en niet zou kunnen omschrijven als hij ernaar werd gevraagd, onmiddellijk aanwezig als hij wakker wordt bij een fabriek ver weg.
Zij slaapt dan nog, het is vroeg in de ochtend. Als ze uiteindelijk haar ogen opent kust hij haar op de lippen, vraagt daarna of ze het ook ruikt.
‘Wat?’
‘Iets rottends,’ preciseert hij, ‘een vuile geur.’
Ze snuift, maar duidelijk alleen om hem een plezier te doen.
‘Ik ruik niets.’
Hij is niet verbaasd. Ze gaapt en sluit haar ogen weer. Terwijl ze slaapt kijkt hij naar haar, het zonlicht op de tere haartjes op haar wangen. Later snurkt ze, heel zachtjes. Dan staat hij op en maakt ontbijt, perst sinaasappels uit en bakt croissantjes. Terwijl de oven aanstaat staart hij naar buiten. Er zit een kat in de tuin, een cyperse met kille, gele ogen, zo dadelijk zal hij gaan schijten. Ze zeggen dat katten schone dieren zijn, maar de stinkpoep van deze beesten heeft het formaat van een hondendrol – ze worden al te goed verzorgd, ze krijgen te veel eten.
‘Ksst!’
Hij timmert op het raam om de kat weg te jagen, maar die reageert niet, kijkt hem alleen vuil aan vanaf zijn plek onder de rozenstruiken. Dus opent hij de deur en stuift naar buiten, maar het dier maakt rustig zijn drol af, kijkt hem onder het poepen verwaand aan. ‘Wegwezen,’ roept hij, ‘ga godverdomme de tuin uit!’
Boven hem gaat het raam van de slaapkamer open. Ze hebben de rozenstruik samen geplant, jaren geleden al. Bij gebrek aan kinderen is de tuin steeds belangrijker geworden, iets dat ze samen verzorgden, zagen groeien, de bloemen des te mooier door de fabrieksschoorstenen die erboven uittorenden, apocalyptische rook uitbraakten.
Gapend komt ze naar beneden, haar ochtendjas losjes dichtgeknoopt, daaronder haar magere benen, haar voeten in de konijnensloffen die hij ooit als grap voor haar gekocht heeft. ‘Waar maakte je je daarnet nou zo druk om?’ vraagt ze.
‘Een kat.’
‘Laat die beesten toch, het is slecht voor je hart.’
‘Ik ben geen oude man.’
Ze snuift, maar antwoordt niet.

Tijdens de koffie vraagt ze of hij het nu nog steeds ruikt en hij haalt zijn schouders op.
‘Het zal wel weg zijn nu.’
Ze knikt en slaat de bladzij van haar tijdschrift om.
Ze zijn nog niet zo oud dat ze niet meer hoeven te werken, maar ze zijn allebei begonnen aan het laatste jaar, zoals hun leeftijdsgenoten het wat spottend noemen, het antwoord op de vraag die hun allebei steeds vaker wordt gesteld: ‘Hoe lang moet je nog?’ Er is geen noodzaak meer om te presteren, alleen maar om het vol te houden en soms maken ze grapjes over de tijd daarna, de cruises die ze zullen maken. Daar praten ze nooit heel lang over door, het is een tijd waar ze naar uitkijken omdat dat nu eenmaal zo hoort, maar die ze ook, tegelijkertijd, licht vrezen.

Ze waren nog tieners toen ze elkaar op dansles ontmoetten. Zij was sierlijker dan hij, een klein en tenger meisje, maar als een van de weinige jongens was hij desondanks in het voordeel, hoewel hij lang en slungelig was en nooit de passen kon onthouden. Bij gebrek aan heren, zoals de dansschool het stel puisterige pubers eufemistisch aanduidde, moesten de meisjes die als laatsten overbleven met elkaar dansen, een vernederend lot waarvan hij haar gered had.
Nu nog kan hij zich die avonden herinneren, het nauwelijks verborgen ongemak. In die tijd waren ze allemaal als vreemdelingen in een land dat niemand kende, zodat niemand iets te zeggen wist, of niet op het juiste moment. Ze leek toen ouder dan hij was, en daarom ontzagwekkend, en het had lang geduurd voordat hij merkte dat de rollen op de een of andere manier waren omgedraaid: dat zij naar hem opkeek en hij voor haar zorgde. Ze is niet hulpbehoevend, maar kwetsbaarder dan hij en machtelozer, misschien omdat ze altijd op meer heeft gehoopt. Ook daarover praten ze nooit, maar af en toe kan hij het voelen, vooral ‘s avonds, een doffe teleurstelling die ze maar nauwelijks achter te snelle, gespannen glimlachjes weet te verbergen. Het is een daad van liefde dat ze hem niets verwijt, maar juist dat irriteert hem; liever had hij zich verdedigd. Op slechte dagen stelt hij zich voor hoe ze samen zullen verouderen, hoe er elke dag steeds iets minder zal zijn, totdat er niets meer is.

‘Moet je ruiken,’ zegt ze, en wijst op de rozenstruik.
Hij buigt zich voorover naar de bloemen, snuift nadrukkelijk. Onmiddellijk vult de stank zijn neusgaten – de lucht van iets dat bezig is te ontbinden, maar bijtender en duidelijk kunstmatig, vreemd.
‘Heerlijk hè?’ vraagt ze, en zoekt zijn hand.
Hij knikt. Heel even staan ze zo naast elkaar, de doornige struik tussen hen in.

Later vraagt hij haar of er soms nieuws gekomen is van de fabriek, of de plaatselijke actiegroep nog post gestuurd heeft.
‘Ik heb niets gehoord. Al heel lang niet meer.’ Ze vouwt één been onder zich. ‘Hoezo?’
Ze waren heel actief in het protest, toen pas was aangekondigd dat de fabriek er komen zou. Ze dachten dat ze in staat zouden zijn het te voorkomen, ze waren zelfs naar de rechter gestapt, ervan overtuigd dat iedereen zou inzien hoe onredelijk, hoe onrechtvaardig het besluit was. Maar onrechtvaardigheid bleek in de rechtszaal niet van werkelijk belang. De fabriek kwam, en iedereen die ze er daarna over spraken leek verbaasd dat ze ook maar hadden geprobeerd om het te stoppen. Zonder hen direct naïef te noemen wisten zelfs goede vrienden die boodschap uit te stralen, zodat ze er na enige tijd niets meer over zeiden en zich ook terugtrokken uit de actiegroep, die inmiddels klein en sektarisch was, verscheurd door onderlinge ruzies. Nog steeds spreken ze nooit anders over de fabriek dan als ‘dat vreselijke ding’.
‘Niets,’ zegt hij, ‘het is niet belangrijk.’
Geërgerd wimpelt hij haar af wanneer ze vraagt wat er toch met hem aan de hand is, maar de geur is sterker nu en hij moet zich bedwingen niet te kokhalzen.

Hij slaapt slecht die nacht en kijkt met jaloezie naar haar, die nergens iets van merkt, en als hij de volgende dag opstaat is hij chagrijnig. Maar op zijn werk is de geur er niet, zodat hij langer blijft dan normaal en haar belt dat hij nog iets moet afmaken. Hij doet alsof hij de verbazing in haar stem niet hoort. Wanneer hij later, het is dan al donker, de voordeur opent, haast ze zich door de gang naar hem toe alsof hij thuiskomt van een lange, gevaarlijke reis. Met nog maar één voet op de deurmat ruikt hij de stank alweer, deinst terug als ze bij hem komt. Zij ziet het en draait nu zelf weg. ‘Het eten staat in de keuken.’
Hij bedankt haar overdreven, terwijl ze al de trap op gaat en niet meer naar hem omkijkt.

Zo gaat het een aantal dagen. Elke nacht droomt hij onrustig, krijgt hoofdpijn van de stank. Wanneer hij op zijn kantoor zit kan hij zich de geur amper herinneren, zich niet eens voorstellen wat hem thuis toch zo verlamt. Hij denkt nu dat het misschien iets neurologisch is, de katten, of misschien toch de fabriek. Dat laatste zou het eenvoudiger maken, het zou hun een gezamenlijke vijand geven om samen tegen op te trekken, hoewel hij niet meer gelooft in het succes van een dergelijke onderneming. Even overweegt hij een bezoek aan de huisarts maar die zal zeggen dat het stress is, of zelfs al de ouderdom. De man is te jong om te begrijpen hoe ingewikkeld die ouderdom in feite is en hoe meedogenloos ontmantelend, zelfs nu al, op een leeftijd die niet meer als oud wordt gezien.
Op internet vindt hij duizenden pagina’s van meer of minder labiele vreemden. De meeste van hen hebben het contact met familie en vrienden al lang geleden verloren zodat het internet de enige klaagmuur is die hun nog rest. Hij bekijkt de virtuele uitwisselingen tussen al die slachtoffers van aardstralen en statische elektriciteit gefascineerd maar afstandelijk, want hij is een rationeel man – reden waarom hij het toen geen goed idee vond om nog een kind op deze overvolle, overbelaste aarde te zetten en zij was het met hem eens. Ze hoefden zelden echt te overleggen in die tijd; ze hadden idealen. Ze wilden schone lucht en helder water; roofvogels met eierschalen die niet door chemicaliën zouden zijn aangetast, verzwakt.

Hij leest over stilstaande lucht die, net als water, gaat rotten. Er moet in die verklaring iets ontbreken, maar de woorden blijven hangen in zijn hoofd. Hij vraagt zich af of het iets is in haar lijf, de verandering in haar hormonen, iets vrouwelijks waarvan hij het fijne niet wil weten. Hij stelt zich de lege holtes in haar lichaam voor, de opgedroogde poelen.
Hij koopt parfum voor haar, zoals toen.
Ze neemt het flesje van hem aan, sprenkelt de geur op haar polsen, giechelt. Opnieuw wendt hij zijn hoofd af.
In de tuin graaft hij de bodem af in een vergeefse poging de poep uit de grond te halen, alle resten te verwijderen, maar telkens als hij terugkomt is de stank er nog.

Het was maar één enkele keer, een avond, toen zij in bed lag met griep en hij wel naar Heleen was gegaan, die steevast gastvrouw speelde voor de protestgroep en dat iets te uitbundig deed, met zelfgebakken taartjes bij de thee en daarna wijn en port en toastjes, die ze hen bijna verontschuldigend serveerde. Het deed afbreuk aan het serieuze van de zaak, het maakte alles trivialer en natuurlijk dronk hij zelf geen alcohol, zodat het zijn rol was om de anderen bij het onderwerp te houden, te voorkomen dat het overleg zou ontaarden in gewoon een gezellige avond. Maar hij was machteloos, alleen, en dat maakte hem kribbig, niet in de laatste plaats omdat het hem herinnerde aan al die keren dat hij als jongen de regels van het spel had uitgelegd aan andere kinderen die nooit echt naar hem luisterden, achteloos alles verstoorden.
Die avond bleef hij als laatste achter, omdat hij geen zin had terug te gaan naar huis, waar zij in bed zou liggen met de kruik, de dekens opgetrokken tot haar neus, haar voeten in dikke gebreide sokken. Heleen was jong getrouwd en vroeg gescheiden en duidelijk op jacht; soms vroeg hij zich af of de komst van de fabriek haar werkelijk iets uitmaakte, hoewel ze hevig beweerde van wel.
‘Jij bent altijd zo serieus.’ Ze kwam naast hem zitten op de leuning van de bank. ‘Kom je wel aan jezelf toe?’
Ze droeg een blauwe jurk, die strak om haar borsten en billen spande. De hele avond had hij zijn adem ingehouden telkens als ze zich bukte om iemand in te schenken. Het was het soort kledingstuk waar hij graag commentaar op gaf en thuis met haar om lachte, maar nu, alleen met Heleen hier vlak naast hem, had die belachelijke jurk een effect op hem dat hij eerst nog met woorden wilde tegengaan en hij begon iets te zeggen, over de zaak en het milieu, maar zij legde een vinger op zijn lippen en daarna protesteerde hij niet meer.
Pas later, achteraf, toen het voorbij was en ze hijgend naast elkaar lagen in haar bed, al even boudoirachtig belachelijk, keerde de schaamte terug en stond hij op, trok zijn onderbroek aan met zijn rug naar haar toe en reageerde niet op haar vraag of hij nog iets wilde drinken. In de woonkamer keek haar kat hem aan met koude ogen. Hij gaf het dier een schop zodat het schreeuwde en van boven riep Heleen naar hem, bezorgd nu. Hij liep de kamer uit en deed haar voordeur dicht, trok hem daarna nogmaals beter dicht alsof wat er ook tussen hen had plaatsgevonden, wat er ook met hem was gebeurd, achter die deur zou blijven, in dat huis.
De bijeenkomsten daarna waren niet meer bij Heleen.
Ze had zich bij de secretaris afgemeld en niemand wist waarom.
Maar niet zo lang daarna zag hij haar in de supermarkt en eerst dacht hij dat ze gewoon te dik geworden was. Hij had iets willen zeggen, een conclusie willen trekken, maar deed een stap opzij zodat zij hem niet zou zien, verschool zich achter het schap met broodbeleg totdat ze weg was. Pas daarna merkte hij dat hij trilde, dat er iets in zijn borstkas was gebroken en hij staarde naar de vlokken, veegde zijn gezicht af en snoof.

Ze kijkt naar hem, hoe hij langzaam steeds kleiner, kwetsbaarder wordt. Ze kijkt naar hem terwijl hij gaten graaft en zoekt naar iets, ze weet niet wat. Nu pas merkt ze, tot haar verbazing, dat het verdwenen is, al die verbittering, de wrok waarmee ze sinds die tijd geleefd heeft. Op een ochtend moet het uit haar lichaam zijn gesijpeld, opgeheven – misschien was het een soort ziekte, die tijd opeiste in haar lichaam. Ze kijkt naar hem, naar zijn gebogen lijf en naar de gaten die hij graaft en ze heeft medelijden. Het is zijn hoop die haar vertedert, alsof hij met het groeien van de tuin de dood tegen kan houden.