Wie wint vanavond de Libris Literatuurprijs 2020? Manon Uphoff is, getuige een paar vooruitblikken, favoriet. Voor het eerste (dubbel)nummer van 2006, thema ‘Kritiek’, schreef ze aan de meute critici een brief over literaire kritiek en de gedroomde lezer. Het heeft weinig aan actualiteit ingeboet, en desgevraagd zou de auteur alleen ‘echtgenote’ vervangen door ‘echtgeno(o)t(e)’. Lezen! (Vier van de zes genomineerden schreven voor De Revisor: lees Sander Kollaard in Binnenpost, Oek de Jongs’ essay ‘Een klievende roman’ en Wessel te Gussinklo’s ‘De opdracht’.)

*

Beste…,

Nou dat was een reuzefijne week waarin ik schreef aan een stuk dat moest gaan over u, mij, de literaire kritiek, over boeken en auteurs, terwijl er ondertussen voortdurend nieuwe en prikkelende en tot nadenken stemmende stukken van anderen in mijn mailbox belandden, in een artikel van Arjen Fortuin zo’n beetje alle Nederlandse auteurs door het afvalputje werden gespoeld onder de kop ‘De Belgen zijn beter’ en het verhaal dat ik voor het glossy damesblad Elegance had geschreven, geweigerd werd ‘omdat de lezers zich er niet bij thuis zouden voelen’:

Beste Manon,

Dank voor je korte verhaal. De hoofdredacteur en ik waren er zeer van onder de indruk en ik heb het ook met veel plezier gelezen. Het is van hoge kwaliteit en goede lengte, maar, je voelt de bui misschien al hangen, helaas: we kunnen het niet plaatsen.

De reden is dat de wereld die jij beschrijft (Manga, Tokioscène, Kill Bill, Tarantino, onthoofding op tv) niet refereert aan de wereld van de lezeres. Het staat gewoon te ver van haar af. We vinden het ontzettend jammer, want nogmaals, het verhaal is prima en het onderwerp ook razend interessant, maar de lezer moet er wel iets van zichzelf of de wereld om haar heen in herkennen.

Dus Manon, we keuren het niet af, maar plaatsen het niet. Toch zouden we dolgraag een kort verhaal van je willen plaatsen. Zie jij kans om een nieuw verhaal te schrijven, met bv 10 februari als uiterste inleverdatum?

Nogmaals Manon, ik vind het heel vervelend maar ik hoop toch dat je de tijd en de moeite nog wil nemen.

Ik hoor het graag!

Hartelijke groet

Godzijdank dat het verhaal in ieder geval ‘van hoge kwaliteit’ en vooral ook ‘van goede lengte’ was geweest. Verheugend ook dat ze het niet ‘afkeurden’, maar het gewoonweg niet plaatsten. Het omgekeerde, bleek ook, zou geen enkel probleem zijn geweest. Een ‘afgekeurd’ verhaal, beroerd geschreven maar naadloos aansluitend bij de kort te houden leefwereld van de lezeressen van de Elegance. Ik schreef terug – het stuk van Ilja Leonard Pfeijffer over het geweigerde gedicht van Harmens gonsde nog door mijn hoofd – dat het ‘jammer’ was, maar ‘geen enkel probleem’, te laf om na te vragen of er wel betaald ging worden.
‘Het verhaal loopt niet weg,’ mailde de redactrice nog geruststellend, ik vond er ‘vast nog wel een plaatsje voor’. Waarna dit stuk maar bleef steken in mijn pen, brief werd, beschouwing, van alles en nog wat, toen het begon uit te dijen als een gezwel, snoeide ik het bij, wilde ik nu eens echt hard uithalen, dan weer me hautain afzijdig houden, raakte ik volledig verstrikt, klaagde ik mijn nood bij collega Herman Franke die me het hele artikel nog eens uit handen sloeg met zijn column (zie zijn bijdrage in dit nummer) die kort, krachtig, scherp en oneindig veel indringender verwoordde wat ik maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag nu eens aarzelend en weifelend, dan weer koortsachtig verhit probeerde uit te drukken. Nee, voor polemiek ben ik niet in de wieg gelegd. Iets in mij trekt zich terug, zoekt niet de regelrechte aanval, maar het volgende boek. Soms zie ik u als geliefde, soms als vriend die over mijn schouder meekijkt. Soms als een vijand die stinkt uit de bek, druipend geel slijm tussen uw tanden. Soms schrik ik van u als u uit het donker naar voren komt en ik mijn hand wel uit wil steken, maar het koude glas raak, zoals de keer dat ik in een warenhuis schrok van mijn eigen spiegelbeeld dat op me af kwam lopen, ferm en fris als een onbekende, maar vastbesloten me te ontmoeten.

Veel dierbaarder dan het antwoord op of de speurtocht naar de vraag wat ik bedoel is me mijn eigen zoektocht in de duisternis, op zoek naar iets dat er is, maar dat zich nog niet laat grijpen. Het spoor dat een mot trekt in het donker. Het moment dat taal zich hecht aan iets, ermee samensmelt, er even onlosmakelijk mee verbonden raakt als de stem van Billy Holiday of Nina Simone met de muziek (‘lilac wine, is bitter and heavy, like my love – isn’t that he, coming to me’) of er gulzig op landt als een vlieg. In zijn voorwoord bij A Streetcar Named Desire zegt Tennessee Williams over het schrijven: ‘My back is to the wall and has been to the wall for so long that the pressure of my back on the wall has started to crumble the plaster that covers the bricks and mortar.’ En op de vraag of hij nooit te maken heeft met blokkades, is zijn onmiddellijke antwoord: ‘Oh, yes, I’ve always been blocked as a writer but my desire to write has been so strong that it has always broken down the block and gone past it.’ In dit proces zit voor een groot deel de eerste beloning van het schrijven. Het moment dat je de muur voelt verkruimelen.
Iedere schrijver is ook criticus van het eigen werk. Dat mag een schot voor open doel zijn, maar hij is dit meteen in veel sterkere mate dan de criticus ‘ook’ schrijver is van de boeken die hij haat of bewondert, die hem tergen, uitdagen, doen geeuwen van verveling en die hij door te lezen en te kritiseren tot eigen werk maakt. Of waarvan hij zich juist in scherpe bewoordingen distantieert. Het is onderdeel van het lezer zijn dat je het werk dat je leest heimelijk als je solitaire ontdekking beschouwt, het resultaat van eigen leeservaring, inzicht en grote gevoeligheid. Hoe armer het boek, hoe gekwetster de lezer. Hoe rijker het boek, hoe rijker de (bekwame) lezer zich voelt. Sommige van de schatten zijn zichtbaar voor de ergste bijzienden, andere meer verborgen, het lijkt wel of die alleen voor mij zijn, alleen door mij te vinden, o, wat een voortreffelijk, buitengewoon lekker mooi aangrijpend onthutsend overweldigend omverwerpend enzovoort boek is dit toch!
De beste werken smeden de beste lezers. En de beste recensenten, nog nagloeiend van het avontuur, weten dat als zij met hun lezing dit beste in het werk tot stand doen komen, dit toch altijd eerst de kwaliteit van het werk is.
Betekent dit dat als er in een werk geen rijkdom wordt waargenomen, die er ook niet in aanwezig is?
Dat hangt ook af van de kwaliteit van de waarneming.
Zoals jullie zoeken en hunkeren naar het beste en scherpste boek, zo hunkeren en zoeken wij ons hele schrijversleven naar iemand die lijkt op onze beste, gedroomde lezer. Anthony Burgess beschreef hem ironisch: ‘The ideal reader of my novels is a lapsed Catholic and failed musician, shortsighted, color-blind, auditorily biased, who has read the books that I have read.’ Waarmee hij meteen de vinger op de zere plek legt. De werkelijk ideale lezer zijn wij zelf, maar wij zijn op grond van verhouding en band met ons werk nogal verdacht.

Als een schrijver zijn manuscript eenmaal de publieke arena heeft ingezonden, doet hij er wijs aan zijn mond dicht te houden. Hij heeft immers al gesproken, langdurig, zonder dat iemand hem in de rede viel.
‘Schrijven doet het individu als het ware uit zichzelf treden en in contact komen met een gemeenschap van anderen. Schrijven gaat onvermijdelijk samen met zwijgen; schrijven, dat is in zekere zin “zich stil als een dode houden”, de mens worden aan wie de laatste repliek wordt ontzegd; schrijven, dat is van meet af aan de ander die laatste repliek gunnen,’ zegt Barthes in zijn Essais critiques.
Het is een ongeschreven wet dat een schrijver, nadat hij het boek heeft prijsgegeven aan de openbaarheid, aan andere ogen, andere geesten, zich niet meer opwerpt als verdediger van het werk waarvan hij, bij volle bewustzijn mag je hopen, ‘afstand’ heeft gedaan.

Zoals wij proberen te vergeten dat het pijnlijke oordeel gefundeerd kan zijn, gaan jullie (nu en dan zie ik jullie als een meute) soms te gretig voorbij aan de pijn van een onverdiende en voortijdige dood van een boek. Het jammerlijk besef dat alle vakbekwaamheid, inzet, eerlijkheid, gekte, waanzin, beheersing niet zijn gezien, niet goed zijn waargenomen en het boek is aangevallen of opzij geschoven op oneigenlijke gronden. Dat jullie hadden moeten zien, moeten weten, volledig voorbij zijn gegaan. Dat jullie hebben verzuimd die best mogelijke lezer te worden, niet noodzakelijk de lezer wiens eindoordeel het gunstigst uitvalt. Dan zouden we jullie het boek opnieuw willen aanbieden, het diep in de strot duwen desnoods. Dat is waarom we soms smeken, zachtjes jammeren, fluisteren, temen, flemen, rouwen en bijten in kussens of ons achteloos, koppig, overtuigd van de eigen prestatie koel van jullie proberen te distantiëren.

Nadat een tweetal lezers zich over het manuscript van Under the Volcano had gebogen en in het leesrapport hun bezwaren had geuit: het zou te traag zijn van opbouw, er zou te veel couleur locale in voorkomen, de karakters waren geen karakters, de helft kon wel weg en ga zo maar door, schreef Malcolm Lowry zijn beroemd geworden brief aan zijn uitgever. In die brief zien we een schrijver majestueus zijn werk ‘verdedigen’, nee, dat is het goede woord niet, een schrijver die zich opwerpt als die best mogelijke, bekwame lezer die tegelijk scherpe criticus is, een die zijn lezer opleidt en laat zien wat de lezer had moeten en kunnen doen. De brief is een krachtig en overtuigend pleidooi voor het recht van het literaire werk om gelezen te worden door de best mogelijke lezer. Omdat die er in dit geval niet was, kon de auteur niets anders dan reageren en zichzelf naar voren schuiven als die lezer én gids. Want die auteur is, hoewel verdacht, niet de minste lezer en kenner van het eigen werk. Pas als je als auteur ervan overtuigd bent dat de best mogelijke lezer zich over je boek heeft gebogen, ontstaat er rust. Kan je erop vertrouwen dat het boek onafhankelijk zijn weg zal gaan.
Lowry laat zien wat er gedaan had kunnen worden met het materiaal dat voorhanden is. Dat alles erin gezien en gelezen moet worden als het resultaat van een beslissing.

‘I venture to suggest finally that the book is (…) a great deal more carefully planned and executed than he suspects, and that if your reader is not at fault in not spotting some of its deeper meanings or in dismissing them as pretentious or irrelevant or uninteresting where they erupt on the surface of the book, that is at least partly because of what may be a virtue and not a fault on my side, namely that the top level of the book, for all its longeurs, has been by and large so compellingly designed that the reader does not want to take time off to stop and plunge beneath the surface.’

Dat het kunstmatig is, gewrocht, doorwrocht. Kunst.

Het verzet zich tegen zwakke, achteloze lezing. Roept om de best mogelijke lezer. Niet tegen de kritiek die dan alsnog kan worden gegeven, en is een van de krachtigste, ontroerendste en overtuigendste pleidooien voor herlezing die ik ooit ben tegengekomen.
‘I am pleading for a rereading of Under the Volcano in the light of certain aspects…’ en ‘poems often have to be read several times before their full meaning will reveal itself, explode in the mind, and it is precisely this poetical conception of the whole that I suggest has been, if understandably, missed.’
Daarbij trekt hij als gids vooruit, gaat op alle kritiekpunten in en toont aan hoe die na een intensievere, aandachtiger, zorgvuldiger lezing aan kracht verliezen. Stap voor stap toont hij met, door en voor zijn tekst nauwkeurig wat die herlezing kan opleveren en reikt de lezer het gereedschap aan waarmee die zichzelf als lezer kan verbeteren.
‘I am asking you for the moment to be generous enough to consider beside the point – if he were conditioned, I say, ever so slightly towards the acceptance of that slow beginning as inevitable, supposing I convince you it is – slow, but perhaps not necessarily so tedious after all – the results might be surprising.’
Het bijzondere en legitieme aan deze brief is niet alleen dat hij überhaupt geschreven is, maar dat hij is geschreven voorafgaand aan de publicatie van Under the Volcano. En dat wij er op een later moment inzage in krijgen. Nou lijkt het makkelijk voor een schrijver van alles en nog wat te bedenken en dit als geklopte room over een mislukt gerecht te spuiten.
‘Reading all this over I am struck among other things such as that writers can always grow fancy about their books and say almost anything at all,’ zegt Lowry dan ook. ‘This all does not of course matter two hoots in a hollow if the whole thing is not good art, and to make it such was the whole of my labour.’
In het geval van Lowry was het geen reactie op kritiek na verschijnen, maar voorafgaand aan publicatie – en dat maakt veel uit.

Achteraf op kritiek reageren is veel ingewikkelder. Een innerlijke stem houdt tegen. Niet doen, niet doen. Vooral niet de openbaarheid zoeken. Waarom niet? Is het omdat we al weten dat we zullen eindigen in de hoek van de mokkers en gekwetsten? Is het altijd een zwaktebod? Hangt er altijd de kwalijke reuk over van gekrenkt eergevoel, ziekelijke paranoia, gebrek aan zelfkennis? Wat is er tegen die publieke verdediging?
Er is geen schrijver ter wereld die er niet over droomt dat de criticus die zijn werk (onterecht) heeft gefileerd, zich op een dag gedwongen zal voelen van mening te veranderen. Of op zijn minst bereid is het werk een ‘herkansing’, een herlezing te gunnen.
‘Ik volg al jarenlang de giftige maar mislukte pogingen van mijn collega’s tot het schrijven van dit kleine onvergankelijke meesterwerk: een reactie op een slechte recensie die zowel recensent als recensie dodelijk treft. Ze stranden stuk voor stuk in rancuneus onmachtig proza. Het werkt niet. Per saldo heeft de schrijver zich op zijn pik getrapt betoond,’ schrijft Herman Franke. Wat hem er niet van weerhoudt ondertussen met duivels plezier zo’n onvergankelijk meesterwerkje te scheppen. Eenmaal bekritiseerd werk krijgt bij een-en-dezelfde criticus zelden een herkansing. Al moet ik dat een beetje nuanceren. Op Frankes Volkskrant-column, waarin hij Aleid Truijens en Arnold Heumakers aanspoorde Bernlefs Onzichtbare jongen te herlezen (een boek waarvan Aleid Truijens de eerste helft prachtig had gevonden, de tweede helft slecht, en Arnold Heumakers het eerste deel slecht en het tweede deel prachtig) kwam in ieder geval reactie van verschillende critici.
Lezen is een daad van overgave. Het kan niet altijd alleen maar de auteur zijn die wel eens een ‘zwakke’ periode kent, het ‘even niet meer weet’, ‘zoekende is’, ‘de weg kwijt’ of ‘gemakzuchtig’ is.

Ik ben op mijn hoede, leggen ze futloosheid van de criticus bloot? De vraag die ertoe doet: Is er kans dat het boek bij herlezing toeneemt in rijkdom en betekenis? Valide tegenvraag: Hoe groot is de kans dat het na een tweede blik juist platter wordt, aan diepte verliest? Kan het ene en het andere tegelijk waar zijn? De vraag stellen is hem beantwoorden. Bij twijfel verdient het boek opnieuw te worden opengeslagen.
Misschien door een ander. Daarom zijn jullie ook met velen, moeten jullie ook een horde zijn.

Toch houden we elkaar tegen, nemen het mobieltje zacht uit de hand. Drukken we elkaar en onszelf in dringende mailtjes op het hart na twaalven geen mailtjes meer te versturen. Niet naar de gehate recensent. Houden we elkaar voor dat we er om andere redenen dan wetten en praktische bezwaren van af moeten zien in de brievenbus te pissen, de echtgenote te verkrachten, de kinderen te ontvoeren.
Dat we door moeten naar het woord, het woord alleen. Een volgend boek.
We hebben jullie nodig.

Liever dan gelaten waardering, onverschilligheid of teveel aan ontzag, zie ik woede of grimmige ergernis. Opgelucht dat ik ze in ieder geval tijdig heb geschrapt, sla ik mezelf snoeihard om de oren met zwakke passages. Boos sla ik met mijn hand op tafel, valt het bouwwerk, dan is het te wankel. Geen schrijver die de ontzetting van Jeanette Winterson niet begrijpt, nadat bleek dat tekst die ze had gesnoeid, in Zwaarte was blijven staan. Probeer maar eens te ontschrijven wat al is prijsgegeven.
‘Hoe durft u te schrijven: “De charmante kerstboom, zo chatoyant met zijn lichtjes, leek hun een belofte van vreugde wonderbaar?”’ laat Nabokov in het korte verhaal ‘Spits van de admiraliteit’ een boze schrijver en criticus uitroepen als reactie op het flinterdunne romannetje van ene Solntsev, vermoedelijk het pseudoniem van ene Katja, met wie hij ooit een liefde heeft beleefd. ‘Uw adem heeft de hele boom al uitgeblazen, want één adjectief uit effectbejag achter het substantief geplaatst is genoeg om de mooiste herinnering kapot te maken. Voor de catastrofe, dus voor uw boek, was het bewegend geglinster van spikkeltjes licht in Katja’s ogen voor mij zo’n herinnering, en de kersrode weerkaatsing op haar wang van het poppenhuisje van geglansd plastiekpapier aan een van de takken, als zij het prikkelig groen uiteenboog en zich rekte om het vlammetje van een dol geworden kaars te doven. Wat heb ik daar nog van over? Niets – niets dan een weerzinwekkend literair brandluchtje.’

Wat als literair werk wordt gepresenteerd, schrijft ook Kees ‘t Hart in dit nummer, verdient het dat alles erin gezien wordt als opzettelijk en intentioneel. Ook als sommige woorden, passages de auteur lijken te zijn ontsnapt, als het hele boek lijkt te zijn ontsnapt. De schrijver is degene die kon herschrijven, overlezen, schrappen, toevoegen, kon besluiten van publicatie af te zien. Zodra de keuze is gemaakt, is er geen andere route meer dan alles wat is geschreven te zien als resultaat van een beslissing.
Dat maakt een frase als ‘natuurtalent’ ook zo strontvervelend, nietszeggend en beledigend. Het is niets meer dan een ander woord voor ‘lui’, zonder dit met voorbeelden uit het werk te willen staven. Laat zien.

Een van de kleine ontdekkingen die ik als auteur heb gedaan, nogal laat misschien, is dat het boek dat je maakt nooit zo autonoom is als je het zou willen hebben, en dat het ook zinloos is of onzinnig om daar als auteur mee bezig te zijn. Als wat je maakt goed is zal het nooit, nooit autonoom zijn. Hoe beter het is, hoe meer het streeft naar contact. Het kan alleen gekend worden in dit contact. Alleen zo bestaat het. Het roept en lokt en vraagt naar de lezers of speelt ‘hard to get’. Het wil die best mogelijke lezers, maar zal als het echt niet anders kan (een tijd) genoegen nemen met de mindere lezer. Het kan wachten, geduldig zijn, op de toekomst, op die ene lezer, voor het genoegen zal nemen met de gedachte dat die er nooit zal komen. Geen hond. Zelfs dan kan het zich nog verwarmen met de gedachte aan verleden lezers.
Soms is de komst van één lezer genoeg.

Nou ja, genoeg over kritiek. We zijn het – in de grond van de zaak – roerend met elkaar eens. We zijn het altijd met elkaar eens geweest, u en ik.

We zullen elkaar nog wel treffen. Bijna dagelijks. Voor lange tijd zal u mijn spiegelbeeld vormen, terwijl ik over fragmenten, passages en stukken dwaal, verbonden ben met de karakters, verwikkeld in schimmige liefdes, haat, walging, loyaliteit, verlangen, zoekend naar dat ene dat klopt omdat ik geen manier meer ken om het niet kloppend te maken, omdat het door mij niet meer onderuit gehaald kan worden, of alleen nog op gronden die me niet kunnen schelen. Het is de wereld die me dierbaar is en het wemelt er van de muren.

U moet wegen, vergelijken, beoordelen, in een tijdvak plaatsen, genres benoemen, overgangen waarnemen, veranderingen opmerken, proeven, testen, andere, meer of minder argeloze of verdwaald ronddolende lezers voorlichten, gidsen. U wilt ook dingen. Steeds weer nieuwe dingen. U bent gulzig. U wilt geen boeken lezen die u meteen met de vuilnis mee zou willen geven, die u onder in de kattenbak zou willen leggen, u zou wel weer vaker van uw sokken geblazen willen worden, wel eens echt onstuimig door een boek tot overgave en jankend op de knieën gedwongen willen worden. Heb ik enig, enig idee hoeveel rotzooi er is? Hoeveel schrijvers muurtjes van bordkarton neerzetten en één keer duwen met hun kippengewichtje en poef, daar is hun muurtje al gevallen en het boek klaar. Wat zou het niet verrukkelijk zijn om van tevoren eens beter ingelicht te worden over de ware inzet van de schrijver, over de werkelijke motieven en overwegingen, en dan het boek als onherleidbaar ‘gevolg’ van die inzet, motivatie en overweging te wegen. En zie ik niet dat dit, onder zware omstandigheden nog steeds gebeurt? U neemt hoestend een slok water uit het glas dat ik voor alle zekerheid maar vast voor ons allebei heb klaargezet. U verliest uw zelfbeheersing, sproeit in de rondte. Voortaan wenst u alleen het boek, en niet meer lastigvallen met de hele aanloop ernaartoe, die kop van die auteur op alle pagina’s, die auteur zo groot op posters dat je ‘s nachts in je slaap door het beeld wordt achtervolgd, die auteur als meningenspuit, die auteur met zijn of haar verleden, die auteur in een leuk outfitje in alweer een glamourblad, die auteur als bitterste criticus van werk van andere auteurs, die auteur in de kroeg, die auteur als narretje, die auteur als kwijnende spookverschijning met die blik van ik-klaag-aan, die auteur hier en daar en overal, als een klevende zwam.
Een krachtige overtuiging wenst u voortaan alleen nog uit de tekst te destilleren, niet er later als een kreukelige bijsluiter nog eens opgeplakt. Heb ik wel enig idee van uw inzet?
U heeft gelijk.
Zoals we ook niet overal in spelletjes, programmaatjes, quizjes, achterpagina’s, magazines geconfronteerd willen worden met elkaars lijfelijke aanwezigheid, hoofden, handen, haren, geur, verkeerde broeken, slobberige truien, mislukte kapsels. En we elkaars tientallen argumenten begrijpen waarom het toch niet erg is, juist wel goed, passend in deze tijd, en nou ja omdat we mensen… winkeltje… ijdelheid… moeten leven. En de onkreukbaren gaan maar ergens anders aan een andere tafel hun onbuigzame moraal bewieroken, dat wij als schrijvers, badend in aandacht en in het licht van een studiolamp moeten beseffen dat wij minder zijn, altijd zwakker, altijd stompzinniger, altijd noodzakelijk onbenulliger dan ons beste werk. Dat jullie als recensent, gevleid en trots op de bereikte positie, jullie mening glanzend uitvergroot op een opvallende plaats, moeten beseffen dat jullie altijd kleiner, altijd afgeleider, altijd pas echt belangrijk kunnen zijn als jullie stem er één is (misschien de zuiverste) in een koor van stemmen.
U weet net zo goed als ik dat de macht van auteurs en recensenten de laatste decennia is gegroeid, maar dat de macht van boek en kritiek is afgenomen. Daarom worden sommigen van u ook steeds agressiever prescriptiever, u leeft van en met ons. Vallen wij, dan valt u mee.
Het is niet onmogelijk of ondenkbaar dat boekverkopers, jury’s, commissies er op een dag werkelijk in slagen uw mening of oordeel uit de openbaarheid te drukken. Dat zou moord zijn, en alleen te verdragen als we er zeker van kunnen zijn dat daarmee niet onze best mogelijke lezers zijn omgebracht.
Alleen in die hoedanigheid hebben we u werkelijk nodig.

Wat is de rol van een literair tijdschrift in de anti-racismebeweging? We zijn in gesprek en werken eraan. Misschien is het simpelweg: veel lezen, erkennen, schrijven en een podium bieden. Vandaag herlezen we Daan Stoffelsens stuk over Teju Cole.

*

Hij is geestig, intelligent, fel: de gedroomde publieke intellectueel. Ik schudde vrijdagmiddag in Spui25 Teju Cole’s hand, en luisterde. Over racisme, over de ondervertegenwoordiging van vrouwen, over smaak en cultuur, over hoe je over de tactics van zwarte activisten van mening kunt verschillen en over white privilege / supremacy. Interessant, maar ook ongemakkelijk. En ongemak leidde, bij mij althans, tot een gevoel van onmacht. Ik heb er al wel over geschreven, maar mijn macht is beperkt tot lezen, kijken, schrijven. Wel leerde ik, die middag en avond, dat verder kijken dan je neus lang is, kan helpen. Bij dezen: welke nieuwe (literaire) stemmen moet ik lezen, welke moeten een podium krijgen in De Revisor? [In 2016 werd voor de beste inzending de fles rode wijn in het vooruitzicht gesteld die Stoffelsen kreeg voor zijn praatje. – red.]

(Plus: mijn praatje en zeven aantekeningen.)

  1. Coles Spui25-lezing was ijzersterk (hij is hier terug te kijken en terug te lezen bij De Groene Amsterdammer). Hij gaf zijn eigen interpretatie bij een prachtig koningsmasker uit Ife (hedendaags Nigeria), beschreef de eurocentrische receptie ervan, Bellows uitspraken over de ‘Tolstoy of the Zulu’s’, diens uitspraken in zijn Nobelprijsrede, en toonde zich in het slot evenzeer activist als kunsthistoricus. Dat is de mildere Cole, die ook in Nooit meer slapen geïnterviewd werd. Deze week in De Groene Amsterdammer. Zie ook mijn recensies van Coles boeken, fragmenten en vertalerstoelichting bij Athenaeum.nl.
  2. Voor het gesprek met Stephan Sanders volstaat het mijn praatje hieronder en dat van Quinsy Gario na elkaar te lezen; het ging bij hem alleen over Coles essay ‘Black Body’ (alsof er geen lezing was geweest, alsof Vertrouwde en vreemde dingen niet vijftig essays bevat), en, na een ingreep van een goed geïnformeerde Cole, over racisme in Nederland.
  3. Gario’s kritiek is zinnig, en werd bevlogen uitgesproken, al geloof ik dat ik blij ben dat De Groene Amsterdammer het oneens met zichzelf kan zijn.
  4. Net als Gario werd ik niet betaald voor mijn verhaal, het was ‘free intellectual labor’ met de kans een idool te ontmoeten en zichtbaar te zijn in een relevant netwerk. Maar de kwestie dat de culturele en journalistieke infrastructuur jonge makers en stagiaires slecht of niet betaalt is hoogstens complementair aan Gario’s klacht dat zwarte makers geen plek krijgen in die infrastructuur – het doet er niet aan af. Het gaat niet om Gario of Stoffelsen, maar om het feit dat er al heel veel witte mannen beeld- en woordbepalend zijn.
  5. Inderdaad, mannen. Schuldig. Maar we werken eraan.

    Luister naar De Revisor

    Programma’s van De Revisor

    Archief

    Rubrieken