In ons themanummer 10 leugenaars (#17, 2017, nog steeds te koop) leverde Bernke Klein Zandvoort de twaalfde bijdrage. Een essay over dreiging en vandalisme, werkelijkheid en waarheid. Vandaag halen we ‘Non-fictie en het andere verhaal’ uit het archief.

*

Vandaal (1778) – naam van een Germaans volk, ‘zij die rondzwerven’, waarin Germ. stam wandal voorkomt, ook in wenden en wandelen.
Vandalisme (1794) – term door een Franse bisschop bedacht om de reacties van het Parijse ‘gepeupel’ te kenschetsen tijdens de Franse Revolutie, die hem deden denken aan de stelselmatige plundering van Rome door de Vandalen in 455.
Vandalisme (1825) – het uitdooven van kunde, en het terugbrengen van barbaarschheid, verwoestinggeest.
Vandaal (2017) – iem. die zich schuldig maakt aan vandalisme.[1]

Mijn voordeur midden in de nacht, vijf jaar geleden: Bitch! You! Open the door! You think you can come to Tottenham, being all white, without paying up?
Als ik niet open zou doen, zouden ze terugkomen, werd er met veel volume gedreigd. De groep mannen, misschien waren het jongens, heb ik niet kunnen zien. Ik hoorde ze alleen. Met platte hand werd er op mijn deur geramd, series harde slagen met korte tussenpozen. Bewegingloos lag ik in bed te luisteren, te verkrampt om mijn telefoon te pakken. ’s Ochtends trof ik buiten een kleine ravage aan. Twee fietsen bleken gestolen, er waren gaten in het metalen hek geknipt, containers kapot getrapt. Op het politiebureau werd een aantekening over vandalisme gemaakt, meer kon er met mijn flarden informatie niet worden gedaan. Moe en nog steeds een beetje bang liep ik terug naar huis. Ik was gezien, maar ik wist niet door wie en wat dat betekende. Alsof ik me tegen iets moest wapenen, keek ik onwillekeurig iedereen op straat aan. Een jongen keek net iets te lang terug. Of deed hij dat omdat ik hém zo aanstaarde? Elke man die mijn kant op kwam, een vrouw die tegen me aan botste – iedereen was verdacht, iedereen werd deel van mijn schimmig scenario.
Tottenham, een wijk in Noord-Londen. Ik was er een jaar na de rellen van 2011 komen wonen. In mijn straat bedekten spaanplaten schots en scheef over elkaar getimmerd nog de uitgebrande ramen van een paar gebouwen, maar op zoek naar een nieuw huis was het mijne mooi en groot en goedkoop geweest. Bovendien vond ik dat ik best eens in een andere omgeving kon wonen dan de gemoedelijke woonwijken vol speeltuinen en groenstroken, gegund aan maar een dun reepje van de wereldbevolking. Hier zaten de stoepen vol gaten opgevuld met dikke klodders cement. Te zien vanuit mijn raam: een Poolse supermarkt, twee Somalische kappers, een pawnshop, een wedkantoor en op een blinde muur om de paar weken een andere billboardreclame. Drie weken lang heeft House of Cards recht mijn woonkamer ingekeken. Eenentwintig dagen de valse glimlach van Frank Underwood, het gezicht van een doorgewinterde leugenaar.

Ik ben een slechte leugenaar.

‘Je bent zo eerlijk als het schelle licht van de Maoz op de hoek van het Muntplein,’ omschreef een vriendin het eens. Ik lachte om het beeld, maar begreep waar ze op doelde. Eerlijk zijn is een kernwaarde in mijn familie. Het is synoniem aan volledige transparantie. Eerlijk zijn betekent, dat het selectief weglaten van delen van een verhaal, het vertellen van de halve waarheid is. En een halve waarheid is géén waarheid. Als je niet de hele waarheid vertelt, zo is de redenering, wordt automatisch de vertelde waarheid gediskwalificeerd.
Lang heb ik daarom gedacht dat het weglaten van informatie, liegen was. Maar in het leven dat buiten het tuinhek van mijn ouderlijk huis begon, zou die redenering aan het wankelen worden gebracht. Ik zag dat een roman, een gedicht of essay, vormen van vertellen zijn waarin heel veel niet wordt gezegd. Ik zag dat de verhalen die we over onszelf, over persoonlijke en gedeelde verledens vertellen, optellingen zijn van wat is weggelaten. Is het niet meer dan te verwachten dat daar vervolgens ficties insluipen?

De woorden

Een leugen is het negatief van de waarheid, een onwaarheid. Dat klinkt een beetje als een formule, (onwaarheid = waarheid x –1), maar veel meer over wat een leugen is, weet ik dan nog niet. Om daar dichterbij te komen, moet ik weten wat waarheid is, de variabele in de formule.
Wanneer iemand het over ‘de waarheid’ heeft, zie ik onopzettelijk een vorm opdoemen, een blob in de ruimte. Het doet zich voor als iets absoluuts, als iets dat niet alleen in je eigen hoofd afspeelt, en dat klopt ook wel als ik naar de vroegste betekenissen van het woord kijk: juist, echt, en werkelijk, feitelijk[2]. Als ik nog iets verder inzoom, zie ik dat ‘waar’ en ‘woord’ uit dezelfde stam zijn gegroeid. Feitelijkheid en woorden zijn dus in hun wortels met elkaar verbonden. Wat in woorden gezegd of geschreven wordt, is waar, lijkt die verstrengeling te zeggen. Lijkt, en daar ligt volgens mij precies het probleem.

Terug naar Tottenham, naar de rellen van 2011. Winkels en banken werden met stenen ingegooid, geplunderd en in as achtergelaten. Mensen renden over straat met plasmaschermen, sportschoenen en stapels kleding. Van auto’s bleef niets over dan hun metalen karkassen, ook bij mij in de straat, zou ik later op videomateriaal zien. Gezichten gewikkeld in bandana’s maakten brandende barricades. Samen met buurtbewoners van verschillende afkomst, jouwden de bandana’s de politie uit. Murderers! Murderers! klonk het in de straten, terwijl in de luwte van de tuinen in alle rust kledingstukken werden uitgeruild, de eerste laptop voor 20 quid werd verkocht.

De rellen in Tottenham gingen via artikelen, tweets, foto’s en video’s de wereld over als een uitbarsting van hebzucht en vandalisme. Schorriemorrie van de bovenste plank, dat was het, tuig dat zo nodig stennis moest schoppen. Dat is geen leugen, maar ook niet de hele waarheid.
Ik moest denken aan de Vandalen, het volk dat de geschiedenis in ging als barbaarse plunderaars, omdat ze na hun overmeestering van Rome, als zodanig door de Romeinen opgetekend werden. Alles wat dit volk nog meer deed, bijvoorbeeld dat ze in verhouding juist heel veel van de Romeinse cultuur bewaarden, werd weggelaten, kwam in het wit tussen de woorden terecht. Zoals in een kinderdagboek waarin alleen de slechte dagen je tot schrijven motiveerden, vertroebelde het beeld, sloop er fictie tussen de feiten, sloop de fictie in het woord ‘vandaal’.
Weggelaten uit de Tottenham-vertelling is de voortslepende armoede in die straten, waarbovenop de regering het jaar ervoor nog eens honderden banen in die wijk had geschrapt, het schoolgeld verhoogde, jeugdwerkers had weggesaneerd. Andere missende informatie: de dood van Mark Duggan, door twee politieschoten om het leven gebracht.

Twee schoten, drie verhalen

  1. Onder de naam Operation Trident onderzocht een afdeling van de Metropolitan Police wapencriminaliteit in de zwarte gemeenschap in Londen. De 29-jarige Mark Duggan was verdacht en werd afgeluisterd, waardoor het bekend was dat hij die bewuste donderdag met een zojuist gekocht wapen in een taxi Tottenham binnenreed. Politiewagens snoerden de taxi in, Duggan opende het portier, zette het op een rennen en werd met twee schoten om het leven gebracht.
    De officier, V53 wordt hij in de rapporten genoemd, vertelt de jury later dat hij er zeker van was dat Duggan een wapen in zijn hand had – I was only focussing on the gun. Hoewel het in een sok zat, kon hij de vorm van het wapen goed onderscheiden. De eerste kogel raakte Duggans borst, het lichaam kromp ineen. Omdat het pistool in Duggans hand bleef (I-was-only-focussed-on-the-gun), schoot V53 nog een keer, dit keer in Duggans arm. Het achterover vallende lichaam werd door de andere officiers omsingeld. V53 kan ondertussen het wapen nergens meer vinden. Het wordt uiteindelijk meer dan zes meter verderop gevonden aan de andere kant van een hek. Geen van de officiers, allemaal getraind om ogen op het geweer te houden, hebben het door de lucht zien vliegen.
  2. Mark Duggan – kledingverkoper, verloofd, drie kinderen – had twee relatief kleine veroordelingen voor het bezit van cannabis en handel in gestolen goederen op zijn naam staan. Die donderdag kocht hij een wapen met één kogel die er in een schoenendoos bij geleverd werd. Duggan wist dat hij werd gevolgd, want vanuit de taxi stuurde hij een sms Trident have jammed me. Vijf seconden voordat de taxi werd gestopt, tien seconden voor hij werd neergeschoten, sprak hij nog door de telefoon.
    Een forensisch patholoog stelde vast dat eerst de arm werd geraakt. De tweede kogel kwam onder een steile hoek in het lichaam terecht, dus toen Duggan al aan het vallen was. Duggans DNA werd niet op het pistool gevonden, noch op de sok. De trekker was nooit overgehaald. Een ooggetuige zag Duggan met a shiny object, een telefoon, de taxi uitkomen. De verklaring is nooit bevestigd.
  3. Vier dagen na de dood van Mark Duggan heeft de familie nog altijd geen verklaring gekregen. Samen met een menigte buurtbewoners verzamelen ze zich bij het politiebureau om te protesteren, antwoorden op te eisen. Als die niet komen, richten twee mannen hun woede op het eerste object in hun nabijheid, een politie-auto. Ondertussen verdeelt een jongere, agressieve groep zich met jerrycans en vuurwerk over de straten. Onder hen rommelt het gerucht dat een zestienjarig meisje door de politie met knuppels zou zijn neergeslagen. Of het gerucht waar is, is niet te achterhalen en maakt voor het verloop van de gebeurtenissen niets uit. Het rumoer werkt als katalysator. In een Youtube filmpje dat brandende auto’s laat zien en hevige gevechten, hoor je iemand over het beeldmateriaal heen schreeuwen ‘Didn’t you see the girl getting roughed[3] by the Feds, man? Come on!’[4]

Samurai-krabben

Ongeveer een jaar later vierde ik mijn verjaardag. Het was de avond voor het incident, klasgenoten waren gekomen, er werd gedanst, hard gelachen, de ramen stonden wijd open – ik had nog nergens erg in. Ik was al maanden gewend aan Tottenham, ging op in het buurtleven. Leerde okra koken, areppa’s eten, fietste via een aaneenschakeling steegjes het laatste stukje van mijn route terug naar huis.
Maar de dagen na het incident wist ik niet meer zeker of ik hier wel kon blijven wonen. Op straat bleef ik daarom iedereen recht in het gezicht aankijken, in de hoop dat het me antwoorden op zou leveren. Een groep jongens hing slaperig tegen een stapel dozen, anderen waaierden midden op de weg rond een grote geblindeerde auto. Op de hoek predikte een man het einde der tijden door een megafoon. Dat deed hij vaker in de weekenden, maar nu werd iedereen personage, en zijn apocalyps moeiteloos deel van mijn verhaal. In het volle daglicht was zich een fictie aan het ontspinnen. Beetje bij beetje voelde ik hoe mijn beweegruimte werd ingenomen door angst.

Ik moet denken aan de samurai-krab, waarover Carl Sagan vertelt in een van de afleveringen van zijn serie Cosmos. Een verademing, deze serie uit de jaren tachtig, tegenover alle hedendaagse natuurdocumentaires waar de oceaan wordt voorgesteld als een plek met een soundtrack en een plot. Sagan legt uit dat toen de samurai van een bepaalde clan een oorlog dreigden te verliezen, ze zichzelf niet aan de vijand, maar aan zee overleverden. De jaren erna ging het verhaal dat de samurai nog op de zeebodem voortleefden, en soms dacht men in het rugschild van een krab het gezicht van een samurai te zien. Als zo’n krab op het dek van een visser terecht kwam, werd die niet zoals andere krabben voor consumptie bewaard, maar terug het water in gegooid. Als gevolg van kunstmatige selectie is zo door de eeuwen heen de perfecte samurai-krab ontstaan, besluit Sagan, het boze gezicht steeds scherper in het schild getekend. Door te selecteren hielden de vissers het verhaal in stand.

Stond Mark Duggan tegenover V53 met een wapen in zijn hand? Het was waar voor V53. Een voorgeprogrammeerde gedachte vervormde de werkelijkheid.
Was het gerucht over het meisje dat zou zijn neergeslagen door de politie waar? Het is nooit bewezen, maar het verhaal leidde als een aansteeklont naar de feiten.

Ik wist dat ik op een soortgelijke manier ten prooi was gevallen aan kunstmatige selectie, de dagen dat ik unheimisch door mijn buurt liep, m’n voordeur achterdochtig van het slot draaide. Maar het maakte niet uit dat ik dat wist. Het was even realistisch. Ik wás mijn adrenaline, m’n angst, de flarden informatie die ik had, en vooral: alle informatie die ik níet had.
‘When you are in the middle of a story it isn’t a story at all, but only a confusion,’verwoordt Margaret Atwood het zo mooi, ‘a dark roaring, a blindness, a wreckage of shattered glass and splintered wood; like a house in a whirlwind, or else a boat crushed by the icebergs or swept over the rapids, and all aboard powerless to stop it. It’s only afterwards that it becomes anything like a story at all. When you are telling it, to yourself or to someone else.’ [5]

Het is pas nu, vijf jaar later, dat ik mijn herinneringen aan Tottenham als een verhaal kan ontvouwen en daarbij een beetje kan zien wat werd weggelaten.

Hoe ik in de spiksplinternieuwe Aldi om de hoek, niet zag dat daaronder de oude was afgefikt.
Hoe tot die bewuste nacht van mijn verjaardag het sireneblauw dat alle weekendnachten over m’n muren kroop, altijd had gevoeld als andermans verhaal, nooit het mijne.
Hoe een klasgenoot met haar borsten dronken uit het raam, de aandacht van een groepje dealers probeerde te trekken. Dat de voordeur van mijn appartementencomplex open bleef staan.
Hoe het sireneblauw dat in de weekendnachten over m’n muren kroop, altijd had gevoeld als andermans verhaal.

Dat mijn verhaal zich afspeelde binnen andermans verhaal, waarin nieuwe mensen oude gebouwen opkopen, white privilige met opgerolde yogamatjes door de straten fietst en 4 pond voor een brood of koffie neer wil leggen. Waarin ik wel even in een ‘echte’ wijk zou wonen en er met hetzelfde gemak weer kon vertrekken, terwijl anderen er heel non-fictie nooit uit weg zouden komen. Hoe ik nu met ‘raw material’ een verhaal kan schrijven. Een verhaal gemaakt van woorden, die stuk voor stuk gewoontes hebben en zich thuisvoelen tussen andere woorden. Woorden die samen een uitsnede maken, waarbinnen ik nog steeds niet goed weet wat liegen is, maar wel kan zien dat het onbegrip alleen maar verder is uitgedijd, nu ik schrijf.

[1] Etymologisch woordenboek van het Nederlands, M. Philippa e.a. (2003-2009)
Vandalisme, E. Sanders, nrc november 1994
De Vandalen, Wikipedia
Vandaal, Van Dale, Van Dale Uitgevers, 2017
[2] Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, M. Philippa e.a. (2003-2009)
[3]  Roughed = ruw bewerkt
[4] Mark Duggan’s death: two shots fired and two conflicting stories, The Guardian, januari 2014
Tottenham riots: a peaceful protest, then suddenly all hell broke loose, The Guardian, augustus 2011
[5] uit Alias Grace, M. Atwood, Little Brown UK, 1997

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (word abonnee!). ‘De levenden’ verscheen in Revisor 11, in 2016. Een verhaal over de dood op doorreis. Bij ‘De levenden’ schreef ze ook het satellietverhaal ‘Voorbijgangers’, een non-fictievariant.

*

We hebben de gordijnen gesloten in een poging om de warmte buiten te houden en zij zit in de vensterbank met opgetrokken knieën, vergeelde vitrage als een bruidsjurk om haar heen. De punt van haar sigaret gloeit in het schemerdonker. De sprinkler kan elk moment afgaan en daar verlang ik naar: een regenbui in deze al te hete kamer, water om de meubels te doorweken, het hoogpolig tapijt. Vanmiddag scheen de zon zo fel dat alle straten uitgewassen leken. Toen ik naar buiten ging dacht ik even dat het gesneeuwd had, zo wit was het licht of misschien was er iets mis met mijn ogen. In de supermarkt stond een oude vrouw geluidloos te huilen. Haar haren hingen in vette lokken over haar schouders, ze stond naast het verpakte vlees, worst en spek in kille rijen uitgestald. Ik dacht eraan om haar een hand te geven, om iets tegen haar te zeggen. In plaats daarvan kocht ik wodka en crackers voor iemand die ik gister nog niet kende. Buiten zat een duif ineengedoken in de goot, haar rechtervleugel was een bloederige massa. Ze bleef proberen op te vliegen, maar het lukte niet.
Ik zag haar het eerst door het raam van de bus, ze droeg een wit overhemd en zo’n gleufhoed als detectives in oude films soms hebben. Ze zei iets wat de buschauffeur aan het lachen maakte, hij boog naar haar voordat hij haar tas in het ruim schoof. Tegen mij was de man stug en ontoeschietelijk geweest, maar ik was een toerist.
Ze koos de stoel naast mij uit en ik knikte naar haar. Ze zag het niet, ze staarde voor zich uit en wuifde zichzelf koelte toe met haar hoed. De wallen onder haar ogen waren rode halvemaantjes. De zomer was uitzonderlijk heet, hele stukken van het natuurpark vlakbij stonden al weken in brand. Zo nu en dan vlogen er helikopters over die verwaarloosbare hoeveelheden water op de vlammen lieten vallen. Of de hitte binnenkort zou ophouden, vroeg ik. Ze haalde haar schouders op en noemde een datum waarop ik alweer aan de andere kant van de wereld zou zijn, thuis. Ik zei dat ik ernaar uitkeek.
We reden langs dorpen die niets meer waren dan wat losse huizen met golfplaten daken, een bar voor de toeristen en uitgestrekt, dor land – het enige mooie eraan waren de Spaanse namen. Er zat een Chinees tegenover ons die om de twee minuten aan de buschauffeur vroeg waar hij was. Buiten het raam trokken gelige heuvels voorbij. Ik probeerde vast te houden wat ik tijdens de weken daarvoor had gezien, de granieten onverschilligheid van het gebergte en in het bos de beren en de herten en de vogels die niet bang van mensen waren, het bijna blauwe woud. In de stilte had ik iets gevonden wat ik alleen uit kinderboeken kende, maar ik wist ook hoe snel het zou verdwijnen.
Waar ik naartoe op weg was, vroeg ze. Nergens, wilde ik antwoorden, ik ga nergens naartoe, maar in plaats daarvan noemde ik de naam van een stad dichtbij. Ik had er op de heenweg overnacht in een motel dat Slumber heette. Het beloofde zwembad bleek een betonnen bak gevuld met zand, toen ik er ’s avonds aankwam stond de Indiase eigenaar me te woord vanachter tralies. Ik probeerde een grap te maken, maar hij keek alleen maar naar me, zijn bruine ogen ondoorgrondelijk. ’s Nachts lag ik wakker en luisterde naar de vrachttreinen die elk kwartier langs daverden. Mijn leven was wat zich in deze kamer bevond; nooit zou ik nog andere schoenen dragen dan de bergschoenen in mijn tas. De eenvoud van die gedachte had me gerustgesteld, de wetenschap dat er geen terugkeer meer zou zijn. Nu zat ik in een bus op weg naar de stad die ik toen had verlaten, op weg terug naar alles waarvan ik voor altijd afscheid had willen nemen.
‘Kan ik mee,’ vroeg ze.
Ik wist niet wat ze wilde en de gedachte aan gezelschap was beangstigend: wat ik zou moeten zeggen of doen, wat ze van mij zou verwachten. Maar ik had ook geen duidelijk plan en het leek het eenvoudigst om mijn schouders op te halen. Bij het eindstation van de bus stapten we uit, samen met de Chinees, die ons vroeg naar een trein die hier niet stopte. Voor de tweede keer liep ik langs de verwaarloosde huizen, de straten met het politiebureau aan de ene kant en bail agents aan de andere, de winkels vol met body parts. Het lukte mij nooit om bij dat woord aan auto’s te denken, maar toen ik dat tegen haar zei haalde ze alleen haar schouders op. Bij het motel stond ze erop om buiten te blijven terwijl ik een kamer boekte, ze drentelde wat rond het zwembad. Iemand had parasols in het zand gezet, en een hoog hek daaromheen.
‘Dit is het,’ zei ik toen ik de deur opende. Ik vroeg me af wat ik deed, waarom ik een onbekende mijn motelkamer aanbood. Dit is hoe mensen vermoord worden, dacht ik, één keer niet nadenken is genoeg. Ze gooide haar weekendtas op het bed en keek de kamer rond.
‘Die hoed staat je goed,’ zei ik.
Nu we in de kamer waren kreeg elke zin een ondertoon die ik niet bedoelde. Ik zette de televisie aan en zij trok mijn rugzak naar zich toe, haalde mijn spullen eruit: de vieze kleren en de brander, de slaapzak die geschikt was voor koude nachten in het hooggebergte, de waterzuiveraar. Ik vroeg me af of ze hier wilde blijven slapen en ook of ze een wapen had, een mes of een pistool. Ze vond mijn paspoort en bladerde erdoorheen, zocht naar stempels en deed een poging om mijn naam uit te spreken. Boven ons hoofd draaide de ventilator zinloos zijn rondjes. Dat paspoort is hier alles wat ik ben, dacht ik. Als ik dat kwijtraak kom ik niet snel thuis, misschien wel nooit.
‘Ik heb dorst,’ zei ze, en ik bood aan om iets te halen.
Wanneer ik terugkom met wodka en met crackers zit ze in de vensterbank, mijn paspoort nog steeds in haar handen. Ik had een politieagent kunnen zoeken, maar wat had ik moeten zeggen? Thuis had het eenvoudig geleken, het woud in te gaan en nooit meer terug te komen, er zou niet het gedoe zijn met een lichaam en iemand die dat vond. Mensen gingen dood in deze wildernis. Ze verdwaalden, vielen van rotsen of kwamen om van de dorst. Hier zou mijn verdwijning een ongeluk zijn, een van de zoveel per jaar. Maar toen ik eenmaal hier kwam was ik te bang om het te doen, mijzelf op te geven, en ook was het genoeg alleen te hoeven lopen en te slapen en te eten, om wekenlang niemand te hoeven zijn. Nu al voel ik hoe de paniek terugkeert over verwachtingen en verplichtingen, alles waaraan ik niet voldoe. Er moet een moment zijn geweest waarop iets in mijn leven zich omdraaide en vreemden veiliger gezelschap werden dan de vrienden die ik had, maar dat moment had ik gemist en toen ik het doorhad was het te laat, alles al te ver weg. Er was een beek waarvan het water zo koud was dat ik mijn lichaam niet meer voelde.
Haar handen trillen als ze een nieuwe sigaret aansteekt. De vlam van haar aansteker raakt bijna de gordijnen, maar ze lijkt het niet te merken. Ze beschermt haar sigaret met beide handen alsof het hierbinnen stormt.
Ze zegt: ‘Mijn vader is hier vlakbij vermoord.’
Ze zegt het zonder me aan te kijken, haar stem klinkt onverschillig. Toen ik hier voor het eerst kwam was ik ‘s avonds op goed geluk door de straten gelopen op zoek naar een motel, goed van vertrouwen en met mijn grote rugzak een duidelijk doelwit. Dat is het eerste waaraan ik denk terwijl zij verder praat over de stad, de banen die er niet meer zijn, de meth die alles kapot had gemaakt, ook haar, bijna: het risico dat ik in mijn naïviteit gelopen had. Merkwaardige impuls voor iemand die hier kwam om dood te gaan, maar dat is wat ze zeggen: dat wie van plan is om zelfmoord te plegen zorgvuldig wacht voor het verkeerslicht, voordat hij oversteekt eerst drie keer kijkt of alles veilig is. Het is eenvoudig om er zo, afstandelijk, over te denken. Er zijn de statistieken en de filosofische debatten, er zijn woorden die alles pijnloos maken. Op de dag dat ik weer in de bewoonde wereld kwam hoorde ik dat Robin Williams zelfmoord had gepleegd. Ik stond op de veranda van een winkel die alleen ijsjes verkocht en naast mij stonden twee vrouwen te praten over zijn dood, en dat ze ooit een show van hem hadden bezocht en toen geen woord van wat hij zei hadden verstaan.
Ze bestudeert haar nagels en zegt dat de bus er dagelijks langskomt, dat ze langs de plek waar hij vermoord is moet om bij haar werk te komen. ‘Alleen al het idee dat je hier weg kunt gaan,’ zegt ze. ‘Niet in deze kutstad te wonen, hier niet meer te hoeven zijn.’
Ze praat niet tegen mij, maar ze heeft mij nodig om iets te kunnen zeggen. Omdat ik hier niet ben, niet echt, omdat ik morgen weer vertrek kan ik degene zijn die luistert naar haar toonloze geneurie, het liedje dat hij vroeger voor haar zong. Dus wanneer de fles uit haar hand op de grond valt sla ik mijn arm om haar heen. Ik help haar van de vensterbank en met de paar wankele stappen naar het bed en ondanks de hitte stop ik haar in, de spullen uit mijn rugzak om haar heen uitgespreid als offergaven, mijn paspoort in haar hand. Als ze in slaap valt en zachtjes begint te snurken, staar ik naar de tv en wacht terwijl het donker wordt. Op hbo rijdt een man door eindeloos, moerassig land.
Toen ik vanuit het bos naar beneden kwam had ik de lichtjes gezien, de lampen en kampvuren waar mensen zich omheen hadden verzameld. Tussen de bomen was het al donker, maar de zon ging bloedrood onder boven de rivier. Het begon zachtjes te regenen en toen ik eindelijk, verdwaasd en moe bij de camping aankwam riep iemand vanaf zo’n vuur naar mij, welcome back among the living en ik had niet geweten wat ik terug kon zeggen.

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (word abonnee!). ‘De levenden’ verscheen in Revisor 11, in 2016. Een verhaal over de dood op doorreis. Bij ‘De levenden’ schreef ze ook het satellietverhaal ‘Voorbijgangers’, een non-fictievariant.

*

Na dagen gedroogd voedsel hopen we op een goed ontbijt, maar daarvoor komen we net te laat aan bij het restaurant aan het begin van de trail. In plaats daarvan eten we ijsjes, het enig eetbare dat te verkrijgen valt, en bekijken de kranten: Robin Williams is dood. Een stel uit Santa Cruz geeft ons een lift terug naar de vallei en daar nemen we de bus terug naar de bewoonde wereld. In El Portal, vlak buiten Yosemite, het motel. De Cedar Lodge werd berucht nadat een motelmedewerker drie vrouwen ombracht die kort daarvoor in het motel hadden verbleven. Wie de berichten over de Yosemite-moorden terugleest, ziet hoe het afgrijzen niet slechts betrekking heeft op de misdaad zelf. Het gaat om de plek waar de moorden gepleegd zijn; de zuiverheid van Yosemite is besmet, het paradijs verloren.


Een eind na Cedar Lodge passeert de bus een stadje in nagebouwde westernstijl, en daar stapt ze in. Ze draagt een spijkerbroek en hemd, een mannenhoed. Ze heeft een uitzonderlijk vriendelijk gezicht. De meeste mensen in deze bus kennen elkaar, reizen vermoedelijk iedere dag deze route. De vrouw wisselt grappen uit met een oudere heer voorin de bus, er wordt gelachen. Ze wuift zichzelf koelte toe en klaagt over de hitte.

Als ik het me goed herinner is dat het eerste waarover we spreken, de hitte die ‘snel’ voorbij zal zijn, binnen een week of zes. Later, als de bus leger is, het grootste deel van haar gezelschap uitgestapt, vraagt ze waar we vandaan komen, en waar we naartoe gaan. Terug naar Merced, zeggen we, en vandaar verder. Dat snapt ze niet. Waarom zou iemand ervoor kiezen naar Merced te gaan? Ze haat de stad. Waarom, vragen we. Het is een onschuldige vraag, waarop we een onschuldig antwoord verwachten.
‘Mijn vader is er vermoord.’
Daarop is geen reactie mogelijk, niet echt. Niet anders dan: I’m sorry, en plotseling ben ik blij met het Engels, dat in elk geval deze mogelijkheid kent, een betere dan het Nederlandse ‘wat erg’ of ‘gecondoleerd’. De bus rijdt over een viaduct en ze wijst ons aan waar hij precies gedood is. Ze is blij dat ze in elk geval niet meer in Merced woont, ook al passeert ze de plek nog elke dag op weg naar haar werk. Er is te veel misdaad in die stad, er wordt te veel gemoord. Het zijn de drugs, zegt ze, vertelt dan over haar eigen verslaving. Inmiddels is ze er min of meer bovenop, met dank aan de AA. Op dat moment mengt zich een andere jongen in het gesprek. Hij praat zacht, bijna onverstaanbaar, maar ook hij is begonnen met AA meetings, pas net. Ze complimenteert hem, moedigt hem aan om door te gaan.
Niet lang daarna stopt de bus bij het station. Een Aziaat zoekt verdwaasd naar de trein die hier niet stopt. We nemen afscheid, zij reist verder en wij lopen naar het motel, alerter nu op bedreigingen dan eerder. De stoep krioelt van de torren.

Die toevallige ontmoeting is nu twee jaar geleden en ondanks mijn notities is de herinnering vervaagd – zo weet ik niet meer zeker of ze alleen reisde, of deels met een vriendin. Soms vraag ik me af hoe het met haar gaat en met haar leven dat zo anders dan het mijne is. Maar ik ken haar naam niet en zou haar op straat niet meer herkennen: er was iets echts, heel even, maar tenslotte zijn we niet meer dan voorbijgangers, toevallige personages in het verhaal van de ander.

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer. ‘Stank’ verscheen in Revisor 7, in 2013, een verhaal over rot en relatie.

*

De stank komt op een zondagochtend. Eerst denkt hij dat die vreemde lucht van buiten komt, misschien wel van het industriegebied dat weliswaar niet vlak naast hun huis ligt, maar er toch zo dicht bij in de buurt dat ze zich zorgen maakte telkens als er weer een ramp gebeurt. Het is een indringende geur die hij nooit eerder heeft geroken, en niet zou kunnen omschrijven als hij ernaar werd gevraagd, onmiddellijk aanwezig als hij wakker wordt bij een fabriek ver weg.
Zij slaapt dan nog, het is vroeg in de ochtend. Als ze uiteindelijk haar ogen opent kust hij haar op de lippen, vraagt daarna of ze het ook ruikt.
‘Wat?’
‘Iets rottends,’ preciseert hij, ‘een vuile geur.’
Ze snuift, maar duidelijk alleen om hem een plezier te doen.
‘Ik ruik niets.’
Hij is niet verbaasd. Ze gaapt en sluit haar ogen weer. Terwijl ze slaapt kijkt hij naar haar, het zonlicht op de tere haartjes op haar wangen. Later snurkt ze, heel zachtjes. Dan staat hij op en maakt ontbijt, perst sinaasappels uit en bakt croissantjes. Terwijl de oven aanstaat staart hij naar buiten. Er zit een kat in de tuin, een cyperse met kille, gele ogen, zo dadelijk zal hij gaan schijten. Ze zeggen dat katten schone dieren zijn, maar de stinkpoep van deze beesten heeft het formaat van een hondendrol – ze worden al te goed verzorgd, ze krijgen te veel eten.
‘Ksst!’
Hij timmert op het raam om de kat weg te jagen, maar die reageert niet, kijkt hem alleen vuil aan vanaf zijn plek onder de rozenstruiken. Dus opent hij de deur en stuift naar buiten, maar het dier maakt rustig zijn drol af, kijkt hem onder het poepen verwaand aan. ‘Wegwezen,’ roept hij, ‘ga godverdomme de tuin uit!’
Boven hem gaat het raam van de slaapkamer open. Ze hebben de rozenstruik samen geplant, jaren geleden al. Bij gebrek aan kinderen is de tuin steeds belangrijker geworden, iets dat ze samen verzorgden, zagen groeien, de bloemen des te mooier door de fabrieksschoorstenen die erboven uittorenden, apocalyptische rook uitbraakten.
Gapend komt ze naar beneden, haar ochtendjas losjes dichtgeknoopt, daaronder haar magere benen, haar voeten in de konijnensloffen die hij ooit als grap voor haar gekocht heeft. ‘Waar maakte je je daarnet nou zo druk om?’ vraagt ze.
‘Een kat.’
‘Laat die beesten toch, het is slecht voor je hart.’
‘Ik ben geen oude man.’
Ze snuift, maar antwoordt niet.

Tijdens de koffie vraagt ze of hij het nu nog steeds ruikt en hij haalt zijn schouders op.
‘Het zal wel weg zijn nu.’
Ze knikt en slaat de bladzij van haar tijdschrift om.
Ze zijn nog niet zo oud dat ze niet meer hoeven te werken, maar ze zijn allebei begonnen aan het laatste jaar, zoals hun leeftijdsgenoten het wat spottend noemen, het antwoord op de vraag die hun allebei steeds vaker wordt gesteld: ‘Hoe lang moet je nog?’ Er is geen noodzaak meer om te presteren, alleen maar om het vol te houden en soms maken ze grapjes over de tijd daarna, de cruises die ze zullen maken. Daar praten ze nooit heel lang over door, het is een tijd waar ze naar uitkijken omdat dat nu eenmaal zo hoort, maar die ze ook, tegelijkertijd, licht vrezen.

Ze waren nog tieners toen ze elkaar op dansles ontmoetten. Zij was sierlijker dan hij, een klein en tenger meisje, maar als een van de weinige jongens was hij desondanks in het voordeel, hoewel hij lang en slungelig was en nooit de passen kon onthouden. Bij gebrek aan heren, zoals de dansschool het stel puisterige pubers eufemistisch aanduidde, moesten de meisjes die als laatsten overbleven met elkaar dansen, een vernederend lot waarvan hij haar gered had.
Nu nog kan hij zich die avonden herinneren, het nauwelijks verborgen ongemak. In die tijd waren ze allemaal als vreemdelingen in een land dat niemand kende, zodat niemand iets te zeggen wist, of niet op het juiste moment. Ze leek toen ouder dan hij was, en daarom ontzagwekkend, en het had lang geduurd voordat hij merkte dat de rollen op de een of andere manier waren omgedraaid: dat zij naar hem opkeek en hij voor haar zorgde. Ze is niet hulpbehoevend, maar kwetsbaarder dan hij en machtelozer, misschien omdat ze altijd op meer heeft gehoopt. Ook daarover praten ze nooit, maar af en toe kan hij het voelen, vooral ‘s avonds, een doffe teleurstelling die ze maar nauwelijks achter te snelle, gespannen glimlachjes weet te verbergen. Het is een daad van liefde dat ze hem niets verwijt, maar juist dat irriteert hem; liever had hij zich verdedigd. Op slechte dagen stelt hij zich voor hoe ze samen zullen verouderen, hoe er elke dag steeds iets minder zal zijn, totdat er niets meer is.

‘Moet je ruiken,’ zegt ze, en wijst op de rozenstruik.
Hij buigt zich voorover naar de bloemen, snuift nadrukkelijk. Onmiddellijk vult de stank zijn neusgaten – de lucht van iets dat bezig is te ontbinden, maar bijtender en duidelijk kunstmatig, vreemd.
‘Heerlijk hè?’ vraagt ze, en zoekt zijn hand.
Hij knikt. Heel even staan ze zo naast elkaar, de doornige struik tussen hen in.

Later vraagt hij haar of er soms nieuws gekomen is van de fabriek, of de plaatselijke actiegroep nog post gestuurd heeft.
‘Ik heb niets gehoord. Al heel lang niet meer.’ Ze vouwt één been onder zich. ‘Hoezo?’
Ze waren heel actief in het protest, toen pas was aangekondigd dat de fabriek er komen zou. Ze dachten dat ze in staat zouden zijn het te voorkomen, ze waren zelfs naar de rechter gestapt, ervan overtuigd dat iedereen zou inzien hoe onredelijk, hoe onrechtvaardig het besluit was. Maar onrechtvaardigheid bleek in de rechtszaal niet van werkelijk belang. De fabriek kwam, en iedereen die ze er daarna over spraken leek verbaasd dat ze ook maar hadden geprobeerd om het te stoppen. Zonder hen direct naïef te noemen wisten zelfs goede vrienden die boodschap uit te stralen, zodat ze er na enige tijd niets meer over zeiden en zich ook terugtrokken uit de actiegroep, die inmiddels klein en sektarisch was, verscheurd door onderlinge ruzies. Nog steeds spreken ze nooit anders over de fabriek dan als ‘dat vreselijke ding’.
‘Niets,’ zegt hij, ‘het is niet belangrijk.’
Geërgerd wimpelt hij haar af wanneer ze vraagt wat er toch met hem aan de hand is, maar de geur is sterker nu en hij moet zich bedwingen niet te kokhalzen.

Hij slaapt slecht die nacht en kijkt met jaloezie naar haar, die nergens iets van merkt, en als hij de volgende dag opstaat is hij chagrijnig. Maar op zijn werk is de geur er niet, zodat hij langer blijft dan normaal en haar belt dat hij nog iets moet afmaken. Hij doet alsof hij de verbazing in haar stem niet hoort. Wanneer hij later, het is dan al donker, de voordeur opent, haast ze zich door de gang naar hem toe alsof hij thuiskomt van een lange, gevaarlijke reis. Met nog maar één voet op de deurmat ruikt hij de stank alweer, deinst terug als ze bij hem komt. Zij ziet het en draait nu zelf weg. ‘Het eten staat in de keuken.’
Hij bedankt haar overdreven, terwijl ze al de trap op gaat en niet meer naar hem omkijkt.

Zo gaat het een aantal dagen. Elke nacht droomt hij onrustig, krijgt hoofdpijn van de stank. Wanneer hij op zijn kantoor zit kan hij zich de geur amper herinneren, zich niet eens voorstellen wat hem thuis toch zo verlamt. Hij denkt nu dat het misschien iets neurologisch is, de katten, of misschien toch de fabriek. Dat laatste zou het eenvoudiger maken, het zou hun een gezamenlijke vijand geven om samen tegen op te trekken, hoewel hij niet meer gelooft in het succes van een dergelijke onderneming. Even overweegt hij een bezoek aan de huisarts maar die zal zeggen dat het stress is, of zelfs al de ouderdom. De man is te jong om te begrijpen hoe ingewikkeld die ouderdom in feite is en hoe meedogenloos ontmantelend, zelfs nu al, op een leeftijd die niet meer als oud wordt gezien.
Op internet vindt hij duizenden pagina’s van meer of minder labiele vreemden. De meeste van hen hebben het contact met familie en vrienden al lang geleden verloren zodat het internet de enige klaagmuur is die hun nog rest. Hij bekijkt de virtuele uitwisselingen tussen al die slachtoffers van aardstralen en statische elektriciteit gefascineerd maar afstandelijk, want hij is een rationeel man – reden waarom hij het toen geen goed idee vond om nog een kind op deze overvolle, overbelaste aarde te zetten en zij was het met hem eens. Ze hoefden zelden echt te overleggen in die tijd; ze hadden idealen. Ze wilden schone lucht en helder water; roofvogels met eierschalen die niet door chemicaliën zouden zijn aangetast, verzwakt.

Hij leest over stilstaande lucht die, net als water, gaat rotten. Er moet in die verklaring iets ontbreken, maar de woorden blijven hangen in zijn hoofd. Hij vraagt zich af of het iets is in haar lijf, de verandering in haar hormonen, iets vrouwelijks waarvan hij het fijne niet wil weten. Hij stelt zich de lege holtes in haar lichaam voor, de opgedroogde poelen.
Hij koopt parfum voor haar, zoals toen.
Ze neemt het flesje van hem aan, sprenkelt de geur op haar polsen, giechelt. Opnieuw wendt hij zijn hoofd af.
In de tuin graaft hij de bodem af in een vergeefse poging de poep uit de grond te halen, alle resten te verwijderen, maar telkens als hij terugkomt is de stank er nog.

Het was maar één enkele keer, een avond, toen zij in bed lag met griep en hij wel naar Heleen was gegaan, die steevast gastvrouw speelde voor de protestgroep en dat iets te uitbundig deed, met zelfgebakken taartjes bij de thee en daarna wijn en port en toastjes, die ze hen bijna verontschuldigend serveerde. Het deed afbreuk aan het serieuze van de zaak, het maakte alles trivialer en natuurlijk dronk hij zelf geen alcohol, zodat het zijn rol was om de anderen bij het onderwerp te houden, te voorkomen dat het overleg zou ontaarden in gewoon een gezellige avond. Maar hij was machteloos, alleen, en dat maakte hem kribbig, niet in de laatste plaats omdat het hem herinnerde aan al die keren dat hij als jongen de regels van het spel had uitgelegd aan andere kinderen die nooit echt naar hem luisterden, achteloos alles verstoorden.
Die avond bleef hij als laatste achter, omdat hij geen zin had terug te gaan naar huis, waar zij in bed zou liggen met de kruik, de dekens opgetrokken tot haar neus, haar voeten in dikke gebreide sokken. Heleen was jong getrouwd en vroeg gescheiden en duidelijk op jacht; soms vroeg hij zich af of de komst van de fabriek haar werkelijk iets uitmaakte, hoewel ze hevig beweerde van wel.
‘Jij bent altijd zo serieus.’ Ze kwam naast hem zitten op de leuning van de bank. ‘Kom je wel aan jezelf toe?’
Ze droeg een blauwe jurk, die strak om haar borsten en billen spande. De hele avond had hij zijn adem ingehouden telkens als ze zich bukte om iemand in te schenken. Het was het soort kledingstuk waar hij graag commentaar op gaf en thuis met haar om lachte, maar nu, alleen met Heleen hier vlak naast hem, had die belachelijke jurk een effect op hem dat hij eerst nog met woorden wilde tegengaan en hij begon iets te zeggen, over de zaak en het milieu, maar zij legde een vinger op zijn lippen en daarna protesteerde hij niet meer.
Pas later, achteraf, toen het voorbij was en ze hijgend naast elkaar lagen in haar bed, al even boudoirachtig belachelijk, keerde de schaamte terug en stond hij op, trok zijn onderbroek aan met zijn rug naar haar toe en reageerde niet op haar vraag of hij nog iets wilde drinken. In de woonkamer keek haar kat hem aan met koude ogen. Hij gaf het dier een schop zodat het schreeuwde en van boven riep Heleen naar hem, bezorgd nu. Hij liep de kamer uit en deed haar voordeur dicht, trok hem daarna nogmaals beter dicht alsof wat er ook tussen hen had plaatsgevonden, wat er ook met hem was gebeurd, achter die deur zou blijven, in dat huis.
De bijeenkomsten daarna waren niet meer bij Heleen.
Ze had zich bij de secretaris afgemeld en niemand wist waarom.
Maar niet zo lang daarna zag hij haar in de supermarkt en eerst dacht hij dat ze gewoon te dik geworden was. Hij had iets willen zeggen, een conclusie willen trekken, maar deed een stap opzij zodat zij hem niet zou zien, verschool zich achter het schap met broodbeleg totdat ze weg was. Pas daarna merkte hij dat hij trilde, dat er iets in zijn borstkas was gebroken en hij staarde naar de vlokken, veegde zijn gezicht af en snoof.

Ze kijkt naar hem, hoe hij langzaam steeds kleiner, kwetsbaarder wordt. Ze kijkt naar hem terwijl hij gaten graaft en zoekt naar iets, ze weet niet wat. Nu pas merkt ze, tot haar verbazing, dat het verdwenen is, al die verbittering, de wrok waarmee ze sinds die tijd geleefd heeft. Op een ochtend moet het uit haar lichaam zijn gesijpeld, opgeheven – misschien was het een soort ziekte, die tijd opeiste in haar lichaam. Ze kijkt naar hem, naar zijn gebogen lijf en naar de gaten die hij graaft en ze heeft medelijden. Het is zijn hoop die haar vertedert, alsof hij met het groeien van de tuin de dood tegen kan houden.

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (nog een reden om abonnee te worden!). ‘Val’ verscheen in het ‘halfjaarboek voor nieuwe literatuur’ 5, in 2012. Een verhaal van fysiek en verval.

*

Er is het geluid van de duiven ‘s ochtends in de zomer en lange tijd is dat genoeg, de duiven en de druppels dauw en al die gevoelens van verwachting. Waar ze allemaal wel niet heel goed in zullen worden, wereldkampioen, de beste aller tijden en allemaal tegelijkertijd, maar fatsoenlijke mensen zijn ze sowieso al.
Want de hele familie gaat altijd naar de kerk op zondag, ’s ochtends allemaal op bezoek bij God en heeroom Thomas, die priester is, vreemde gewaden draagt. Janna’s moeder doet dan een te zware hoed op, haar vader wringt zich onbeholpen in het pak dat hij direct na de dienst opgelucht weer uittrekt, onder het dwingende ritme van de klokken marcheren ze naar de open mond van de kerk. Ze heffen hun hoofden op naar heeroom Thomas om de hostie te ontvangen, doen hun monden alvast een beetje open en allemaal zijn ze weer kinderen, voor even. Pas tijdens het terug schuifelen naar hun plaatsen nemen ze hun eigen gedaante weer aan, schikken hun jasjes, halen hun schouders op en pakken hun portemonnee en dan staat heeroom Thomas daar nog altijd met die wijn, al die lichamen van Christus. Als iedereen naar buiten gaat staat hij bij de deur om hun een hand te geven en wat woorden en op het grasveld voor de kerk zwelt het geluid weer aan. Geen van de parochianen kijkt naar de kleine pastorie. Niemand gaat op bezoek bij heeroom Thomas, ‘zo’n man alleen’, hij komt bij hen en gaat weer. Die avond verwacht Janna wonderen van hem en iets van het blauw van Maria’s gewaad.

Als eerste ziet ze zijn sloffen en pas daarna gaat haar blik omhoog, langs zijn broek en trui naar zijn bleke gezicht, de dunne lippen en het zwarte haar dat hij in een scheiding opzij heeft gekamd. Hij zegt niet dat ze binnen mag komen en even staan ze daar tegenover elkaar, tot hij ten slotte in beweging komt en de deur wijder opent. Hoewel het lente is en al niet koud meer, draagt ze een bontjas die ze aanhoudt als ze hem naar binnen volgt. Zelfs in zijn eigen huis beweegt hij zich voorzichtig, alsof hij zich er voortdurend van bewust is dat dit niet zijn thuis is maar een ruimte die hij tijdelijk bewoont, van de parochie leent. Vaag herinnert Janna zich de dag dat hij gewijd werd en hoe hij in de kerk knielde, waar iedereen het zien kon. Plat op de grond lag hij, keerde zijn zolen naar het dreunende gebed van de gemeente. ‘Lichaam van Christus, amen’ – hij heeft geen vrouw, geen kind, hij heeft alleen maar God en die zegt niets, zegt althans nooit iets tegen Janna.

Ze is het oudste kind van de familie, maar dat telt niet omdat ze geen stamhouder is. ‘Aan meisjes hebben we niets,’ grappen haar ooms, die een voor een kinderen krijgen. Nieuwe nichtjes en neefjes worden naast elkaar en in de lucht gehouden, gewichten en maten vergeleken als vis op de markt. Janna beseft – langzaam – dat haar klasgenootjes toch gelijk hebben en vanaf dat moment kan ze niet meer begrijpen hoe alle volwassenen hun kinderen durven te tonen en hun dikke buik, hoe ze zomaar kunnen praten over zwangerschap. Ze is niet preuts, niet erg, niet voor een kind.
Heel vaak doet ze alsof ze doodgaat, dat is het beste spel. In haar kamer ligt ze met gesloten ogen en gevouwen handen op de grond en denkt aan het verdriet van haar ouders, dat overweldigend moet zijn, en hoe ze naast het graf over haar zullen praten. ‘Niet te snel fietsen,’ zegt haar moeder als ze een fiets met zijwieltjes krijgt, ‘niet te snel groeien.’ Soms twijfelt Janna of ze wel echt een meisje is, zo slecht is ze in touwtjespringen en in alle spelletjes waarvoor je met een elastiek je vingers moet verstrikken. Bij de kaasboer noemen ze haar ‘jongeheer’, aaien over haar korte, borstelige haren, ‘dat wordt een hartenbreker, later’. De verkoopsters hebben ruwe vingers, zware borsten. Ze vertellen haar het sprookje van Roodkapje zonder te zeggen waar de wolven zijn en Janna hoort alleen de goede afloop. Later zal ze, zoveel is zeker, een vrouw worden die lange, vaag geïrriteerde telefoongesprekken voert en haar familie belt vanuit een verre stad om te vragen wie ze vroeger was.
Nu kan ze alles nog verliezen: haar huid die nog geen rimpels heeft, haar toekomst en haar thuis en al haar dromen. Wat een rijkdom om zoveel te kunnen kwijtraken, maar natuurlijk is ze ongelukkig en ‘s avonds vaak in tranen die ze in de spiegel bekijkt. Lang oefent ze om mooi te kunnen huilen, staart vanuit haar slaapkamerraam uren naar de zieke bleke maan. ‘Was je handen,’ zegt haar moeder, ‘was je jas.’ Eén keer krijgt Janna haar rimpelige lijf te zien, naakt onder een ochtendjas, haar borsten verschrompeld, haar aderen zichtbaar. ‘Zo word jij later ook, denk niet dat je eraan ontkomt,’ zegt haar moeder. Maar Janna weet dat dat niet waar is, dat je niet zo kunt verdrogen als je niet iets verkeerd hebt gedaan, of iets belangrijks hebt nagelaten. ‘Was je handen,’ zegt haar moeder, ‘en je jas, die is net nieuw.’
Janna heeft een bontjas zoals iemand uit de film en ze weet nog hoe ze ermee voor de spiegel paradeerde en zich probeerde voor te stellen wie ze zou kunnen worden, terwijl de verkoopster en haar moeder op een afstandje stonden met gekruiste armen en verslagenheid op hun gezicht. ‘Ze groeien op, hè?’ zei de verkoopster, maar haar moeder antwoordde niet, ze had haar portemonnee gepakt en met een bruusk gebaar betaald. Soms zegt ze dat ze babykleertjes heeft zien hangen in de winkel, ‘zo schattig’. Kijkt dan naar Janna met spijt in haar ogen.

‘Wil je thee?’ vraagt heeroom Thomas en ze knikt. Ze is hier niet met een duidelijk plan gekomen, maar met een vage hoop en misschien is het genoeg om thee te krijgen, iets warms vast te houden dat hij haar heeft gegeven.
‘Zo,’ zegt hij, als ze tegenover elkaar zitten, ongemakkelijk en zonder elkaar aan te kijken. Hij heeft zijn handen gevouwen, zijn benen over elkaar geslagen. Hij wacht op haar probleem, haar vraag, want dat is waarmee mensen naar hem toe komen. Ze zegt niets. Er valt niets te zeggen, er is niets vastgelegd, niets zo duidelijk dat ze er woorden voor kan vinden, laat staan ze uit te spreken. Daarom zwijgen ze, en roeren in hun thee, houden ongemakkelijk hun kopjes vast en nemen kleine, voorzichtige slokken. Ze vraagt zich af of hij aan Hagar denkt, aan Judith en aan Bathsheba.

‘Zit niet zo wijdbeens,’ zegt haar moeder, ‘dat hoort niet bij een dame.’ Janna past panty’s als er niemand is, ze kruist haar benen en wacht totdat ze eindelijk zal bloeden. Gekregen snoep bewaart ze tot de chocolade wit is uitgeslagen, de zuurtjes droog en stoffig smaken. Wat pijn doet pakt ze in om het beter te ontvangen. ‘Dank u,’ zegt ze en denkt aan al het zoete dat zal komen, later. In haar buik begint iets krachtig, zenuwachtig te bewegen, iets donkers als de karpers van haar oom.
Ze heeft die bontjas al en later koopt ze een paar rode, hooggehakte laarzen bij de tweedehandswinkel in de stad. Waar Janna woont zijn er geen hoeren, maar natuurlijk weet ze wel hoe die eruitzien. Terwijl ze probeert uit te vinden hoe het is om je lichaam zo volkomen te beheersen dat je in staat bent om het te verkopen, verandert ze, wordt langer en ranker. ‘Een slanke den, je dochter,’ zeggen de tantes hoofdschuddend en Janna denkt aan bleke berkenstammen en het verwoeste lijf van Anna Karenina.
Aan de muur van de kapel hangt heeroom Thomas een schilderij van een naakt meisje, het landschap achter haar een uitgestrekte vlakte, Russisch of zoals Janna zich Rusland voorstelt, met dat soort ijzige kou. Het meisje heeft een bleke huid van olieverf, ze klimt een ladder op die nergens heen gaat. ‘Hoop,’ zegt heeroom Thomas, ‘is wat die ladder symboliseert.’

Zodra Janna haar kopje neerzet staat hij op om opnieuw in te schenken, zo snel dat hij een vaas omstoot. Ze houdt haar adem in maar hij vloekt niet, probeert alleen verwoed het water op te dweilen terwijl Janna de bloemen opraapt, de scherven van de vaas voorzichtig tussen twee vingers oppakt. In de keuken – sober maar netjes opgeruimd, geen vaat, geen spoor van wat hij eerder heeft gegeten – ziet ze flessen staan en ze vraagt zich af of hij de miswijn hier bewaart en wanneer precies die wijn het bloed van Christus wordt. Als ze weer tegenover elkaar zitten is het opnieuw stil, maar hun zwijgen is veranderd, bijna saamhorig nu.
‘Waarom bent u eigenlijk priester geworden?’ vraagt ze abrupt. Want ze moet weten of het waar is wat haar vader zegt, dat heeroom Thomas’ geloof niet het geschenk is dat hij hun voorspiegelt op de zondagsschool. Ze is maar al te graag bereid haar vader niet te geloven; nog steeds overweegt ze om heilig te worden. Tussen de prikkelbosjes achter het huis hangt Jezus’ doornenkroon en vaak voelt ze een grote kracht of boze geest diep in haar buik, vooral als ze alleen is. Steeds vetter wordt haar vader, vetter worden al haar ooms, alleen de heeroom groeit niet omdat je van het woord van God niet dik wordt. Ook daarom overweegt ze het martelaarschap. Ze hunkert naar bewijzen dat haar vader ongelijk heeft, dingen die ze hem in het gezicht kan smijten want tegenwoordig vecht ze zonder onderscheid, tegen de spruitjes op haar bord, hoe laat ze thuis moet komen, de oorlogen die elders op de wereld worden uitgevochten. Nooit eerder waren de plafonds zo laag.

Elke zaterdagavond komt heeroom Thomas eten en voor die gelegenheden dekt Janna de tafel met het witte tafelkleed, met het wedgwoodservies en het zilveren bestek, het is een offer dat wordt klaargemaakt. Ze legt de messen naast de borden en ziet voor zich hoe hij een van die messen door het vlees van de biefstuk beweegt, legt vorken neer en denkt hoe hij een van die vorken naar zijn dunne lippen brengt. ‘Thomas,’ zegt haar vader, ‘is zo geworden omdat niemand van ons wilde en iemand het moest doen. Maar ook is het iets dat altijd al in hem zat, dat heilige, het is een soort van ziekte, een gebrek aan bloed.’
Voor het eten gaat heeroom Thomas voor, vouwt zijn handen en bidt het Onzevader. Janna kijkt door haar oogharen naar de devoot gebogen hoofden van haar ouders. Heeroom eet met kleine, afgemeten happen; veegt na elke hap zorgvuldig met het servet over zijn mond. Er is de macht die hij op zondag heeft en hoe hij in zijn eentje zingt, zijn stem een steen met vleugels in de te grote kerk. Hem is het recht tot offeren gegeven, en elke zondag heft heeroom Thomas de hostie hoog, ‘lichaam van Christus’. Er is die macht en dan is er de jus die zijn mond doet glimmen van het vet.
‘Zij is,’ zegt haar moeder en wijst op Janna, ‘ze is nogal los. Als zij een puber wordt, berg je dan maar.’ Janna wiebelt op haar plek, volgt met haar vinger het bloemetjespatroon van de bank. ‘’t Kan alle kanten op,’ zegt haar moeder en gaat rond met de gevulde eieren, ‘de straat op of een oude vrijster, met haar weet ik het niet.’ Janna weet niet precies wat een oude vrijster is maar ze ziet vieze oude lijven, armoedig van verlangen voor zich. Ze moet de kamer verlaten om bij te komen. Als ze in de gang tegen haar eigen, nu al smoezelige bontjas leunt, ziet ze heeroom Thomas buiten op het plaatsje staan. Door het beslagen raam van de achterdeur blijft ze een tijdje naar hem kijken, het broze in zijn rug. Het gebrokene, preekt hij op zondag, is de essentie van ons mens-zijn.

‘Waarom?’ herhaalt hij haar vraag. ‘Misschien was het een val waar ik in ben getrapt.’ Zijn vuisten zijn gebald, de knokkels wit. ‘Te denken dat er zoiets groots bestaan kan, en dat, als het bestaat, wij ermee kunnen spreken… Dat is al heiligschennis.’
Hij kijkt langs haar heen naar het raam dat zich achter haar bevindt en even denkt ze dat hij zal gaan huilen. Uit zijn gezicht is alle samenhang verdwenen. Heeroom Thomas, houdt ze zichzelf voor, heeroom. Maar hij heeft niet meer alleen de hemel boven zich, hij is een oude man en bang als alle anderen. Plotseling ziet ze dat: hoe het verval zich al een weg baant door zijn huid heen.
Ze wil hier weg, ze trekt haar jas al aan, maar als ze opstaat valt hij op zijn knieën. Ze denkt dat hij wil bidden. In plaats daarvan grijpt hij haar benen vast, zijn handen zijn sterk en zijn greep is verkrampt. Ze onderdrukt de neiging om hem los te schudden, van zich af te slaan omdat ook hij niet is zoals ze had gehoopt.
‘Alsjeblieft,’ begint hij, ‘alsjeblieft’ – maar ze kijkt op hem neer en ziet de beelden in haar hoofd, ze ziet de films en zichzelf daarin. Ze maakt een knoopje van haar blouse los en dan nog een, ze weet niet waarom. Moeizaam komt hij overeind. Zijn handen op haar huid zijn tastend als die van een blinde, ze zoeken niet naar haar maar naar iets anders dat zij niet bezit. Hij hijgt en ze durft niet naar hem te kijken. Ten slotte maakt hij een geluid dat op huilen lijkt, zijn greep verslapt en ze stapt achteruit. Ze slaat haar bontjas dicht, de stof is ruw tegen haar huid en heel even nog aarzelt ze, kijkt om. Midden in de kamer is hij blijven staan, zijn armen hangen zwaar naar beneden alsof ze niet bij zijn lichaam horen, hij beweegt zich niet. Ze zou iets willen zeggen, iets van afscheid of een groet, een afronding van wat dit dan ook was. Maar ze zegt niets, sluit met een klap de deur, loopt door de lange gang naar buiten. Daar begint ze pas te rennen. Ze rent om haar spieren te voelen, hoe sterk haar benen zijn, hoe prettig alleen al de beweging van het rennen. De knoppen aan de bomen staan op barsten.

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (word abonnee!). ‘Beesten’ verscheen in Revisor 11, in 2015. Destijds introduceerden we het zo: de beesten ja, die ‘zich verderop in de heuvels verscholen’, en dit is het verhaal van een ontmoeting met zo’n beest. ‘“Hallo vos,” zei ik heel zachtjes tegen hem.’

Ontmoeting, schrijf ik, confrontatie, bedoel ik. Het is fysiek, en pijnlijk, en achteloos verteld. Dat is de kracht van dit verhaal, dat Versteeg de strijd tussen mens en dier laat beschrijven aan een schrijver, wiens blikken en vingers terloops afdwalen. Hoe vertel je iets ondenkbaar gruwelijks, iets wat meer is dan zomaar een verhaal? Hoe vertel je het verder? Het kan op zeker drie manieren, en Versteeg slaagt.

*

Zodra Alix niet oplet excuseer ik mezelf. Goed gezelschap zijn is simpel zolang ik op het podium sta; het is pas tijdens de borrel daarna dat ik geen raad weet met mijzelf. Het duurt nooit lang voor ik mezelf begin te haten om de onzin die ik uitsla over schrijven, de clichés die als waarheid ontvangen worden. Sinds mijn eigen rijbewijs is ingetrokken moet ik de tijd zien door te brengen totdat Alix me naar huis brengt, maar zij heeft plezier in deze avonden, de zeldzame gelegenheden waarbij ze in het middelpunt van alle aandacht staat, echtgenote van de schrijver. Ik oefen in het niet aanwezig zijn, staar naar de tuin van de villa, sneeuw op de coniferen en de bomen daarachter, donkerder vormen in de donkere nacht. Het raam weerspiegelt het feestje binnen, schaduwen van onszelf bewegen buiten in de sneeuw.
‘Wil je wat drinken?’
Ik draai me om en zie een vrouw van een jaar of vijftig. Eerder vanavond zag ik haar binnenkomen samen met haar echtgenoot, een man met het verslagen uiterlijk van de gepensioneerde academicus. Mensen bezoeken deze avonden niet omdat ze geïnteresseerd zijn in mijn boeken, maar omdat er hier in de buurt niets anders te doen is. De vrouw keert terug met een fles en twee glazen, vult die bijna tot de rand en overhandigt me er een. Ik vraag me af wanneer ze zal beginnen over haar eigen ambities om schrijver te worden, wanneer ze zal opbiechten dat ze nog nooit een boek van mij gelezen heeft.
Ze zegt niets. Dus uiteindelijk ben ik degene die de eerste platitude uitbraakt over hoe mooi dit toch is, de heuvels, de besneeuwde bossen. Ze snuift.
‘Wil je een verhaal horen?’
Ook die vraag heb ik al te vaak gehoord, maar ik heb geen zin om mijn plek bij het raam te verlaten. Ik maak een vaag, nietszeggend gebaar, dat zij opvat als een bevestiging.
‘We wonen hier niet ver vandaan’, zegt ze. ‘We zijn naar het platteland verhuisd om de rust en de stilte, rond de tijd dat Joshua ging studeren. Het huis dat we kochten ligt afgelegen, de dichtstbijzijnde buren kilometers verderop. Vaak raken mensen teleurgesteld als ze uit de stad hier naartoe komen, missen de theaters, musea veel meer dan ze vooraf konden bedenken. Maar wij waren gelukkig. We wandelden iedere dag uren in de heuvels. We waren vastbesloten hier te blijven, oud te worden. Het wemelt van de herten hier, soms zie je vossen. Je vindt de afdrukken van wilde zwijnen en vaak als we hier wandelden vroeg ik me af welke beesten zich verderop in de heuvels verscholen. Ik stelde me die dieren altijd voor als vriendelijk, zoals de pratende wezens uit mijn oude kinderboeken.’

Ze zwijgt even, staart uit het raam.

‘Het was winter, er lag sneeuw zoals nu, een prachtige dag om te wandelen. Joshua was hier en de laatste paar kilometer liepen Erik en hij een eind voor mij uit. Sneeuw in een bos waar niemand komt is prachtig, de wereld zo anders, het enige geluid dat van mijn eigen voetstappen. Ik was niet verbaasd toen ik een vos zag, een stukje verderop. Zijn vacht stak helder oranje af tegen de sneeuw, het was een prachtig dier. Eerst dacht ik dat hij me niet gezien had. Ik stond heel stil, staarde naar hem en na een tijdje keek hij op.
“Hallo vos,” zei ik heel zachtjes tegen hem.
Alles was zo stil. Ik was dankbaar voor het moment, de schoonheid ervan.
Er bestaan plekken waar vossen brutaal zijn, zelfs huizen binnendringen, maar de vossen hier zijn schuw. Dit dier niet; het leek alsof er een elektrische schok door hem heen ging toen hij me zag. Toen kwam hij in beweging, rende niet van mij weg maar naar me toe.
Eerst begreep ik niet eens wat er gebeurde. Ik stond stil en wachtte, keek naar het dier dat op mij afstormde, zijn bek wagenwijd open. De vos maakte een keelgeluid tussen grommen en blaffen in, zijn oren lagen plat op de zijkant van zijn kop. Even was ik te verbaasd om te bewegen, toen begon ik te rennen. Terwijl ik rende bedacht ik hoe belachelijk het was om zo bang te zijn voor een vos, maar ik rende zo hard als ik kon. Het dier kwam snel dichterbij; nog voor ik me kon omdraaien viel hij aan. Ik trapte naar hem, maar hij was niet bang.
De vos had moeite om door de dikke stof van mijn skibroek te komen, maar het lukte hem wel. Zijn tanden zonken diep in mijn kuit. Ik struikelde, viel bijna over de vos heen. Terwijl ik viel lukte het me om het dier tegen de grond te duwen. Hij blafte, siste naar me, zijn nekharen recht overeind. Ik drukte hem met al mijn gewicht tegen de grond, maar ik wist niet hoe lang ik dat kon volhouden.
Ik schreeuwde.
Het geluid van mijn stem verdween in de sneeuw. Erik en Joshua waren waarschijnlijk al thuis en zouden me hoe dan ook niet horen. Het huis dat hier het dichtstbij was werd alleen in de weekends bewoond. De vos grauwde. Hij was veel sterker dan je van zo’n klein dier zou verwachten, worstelde als een bezetene om los te komen. “Erik!”
Er viel wat sneeuw van een tak, verder niets.
Ik was ervan overtuigd dat het dier me naar de keel zou vliegen zodra ik hem liet gaan. Hij zag er ziek en tegelijkertijd woedend uit, er was iets mis met zijn ogen. De hele tijd maakte hij dat keelgeluid, happend naar mijn wanten, zijn oren nog steeds plat tegen zijn kop. Ik probeerde hem te sussen, zachtjes tegen hem te praten. Het was zinloos. Het hele wezen van het dier, al zijn samengebalde energie was erop uit mij te verwonden. Uiteindelijk lukte het me om mijn telefoon te pakken en naar huis te bellen, de vos nog steeds tegen de grond gedrukt. Ik kreeg Josha aan de lijn, maar de verbinding was slecht en hij dacht dat ik een grapje maakte.
“Je moet opschieten, mam,” zei hij.
Ik wist precies waar hij stond, leunend tegen het fornuis, roerend in de pan chocolademelk die op het vuur stond. “Anders komt er een vel op.”
Erik mompelde iets onverstaanbaars op de achtergrond.
Ik stelde me de keuken voor: warm, goed verlicht, vriendelijk. Er waren alle dingen die we samen hadden uitgezocht, geblokte tegels op de vloer, het oude houten tafelblad. De wond aan mijn kuit bonsde als een bezetene. “Joshua, vraag papa. Neem iets zwaars mee om te slaan, een breekijzer, een hamer.”
Hij gnuifde. “Mama wil een breekijzer.”
Opnieuw Eriks stem, dringender nu. “Wat is er aan de hand?”
Ik herhaalde het verhaal. Hij zei dat ze zouden komen, dat ik rustig moest blijven. Inmiddels begon het te schemeren. Ik wachtte, terwijl ik de nek van het dier zo goed ik kon tegen de grond bleef drukken.’
Ze klemt haar beide handen om het glas terwijl ze praat, en ik bestudeer haar gezicht. Ik kan me haar niet voorstellen in gevecht met een wild dier en alsof ze voelt wat ik denk tilt ze haar jurk een stukje op, toont een groot litteken op haar kuit. Lacht spottend.
‘Ik weet niet hoe lang ik daar wachtte. De hele tijd voelde ik de wil van het dier, zijn pure haat. Ik wist niet eens dat dieren dat kunnen, haten, ik dacht dat dat iets voor mensen was. Uiteindelijk zag ik ze komen, Erik met Joshua naast hem, een ijzeren staaf in zijn hand. Ze wandelden heel rustig, versnelden pas toen ze me zagen.
“Gaat het,” vroeg Erik dom.
We wisten alle drie dat het dier dood moest, maar niemand wist hoe. Omdat we hier niet vandaan komen. Omdat we, anders dan onze buren, geen geweer hebben, altijd al tegen de oorlog waren. Maar als wij deze vos niet doodden zou hij zeker opnieuw aanvallen.
Erik staarde naar het breekijzer in zijn hand.
We kochten altijd biologisch vlees, met op de verpakking plaatjes van lachende koeien. Vliegen in de zomer brachten we een voor een naar buiten; het kostte zelfs moeite om een mug dood te slaan, als ik er ook maar even over nadacht. Joshua stapte naar voren, deinsde meteen weer achteruit toen de vos naar hem hapte.
“Ga maar weg,” zei ik. “Ik ben toch al gebeten.”
Hij stond daar als een klein kind, zijn handen hulpeloos langs zijn lijf.
Erik tilde het breekijzer op, alsof hij alleen wilde voelen hoe zwaar het ding was.
“Eén goede klap,” zei ik. “Eén klap op zijn kop.”
De vos worstelde harder nu, alsof hij begreep waar we het over hadden. Misschien begreep hij dat. “Sla dan,” zei ik tegen Erik. “Hard.”
Nog aarzelde hij, maar toen veranderde er iets in zijn gezicht en hij bracht het ijzer omhoog, toen snel naar beneden. Hij sloeg op het lijf van de vos, niet op zijn kop, waarschijnlijk omdat hij bang was mij te raken. Het dier schreeuwde, een bijna menselijk geluid. Het scheelde niet veel of hij had zich losgevochten.
Erik sloeg nog een keer. Weer krijste de vos. Hij worstelde om los te komen en ik leunde nog zwaarder op hem. Erik moest zestien keer slaan voordat het dier eindelijk opgaf. De laatste klappen kwamen op mijn hand terecht; in het ziekenhuis zeiden ze later dat de middenhandsbeentjes gebroken waren. Op dat moment wist Erik zelf niet eens meer wat hij deed, hij sloeg als een bezetene.
“Het is genoeg,” zei ik, voelde voorzichtig aan mijn kuit. “Je hebt hem doodgemaakt.”
Joshua hielp me overeind. De vos lag in de sneeuw, een bloederig hoopje vacht. “We moeten hem meenemen,” zei ik. “Hij moet worden getest.”
Erik stond nog altijd met het breekijzer in zijn hand, hij hijgde. We hadden niets om het dier in mee te nemen en dus trok Joshua zijn jas uit, rolde de vos daarin en gaf hem zo aan Erik. Ik hinkte naar huis, leunde zwaar op Joshua, Erik een stukje achter ons, in zijn armen dat zielige, bebloede lijf.’
Ze zwijgt.
Ik schenk ons opnieuw in. Achter ons hoor ik haar man met luide stem hetzelfde verhaal vertellen. ‘Dat beest grauwen als een bezetene en ik slaan, sláán!’
Ik ga met een vinger langs de ruggengraat van de vrouw, alleen om te zien hoe ze zal reageren. Ze reageert niet. Het is alsof we hier niet zijn, of niet zo dat het ertoe doet.
‘Zie je,’ zegt ze. ‘Ik hoef me niet meer af te vragen of er beesten zijn, verborgen. Ze zijn er, dat weet ik nu. Het is geen troostende gedachte.’
In de sneeuw buiten beweegt iets, maar als ik opkijk zie ik niets, alleen onze reflectie. Van de andere kant van de kamer wenkt Alix me om te vertrekken.
‘Wie was die vrouw,’ vraagt ze me terwijl we naar de auto lopen. Ik kijk achterom en zie haar naast haar echtgenoot, het gezicht afgewend.
‘Zomaar iemand,’ zeg ik. ‘Ik weet het niet.’
‘Jullie konden het zo goed met elkaar vinden.’
Ik haal mijn schouders op. De auto beweegt soepel door de heuvels, bomen aan beide kanten van de weg. Ik leun tegen het raampje en bekijk Alix’ profiel. Ze ziet er verdrietig uit; ik zou haar moeten aanraken.
In plaats daarvan schraap ik mijn keel.
‘Die vrouw vertelde een verhaal,’ begin ik, maak dan mijn zin niet af.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, en in totaal schreef ze tien bijdragen voor ons. Dit jaar publiceren we nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘Het ei’, uit het zesde nummer van 1993.

*

Ja, jij en geen ander; toe, dat spreekt toch vanzelf. Ben je niet altijd de enige die precies deze plaats bezet en een eigen gezicht geeft aan wat je ook ziet? – Zo stap je nu van je fiets af en kijkt nog wat beter: op het groen van het grasveld ligt een blauwgrijs ei. Het ei is klein met veel vlekken, je buigt je voorover en hoort verderop een onrustige vogel. Vast de vader, een merel. Wat doet dat ei in het gras?
Wie anders dan jij die daar meer van wil weten. Je zakt door je knieën en voelt met een vinger: het ei is nog warm. De geur van het gras, het geluid van de vogel, de kleur van het ei – hoezo wie anders dan ik. Iedereen die hier neerhurkt zou immers hetzelfde beleven, beeld, geur en geluid? Met pal in het centrum dit blauwgrijze ei, precies op de plaats waar nu het gevoel ontstaat dat het ei terug moet, in het nest van de merel. Iedereen zou dat voelen, het is niet meer dan een vaststelling zonder enig verband met karakter, verleden, of persoonlijke keuzes.
Maar als je nu in je tas naar een zakdoek graaft om het ei in te doen zodat het warm blijft, niet stuk gaat, dan duidt dat toch zeker op een heel eigen aanpak? Welnee, want zo hoort het, en er moet er toch één zijn die dit op zich neemt. Degene die nu de fiets tegen een boom plaatst, een voet op het frame zet, je rok is te nauw. De rok flink omhoog stroopt, de andere voet op het zadel plant en dan merkt dat de fiets in beweging komt, uit zichzelf rijdt hij weg. Hop gauw met een sprong terug op het gras; dit had je kunnen voorspellen, het zijn wetten van wielen en zwaartekracht. Wat je doet is wat iedereen zou verzinnen: het achterwiel in zijn rondgang blokkeren door een tak in de spaken. Opnieuw een voet op het frame en een op het zadel, de zakdoek met het ei houd je hoog in de lucht. De merel tiert het uit van ontzetting want zijn nest is vlakbij, ha ik rek me, het lukt – waarna de fiets door de druk naar achteren wijkt. Hij valt rammelend plat en daar zit ik scheef op het grasveld terwijl de zakdoek zich sierlijk, wijdopen en wit over het voorwiel drapeert.
Goed, zelfs de pijn die ik nu uit mijn dijbeen wrijf zou een ander evenzo kunnen hebben want ook dat is een wet, van hard tegen zacht; het had veel erger gekund. In elk geval laat de merel nu niet meer van zich horen, hij was meteen terug bij zijn nest; en terwijl ik tevreden tegen de boomstam zit zie ik de kastplank weer voor me met hele reeksen eieren, op formaat gerangschikt – blauw, blauwgroen, grijs gespikkeld, zelfs een kolibri-eitje zo groot als een erwt – die we lang geleden op watten bewaarden, mijn schoolvriend en ik. Maar een ei dat nog warm is leg je terug als je kan, en eens brak toen een tak af hoog onder zijn voet, ik depte de schrammen met een witte zakdoek. ‘Het had veel erger gekund.’
Kijk, daar zijn we: dus toch jij en geen ander. Alsof hier geen sprake was van een persoonlijke drijfveer, een verleden, een keus! Als een koekoeksjong nestelt de eigen ervaring zich overal tussen en maakt wat je ook doet ondergeschikt aan zichzelf: niet het blauw van dit ei maar het blauw in de reeks die je uit hebt geblazen; nietje val deze keer maar die andere val in een persoonlijk verleden. Ook de witte zakdoek is nu niet langer neutraal, hij dient als afspiegeling van die andere keer; wel, wat blijft er dan over aan beeld of beweging dat een zelfstandig bestaan heeft, buiten jou om?
– Dat zie je toch zo, hier. Deze slag in mijn fietswiel, als gevolg van de val met een tak tussen zijn spaken. Het geplette gras, de kras op de boomschors, de rode schram op mijn dijbeen. En hopelijk, later: de merel die nieuw uit het ei zal komen, en leert vliegen, en fluit.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, en in totaal schreef ze tien bijdragen voor ons. Dit jaar publiceren we nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘Handleiding’, uit het derde nummer van 1991.

*

Ik heb ze een beetje leren kennen, de dingen. Ze verbazen me nog steeds, met hun schijn van onmacht waar een wereld vol eigenzinnigheden achter schuil blijkt te gaan; maar hoe minder ik van ze verwacht, hoe meer ze ook mij in mijn waarde laten. Wat ik vroeger aanzag voor een moedwillig plan waarin stoplichten op rood sprongen juist als ik haast had, het deksel zich niet van een jampot liet draaien meteen al ‘s ochtens met de dag nog vol weerstand, of een kous een grillige ladder trok om een keurig tenue te kijk te zetten – dat komt me nu voor als natuurlijk en juist, als het recht van elk voorwerp op zelfstandig beleid.
Zo past in een fluitketel meer water dan in een theepot maar weer minder dan in de roodplastic emmer die voor de schoonmaak bestemd is; en ik leid daaruit af dat de theepot, ook al vanwege zijn breekbaarheid en verfijnd porseleinen voorkomen, een hogere status toekomt dan de emmer, van kunststof, of de aluminium ketel. Vandaar ook dat thee op waxine moet trekken, terwijl water lawaaiig op gas aan de kook komt; en een emmer van plastie verdraagt het vuilste sop want zodra je hem leeggiet is hij, glad als voorheen, elke inhoud vergeten.
Dit wijst op de mogelijkheid van een geheugen, bij voorwerpen, een geheugen dat nauw is verbonden met het materiaal waaruit ze gemaakt zijn. Hoe natuurlijker de grondstof, hoe sterker de herinnering: zachte wol onthoudt, hoe vergeefs ook, de eerste vorm van een trui die in de was is gekrompen, het porseleinen deksel van de theepot mist zijn ronding langszij sinds er een scherf vanaf sprong, en glanzend schellak zal nooit meer de kras vergeten dwars door de muziek heen die, amper begonnen, aan jouw woorden bleef haken. Alles heeft er nog weet van, op de dag af precies: hoe het klonk of eruit zag, hoe het heel was of mooi was vóór dat ene moment waarvan het niet meer herstelde.
Ik leef met ze mee, met de dingen; dat is alles wat ik doen kan. Ik houd rekening met de grenzen van hun aanleg en verdraagzaamheid en probeer mijn teleurstelling over een kras of een breuk zo goed mogelijk te verbergen. Want doe ik dat niet, dan zullen zij, op hun beurt, de aanklacht terugkaatsen: niet hun eigen aard en materie, maar mijn aandeel, mijn omgang is de oorzaak van alles. Zou ik daar op ingaan, wat blijft er dan over van hun moeizaam verworven zelfstandigheid? Nee, er is me veel aan gelegen ze de vrije hand te laten in een eigen beleid dat zich niets van mij aantrekt; al is het soms lastig genoeg om begrip op te brengen voor hun onmiskenbare neiging om zichzelf, of elkaar, het bestaan te bemoeilijken.
Op welke manier, bijvoorbeeld, is de theepot zijn scherf verloren, tegelijk met de knop die zijn deksel bekroonde? Doordat hij bij het opschenken plotseling te vol raakte: kokend heet water spatte naar links en naar rechts en de ketel, met schrik op het aanrecht beland, sloeg het deksel kapot dat daar wit lag te wachten. De knop bovenop schoot als een kogel door de keuken en hield zich weken lang schuil tot de stofzuiger hem weervond in een kinkelende dans op en neer door zijn chromen buis; maar van de scherf was nooit meer een spoor te bekennen, en langs het deksel dat hem nog altijd gedenkt loopt een rand die nu bijna zwart is van aanslag.
Natuurlijk, bij al deze gebeurtenissen – een kous die aan de stoelpoot haakt, een trui verkleind tot een kindermaat, een kras op de grammofoonplaat – kan ik mijn aandeel niet helemaal wegcijferen; maar hoe zou er van opzet sprake kunnen zijn wanneer de gevolgen mij, juist mij zo op de proef stellen? Ik immers ben degene die er steeds naar moet kijken, die er steeds aan moet denken en die alles onthoudt, het één na het ander. Maar misschien is me daarom ook gaandeweg duidelijk geworden dat het eerst en vooral de dingen zelf zijn die hun lot bepalen, ieder voor zich. Vervolgens richten ze zich op elkaar in een verstandhouding die blijkbaar zo veel te wensen overlaat dat ze in tal van eigenzinnige conflicten ontaardt; en pas daarna kan ik, als buitenstaander, mijn best doen om tussen het een en het ander op een zekere bemiddeling aan te sturen.
Een taak die overigens allerminst simpel is, want de vaardigheden waarop mijn omgeving me aanspreekt zijn van steeds wisselende, sterk uiteenlopende of soms zelfs volstrekt tegengestelde aard en het valt niet mee om zoveel strijdige eigenschappen beurtelings in mijzelf op te roepen, laat staan ze tot de gewenste verzoening te brengen. Enerzijds zijn er immers contacten die een bepaalde snelheid vereisen, zoals het afstrijken van een lucifer, het inslaan van een spijker, het opvangen van een vaas die dreigt om te vallen; anderzijds zijn er betrekkingen die alleen willen lukken wanneer ze zo traag en omzichtig mogelijk worden benaderd, zoals het afdrogen van porseleinen kommen of het repareren van een rafelig kraagje aan mijn mousseline blouse.
Vandaar misschien dat juist bij dringend verstelwerk – ik wil de blouse vanavond nog dragen, over een uur moet hij heel zijn – een draad eerst zal weigeren in een naald te gaan, de naald daarna keer op keer aan de draad zal ontglippen om zich in de plooien van de stof onvindbaar te maken, de draad dan, op zijn beurt, in knopen verstrikt raakt, waarna de schaar op de grond valt en de naald opnieuw zoek is.
Ik leid daaruit af dat de samenwerking tussen verschillende voorwerpen des te onverzoenlijker verloopt naarmate ze meer op elkaar zijn aangewezen, of zelfs bij uitstek voor elkaar bestemd lijken. Dit brengt hen tot een grillig gedrag dat zich echter op allerlei terreinen en bij iedere handeling in zoveel varianten bewezen heeft, dat zelfs de zorgvuldigste bemiddeling geen garantie kan geven op een gunstige afloop. Ik aanvaard het, of probeer me er bij aan te passen; maar het verbaast me nog dagelijks hoeveel moeite de dingen zich getroosten om elkaar, of zichzelf, de voet dwars te zetten. Want wat winnen ze bij al deze weerstand, wat kan hier hun voordeel, hun drijfveer zijn?
Wanneer de kousenlade niet open wil, blijken het altijd de kousen zelf te zijn die, schijnbaar weerloos in hun ragdunne voorkomen, als slangen in het mechaniek zijn gekropen met als enig gevolg dat ze nu zelf verstrikt en gevangen zitten; en de jam in de jampot die zijn kleefkracht gebruikte om het deksel klem te zetten heeft zich daarmee voorgoed onbereikbaar gemaakt, nog volop oranje maar zonder geur, zonder smaak. Of wat te denken van de spijkers die zich, de één na de ander, tegen mijn hamer te weer stellen net zo lang tot ze krom staan en weggegooid worden – waarom kiezen ze voor een dergelijk lot terwijl hun laatste opvolger nog jaren achtereen het schilderij mag dragen dat zo vrolijk vol kleur is?
Ik probeer hen te begrijpen: blijkbaar lopen de conflicten zo hoog op dat ze hun functie nog liever onklaar maken dan zich in dienst te stellen van een kunstwerk of blouse, in aanzien misschien voornamer dan zij. Ik probeer hen te behoeden: zo zorgvuldig mogelijk ga ik te werk want een spijker, een draad of de rand langs een deksel blijken in al hun bescheidenheid veel meer aandacht nodig te hebben dan ik voorheen kon vermoeden. Ik probeer ze te weerstaan, hun drift te voorkomen: want al verdient de hitte van water, de hardhandigheid van een fluitketel of de ijdelheid van nylonkousen amper mijn mededogen, hun straffen treffen me des te persoonlijker. Zelfs die roodplastic emmer, zo eenvoudig en glad – nooit zal ik vergeten hoe gewiekst hij me eenmaal liet struikelen en met zijn grauwe sop zowel het vloerkleed als mij volkomen doorweekte zonder enige aanleiding, zonder enig excuus.
Waarom gebeurt zoiets, van welke aard is de tweedracht die hier aan het licht komt? Want wat ik ook probeer, hoe omzichtig, liefdevol of beducht ik ook te werk ga, steeds blijken de dingen me te slim af te zijn, als goochelaars die het één vertonen om het ander te verbergen. Terwijl het niet eens nuttig is om mij zo te bedotten, niet nodig is om juist mij zulke lessen te leren over grillen en luimen, over redenen en regels die niet zijn te vatten. Juist ik immers weet al zo lang dat achter elke reden een andere schuil gaat, tot oneindigheid toe; reden na reden die, ook zonder opzet of eigengereidheid, alles voortdurend van aanzien verandert.
Want kijk hoe tussen ver en nabij steeds verschillen ontstaan in formaat en in scherpte; luister hoe anders de regen ruist op een boom of een boot of het steen van de straat. Zie hoe de lichtval met schaduwen schuift en hoe elke richting de ruimte wijzigt, de omtrek vervormt van wat je ook waarneemt. Geen tijdstip, geen standpunt dat het zicht niet verandert, geen aanblik die uit is op zijn eigen herhaling. En ik weet het al lang, ik wist het al jaren. Waarom went het dan nooit, waarom word juist ik zo voortdurend terechtgewezen, wat ik ook doe?
Hoe nieuw alles is, telkens weer, het scherpst nog als het gaat om bezigheden waarmee je allang op vertrouwde voet dacht te staan. Wil je het theelicht aandoen door een lucifer af te strijken, al sinds dertig jaar langs datzelfde doosje met de ranke vogel, dan blijkt het zwavel opeens in je oog te kunnen spatten – zo pijnlijk trefzeker dat het oog er op zijn eentje nog uren van huilt. Ook de stofzuiger is heus niet altijd zo goedgeefs en gedienstig als die enkele keer dat we samen een stuiter, een speld of de knop van de theepot opsporen; want het gretige lawaai waarmee hij een dunne kous in zijn slang gevangen houdt verhit hem zozeer dat hij afslaat, ten slotte, en mij een middag laat wachten voor we door kunnen gaan.
Je went nooit aan de dingen, ze verzinnen altijd iets nieuws; of iets ouds wordt herhaald met een ander doelwit, op een andere plaats, in een andere stemming. Ook en zelfs als het gaat om een gloednieuwe aankoop, een nuttig artikel dat zich misschien beter wil schikken vanuit een fris begin – ook dan zal de garantie die erbij wordt geleverd nergens borg voor staan, want geen toelichting of handleiding blijkt melding te maken van de strikt eigen mogelijkheden die elk voorwerp verbergt: niet de functies waarvoor ze in opzet bestemd zijn maar de talloze omwegen waarlangs ze, ieder voor zich, aan die opdracht ontkomen. Zo lees je op de verpakking van theelichten dat ze uit paraffine bestaan, acht branduren tellen en tevens geschikt zijn om borden te warmen; maar leer je eenmaal hun vermogen kennen om telkens opnieuw de dienst te ontduiken door in hun pit te verdrinken dan verandert je houding, en je tempert je aanspraken. Zodra het vlammetje sputtert en dooft zul je een deel van het kaarsvet, vloeibaar als olie, voorzichtig afgieten en je houdt er opnieuw een lucifer bij, soms drie keer per avond – bereidwillig, begrijpend, het hoort erbij naar het schijnt. Maar hoe komt het dat niemand je hierop voorbereid heeft, zodat je eerst af kunt wegen of je het wel aan wilt gaan?
Alleen soms, op bepaalde dagen, verloopt alles voorbeeldig. Het doosje met de vogel hoeft maar één enkele keer dienst te doen, de theepot mag stil op het licht blijven staan, en lang kan ik dan kijken naar het gele schijnsel dat zich rondom spiegelt in geslepen glas. Zo hoort het, denk ik tevreden, en zo gaat het ook soms. Als je er maar niet te vast op rekent.
Maar waarom zou het zo horen, wat weet ik daarvan? De beloften op de verpakking, de aanwijzingen bij gebruik – niet meer dan voorschriften zijn het, naar bestemming uitgevaardigd en door ervaring, blijkbaar, bevestigd. Maar wie bepaalt die bestemming? En wie had die ervaring, wetmatig, constant – wie beleefde ooit hetzelfde als wie dan ook anders? Wie beleeft zelfs ooit hetzelfde als hijzelf, bij herhaling hetzelfde: als een uitgediend voorwerp dat alleen nog in staat is zijn eigen handleiding op te volgen? Geen waarneming ter wereld die zich daartoe zou lenen, geen aanblik of toestand die daar genoegen mee neemt. Want niets herhaalt zich zo lang je het vrij laat; en je moet het wel vrij laten omdat elke verwachting de omgang klem zet, als een spaak in het wiel.
Natuurlijk, er is stellig een aantal verschijnselen waar je min of meer van op aan kunt. Het effect van water bijvoorbeeld, dat alles nat maakt – al geldt dit toch niet voor bepaalde dieren als zwanen en eenden, of voor een pan, een koekepan, die erg vet is geworden. Ook kan onderdompeling in water nu eens onaangenaam zijn en dan weer verfrissend; de ruiten kunnen er schoon van worden maar de vloerbedekking vuil als er een emmer op omvalt; en in een stopfles vol water zijn mijn glazen stuiters nu extra doorzichtig terwijl zes zilveren kogels, precies even groot, hun glans juist verloren door roestige aanslag.
En natuurlijk, opnieuw: de meeste van deze verschijnselen zijn stellig verklaarbaar, je leert ze op school al met nadruk kennen. Corrosie bijvoorbeeld, of dispersie van licht, of viscositeit, die verband houdt met vloeistof. Maar is die kennis nauwkeurig genoeg, behulpzaam genoeg bij wat je dagelijks meemaakt? Zo algemeen zal immers geen ervaring zich voordoen, net zo min als je een stad kunt beschrijven aan de hand van een landkaart: geen straat krijgt een naam, geen stoplicht een functie, geen bewoner verroert zich want gezien op die schaal is het enkel een havenstad gebouwd aan de oever van een brede rivier, en daar moet het bij blijven. Ook leer je over een stuiter hoe hij stil kan liggen als een dobbelsteen, over water hoe het ijs kan zijn, vast als het helderste glas. Graviteit misschien, aggregatie in fasen. Maar hun vaart en belichting, hun duizend ontmoetingen elke dag weer in alles wat wisselt en ze werkelijk aangaat, de stuiter, het water, het zilver, het licht – daar wordt niet van gerept want op die schaal kent het geen benadering.
Toch zijn er soms dingen, bepaalde verschijnselen, die hier geen aanstoot aan nemen. En het zijn niet de minste; ruim en weids als de wereld komt niets hen te na. Zo leerde je over de seizoenen, de wind en de regenboog dat hun vrijheid te groot is om zich aan iemand te storen, aan mij of een ander; ze zijn in alles alleen en wat ze ook aanrichten, steeds bieden hun wetten een afdoende excuus. Vandaar dat de sneeuw me ijskoud kan maken, de storm mijn paraplu kan meenemen en de regenboog veel te vroeg uit mijn zicht kan verdwijnen, zonder dat ik ze ooit op hun daden zal aanspreken: ze behoren niemand toe en zijn aan niemand verantwoording schuldig. Datzelfde geldt ook voor de zon en de maan, voor de doodstille sterren. Voor de hoogte van de bomen die mijn uitzicht bepalen, voor het verlies van hun bladeren elk jaar opnieuw en voor de traagheid waarmee de rivier daarachter op weg naar de zee stroomt zoals de meeste rivieren. Zelfs de stoplichten ginds bij de brug kunnen me nog zo vaak laten wachten, toch blijf ik steeds weten dat het geen opzet kan zijn want ook zij maken deel uit van een ruimer systeem dat in groen, rood en geel de hele stad overziet ongeacht wie er haast heeft, ik of een ander.
Maar hier, bij mij thuis – is het onredelijk om te verwachten dat de dingen zich hier enigszins om mij gaan bekommeren, of op zijn minst om elkaar, gegeven hun gemeenschappelijke ruimte en omstandigheden? Niets dat hier staat zonder mijn eigen tussenkomst; ik ben degene die het gekozen heeft, gekocht of gekregen, gezocht en gevonden, geplaatst of opgeborgen. Alleen ik ben de reden van alles wat hier is om zich hier te bevinden, alleen ik ben de oorzaak van elke betrekking: tussen de vaas en zijn bloemen, tussen tafel en stoel, ketel en aanrecht, zelfs de naald en zijn draad. Juist dit, juist hier, nergens anders hetzelfde; op de hele wereld zal niets op juist deze manier in onderlinge verbinding staan.
Hoe is het dan mogelijk dat de connecties zo haperen, of een willekeur tonen die me steeds weer verwart? Nu eens staat de theepot links, dan weer rechts in het kastje terwijl ik hem toch het liefst bij de soepkommen zie, eveneens porselein – je vindt hem wel terug, maar waarom op zo’n afstand? Eenmaal zelfs had hij zich tussen de levensmiddelen verschanst, een pak rijst op de voorgrond. Rijstkom en soepkom: was dat soms het raadsel dat ik op moest lossen? Het is waar dat je de kommen voor beide kunt gebruiken en dat de thee naast de rijst staat, met een soepblik vlakbij. Zou dat het zijn?
Op deze manier kan ik meer dingen begrijpen, al is het ook altijd pas achteraf. En misschien dat het houvast van handleidingen of wetten juist hier geen kans krijgt omdat het aantal keuzes te groot is, zo eindeloos groot; zoveel speelser bovendien, en zo veel willekeuriger dan ooit valt te voorspellen. Om die reden zal ik het ook zelf nooit leren want elke ervaring blijft steken in een eenmalig inzicht – op herhaling hopen is even onredelijk als van een goochelaar verwachten dat hij te pas en te onpas een horloge kwijt maakt, of bij elke gelegenheid zijn zakdoek ontvouwt in een spectrum van sjaaltjes. Hij deed het die avond, juist toen en juist daar onder betoverend lamplicht waar niets hem te na kwam; maar laat hem met rust als hij stil over straat loopt, thuis aan het raam zit en wil zijn als een ander.
Zo ook laat ik de dingen met rust, als het enigszins kan. Ze mogen zijn als de andere gelijksoortige dingen, in andere huizen door de hele stad heen: geen huis zonder een tafel, een leunstoel of ketel waarmee ze zich, soort bij soort, meer verwant zullen voelen dan hier bij mij met de rest van het huisraad dat ze omringt. Want hoe dicht ze ook in elkaars buurt staan, elkaar soms zelfs omvatten – wat heeft, niettemin, een kast voor verwantschap met serviesgoed of pannen, wat bindt een tafel aan een lamp, een theelicht aan een vaas met bloemen en wat heeft een lade voor kennis aan grillige kousen? Ze zijn hier nu eenmaal, ze kunnen niet anders en hoe minder je van ze eist, hoe beter ze zich schikken. Pas als je ze aanspreekt voor eigen gebruik, een beroep wilt doen op hun nut en hun functie – pas dan zullen ze, ieder voor zich, hun strikte voorwaarden stellen.
Met recht natuurlijk, en meer zelfs dan dat. Want steeds blijft voorop staan dat geen voorwerp hier ooit om mijn aanwezigheid vroeg; dat ik het alleen was die ze lukraak bijeenbracht, ze her en der weghalend uit winkels en warenhuizen alsof het alleen mij aanging waar zij zich bevonden. Is het een wonder dat ze dan op den duur genoegdoening eisen? Niets zo vanzelfsprekend als hun wens om, vroeger of later, begrip te ontvangen voor hun eigen lot, hun eigen verlangens en hun eigen regels van aard en van omgang.
Maar hoe kan ik hen begrijpen zonder te worden als zij, hoe kunnen wij, zij en ik, ooit tot een vergelijk komen als we onder zo volstrekt verschillende voorwaarden leven? Zij hebben immers, hoe ruim ook bemeten, een aantal wetten ter beschikking die hun broosheid, hun roest, hun inhoud of werking voldoende verantwoorden om zich achter te verschuilen zodra er iets mis gaat. Maar wat heb ik aan te voeren? Omtrek, gewicht, schaduw, beweging – wat ik ook voorstel, geen van mijn eigenschappen lijkt solide of vaststaand genoeg om partij te geven aan wat me omringt. Ze staan sterk, de dingen, en soms is het moeilijk ze niet te benijden om hun stille rechtmatigheid, hun zwijgende gelijk.
Te mogen zijn zoals zij, op gelijke voet. Een voorwerp, een werktuig – of, omdat ik nu eenmaal verplaatsingen aanricht: een toestel, beweegbaar, met als enig besef zijn ingebouwd voorschrift. Je beroept je uitsluitend op je eigen handleiding, en als het niet werkt kan niemand dat helpen, ikzelf nog het minst. Zoals het theelicht dooft, de spijker krombuigt en de lade klem zit zonder dat één van hen spijt toont of last krijgt van twijfel over zijn plicht en bestemming, zo kan ook ik elk voorschrift verzaken en elk aandeel ontkennen door op de grenzen te wijzen die mijn omgang beperken.

illustratie Hedda Martens, Handleiding, in De Revisor

Mijn opdracht negeren en doen wat ik wil, onberekenbaar, grillig, net zoals zij – heeft dat ons dichter bij elkaar gebracht? Soms ontstaat, hoe dan ook, op bepaalde dagen een zekere rust tussen mij en de dingen; geleidelijk perken ze hun eisen in, en we laten elkaar wederzijds begaan zonder veel te verwachten. Ik voor mij doe in vrijheid wat het meest in mijn aard ligt: ik zit op een stoel, ik loop door de kamer, ik kijk uit het raam naar de brede rij bomen en de rivier daar achter die naar het westen stroomt. Ik rook sigaretten, ik lees in boeken en wat ik ook doe of juist nalaat, het is niet aan mij om garanties te bieden op vaatwas, verstelwerk, het poetsen van zilver of het zemen van ramen want al deze functies betreffen een omgeving die, net zoals ik, zichzelf in stand houdt naar eigen voorschrift. Het stof dat zich gaandeweg overal aandient komt voort uit de kamer zelf; het vet op het fornuis is een gevolg van de boter; en de aanslag van rook die de lampekap geel kleurt kiest de sigaretten als oorsprong, niet mij die ze oprookt.
Probeer ik af en toe met spons of stofdoek toch nog iets om me heen op orde te brengen dan voel ik hoezeer dat als een gunst wordt beschouwd, een welwillende bijdrage aan wat de dingen nu eenmaal niet alleen afkunnen: de tafel weer glanzend, de stopfles met stuiters weer helder doorzichtig en de vaas met bloemen van vers water voorzien – dat stemt hen zowel als mij afdoende tevreden. En als ik wil luisteren naar mijn mooiste grammofoonplaat die zijn kras steeds zal koesteren ben ik bovendien wel bereid om, tegelijkertijd, het kraagje te repareren dat nog altijd niet hersteld is, al is daar geen haast bij. Maar er zijn nu wel grenzen aan mijn dienstbaarheid en die laat ik straf gelden, net zoals zij. Wanneer de rijgdraad blijft haken zal ik hem doormidden moeten knippen, voor deze een andere; en als de ene naald zoek raakt neem ik rustig een nieuwe, ook als de tweede naald wegraakt; tot drie keer aan toe. Het is mijn taak niet hun raadsels op te lossen, het is mijn zaak niet hun motieven te doorgronden net zo min als het hen aangaat waarom ik doe of juist nalaat wat zij, onderling, van mij verwachten. Wie nergens op rekent hoeft ook nergens aan te twijfelen; zoals ik dat van hen leerde zo leren zij het van mij, en we wisselen elkaar af als goochelaars die beurtelings voor het voetlicht treden, beleefd hun hoed lichtend wanneer de één de ander passeert bij het komen of gaan.
Zo kom ik ook de naalden weer tegen, twee van de drie, juist wanneer ik er het minst op reken. De één hangt onder mijn rokzoom, op zijn kop aan de draad als een knappe trapezewerker; de ander dringt zich, pas dagen later, schuin in de zool van mijn linker voet. Wat zit hij diep en wat doet het een pijn om hem eruit te trekken. Maar al blijf ik standvastig en weiger de redenen te zoeken die speciaal deze naald tot zo’n wraakneming brachten, toch is er een kans dat de derde hem navolgt en daar is, misschien, nog aan te ontkomen. Dus roep ik de hulp in van de stofzuiger die, luidruchtig als steeds, de vloerbedekking afspeurt met een vaart en een doortastendheid waar ik niet aan kan tippen. Het hele huis gaan we af, want geen plaats waar de naald niet zijn toevlucht kon zoeken – en wat een onverwacht feest voor hem en voor mij wanneer de knop van de theepot in zijn buis op en neer danst! Ook zelf begin ik nu een zekere voortvarendheid aan te nemen in korte, ritmische passen waar de linkervoet, ontsmet en verbonden, zijn wrok bij vergeet. Draagt hij niet dezelfde hechtpleister als de stofzuigerslang, stevig omwikkeld bij een gat in het rubber? Als we klaar zijn zet ik het toestel naast het aanrecht, maak een emmer met sop, flink heet uit de ketel, en klim op een stoel om de ramen te zemen; bedrijvig gaat mijn arm naar links en naar rechts met de regelmaat van een ruitenwisser. Ook de glazen lampekap wordt weer helder doorschijnend en het schilderij, de spiegel, de brede kozijnen krijgen alle een beurt van de emmer en mij. Steeds hoger wordt de snelheid waarmee ik van de ene bezigheid op de andere overschakel: stofdoek vol stof, raam open en dicht, stoel en tafel met boenwas; mijn hand tolt langs de poten, en een borstel als hulpstuk kent geen ogenblik rust. Mijn hoofd gaat gloeien, ik denk nu aan niets meer en niets denkt aan mij, ik ben één
en al vaardigheid, functie en nut. Wat een kans van bestaan, zo bruikbaar en proper; ik lijk wel electrisch, onslijtbaar, perfect. Tiktiktik, zes bleekwitte kommen op een rij naast elkaar, klap dicht gaat een lade, klak open een doos met zilverbestek. Zo, nu nog de badkamer, ik draaf langs de stofzuiger want hier is de dweil maar waar is die emmer o natuurlijk, of hoe – en daar lig ik, languit in een donkere plas die steeds groter wordt, breder wordt, verder kruipt, hier.
Het verband om mijn voet is nu nat als de dweil, nat als de vloerbedekking, grauw als het water. Ik kom overeind met bevende knieën, ga naar de slaapkamer en val op het bed, uitgeschakeld.
Maar tegen het eind van de middag verandert het licht, en de schemerige kamer laat de vlek op het kleed stilzwijgend passeren. Achter het raam staan de bomen roerloos, elke dag zie je hun takken scherper want dit is de tijd dat hun bladeren vallen in de rivier die ze meevoert. En de rivier stroomt naar het westen waar de zee op en neer gaat, niet uit zichzelf maar door wetten van elders die ook voor de wind zorgen, en voor het licht, en de warmte.
Zou ik dat weten als ik het niet geleerd had – zou ik het me zelfs maar hebben afgevraagd als het me niet was bijgebracht? Sommige dingen zijn zo groot dat je hoofd veel te klein is, andere dingen zijn zo klein, zo subtiel in hun redenen dat elke vraag die je stelt zichzelf overstemt.
Ik ruim de emmer op, de dweil, en krijg opnieuw natte voeten maar als de lamp aan gaat is de kap mooi helder, net als het vensterglas waarin hij zich spiegelt. En juist wat ik dacht: naast het theelicht bevindt zich de knop van de theepot, een verstandige plaats. Wat blijkt hij precies op het deksel te passen, alsof er nooit iets gebeurd is; zelfs de donkere rand van de scherf langszij is, wie weet, met wat moeite wel weg te krijgen.

Ik sta op, vul een soepkom of rijstkom met water en zit weer aan tafel om de bruine aanslag van het porselein te boenen – maar dan opeens, in het licht van de lamp, schiet langs een houtnaad een zilveren straal: daar is hij, de naald, de laatste die weg was. Even laat ik hem daar, want wat koos hij een betoverend, ragfijn schouwspel om zich kenbaar te maken; niet kwijt of lastig wilde hij zijn, alleen maar de mooiste van alle naalden. Ik knik met mijn hoofd om hem te begroeten en in wisselende vonken groet hij terug, zichtbaar/onzichtbaar in het licht van de lamp. Wacht, wat zou hij er van vinden als ik hem op mijn beurt nu eens liet zien… even denken, hoe ging het ook weer? Ik loop naar het aanrecht om mijn handen te wassen, zo moet je beginnen. Dan naar de grammofoon om de muziek op te zetten die jij bijna gehoord had; en terwijl ik rechtop sta en luister naar vroeger probeer ik me de schoolproef te herinneren die we een paar jaar geleden nog samen herhaalden. Zou de naald wel willen meedoen, zich niet opnieuw voor mijn plannen verstoppen? Maar daar is hij al, hij glinstert uitnodigend om zijn schuilplaats prijs te geven.
Ik zit weer aan tafel, haal het rooster van het theelicht en strijk met de naald langs het waxinekaarsje. Kaarsvet of braadvet dat doet er niet toe, je kunt beide gebruiken om iets niet nat te laten worden. Want nu volgt het moeilijkste, alleen hier kan het mis gaan. Op school ging het fout, met jou ging het goed, wat zijn nu de kansen in deze omgeving?
De witte kom water staat voor me op tafel, mijn hand zweeft er boven, duim en wijsvinger gestrekt; dan, snel, voorzichtig, uiterst snel en voorzichtig raakt de naald het oppervlak – en het lukt me, het is gelukt: ja kijk, hij blijft drijven. Traag draait de naald om zijn as, en zijn schaduw langs de bodem van de kom draait schuin met hem mee. Een grote schaduw, want hij ligt ingebed in het water volgens een wet die bekend is, en de geul die hem draagt maakt zich breed door het lamplicht. Ook de lamp zelf zie je aan het oppervlak weerspiegeld, bleek als de maan in een ronding langszij. Terwijl de naald verder draait, rustig op zoek naar een richting die vaststaat, laat de grammofoon op de achtergrond zijn eerste tikken horen, licht, regelmatig, ze storen ons niet. Dan houdt de schaduw stil, draait nog even terug, houdt stil en beweegt weer, houdt stil nu, voorgoed. Het punt dat hij zocht zonder het te weten, of het punt dat hem zocht zonder het te willen, ligt in het Noorden, oneindig ver weg. De naald, ragfijn, wijst er naar toe door het wit van de kom heen, door de wand van mijn kamer, de muur van dit huis; hij kruist de rivier en hij schiet langs de bomen, de daken, de wolken en dan door naar de sterren waarvan er maar één is die zijn bestemming gedenkt, zomer en winter. Ik draai de kom in mijn handen maar de naald blijft standvastig; ik steek een pink in het water om zijn richting te wijzigen maar hij keert weer terug, exact op dezelfde lijn als voorheen. Dan sta ik op, loop met de kom door de kamer, en draaiend om onze as naar oost, zuid of west tonen we elk voorwerp de kant die het opkijkt: de stoel, het schilderij, de kast en de theepot, alles neemt deel aan een rondgang en richting die pas van ophouden weet wanneer de muziek, die de maat tikt, haar eindpunt bereikt – de grammofoonplaat is afgelopen.
Nu trekt heel de kamer zijn cadans terug, de lamp schijnt helder en alles hoort samen, niets hoeft hier ooit nog van zijn plaats te gaan. Roerloos sta ik, gelijk aan de dingen. De tafel, de leunstoel, de maan aan het venster: ook mijn eerste bewegingen verstoren hen niet, stil als een schaduw. De kom in mijn handen leidt me naar het raam en ik zet hem op de vensterbank naast de stopfles met stuiters, het verst in de richting die de naald heeft gekozen.
Daar mag hij blijven, net zo lang als hij wil. Of zo lang als het kan – totdat andere wetten hem de roest leren kennen die, buiten elke wil om, zijn oppervlak aantast en zijn ranke gewicht in water laat zinken.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, en in totaal schreef ze tien bijdragen voor ons. Dit jaar publiceren we nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘Karakter’, uit het vijfde nummer van 1987.

*

Het aantal vragen waar je een antwoord op weet verschilt van dag tot dag: wat gisteren nog voor de hand lag – vraag en antwoord heffen elkaar op en laten je alle tijd voor belangrijker dingen zoals boeken, meningen, het laatste nieuws – kan vandaag, of morgen, de aandacht volledig komen opeisen.
Misschien ben je te frivool geweest, te luchthartig want dat komt wel voor, soms zelfs dagen achtereen. Lachen, grapjes maken, opinies ten beste geven – op het werk lijkt alles routine, je past in je functie als vingers in een handschoen: beweeglijk, paraat. Wat kan er nog mis gaan? En dan, na kantoortijd, met je fiets door de stad want natuurlijk zijn alle winkels nog open, melk, krakelingen en zelfs brood ruimschoots voorhanden. Ook de bloemenmarkt is op zijn mooist in de namiddagzon, je koopt er niet alleen het lichtste boeket maar ook een hele reeks kunstige prentkaarten en bovendien, wat een vondst, twee Japanse waaiers. Kleurige cadeautjes om ‘s avonds te versturen naar je beste vrienden, een gezellig plan. Je hebt immers alle tijd van de wereld en de slager, die Veenstra heet, haalt zorgzaam het vel van een plakje rookworst. ‘Voor onze trouwe klanten’. In de spiegel achter zijn rug zie je hoe hij het plakje uitnodigend boven de toonbank houdt, je hand reikt ernaar – en sierlijk doe je een pas opzij, zodat zijn witte jas jouw zwarte overdekt terwijl je met smaak in de worst hapt.
Slager Veenstra, de bloemenmarkt, bakker Maas: hoe ver ze tegenwoordig ook uit de route liggen, op dagen als deze zijn ze moeiteloos te bereiken en in het mandje voorop mijn fiets liggen de zakjes met hun vertrouwde namen in blauw en roze, beschut door een bos bloemen in geel, wit en groen.

Een vaas voor de bloemen, een trommel voor de krakelingen, een plastic doos voor het vlees – het spijt me haast de verpakkingen te moeten weggooien waarin bloemen, brood en koekjes zo vanzelfsprekend thuishoren; zo veel beter misschien dan hier. Alleen het slagerszakje mag een uitzondering maken, vriendelijk schemert het door het plastie heen.
Maar wat wilde ik eigenlijk met al die koekjes, zijn het er niet veel te veel? Ik zet de trommel op tafel en haal de ansichtkaarten uit hun enveloppe, spreid ze breed voor me uit. Mooie, kleurige prenten om graag naar te kijken, daar zijn ze voor. Ik leg ze op een rij, in een vierkant, een rechthoek en eet van de krakelingen, de een na de ander. Vind ik ze lekker?
Daarnet, op de bloemenmarkt, wist ik nog zo precies wie er met welke kaart bedacht zou worden, en waar de Japanse waaiers heen gingen – die moeten trouwens om te beginnen breder verpakt worden, anders is er geen plaats voor het adres en de postzegels. Maar hoe doe je zo iets: een waaier breed verpakken?
Ik haal het papier er af, vouw ze open en dicht, de ene is lichtgroen met zilver, de andere blauw met een berglandschap. Ik kijk er lang naar, vouw ze dicht en weer open, welke is de mooiste. En als er één de mooiste is (de groene) kan ik de andere dan nog wel versturen, op gelijke voet – wie krijgt de minder mooie waaier? Voorlopig kunnen ze misschien beter in de cadeaulade terecht; kijk, wat nemen ze weinig plaats in beslag.
Ik veeg de kaarten bij elkaar, klop ze rechtstandig in het gelid en leg ze weer uit. Mooie kaarten ja, een hele serie gelijksoortige, simpele afbeeldingen. Gelukkig is hier geen afweging nodig, elke prent is me even veel waard. De vraag is alleen hoe ze zich bij de verschillende vrienden moeten presenteren. Je kunt toch niet zo maar, zonder enige aanleiding, een plaatje opsturen en volstaan met een groet, plus de afzender?

Alleen bij jou ligt dat anders, want een grote tentoonstelling van dit werk hebben we indertijd samen bezocht – zoals we indertijd alles samen bezochten. Alleen aan jou zou ik zo’n kaart kunnen schrijven met enkel een groet, plus de afzender.

Ik ga met een hand vol koekjes bij het raam staan en bewonder het uitzicht. Mooi, ruim water waarlangs de bomen al donker worden in de schemering. Links is een brede stenen brug waarop juist de lantarens aangaan, twee bij twee.
Dat ik aan dit huis, deze buurt niet gewoon raak is dikwijls storend, maar dat het uitzicht niet went spreekt waarschijnlijk vanzelf: het is te mooi om te wennen. Het beweeglijke water, de zware vrachtschepen die op de brug moeten wachten; soms zijn het zo veel achter elkaar dat mijn hele raam er vol mee ligt, van rechts naar links. Nu passeert, in dezelfde richting, een rondvaartboot die in luide talen bespreekt wat ik zie. Van drie verdiepingen hoog vraag ik me af wat zij zien, hier: een menselijke gestalte, omlijst door een venter met blauwe gordijnen.
Of, bij de volgende rondvaart: een lamp die nu aangaat boven de tafel en met zijn huiselijk licht een bos bloemen beschijnt in wit, geel en groen.

De beste stemmingen zijn die waarin het antwoord de vraag niet alleen opheft, maar er zelfs aan vooraf gaat. Er is dan geen sprake meer van twijfel, overweging of keuze want er is maar één weg, en dat is de jouwe.
Op zulke dagen denk je, dat je karakter hebt. Nee je denkt het niet eens, het is er, alsof de omgeving er een dimensie bij krijgt: bevattelijk, transparant. Ook op het werk maakt de hang naar routine moeiteloos plaats voor zo veel aanspraak, zo veel hartelijke nuancering dat zelfs de meest zakelijke brieven een persoonlijke klank krijgen, de meest dorre vergaderingen een verrassende weerschijn.
‘Initiatief’ – dat is het woord waar het meestal om draait wanneer het antwoord er is zonder dat enige vraag zich heeft aangediend. Maar om het initiatief gaat het me niet; het gaat me alleen om de vrijheid, de rijkdom aan mogelijkheden. Waarom zou ik een keuze maken, een doel nastreven? Hoe kortstondiger het karakter, hoe geringer de neiging de omgeving er bij aan te passen.
Eerder geldt het omgekeerde: er heerst nu zo veel overeenstemming dat zelfs het kleinste voorval de allure krijgt van een persoonlijk antwoord. Het ene antwoord na het andere – je ontvangt het, je geeft het, je merkt niet eens of er verschil is tussen beide bewegingen. Nog vóór je je afvraagt wat er vanavond gegeten moet worden doet zich al de behoefte voor aan een stoofschotel uit de diepvries en je knikt goedkeurend: lekker makkelijk. Soepel klikt je ballpoint in en uit tijdens een voorname bespreking en telkens wanneer je iets op moet schrijven is de stand precies de juiste. De zon schijnt. Je ideeën zijn verfrissend, krijg je te horen. Wat wil je nog meer?
Je belt iemand op om een afspraak te maken en verheugt je omdat je het nummer niet hoeft op te zoeken; vaardig danst één vinger over de toetsen van de telefoon en in de hoorn beluister je het welluidende deuntje van zes tonen, iedere vriendschap een andere melodie. Soms ken ik ze allemaal uit mijn hoofd, een prachtig vermogen waarmee, de hoorn aan het oor, rhapsodieën van vriendschap zijn te componeren. – Soms ook zou ik zulke stemmingen niet willen kennen, om ze niet evenzeer te hoeven missen. Om niet evenzeer weet te hoeven hebben van het verschil – tussen de ene dag en de andere, tussen aard en karakter, tussen vraag en antwoord.

Op de tafel onder het lamplicht glanst de rij ansichten, breed uitgelegd als een bont kaartspel. Ik neem ze in mijn hand, de rijkste waaier, en trek de prenten één voor één te voorschijn: mooi, mooi, mooi. Laat ik ze nu snel even schrijven; vulpen uit handtas, agenda er bij – waar is de agenda?
Kou kruipt langs mijn rug, waar is die agenda. In rood leer gebonden een foto van jou in het binnenvak, citaten, boodschappen, adressen; mijn eigen naam en telefoonnummer. Waar heb ik hem gelaten? Bloemenmarkt, slager Veenstra, bakker Maas… maar nee, natuurlijk, ik heb hem vast op mijn werk laten liggen, dat gebeurt immers wel vaker. Juist op moeiteloze dagen als deze overkomt me zulk onbezorgd gedrag, slordig, lichtzinnig en ik lach er dan om: wat geeft het, er is altijd wel weer een oplossing te bedenken. Of nee, ik hoef er niet eens een te bedenken want de oplossing dient zich vanzelf aan, nog voordat het vraagstuk proporties krijgt – ook nu weer, natuurlijk. Ik sta op, struikel over de prullenmand, zet hem vaardig overeind en neem plaats bij de telefoon, in een comfortabele leren fauteuil. Wat ik zal doen is mijn beste vriendin bellen; wij staan elkaar zo na dat ons adressenbestand vrijwel identiek is, en de paar mensen waarin we ons onderscheiden komen dan morgen wel. Ik zet het toestel op mijn knieën, pak de hoorn van de haak en draal met mijn wijsvinger boven het toetsenbord. Zeven; ja natuurlijk, zeven. Zeven – zes… zeven zes wat? Zeven zes twee? Of was het twee zes zeven? Zeven zes twee zes zeven, dat zal het zijn. Nee, dat kan niet, dan kom je één cijfer te kort.
Ontsteld kijk ik naar mijn wijsvinger, de nagelrand, het maantje, de geplooide huid bij de gewrichten. Wat kun je dat goed zien opeens. Wat zie je alles goed opeens: de nagel, de lamp boven de tafel, de prullenmand waar een prop naast ligt. Zo helder en scherp. Zo helder en scherp als de tonen die nu, misschien al een tijdje, uit de hoorn komen: nijdig in je oor, tuut tuut tuut.
Het geeft niet, straks komt het wel weer terug, de vertrouwde melodie van dit telefoonnummer, ooit komt het wel weer terug. Je kunt de adressen ook morgen schrijven, met je eigen agenda die immers gewoon op je bureau ligt te wachten. Zeker ligt hij daar, je zal zien. Morgen.

Die bloemen staan daar mooi, in hun vaas, maar er is iets aan de schikking dat niet helemaal klopt. Wat klopt niet? Alsof ze met te veel zijn, te dicht bij elkaar. Alsof er een kartelrand langs loopt, vlak onder die lamp – veel te schel lijkt het wel, veel te wit, als ijzer.
Met stevige passen loop ik er op af, en ritselend schiet de papierprop voor mijn voet weg – wat een schrik. Ik leg één arm om het boeket heen en probeer het met de andere hand wat op te schudden, losser te maken. Maar dan houd ik het opeens hoog tegen me aan, het is uit de vaas geglipt en de druipende, verstrengelde stelen maken mijn trui nat. Een lila trui van zacht mohair, met schulpranden langs hals en polsen; nu ik, op weg naar de keuken, de ovalen gangspiegel passeer zie ik hoe de kleur van de trui bij de bloemen past. Een bruid in pastel: ze staat even stil om koket over haar schouder te kijken. Je ziet de witte gymschoenen niet, noch de druipende stelen die aanstonds, bij een ronde glazen vaas, korter kunnen worden afgesneden.
Terug in de kamer, onder het lamplicht, laat de heldere vaas de stelen goed zien: iets uitvergroot, alsof ze kunstig in het glas zijn vastgegoten.
Zo, lijkt dat niet veel beter? Ik pak de prop op, mik hem achteloos in de prullenmand en zit weer aan tafel om kaarten te schrijven aan mijn vrienden. Die adressen komen morgen wel, en de vriendin die ik wilde bellen krijgt nu het allereerste bericht. Een eenvoudige zaak, want vanzelfsprekend gaat het om de ansicht die bovenop ligt.

Hoe je je woorden kiest, elke vriendschap voorzichtig om en om draait tot er een facet opblinkt waaraan je een gedachte, een waarneming opdraagt: een klein, kleurig divertimento dat de saamhorigheid bevestigt. Het kunnen verschillende gebeurtenissen zijn, elke ansicht een ander voorval; maar het kan ook dezelfde gebeurtenis zijn, telkens iets anders gesteld, getoonzet. Als een muzikant passeer je hun huizen, je wacht in het portiek tot de deur open gaat en speelt dan het deuntje waar ze misschien, voor zo ver je ze kent, heel even om zullen glimlachen. ‘Een aardige geste’.
Bij de vierde kaart begin ik aan mijn mouw te plukken, een lila pluis die steeds groter wordt. Hoe ver kun je gaan in wat je hun voorhoudt? Zo ver als zij je kennen, en jij daar weet van hebt. Maar vanaf welk moment begint die connectie te haperen en zal men, aan de andere kant van de deur, zijn wenkbrauwen fronsen: ‘Wat bezielt haar?’
Het transparante en toch zo onbuigzame kader waarbinnen je je eigen aard hebt opgezet – sommige dingen zeg, schrijf, doe je niet. Jij niet. Meer dingen misschien dan je zelf weet. De hoge toon van ingezonden brieven, de uitgelatenheid van een strandfeest, een flinke fietstocht in Duitsland, de maskerade van het carnaval – als ik daarmee de achterkant van deze kaarten vulde dan zou de afzender voor hen een vreemde zijn, vermomd als een ander. Eens waren die keuzes nog vrij, althans zo leek het, je kon alle kanten op; maar gaandeweg sluit het zich toe, steeds meer mogelijkheden raken buiten begrip. En je wilt het zo, je wilt niets liever dan dat: een omschreven, herkenbaar karakter.
Zodat een vriendin, aan de telefoon, haar geestdrift kan delen: ‘Ik dacht meteen, dat is nèt iets voor jou. Je moet maar gauw gaan kijken, jouw maat is er vast nog wel bij.’ – Het ging over de trui die ik aan heb en ze had gelijk, ik draag hem nu geregeld. Maar wat bracht haar op het idee, hoe wist ze dat, nog eerder dan ik zelf?
Die dag immers was ik gekleed in een mouwloos grijs vest met een riempje op de rug: een herenvest, dat van de blouse daar onder een overhemd maakte. – Kon die trui werkelijk iets voor mij zijn, zou ik hem nemen? Zo’n smaakvolle winkel ook, een trui heette er jumper, een jurk chemisier… Om nog even over mijn keus te kunnen weifelen ging ik een koffiehuis binnen en schoof bij aan de leestafel. Tegenover me zat een man in een vest als het mijne maar dan waardig, correct: het bijpassende jasje hing over zijn stoelleuning en voor hem, op tafel, lag een breed opengeslagen dossier waarin hij met een viltstift gele banen trok. Werkzaam, accuraat – af en toe, als ik opkeek van mijn geïllustreerde tijdschrift, zag ik hem fronsen, de tekst in zijn map beviel hem blijkbaar matig. Aantekeningen met een dun potlood, een blocnote waar in één ruk een vel werd afgescheurd… een markant karakter, besloot ik, daar stond hij voor.
Toen schoot opeens een prop over het tijdschrift, stuiterde tegen mijn vest en kwam tot stilstand naast een glanzende modefoto. Verbaasd keek ik op maar mijn overbuurman excuseerde zich heftig: dit was absoluut niet zijn bedoeling geweest, de prop was bestemd voor de asbak, tussen ons in – waarna hij twee extra koppen koffie liet halen en me later, toen ik opstond om de trui te gaan kopen, hoffelijk in mijn jas hielp.
Ladylike – dat was het gevoel dat hij me toen gaf en nog steeds geeft, want soms zien we elkaar weer: ladylike. Zal ik hem een ansicht schrijven over de prullenmand die omviel? Nee, liever niet. Hem zal ik een kaart schrijven over de kaart zelf; over de drukletters die in de afbeelding verwerkt zijn. Dat past goed bij zijn bezigheden, voor zo ver ik die ken.

Wat we elkaar toeschrijven, over en weer, hoe we elkaar met eigenschappen bekleden – maar misschien is dat ook wat je doet met je eigen bestaan, als een oester zijn schelp. Elke vraag krijgt het parelmoer van een antwoord, wordt overgeschilderd met antwoorden: de keuzes die je maakt of nalaat te maken, de gewoontes die je aanneemt, de toon die je voorstaat. Waar anders komen ze uit voort dan uit de wens het aantal vragen in bedwang te houden, het aantal mogelijkheden overzichtelijk? Een betrouwbare omgeving, daar gaat het om.
Jouw pasfoto in mijn agenda, de agenda op mijn bureau, het bureau op mijn werk. Geen kwestie van dat zo’n agenda kwijt zou zijn. Dingen raken niet kwijt, dat heb jij me vaak genoeg verzekerd; ze bevinden zich altijd wel ergens. Alleen niet altijd meer bij mij.

Ik houd de lila pluis op mijn hand en blaas hem zachtjes weg. Zachtjes, zachtjes dwaalt hij boven de tafel, boven de bloemen en daalt daarop neer, vederlicht.
Ik sta op, er moet eten gemaakt worden. Met een zucht sluit het deksel over de koektrommel, luchtdicht.
illustratie Hedda Martens, Karakter, in De Revisor

Een betrouwbare omgeving: op den duur raak je aan alles gewend. Ik loop naar de hoge ijskast die ik samen met deze kamers gehuurd heb, evenals het fornuis, de gangspiegel, de kapstok, het bed. Het zakje van slager Veenstra, roze geblokt, knistert vriendschappelijk wanneer ik het open maak. Er zit een karbonade in, ik bekijk het stuk vlees aandachtig. Een veeg blauw van het keurstempel langs de brede vetrand, een dieprode plek bij het bot; flink bot zit eraan, dat voel ik wanneer mijn wijsvinger er langs drukt. Misschien beter om deze maaltijd nog wat uit te stellen; tot morgen misschien. Waarschijnlijk heb ik te veel krakelingen gegeten om zo’n stevige karbonade voldoende te kunnen waarderen – het vlees gaat weer in het zakje, het zakje in de doos, de doos in de ijskast. De deur dicht, zwaar als een brandkast.
De radio staat aan maar een vast pianoprogramma laat nog even op zich wachten, en terwijl ik voor de gangspiegel mijn haren borstel klinken uit de kamer de zware slotaccoorden van een opera. Applaus nu, een overweldigend applaus; mensen die Bravo roepen, begeesterd door een beroemde sopraan. Ze moet keer op keer terugkomen en het publiek roffelt, fluit, is verrukt van haar optreden.
Ook dat zal ik nooit uitdragen: de extase van een operaliefhebber. Met de borstel boven mijn hoofd, onbeweeglijk, luister ik naar de kreten, het stampvoeten, de milde stem van een omroeper die spreekt van een onvergetelijke uitvoering.
Je luistert er naar, je verneemt het, maar het zal nooit dichter bij je horen, je hebt er geen deel aan. Zoals de exotische talen die mensen soms spreken in de stad, een café, in een film: je had er veel meer van kunnen weten, een hele gemeenschap vol stijl, gratie en levenslust had je omgeving nu misschien dagelijks opgevrolijkt als je je er tijdig op had toegelegd; en wie weet kan dat nog steeds. Maar je doet het niet. Je doet het niet omdat je hecht aan de antwoorden die je kent – je hebt er lang genoeg over gedaan om ze uit te zoeken, bij te houden, betrouwbaar te maken. Net zo lang tot je er van op aan kunt.
Toch vraag ik me af wat ik nu, over de tafel gebogen, aan de ansichtkaarten zie: de kleuren lijken niet helemaal meer te kloppen. De kleuren niet of de vormen niet? Er is iets wonderlijks mee, alsof ze afstand willen nemen, elkaar niet meer willen aanraken. Die kleuren zijn te sterk, ik zie het – te vlak eigenlijk, de reproducties zijn minder goed dan ik dacht. Natuurlijk, daar komt het door, gek dat me dat niet eerder is opgevallen. Als bewijs zal ik er de catalogus bij leggen, van die tentoonstelling indertijd; daar is stellig wel een aantal van deze prenten in afgedrukt. Ik loop naar het eind van de boekenkast, bij het raam, buk me, en vind geen catalogus.
Ach wat onnozel om dat te vergeten, vanzelfsprekend vind ik hem niet, tijdens de verhuizing hebben jij en ik immers besloten om die catalogus bij jou te laten. Misschien heb ik ook te veel naar de kaarten gekeken en moet ik ze nu wat rust gunnen. Het kan heel goed zijn dat de kleuren morgen, bij daglicht, hun schrilheid verzachten en me weer even passend, even betrouwbaar voorkomen als vanmiddag nog, bij de bloemenmarkt.
Kijk hoe buiten, op het water, een rondvaartboot als een lampion door het donker glijdt. Zo donker al, zo laat al. Zou ik kans zien om nu naar beneden te gaan, rustig alle trappen af om bij de voordeur de krant uit de brievenbus te halen? Het avondblad, een glas wijn en mijn favoriete programma vol lichte, vriendelijke melodieën op de radio: dat moet toch een aantrekkelijk vooruitzicht zijn.
Ik tik de lila pluis van het boeket en hij valt niet, hij zweeft. Zwevend belandt hij op de verwarming, danst weer omhoog, daalt neer… ik verman me, stap op de deur af die leidt naar het gemeenschappelijke trapportaal en knip het licht aan. Spierwit licht waarvoor je terugdeinst. Dat kan ook niet anders, zo wit. Ik waad er door heen, op mijn gymschoenen, met wijde armen; de marmeren gang, het marmeren trappenhuis, opnieuw zo’n gang, de ren naar de buitendeur, krant van de mat en dan snel weer omhoog, de leuning haakt aan mijn mouw, ademloos: daar zijn we weer, op het nippertje. Deur dicht, sloten erop, klik klik en klak. Uitblazen in de hal met de kapstok. Ik kijk opzij, naar de ovalen spiegel, dan recht voor me uit, de kamer in. Ik loop, heel voorzichtig. Heel voorzichtig nu.
Wat is hier aan de hand? Ik sta stil in het centrum, de krant iets geheven, wat is hier aan de hand. Het licht van de lamp op het brede boeket, het donkere raam dat blinkt, nee spiegelt. De heldere muziek. De kaarten op tafel, gekleurd in een rij… de glazen vaas links. Wat is hier aan de hand? – De dunne muziek. De kaarten op tafel. Het licht, zo licht nu – wie is er om dit nog te zien.
Het is hier, voor altijd, in glas gegoten. De stelen in water, zo scherp en helder. In glas gegoten.
Ik sta heel stil, de krant iets geheven. Nog nooit heb ik zo stil gestaan.

Wanneer smelt het los, wanneer zet je je eerste passen: de ene voet, de andere. Witte schoenen met veters, de veters in lussen. De mouw van een lila trui, geschulpt bij de hand die de krant nu op tafel legt. De muziek verspreidt zich, ijl en berustend.
Je schuift de kaarten opzij, vouwt de krant uit en kijkt lang naar de voorpagina, het laatste nieuws.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, en in totaal schreef ze tien bijdragen voor ons. Dit jaar publiceren we nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en bij gelegenheid daarvan hernemen we haar vroegere verhalen. Dit is ‘De zaalwacht’, uit het vijfde nummer van 1985.

*

Bedachtzaam heeft de bibliothecaris zijn overjas tot de hals toe dichtgeknoopt. Met opgeheven kin duwt hij twee vingers tussen kraag en adamsappel en blijft een paar tellen zo staan, alsof hem plotseling iets te binnen schiet; dan draait hij zich aarzelend om en begint aan zijn avondronde. Af en toe trekt hij een doekje uit zijn jaszak en wrijft ermee over een tafelrand, het etiket van een archieflade, de houten ribben van een vitrine. Hij tast langs de smeedijzeren grendels van de bibliotheekramen: het achterste is vanmiddag een uurtje open geweest. Geruisloos wordt een stapel boeken van de tweede vensterbank overgebracht naar de derde en een grote enveloppe verhuist van de derde vensterbank naar zijn kantoortje – een lange wandeling over de hele lengte van de bibliotheekzaal. Ten slotte beweegt hij zich in de richting van mijn zitplaats en fluistert of hij een moment mag storen: wat volgt is het rituele, maar dringende verzoek om bij het weggaan alle lichten te doven en de benedendeur goed dicht te trekken. Terwijl hij zich omdraait steunt zijn hand even op het tafelblad; een dubbele trouwring glanst in het schijnsel van de lage lamp die hij een kwartier geleden behulpzaam heeft aangeknipt. Elke tafel telt drie van zulke lampen, hun gedraaid houten voetstuk onzichtbaar verankerd.
Gedachtenloos volg ik zijn stille gang door de schemerige zaal. Onder de grootste vitrine, die van de paradijsvogel, staat zijn geruite boodschappentas. Hij bukt zich, neemt de hengsels bij elkaar en trekt terwijl hij zich opricht nog eenmaal het doekje uit zijn jaszak. Hij ademt op het vitrineglas en poetst; even siddert de exotische vogel tot in zijn lange staartveren. De bibliothecaris wijdt een laatste, zoekende blik aan het plafond, waar een grillige vochtplek al wekenlang zijn dadenloze zorg wekt. Dan verdwijnt hij in het portaal – het grauwe doekje is op de vitrine blijven liggen. Traptreden kraken, het ganglicht klikt aan en uit, en met een slag valt de buitendeur in het slot. Ik weersta de aandrang om op te staan, naar het raam te lopen en hem zo lang mogelijk na te zien.

Zodra meneer Hohlenfeld dit negentiende-eeuwse gebouw, eens eigendom van een voornaam Zoölogisch Genootschap, verlaten heeft krijgt de stilte die in de bibliotheekzaal heerst een ander karakter: nadrukkelijk, ongevraagd. Soms komt het me bijna impertinent voor, dit roerloos, geluidloos vertoon waarmee de strenge voorschriften van de bibliothecaris juist tijdens zijn afwezigheid in acht worden genomen; zijn gefluisterde verzoeken, geruisloze tred en bezwerende inspanningen hebben een dergelijk optimaal effect nooit teweeg kunnen brengen. Misschien dat hij daar ook zelf een vermoeden van heeft en zich daarom zo dikwijls in zijn kantoortje terugtrekt, de deur omzichtig gesloten.
Hij is hier bibliothecaris, conservator en zaalwacht; drie onderscheiden functies waarvan hij de laatste evengoed, of mogelijk zelfs beter, kan overlaten aan bijvoorbeeld het grijsstenen borstbeeld van Linnaeus, nu een imposant silhouet tegen het nog halfverlichte middenraam. Diens koele, laatdunkende contrôle werkt dwingender op het plichtsgevoel dan de verstolen inspectietochten waaraan meneer Hohlenfeld zich op gezette tijden te buiten gaat: elke blik die maar even afdwaalt naar het middenraam wordt door Linnaeus’ strenge voorkomen onmiddellijk op de boeken teruggedrongen, terwijl de onnavolgbare rituelen van de bibliothecaris juist door hun aanspraak op onopvallendheid alle belangstelling naar zich toezuigen. Als ordebewaker wint het stenen borstbeeld dus op punten; daarbij is het altijd aanwezig, dag en nacht, en het bekleedt die positie al gedurende 147 jaar, pal en onwrikbaar in zijn historische superioriteit. – Mogelijk is deze kille concurrentie zelfs rechtstreeks verantwoordelijk voor de enige nalatigheid die meneer Hohlenfeld zich in zijn functie van zaalwacht en conservator veroorlooft: al zijn inspectietochten beginnen en eindigen bij het middenraam, maar nog nooit heeft hij juist daar zijn doekje te voorschijn getrokken om er Linnaeus’ torso mee af te stoffen – met als gevolg dat de grote geleerde, wanneer de zon door het venster valt, een wat pluizig en zelfs bijna sjofel voorkomen krijgt.
Natuurlijk zou de bibliothecaris zijn mededinger gemakkelijk kunnen overtroeven wanneer een redelijk aantal bezoekers gebruik kwam maken van de faciliteiten die deze zaal te bieden heeft: de aangename stoelen bijvoorbeeld, twintig in totaal, zitting en rugleuning met leer overtrokken; de gepolitoerde tafels, hoog en solide op hun massieve bolpoten; het zachte lamplicht in de schemering – en de rust uiteraard: de gedempte stilte die alleen af en toe verstoord wordt door het rinkelen van een tram buiten of het toeteren van een vrachtboot verderop, bij de brede betonnen opklapbrug.
Maar bezoekers zijn hier zeldzaam, zeldzamer haast dan de folianten en plaatwerken in de hoge kasten, of de paradijsvogel in zijn vitrine, of het enkele poststuk dat bij aankomst eerbiedig in ontvangst wordt genomen om dan, schijnbaar voorgoed, naar meneer Hohlenfelds kantoortje te verdwijnen. – En wie al het voornemen had deze bibliotheek aan te doen zal daar door verschillende oorzaken moeilijk in slagen; niet alleen wordt de voordeur veiligheidshalve altijd op slot gehouden en vereist het een zekere doortastendheid om ongevraagd de bel te gebruiken, maar vervolgens is het klingelen van de koperen schel hierboven ternauwernood hoorbaar. En ten slotte bleek het negentiende-eeuwse bord met de naam van het Zoölogisch Genootschap, waaruit men het bestaan van de boekerij op eigen gelegenheid dient af te leiden, onlangs spoorloos te zijn verdwenen – zorgvuldig verwijderd, met schroeven en al. Meneer Hohlenfeld laat het maar zo: ‘Wie ons niet vinden kan heeft ons te weinig gezocht,’ schijnt zijn enige commentaar te zijn geweest toen hij van het vergrijp op de hoogte werd gesteld. Hemzelf was de verdwijning hoegenaamd niet opgevallen.
Mocht een enkeling echter toch nog door weten te dringen tot deze naar boenwas en naftaline geurende bovenzaal dan blijkt er niet zelden een vergissing in het spel te zijn: ‘We dachten dat hier zoveel natuurboeken waren.’ Dat dacht meneer Hohlenfeld ook; maar vragen over zeehondjes, LeRoytuinen en safariparken brengen hem in grote verlegenheid. Een verlegenheid die wederzijds wordt wanneer hij, ‘met dank voor Uw welwillende belangstelling’, de misleide bezoeker met zachte drang op het gastenboek wijst: bedremmelde handtekeningen op grote vergeelde bladzijden die met inktpotlood in kolommen verdeeld zijn. Beroep, Woonplaats, Doel van Uw komst, Opmerkingen.
Breed opengeslagen op een speciale lessenaar bij de deur biedt het gastenboek in één oogopslag het overzicht van drie jaren al dan niet welwillende belangstelling, en wie terugbladert naar de eerste pagina’s komt uitsluitend nog sierlijk schuinschrift tegen, de inkt lichtbruin verschoten en het ‘Doel van Uw komst’ met uiterste precisie omschreven. ‘Inzage van Gesner 1551, Historia Animalium, betreffende de Olifant.’ ‘Aldrovandi, enkele van de magnifique houtsneden bij de uitgave 1637, Bononiae.’ ‘Dodoens en Fuchs over den Smeerwortel.’ – In die tijd, vlak na de oorlog, zijn bezoekers eveneens schaars, maar aanzienlijk doelgerichter; men komt dan nog uit alle delen van het land en de faam van de bibliotheek blijkt zelfs internationaal te zijn. Misschien was dat mede te danken aan de toen nog in de benedenzaal ondergebrachte collectie geprepareerde dieren en planten die evenals een keur van ethnografica, curiosa, mineralen, schelpen en fossielen, sinds lang uit het gebouw is verdwenen: het Zoölogisch Genootschap telt al sedert 1937 geen leden meer en bestaat alleen nog voort in de naam en de geschiedenis van haar boekerij. Ook de vermelde exemplaren van Gesner en Aldrovandi heb ik hier vergeefs gezocht, maar volgens meneer Hohlenfeld is die leemte slechts tijdelijk. Een twintigtal al te kostbare werken is ooit door de gemeenteuniversiteit onder speciale beveiliging gesteld, en pas wanneer de bibliothecaris een ‘plan voor adequate maatregelen’ heeft goedgekeurd zullen de kostbare folianten naar hun oorspronkelijke adres terugkeren. – Waar dat plan ook uit moge bestaan, kennelijk kan het meneer Hohlenfelds instemming nog altijd niet wegdragen, terwijl uit het gastenboek valt op te maken dat sedert mijn eerste aanvraag al negen jaar – twee bladzijden terugslaan – verstreken zijn.
Een plan voor adequate maatregelen – erg vertrouwenwekkend klinkt zo’n formulering dan ook niet, zeker niet in de oren van de bezorgde bibliothecaris. Elke maatregel zal immers onherroepelijk gepaard gaan met wijzigingen in de bestaande toestand en het lijkt vanzelfsprekend genoeg dat hij, als conservator, daar moeilijk zijn goedkeuring aan kan hechten. Veranderingen die zich zijns ondanks voltrekken – de vochtplek tegen het plafond, het weghalen van Aldrovandi en Gesner, de verdwijning van het naambord bij de straatdeur – zijn van een andere orde en vervullen hem met een afwezige berusting, zoals hij ook nooit zal klagen over de kou in de winter, of over het stof dat elke dag opnieuw over de paradijsvogelvitrine neerdaalt. Maar de mogelijkheid dat hij persoonlijk zou bijdragen aan welke ingreep dan ook is, zowel door zijn functie als door zijn karakter, per definitie uitgesloten. – Bovendien blijken latere edities van de in beslag genomen boeken soms nog wèl voorradig, en wie de plaat wil zien waarop rotganzen, in verschillende stadia, als amandelen aan de bomen groeien om ten slotte overrijp van de moedertak in het water te plonzen kan evengoed een wat fletser uitgevallen herdruk raadplegen. Ook de ontwikkeling van schubvis tot bisschop, van mossel tot eend en van meelbaal tot muizenfamilie bleef door die vroege decennia heen onaangetast; als bewijs daarvan wees meneer Hohlenfeld me op bepaalde eigenaardigheden in het zetsel, benadrukte ligaturen of juist ontkoppelingen die hem ook bij de zeldzamer druk waren opgevallen en beschaamde daarmee mijn onberedeneerbare verlangen naar een oertekst, waarin zulke verfijningen immers moeiteloos aan me voorbij zouden zijn gegaan. Met welk recht zou ik hem ooit mogen aanzetten een ‘plan voor adequate maatregelen’ goed te keuren terwijl hij zijn verloren bezit zo oneindig veel genuanceerder moest missen? Misschien was zijn afzijdigheid wel de enige mogelijke houding, zoals bij het Salomonsoordeel de werkelijke moeder haar kind liever afstond dan het onder de strijd te zien lijden.

Aldus leiden de wiegedrukken van het Zoölogisch Genootschap elders een beveiligd bestaan en zijn de schelpen, mineralen, curiosa en ethnografica, preparaten en opgezette dieren over het hele land verspreid geraakt; maar de bibliotheek is zichzelf volmaakt gelijk gebleven. Bijna anderhalve eeuw lang is geen stoel vervangen, geen tafel verschoven, geen kast, schilderij of vitrine van positie veranderd. Nooit heeft de stoffige Linnaeus een ander overzicht gehad dan hij nu heeft, en al kon meneer Hohlenfeld niet verhinderen dat de benedenzaal werd leeggehaald en vergrendeld of dat het incunabelenkabinet nu alleen nog maar een paar opgerolde gravures herbergt, toch is het aan het beleid van de conservator te danken dat het borstbeeld zich zelfgenoegzaam kan blijven koesteren in zijn versteende heerschappij.

Ik huiver, het wordt kouder hier; het is koud voor de tijd van het jaar. Maar als ik nu opsta om in het kantoortje van meneer Hohlenfeld de thermostaat bij te stellen – een vernieuwing die zich van gemeentewege heeft voltrokken terwijl hij, een maand lang, onopgehelderd verstek liet gaan – dan is de kans groot dat die op zichzelf zinvolle handeling wordt gevolgd door een reeks van steeds minder verantwoorde activiteiten, aflopend van koffiezetten, handen wassen en boterhammen uitpakken tot ongericht rondwandelen, boeken uit kasten halen en weer terugzetten, voor het raam staan staren of zelfs het doekje van meneer Hohlenfeld zoeken om er een paar versgevallen stofpluizen in op te vangen.
Niet dat een dergelijk gedrag per definitie onaanvaardbaar zou zijn, want onder bepaalde omstandigheden is er wel degelijk iets voor te zeggen; wie bij voorbeeld uren achtereen hard gewerkt heeft kan zich geen betere ontspanning wensen. Maar dezelfde handelingen die na gedane arbeid zo’n verdienstelijk effect hebben zijn voor iemand die nog niets heeft uitgevoerd betekenisloze afleidingsmanoeuvres: ongeoorloofd uitstel, vacuumgezogen tijd. Dus wrijf ik in mijn handen – een gebaar dat op werklust zou kunnen wijzen maar in dit geval bedoeld is om verkilde vingers wat soepeler te maken, wie weet zal dan ook mijn pen met wat meer gemak door de te redigeren tekst heen glijden – en buig me opnieuw over mijn werk: een stapel gortdroge, wijd uiteen getypte bladzijden, her en der geperforeerd door een al te daadkrachtig aangeslagen o.

‘Carolus Linnaeus en de Taxonomie.// Zoals in het voorafgaande werd uiteengezet73 ontleende L. zijn achternaam aan de lindeboom op het erf van zijn voorouders. Bovendien hebben twee uitheemse lindes hun naam aan hem te danken: de T. Europaea of Corinthische linde74 en de T. Americana. Hieraan kunnen wij illustreren dat, anders dan bij mensen, bij planten en dieren de verwantschapsnaam voorop staat, in dit geval T., voor Tilia. (Bladen scheef hartvormig, bloemen in bijschermen, de vrucht doorgaans een éénhokkig nootje.)// Van soort naar geslacht, van geslacht naar orde, van orde naar klasse: een zogenaamd viertrappig stelsel, dat wij in deze vorm aan Linnaeus te danken hebben, al treffen we het ook al bij Aristoteles aan (384-322 v.Chr.). Elke soort krijgt een technische beschrijving die uit twaalf woorden bestaat – polynomie geheten – en een naam die uit twee woorden bestaat, het tweede een specificatie van het eerste: dit noemen wij binaire nomenclatuur. Een en ander werd door Caesalpinus en Bauhin, Rivinus en Tournefort75 al eerder voorgesteld, maar juist Linnaeus wist er ten volle gebruik van te maken. De beroemde geleerde baseerde zijn botanische systeem op de sexualiteit van planten, zodat hier sprake is van een kunstmatig stelsel76. Ditzelfde indelingsprincipe was een kwart eeuw voordien al door de Tübinger arts Camerarius (1665-1721) beschreven, zoals blijkt uit diens brief “Over het Geslacht der Planten”77 waarin hij een uitvoerige uiteenzetting geeft over de eigenschappen der meeldraden.’

illustratie bij Hedda Martens, De zaalwacht, in De Revisor

(…) Acht pagina’s verder heeft deze betoogtrant me allengs van elke gedachte beroofd en komt mijn pen alleen nog in beweging om het kwistige spoor van noottekens, als kilometerpaaltjes langs de regels uitgezet, stelselmatig te schrappen. Nadenken is daar allerminst bij nodig want ik schrap in commissie: de uitgeverij die mij al jaren van soortgelijk thuiswerk voorziet verbiedt elke voetnoot, omdat een breder publiek erdoor zou worden afgeschrikt.

Maar bij doorlezing van het lijvige ‘Aanhangsel’ dat deze auteur desondanks, en ongenood, heeft samengesteld blijken de verhoudingen verwarrend genoeg precies andersom te liggen: zo dor en slaapverwekkend als zijn eigenlijke artikel is, zo levendig en kleurrijk zijn de toevoegingen die in het driemaal zo omvangrijke notenapparaat geopenbaard worden. Het is alsof elk van deze verguisde verwijzingen – de nummers (100) tot en met (109) met een ovalen gaatje in het midden – heimelijk een luikje opent waarachter telkens weer een ander tafereel voor het voetlicht treedt. Soms een tableau vivant van touwtrekkende achttiende-eeuwse geleerden, soms een stilleven van een vrucht of een bloem, Linnaea borealis, met de tederste precisie omschreven; soms ook een aanhef of zinswending uit de zorgzame correspondentie van een uithuizige botanicus, in een verre streek op zoek naar zeldzame gewassen. – Dit mag niet ongelezen blijven; het is meer dan de uitgever zich wensen kan. Maar hoe ik ook heen en weer blader van Aanhangsel naar artikel en van artikel naar Aanhangsel, nergens doet zich een mogelijkheid voor om het één probleemloos in het ander te laten overgaan – de voetnoten fungeren als grensgetallen tussen twee nauw verwante, maar onverenigbare werelden. Om vergelijkbare redenen laat een camera zich niet in een fotoalbum plakken of een stel breipennen zich niet in een wintertrui verwerken; al zijn ze nog zo op elkaar aangewezen, een stijlbreuk houdt ze onherroepelijk gescheiden.
Desondanks lees ik met bijna opgetogen aandacht verder. Leek het oorspronkelijke artikel me soms uren per hoofdbrekende pagina te kosten dan ben ik nu al ongemerkt op de helft gekomen van dit aanzienlijk omvangrijker Aanhangsel, waarin de gedrevenheid van de auteur toenemend tot uitdrukking komt doordat niet alleen de o, maar ook de d, de p en de b steeds vaker geperforeerd raken. In noot 77 wordt over Cameriarius, professor aan de universiteit van Tübingen, verteld dat hij zich

‘verdiepte in de eigenschappen der meeldraden, die men voordien beschouwde als uitscheidingsorganen waardoor “zaken die voor de plant verkeerd waren” werden afgevoerd. Bij nader toezien, aldus de hoogleraar, lijken zij echter veeleer “een soort vaten of kapsels (te) zijn, met stof gevuld… Dit stof is wat de neus geel kleurt als men rozen of lelies ruikt”.’

Ik lach zachtjes en kijk prompt waakzaam om me heen, maar de zaal rust roerloos in het lamplicht en Linnaeus blikt strak in de verte.

‘Camerarius besluit vervolgens de “stofvaten” weg te halen, onder andere bij de hop, het bingelkruid en de wonderboom, maar komt tot de ontdekking dat na die behandeling aan deze gewassen geen zaden ontstaan: “Een bewijs hoe nadelig dit wegnemen, dit verlies, voor de plant was”.’

Ik leun achterover, noot zevenenzeventig; ik hoef al niet eens meer in het artikel op zoek te gaan om te weten hoe streng ook deze toevoeging ter plaatse van de hand zal worden gewezen. – Wat is er met deze auteur? Wat beweegt hem om een ongewenst notenapparaat alles mee te geven wat zijn officiële bijdrage ontbeert?
Ook de andere medewerkers aan dit omvangrijke boek in wording – twee voor de zoogdieren, een voor de vogels en een voor de koudbloedigen – hebben bewerkelijke manuscripten ingeleverd die soms zelfs zozeer in gebreke blijven dat alleen hun verplichte anonimiteit misschien nog als een excuus kan gelden. Maar waar de vier anderen een voor de hand liggende gemakzucht vertonen, zich uitend in een slordige stijl, onvolledige informatie, een ordeloos betoog of zelfs rechtstreekse onjuistheden – voorzover ik daar zelf achter kon komen – ligt het probleem bij deze auteur (Geschiedenis der Biologie) juist andersom: zijn informatie is hypercorrect, zijn stijl overbezorgd en zijn ordening onbetwistbaar. Bovendien is hij de enige die al zijn werkstukken voortijdig heeft ingeleverd, de enige ook met bronvermeldingen, voetnoten, citaten; en de enige ten slotte, met wie ik me op geen enkele manier raad weet.
Ik zucht, maak een stapeltje van de tien plus dertig onverenigbare papieren en klop ze rechtstandig tegen het tafelblad – waarop een sneeuw van uitgeponste ovaaltjes de vrijheid kiest en geluidloos in een kring om mijn zitplaats neerdaalt. Ik zucht opnieuw en sta op. Nu zal ik dan toch het doekje van meneer Hohlenfeld moeten pakken om de witte confetti van de vloer, de stoelen, de tafel, de boeken te vegen. Het raam gaat moeilijk open, maar ten slotte waaieren de snippers breed uit over de donkere straat, als vuurvliegjes in het matte lantarenlicht. Ik sluit het venster en kijk een tijd lang moedeloos naar buiten; zelfs voor een gang langs de boekenkasten ontbreekt elke drijfveer en het beste kan ik maar wat koffie gaan maken, mijn handen wassen, een boterham eten. Ik passeer Linnaeus en blaas, steels maar krachtig, het stof van zijn stenen aangezicht.

Het raamloze kantoortje van meneer Hohlenfeld is overvloedig gemeubileerd maar biedt nauwelijks een bruikbare zitplaats, de eikenhouten bureaustoel van de bibliothecaris uitgezonderd. Een sleetse sofa, erfstuk van het Zoölogisch Genootschap, heeft al zoveel steun van de zijmuur nodig om zichzelf staande te houden dat het tactloos zou zijn hem op zijn oorspronkelijke functie aan te spreken, en het pluche tabouretje dat tussen een vitrine met zeldzame vlinders en een zware kast vol oude natuurkundige instrumenten staat komt al evenmin in aanmerking, omdat het meestal schuil gaat onder een wankele stapel boeken en papieren. Meneer Hohlenfeld vertoont dan ook niet de minste neiging om zijn kantoortje als ontvangstruimte te gebruiken: het is zijn eigen, vensterloze privéruimte waarvan de intimiteit nog wordt benadrukt door de verstolen aanwezigheid van een klein tafeltje, bedekt met een geblokte handdoek waarop koffie- en theegerei, een busje cacao en een rood koekblik staan uitgestald.
Toch heeft juist dat tafeltje me het privilege bezorgd hier ‘s avonds naar believen binnen te lopen, de lichten aan en uit te doen en zelfs openlijk op meneer Hohlenfelds bureaustoel plaats te nemen.
Toen ik indertijd alle moed bij elkaar raapte en op deze zijdeur klopte om de bibliothecaris in gedempte maar dringende bewoordingen uit te leggen dat het werk waar ik al een half jaar lang dagelijks mee op de leeszaal zat nooit tijdig af zou komen wanneer ik niet ook de avonden tussen zijn boeken door mocht brengen, was ik voorbereid op een omslachtige en vergeefse discussie. Vandaar dat zijn onverschrokken toestemming me aanvankelijk in grote verwarring bracht; zelfs van bedenktijd wilde meneer Hohlenfeld niet horen. Hij zag het, zo zei hij, als zijn plicht om ‘elke gewetensvolle arbeid waar de boekerij van het Genootschap toe bij kon dragen naar vermogn te bevorderen’ en meende aan mijn inzet en zorgvuldigheid niet te hoeven twijfelen ‘gezien wij U al bijna een decennium lang onder onze trouwste bezoekers mogen rekenen’. – Beschaamd liet ik zijn wellevende betuigingen langs me heen gaan: hij moest eens weten. Het niveau van de natuurboeken die ik hier in serie geredigeerd heb zou zijn goedkeuring immers ternauwernood kunnen wegdragen, terwijl ook mijn inzet en zorgvuldigheid de laatste tijd ernstig te wensen overlieten. De neiging was groot hem dit alles ademloos op te biechten, maar hij noch ik zou daar in het minst bij gebaat zijn en gelukkig kon ik me al wat minder bezwaard voelen toen de bibliothecaris bij nader overleg fijntjes onthulde dat hij, ter bevordering van zijn nachtrust, altijd een late wandeling maakte die hem vanzelfsprekend langs dit gebouw voerde zodat er ‘geen kwestie was van enige extra inspanning of verantwoordelijkheid.’ Bovendien had ik zijn sluitingsceremonieel intensief genoeg gadegeslagen om hem verbaasd te doen staan over zoveel kennis van zaken; werd zijn nachtelijke contrôlegang daar nog aan toegevoegd, dan leek er niets meer mis te kunnen gaan.

De eerste avond draalde hij echter uitzonderlijk lang bij het weggaan; hij vergrendelde de deur van zijn kantoortje met uiterste nauwkeurigheid en deelde me herhaaldelijk mee hoezeer hij vertrouwde op onze bijzondere overeenkomst. Maar toen hij om een uur of negen verontschuldigend langskwam (‘ik dacht, wellicht kan ik U alvast helpen met afsluiten’) schrok hij zichtbaar van mijn zilverkleurige thermoskan die, naast een boterhampakje, nieuw stond te glanzen op een stapel naslagwerken. – ‘Ach, als U eens van de schade wist, de schade die boeken kan worden aangedaan.’ Schuldbewust beloofde ik hem tot driemaal toe alle etenswaren voortaan buiten de bibliotheekzaal te gebruiken, maar waarschijnlijk was mijn taal te nadrukkelijk, of de thermoskan te opzichtig, om meneer Hohlenfelds onrust te bezweren. Er leek geen andere oplossing dan mijn tas maar meteen in te pakken, de naslagwerken terug te zetten en de bibliothecaris naar buiten te vergezellen om daar, onder zijn persoonlijk toezicht, de voordeur te vergrendelen. Toen de mij toegewezen sleutels, conform onze afspraak, rammelend in de brievenbus verdwenen waren vroeg ik beklemd of hij nu later op de avond nogmaals deze wandeling ging maken. ‘Jazeker,’ antwoordde hij met een lichte buiging, ‘ik heb U daarvan verteld. Het is een gewoonte – een laatste groet, zou men kunnen zeggen… Toe, maakt U zich vooral geen zorgen,’ voegde hij daar nog, onverwacht vriendelijk, aan toe.
Maar ik maakte me wel zorgen. Toen hij de tweede avond niet verscheen bracht ik mijn tijd voornamelijk door in werkeloze afwachting van zijn komst, vol zelfverwijt over de tweestrijd waaraan hij nu stellig ten prooi zou zijn; en ook de derde avond dreigde in vruchteloze twijfel te verlopen. Juist zat ik echter met brood en thermoskan op de bovenste traptrede en overwoog mismoedig dit hele experiment maar meteen op te geven om meneer Hohlenfeld van alle extra verantwoordelijkheid te bevrijden toen, bijna tot mijn opluchting, de buitendeur zachtjes van het slot werd gedraaid en zijn vertrouwde stappen naar boven kwamen. Hij hield een in krantepapier gewikkeld pakje onder zijn arm en klemde dat, omhoog kijkend, plotseling steviger vast. Daarop knikte hij beheerst, liet zijn blik met enige schroom langs de thermoskan, het broodpakje en mijn schoenen glijden en schoof zijdelings langs deze uitstalling heen: ‘Neenee, blijft U gerust zitten.’ – Maar enkele ogenblikken later hoorde ik een zwaar, rinkelend geluid waaruit viel op te maken dat zijn kantoorsleutel, die achter de paradijsvogelvitrine hing, hem uit handen geglipt was – en dit leek me het sein om te besluiten dat het zo niet langer door kon gaan.
Morgen, meteen morgen zou ik de uitgeverij om uitstel vragen; een voorstel dat weinig kans van slagen had – de verschijningsdatum van het boek was onverbiddelijk verbonden met de opening van een belangrijke tentoonstelling – maar dat toch, vanavond al, als argument zou dienen om meneer Hohlenfeld van zijn kwellende verplichtingen te ontslaan. Mij restte alleen nog een tweede bezoek aan het gewijde kantoortje – en de voorbereiding van een tweede betoog, waarin opluchting en dankbaarheid overtuigend de hoofdtoon moesten voeren.
Toen werd er voorzichtig op mijn schouder getikt; ik schoot overeind en keek betrapt achterom. De bibliothecaris was, geluidloos als altijd, naderbij gekomen en zond me een zeldzame glimlach toe: ‘Schrikt U toch niet! Ik wil U alleen maar vragen me even te volgen. Dit is immers geen doen, zo-’ met een bijna komisch gebaar vatte hij het picknick-tafereel op zijn bibliotheektrappen samen. Vervolgens, hoffelijker dan ooit, introduceerde hij me met onweerstaanbare precisie in de geheimenissen van zijn kantoorruimte. Hij wees op de lichtknopjes, verklaarde de werking van het waterkookapparaat, deed de bus met poederkoffie open en dicht; en ten slotte, uitnodigend op een grote doos suikerklontjes tikkend, droeg hij me op hem eerlijk te beloven hier in het vervolg mijn avondpauzes door te brengen: ‘Dat zal Uw werk stellig ten goede komen.’ – We spraken af dat de volgende ochtend, om elf uur precies, een praktijk-demonstratie zou plaatsvinden. Ik mocht daarbij vanuit zijn bureaustoel toekijken, en bij die gelegenheid gebruikten we voor het eerst in negen jaar gezamenlijk de koffie.
Sedertdien komt de bibliothecaris ‘s avonds nog geregeld langs. Maar ook dat blijkt een bestaande gewoonte te zijn, waarmee hij allerminst de bedoeling had me ‘in ongelegenheid te brengen’.

Niet, dat in het kantoortje van meneer Hohlenfeld géén boeken te vinden zouden zijn. Integendeel, ze staan in rijen, pakken en stapels, soms met touwen bijeengebonden en soms door briefjes of kranten in series gescheiden op elke denkbare plaats opgesteld: laag langs de lambrizeringen, hoog op de archiefkasten, blokvormig tussen de poten van de vlindervitrine, schuin tegen de sofa en zelfs half verborgen onder de overhangende handdoek van het theetafeltje. Maar ‘de schade, de schade die boeken kan worden aangedaan’ valt hier lang niet meer te vrezen: ze is al sinds jaar en dag een voldongen feit, en geen aantasting, kwetsuur of schending lijkt aan deze doorleefde verzameling te zijn voorbijgegaan. Respectabele folianten liggen scheef uit de band of worden als bundels oud papier door een elastiek bijeen gehouden, klassieke ruggen zijn gebarsten, opengeklapt of helemaal weggeraakt zodat de ribben als rupsen van touw beschamend bloot liggen; goudbedrukt leer is verdoft, gescheurd en verkleurd, eeuwenoud perkament is gevlekt en kromgetrokken; zeldzame gravures zijn losgeraakt, gekreukt of verdwenen. Hier valt al evenmin iets aan te verergeren als te verhelpen, en het raamloze kantoortje van de bibliothecaris fungeert hooguit nog als een laatste toevluchtsoord voor een massa ontluisterd drukwerk waarvan de gemiddelde leeftijd zo’n honderdvijftig jaar moet zijn. Een overvol lazaret, een knekelhuis misschien wel – maar meneer Hohlenfeld zal nooit in staat of bereid zijn dit laatste oordeel onder ogen te zien, laat staan de consequenties ervan ten uitvoer te brengen.

De tijd dat hij nog brieven deed uitgaan, smeekschriften op den duur, om restaurateurs, musea, binders, nutsbedrijven of fondsen voor zijn zorgenkinderen te interesseren is sinds lang voorbij. De Universiteit wilde nog wel een paar al te unieke patiënten onder haar hoede nemen maar die heeft hij dan ook niet weergezien, en wat overbleef is kansloos, omdat de kosten de baten nimmer meer zullen dekken. Dus verbergt hij de deerniswekkende slachtoffers van een tijd waarin de bibliotheek nog veelvuldig maar oncontrôleerbaar bezocht werd in zijn besloten kantoorruimte, en behoedt ze aldus voor de blikken van gezaghebbende curatoren die hun ‘plannen voor adequate maatregelen’ immers roekeloos met het begrip ‘saneringen’ in verband brachten. ‘En bij saneringen,’ verduidelijkte hij tijdens onze tweede koffiepauze, ‘worden tal van belangeloze voorwerpen aanstonds verwijderd; ze heten uitgediend en nemen dan, zegt men, enkel nog plaats in beslag… maar hier niet, begrijpt U?’ – Een hoekig armgebaar voltooide zijn bekommerde uiteenzetting. ‘Hier staan ze hoegenaamd niemand in de weg.’

illustratie bij Hedda Martens, De zaalwacht, in De Revisor

Dat laatste is niet onverdeeld waar; aanvankelijk kost het de nodige moeite om, zonder struikelend en stotend nog meer letsel aan de al zo beproefde boekenstapels aan te brengen, de zes en een halve meter af te leggen die, vanaf de deuropening, rechtsaf bij de vlindervitrine, tussen het fysisch kabinet, de archiefkasten en het brede bureau door naar de theetafel voeren. Zelfs meneer Hohlenfeld blijkt zijn routes niet altijd even feilloos te kiezen, temeer daar de strategie van zijn looppaadjes dikwijls ontregeld raakt door eigenhandig aangerichte verplaatsingen en verschuivingen waarvan hij, op zoek naar iets onverwacht belangwekkends, het blokkerende effect niet voorzien heeft. Maar ook dan, wanneer hij zijn enkels of schenen zichtbaar pijnlijk bezeerd heeft, gaat zijn aandacht eerder uit naar de toestand van de getroffen boekwerken dan naar zijn eigen kwetsuur – hoewel ik hem éénmaal zijn linkervoet op zo’n onvoorzien obstakel heb zien zetten terwijl hij met een vertrokken gezicht zijn wreef betastte en zelfs een lange, bruine schoenveter losknoopte.
De route waarop ik ben aangewezen is dan nog redelijk begaanbaar, temeer daar de bibliothecaris er speciale zorg voor draagt op het laatste gedeelte, tussen bureau en theetafel, een breed parcours vrij te houden voor zijn verrijdbare bureaustoel waaronder drie onberekenbare wieltjes zitten. – Ik knip een perkamenten wandlampje aan en licht het deksel van de electrische waterketel die, zoals altijd, al voor de helft gevuld blijkt te zijn. Het is voldoende om de stekker in het stopcontact te steken en dan ruim geduld te oefenen tot de ketel, tikkend, ploffend en rumoerend tegen decennia van gestage kalkafzetting, zijn taak volbracht heeft.

illustratie bij Hedda Martens, De zaalwacht, in De Revisor

Hoog boven de theetafel is tegen de muur een plankje bevestigd waarop, links en rechts gesteund door marmeren eekhoorns, achtentwintig jaarboekjes van het Zoölogisch Genootschap in het gelid staan. Ze zijn volkomen intact, dieprood van kleur en met glinsterend goud bestempeld; zelfs het inlegvel met errata ontbreekt nergens. Een vergeelde nota van de firma Brill te Leiden steekt tussen twee pagina’s die een beschrijving bieden van de wonderlijkste geschenken, ‘in het gedenkwaardige jaar 1879 door ons Genootschap in dank ontvangen’ en afkomstig van Effectieve leden, Honorair leden of Buitenleden. Maar vooral de leden van Verdiensten, waaronder opvallend veel scheepsgezagvoerders, leveren hier een vooraanstaande bijdrage:

‘4 hanesporen in étui van Bali en Macassar’
‘Voorhoofdsbeen met hoorns van den deluvialen stier, Bos premigenius, gevonden op ca 12 voet diepte in den leemheuvel op het landgoed Amsten bij Loghem’
‘2 visschen op Liquor, Aluterus scriptus
‘witte vos op astrakan kussen’

… etc. etc. Niet zelden een twaalftal pagina’s vol, en dat achtentwintig jaargangen lang, voortgezet in de zeventig resterende boekjes die, achter glas, op de grote zaal staan.
Waar zou het allemaal gebleven zijn? In beslag genomen, verkocht, verloren gegaan, door de erven teruggevorderd, verdeeld over provinciale musea, opgeslagen in kelders of op zolders van allang vergeten instituten? In de bibliotheekzaal staat nog een curieuze, manshoge pendule die van top tot teen met tropische schelpen beplakt is, en ook de oude sofa naast de vlindervitrine zal wel in één van de jaarboekjes vermeld zijn – toen ongetwijfeld nog zonder het strakke paktouw dat nu als een scheerlijn om de vier klauwvormige poten spant. Bovendien is er het fysisch kabinet met zijn verzameling microscopen, astrolabia, manometers, stereokijkers en andere, moeilijker te definiëren natuurkundige instrumenten waarvan sommige nog afzonderlijk door een glazen stolp beschermd worden; maar verder lijkt er van de vele kostbaarheden en exotica bitter weinig meer behouden te zijn.
Terwijl de waterketel met onderaards gerommel naar zijn kookpunt toewerkt drentel ik in lijdzame afwachting heen en weer door het middenpad, langs de draaistoel, het bureau, de vlindervitrine en dan weer terug. Tegen het zijpaneel van een hoge houten archiefkast die zijn laatjes achter een ratelend rolluik verbergt is, waarschijnlijk op latere datum, een ijzeren kleerhaak geschroefd. Er hangt een sleutelbos aan, een plastic tasje met opdruk en een knooploze beige stofjas. – Die jas heb ik meneer Hohlenfeld nooit zien dragen, en toch hangt hij daar telkens in een iets andere positie, vaak met één van de mouwen binnenstebuiten gekeerd alsof hij in haast werd uitgetrokken. Misschien wordt de jas alleen binnenskamers gebruikt wanneer er niemand bij is; of ‘s morgens vroeg, tijdens de eerste ochtendronde. Ik weet dat in de linker binnenzak twee ansichtkaarten zitten en ook, altijd, een paar toffees.

Water kookt bij tachtig graden, aldus de insectenkenner Réaumur, die naast de thermoskan ook het porselein uitvond en niet te vergeten het blik, vindingen die alledrie op deze theetafel in praktijk zijn gebracht. Met des te meer zorg maak ik de bus poederkoffie open en giet het bruisende water in twee chinees blauwe kopjes, die naast elkaar op het vloeiblad komen te staan waarmee meneer Hohlenfeld een deel van zijn bureau beveiligt. – Réaumur maakte zich ook op tal van andere gebieden verdienstelijk; in de notenbijlage van mijn perforerende auteur staat uitvoerig vermeld hoe hij aan zijn lievelingsvogel, een buizerd, dagelijks sponzen voerde. Het ging hem erom dat de buizerd die stukjes onverteerbare spons weer opbraakte zoals in zijn aard lag; waarop de geleerde ze dadelijk in zijn eigen mond stak om de smaak van de spijsverteringssappen zo nauwkeurig mogelijk te kunnen bestuderen. Zuur vooral, en bitter; soms zoet. Toen de buizerd op hoge leeftijd overleed telde Réaumur alleen nog maar hoendervogels onder zijn huisdieren, en de sponzen die hij daaraan opvoerde moest hij met een draadje vastmaken om ze later weer tevoorschijn te kunnen trekken. Want kippen, pauwen en kalkoenen braken niet naar hun aard. – Ik kauw met tegenzin mijn brood weg en voeg nog een schep nescafé bij het tweede kopje koffie om het extra bitter te maken: de smaak van meneer Hohlenfeld. ‘Zo drink ik ze graag,’ lichtte hij toe; het suikerklontje, dat hij doormidden brak, bleek hij onder zijn tong te houden om de koffie er met welgevallen langs te zuigen.
Op het bureau van de bibliothecaris staat, precies midden achter het vloeiblad, een schoongespoelde zeskantige inktfles van Quink die tot over de helft gevuld is met kleine, dode insecten: een metaalblauw vlindertje, een opgerolde duizendpoot, een paar zilverige motjes en zeker wel tien lieveheersbeestjes, hun glimmende schild donker verkleurd. Waarschijnlijk heeft hij ze door de jaren heen verzameld tijdens het stof afnemen: er zijn eveneens twee kralen te onderscheiden, een imitatieparel en een rond, zachtgroen pilletje. Rechts van de inktpot staat een asbak vol knopspelden, paperclips en een enkel in elkaar gedraaid toffeepapiertje, en daar weer naast bevindt zich het portret van een blozende jonge vrouw. Zo te zien is het een ingekleurde foto die met iets te veel nadruk is bijgewerkt – de wangen rood, de tanden wit en de ogen felblauw met blinkende glimpuntjes op de iris. De houten sierlijst is opgebouwd uit vier grillige, donkergeverniste takjes met hier en daar een minuscuul uitgesneden eikeblad, middenonder voorzien van het Zwitserse wapenschild. De vrouw glimlacht sereen, onpersoonlijk en tijdloos, en hoewel ik vermoed dat het hier om meneer Hohlenfelds jonggestorven echtgenote gaat kan de geportretteerde ook uit een eerdere generatie stammen en bijvoorbeeld zijn moeder voorstellen: ze heeft het vriendelijke, brede gezicht van mensen die tussen hun twintigste en veertigste jaar nauwelijks veranderen.
Zou de bibliothecaris de foto zelf hebben bijgewerkt? Ik weet dat hij zich graag bezighoudt met het inkleuren van oude prenten, ansichtkaarten en ander plaatwerk dat hij van antiquariaten betrekt, of liever nog van de vlooienmarkt – ‘Er is daar zoveel moois dat nagenoeg onbeheerd te kijk ligt.’ Bij die speurtochten gaat zijn voorkeur meestal uit naar emblemata, stadsgezichten en insecten; heeft hij zo’n prent eenmaal verworven dan is hem er veel aan gelegen zo precies mogelijk na te gaan welke kleuren indertijd voor dergelijke gravures gebruikt werden. Soms weet hij de oorspronkelijke bewerking alsnog in kabinetten, archieven of bibliotheken op te sporen, maar ook een exemplaar uit dezelfde serie als zijn eigen aanwinst geeft antwoord op veel dwingende vragen: welk rood was het rood van de 19de-eeuwse weesmeisjes, welk groen het groen van de moeilijk te definiëren bomen aan de Lijnbaansgracht.
De bovenste lade van zijn bureau is over de volle breedte gevuld met een dubbele rij kleurpotloden, gerangschikt volgens de regenboog. Rood oranje geel, groen blauw violet; dieper weg liggen de grijzen, de verschillende soorten wit, het problematische bruin. Ook de parelmoeren ontbreken niet – maar thuis, bekende hij toen ik hem op een ochtend verdiept in deze werkzaamheden verraste, thuis bezat hij nog veel meer kleuren: zeker wel enkele honderden. ‘Stadsgezichten ach, dat is doorgaans nog goed te overzien – maar de insecten, weet U? Denkt U alleen al aan de structuur van talloze vlindervleugels; sommige schakeringen zijn louter weerschijn, louter breking van het licht …’ Hij liep voor me uit naar de vlindervitrine en wees op diverse Zuidamerikaanse soorten Morphio, liet de schaduw van zijn handen onder het glas zweven en zei dat hij de raamloze muren van zijn kantoortje soms betreurde – ‘Begrijpt U me goed, dit geldt alleen voor het optisch tekort dat de vlinders daardoor lijden moeten. Zelf ben ik hier immers volmaakt, volmaakt tevreden.’ Achteruitlopend stootte hij tegen een wankele boekenstapel, bukte zich iets te snel, hetzij om zijn been te betasten hetzij om de boeken tegen te houden, en greep gekweld naar zijn rug – ‘Ach het spijt me, U zult wel denken…’
Maar ik was diep onder de indruk van zijn werkstuk, de zwaluwstaartvlinder Eurytides harmodius die hij schubje voor schubje inkleurde: de doorzichtige vleugels breken het licht op honderd manieren alnaargelang de graden van warmte, het uur van de dag of de tijd van het jaar, en het tekenblad van meneer Hohlenfeld gloeide van kleur – het leek bijna in brand te staan onder zijn droge, bedrijvige handen.

De bureaustoel van de bibliothecaris is een waar pronkstuk: rug- en zijleuningen vormen een massief, fluwelig gecapitonneerd hoefijzer, steunend op stevige spijlen van gedraaid eikenhout. De zitting is bekleed met hetzelfde opbollende grijsgroene velours, afgebiesd langs de randen en vastgezet met een strakke rij bronzen sierspijkers. De stoel draait op een solide houten drievoet en het enige dat te wensen overlaat zijn de wieltjes daaronder, die in de loop van vele decennia hun vermogen tot richting, of vooral samenwerking, goeddeels zijn kwijtgeraakt. Vrijwel iedere aanzet om naar voren of naar achteren te rijden wordt meteen ontbonden in een stokkende draaibeweging die, afhankelijk van de verbruikte kracht, soms meer dan honderdtachtig graden beschrijft terwijl de stoel zich nog maar nauwelijks van het bureau heeft verwijderd.
Ikzelf heb me op die manier vaak pijnlijk klemgereden, maar meneer Hohlenfeld weet met summiere bedrevenheid al rollend precies te komen waar hij zijn wil, overal in het vrijgehouden parcours tussen bureau en theetafel. Zijn techniek berust, voorzover dat viel na te gaan, op minutieuze gewichtsverplaatsingen gepaard aan een lichte druk die hij, links of rechts maar tegengesteld aan waar hij naar toe wil, met zijn ellebogen uitoefent op de brede armleuning. Over regels van deze subtiele cybernetica bleek hij echter niets te kunnen meedelen; het verbaasde hem oprecht dat ik me geregeld als een slang tussen bureau en stoel weg moest wringen, en eenmaal zelfs zo muurvast zat dat beide abrupt met elkaar vergroeid leken – de leuningen onverzettelijk onder het bureaublad geklemd. Na veel wrikken en wringen was ik ten einde raad op de zitting geklommen, als een kleuter die heimelijk aan zijn kinderstoel ontsnapt.

Ook nu krijgt mijn knie een gevoelige klap wanneer ik ondoordacht naar achteren rol om het laatste restje lauwwarm water in één van de kopjes te gieten. – Het is vandaag vrijdag, en het wordt tijd om uit te zoeken welke boeken ik voor het weekend denk nodig te hebben. Gezien mijn moeilijkheden met de auteur Geschiedenis der Biologie is het misschien beter zijn werkstukken voorlopig te laten rusten, en eerst de afdeling Vogels tot een goed einde te brengen. Dat ik daar het verst mee gevorderd ben is niet zozeer te danken aan de bijdrage van de medewerker ornithologie als wel aan meneer Hohlenfelds bereidheid om het uitvoerige, vierdelige standaardwerk ‘Die Vögel Mitteleuropas’ bij gelegenheid uit te lenen, ‘Maar niet meer dan één band tegelijk, als U wilt, en graag uitsluitend buiten de werkdagen.’ Wat ik nu nodig heb is Band I, 1926: ‘Sperlingsvögel, Rackenvögel, Kuckuck, Spechte’. Daar valt de raaf onder en de hop, de geitemelker en de vink, de roek en de tapuit; ruim voldoende voor een overbelast weekend. Vooral vanwege de raaf, één van de vele vogels waaraan de onwillige auteur ternauwernood vijf regels gewijd heeft (Latijnse naam, familie, orde – Kopstaartlengte, spanwijdte – Voedingsgewoonten – Plaats van voorkomen) zoek ik in de bibliotheekzaal naar beschrijvingen die van wat meer toewijding blijk geven en loop met een stapeltje boeken de trap af naar het achter een gordijn verborgen fotokopieerapparaat. Grzimek, Buffon, Linnaeus, Schlegel, Cuvier; bij elkaar zijn het toch nog zo’n dertig kopieën, al kan ik twee edities van de kleine blokvormige Buffon-uitgaves boven elkaar leggen zodat de één het ravenhoofdstuk van voren naar achteren doorwerkt en de andere van achteren naar voren, tot ze elkaar, in het midden verdubbeld, ontmoeten.
Teruggekeerd naar meneer Hohlenfelds kantoortje zoek ik een vel papier om daarop, volgens afspraak, mijn verbruik aan te tekenen. Op zijn schrijfmachine, een oude Hammond waarvan de houten kap tegen de theetafel leunt, liggen een paar blanco velletjes, maar wanneer ik het bovenste tussen mijn vingers neem glijdt het hele stapeltje ritselend langs het steile toetsenbord naar beneden en onthult de aanhef van een nauwelijks begonnen brief. ‘Zeer Geachte Heer Schoonhoven,’ lees ik onwillekeurig, ‘Tot onze spijt moesten wij onlangs kennisnemen van Uw afwijzende houding jegens ons voorstel, alsnog enkele waardevolle folianten -’ Ik raap de losse velletjes bijeen en leg ze haastig terug, zo haastig dat ze opnieuw wegglijden; en als ik op de bureaustoel wil plaatsnemen draait die in een sierlijke arabesk om zijn as heen bij me vandaan – gehinderd dwing ik hem tot de orde. Pas nadat mijn bericht aan de bibliothecaris op de vier overeengekomen punten is ingevuld – 1. aantal overdrukken: 28. 2. aantal koffie: 3.3. tijdstip van vertrek: 22.30 uur. 4. bijzonderheden: geen. – dringt vaag tot me door wat me daarnet zo in verwarring bracht. Onmiddellijk besluit ik dat zo’n connectie nergens op berust en dat het een kwestie van puur toeval moet zijn; zoiets komt immers zo vaak voor, het is een bekende kwaal van oude schrijfmachines.
Want niet mijn indiscretie zat me dwars, niet de ongewilde confrontatie met meneer Hohlenfelds spijt over de afwijzing die hem ook nu weer werd aangedaan: wat me verward had was, dat uit de naam van de heer Schoonhoven elke o met kracht was weggeslagen en een zuiver ovalen gaatje naliet, tot en met het carbon en het doorslagpapier toe.

‘Zult U vooral nooit, nooit vergeten de waterketel uit te zetten… de catastrofe die dat kan aanrichten is voor geen mens te verdragen.’ – Elke avond opnieuw huiver ik bij het visioen dat de bibliothecaris toen opriep en werktuiglijk vermijd ik zelfs de bemiddelende schakelaar te gebruiken: als het water kookt gaat de stekker er meteen uit, hoezeer het me ook aan zou staan om, zoals meneer Hohlenfeld demonstreerde, de ketel zacht suizend op temperatuur te houden. Gezellig geluid, ook. – Ik dwaal nog wat door de bibliotheekzaal, doe de meeste lampen uit en staar een tijdje over Linnaeus’ onwillige schouder naar buiten. Mijn tas is al ingepakt; ongezien heb ik het dossier van de perforerende anonymus dichtgeslagen, de fotokopieën er boven op gelegd en alles tezamen in het ruime zijvak laten glijden. Nu nog de kopjes omspoelen en een paar kleine handelingen verrichten die, evenals de voorafgaande, alle tot het ceremonieel van het afsluiten behoren.
De koperen kraan die hoog boven het fonteintje in de toiletruimte tegen de verweerde, blauwig witte tegelwand is aangebracht hoeft amper te worden opengedraaid om al een zo krachtige waterstraal af te geven dat het wassen van de kopjes een speciale vaardigheid vergt: houd je zo’n kommetje te dicht onder de kraan dan springt er een wervelende waaier tot op ooghoogte uit tevoorschijn. Ik droog de kopjes af, breng ze terug naar de theetafel en kijk zoekend om me heen – niets vergeten? Bureaulamp uit, vitrinelampje uit, plafondlamp uit – nergens kan de duisternis vollediger zijn dan in meneer Hohlenfelds raamloze kantoortje. Zijn zware privésleutel komt weer veilig achter de paradijsvogel te hangen en terwijl ik in het portaal mijn jas aantrek zie ik diens sierlijk gebogen staartveren blauwig oplichten in de donkere zaal, waarvan de dubbele toegangsdeur om onbestemde redenen altijd wijd open moet blijven. Trappen af, kopieerapparaat contrôleren, trekslot van de haak, ganglicht uit: ik sta buiten, en rammelend belanden mijn geleende sleutels in de houten postdoos achter de brievenbus. Morgen, of waarschijnlijk vanavond laat al, zal meneer Hohlenfeld de schuif aan de binnenzijde opentrekken en opgelucht vaststellen dat alles is zoals het wezen moet.
Wanneer ik met mijn fiets de straat oversteek en nog eenmaal langs het statige gebouw omhoog kijk heeft het brede silhouet van Linnaeus, achter het middenraam, de wacht tenslotte onbetwist overgenomen.