Wie wint vanavond de Libris Literatuurprijs 2020? Manon Uphoff is, getuige een paar vooruitblikken, favoriet. Voor het eerste (dubbel)nummer van 2006, thema ‘Kritiek’, schreef ze aan de meute critici een brief over literaire kritiek en de gedroomde lezer. Het heeft weinig aan actualiteit ingeboet, en desgevraagd zou de auteur alleen ‘echtgenote’ vervangen door ‘echtgeno(o)t(e)’. Lezen! (Vier van de zes genomineerden schreven voor De Revisor: lees Sander Kollaard in Binnenpost, Oek de Jongs’ essay ‘Een klievende roman’ en Wessel te Gussinklo’s ‘De opdracht’.)

*

Beste…,

Nou dat was een reuzefijne week waarin ik schreef aan een stuk dat moest gaan over u, mij, de literaire kritiek, over boeken en auteurs, terwijl er ondertussen voortdurend nieuwe en prikkelende en tot nadenken stemmende stukken van anderen in mijn mailbox belandden, in een artikel van Arjen Fortuin zo’n beetje alle Nederlandse auteurs door het afvalputje werden gespoeld onder de kop ‘De Belgen zijn beter’ en het verhaal dat ik voor het glossy damesblad Elegance had geschreven, geweigerd werd ‘omdat de lezers zich er niet bij thuis zouden voelen’:

Beste Manon,

Dank voor je korte verhaal. De hoofdredacteur en ik waren er zeer van onder de indruk en ik heb het ook met veel plezier gelezen. Het is van hoge kwaliteit en goede lengte, maar, je voelt de bui misschien al hangen, helaas: we kunnen het niet plaatsen.

De reden is dat de wereld die jij beschrijft (Manga, Tokioscène, Kill Bill, Tarantino, onthoofding op tv) niet refereert aan de wereld van de lezeres. Het staat gewoon te ver van haar af. We vinden het ontzettend jammer, want nogmaals, het verhaal is prima en het onderwerp ook razend interessant, maar de lezer moet er wel iets van zichzelf of de wereld om haar heen in herkennen.

Dus Manon, we keuren het niet af, maar plaatsen het niet. Toch zouden we dolgraag een kort verhaal van je willen plaatsen. Zie jij kans om een nieuw verhaal te schrijven, met bv 10 februari als uiterste inleverdatum?

Nogmaals Manon, ik vind het heel vervelend maar ik hoop toch dat je de tijd en de moeite nog wil nemen.

Ik hoor het graag!

Hartelijke groet

Godzijdank dat het verhaal in ieder geval ‘van hoge kwaliteit’ en vooral ook ‘van goede lengte’ was geweest. Verheugend ook dat ze het niet ‘afkeurden’, maar het gewoonweg niet plaatsten. Het omgekeerde, bleek ook, zou geen enkel probleem zijn geweest. Een ‘afgekeurd’ verhaal, beroerd geschreven maar naadloos aansluitend bij de kort te houden leefwereld van de lezeressen van de Elegance. Ik schreef terug – het stuk van Ilja Leonard Pfeijffer over het geweigerde gedicht van Harmens gonsde nog door mijn hoofd – dat het ‘jammer’ was, maar ‘geen enkel probleem’, te laf om na te vragen of er wel betaald ging worden.
‘Het verhaal loopt niet weg,’ mailde de redactrice nog geruststellend, ik vond er ‘vast nog wel een plaatsje voor’. Waarna dit stuk maar bleef steken in mijn pen, brief werd, beschouwing, van alles en nog wat, toen het begon uit te dijen als een gezwel, snoeide ik het bij, wilde ik nu eens echt hard uithalen, dan weer me hautain afzijdig houden, raakte ik volledig verstrikt, klaagde ik mijn nood bij collega Herman Franke die me het hele artikel nog eens uit handen sloeg met zijn column (zie zijn bijdrage in dit nummer) die kort, krachtig, scherp en oneindig veel indringender verwoordde wat ik maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag nu eens aarzelend en weifelend, dan weer koortsachtig verhit probeerde uit te drukken. Nee, voor polemiek ben ik niet in de wieg gelegd. Iets in mij trekt zich terug, zoekt niet de regelrechte aanval, maar het volgende boek. Soms zie ik u als geliefde, soms als vriend die over mijn schouder meekijkt. Soms als een vijand die stinkt uit de bek, druipend geel slijm tussen uw tanden. Soms schrik ik van u als u uit het donker naar voren komt en ik mijn hand wel uit wil steken, maar het koude glas raak, zoals de keer dat ik in een warenhuis schrok van mijn eigen spiegelbeeld dat op me af kwam lopen, ferm en fris als een onbekende, maar vastbesloten me te ontmoeten.

Veel dierbaarder dan het antwoord op of de speurtocht naar de vraag wat ik bedoel is me mijn eigen zoektocht in de duisternis, op zoek naar iets dat er is, maar dat zich nog niet laat grijpen. Het spoor dat een mot trekt in het donker. Het moment dat taal zich hecht aan iets, ermee samensmelt, er even onlosmakelijk mee verbonden raakt als de stem van Billy Holiday of Nina Simone met de muziek (‘lilac wine, is bitter and heavy, like my love – isn’t that he, coming to me’) of er gulzig op landt als een vlieg. In zijn voorwoord bij A Streetcar Named Desire zegt Tennessee Williams over het schrijven: ‘My back is to the wall and has been to the wall for so long that the pressure of my back on the wall has started to crumble the plaster that covers the bricks and mortar.’ En op de vraag of hij nooit te maken heeft met blokkades, is zijn onmiddellijke antwoord: ‘Oh, yes, I’ve always been blocked as a writer but my desire to write has been so strong that it has always broken down the block and gone past it.’ In dit proces zit voor een groot deel de eerste beloning van het schrijven. Het moment dat je de muur voelt verkruimelen.
Iedere schrijver is ook criticus van het eigen werk. Dat mag een schot voor open doel zijn, maar hij is dit meteen in veel sterkere mate dan de criticus ‘ook’ schrijver is van de boeken die hij haat of bewondert, die hem tergen, uitdagen, doen geeuwen van verveling en die hij door te lezen en te kritiseren tot eigen werk maakt. Of waarvan hij zich juist in scherpe bewoordingen distantieert. Het is onderdeel van het lezer zijn dat je het werk dat je leest heimelijk als je solitaire ontdekking beschouwt, het resultaat van eigen leeservaring, inzicht en grote gevoeligheid. Hoe armer het boek, hoe gekwetster de lezer. Hoe rijker het boek, hoe rijker de (bekwame) lezer zich voelt. Sommige van de schatten zijn zichtbaar voor de ergste bijzienden, andere meer verborgen, het lijkt wel of die alleen voor mij zijn, alleen door mij te vinden, o, wat een voortreffelijk, buitengewoon lekker mooi aangrijpend onthutsend overweldigend omverwerpend enzovoort boek is dit toch!
De beste werken smeden de beste lezers. En de beste recensenten, nog nagloeiend van het avontuur, weten dat als zij met hun lezing dit beste in het werk tot stand doen komen, dit toch altijd eerst de kwaliteit van het werk is.
Betekent dit dat als er in een werk geen rijkdom wordt waargenomen, die er ook niet in aanwezig is?
Dat hangt ook af van de kwaliteit van de waarneming.
Zoals jullie zoeken en hunkeren naar het beste en scherpste boek, zo hunkeren en zoeken wij ons hele schrijversleven naar iemand die lijkt op onze beste, gedroomde lezer. Anthony Burgess beschreef hem ironisch: ‘The ideal reader of my novels is a lapsed Catholic and failed musician, shortsighted, color-blind, auditorily biased, who has read the books that I have read.’ Waarmee hij meteen de vinger op de zere plek legt. De werkelijk ideale lezer zijn wij zelf, maar wij zijn op grond van verhouding en band met ons werk nogal verdacht.

Als een schrijver zijn manuscript eenmaal de publieke arena heeft ingezonden, doet hij er wijs aan zijn mond dicht te houden. Hij heeft immers al gesproken, langdurig, zonder dat iemand hem in de rede viel.
‘Schrijven doet het individu als het ware uit zichzelf treden en in contact komen met een gemeenschap van anderen. Schrijven gaat onvermijdelijk samen met zwijgen; schrijven, dat is in zekere zin “zich stil als een dode houden”, de mens worden aan wie de laatste repliek wordt ontzegd; schrijven, dat is van meet af aan de ander die laatste repliek gunnen,’ zegt Barthes in zijn Essais critiques.
Het is een ongeschreven wet dat een schrijver, nadat hij het boek heeft prijsgegeven aan de openbaarheid, aan andere ogen, andere geesten, zich niet meer opwerpt als verdediger van het werk waarvan hij, bij volle bewustzijn mag je hopen, ‘afstand’ heeft gedaan.

Zoals wij proberen te vergeten dat het pijnlijke oordeel gefundeerd kan zijn, gaan jullie (nu en dan zie ik jullie als een meute) soms te gretig voorbij aan de pijn van een onverdiende en voortijdige dood van een boek. Het jammerlijk besef dat alle vakbekwaamheid, inzet, eerlijkheid, gekte, waanzin, beheersing niet zijn gezien, niet goed zijn waargenomen en het boek is aangevallen of opzij geschoven op oneigenlijke gronden. Dat jullie hadden moeten zien, moeten weten, volledig voorbij zijn gegaan. Dat jullie hebben verzuimd die best mogelijke lezer te worden, niet noodzakelijk de lezer wiens eindoordeel het gunstigst uitvalt. Dan zouden we jullie het boek opnieuw willen aanbieden, het diep in de strot duwen desnoods. Dat is waarom we soms smeken, zachtjes jammeren, fluisteren, temen, flemen, rouwen en bijten in kussens of ons achteloos, koppig, overtuigd van de eigen prestatie koel van jullie proberen te distantiëren.

Nadat een tweetal lezers zich over het manuscript van Under the Volcano had gebogen en in het leesrapport hun bezwaren had geuit: het zou te traag zijn van opbouw, er zou te veel couleur locale in voorkomen, de karakters waren geen karakters, de helft kon wel weg en ga zo maar door, schreef Malcolm Lowry zijn beroemd geworden brief aan zijn uitgever. In die brief zien we een schrijver majestueus zijn werk ‘verdedigen’, nee, dat is het goede woord niet, een schrijver die zich opwerpt als die best mogelijke, bekwame lezer die tegelijk scherpe criticus is, een die zijn lezer opleidt en laat zien wat de lezer had moeten en kunnen doen. De brief is een krachtig en overtuigend pleidooi voor het recht van het literaire werk om gelezen te worden door de best mogelijke lezer. Omdat die er in dit geval niet was, kon de auteur niets anders dan reageren en zichzelf naar voren schuiven als die lezer én gids. Want die auteur is, hoewel verdacht, niet de minste lezer en kenner van het eigen werk. Pas als je als auteur ervan overtuigd bent dat de best mogelijke lezer zich over je boek heeft gebogen, ontstaat er rust. Kan je erop vertrouwen dat het boek onafhankelijk zijn weg zal gaan.
Lowry laat zien wat er gedaan had kunnen worden met het materiaal dat voorhanden is. Dat alles erin gezien en gelezen moet worden als het resultaat van een beslissing.

‘I venture to suggest finally that the book is (…) a great deal more carefully planned and executed than he suspects, and that if your reader is not at fault in not spotting some of its deeper meanings or in dismissing them as pretentious or irrelevant or uninteresting where they erupt on the surface of the book, that is at least partly because of what may be a virtue and not a fault on my side, namely that the top level of the book, for all its longeurs, has been by and large so compellingly designed that the reader does not want to take time off to stop and plunge beneath the surface.’

Dat het kunstmatig is, gewrocht, doorwrocht. Kunst.

Het verzet zich tegen zwakke, achteloze lezing. Roept om de best mogelijke lezer. Niet tegen de kritiek die dan alsnog kan worden gegeven, en is een van de krachtigste, ontroerendste en overtuigendste pleidooien voor herlezing die ik ooit ben tegengekomen.
‘I am pleading for a rereading of Under the Volcano in the light of certain aspects…’ en ‘poems often have to be read several times before their full meaning will reveal itself, explode in the mind, and it is precisely this poetical conception of the whole that I suggest has been, if understandably, missed.’
Daarbij trekt hij als gids vooruit, gaat op alle kritiekpunten in en toont aan hoe die na een intensievere, aandachtiger, zorgvuldiger lezing aan kracht verliezen. Stap voor stap toont hij met, door en voor zijn tekst nauwkeurig wat die herlezing kan opleveren en reikt de lezer het gereedschap aan waarmee die zichzelf als lezer kan verbeteren.
‘I am asking you for the moment to be generous enough to consider beside the point – if he were conditioned, I say, ever so slightly towards the acceptance of that slow beginning as inevitable, supposing I convince you it is – slow, but perhaps not necessarily so tedious after all – the results might be surprising.’
Het bijzondere en legitieme aan deze brief is niet alleen dat hij überhaupt geschreven is, maar dat hij is geschreven voorafgaand aan de publicatie van Under the Volcano. En dat wij er op een later moment inzage in krijgen. Nou lijkt het makkelijk voor een schrijver van alles en nog wat te bedenken en dit als geklopte room over een mislukt gerecht te spuiten.
‘Reading all this over I am struck among other things such as that writers can always grow fancy about their books and say almost anything at all,’ zegt Lowry dan ook. ‘This all does not of course matter two hoots in a hollow if the whole thing is not good art, and to make it such was the whole of my labour.’
In het geval van Lowry was het geen reactie op kritiek na verschijnen, maar voorafgaand aan publicatie – en dat maakt veel uit.

Achteraf op kritiek reageren is veel ingewikkelder. Een innerlijke stem houdt tegen. Niet doen, niet doen. Vooral niet de openbaarheid zoeken. Waarom niet? Is het omdat we al weten dat we zullen eindigen in de hoek van de mokkers en gekwetsten? Is het altijd een zwaktebod? Hangt er altijd de kwalijke reuk over van gekrenkt eergevoel, ziekelijke paranoia, gebrek aan zelfkennis? Wat is er tegen die publieke verdediging?
Er is geen schrijver ter wereld die er niet over droomt dat de criticus die zijn werk (onterecht) heeft gefileerd, zich op een dag gedwongen zal voelen van mening te veranderen. Of op zijn minst bereid is het werk een ‘herkansing’, een herlezing te gunnen.
‘Ik volg al jarenlang de giftige maar mislukte pogingen van mijn collega’s tot het schrijven van dit kleine onvergankelijke meesterwerk: een reactie op een slechte recensie die zowel recensent als recensie dodelijk treft. Ze stranden stuk voor stuk in rancuneus onmachtig proza. Het werkt niet. Per saldo heeft de schrijver zich op zijn pik getrapt betoond,’ schrijft Herman Franke. Wat hem er niet van weerhoudt ondertussen met duivels plezier zo’n onvergankelijk meesterwerkje te scheppen. Eenmaal bekritiseerd werk krijgt bij een-en-dezelfde criticus zelden een herkansing. Al moet ik dat een beetje nuanceren. Op Frankes Volkskrant-column, waarin hij Aleid Truijens en Arnold Heumakers aanspoorde Bernlefs Onzichtbare jongen te herlezen (een boek waarvan Aleid Truijens de eerste helft prachtig had gevonden, de tweede helft slecht, en Arnold Heumakers het eerste deel slecht en het tweede deel prachtig) kwam in ieder geval reactie van verschillende critici.
Lezen is een daad van overgave. Het kan niet altijd alleen maar de auteur zijn die wel eens een ‘zwakke’ periode kent, het ‘even niet meer weet’, ‘zoekende is’, ‘de weg kwijt’ of ‘gemakzuchtig’ is.

Ik ben op mijn hoede, leggen ze futloosheid van de criticus bloot? De vraag die ertoe doet: Is er kans dat het boek bij herlezing toeneemt in rijkdom en betekenis? Valide tegenvraag: Hoe groot is de kans dat het na een tweede blik juist platter wordt, aan diepte verliest? Kan het ene en het andere tegelijk waar zijn? De vraag stellen is hem beantwoorden. Bij twijfel verdient het boek opnieuw te worden opengeslagen.
Misschien door een ander. Daarom zijn jullie ook met velen, moeten jullie ook een horde zijn.

Toch houden we elkaar tegen, nemen het mobieltje zacht uit de hand. Drukken we elkaar en onszelf in dringende mailtjes op het hart na twaalven geen mailtjes meer te versturen. Niet naar de gehate recensent. Houden we elkaar voor dat we er om andere redenen dan wetten en praktische bezwaren van af moeten zien in de brievenbus te pissen, de echtgenote te verkrachten, de kinderen te ontvoeren.
Dat we door moeten naar het woord, het woord alleen. Een volgend boek.
We hebben jullie nodig.

Liever dan gelaten waardering, onverschilligheid of teveel aan ontzag, zie ik woede of grimmige ergernis. Opgelucht dat ik ze in ieder geval tijdig heb geschrapt, sla ik mezelf snoeihard om de oren met zwakke passages. Boos sla ik met mijn hand op tafel, valt het bouwwerk, dan is het te wankel. Geen schrijver die de ontzetting van Jeanette Winterson niet begrijpt, nadat bleek dat tekst die ze had gesnoeid, in Zwaarte was blijven staan. Probeer maar eens te ontschrijven wat al is prijsgegeven.
‘Hoe durft u te schrijven: “De charmante kerstboom, zo chatoyant met zijn lichtjes, leek hun een belofte van vreugde wonderbaar?”’ laat Nabokov in het korte verhaal ‘Spits van de admiraliteit’ een boze schrijver en criticus uitroepen als reactie op het flinterdunne romannetje van ene Solntsev, vermoedelijk het pseudoniem van ene Katja, met wie hij ooit een liefde heeft beleefd. ‘Uw adem heeft de hele boom al uitgeblazen, want één adjectief uit effectbejag achter het substantief geplaatst is genoeg om de mooiste herinnering kapot te maken. Voor de catastrofe, dus voor uw boek, was het bewegend geglinster van spikkeltjes licht in Katja’s ogen voor mij zo’n herinnering, en de kersrode weerkaatsing op haar wang van het poppenhuisje van geglansd plastiekpapier aan een van de takken, als zij het prikkelig groen uiteenboog en zich rekte om het vlammetje van een dol geworden kaars te doven. Wat heb ik daar nog van over? Niets – niets dan een weerzinwekkend literair brandluchtje.’

Wat als literair werk wordt gepresenteerd, schrijft ook Kees ‘t Hart in dit nummer, verdient het dat alles erin gezien wordt als opzettelijk en intentioneel. Ook als sommige woorden, passages de auteur lijken te zijn ontsnapt, als het hele boek lijkt te zijn ontsnapt. De schrijver is degene die kon herschrijven, overlezen, schrappen, toevoegen, kon besluiten van publicatie af te zien. Zodra de keuze is gemaakt, is er geen andere route meer dan alles wat is geschreven te zien als resultaat van een beslissing.
Dat maakt een frase als ‘natuurtalent’ ook zo strontvervelend, nietszeggend en beledigend. Het is niets meer dan een ander woord voor ‘lui’, zonder dit met voorbeelden uit het werk te willen staven. Laat zien.

Een van de kleine ontdekkingen die ik als auteur heb gedaan, nogal laat misschien, is dat het boek dat je maakt nooit zo autonoom is als je het zou willen hebben, en dat het ook zinloos is of onzinnig om daar als auteur mee bezig te zijn. Als wat je maakt goed is zal het nooit, nooit autonoom zijn. Hoe beter het is, hoe meer het streeft naar contact. Het kan alleen gekend worden in dit contact. Alleen zo bestaat het. Het roept en lokt en vraagt naar de lezers of speelt ‘hard to get’. Het wil die best mogelijke lezers, maar zal als het echt niet anders kan (een tijd) genoegen nemen met de mindere lezer. Het kan wachten, geduldig zijn, op de toekomst, op die ene lezer, voor het genoegen zal nemen met de gedachte dat die er nooit zal komen. Geen hond. Zelfs dan kan het zich nog verwarmen met de gedachte aan verleden lezers.
Soms is de komst van één lezer genoeg.

Nou ja, genoeg over kritiek. We zijn het – in de grond van de zaak – roerend met elkaar eens. We zijn het altijd met elkaar eens geweest, u en ik.

We zullen elkaar nog wel treffen. Bijna dagelijks. Voor lange tijd zal u mijn spiegelbeeld vormen, terwijl ik over fragmenten, passages en stukken dwaal, verbonden ben met de karakters, verwikkeld in schimmige liefdes, haat, walging, loyaliteit, verlangen, zoekend naar dat ene dat klopt omdat ik geen manier meer ken om het niet kloppend te maken, omdat het door mij niet meer onderuit gehaald kan worden, of alleen nog op gronden die me niet kunnen schelen. Het is de wereld die me dierbaar is en het wemelt er van de muren.

U moet wegen, vergelijken, beoordelen, in een tijdvak plaatsen, genres benoemen, overgangen waarnemen, veranderingen opmerken, proeven, testen, andere, meer of minder argeloze of verdwaald ronddolende lezers voorlichten, gidsen. U wilt ook dingen. Steeds weer nieuwe dingen. U bent gulzig. U wilt geen boeken lezen die u meteen met de vuilnis mee zou willen geven, die u onder in de kattenbak zou willen leggen, u zou wel weer vaker van uw sokken geblazen willen worden, wel eens echt onstuimig door een boek tot overgave en jankend op de knieën gedwongen willen worden. Heb ik enig, enig idee hoeveel rotzooi er is? Hoeveel schrijvers muurtjes van bordkarton neerzetten en één keer duwen met hun kippengewichtje en poef, daar is hun muurtje al gevallen en het boek klaar. Wat zou het niet verrukkelijk zijn om van tevoren eens beter ingelicht te worden over de ware inzet van de schrijver, over de werkelijke motieven en overwegingen, en dan het boek als onherleidbaar ‘gevolg’ van die inzet, motivatie en overweging te wegen. En zie ik niet dat dit, onder zware omstandigheden nog steeds gebeurt? U neemt hoestend een slok water uit het glas dat ik voor alle zekerheid maar vast voor ons allebei heb klaargezet. U verliest uw zelfbeheersing, sproeit in de rondte. Voortaan wenst u alleen het boek, en niet meer lastigvallen met de hele aanloop ernaartoe, die kop van die auteur op alle pagina’s, die auteur zo groot op posters dat je ‘s nachts in je slaap door het beeld wordt achtervolgd, die auteur als meningenspuit, die auteur met zijn of haar verleden, die auteur in een leuk outfitje in alweer een glamourblad, die auteur als bitterste criticus van werk van andere auteurs, die auteur in de kroeg, die auteur als narretje, die auteur als kwijnende spookverschijning met die blik van ik-klaag-aan, die auteur hier en daar en overal, als een klevende zwam.
Een krachtige overtuiging wenst u voortaan alleen nog uit de tekst te destilleren, niet er later als een kreukelige bijsluiter nog eens opgeplakt. Heb ik wel enig idee van uw inzet?
U heeft gelijk.
Zoals we ook niet overal in spelletjes, programmaatjes, quizjes, achterpagina’s, magazines geconfronteerd willen worden met elkaars lijfelijke aanwezigheid, hoofden, handen, haren, geur, verkeerde broeken, slobberige truien, mislukte kapsels. En we elkaars tientallen argumenten begrijpen waarom het toch niet erg is, juist wel goed, passend in deze tijd, en nou ja omdat we mensen… winkeltje… ijdelheid… moeten leven. En de onkreukbaren gaan maar ergens anders aan een andere tafel hun onbuigzame moraal bewieroken, dat wij als schrijvers, badend in aandacht en in het licht van een studiolamp moeten beseffen dat wij minder zijn, altijd zwakker, altijd stompzinniger, altijd noodzakelijk onbenulliger dan ons beste werk. Dat jullie als recensent, gevleid en trots op de bereikte positie, jullie mening glanzend uitvergroot op een opvallende plaats, moeten beseffen dat jullie altijd kleiner, altijd afgeleider, altijd pas echt belangrijk kunnen zijn als jullie stem er één is (misschien de zuiverste) in een koor van stemmen.
U weet net zo goed als ik dat de macht van auteurs en recensenten de laatste decennia is gegroeid, maar dat de macht van boek en kritiek is afgenomen. Daarom worden sommigen van u ook steeds agressiever prescriptiever, u leeft van en met ons. Vallen wij, dan valt u mee.
Het is niet onmogelijk of ondenkbaar dat boekverkopers, jury’s, commissies er op een dag werkelijk in slagen uw mening of oordeel uit de openbaarheid te drukken. Dat zou moord zijn, en alleen te verdragen als we er zeker van kunnen zijn dat daarmee niet onze best mogelijke lezers zijn omgebracht.
Alleen in die hoedanigheid hebben we u werkelijk nodig.

Wie wint de Libris Literatuurprijs 2020? In een shortlist met uiteenlopende stijlen en inzetten, maakt Oek de Jong nog kans met zijn nieuwe grote roman Zwarte schuur [we bespraken hem hier al]. Wat krijgt de overhand in de besluitvorming van de jury? De Jong formuleerde zelf in 1995 een antwoord op de vraag wat een goede roman is. We hernemen ‘Een klievende roman’.

*

I

Wat is voor mij de roman? Ondanks twee omvangrijke romans en een jarenlange arbeid als romanschrijver heb ik me dat eigenlijk nooit in koelen bloede afgevraagd. Ik heb veel nagedacht over de romantechniek: over de eerste zin, over het eind van de alinea, over de lengte van hoofdstukken en het ritme dat door die lengte in de roman ontstaat, over het personage – hoe het wordt opgebouwd en hoe de lezer het herkent – over de dialoog, over het laten verstrijken van de tijd in een roman, over het slot van de roman en over de slotzin, die het resultaat moet zijn van alle voorafgaande zinnen, de enig mogelijke laatste zin. En zelfs in de romantechniek zullen er nog wel zaken zijn waar ik niet over heb nagedacht, want een schrijver doet nu eenmaal veel op zijn gevoel. Ik beschik dus niet over een theorie van de roman.

Maar natuurlijk heb ik zo langzamerhand wel een beeld van de roman zoals ik hem graag zie. Ik weet zelfs heel goed hoe ik hem graag zie, zo moet ik constateren, want in mijn beoordeling van een roman voel ik nooit de geringste onzekerheid. Ik hanteer dus kennelijk en met stelligheid bepaalde criteria, ik heb kennelijk een beeld van de eigenschappen die een roman maken tot de roman zoals ik hem graag zie.

De roman is voor mij, allereerst, de stijl. Wanneer er over stijl gesproken wordt, beginnen sommige lezers zich ongemakkelijk te voelen, en dat zal wel komen omdat ze een stijl niet goed kunnen onderscheiden: ze horen wel de muziek van een roman, maar zien niet hoe die wordt gemaakt, en zijn er ook niet zo in geïnteresseerd. Ik vind dat vanzelfsprekend. Belang hechten aan de stijl getuigt in de ogen van sommigen ook van een afschrikwekkende gestrengheid. Stijl. Oh, de vorm dus… Ook dat vind ik een vanzelfsprekende reactie. Want wat heeft de lezer, uiteindlijk, te maken met de stijl van een schrijver, met de manier waarop hij zijn verhaal vertelt?

Maar voor mij is de stijl dus, eenvoudigweg, alles – alpha en omega van de roman. De stijl bepaalt of ik een roman ga lezen en zelfs of ik hem kán lezen, want als de stijl van een roman me tegenstaat, dan kan ik hem niet lezen – ik ga hem uit de weg, als een persoon die me tegenstaat. Na een paar alinea’s heb ik meestal een indruk van de stijl en op grond van die indruk besluit ik tot doorgaan of ophouden met lezen. De ontdekking van een schrijver is ook altijd de ontdekking van een stijl, en ik voel daarbij dezelfde opwinding als bij de ontdekking van nieuwe muziek: ik raak ervan bezeten en ik rust niet voordat ik weet waaruit die stijl bestaat. De stijl is voor mij het meest levende, ademende haast van een roman. Stijl is fysionomie van de geest, zo is door Schopenhauer vastgesteld, en dat was, lang geleden, een van de eerste opmerkingen over het schrijven die ik heb genoteerd.

Alle vreugde, alle genot die een roman me geeft, komt voort uit mijn beleving van de stijl, die dus een beleving is van de manier waarop de geest van een schrijver tot uitdrukking komt in taal en verhaal, van de manier waarop hij de dingen ziet, van een gevoeligheid. Toen ik de stijl van Maria Dermoût leerde kennen, was dat een absolute sensatie voor me, een groot genot. Ik wist gewoon niet wat me overkwam, en terwijl ik ervan genoot en ontroerd was, besefte ik ook dat ik haar stijl nooit meer zo intens zou beleven als in die uren. Toen ik voor de eerste maal de twee sonates voor piano en viool van Schumann hoorde, was ik op eenzelfde, extatische manier gegrepen. De stijl is het meest wezenlijke van een roman. Het ‘verhaal’ is van ondergeschikt belang. Als de roman maar iets is. En of hij iets is, dat wordt bepaald door de stijl.

Vervolgens is er de compositie van een roman, die ook wel beschouwd wordt als een onderdeel van de stijl. Van de compositie verlang ik een uiterste zorgvuldigheid. Nog maar nauwelijks heb ik het gezegd of ik verlang naar een fragmentarische en niet al te zeer kloppende roman, met duidelijk zichtbare inzinkingen van de schrijver, gevolgd door hoogtepunten, lyrische hoogtepunten uiteraard, die weer gevolgd worden door rommelige passages, waarin de schrijver, als had hij een kater, zoekende is naar de juiste voortzetting van zijn verhaal. Maar ik weet dat ik nooit zo’n roman zal schrijven, en wel omdat ik er niet in geloof, in een roman die woest en wisselvallig is als het leven zelf. Ik geloof in het gecomponeerde, waarmee dan desgewenst, op kunstvolle wijze, de chaos van het leven kan worden nagebootst. Zorgvuldigheid is een vorm van aandacht, het is de moeite die een schrijver neemt om zijn gevoelens en ideeën te verhelderen, en om de dynamiek en geladenheid van zijn werk tot het uiterste op te voeren.

Flaubert bewonder ik om zijn compositorisch vermogen, dat zich van zin tot zin, van alinea tot alinea manifesteert, en soms grenst aan onverholen krachtpatserij. De compositie in de romans van de Japanse schrijver Kawabata bewonder ik meer, omdat hij subtieler is, onnadrukkelijker, omdat er, om zo te zeggen, meer stilte in zit. In de Nederlandse literatuur is Elias of het gevecht met de nachtegalen van Maurice Gilliams een roman die volledig beantwoordt aan mijn gevoel voor compositie. Het is een volmaakt afgewerkte roman, zonder enige inzinking. En door de gaafheid van stijl en compositie is er geen roman in onze literatuur die zo sterk in me oproept hoe het was om kind te zijn, hoe het was om als kind een kamer met vreemde grote mensen binnen te gaan – hoe dat voelde. Hier komen dus, zoals Gerrit Krol zou zeggen, het ‘harde’ en het ‘zachte’ bijeen. Je zou kunnen zeggen dat het ‘harde’ van stijl en compositie bepalend zijn voor de mate waarin het ‘zachte’ zich kan manifesteren en voor de kracht die het heeft.

Naast stijl en compositie wil ik nog een derde element plaatsen. Het behoort tot het gebied van het ‘zachte’. Ik verlang van een roman dat hij door zijn verhaal en door de kracht van zijn vormgeving, door wat hij is, terugleidt naar iets dat, tja, moeilijk te benoemen is en dat ik maar een naaktheid noem, een echtheid, die ontroert en bevrijdt en het mogelijk maakt ‘opnieuw te beginnen met leven’ – zoals, aan het eind van Maria Dermoût’s De tienduizend dingen, mevrouw van Kleyntjes, na haar visioen van de Kokospalm van de Zee, opstaat uit haar stoel aan de nachtelijke baai en naar binnen gaat ‘om haar kopje koffie te drinken en opnieuw te proberen verder te leven’.
Maar dit, een katharsis, aan het slot van een roman – dat hoeft eigenlijk ook weer niet. Het is maar zelden mogelijk, het is veel gevraagd. Sterven als Don Fabrizio in De tijgerkat, deze enorme man die het leven uit zichzelf voelt, ja zelfs hoort wegstromen, sterven zoals Zeno doet in Het hermetisch zwart, of de huishoudster in Een simpele ziel, aan wie in haar laatste ogenblikken, dankzij Flaubert’s even meedogenloze als genadevolle ironie, de Heilige Geest verschijnt in de gedaante van haar geliefde papegaai, zo sterven nadat alles is onthuld – dat is maar zelden mogelijk in een roman. Het is ook niet voor elke romanschrijver weggelegd om zover te gaan en een dergelijk slot te schrijven. Velen willen het niet eens.
Katharsis is, zoals men weet, een effect van literatuur, en met name van de tragedie, dat door de oude Grieken werd nagestreefd. Het is gebaseerd op identificatie – met een personage, met een geschiedenis, maar het kan in feite door een enkele zin teweeg worden gebracht. Eén enkele zin kan je immers al een schop geven en je brengen waar je wezen moet. Een tijdlang heb ik de gewoonte gehad om op de bonnefooi Ecuador van Henri Michaux open te slaan – het dagboek dus, dat hij bijhield in 1921 tijdens zijn reis door het hoogstgelegen land ter wereld – en er even wat in te lezen. Ik deed dit omdat ik wist dat er, voor mij althans, van zulke schopzinnen in staan, dat er in de zinnen van dit boek een geest heerst die, door zijn recalcitrante somberheid en agressieve verveling en afkeer van het obligate, terugleidt naar die naaktheid, die echtheid die me inspireert. Michaux zakte de Amazone af, in een primitieve boot, de hele Amazone, duizenden kilometers Amazone, en aan deze tocht besteedt hij in zijn dagboek maar enkele bladzijden, want hij verveelt zich, hij is halfziek, hij heeft er genoeg van – daarom. Een schrijver van mindere rang zou dit gecamoufleerd hebben en toch minstens een bladzijde of vijftig hebben volgeschreven over zijn grote avontuur op de grootste rivier ter wereld. Michaux verdomt het. Hij schreef zijn dagboek dan ook mede, zo lijkt het, om zich te bevrijden van het obligate, van alles wat hij van zichzelf verwacht, om uit te komen bij hoe het werkelijk voor hem is, een naakte ervaring – en dat levert zinnen op, fragmenten, een geheel van zinnen en fragmenten dat echtheid uitstraalt en het gevecht toont dat nodig is om die echtheid te bereiken.
Het is veelzeggend dat ik me van een dagboek bedien om te verduidelijken wat ik zeggen wil. Kennelijk verwacht ik van de roman iets dat bij uitstek in een literair dagboek te vinden is: een naakheid, een echtheid die de lezer ontroert en verandert en hem terugleidt, of terugschópt, naar wat ik ook nog ‘essentie’ zou kunnen noemen. In de roman wordt dit meestal op een indirecte manier gedaan: via de personages bijvoorbeeld, door te laten zien hoe ze zich voordoen, wat ze zich wanen en hoe ze werkelijk zijn. In Het duel van Tsjechov gebeurt dit in bijna elke alinea, onophoudelijk is er het helder weten van de schrijver, die messcherp en met milde ironie de levens van zijn personages toont – een helder weten dat ongetwijfeld is ontstaan uit dat verlangen naar echtheid dat ook Michaux beheerste op de vulkanen van Ecuador, en Flaubert toen hij in bijna-telegramstijl de notities van zijn Egyptisch dagboek maakte en zich bevrijdde van zijn romantische dweepzucht, en Céline in zijn Reis naar het einde van de nacht, of Max Frisch in zijn Montauk, of Tomasi di Lampedusa in De tijgerkat, of W.F. Hermans in Nooit meer slapen, of Kellendonk in zijn Mystiek lichaam – allen auteurs die een naaktheid, een ‘laten zien hoe het is’ nastreven, de een, Céline, met woede en grof geweld, de ander, Lampedusa, met subtiele ironie en aristocratische distantie.
Maar, zo vraag ik me nu af, is dat niet wat elke romanschrijver eigenlijk wil: onthullen, aan het licht brengen, zeggen wat gewoonlijk niet gezegd kan worden, zichtbaar maken wat gewoonlijk verhuld aanwezig is? Ik denk het niet. Er zijn romanschrijvers voor wie de roman de mogelijkheid is om een droomwereld te creëren, of een stoer verhaal te vertellen, of een virtuoos spel te spelen en de lezer daarmee te amuseren en te verbluffen, of een tijdsbeeld te geven. Ik vind dergelijke romans alle de moeite waard en prachtig, op zijn tijd. Maar mijn voorkeur ligt bij de roman die klievend is, een roman die zich volgens waarschijnlijk oeroude patronen naar een onthulling en een katharsis beweegt, zoals al sedert mensenheugenis met de rituelen van het theater wordt gedaan.

II

En hoe staat het nu met de steeds weer aangekondigde ‘dood van de roman’? Wat betekent die al sedert bijna een eeuw steeds weer vernomen gedachte? Waarom wordt er nooit gesproken over de ‘dood van het gedicht’ of de ‘dood van het toneelstuk’? Is het een steeds weer herlevende intellectuele mode, uiting van vertwijfeling aangaande het leven in de moderne tijd en het literaire genre dat die tijd en dat leven zo voorbeeldig beschrijft? Is ‘de dood van de roman’ een metafoor? Zo ja, is de betekenis van die metafoor dan dat men het eenheid-scheppend vermogen van de romanschrijver ‘dood’ verklaart? Want om een roman te kunnen schrijven dient de schrijver immers een verbinding aan te brengen tussen tal van verschijnselen, mensen en dingen, en dat doet hij vanuit de een of andere bezieling, vanuit een vanzelfsprekendheid – een vanzelfsprekendheid die uiteraard het voorwerp kan zijn van een dodelijke twijfel.
Is de dood van de roman dus een filosofisch probleem? Is het voorteken van een steeds dichterbij komende apokalyps? De roman is van alle literaire genres zonder twijfel het meeste omvattende: het komt voort uit de geest van de poëzie en niet zelden is het ook in zijn taal poëzie, het is theater door zijn dialogen en scenische opbouw, het omvat het essay en het aforisme, het is psychologie, op een manier die voor de wetenschap niet is weggelegd, het is filosofie door het im- of expliciet aanwezige mensbeeld en door het model van de werkelijkheid dat het biedt, het is geschiedschrijving – en daarmee is een opsomming van aspecten van het genre nog niet ten einde. De roman in optima forma is het meest omvattende taalbouwsel dat onze cultuur voortbrengt. Is de metafoor van de dood van de roman dus vooral uitdrukking van de twijfel aan de mogelijkheid om een dergelijk – per definitie samenhang scheppend – bouwsel voort te brengen en geloofwaardig te laten zijn?

In zijn in 1993 gepubliceerde roman Bekentenissen van Zeno heeft de wijze en beminnelijke Italo Svevo, waarschijnlijk als eerste, een obsessie beschreven die veel inzicht biedt in de psychologie van onze cultuur. leder die deze roman gelezen heeft, herinnert zich waarschijnlijk het letterbeeld l.s. – twee letters die hier niet de afkorting zijn van ‘lectori salutem’ maar van de woorden ‘laatste sigaret’. Zeno is verslaafd aan het roken en steeds opnieuw probeert hij zijn laatste sigaret te roken. Belangrijke gebeurtenissen in zijn leven als het behalen van een examen, zijn trouwerij en de dood van zijn vader zijn aanleiding om eindelijk met het roken te kappen en triomfantelijk te noteren: laatste sigaret! Waar het allemaal voor staat, deze dans om de sigaret, dit tot een obsessie uitgegroeide verlangen naar gezondheid – dat is voer voor psychologen. Maar het is wezenlijk en het raakt aan vele snaren. Het is een gevecht, dat Svevo bijzonder geestig beschreven heeft en dat voor mij een van de metaforen van de eeuw is geworden.

Op dezelfde wijze is misschien de steeds weer aangekondigde ‘dood van de roman’ slechts een metafoor, waarmee uitdrukking wordt gegeven aan een fundamentele onzekerheid van onze tijd, een onzekerheid die zo beklemmend kan worden dat er periodiek een verlangen ontstaat naar intellectuele zelfvernietiging.

III

Is het voorstelbaar dat de roman, deze schepping van generaties van schrijvers, in de komende eeuw te gronde gaat? Ik vind dat onvoorstelbaar. Nog nooit is de gedachte bij me opgekomen dat de roman geen vitaal genre meer zou zijn, dat het ‘veld der mogelijkheden’ zou zijn uitgeput. Ook wanneer ik me erop bezin en speurend rondkijk, zie ik geen tekenen die op een naderende ondergang zouden kunnen wijzen. Wel is er een aantal mogelijke bedreigingen van de romankunst. Laten we die eens in ogenschouw nemen.
Er wordt wel eens verondersteld dat de roman over enige tijd, als gevolg van de revolutionaire ontwikkelingen in de digitale technologie, een verouderd medium zou zijn. Ten onrechte, lijkt mij. De roman is niet zoiets anoniems als ‘een informatiedrager’ die door een andere en betere ‘informatiedrager’ vervangen zou kunnen worden. De geschiedenis van de moderne tijd leert ons bovendien dat nieuwe media in de kunst eenvoudigweg hun plaats krijgen náást de al bestaande: zo is de schilderkunst niet verdrongen door de fotografie, en is de roman niet weggevaagd door film en televisie. De beeldtaal van de film heeft op het romanschrijven zelfs een verrijkende invloed gehad, de schrijver heeft van de filmer geleerd.
In de vier eeuwen dat de Europese roman bestaat heeft de romantechniek zich voortdurend ontwikkeld. Een achttiende-eeuwse roman maakt in zijn vormgeving op de hedendaagse lezer een enigszins primitieve indruk. In de negentiende en de twintigste eeuw vooral is de romantechniek met steeds nieuwe vindingen verrijkt. Het tempo van de vertelling is hoger geworden, de compositietechniek verscherpt, de lezer eist van de zinnen in een roman een steeds groter geladenheid – kortom, de tijdgeest manifesteert zich ook in de vorm van de roman. Het is voorstelbaar dat er in de technische ontwikkeling een verzadigingspunt wordt bereikt, en dat er decadentie ontstaat. Voorstelbaar? Die verzadiging en decadentie zijn er al. Er bestaat al zoiets als de turbo-roman, de in technische zin opgeblazen roman. De herfst van de patriarch bijvoorbeeld, van Gabriel Garcia Marquez, heeft er de kenmerken van. Márquez had zijn Honderd jaar eenzaamheid geschreven, een schitterend boek, ook in technische zin een grote prestatie. De roman werd wereldwijd bejubeld. Wat moest daar op volgen? Iets dat technisch nog knapper, nog duizelingwekkender was, kennelijk – en dat werd De herfst van de patriarch, een gewoon Márquez-verhaal, maar in technisch opzicht verbluffender dan verbluffendst: de hele roman bestaat namelijk uit zo’n tien, vijftien eindeloos lange zinnen. Marquez is niet verder gegaan op die weg, en elke romanschrijver zal inzien dat een roman die knapper dan knapst is ook knap vervelend en knap onleesbaar is. De romankunst kan door het exces niet worden verpest. Het lijkt me heel wel mogelijk om met de bestaande techniek nog lange tijd voort te gaan en nieuwe werkelijkheden, nieuwe gevoelens, nieuwe innerlijkheid te exploreren. De roman is een uitvinding die niet veroudert, zoals ook de uitvindingen ‘gedicht’ en ‘toneelstuk’ in meer dan 2500 jaar niet zijn verouderd.
Een werkelijke bedreiging voor het voortbestaan van de roman, en van de literatuur, lijkt de steeds indringender aanwezigheid van massamedia en massacultuur. De massacultuur heeft het gewonnen van de elitecultuur, en J.H. Huizinga heeft zich blijvend omgedraaid in zijn graf. De suprematie van de massacultuur – dat is de suprematie van het cliché, dat is de suprematie van de jeugd en het nieuwe, dat is de suprematie van de uiterlijke perfectie, dat is de suprematie van de kortstondige, verslindende aandacht. So what? zeg ik dan, ietwat verveeld en geïrriteerd. Moeten we het daar nu wéér over hebben? Moeten we het daar nu nóg eens over hebben? De massacultuur heeft gewonnen, en zal nog meer terrein winnen, en natuurlijk is dat van invloed op het literair bedrijf: op de literaire journalistiek en kritiek, op de uitgeverijen, en op de schrijvers zelf. Maar hebben we inmiddels niet geleerd om er mee om te gaan? Het cultuurpessimisme, waartoe degene die elitecultuur tegenover massacultuur stelt wordt veroordeeld, is volslagen improduktief geworden. Wie de waarden van de oude elitecultuur als norm wil handhaven, raakt alleen maar verbitterd, verstard en geïsoleerd.
Er kan lang en breed over gesproken worden: de roman en de massacultuur. Mij interesseert het, eerlijk gezegd, maar weinig. Ik geloof dat een schrijver zich er niet om hoeft te bekommeren. Hij moet zijn werk doen, hij moet goed schrijven en steeds dieper wegzinken in zijn kunst. Wat mij interesseert dat is de bondigheid van Tsjechov, de beschrijvingskunst van Tolstoi, het handpalm-grote en in één beweging neergeschreven verhaal van Kafka; en ook de schilder Bacon die zijn technisch volmaakte kunnen vernielt door de verf met zijn hand op het doek te smijten, en Cézanne die zwoegend en steunend tot het uiterste gaat om een appel te schilderen, en Messiaen die het bos intrekt om de vogelenzang te noteren – deze mensen stellen het moderne exempel. En naast hen staat de zangeres Patty Brard, ster van de roddelbladen, die op het televisiescherm verschijnt om te vertellen dat ze, na rijp beraad, heeft besloten om haar borsten te laten vergroten en ook de randen van haar wulpse lippen onderhuids een ietsje te laten opspuiten – zodat ze, de middelbare leeftijd naderend, de karikatuur van een sexgodin zal zijn. Ook dat is interessant, ook zij stelt een exempel. Voor mij bestaan die voor Huizinga tegengestelde culturen naast elkaar, en in feite maak ik zelfs geen onderscheid – want wat is elite, wat is massa? Welke elite? Welke massa?
Ik bestudeer aandachtig de paginagrote advertentie in de krant, waarmee een nieuwe telefoonmaatschappij zichzelf bij het publiek introduceert, om te zien hoe ze dat doen, waar ze op mikken; en met dezelfde aandacht volg ik wat er zich voordoet op het televisiescherm, wat mensen er van zichzelf laten zien, en hoe televisiemakers ons de werkelijkheid tonen, hoe een oorlog er op televisie uit gaat zien; en met dezelfde aandacht bezie ik een alinea die Tolstoi schreef in het midden van de negentiende eeuw, een fantastisch mooie alinea waarin hij een nachtelijk landschap aan een rivier weet op te roepen door alleen maar de geluiden te beschrijven; en met dezelfde aandacht buig ik mij over de bloeiende lamsoor op de kwelder bij Moddergat, of volg ik het stierengevecht in de arena van de stad Málaga.
Voor de romanschrijver, zo wil ik maar zeggen, zijn de mogelijkheden groter dan ooit tevoren. Hij moet zijn werk doen, hij moet goed schrijven, en niet bang zijn om steeds dieper weg te zinken in zijn kunst.

Over een maand, 22 juni, wordt de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020 bekendgemaakt. Saskia de Coster en Marijke Schermer zijn genomineerd, net als Sander Kollaard, die we vorige maand leerden kennen in Binnenpost, Manon Uphoff, Oek de Jong en Wessel te Gussinklo. Die laatste drie publiceerden ook meermalen in De Revisor. Vandaag hernemen we van Te Gussinklo zijn lange fragment ‘De opdracht’ uit het eerste nummer van 1991, een hoofdstuk in de gelijknamige roman (Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, ECI-prijs, F. Bordewijkprijs, genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en De Gouden Uil). Het is proza dat aansluit bij De hoogstapelaar in toon en stijl, intens en intiem.

*

Boomgordels en de onverhoeds uitwaaierende diepten van door bos omsloten weiland wisselden elkaar met eentonige regelmaat af, voortschuivend in zijn ooghoeken en in hun hypnotiserende herhaling, detailloos, gereduceerd tot weinig meer dan geometrische vormen. Niet het bos, het laaggroeiende eikenonderhout en daar bovenuit dennen, maar de gewaarwording van verzadiging – volheid, een rond en mollig opdringen – of juist van droge warme stoffigheid, ijl en doorschoten met banen zonlicht, als de weg langs laag struikgewas voerde.
En dichterbij, vlak naast hem het langsschieten van bomen en takken, een streepachtig bewegen van vele kleine dingen. En dan, haast schokkend abrupt, de plotselinge vertraging die zijn voortgang leek te ondergaan als wei- en akkerland zich uit de nauwte van de bosweg voor zijn ogen ontvouwden. Een muur van ruimte die hij beklom, traag als een insect op een groot vel glanzend wit papier.
Het gevoel bijna stil te staan door de tegenwind van licht die hem uit de blinkende velden tegemoet woei. Of later die middag, toen nevels de zon bedekten, de stroeve hindering die hij ondervond van het glasachtig bleke iets, dat – niet echt zichtbaar, maar toch aanwezig – onbeweeglijk de open ruimte vulde tot waar de weg met een kleine zwenking weer in het bos verdween.
Het was dan of hij haast sprongsgewijs, van stilstand tot stilstand, de ruimte overwon, en toch steeds ergens in het midden bleef, daar vastgehouden werd, hoezeer hij zich ook voortspoedde over het streperige grijs van het wegdek. Een wegdek met af en toe een boomwortel die daar gedeeltelijk in vergroeid was, of een plaats waar het asfalt opgedrukt was, gebarsten en brokkelig, en hij dacht dan: oppassen, zonder zijn snelheid te verminderen. En hij zag de zwarte, inktachtige afgeronde vlekken van recente reparaties aan het asfalt, en hier en daar stukjes onregelmatige bestrating. Fijn met stof gemengd grind markeerde de zijkant van de tunnelachtig smalle bosweg, soms opgehoopt in de bochten, alsof het daar naar toe geveegd was, of half weggezonken in gras en berm als de weg door wei en akkerland voerde.
En voor zijn ogen, maar toch droomachtig vaag, teruggetreden achter het waas dat inspanning en vermoeidheid over de dingen legde, opgenomen in het grotere geheel van beweging, snelheid (en zijn verwachting en zijn angst – en bij elke beweging de gedachte: het moet, het moet) bijna iets ruimtelijks dat roerloos bleef ondanks zijn gejaagde voortgang en als een stolp over de dingen stond – zag hij de gele waterachtig bewegende fietsband, een beetje hellend bij elke pedaaltrap. En hij hoorde het ritselende en toch enigszins vochtig zuigende geluid van de banden op het asfalt als hij krachtig aanzette. De warmte in het windloze, stoffig-kruidig ruikende bos was verstikkend. Hij hijgde met half-open mond. Hij probeerde zijn snelheid voortdurend te vergroten, steeds opnieuw, ondanks het doffe trekkende gevoel in zijn kuiten en dijbenen, kracht zettend om elk verslappen te bestrijden, – maar zonder daarbij uit het zadel te komen. Ook moest hij elk overmatig wringen van zijn heupen vermijden of stampen op de pedalen – net als echte wielrenners. Hij moest de volle omwenteling door een constante druk van zijn hele voet op het pedaal handhaven: een elastisch en soepel kracht aanwenden dat maximale snelheid garandeerde en dat toch laconiek om zo te zeggen moeiteloos, haast professioneel zou zijn.
Hij zag een streng gebeuren voor zich: strak, onvertroebeld door bijzaken, en bijna hooghartig in zijn ongedetailleerdheid; alleen het fietsen, zijn snelheid, en de kokerachtige engte recht voor hem uit die naar de verte leidde. Die verte bereikte hij en liet hij achter zich. Dat was alles. Het was een gebeuren van een stalen veerkracht dat hem zeer vereenvoudigd en toch gesterkt naar een triomfantelijke apotheose zou voeren.
Maar ondanks zijn inspanning waren zijn vorderingen op de lintvormig-onoverzichtelijke en maar niet eindigende boswegen ontmoedigend. Het was al vijf uur. Hij was nu al te laat; het zou veel te laat worden. Alles zou voorbij zijn als hij aankwam. Bewolking, een egale nevelige vormloosheid, versluierde de zon. Er dreigde onweer. De warmte in de steeds kleinere windloze ruimte waarin hij zich voortspoedde onder de steeds lagere hemel, de benauwde engte van de boswegen, vermengde zich met de gloed van zijn ontmoediging, zijn angst: het zou allemaal verkeerd gaan. Hij zou het niet kunnen.

Het vlakke rivierlandschap van het begin van zijn tocht dat langzaam aan de assen van zijn sloten langswentelde, met hier en daar een verre boomgroep of rijen populieren die een weg of een vaart begeleidden, had spoedig plaats gemaakt voor stoffige, haast onmerkbaar stijgende boswegen. Het was de laatste weken warm geweest. Er was geen regen gevallen. Hij verdwaalde. Hij moest terug, opnieuw zoeken, een andere afslag, een zijweg… Het werd later, maar hij twijfelde niet. Niets zou hem onmogelijk zijn.
Na een onverwacht intermezzo van kaal vlakland, leeg tot aan de horizon, met bleke dorpjes – roerloos en schraal in het ononderbroken zonlicht – vingen de bossen weer aan, maar dichter nu, meer gesloten, donkere bossen met uitsluitend dennen en smalle overgroeide wegen die de indruk wekten nooit betreden te worden.
Die bleke dorpjes, hij kon zich niet herinneren daar door gekomen te zijn bij vorige tochten toen hij nog met de groep meereed. Hij moest verkeerd gereden zijn. Maar hij fietste verder, haastig, gejaagd, vrijwel zonder op of om te kijken. Het zou niet meer lukken als hij nu stopte, hij zou het dan niet meer kunnen. Achter hem, op zijn bagagedrager, het holle bonkende geluid van de oude bruinleren koffer, die zijn moeder, ondanks zijn protesten (het was niet nodig, hij zou belachelijk zijn met al die kleren) zorgvuldig voor hem gepakt had. Hol bonkend bij elke hobbel in het wegdek of doosachtig ratelend als het asfalt in de dorpskernen overging in bestrating.
De bleke dorpjes met hun onbeweeglijke zonlicht op asfalt en huizen had hij tenslotte achter zich gelaten. Voortjachtend langs de dorpsstraten waarin vrijwel niets bewoog en de enkele wandelaar, fietser of auto, omgeven door een ruimte van doodstil licht, geen beweging veroorzaakte maar juist de bevestiging van roerloosheid en matte benauwdheid leek te zijn (zonlicht dat zelfs midden op de dag de indruk wekte dat de avond al viel, en dat, niet getemperd door bomen of stuikgewas, schaduwloos afschampte op de gevels van de schuurachtige behuizingen, met hun kleine lichte stenen en dun voegwerk. De waterachtige weerspiegelingen in de ramen. De ongastvrije vitrages…) Daar te wonen, daar geboren te zijn. Niet beter weten, het vanzelfsprekend vinden te wonen in die hoge onbeweeglijke leegte waar alles voorgoed afzonderlijk was.
Toen al was een besef – eerder de gewaarwording van warmte en benauwdheid dan een helder beeld of een omlijnde zekerheid – in hem opgeweld. En gaandeweg waren de triomfantelijke visioenen die hij zo behoedzaam in zich opgeborgen had uit hem weggezakt. En tegelijk met hen de woorden, de gedragingen die deze visioenen begeleidden, of liever: die ze konden oproepen en als vanzelf met haast mathematische zekerheid in de werkelijkheid doen ontstaan – met hem als middelpunt. Als hij maar niets vergat. Hij had die woorden en die gedragingen zorgvuldig op een briefje geschreven om ze steeds beschikbaar te hebben en ze elke dag gerepeteerd. En ‘s avonds voor hij ging slapen bekeek hij ze en hij overdacht de gebeurtenissen die het mogelijk zouden maken dat hij zich zo bewonderenswaardig gedroeg en zich eindelijk zou kunnen tonen. En hij bekeek ze ‘s morgens als hij opstond, zodat de hele dag, elke handeling in die dag door hen bepaald zou zijn. Bijna onmogelijk dat er dan nog iets fout ging. En soms bekeek hij ze als hij alleen was in zijn kamertje, ongelukkig, bang, niets lukte, altijd zou dat zo blijven, de starre benauwdheid die van de dingen uitging. Wat moest hij beginnen. Ze hielden niet van hem. Ze bewonderden hem niet. Hij was niet aardig. Het was onbegrijpelijk, waarom was hij niet aardig? Wat moest hij dan doen… Hij bekeek het briefje met de woorden, de gebaren, bewegingen, antwoorden, die hij zo zorgzaam opgeschreven had en die stuk voor stuk een toegang betekenden, al was het nog maar een eerste begin. Meteen zag hij voor zich hoe hij die bijzondere dingen deed of zulke opmerkelijke woorden gebruikte (het woord ‘autark’ bijvoorbeeld of ‘inherent’, zomaar losjes in een of andere zin en natuurlijk ‘überhaupt’, of het woord ‘verdomme’ achteloos en haast onverschillig gebruikt bij kleine tegenslag), en hoe de andere jongens op zouden kijken, vrijwel terugdeinzen als hij zoiets indrukwekkends zei. Dit hadden ze niet van hem verwacht. Onmiddellijk zou hij dan met iets anders komen om het succes vast te houden. Het superieure gebaar bijvoorbeeld dat hij dagelijks voor de spiegel geoefend had. Glimlachend en waarschuwend zijn vinger op zijn lippen leggen als iemand iets vervelends zei… ssst… zou hij dan zeggen. Of die brede en superieure beweging van arm en geopende hand om ruiterlijk voorrang te verlenen of kameraadschappelijke sportiviteit uit te drukken – eveneens glimlachend. Ze stonden ervan te kijken. De volwassen manlijkheid van zijn houding en uitingen zou hen voor hem innemen. Dat zou blijvend zijn als hij maar eenmaal het eerste begin had. Het waren houdingen en gedragingen van een grote helderheid. Hij werd bijvoorbeeld op een fout betrapt. En glimlachend wendde hij zich tot de jongen die hem terecht wees, niet schuw of nijdig, maar met ogen warm van vriendschap. ‘Je hebt gelijk,’ zou hij zeggen. ‘Die is voor jou.’ ‘Eén-nul.’
En vrijwel onmiddellijk zou die jongen hem anders zien, als een vriend, als een kameraad, en andere jongens die erbij kwamen en het zagen…
En altijd glimlachen wat er ook gebeurde. Nooit somber kijken of blikken vermijden. Niet schuw zijn maar altijd wat terug zeggen, ook als ze scholden of hem uitlachten of belachelijk maakten – en meelachen, niet venijnig maar royaal en losjes, alsof hij erboven stond – onverschillig, maar sportief. En rustig praten omdat hij anders ging stotteren. En iedereen altijd recht aankijken. En zijn hoofd iets achterover houden, maar zó dat hij, hoewel zeer mannelijk, haast al volwassen, toch heel aardig leek, op een vriendschap en enthousiasme wekkende manier, zodat ze altijd bij hem wilden zijn. En als iemand boos werd moest hij niet schichtig worden of bang zijn. Een jongen zou bijvoorbeeld ‘klootzak’ zeggen, of ‘donder op lul’, en dan zou hij onverschillig glimlachen – glimachen was belangrijk – en er voor moeten zorgen dat hij niet wegkeek of geschrokken fronste en niets meer durfde te zeggen – en vooral zijn ogen beheersen.
Hij zou zeggen – net als alle andere jongens – ‘gooi niet met vleeswaren joh’ en hard lachen, zodat die jongen wel gedwongen was ook te lachen en elke schrik en gekwetstheid door lachen vervangen werd. En als die jongen toch doorging zou hij zeggen: ‘je bent zelf een lul’, ‘je bent zelf een klootzak’, koel, onverschillig en niet geschokt door de houding van die jongen of niet meer in staat naar die jongen te kijken, omdat die zijn ogen niet mocht zien: het trillen daarin, de geslagenheid, de tranen die soms in zijn ogen sprongen; want deze jongen had een hekel aan hem, hij vond hem niet aardig maar belachelijk, en hij durfde dat zomaar te zeggen, hij vond het zelfs niet belangrijk hem te vriend te houden. Hij moest glimlachen en terug kijken, onverschillig, ongeschokt. Dat zou niet meevallen. Iets in hem verstarde dan, kromp ineen. Onmogelijk nog te reageren. Hij zou gaan stotteren als hij dat deed. Maar het moest. Als hij maar hard lachte en niets liet merken. Het zou helpen: lachen. En af en toe zou het noodzakelijk zijn dat hij zelf een beetje kwaad werd, of op zijn minst koel en terughoudend, omdat ze anders zijn vriendelijkheid niet voldoende zouden waarderen… Ook moest hij als jongens bij elkaar stonden daar bij gaan staan en niet wachten tot ze het vroegen, – en gelijk meepraten, en altijd grappen maken, zodat ze zouden lachen en hem opmerken – Lachen was belangrijk. Hij moest ze altijd aan het lachen maken. En niet te veel en te snel praten. En steeds even wachten om te kijken of ze nog wel geïnteresseerd waren…
Hij had het briefje met al die voornemens, die superieure gedragingen, die slimme en gewiekste reacties in zijn kamertje met een punaise aan de muur geprikt, verborgen achter een langs de wand gedrapeerd kleed – en voor de zekerheid met de lege kant naar voren en dubbelgevouwen – zodat niemand het zou kunnen vinden en zou weten, zou vermoeden wat hem bezig hield, en hoe oneerlijk en vals hij was met al die berekening, al die trucjes – zo heel anders dan hij zich voordeed: zijn onechtheid, de beschamende smoezeligheid van zijn bestaan tussen die andere jongens die gewoon zichzelf waren, argeloos zonder valse heimelijkheid, en die aardig tegen hem zouden zijn omdat ze dit niet wisten. Maar deze voornemens waren een eerste begin, hoe beschamend ook, als hij ze maar goed onthield en niets vergat. Als dat eerste begin er was zou het vanzelf verder gaan. Het zou zich uitbreiden als een olievlek. En al het smoezelige van zijn bestaan, al die valsheid, de beschamende onechtheid van zijn gedrag, zou vanzelf verdwijnen, en daarmee de wereld waarin hij geplaagd werd en uitgelachen en al het andere – En wat had Churchill gezegd: ‘De tegenslagen in mijn leven, de rampen en vernederingen zijn nodig geweest, zie ik nu, om te worden die ik ben.’
Zo ging dat. Misschien had Churchill, hoewel hij er nooit over had gelezen en het haast ondenkbaar was, ook zulke problemen gehad.
Als glanzende fonkelende knopen lagen ze in zijn bewustzijn gereed, de woorden en gedragingen die hij dagenlang gerepeteerd had, en met hen de beelden, de triomfantelijke visioenen. Hij streek langs ze en betastte ze, ze waren er nog, helder en koel als kralen. Hij hoefde zich maar op ze te concentreren, en de wereld die in ze besloten lag zou zich vanzelf ontvouwen, beheerst en overzichtelijk, afgepast als een choreografie. Hij was veilig zolang zij er waren. Aan hen dankten de dingen hun kleur. Zij bepaalden de heldere zichtbaarheid tot de horizon.
En al die tijd – al die wegen en dwalingen, de kruidigruikende bospanden, de blinkende vlakten – had hij ze als een beschermende vertrouwdheid in zich gevoeld, en ze soms voorzichtig, heel terloops betast. Ze waren er nog. Niets zou voor hem onmogelijk zijn.
Maar tegelijk met zijn vermoeidheid, de doffe pijn in zijn lichaam, de niet-eindigende boswegen onder de steeds zwaardere, benauwde lucht, de warmte, het dreigende onweer – en zijn uitputting, zijn angst – waren ze één voor één uit zijn bewustzijn weggezakt, flets en krachteloos geworden. De opdracht zou te groot zijn. Hij zou het niet kunnen.
De in elk dorp en in elke stad toenemende groep jongens en meisjes die vriendschappen vernieuwend en luidruchtig kampliederen zingend zeer langzaam naar het Veluwedorp – in de omgeving waarvan het zomerkamp gehouden werd – fietste, had hij gemeden.
Jongens en meisjes die zelfs vanuit Rotterdam en nog wel verder per fiets met koffers en rugzakken naar het kamp gingen.
Er was al maanden van te voren overlegd en geschreven waar ze elkaar zouden ontmoeten en hoe laat, zodat ze ruim voor vijf uur, het tijdstip van het grote appèl, in het kamp aanwezig zouden zijn. Ook hem, Ewout, was gevraagd mee te rijden, maar hij had geweigerd; hij zou later gaan, op eigen gelegenheid. Het ging hem veel te langzaam. Hij moest nog veel doen voordat hij kon vertrekken. En hij had gedacht: ik ben veranderd, ze zullen opkijken. Met een schokje, alsof hij zijn adem inhield – omdat zelfs ademhalen de roerloze helderheid van dit beeld zou kunnen verstoren – zag hij het voor zich: onverwachts, zonder aankondiging of teken verscheen hij in hun midden: hun verrassing, hun geschokte verbazing. En ze zouden hem nauwelijks herkennen. In de stilte die na zijn aankomst viel zou hij ze één voor één toespreken, ieder op z’n beurt, hoffelijk, met vriendelijke maar kalme belangstelling – als een volwassene. Hoe ging het nu? Hoe was het afgelopen jaar geweest? Waren ze overgegaan…?
Hun gedempte bewegingen, de bleekheid van hun gezichten; en tussen hen, in de wijde kring van hun aandacht zijn langzame voortgaan. Hij zou zeggen: ‘Dit moet een geweldig zomerkamp worden, jongens, denk eraan’. ‘Laten we dat nu eens en vooral samen met elkaar afspreken…’ ‘Ik reken op jullie.’
Lichtheid en geluk. Hij moest dit beeld vasthouden. Hij moest het steeds blijven zien. Alleen het feit al dat hij zich zoiets kon voorstellen, met hemzelf als middelpunt, was een teken, betekende iets. En hij had gedacht: het zou niet zichtbaar zijn als het niet kon. Daarna dacht hij aan al die andere jongens die hij onbenullig vond of onbelangrijk, zijn beste vriend Bernard bijvoorbeeld. Onmiddellijk zag hij het verschil. Ze zouden die rol niet kunnen dragen, met die te bolle gezichten zonder kin en met zo’n brilletje, of met zo’n star en onbeweeglijk uiterlijk, of juist te beweeglijk met rare kinderachtige giechellachjes – of scheel of dik… Ze zouden zelfs al die aandacht niet krijgen. Er was iets fout in hun houding, hun uiterlijk maakte het onmogelijk, dat wist je zo als je ze in die situatie voorstelde. Hij zag hun dankbare lachjes voor zich, hun verlegenheid, hun zwijgen, ze zouden hulpeloos en bevangen wegkijken als iedereen zo op ze lette, of gek gaan doen. Maar hij niet, hij was anders – in ieder geval later, als hij precies wist hoe het moest, zou hij anders zijn. Niets in zijn houding of uiterlijk zou het dan verhinderen of onmogelijk maken. Later, maar ook nu al in het zomerkamp. Het zou moeilijk zijn, maar niet onmogelijk. Hij stelde zich voor hoe het zou zijn als hij daar zo rondliep omgeven door hun vriendschap en bewondering, en zich rustig en toch innemend van de een naar de ander wendde. ‘Gaat het goed met je?’ zou hij tegen het dankbare en aanhankelijke gezicht tegenover hem zeggen, ‘Hoe is het met je ouders…?’
Hij stelde zich voor hoe dat zou voelen, al die aandacht, hoe hijzelf dan zou zijn, niet bevend en dankbaar, maar koel onder een aandacht die nu niet meer in hem drong, die hem niet meer veranderde of bewoog, maar die hij zou ondergaan alsof het vanzelf sprak. En ook de ruimte om hem heen zou niet koortsachtig en flakkerend zijn, doorschoten met schrikwekkende aanwezigheden zodat hij steeds in de war raakte, maar kalm, rustig en als het ware stilgelegd om hem heen in dienstbaarheid; alsof hij door zijn glimlachende rust de ruimte zelf beheerste. Hij kon het nog niet helemaal zien. Zijn aankomst bij voorbeeld, of hoe hij al die aandacht en bewondering zo plotseling verworven had. Hij zag een gedrag voor zich, een uitwisseling tussen hem en die andere jongens als een breed rustig ademen. Verder geen details, geen echte bijzonderheden. Maar als ze nou helemaal niet op hem letten of maar even… Wat dan, wat moest hij dan doen? Of als ze hem uitlachten… Want al was het allemaal mogelijk, ja haast onontkoombaar, die triomfen, die successen, dat was zeker – het moest eerst zover komen. Hij moest iets doen, iets aan zichzelf veranderen, voordat hij zo indrukwekkend en geliefd zou zijn, maar wat? Hij dacht: ik zou een groter hoofd moeten hebben, onbeweeglijker en toch glimlachend… dat zou alles anders maken – of die dikke lippen, dat ene loensende oog. Er waren vreemde hinderingen en onmogelijkheden om het zover te brengen, maar dit beeld hielp. Hij zou veranderen, als hij het voor zich bleef zien. De kleur die het bezat, het superieure ritme en evenwicht zou zich aan alles wat hij deed – en aan de dingen om hem heen – meedelen: zoiets als een rails waarvan de wissel was omgezet. Met een solide wetmatige precisie zou het vanzelf van het een naar het ander voeren. Het zou niet meer anders kunnen, als hij dit beeld maar voor ogen hield.

De dagen voor zijn vertrek waren vol hoopvolle maar angstige verwachting geweest. Kon het zomerkamp maar uitgesteld worden, later plaats vinden, zodat hij eerst nog… maar ja, wat? hij wist het niet. Of nog beter: was het kamp maar vast voorbij, zodat hij er nu tevreden op terug kon kijken zonder angst of twijfel; een afgeronde voldragen vorm die achter hem lag, onaantastbaar in het verleden. Maar hij wist het al: ook dat zou niet definitief zijn, niet onveranderbaar, want zomaar iets, een woord of een gebaar, een lachje van een of andere jongen, smalend en laatdunkend, waar hij nooit meer aan gedacht had, zou hem toch nog te binnen schieten; een ontijdig afwenden dat hem toen niet was opgevallen, omdat het in de marge van iets anders plaats vond, als het ware in zijn ooghoeken: een knipoog, een blik, iets onbelangrijks, dat hem niet werkelijk aanging. En dat lachje, die knipoog, die blik schoot potseling in het centrum van het gebeurde, kleurde onafwendbaar alles wat voorgevallen was. Hij kon het niet meer tegenhouden, hij kon het niet meer terugdrijven naar de uithoeken waar het thuis hoorde. Want ook dit was gebeurd, ook dit telde mee. Alles was van belang, alles, ook dit. Die jongen die wat achteraf stond, op wie hij nauwelijks had gelet, die jongen had geknipoogd, hij had gelachen, een beetje smalend, een beetje alsof hij zijn schouders ophaalde. Hij had gelachen, terwijl dat niet de bedoeling was geweest.
Nu zag hij het opeens. Hij had het toen niet echt gemerkt. Hij lachte, hij knipoogde. Waarom? Waarom? Ze hielden niet genoeg van hem. De kramp van afschuw die hem doortrok. Wat moest hij dan doen? Wat moest hij doen… Leeg zijn, roerloos zijn, tot het voorbij was, tot het onschadelijk was geworden. Maar hij kon het niet meer, want met een soort ademende pulserende beweging in zijn bewustzijn schoof wat hij opeens zag over alle dingen heen, over een werkelijkheid, een wereld die zojuist nog hoopvol, haast doorschijnend in zijn benaderbaarheid, zijn kenbare eenvoud had geleken. Alles was walgelijk. Alles was ondraaglijk. Iedereen. Al die jongens, alles wat zij deden, die glimmende lachjes, dat gulzige opdringerige gegrinnik, hun kijken, het lawaai dat ze maakten en dat als een golf tegen hem aansloeg – ondraaglijk, want dat ene lachje, die ene knipoog… Wat moest hij beginnen? Kou, een kille stijfheid die het hem niet meer veroorloofde een beweging te maken, trok langs zijn huid en in zijn lichaam omhoog. Nooit zou hij aan de eisen, de verwachtingen kunnen voldoen. Er was geen einde aan de geboden, de opdrachten, de uitdagingen, de duizenden dingen. Kon hij maar weg zijn, niet meer bestaan, een ander worden. Het zou nooit meer goed komen. Nooit zou hij meer zichzelf kunnen zijn, helder, samenhangend met iets, zichzelf genoeg, zoals vroeger – want niets sprak meer vanzelf, geen beweging, geen woord, geen blik, niets, en nooit zou het meer vanzelf spreken. Het gewicht, de stroeve moeizaamheid van alles.

De ochtend voor zijn vertrek was hij bedrijvig in de weer. Hij had alle voorbereidingen naar die ochtend verschoven: kleine reparaties en verbeteringen aan zijn fiets, boodschappen die hij nog moest doen, een klein stukje proef-fietsen…
De ochtend zou van het begin tot het eind gevuld zijn. Hij zou misschien zelfs tijd tekort komen, zodat hij gehaast en zenuwachtig van het een naar het ander zou moeten gaan in een vrolijke, de wereld vullende geagiteerdheid die aan niets anders plaats bood dan aan angst dat hij iets zou vergeten, of bezorgdheid dat hij niet op tijd klaar zou zijn. Er zou geen moment stilstand zijn: de lege vormloosheid tussen twee handelingen die het onrustbarende een kans gaf. Hij moest nog bij iemand langs, hij wilde een boek kopen, hij moest nog dit doen en dát. Hij gunde zich geen tijd om na te denken. Hij zou gaan twijfelen als hij dat deed. Het was noodzakelijk zichzelf leeg te houden, zonder werkelijke gedachten of gevoelens, behalve gedachten aan al die kleine dingen, die boodschappen, die handelingen en reparaties die geen enkele bezorgdheid of angst bij hem wekten, hoe zenuwachtig hij ook deed. Want alles was op te lossen, en zelfs als hij iets vergat maakte dat niet uit, was dat niets.
En achter al die handelingen, die bezigheden, die bezorgde zenuwachtigheid om van alles en nog wat, de gewaarwording van iets hards, de gewaarwording van uiterste concentratie, van uiterste beheersing die als een strak gespannen boog over een ruimte stond vol schitterend licht – en dat was de toekomst, dat was hijzelf – maar geen détails daarin, of afleidende en angstwekkende bijzonderheden.

Het werd middag. De anderen die gezamenlijk fietsten moesten de provincieplaats waar hij woonde al gepasseerd zijn. Maar hij vertrok nog niet. Hij ging als voorbereiding op de tocht met zijn beste vriend Bernard, die hem het eerste stuk zou begeleiden, naar een ijssalon. Hij dronk een cola. En daarna at hij een sorbet. Hij rookte een sigaret, op zijn gemak achterover hangend in het doorbuigende metalen stoeltje. Hij had alle tijd. Moeiteloos zou hij in vijf uur de vijftig kilometer die hem van het kamp scheidden kunnen overbruggen. De anderen maakten omwegen naar dorpjes om daar kampgenoten op te halen. Ze stopten om te wachten en ze te begroeten. Hij zou geen tijd verliezen door omwegen of vertragingen. Als een soepele ononderbroken lijn beeldde de tocht van hier tot het zomerkamp zich in zijn geest af. Een vreugdevol gebeuren, zuiver door de eenvoud van deze het uiterste vergende krachtsinspanning. Hij voelde de minuten verstrijken met het langzame bonzen van zijn hart, het tikken van zijn linkervoet op de betegelde vloer, en daarna zijn rechtervoet. Het onverwacht opkomen van een trilling in de spieren van zijn kuiten en dan van zijn dijbenen. En onophoudelijk moest hij gapen, met rukkerige schokjes van houding veranderen, zich uitrekken. Het werd later, maar hij vertrok niet. Steeds onbeweeglijker en op den duur bijna zwijgend zat hij in de ijssalon met zijn beste vriend Bernard, een jongen die nog woorden als ‘potjemeknaatje’ en asjemenou’ gebruikte, en die gekleed ging in kinderachtig geblokte truitjes en afhangende plusfours, op zijn hoofd droeg hij bijna altijd een bruine alpinopet. Bernard was een beetje belachelijk. Wanneer iemand iets aan hem vroeg of zelfs maar naar hem keek begon zijn gezicht eigenaardig te bewegen, alsof hij reeds bij het eerste woord, de eerste blik, vrijwel bestormd werd door de behoefte goedwillendheid uit te drukken, gretige haast om te antwoorden, aangenaam en behulpzaam te zijn. Met kaarsrechte, zeer platte rug en ver naar achteren uitstekende billen helde hij voorover om toe te snellen. Zijn wenkbrauwen sprongen op en neer, hij keek scheel, hij werd rood. Het was een gedrag dat zowel schrik en onhandigheid als een overstelpend goede wil en explosieve bereidwilligheid uitdrukte. Al kon dat soms zomaar omslaan in norsheid en bleke koppigheid. Hij was een beetje belachelijk, hij was raar en kinderachtig. Hij wekte een gerustellend medelijden in Ewout op. Bernard had het nog niet begrepen, hij zou Bernard helpen.

Samen met Bernard zat hij in de ijssalon, loom en wijdbeens achterover hangend, een sigaret in zijn mondhoek. Vrijwel sprakeloos in plaats van praterig en druk zoals anders, en – het verbaasde hem – onverwacht traag, alsof elk gebaar, elke woord langzaam uit een diepe ruimte, een gewelf van stilte en roerloosheid opdoemde, hoorbaar werd.
Het was of de wereld om hem heen dichttrok, terwijl hij daar zat en wachtte en bijna niets meer zei en zijn vertrek steeds uitstelde. En of de dingen, de ijssalon, de huizen en winkels buiten en het harde licht daarop, zijn vriend Bernard naast hem, of al die dingen terugweken, wegdreven achter de dommelige, soezerige nevel die als een gordijn om hem heen geschoven was; wegdreven in een gewatteerd bestaan waar al hun kantige hardheid, hun schelle glanzerige directheid verdwenen was. En alsof hij in die leegte om hem heen, in de kokerachtige smalte van zijn geest bij elke ademhaling zich meer en meer volzoog met spanning, concentratie: een ronde volheid die hem steeds trager en roerlozer maakte – en met dat andere: en dat andere was het fietsen zelf, de handelingen die hij zou moeten verrichten, de snelheid die hij nu al bijna voelde (en ook zijn volharding, zijn moed en zijn vorderingen over wegen en straten. O, ongehoord. Ongehoord.) En eigenlijk vond dat allemaal nu al plaats, terwijl hij hier zat, nog wel niet echt zichtbaar, maar als een verschieten ergens vlakbij hem, zodat zijn spieren zich spanden en hij soms met een rukje een trappende beweging maakte, of hijgend voorover schoot en die beweging moest camoufleren door zich uit te rekken, te gapen. En wat hij zag was een koortsachtig en toch soepel, haast streepachtig snel bewegen, een uiterste krachtsontplooiing. En aan het eind daarvan tenslotte, na de tunnelachtige nauwte die deze inspanning, deze concentratie hem oplegde, als afronding van zijn uiterste inzet een visioen van het kamp, onverwacht zich openvouwend onder een zeer helder licht: de barakken, laag en langgerekt naast elkaar en haaks daarop de eetzaal. En daarvóór – reeds in slagorde opgesteld om hem te begroeten – de jongens en meisjes van het kamp, die bleek met ernstige gezichten van verwachting, zijn aankomst gadesloegen.
In tenten zouden ze slapen, hij en de andere jongens; hij kon bijna niet meer stil zitten als hij zich dat voorstelde: de tocht, zijn aankomst, de tenten en daarna, daarna… (Een ogenblik dacht hij eraan dat het misschien niet doorging, die tenten, en dat hij toch naar het grote kamp van de ouderen zou moeten. Maar Dick en de andere jongens, zijn vrienden, zouden dat niet toestaan… Dit was het, deze tocht en zijn aankomst, hun ernstige verwachtingsvolle gezichten, de tenten… hier moest hij zich op concentreren. Pas als hij dit goed zag, dit haarscherp voor ogen had, geheel van dit beeld vervuld, doordrongen was, pas dan, op dat moment van uiterste spanning, van uiterste zichtbaarheid, als het al bijna te laat zou zijn om nog te vertrekken, als het bijna niet meer kon, pas dán, juist dán, zou hij plotseling opstaan en zijn fiets pakken – licht en veerkrachtig – en wegrijden, onmiddellijk op snelheid, moeiteloos, alsof hij gelanceerd werd. En meteen zou Bernard, hoewel hij groter en sterker was, een stuk achter blijven. Hij zag het voor zich. Dat kwam ervan. Met een gevoel van medelijden, maar ook met voldoening keek hij naar Bernard. Nooit zou Bernard al die bewondering en populariteit die hem ten deel zouden vallen meemaken, daar was hij niet genoeg een persoonlijkheid voor. Hij zou raar gaan doen, met van die lachjes, en van die klapwiekende gebaren, en overgedienstig over zijn woorden struikelen. Dat werd niets. Of juist stil en bevangen van iedereen wegkijken, zoals nu, hier in de ijssalon, ergerniswekkend apathisch en onbenaderbaar, met zo’n grauw en lusteloos gezicht. Dat zou nog problemen geven bij het fietsen. Misschien zou Bernard hem echt niet bij kunnen houden als hij zo lusteloos en apathisch bleef. Maar dan zou hij toch bij Bernard in de buurt blijven, hij zou zijn snelheid verminderen zodat Bernard mee kon komen. Op een of andere manier vergrootte dit voornemen zijn gevoel van kracht en triomf nog.
Pas na vele kilometers, als Bernard ondanks hun geringe snelheid klagend achterbleef zou hij stoppen, verbaasd maar heel geduldig. ‘Dit wordt niets,’ zou hij zeggen, terwijl hij ernstig, zijn gezicht hooggeheven, in de verte keek (een jongen die belangrijke dingen aan zijn hoofd heeft, die moeilijkheden zal overwinnen en grote prestaties zal leveren). ‘Zo gaat het niet.’ ‘Ik geloof dat je nu maar beter terug kunt gaan,’ zou hij zeggen. En nog meer van dat soort zinnen. En daarna achteloos: ‘dan kan ik tenminste zelf opschieten.’ ‘Sorry, maar het is niet anders.’ Bernard zou verslagen naast zijn fiets blijven staan en hem een beetje verlangend, stelde hij zich voor, spijtig omdat hij niet verder meemocht, nakijken, terwijl hij bliksemsnel en zeer gesterkt wegfietste, op slag in de verte verdween. Op weg. Op weg.

Vrijwel onmiddellijk na hun begroeting, terwijl ze samen naar de ijssalon liepen, had hij Bernard gevraagd hoe het ging. ‘Is het al een beetje over?’ vroeg hij. Misschien vanwege de kinderachtige joligheid waarmee Bernard reeds van een straat ver naar hem riep en zwaaide toen hij hem zag: druk grimassend en heen en weer hopsend op het zadel van zijn fiets, een en al uitbundigheid en onbegrijpelijke ergerniswekkende voorpret. (Terwijl hij, Ewout, juist zo ernstig was, zo geconcentreerd.) Het was te uitbundig, het was te enthousiast. Dat scheel kijken, die opgewonden bewegingen. Alsof Bernard hem iets ontstal. Alsof hij hem iets afnam. Wrevel daarover, nijdigheid. ‘Hoe is het nu?’ vroeg hij, en het was of hij met een schokje in zichzelf opveerde bij die woorden. ‘Ik bedoel… eh gaat het al weer wat beter?’ En Bernard had ‘Hè?’ gezegd, ‘Hoezo?’ en verbaasd zijn passen ingehouden om naar Ewout te kijken, ‘Ja, natuurlijk,’ zei hij argeloos, ‘ik…’ Toen zag hij Ewouts gezicht en Ewouts ogen die meelevend, met veelbetekenende nadruk, op hem gericht waren, oplettend, buitengewoon aandachtig als een volwassene die zich niets zal laten ontgaan. Bernard verbleekte. Een trek van diepe ergernis schoot over zijn gezicht, terwijl hij stug en vijandig naast Ewout keek. Ter plekke was al zijn enthousiasme verdwenen. ‘O,’ zei hij alleen maar. ‘O.’ Hij keek niet meer naar Ewout.
Meteen voelde Ewout zich meer op zijn gemak, hoewel toch ook wat ongerust omdat Bernard nu misschien boos weg zou gaan. Maar Bernard ging niet weg. Hij liep mee naar de ijssalon, gedwee, zonder protest zijn fiets aan de hand. Hij zei niets. Hij wilde geen sorbet. Hij wilde niets drinken. Roken deed hij ook al niet. Maar Ewout had volgehouden. Hij begon voorzichtig opnieuw. En bij elk woord groeide zijn medeleven met Bernard; een gevoel van zachtheid, deernis haast, ondanks het walgelijke dat Bernard in zich borg. En ook een gevoel van warmte voor Bernard, en bezorgdheid omdat Bernard zich zo’n opmerking zo aantrok en er nu zo verslagen bij zat. Dat was heel erg, hoewel, aan de andere kant… En ook spijt over de kloof die hen nu voorgoed scheidde. Dat kon niet anders als je zoiets smerigs wilde met je beste vriend. ‘Nou,’ zei hij voorzichtig – hij keek hulpzoekend om zich heen – ‘ik heb er nog eens over nagedacht.’ Hij wierp een snelle blik op Bernard. Het was al de derde keer binnen een paar weken dat hij dit zei, en elke keer was Bernard even stug en even bleek geworden. Bernard reageerde niet bevredigend.
‘Ik vroeg me af,’ zei hij, ‘of je er nog steeds last van hebt. Of had je het alleen toen maar, toen ik… of eh… nou…’ Hij ging wat rechter zitten. Hij keek opnieuw naar Bernard, die bleek en lusteloos en machteloos geërgerd (en ergerniswekkend) voor zich uit keek en nauwelijks reageerde. ‘Daar moet je wat aan doen, joh,’ zei hij. ‘Dat is heel verkeerd. Daar word je ziek van.’ In zijn stem klonk het medeleven dat hij een ogenblik echt voelde. (Hij dacht: zal ik vragen of hij om meisjes geeft of aanbieden samen met hem en een meisje uit te gaan, zodat hij kan leren hoe het moet. Maar dat was al een keer gebeurd, en het meisje had, vreemd genoeg, alleen aandacht voor Bernard gehad, hoe leuk Ewout ook deed. Dat was de oplossing dus niet.) ‘Je moet ervan af zien te komen,’ zei hij. ‘Zoiets moet je onderdrukken. Daar moet je tegen vechten.’ Hij boog wat naar voren, oomachtig vertrouwelijk en begrijpend. ‘Bij mij geeft het niet als ik het weet, ik bedoel dat geeft niet, al vind ik zoiets natuurlijk… eh…’ Hij maakte een klein schetsend gebaartje in de ruimte voor hem… ‘maar als anderen het te weten komen… Daar moet je voor oppassen joh. Dan wil niemand meer iets met je te maken hebben.’ Hij keek strak naar Bernard. Hij wachtte even. Een gevoel van grote helderheid, van grote zekerheid was in hem opgeweld. Alles was hem duidelijk. Zijn minzame en nobele rol later in de toekomst bijvoorbeeld, en nu al, hier in de ijssalon en binnenkort in het kamp… zijn medelijden met Bernard, de behoefte hem te beschermen en te helpen, een zacht en vol gevoel dat ook hemzelf plotseling ontroerde: dat hij zoiets kon voelen, zoiets goeds, zoiets moois en nobels, en dat niemand dat van hem wist, ook Bernard niet.
(Het was bijna dezelfde ontroering als hij soms had bij muziek. Die keer dat het Leger des Heils speelde op een straathoek bij de brug over de gracht toen het stormde. En hij daar stond en met geen mogelijkheid weg kon komen, bijna schaterend temidden van het schrille krijsen om hem heen, de zweepslagen van geluid, die zomaar opeens halverwege een melodie in rafels en flarden weggleden en ijl om de hoek woeien, terwijl iedereen toch uit alle macht toeterde en blies en zijn uiterste best deed. En dan was het geluid terug. Opnieuw de overweldigende dreunen, het snerpende kabaal dat door de wind meegevoerd recht op hem afkwam. Het overstelpende gevoel toen van weidsheid waarin hij niet meer wist wat hij moest doen, alsof hijzelf, zijn lichaam en zijn bewegingen te klein waren, te nauw en roerloos om dit gevoel te verdragen. Hij zou moeten springen en rennen.
Alles was reusachtig, het bestaan, de wereld, het leven, het was prachtig en overweldigend. En tegelijk was het onherbergzaam, was het kil en meedogenloos. En dat was goed, dat was juist prachtig omdat het was zoals het was. In die kilte, die meedogenloosheid die hij nu opeens wist en besefte, zou hij worden, zou hij bestaan en leven, wat er ook gebeurde. En hij zou even kil, even meedogenloos zijn, maar toch anders, niet als medeplichtige, maar kil omdat hij dit wist, dit zag en begreep. Want niets zou te verlossen zijn: de handenwringende deernis die hij voelde.
Al zouden de vreselijkste dingen hem overkomen: ziekten, of dat hij geplaagd werd, of niet aardig werd gevonden: het zou toch niet erg zijn. Hij zou alles kunnen verdragen. Hij zou onvernietigbaar zijn. En tegelijk was er een gevoel van verdriet, maar zacht en troostend, verdriet om de verlorenheid van alle dingen, en omdat de dingen nu eenmaal zo waren en dat hij dat wist en begreep; zo waren de dingen nou eenmaal. Als anderen eens konden vermoeden dat hij zulke grootse en prachtige gevoelens in zich borg, ze zouden hem meteen heel anders zien.)
‘Je hebt er nog steeds last van hè?’ vroeg hij zachtjes aan Bernard. Hij had het gevoel dat hij zijn hand moest uitsteken om Bernard aan te raken en op die manier te overtuigen van zijn vriendschap en hartelijkheid, zodat Bernard niet meer zo lusteloos zou zijn, maar juist blij, omdat hij nu wist hoe aardig Ewout was, hoe nobel, hoe fijn zijn gevoelens waren.
Op hetzelfde moment deed hij dat ook bijna, maar Bernard dook ineen, maakte huiverende bewegingen met zijn schouders, en Ewout deed het niet. ‘Ik kan het voelen als je het weer hebt,’ zei hij. ‘Ik voel iets… tja…’ hij kantelde twijfelend zijn hand in de lucht. ‘Alsof ik iets zweterigs voel, iets klams, als je dicht bij mij in de buurt bent. Alsof je heel erg zweet of zoiets. Dat kan niet gezond zijn. Dat moeten anderen ook merken.’ Hij keek zoekend om zich heen. ‘Het is alsof ik het kan ruiken als je dichtbij komt,’ zei hij. Hij snoof een beetje om het te demonstreren. Meteen dacht hij aan iets nieuws. ‘Heb je dat ook bij andere jongens?’ vroeg hij met een gevoel van inzicht opeens, en ook deernis met Bernard, die het niet kon helpen dat hij zo was, en spijt: een gevoel dat toch ook glanzend en warm was. Want nooit zou hij Bernards verlangens kunnen vervullen, nooit! Hoewel Bernard smekend in zijn buurt verbleef, Bernards hoop zou vergeefs zijn. Zijn verdriet daarover. Zijn liefde, zijn hunkerende aanwezigheid, smachtend maar vergeefs. Hij zag het voor zich. Hij zou Bernard nooit in de steek laten. Hij zou vriendelijk voor Bernard zijn, het hem uitleggen. Nee, je moet begrijpen, zo ben ik niet…
‘Heb je dat ook bij andere jongens,’ vroeg hij, ‘of alleen bij mij?’ Maar Bernard reageerde niet. Ergerniswekkend, bleek en onbenaderbaar, en nog lustelozer, nog grauwer dan eerst hing hij achterover in zijn stoel. In een van de pijpen van zijn ouderwets lange en wijde korte broek was een testikel zichtbaar. Een onrustbarende bobbel toonde aan dat zijn lul weer recht overeind stond. Al bleef hij, Ewout, zitten en was hij van school gestuurd – de tweede keer al, en het internaat en het verdriet van zijn moeder, en de politie en al het andere, de afschuwelijke dingen die soms gebeurden en die niet meer mochten voorkomen – zo’n vieze neiging die zou verhinderen dat hij werd zoals hij moest zijn had hij in ieder geval niet.
Het was stil in de ijssalon. Ewout keek naar zijn glas cola en naar het lege vies-vlekkerige en nauwelijks doorzichtige sorbetglas daarnaast met de reusachtige lepel, en daarna opnieuw naar Bernard, onderzoekend en en beetje voorzichtig, maar Bernard reageerde niet. Dit werd niets. Hier had je niets aan. Het kwam door zijn ziekte, dat Bernard niet dankbaar kon zijn, en blij dat hij zo aardig was, zo meelevend en vol begrip – en toch maar zijn vriend bleef, en niets aan anderen zou vertellen. Je had er niets aan als je zo je best voor hem deed. Onmiddellijk begon Ewout weer aan het kamp te denken en zijn tocht er naar toe: nergens stoppen, want dan was het mogelijk dat hij niet meer in zijn ritme kwam; en in het begin niet te snel maar juist rustig, om zo te zeggen terughoudend wegfietsen – hoewel ook dan nog zeer snel. Daarvoor zou het goed zijn als Bernard meeging, zodat hij wel gedwongen was langzaam te rijden – Het zou eerst lijken of hij het niet haalde, of hij op het schema achterbleef, maar dan, gaandeweg, als hij merkte dat het ging, zou hij steeds sneller gaan, zodat hij tenslotte ongekend snel vorderend ruimschoots op tijd zou aankomen.

‘Meisjes versieren,’ had hij een paar weken geleden tegen Bernard gezegd. Hoewel Bernard eerst niet wilde was hij toch meegegaan. Bernards aanwezigheid was noodzakelijk. Het contrast tussen hen zou meisjes iets duidelijk maken. Maar al had hij voordat hij vertrok twee glazen van de door zijn moeder in de keukenkast achter pannen en emmers verborgen vruchtenwijn gedronken – en daarna nog een grote slok uit de fles – om niet schuw te zijn, alles te durven te midden van die gevaarlijke grote jongens, die bijna volwassen meisjes, toch was het niets geworden, hoe stralend en nadrukkelijk glimlachend hij ook naar al die meisjes keek die gearmd en samen giechelend in de straten van de binnenstad paradeerden – of in de verte veelbelovend om straathoeken verdwenen, zodat hij zeer snel wandelend de afstand probeerde te overbruggen. Naast hem Bernard, kinderachtig giechelend. ‘Asjemenou, wat een leuk grietje, potjandorie,’ zei hij vol verlekkerde verstandhouding, snel met kleine dribbelende huppelpasjes – belachelijk bij zijn lengte – en kaarsrechte rug voortlopend. Het meisje zei: ‘ga weg engerds’ of probeerde met een stug gezicht langs hen te glippen, wat Ewout ook zei: woorden gehoord van andere jongens (schoffies uit de achterbuurt die alles durfden): ‘Hé, lekker stuk!’ Of zelfs een keer: ‘Mag ik een eindje met je meelopen?’ Ook dat werd niets, want het meisje had heel gewoontjes en totaal niet geïntimideerd, maar ook niet gevleid of verheugd gezegd: ‘ja hoor, waarom niet! Het kan mij niet schelen.’ En voordat hij een van die magische zinnen – begeleid door het stimulerende gegiechel van Bernard – kon zeggen, zinnen die onontkoombaar het succes met zich moesten voeren, zoals: ‘waar ga je met die mooie benen naar toe?’ of: ‘een meisje als jij hoort toch niet alleen op straat te lopen…’ en daarbij een veelbetekenend lachje en bewonderende blikken van onder tot boven (de ruimte die zulke woorden bracht, de moed dat hij zich zo durfde gedragen zou al het andere plotseling mogelijk maken; door zijn superieure al haast volwassen houding werd het het meisje duidelijk dat hij niet de eerste de beste was), voordat hij zoiets bewonderenswaardigs vergezeld van brede demonstrerende gebaren had kunnen opmerken, zei ze al: ‘Ik begrijp niet wat je er aan vindt, maar als je het leuk vindt, de straat is vrij hoor’ – zo los en gewoontjes dat hij niets meer had kunnen bedenken. Ze deed of zijn gedrag geen betekenis had, alsof hij zo maar wat in de gang op school met een meisje uit een hogere klas opliep, smalletjes en bescheiden in plaats van zo boeiend, zo meeslepend als hij voor zich had gezien. Eigenlijk was het bij nader inzien toch niet zo’n leuk meisje. Ze had ook geen mooie kleren aan, met kant of zo. Even later, toen ze gehaast maar opgewekt – op platte schoenen ergens naar op weg – zonder in te houden om op hen te wachten de straat naar een buitenwijk insloeg – leeg en weinig veelbelovend op die stille zondagmiddag – had hij heel beleefd, haast schichtig afscheid genomen, want het was raar dat hij nu al wegging, na zich eerst zo opgedrongen te hebben; en ook het vreemde gevoel haar niet teleur te mogen stellen. Misschien zou ze denken dat hij haar niet leuk vond, dat ze hem, hoewel ze zo aardig en geduldig was, tegenviel nu hij even met haar gepraat had.
‘Het was heel prettig een eindje met je op te lopen,’ zei hij schuw. Hij stak een hand uit en probeerde de hare te drukken. Het meisje zei: ‘ja hoor,’ terwijl ze ferm armzwaaiend zonder in te houden of zijn hand op te merken doorliep: vriendelijk, onverschillig.
Ook dat was mogelijk: zo’n meisje dat niet schichtig werd, niet weg wilde glippen, maar vriendelijk en ongeïnteresseerd alles goed vond, wat hij ook zei, en zich niets van hem aantrok. Wat moest hij dan doen? Het was Bernards schuld dat ze geen succes hadden. Hij was te kinderachtig met dat dribbelen en giechelen, en dat taalgebruik… zoiets stootte meisjes af. Hij had dat ook tegen Bernard gezegd.
Overal was het stil in dit deel van de stad. Onbeweeglijk zonlicht stond scheef op de dorre korzelige muren en op de ene helft van de huizen en een gedeelte van de stoep van de lege straat voor hen. Een straat stenig en kaal tussen de hoge gevels – aan de schaduwkant donker alsof het daar geregend had. Verweg in die lege straat een kleine gele hond die zorglijk tegen een fiets waterde en daarna in een sukkeldrafje opzij en over zijn schouder kijkend om een hoek verdween. En dichterbij een paar jongens bij elkaar staand in een tunnelachtige gang die naar de gracht voerde. Nergens waren al die meisjes te bekennen, willig en bereid reeds naar hem uitkijkend, die hij in zijn verbeelding voor zich had gezien. Er viel niets te beginnen op deze stille zondagnamiddag, in deze lege straat. Ook in het centrum van de stad was het niets geworden. Wat nu? Er moesten ergens vrouwen zijn die bijna naakt in etalages zaten, en waar je alles mee mocht doen.
Naast hem was iets ontstaan, bewoog iets, drong iets op hem in, al was het nauwelijks echt bewegen of dichterbij komen. Het was iets anders, een heimelijk ademen, vlakbij hem, hijgen bijna: Bernard! Hij had niet meer op Bernard gelet. Samen hadden ze naar meisjes gekeken, naast elkaar kijkend in de verte, ver van henzelf weg, kijkend naar bewegingen en lachjes en reacties, en de dingen en de straten, schichtig, op hun hoede tussen die gevaarlijke, al grote jongens – schoffies die alles durfden -, die ervaren meisjes, kijkend naar blikken en bewegingen en opwaaiende rokken en het licht op de huizen, de flitsen in de ramen. En: ‘Zag je dat, die was boos, die wilde niet naar me kijken, die is vast verliefd op me.’ En: ‘Die met die dikke benen, die doet het vast vaak, daar krijgen ze van die dikke benen van’ – Samen hadden ze plannen gemaakt, lachend naar elkaar van verstandhouding en plezier over wat ze voor zich zagen: al die ideeën, al die mogelijkheden; en hun opwinding daarover, en over wat ze verwachten, overal meisjes, overal. Dat was het enige, zij zelf waren er niet.
Maar opeens bestond Bernard vlakbij hem, niet meer, zoals net nog, samen met hem op weg naar iets toe en over die afstand, die ruimte heen daar eigenlijk al aanwezig, maar vlakbij hem, onrustbarend dichtbij, alsof hij zich zwaar en log naar hem toe wendde en op hem afkwam, hoewel hij toch nauwelijks bewoog. Op hem, Ewout, afkwam die daar ook was, die daar stond, plotseling ondraaglijk zacht en vol, teruggevloeid in zichzelf. Zijn huid tintelde. Er flitste en trilde iets. Het was onbegrijpelijk. Het was niet te begrijpen. Van zijn hoofd tot zijn voeten was hij zichtbaar om aan te raken. Hij was zwaar en onbeweeglijk en heel alleen in een duizelingwekkend lege wijde ruimte. Wat was dit? Wat gebeurde er?
Meteen was het er niet meer, veranderde het toen Bernard zich naar hem omdraaide, zijn ogen scheel en fonkelend ergens midden op Ewouts borst gericht, verblind starend alsof hij niets zag, iets anders zag, iets… Vreemd en onrustbarend in plaats van zijn boezemvriend Bernard. De druk midden in hem, de onverwachte druk midden in zijn lichaam zodat hij opzij leek weg te vloeien, van die plaats weg – naar zijn armen en benen wegdreef, en toch juist daar bestond. Dat op hem indringen op heel andere plaatsen van hemzelf en zijn lichaam dan waarop hij verdacht was, en bij hun vriendschap hoorde. Alsof Bernard een vreemde was en niets nog vaststond en niets gold. En zomaar opeens. Hij was weerloos. Hij kon niets doen. De onbegrijpelijke vitaliteit die recht op hem gericht werd. ‘Zag je dat?’ zei Bernard, ‘zag je dat?’ Hij deed een struikelend stapje naar voren. Hij bewoog nu aan alle kanten, Bernard, overal: tastend, knedend in de lucht, de ruimte tussen hen in, zijn handen reusachtig en gummi-achtig openend en sluitend met knopvormige vingertoppen van het vele pianospelen. ‘Zag je dat! die jongens rotzooiden met elkaar.’ ‘Rotzooiden,’ zei hij. Hij likte langs zijn lippen. Een rond en gulzig woord. ‘Rotzooiden,’ zei hij nog een keer. Hij staarde. ‘Die jongen zat aan zijn piel, bij die andere jongen,’ zei hij. Ewout had niets gezien, ja twee jongens, maar verder niets. ‘Zullen wij dat ook doen?’ Meteen maakte Bernard lage scheppende bewegingen met zijn hand naar Ewouts kruis. Zijn gezicht, zijn mond, zijn ogen, alles opengesperd: starend, grijnzend. Zweet, een egale glanzende vochtigheid bedekte zijn huid.
Met een schreeuw sprong Ewout achteruit, weg van hem. ‘Gadverdamme joh, donder op, gadverdamme!’ Hij kon het niet begrijpen, ontzaglijk geschrokken. Of geschrokken, het was anders, eerder een gevoel van angst en hulpeloosheid dan schrik. Bernard was gevaarlijk. De blinde onweerstaanbare kracht die van hem uitging, het gevoel dat hij plotseling veel groter was geworden en niet meer tegen te houden, log en voor geen rede vatbaar als een dier. Iets reusachtigs. Niet Bernard. Een kracht die ver boven Bernard uitging. Een nat en opengesperd ding had zich naar hem toegewend, het zweette, het bestond, gezichtsloos, vettig en zacht en bovenal walgelijk.
Meteen stond hij kaarsrecht, streng, met onderwijzerachtige verontwaardiging. Alles was duidelijk. Het leek of hij plotseling ver weg was, op grote afstand van Bernard. Onmiddellijk was het verdwe-
[p. 38] nen, het koortsachtige, het opdringen, toen hij het begrepen had. ‘Dat is ontzaglijk smerig, joh!’ sprak hij koel. Alles was buitengewoon duidelijk. Bernard was ziek, hij was niet gevaarlijk, hij was ziek, hij was vies. Hij zou zich schamen als hij het zelf begreep.
‘Heb je dat wel vaker, zoiets smerigs, daar moet je tegen vechten joh, als andere jongens dat weten…’ zei hij vertrouwelijk, kalm al, wat om zich heen kijkend en nauwelijks meer naar Bernard. Want Bernard was niet gevaarlijk. Hij was niet dreigend of angstaanjagend. Hij was ziek. Bernard die voor hem stond. Stil, bleek en eigenaardig smal opeens, met slap langs zijn lichaam neerhangende armen. ‘Ik kan het ook ruiken,’ zei Ewout, ‘dat rook ik al die tijd al, iets zweterigs, ja hoe zal ik het zeggen, iets…’ Hij voelde zich zeer rechtvaardig. Hij begon op dreef te raken.

Het was alweer een tijdje geleden. Meestal dacht hij niet aan dat griezelige en onbegrijpelijke, dat ergens in Bernard verborgen zat, en dat hem tot een vreemde maakte, opdringerig en gevaarlijk.
Er was niets bijzonders aan hem te zien. Hij vergat het – hij dacht er niet meer aan. Hoewel soms… Misschien door een lachje of dat zweterige af en toe, maar mogelijk verbeeldde hij zich dat maar. Als Bernard opnieuw met zulke praatjes kwam, zou hij het hem geduldig uitleggen: kun je niet gewoon eens met een meisje uitgaan? Of een meisje schrijven. Je kent toch wel een aardig meisje…? Hij zou hem dat fotoboek met blote vrouwen laten zien dat hij in de loze ruimte onder de lade van het kastje in zijn kamer verborgen had. Bij elke foto zou hij Bernards commentaar vragen. En als het duidelijk werd dat hij het niet goed zag, zou hij hem in detail uitleggen waardoor vrouwen zo aantrekkelijk en begerenswaardig waren (maar hoezo aantrekkelijk? hoezo begerenswaardig? Zo’n lichaam met borsten en een gat erin – het was eerder vreemd dan aanlokkelijk daar later mee te moeten vrijen en paren en voor altijd mee samen te moeten leven. Als het er op aankwam was het eigenlijk angstaanjagend…! Maar dat moest je onder ogen zien als je ouder werd. Het was je lot nou eenmaal. En eigenlijk had zo’n lot iets moois en plechtigs in zich als je er beter over nadacht. Bijna of je je offerde. Gelukkig dat ze altijd zulke verleidelijke kleren aan hadden.)
Bernard, ach ja Bernard, het was niet zijn bedoeling geweest dat Bernard nu zo stilletjes was en zijn blikken vermeed en niets wilde drinken, geen cola, geen sorbet, niets. Hij had alleen maar vriendelijk willen zijn, hij had belangstellend willen informeren. Een klein, maar warm en nobel verdriet over Bernard vervulde hem – verdriet dat niet hinderde, eerder reliëf gaf aan het vertrouwen, de kalme bereidheid die de wereld hem toonde, de rustige brede adem die hij in de dingen om zich heen gewaar werd en in elke handeling die tussen hen plaats vond.
Hij neuriede, hij trappelde een beetje met zijn voet.

Het werd half twee en daarna twee uur. Hij wist niets meer te zeggen tegen zijn beste vriend Bernard, trouwens Bernard zei zelf niets. Hij keek op zijn horloge: kwart over twee. Minder dan drie uur om de tocht te volbrengen. Hij moest nu weg. Maar hij vertrok niet. Hij kon niet meer ophouden met uitstellen, wachten, zich tegenhouden en niet gaan – voortdrijvend op het gevoel van zekerheid, van harmonie dat zich aan alle dingen meegedeeld had. Zijn inzicht in Bernard bijvoorbeeld, zijn onmiskenbare overwicht… En die helderheid in alles, die onschokbare zekerheid over wie hij was en wat hij wilde en wie hij werd, en al het andere, zou zich voortzetten, de hele tocht naar het kamp toe en later in het kamp zelf, en daarna… het zou niet meer veranderen.
Hij kon nog niet vertrekken, en dit beeld loslaten, dit geluk, deze glanzende windstille helderheid, en zich verliezen in de inspanning die de tocht hem op zou leggen, de vermoeidheid en pijn, de twijfel die toch weer komen zou. Zich verliezen, ondergaan in al de details, al de verwarrende kleinigheden die zich voor zouden doen en die hem het zicht op wat hij wilde zijn zouden ontnemen: de belofte die zijn bestaan was.
Maar in plaats van helder, triomfantelijk en zeker werd hij plotseling vermoeid en zwaar. Het zou verkeerd gaan, het zou niet kunnen.
Iets gloeiends, een benauwde vochtige warmte die zowel uit zijn lichaam opkwam als op een of andere manier met de omgeving, de dingen rondom hem samenhing, nestelde zich om hem heen. En op dat moment, alsof hij hierop gewacht had, stond zijn beste vriend Bernard plotseling op, zomaar van het ene op het andere moment. Hij moest weg. Hij moest nog vóór drie uur ergens zijn, hij had geen tijd meer. Trouwens, Ewout vertrok toch nog niet, zodat het geen zin had om langer te wachten. Al had Bernard reeds enige tijd fronsend en schichtig om zich heen gekeken, dit had hij niet verwacht.
De schok was verschrikkelijk. Weliswaar moest je er altijd rekening mee houden dat Bernard plotseling naar huis moest, weg wilde en dan onmiddellijk zonder verdere uitleg vertrok, zomaar, Ewout wist nooit waarom – terwijl ze met iets bezig waren en hij zonder twijfel of voorbehoud op Bernard gerekend had. (Want Bernard was al die tijd zo toegewijd, zo meelevend en kameraadschappelijk geweest dat het haast was of Ewout zich verdubbeld had. Alles sprak vanzelf in deze moeiteloze ontspannenheid: hij hoefde Bernard nergens van te overtuigen, samen opgaand in plannen en bezigheden die hij, Ewout, bedacht had, die de zijne waren en waarvoor Bernard even enthousiast was als hij; plannen die hij haast onderdanig bewonderd en aangehoord had.) En plotseling moest hij weg, wilde hij niet meer. Het was onbegrijpelijk. Er was geen aanleiding, niets dat hem hierop voorbereid had. Tot dit moment, tot deze totale afwijzing had Bernard alles goed en mooi gevonden, wat Ewout ook voorstelde, en nu opeens, nu Ewout argeloos iets zei of vroeg was hij onbenaderbaar en vertrok onmiddellijk – niet voor rede vatbaar, door geen argumenten te bereiken – met een bleek en strak gezicht en ogen die wegkeken, alsof hij zich al verwijderd had. Het was onbegrijpelijk. Onder Bernards ogen waren blauwe vlekken.
Die vrije middagen dat hij hem ophaalde zoals altijd en Bernard kieskeurig en benepen aan de deur verscheen: Nee, hij was Arabisch aan het bestuderen. Hij oefende Bach of de sonates van Beethoven: van die ouderwetse muziek die niet meer meetelde. (Bernard had het nog niet begrepen.) Hij onderzocht schaakproblemen. Hij kon vandaag niet. Hij vond dit leuker. Hij bestudeerde de Chinese filosofie. Hij wenste daar zijn middag aan te besteden. Misschien een volgende keer. Niks ‘potjemeknaatje’ en ‘asjemenou’. Na wat zuinig wiebelen op de deurmat wendde hij zich af. Meteen, zonder nadere uitleg of poging tot verstandhouding sloot hij de deur, kortstondig een nuffige blik op Ewout werpend.
Het kwam niet vaak voor. En Ewout vergat het. Al lag een kieskeurig en truttig nee-zeggen dat voorzichtig maakte altijd in Bernards gedrag op de loer. Het zou geen zin hebben hem te bepraten of een poging te doen hem over te halen nog even te blijven, toch mee te fietsen.
Hij kon bijna zijn mond niet meer open doen van plotselinge wrok en teleurstelling, en nauwelijks nog naar Bernard kijken. Het gevoel afgewezen te zijn, in de steek gelaten – juist nu hij op hem rekende -, koel en terloops verworpen te worden.
Maar vrijwel onmiddellijk kwam iets anders in zijn gedachten, en het was of een kracht hem wegtrok: geheel alleen zou hij vertrekken, geheel alleen zou hij aankomen, door niemand begeleid, en in volstrekte verlatenheid zou hij de tocht volbrengen – ernstig, tot het uiterste toegewijd, overgeleverd aan dit eenzame, bijna noodlottige gebeuren, dat hem in zich op zou nemen en hem pas bij zijn aankomst zou bevrijden, zou loslaten. Een uiterste beproeving, die hij moest ondergaan en die door niets verzacht mocht worden of door verwarring en afleiding van zijn ernst mocht worden ontdaan.
Hij zag Bernard vertrekken en hij maakte geen beweging om hem tegen te houden. Hij zei niets. Terstond vreemd geworden leek zijn beste vriend Bernard zich al op grote afstand te bevinden, verweg in het verleden – alsof alleen zijn schim, een stripachtig kale en lege gestalte, zich nog een ogenblik bij hem ophield alvorens te verdwijnen, uit te doven. Voorbij.
Voorbij. Hij keek nauwelijks op. Hij knikte kort, en mompelde iets tegen hem toen Bernard zich uit de ijssalon verwijderde, stijfjes schuifelend en enigszins achteruit lopend met korte onharmonisch uitschietende bewegingen, haast kleine buiginkjes alsof hij zich verontschuldigde, en hoog opgetrokken wenkbrauwen boven geschrokken starende ogen (maar het was geen schrik, eerder onhandigheid, verwarring).
Hij lette niet meer op hem. Want voor zijn ogen doemde het op. En hij gonsde van genoegen. Met kleine schurkende wringende beweginkjes, alsof hijzichzelf omhelsde, dook hij steeds dieper weg in de stoel. In dodelijke eenzaamheid zou hij de tocht volbrengen – en in zo korte tijd – geheel alleen, door allen verlaten, aan niemand dan alleen zichzelf overgeleverd, zijn uiterste inzet, het gebruik van al zijn kracht en moed, zonder hulp of steun van anderen of de mogelijkheid zich op iemand te beroepen. Overgeleverd aan de tijd – die afgrond tussen nu en zijn aankomst.
Dit duizelingwekkende en toch bevrijdende besef, de bijna wreedaardige verlatenheid daarin, de roekeloosheid van deze, vrijwel onmogelijke, opgave die hij toch zou volbrengen – en zo snel, in zo korte tijd – overweldigden hem: van niemand afhankelijk, afhankelijk van niemand behalve zichzelf. Alles zou mogelijk zijn. Hij besloot nog een sorbet te nemen om zich opnieuw, nu ongestoord, voor te bereiden op de tocht. Drie uur was een mooi rond getal om te vertrekken. In twee uur zou hij de tocht voltooien. Vijfentwintig kilometer per uur. Of nee, wel dertig, want er zouden vertragingen zijn onderweg, afslagen en bochten die zijn snelheid zouden verminderen.

Hij was moe toen hij om drie uur vertrok. Zijn lichaam protesteerde. Het ijs was verkeerd gevallen. Hij was een beetje misselijk van de limonade. Het had zich niet hersteld, het gevoel van triomf en zekerheid waarin alles vaststond. Het was niet teruggekomen. Het was schril geworden. Hij zweette. Zijn huid was klam en kil.

Verstikkend de warmte, stilstaand en verzadigd de lucht waar hij zich moeizaam doorheen wrong op de steeds smallere, door dennen en eiken overhuifde boswegen. Eindeloos voortslingerend de paden die hem naar hun doel meevoerden, de compacte, monotone bossen.
De lucht die af en toe egaalgrijs tussen takken en bladeren zichtbaar was liet een enkele grote druppel los. Het eerste nog aarzelende begin van de onweersbui die het grootste deel van zijn tocht al dreigde.
Het schemerde. Een troosteloze verlatenheid, een kille onbewogenheid die het onweer al aankondigde leek uit al die bomen en struiken op te stijgen; een doodstil en weerbarstig om hem en de smalle asfaltweg heenstaan en wachten en in zichzelf verzinken en van hem afwenden, als door een keuze, een daad haast en daardoor des te nadrukkelijker: een bestaan alleen voor zichzelf dat hem buitensloot. Tegelijk met de eerste regendruppels kwam de kou, een kille grondnevel, uit de natte bossen. Het had hier blijkbaar al eerder geregend. Het was al over half zes, en hij was nog niet in het kamp aangekomen. Kilometers verder, ongekende kilometers verder, waren ze allemaal aanwezig, alle jongens en meisjes, bij het hijsen van de vlag, bij het gebed, bij het zingen, maar hij niet. Hij ontbrak.
En als hij aankwam tenslotte, doornat van de regen die nu steeds dichter viel, ontmoedigd en schuw door zijn falen, zijn vernedering en mislukking – onopgemerkt en gemeden – zou alles voorbij zijn, afgehandeld. Te laat. Te laat. Voltrokken zonder hem, hij die klem zat in deze steeds kleinere grauwe koepel van regen die met hem meeschoof alsof hij niet bewoog, niet meer vorderde; gevangen in de eindeloze boswegen, in de ruimte die hij niet kon overwinnen, die hij niet in één keer kon overbruggen – of gewoon overslaan, omdat hij in gedachten al in het kamp was, er al hoorde te zijn – maar die hij kilometer na kilometer moest verduren, geduldig moest dragen, die zich gestaag en onafwendbaar afwikkelde in de tijd. Hij jammerde zacht bij elk hijgend ademhalen, bij elk krachtig aanzetten. In zijn verbeelding zag hij ze staan voor de grote eetzaal – het algemene appèl – onder regenjassen, sommige jongens van de oudere groepen die al bijna student waren onder parapluies, lachend en alweer met elkaar vertrouwd. En hij was er niet bij. De ruimte voor zijn aanwezigheid werd niet gevuld of benut om zich te tonen. De plaats die hij zich toegedacht had en die gerechtvaardigd was zou hij niet kunnen innemen. En als hij aankwam zou het te laat zijn, die ruimte, die plaats zou verloren zijn gegaan in de dichtheid van hun aanwezigheden. Eén voor één zouden de namen afgeroepen worden en soms werd er gejuicht of geschreeuwd. En zijn naam kwam aan de beurt. En er viel een stilte. Daarna werden nieuwe namen afgeroepen. En misschien zou niemand iets vragen of iets zeggen.
Het geluid van de regen, het sliffende suizen van de natte fietsbanden op het beregende wegdek mengde zich met zijn kreunen. Zwaarte, een doffe zachtheid in zijn lichaam, begeleidde de wanhoop, de ontmoediging. Kil en klein in de regen, in de toenemende schemer, in het onafzienbaar grote vochtig-ademen-de lichaam van het bos. Van tijd tot tijd, verweg, klonk droog gerommel van het onweer, en daarbij het onzeker flakkeren van sterielbleek licht – oprijzend en weer dalend als kalkachtig zeer wit water tussen de ontkleurde takken van bomen en struiken, en niet verlichtend maar etsachtig vervreemdend, desoriënterend in zijn kortstondigheid.

Jeroen van Kan publiceert in #25, ‘De oversteek’, voor het eerst proza onder eigen naam in De Revisor. In 2018 (#19) publiceerde hij al wel een gedicht voor Menno Wigman, en in het eerste nummer van 2005 publiceerde hij als Arthur Hemminga ‘Aanklacht tegen moderne jaargetijden’, een verhaal voor alle seizoenen, en tégen alle seizoenen. We doken in het archief.

*

Die zomers aan de Oosterboekelweg waren onverwoestbaar, oneindig, alsof mijn leven vroegtijdig was vastgelopen in een hemelse cyclus. Anders kan ik het niet noemen. Al het aangename dat eeuwig voortduurt kan niet anders dan hemels zijn.
Tegen eindeloze herhaling zijn we later niet meer bestand, maar een kind voelt zich er geborgen in, nestelt zich erin, laat het nog prille lichaam aangenaam vergroeien met de steeds perfecter wordende pasvorm van de herhaling.
Elke dag diezelfde route naar het café op de hoek voor dat waterijsje dat schele Tinus uit die onuitputtelijke vrieskist haalde. Onuitputtelijkheid was een van de eerste kenmerken van de wereld die ik herkende. De boterhammen met pindakaas, de ijsjes, de liefde van moeder, de middagen, de zon, de hele wereld gevangen in eeuwige herhaling. Nou ja, gevangen. Vrij in eeuwige herhaling. De hemel is geen gevangenis, hooguit voor degenen die er ten onrechte terecht zijn gekomen.
Hemels Hoogwoud. Oosterboekelweg nummer vijf. Ik ook vijf. Zes misschien in de zomer die erop volgde, ook al blijf ik me hardnekkig één grote lange zomer herinneren.
Later kwamen ook eindeloze winters, veel later. Mijn leven begon met eindeloze zomers, gevolgd door eindeloze winters. Na die winters was het over. Ineens waren er afgebakende cycli, tijdseenheden die met Nederlandse grondigheid waren onderverdeeld in uren, dagen, weken, maanden. Niets was meer eeuwigdurend. Ik kreeg een duw in m’n rug. Er begon tijd te verstrijken. Hoogwoud loste op. De Oosterboekelweg nummer vijf werd bewoond door nieuwe mensen. Opeenvolging begon. Ik verlangde naar dat geborgen ronddraaien in steeds hetzelfde, maar was al veroordeeld tot eindeloos vooruitsnellen in opeenvolging. Eerst dacht ik nog dat ook die snelle opeenvolging misschien oneindig zou zijn, maar dat bleek al snel niet waar.
De snelheid neemt almaar toe en als die een hoogtepunt heeft bereikt, dan breekt alles, dan is de orde verdwenen, volgen winter- en zomerdagen elkaar ordeloos op en ben ik veroordeeld tot het zoeken naar een houvast dat niet meer wil komen. Dan lijkt ineens die snelle opeenvolging, dat moment waarop de tijd begon met verstrijken, idyllisch en wereldvreemd.

Nu leef ik in de snelle opeenvolging. De versnellende opeenvolging kan ik beter zeggen. Dat ik daarmee bijna herhaal wat ik al eerder zei doet er niet toe. Ik herhaal voortdurend, dwangmatig. Herhalen is een vorm van vasthouden voor mij.
Herhalen is nostalgie. Herhalen is een verkrampte poging tot herscheppen.
Natuurlijk levert dat niets op. Zodra inzicht en kennis zich hebben genesteld laten ze zich niet meer verdrijven. Ineens is het lot duidelijk, blijk je door onbekende krachten op een dakrand te zijn geplaatst.
Het kan de seizoenen verweten worden dat ze zich tot snelle opeenvolging hebben laten verleiden. Hun wisselvalligheid is ook verwijtbaar. Zomers hadden vroeger duidelijke kenmerken, net als winters. Tegenwoordig lijkt in een najaarsoverleg te zijn vastgelegd dat elk jaargetijde ook elementen van het andere jaargetijde moet bevatten. Een compromis. Spreiding van het onaangename, middel tegen steeds maar hetzelfde. Elke dag zon is voor geen zomer tegenwoordig nog uit te houden. Bovendien: het zou in strijd zijn met de afspraken die op het najaarsoverleg zijn gemaakt met de overige seizoenen en hun vertegenwoordigers. Zo organiseren wij dat soort dingen in Nederland. Niets is van zichzelf, alles moet vormgegeven worden. Wat wel van zichzelf is dient te worden aangepast, zodat het niet alleen iets van zichzelf is maar ook iets van iets anders. Alles dient ook kenmerken van iets anders te hebben. Zuiverheid is een vorm van oneerlijkheid. En daarbij is zuiverheid eenvormig. Altijd maar weer hetzelfde. Wij verdragen dat niet meer, wij moderne Nederlanders. In mijn vijfjarige wereld zou iedereen behalve ik als vijfjarige gek worden van verveling, van ongeduld, bezwijken onder de druk van zoveel herhaling, zo’n overdosis identieke ervaringen.
Het begon met het voorzichtig overnemen van elkaars elementen, uit een soort sociale rechtvaardigheid, maar eindigde in een absurditeit. Winters kennen tegenwoordig zomerdagen. Blaadjes vallen soms in zomers. Knoppen ontluiken soms in winters. Alsof de wereld een voorschot neemt op de wanorde waarin dit leven noodgedwongen zal eindigen. Onacceptabel.
In die zomers was mijn vader een man op de achtergrond. Heel anders dan in de winters die volgden. De Oosterboekelweg behoorde toen al tot het verleden. We woonden in een ander huis, met water voor de deur. Uit die winter herinner ik me mijn vader als de man die elke dag het ijs onderhield. Sneeuwschuiver. Emmers water over het ijs voor de nachtvorst intrad. Wakken markeren met in onbruik geraakte kerstbomen.
De winters waren zonder moeder. Een voorbode. Moeder had van de zomer genoten als van een lekkernij. Vader hielp de winter waar mogelijk vorm te krijgen. Ik had toen al kunnen weten dat ik op weg was naar de uitgang.
Er stond geen bord. Een plek zoals alle andere. Geen kenmerk dat die plek onderscheidde van alle andere plekken. Ik wist niet wat me te wachten stond. De duw voelde ik. Het was alsof een grote schakelaar werd omgehaald en alle attracties van het pretpark tegelijkertijd oplichtten, ook al is de vergelijking met een pretpark in dit geval tamelijk grotesk. De wereld die ik betrad was in alles een antipretpark, vol antiattracties en boosaardigheid.
Ik probeerde me te ontworstelen aan mijn nieuwe toestand. Het begin van verzet. Dat eerste verzet is altijd het meest heroïsch. Later sijpelt de vergeefsheid er als een soort kruipolie doorheen, maar daar heb je dan nog geen weet van. Die onwetendheid is het laatste restje uit de oude wereld. Daarna wordt ook die je ontnomen.
Vader en moeder gingen scheiden. Er volgde weer een ander huis. Zonder water voor de deur. Ik bleef bij moeder. Moeder ontspoorde. Ze was in niets meer de moeder die ik kende. Een voormalige kloosterling in een pretpark. Vader vertrok naar heel ver weg, ging zich ergens anders bezighouden met het vormgeven van de wereld. Ik en het ijs hadden als werkterrein afgedaan voor mijn vader. Ik en het in de tuin zitten hadden afgedaan voor mijn moeder.
En toen kwam dat verraad van de seizoenen. Eerst die snelle opeenvolging, waar ik maar moeilijk aan kon wennen, toen de nodeloze uitwisseling van elkaars elementen. Sinds het wegvallen van de twee constituerende krachten, de pilaren waarop een heel universum steunde, is het grote afkalven begonnen. Het duurt nog elke dag voort. Er is nog steeds protest hoor, ook al is de machinerie van het verzet dermate vettig dat weinig resultaat te verwachten valt. Maar goed, wat kunnen we anders doen dan aanklagen. Machteloos aanklagen. Tot iets anders zijn we niet in staat. Een zinloos ritueel, natuurlijk, maar ook een ritueel dat vorm geeft, zoals alle rituelen zowel zinloos als vormgevend zijn.
Niets hoort meer bij het ritueel dan herhaling.
Ik zie een gerechtshof voor me waar een moeder en een vader recht spreken. In de beklaagdenbank vier seizoenen. Ze worden stevig ondervraagd, de zomer het felst door moeder, de winter door vader. Ze hadden hun constituerende konten nog niet gekeerd of alles was misgelopen. Het heft in eigen handen nemen, als seizoen zijnde, druist dat niet in tegen elke regel? Natuurlijk kan die zitting niet anders eindigen dan in een veroordeling. Het hof zal de seizoenen het naleven van strikte regels opleggen.
Een vijfjarige in een hemelse cyclus word ik uiteraard nooit meer. Dit antipretpark is mijn natuurlijke leefomgeving geworden. Ondanks dat: seizoenen die zich aan de regels houden is toch wel het minste dat je mag verwachten, ook als vader en moeder er allang niet meer zijn.

De Kellendonklezing 2006 werd uitgesproken door Joost Zwagerman. In 1986 verscheen Kellendonks belangrijkste roman, Mystiek Lichaam. De ontvangst van dat boek was destijds rumoerig, zeker nadat criticus Aad Nuis in de Volkskrant Kellendonk beschuldigde van antisemitisme. Na die recensie móest iedere criticus die Mystiek Lichaam besprak wel ingaan op de vraag of de auteur zich nu wel of niet schuldig had gemaakt aan antisemitisme. 
Joost Zwagerman stelt in zijn lezing dat de ontvangst van 
Mystiek Lichaam typisch Nederlands was in de zin dat veel Nederlandse critici, maar ook Nederlandse auteurs een afkeer hebben van verwijzingen naar actualiteit in romans. Sterker nog: dat de Nederlandse literatuur niet door het dagelijkse nieuws wordt beïnvloedt, is meer dan een stelling: het is een literair dogma. Zwagerman verzet zich tegen die voorgeschreven ‘literaire quarantaine’, die de Nederlandse literatuur al veel te lang in haar greep houdt. Onmiddellijke opheffing van deze quarantaine zal de bloei van de Nederlandse literatuur bevorderen.

*

Er is geen vrijheid in de zandwoestijn,
Al staan er nergens hekken, nergens palen.
Het is maar beter -als je vrij wilt zijn-
Om sierlijk door een labyrint te dwalen.

Gerrit Komrij, ‘Het onzichtbare labyrint’

Fortuyn, Van Gogh en de vertraging van de vuilnisophaaldienst

In het najaar van 2005 kwam de Amerikaanse schrijver Michael Cunningham naar Nederland. In Amsterdam gaf hij een lezing over zijn romanSpecimen Days. Ik wilde daar per se bij zijn. 
Specimen Days bestaat uit drie verhalen die gaandeweg de roman steeds dwingender met elkaar verband blijken te houden. Het eerste verhaal speelt zich af in het jaar 1860, het tweede in 2002, het derde in 2170. Alledrie de verhalen hebben een eigen stijl, een eigen toonsoort. De episode uit 1860 is een echte ghost story, in de traditie van Edgar Allen Poe. De 2002-episode is een mix van thriller en detective en het derde deel, dat in 2170 speelt, voegt zich naar de wetten van de science fiction. Walt Whitmans Leaves of Grass vormt het verbindende element in de drie verhalen. Specimen Days beweegt zich van de groteske elementen in science fiction naar de intimiteit van grote poëzie en weer terug. De Amerikaanse actualiteit van de terreurdreiging verknoopt zich met een innerlijke zoektocht naar eeuwige schoonheid in poëzie.
In Amsterdam vertelde Michael Cunningham dat het oorspronkelijke thriller-gedeelte na de gebeurtenissen van 11 september 2001 onbruikbaar was geworden. Eind jaren negentig was hij met de eerste werkzaamheden aan Specimen Days begonnen. Ná 9/11 vond Cunningham dat hij niet om de vérstrekkende gebeurtenissen van die dag heen kon. Daarom moest het thriller-gedeelte, dat zou plaatsvinden in 2002, radicaal op de schop. Want, zo vroeg Cunningham zich af in een interview in de Washington Post: ‘Hoe kun je over hedendaags Amerika schrijven zonder dat 9/11 ter sprake komt?’ 
Na de lezing ontmoette Cunningham een aantal Nederlandse auteurs aan wie hij veel vragen stelde over de gebeurtenissen van 6 mei 2002 en 2 november 2004. Cunningham bleek opmerkelijk goed op de hoogte van de achtergronden van de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh. Cunningham waagde zich natuurlijk niet aan een directe vergelijking tussen de aanslagen van elf september en de twee veelbesproken moorden in Nederland. De gebeurtenissen kennen hun eigen proporties van drama en catastrofe. Maar wél zag hij overeenkomsten in de maatschappelijke gevolgen van de drie aanslagen. In Amerika ontwikkelde zich al snel na ‘elf september’ het besef dat niet uitsluitend de gevoelens van veiligheid voorgoed waren veranderd, maar ook het zelfbeeld en de maatschappelijke identiteit ten opzichte van andere landen. Precies zo kunnen de Hollandse moordaanslagen worden gezien als scharniermomenten in een land dat steeds meer moeite heeft zichzelf te herkennen in de vertrouwde noties die decennialang onze identiteit hebben bepaald. Onze veelgeroemde tolerantie bleek maar al te vaak een schaamlap voor onverschil en negatie, en multicultuur was een vignet dat niet onze idealen maar onze valse zelftevredenheid had vertegenwoordigd. Ook óns zelfbeeld was op de helling gegaan. 
Michael Cunningham interesseerde zich voor de manier waarop dat gehavende zelfbeeld en die morele verdooldheid van invloed waren op onze kunst en literatuur. Zo vroeg hij het ook: ‘Hoe werkt dat veranderde zelfbeeld door in het werk van Nederlandse schrijvers?’ 

Tja. 

Er viel een stilte. Met die ene vraag opende Cunningham onbedoeld de afgrond die er bestaat tussen de Amerikaanse en Engelse aan de ene, en de Nederlandse literaire traditie aan de andere kant. 
Een Babylonische spraakverwarring volgde. Eerst, antwoordde iemand, moest de vraag misschien anders worden gesteld. Het ging er niet om hóe maar óf dat veranderde zelfbeeld een rol speelde in het werk van Nederlandse schrijvers. 
En dát antwoord was snel gegeven. Het antwoord was: nee. 
Nu was het Cunningham die even stilviel. Toen zei hij dat hij het niet wilde hebben over pamflettisme of een zeepkist-engagement. Hij doelde op de literaire sensibiliteit van schrijvers; over de voelhoorns die schrijvers in hun werk kunnen uitsteken wanneer zij algemeen menselijke drama’s verbeelden, drama’s die zich aftekenen tegen een achtergrond van actuele gebeurtenissen in een land. 
Het viel nog niet mee om Michael Cunningham in kort bestek op de hoogte te brengen van de codes, officieuze voorschriften en tradities in de Nederlandse literatuur; van het feit dat ‘veredelde journalist’ zo’n beetje het ergst denkbare scheldwoord is dat een Nederlandse schrijver naar het hoofd geslingerd kan krijgen; van een oude discussie die woedde op het breukvlak van de jaren zeventig en tachtig toen een hoogleraar in de letteren eens had gewezen op de opmerkelijke verschillen tussen twee Hollandse en drie Amerikaanse romans. 
Onze afkeer van verwijzingen naar de actualiteit in romans viel zo eentweedrie niet uit te leggen aan de man die in eigen land en daarbuiten nota bene wordt gezien als een schrijver met een hang naar esthetisering en zeker niet als uitsluitend een chroniqueur van zijn tijd. 
In de literaire kritiek in Nederland is Specimen Days nogal eens in éen adem genoemd met romans als Saturday van Ian McEwan, Shalimar the Clown van Salman Rushdie en Extremly Loud And Incredibly Close van Jonathan Safran Foer. Het zijn romans die onderling volstrekt van elkaar verschillen, maar volgens sommige critici in Nederland vormen deze vier romans de sleutelboeken van een zogeheten post 9/11-Welle in de Amerikaanse en Engelse literatuur. Opvallend genoeg valt die term zelden of nooit in de VS en Engeland zelf. 
In Extremely Close and Incredibly Loud van Jonathan Safran Foer gaat het negenjarige wonderkind Oskar Schell op zoek naar het slot dat past op de sleutel die zijn vader hem heeft nagelaten. Zijn vader is omgekomen in een van beide Twin Towers. Extremely Close and Incredibly Loud is evenmin als Specimen Days pamflettistisch – verre van zelfs. De roman doet een poging te reiken achter het bijna surrealistische tafereel des doods van die elfde september. Het is een beurtelings fijnzinnige, maffe en sprookjesachtige afdaling in hoofd en hart van het jongetje Oskar. 
In interviews zei Jonathan Safran Foer zich erover te verbazen dat er niet lang na de fatale datum over de aanslagen werd gesproken ‘alsof we het eens zijn over wat er daar is gebeurd. Alsof het een objectief te noemen gebeurtenis is.’ En hij zette de kwestie op scherp met de uitspraak: ‘Ik kan me niet voorstellen niét over het onderwerp 9/11 te schrijven (..). Ik zou willen dat meer schrijvers over 9/11 zouden schrijven. Hoe meer stemmen., hoe beter. We hebben meer, veel meer stemmen nodig. Hoe om te gaan met dit soort gebeurtenissen? Hoe je er op duizenden manieren over kunt denken en spreken, dát wil ik lezen.’ 
Neem nota: waar wij een Welle aanschouwen, ervaart Jonathan Safran Foer een schaarste. Je hoeft de uitspraken van Cunningham en Foer maar over te hevelen naar Nederland om in te zien dat er inderdaad een kloof gaapt tussen de Amerikaanse en de Nederlandse literatuur. 
Laten we de uitspraak van Cunningham eens vernederlandsen. Dan zou hij dít hebben gezegd: ‘Hoe kun je over het hedendaagse Nederland schrijven zónder dat de enorme effecten van de moord op zes mei 2002 en 2 november 2004 een rol spelen?’ Of neem de uitspraak van Foer. Vertaald naar Nederlandse verhoudingen zou die luiden: ‘Ik kan me niet voorstellen dat ik niét over 6 mei 2002 en 2 november 2004 zou schrijven.’ 
Wie op de hoogte is van de mores en codes in de Nederlandse literatuur, weet dat een Nederlandse schrijver zichzelf met dit soort vaststellingen direct zou diskwalificeren. Ik ben niet de eerste of de enige die dit constateert. Paul Scheffer signaleerde bijvoorbeeld in 1994: ‘De voortdurende kleinering van het eigen culturele en maatschappelijke leven draagt ertoe bij dat weinig schrijvers in Nederland buiten hun eigen domein sporen trekken.’ 
In een literair klimaat waarin een poetica als van Cunningham en Foer algemeen wordt afgekeurd kan het niet anders of een bepaald type roman wordt niet of nauwelijks geschreven. Een enkele keer doet zich een uitzondering voor. Robert Anker met Hajar en Daan, Nicolaas Matsier met Het achtenveertigste uur, Herman Franke met Wolfstonen en Désanne van Brederode met Het opstaan. Dat zijn vier romans in bijna drie jaar tijd. In totaal worden er per jaar meer dan tweehonderd titels ingezonden voor de AKO Literatuurprijs. Uit die meer dan zeshonderd titels vallen dus deze vier titels te onderscheiden. Dat is minder dan éen procent. 
En was het nu maar zo dat de meeste Nederlandse schrijvers het zich slechts niet kunnen voorstellen materiaal en inspiratie te ontlenen aan de omstandigheden in het land waarin ze leven; de tijd waarin ze leven. Nee, verreweg de meeste zullen van mening zijn dat, bijvoorbeeld, de effecten van de moorden op Fortuyn en Van Gogh überhaupt niet in de literatuur thuishoren. 
Wie denkt dat ik overdrijf moet eens aflevering II van Magazijn opslaan. Dat is een jaarboek waarin onder redactie van vier jonge recensenten van onder andere de Volkskrant en NRC Handelsblad een keuze wordt gepresenteerd van twaalf schrijvers jonger dan veertig jaar. In de genoemde aflevering, verschenen in december 2004, gaat aan de bijdragen van deze youngsters een vragenlijstje vooraf. De laatste vraag luidde: ‘Wat zal de invloed van de moord op Theo van Gogh zijn op de Nederlandse literatuur?’ Het was meteen de enige vraag waarop de antwoorden eenstemming waren. 
Een greep uit die antwoorden.

Jonge schrijver Jan van Loy antwoordde: ‘Weinig invloed, denk ik, tenzij je columns tot de literatuur rekent.’ 

Jonge schrijver Peer Wittenbols antwoordde: ‘Een berg vol verzamelbundels vol obligate, cabarateske columns.’ 

Jonge schrijver Walter van den Berg antwoordde: ‘Misschien dat er wat gejammer komt over hoe onveilig het allemaal wel niet is.’ 

Jonge schrijver Al Galidi antwoordde: ‘Geen.’ 

Jonge schrijver Jeroen Theunissen antwoordde: ‘De invloed zal vergelijkbaar zijn met die van de moord op Pim Fortuyn en met die van de vertraging in de vuilnisophaling vorige week.’ 

En om het af te maken was er nog het antwoord van jonge schrijver Arnon Grunberg, die klonk alsof hij zes dagen lang collega-jonge-schrijvers had geschapen en op de zevende dag tevreden terugkeek op die scheppingsarbeid: ‘Nihil. En dat is goed zo.’ 

Veelzeggend is dat de meeste jonge schrijvers in Magazijn de datum van 2 november niet associëren met de morele, sociale en politieke verdooldheid in Nederland, maar met hun eigen humeur dat in de weken erna door, of all people, columnisten werd verpest. Vermoedelijk spreken de jonge schrijvers zich uit over datgene waarmee ze hun dagelijks leven gestoffeerd zien worden – niet door een wijde blik, niet door een literaire zoektocht als door Foer en Cunningham naar de menselijke maat achter grote en grootse tragedies, maar door de verkokerde blik van de netsurfer die wat koppen in de krant snelt en die bij tekenen van onttakeling en turbulentie in een samenleving uitsluitend wat gevoelens en gedachten heeft over zin en onzin van een hoeveelheid columns. 
Toch zou het verkeerd zijn om de verkokerde blik van dit clubje jonge schrijvers als typerend voor hun generatie te beschouwen. Zij praten eenvoudig na wat ze vermoedelijk al jarenlang horen en lezen. 
Zo opende Magazijn met een inleiding door Michaël Zeeman waarin het aloude literaire dogma weer eens van stal wordt gehaald. Zeeman toonde zich erg content met het solipsisme van de jonggedienden: ‘Natuurlijk zal de moord op de Amsterdamse raddraaier en fimmaker van 2 november 2004 geen gevolgen voor de Nederlandse literatuur hebben. Kom nou toch, zeg, ga toch weg. (..) De literatuur zit (..) kennelijk niet te wachten op “straatrumoer”. (…) Het dagelijks nieuws, hoe heftig ook, beïnvloedt de literatuur niet.’ 

Het dagelijks nieuws, hoe heftig ook, beïnvloedt de literatuur niet. 

Deze tien woorden onderstrepen de literaire quarantaine die de Nederlandse literatuur sinds lang in een knellende greep houdt. 
Wat houdt het eigenlijk in, ‘het dagelijks nieuws’? Wanneer verandert ‘dagelijks nieuws’ in materiaal dat oirbaar is voor een romanschrijver? In de jaren ’40-’45 werd het ‘dagelijks nieuws’ beheerst door éen onderwerp, en je moet er niet aan denken dat alle schrijvers die die jaren hebben meegemaakt en het dagelijks nieuws toen hebben gevolgd, ooit gehoorzaamd zouden hebben aan voornoemd dogma. 
Ten tijde van Eduard Douwes Dekker beheerste ‘de Indische kwestie’ het dagelijks nieuws. Eén Max Havelaar is genoeg om de benepenheid van de zelfopgelegde literaire quarantaine te onderstrepen. Een recenter voorbeeld: A.F.Th. van der Heijden baseerde éen van zijn verhaallijnen van Advocaat van de hanen op nieuwsfeiten over kraker Hans Kok, die onder nooit opgehelderde omstandigheden overleed in een Amsterdamse politiecel. Dagelijks nieuws als grondstof voor een weids uitwaaierende verbeelding. 
In de VS las Truman Capote op een dag een klein krantenbericht over de moord op een gezin in Kansas. Met een schrijfopdracht van het tijdschrift The New Yorker reisde Capote af naar Kansas, verbleef er maanden en maanden, en werkte vervolgens jaren aan In Cold Blood, inmiddels uitgegroeid tot een moderne klassieker. Buiten de VS zouden ook heel wat auteurs van meesterwerken op de ‘dagelijks nieuws’-index zijn gekomen. Geen Günther Grass, geen Arundhati Roy, geen Louis Paul Boon, Cyriel Buysse, Walter van den Broeck en Tom Lanoye; geen Michel Houellebecq en Honoré de Balzac; geen Orhan Pamuk in Turkije en geen Jens Christian Gröndahl in Denemarken; geen Zadie Smith, Martin Amis, Hanif Kureishi en zelfs geen Charles Dickens. Allemaal met dank aan de Hollandse literaire quarantaine die het de schrijver ingeeft de neus op te halen voor literatuur die zich concentreert op de vraag hoe we de wereld ondergaan; voor literatuur die zich met die vraag in het achterhoofd het menselijk gewemel en gewroet weet te exploreren en evoceren.

Moedwil en misverstand omtrent literatuur en straatrumoer

Beijveraars voor de literaire quarantaine brengen altijd twee argumenten in stelling tegen die vrijere omgang met de actualiteit en de eigen tijd in het werk van veel Amerikaanse en, de laatste jaren, Engelse schrijvers. 
Het eerste argument: alsof alles in die Amerikaanse literatuur zo veel beter is. Bespaar ons een Amerikanisering van de literatuur. 
Het tweede argument: alsof de literatuur er iets mee wint wanneer schrijvers verplicht worden hun oor te laten hangen naar ‘het nieuws van de dag’. 
Beide argumenten begeven zich buiten de kwestie zélf. De kwestie is niet dat ‘de Amerikaanse literatuur’ ‘beter’ zou zijn dan ‘de Nederlandse literatuur’. De kwestie is dat Amerikaanse schrijvers nooit vatbaar zijn gebleken voor het dogma van de literaire quarantaine. 
Dan het tweede argument. Natuurlijk wil geen zinnig mens schrijvers tot een bepaalde poetica of werkwijze ‘verplichten’. Literatuur ‘moet’ niets. Wie A Rébours wil schrijven moet zich niet verplicht voelen tot het schrijven van Voyage au bout de la nuit. In De avonden is het eeuwig Kerst en eeuwig Oud en Nieuw en heerst de ontijd van spleen en claustrofobie, en Frits van Egters is Frits van Egters omdat zijn werkelijkheid wordt begrensd door zolderkamer en keukentafel; door klerkenbaan en troostkonijn. Iedere roman creëert de hoogst eigen wetten waaraan die roman wil beantwoorden, en het gaat niet aan die wetten onder éen noemer te brengen. 
Toch werden juist deze twee weinig steekhoudende argumenten in stelling gebracht toen zo’n vijfentwintig jaar geleden Ton Anbeek het essay ‘Aanval en afstandelijkheid: een vergelijking tussen Nederlandse en Amerikaanse romans’ publiceerde. Dat essay is ten onrechte te boek komen te staan als een aansporing aan Nederlandse schrijvers tot meer straatrumoer in hun boeken. 
Wat is het toch jammer dat niemand dat essay nog eens opslaat. Anbeek gaf daarin een indruk van het jaar dat hij had gedoceerd aan de Universiteit van Californië, waar hij tot taak had Amerikaanse studenten inzicht te geven in de Nederlandse literatuur. Die studenten bleken een stevige weerzin te voelen die hij als ambassadeur van de Nederlandse literatuur maar nauwelijks kon doorbreken. De studenten prefereerden het wilde, avontuurlijke en bizarre van sommige Amerikaanse romans boven de verstilling en de naar narcisme neigende benauwenis in een aantal recente Nederlandse romans van die jaren. 
Anbeek besprak vervolgens drie romans die in dat jaar overal op de campussen werden gelezen, Joseph Heller met Good As GoldJailbirdvan Kurt Vonnegut en The World According to Garp van John Irving. Anbeek signaleerde dat de drie onderling stevig verschillende boeken wél een wilde, ongebreidelde aard gemeen hebben. Met veel vormexperimenten en een vrolijk-anarchistische verteltoon zondigen alledrie de romans tegen de wetten van de streng gcomponeerde klassieke roman. Die wilde vorm weerspiegelde tot op zekere hoogte de Amerikaanse samenleving van die tijd. Tegenover deze drie romans plaatste Anbeek twee Nederlandse bestsellers uit die jaren, Een vlucht regenwulpen van Maarten ‘t Hart en Opwaaiende zomerjurken van Oek de Jong. Zonder ook maar iets af te doen aan de literaire kwaliteiten van de twee romans -een waardering die door Anbeeks criticasters vaak wordt verzwegen- signaleerde hij dat ook zij onderling stevig verschillen, behalve op éen punt: er wordt stelselmatig een benauwende binnenwereld uitgebeeld. Waarna hij concludeerde dat ‘een beetje meer straartrumoer’ de Nederlandse literatuur misschien geen kwaad zou doen. 
Een beetje meer. Een beetje. Dat was alles. Geen decreet, geen aanklacht, en al helemaal geen pamflet.

Is het mogelijk om nóg behoedzamer dan Anbeek spitsroeden te lopen? Toch werden Anbeeks ‘spitsroeden’ opgevat als gevloek in de kerk. Pleitbezorgers van de literaire quarantaine stonden op hun strepen. De Gids wijdde een speciale aflevering aan Anbeeks essay. Die thema-aflevering had als titel: ‘Heeft de Nederlandse roman behoefte aan meer straatrumoer’? 
Nee, was het uinisono klinkende antwoord, en dat was logisch, want ook toen vond geen zinnig mens dat literatuur iets ‘moet’. 
Maar de vraag was dan ook verkeerd gesteld. De juiste vraag naar aanleiding van Anbeeks essay luidt: ‘Is de Nederlandse roman gebaat bij een principiële uitsluiting van “straatrumoer”?’ 
Maar zó luidde de vraag dus niet. En als gevolg van die verkeerd geformuleerde vraag liepen heel wat romanciers en critici in die special van De Gids geërgerd leeg. ‘Anbeeks stelling is onzinnig,’ oordeelde Boudewijn Büch. Ook Jaap Goedegebuure las Anbeeks essay verkeerd en schreef: ‘Het is absurd om de Nederlandse romancier die taak als verplicht op te leggen.’ En Louis Ferron verwoordde zijn ergernis nog het felst: ‘Als het aan Anbeek ligt wordt ieder maatschappijkritisch pamflet automatisch tot literatuur.’ Ferron vervolgde: ‘Maar, om met een door mij zeer gewaardeerd maatschappijkritisch auteur te spreken “Literatuur is het gebied van de vrijheid”, de vrijheid dus ook om desnoods in de stront van je eigen darmen te kruipen. De rest is Scheisse.’ 
Tja, wie zal het er mee oneens zijn? Ferron zag echter over het hoofd dat Anbeek zich verwonderde dat zo weinigen in Nederland die vrijheid te baat nemen om zich nu eens over andermans darmen uit te laten, om even bij Ferrons metaforiek te blijven. In plaats daarvan blijkt uitsluitend de tijgergang richting eigen darmen zaligmakend. 
Is het bij ons een daad van literair verzet om te wijzen op het fundamentele recht van de schrijver om in de eigen darmen weg te kruipen, in sommige landen is men gedwongen om dagelijks en voortdurend in de eigen darmen te verblijven zodra de kunst ter sprake komt. Dat is andere koek. En zie, in die landen wordt gehunkerd naar literatuur die door middel van evocatie en verbeelding een uitweg uit de darmen representeert. Waar dictatuur heerst, worden sprookjes gelezen met ogen die verlangen naar de verbeelding van het heden en het nabije. 
Een echo van die hunkering ving ik niet zo lang geleden op in Tsjechië. In een boekhandel in Praag stuitte ik op een signeersessie door de Zwitserse auteur Erich von Däniken, bestellerschrijver van vrijzwevende studies over de piramides die in de late steentijd zouden zijn ontworpen en gebouwd door buitenaardse wezens – ik verzin het niet. Er stonden rijen belangstellenden voor de boekhandel zoals bij ons voor auteurs als Donna Tartt of J.K. Rowling. Navraag leerde dat veel lezers niet zo heel veel geloof hechtten aan die theorie van UFO’s in de oertijd. Zij stonden er uit trouw aan hun eigen leesgeschiedenis. In de tijd van communistische overheersing kon een naar vrijheid hunkerende geest zich vanwege de index aan niets anders laven dan de onschadelijk geachte titels van Von Däniken. Tegen beter weten in speurde de geknechte Tsjechische lezer in Von Dänikens boeken naar sporen van maatschappelijke subversie, naar aanklacht, straatrumoer en allegorieën. Zij projecteerden hun eigen subversie op Von Dänikens piramidologie. 
Het bewind kwam ten val, maar de loyaliteit van de verbeeldingsvolle lezer bleef. Het was niet Von Dänikens eerste signeersessie in Praag, naar bleek, en dus was hij inmiddels wel gewend aan de ontmoeting met lezers die zijn boeken hadden getransformeerd tot werken die hijzelf toch echt nooit zo had bedoeld. 
Bij het lezen van Reading Lolita in Teheran van Azar Nafisi dacht ik terug aan het zien van die late echo’s van Praagse honger naar literatuur die uitdrukking geeft aan hoe het leven wordt ervaren in het hic et nunc. Nu is Vladimir Nabokov Erich von Däniken niet, en het lezen vanLolita brengt de Iraanse Nafisi tot andere esthetische ervaringen dan de gemiddelde UFO-hypothese van Von Däniken de Tsjechen zal hebben gebracht. Maar toch. 
Nabokovs oeuvre staat op de schier oneindige lijst van verboden westerse boeken in Iran. Een groepje hartstochtelijke lezeressen gaf elkaar boeken uit het westen door, waaronder Nabokovs Pnin, Speak, Memory en Ada, meestal in beduimelde kopie. Die lezeressen lazen ookLolita
Als er éen twintigste-eeuwse schrijver is die zich vasthoudend en consequent heeft bekend tot een l’art pour l’art-purisme, dan toch Nabokov: ‘The violent, vulgar novel, the novelistic treatment of social or political problems, and in general novels consisting mainly of dialogue or social comment – these are absolutely banned from my bedside.’ 
Reading Lolita in Teheran maakt aanschouwlijk wat er met Lolita gebeurt zodra zich een leesclubje van onderdrukte vrouwen in een islamitsche natie zich erover buigt. Wel drie of vier keer onderstreept Azar Nafisi dat zij en haar medelezers Lolita eerst en vooral lezen als een autonoom kunstwerk: ‘Ik wil nogmaals benadrukken dat wij niét Lolita waren, dat de ayatollah niét Humbert was en deze republiek niet wat Humbert zijn koninkrijk bij de zee noemde. Lolita was geen kritiek op de islamitische republiek, maar ging wel dwars tegen alle totalitaire standpunten in.’ Dat subversieve element in Lolita verbonden Nafisi en haar medelezers met het verlangen naar een subversieve toets in hun eigen leven. Maar nog steeds projecteerden zij niet hun eigen morele maatstaven op Lolita. Zij legden het boek niet hun wil op. In plaats daarvan onderzochten zij of de ‘wil’ die Nabokov met Lolita de lezer oplegt ook iets te vertellen kon hebben en van waarde kon zijn búiten de autonomie van de roman. De lezer is de motor, literatuur de brandstof. 
Ergens in Reading Lolita in Teheran schrijft Nafisi dat Humbert Humbert met Lolita omgaat zoals Nabokov dat zelf deed met de vlinders die hij verzamelde en bestudeerde: ‘De vlinder is geen voor de hand liggend symbool,’ erkent Nafisi ‘maar suggereert wel dat Humbert Lolita vastpint op dezelfde manier als de vlinder gefixeerd is; Humbert wil dat zij, een levend, ademend menselijk wezen, stationair wordt, haar leven opgeeft voor het stilleven dat hij haar ervoor in de plaats biedt.’ En dát is precies wat het regime in Iran met haar vrouwelijke inwoners doet, aldus Nafiri, die vervolgens bekent: ‘Zo lees ik Lolita. Telkens wanneer we in de klas over Lolita spraken, werden onze discussies gekleurd door de verholen persoonlijke vreugde en het verdriet van mijn studenten. (…) En ik dacht hoe langer hoe meer aan de vlinder: wat ons [lezer en romanpersonage Lolita, JZ] zo nauw verbond was die onnatuurlijke intimiteit tussen slachtoffer en cipier.’ 
Lolita als allegorisch traktaat; als een boek dat indirect iets te zeggen heeft over de vernederingen in een islam-fundamentalistisch nowhere land – het zijn morele noties die Afisi ontleent en dus niet oplegt aan Lolita. Azar Nafisi ontleent soevereine betekenissen aan Lolita in dezelfde mate als waarop Lolita zich soeverein onttrekt aan Nafisi’s interpretaties. 
Met dat besef van tweerichtingsverkeer in het achterhoofd kan Nafisi nog meer pregnante uitspraken doen. Deze bijvoorbeeld: ‘De verschrikkelijke waarheid van Lolita’s verhaal is niet de verkrachting van een meisje van twaalf door een vieze oude man, maar de confisquatie van het leven van het ene individu door het andere. (..) Toch is de roman, het voltooide werk, optimistisch, (..) , een pleidooi niet alleen voor de schoonheid maar voor het leven, voor alle normale genoegens waarvan Lolita (…) was beroofd.’ 
Lolita als een ‘pleidooi voor het leven’? Als een pledooi voor ‘normale vrouwengenoegens’ waarvan Dolores Haze, alias Lolita, zich zag beroofd? Nabokov in de rol van een soort kosmopolitische Hannemieke Stamperius of Anja Meulenbelt avant la lettre? Dié lezing vereist een slangenmensachtige flexibiliteit. Voor de zekerheid nog maar een uitspraak van Nabokov, uit een befaamd geworden radiogesprek in 1962 voor de BBC: ‘Why did I write any of my books, after all? For the sake of the pleasure (..) I have no social purpose, no moral message (..).’ Toch maken de interpretaties van Afisi allesbehalve een bedilzieke indruk, juist omdat zij haar interpretaties duidelijk loskoppelt van de autonomie van de roman. Nafisi en haar medelezers willen Lolita niet reduceren tot een boek met een in weerwil van de maker ‘verborgen sociaal-maatschappelijke agenda’. In plaats daarvan gedraagt Nafisi zich overeenkomstig een leeshouding die Gerrit Kouwenaar ooit uitdrukte in de bundel De stem op de 3e etage

ik ben geen geleerde, geen raadgever
verklaar je niet de onmogelijkheden van aarde en lucht 
ik maak ze 

De schrijver als de schepper van de ‘onmogelijkheden’ van ‘aarde en lucht’ – met andere woorden: het gedicht, de tekst, het kunstwerk vertegenwoordigt een wereld op zichzelf die evenveel betekenissen kan genereren als de wereld zélf. Die notie over de oneindigheid van betekenissen van een roman wordt in Reading Lolita in Teheran in praktijk gebracht. Met alle égards voor de bedoelingen en de poetica van de schrijver ontlenen Nafisi en haar mede-lezers een bepaalde betekenis aan de roman die zij bewonderen. 
Deze manier van lezen door Nafisi laat zich ook toepassen op Safran Foers Extremely Loud And Incredibly Close. Foers roman is niet uitsluitend een weergave van de menselijke tragedies die zich ontvouwen na de aanslagen van 9/11. Voor wie in het labyrint van Foer wenst te verdwalen is Extremely Loud and Incredibly Close ook een emotionele röntgenfoto van een kinderbrein dat van éen ding doortrokken is: gemis. De roman ademt misschien wel een van de indringendste verschijningsvormen van eenzaamheid: de eenzaamheid van een jong kind. Foer concentreert zich op het puinstof van 9/11, laat ons tollen door het straatrumoer en roert tegelijkertijd met blind fanatisme in de stront van de eigen darmen. Dat kan dus allemaal tegelijkertijd, en het gebeurt in Foers boek op een manier die de indruk wekt dat die vervlechting van extravertie en solispsime in de literatuur altíjd de gewoonste en natuurlijkste zaak van de wereld is. 
Bij lezing van Reading Lolita in Teheran drong het besef zich op dat in Nederland recensenten soms niet in staat lijken te lezen op de manier van Nafisi en haar vriendinnen. Dit is vermoedelijk weer een bij-effect van de zelfopgelegde literaire quarantaine. Bepaalde critici lijken zich tenmiste soms geen raad weten met de zeldzame Nederlandse roman die zich aan de quarantaine onttrekt. 
In de Nederlandse literatuur van de afgelopen twintig jaar werd drie keer een roman het slachtoffer van een manier van lezen die tegengesteld is aan die van Azar Nafisi. Die drie romans zijn Mystiek lichaamDe buitenvrouw en Casino. De drie lezers waren Aad Nuis, Anil Ramdas en wederom Michaël Zeeman. 
Zij deden precies het omgekeerde van wat Nafisi nastreefde. De drie vatten literatuur niet op als brandstof voor de motor die de lezer is. Zij beschouwden zichzelf als brandstof en de roman als motor. Met enkele bewegingen goten zij hun private brandstof bij de roman naar binnen. Prompt haperde de motor. In een vloek en een zucht was het kunstwerk onklaar gemaakt.

Reading Casino in Amsterdam

Ik heb gemerkt dat veel mensen die weten wat bedoeld wordt met ‘de affaire rond Mystiek lichaam‘ niet graag aan die affaire worden herinnerd. Ik begrijp dat. Die zogenaamde ‘affaire’ is bepaald geen hoogtepunt in onze recente literatuurgeschiedenis. De affaire was onverdiend voor de schrijver, gènant voor de recensent door wiens woorden ineens die ‘affaire’ ontstond, en schadelijk voor het aanzien van de literaire kritiek. 
Sinds 1986 zijn er genoeg lezers én potentiële lezers van Mystiek lichaam bijgekomen die niets afweten van die affaire. Vandaar een summiere terugblik. 
Frans Kellendonk haalde het materiaal en de ideeën voor zijn romans en verhalen bepaald niet uit ‘het dagelijks nieuws’. Hij was overwegend recht in de nabokoviaanse leer. ‘De ogenblikken dat een verhaal of gedicht eerlijk bekent dat het van taal gemaakt is (…) tegen de regels van de representatie in (..) dat zijn voor mij de bevrijdende ogenblikken in de kunst,’ schreef hij eens, en in die zinnen school zijn artistieke credo. 
Met Mystiek lichaam schreef hij een roman die hijzelf omschreef als ‘een moderne moraliteit’. Personages in die moderne moraliteit: de oude bruut en gierigaard Gijselhart, zijn woorddronken en tamelijk hysterische dochter Prul en de naar New York uitgeweken zoon Leendert, die na de dood van zijn vriend en na een enerverende carriëre als kunstcriticus en -handelaar, terugkeert op het honk waar Gijselhart en Prul zich eveneens bevinden: de Doornenhof. De Doornenhof rammelt op de grondvesten wanneer Prul een manspersoon naar binnen dirigeert. Pruls geliefde heet Pechman, is joods, en is in de beleving van vader en zoon Gijselhart de personificatie van alles wat onwelkom en onzalig is. Tot zover heel in het kort de romaneske feiten. 
Aad Nuis, toentertijd criticus van de Volkskrant, schreef een recensie over Mystiek lichaam. De kop luidde: ‘Onmiskenbaar antisemitisme in sluiers van ironie.’ Nuis kapittelde Kellendonk het feit dat, zoals hij memoreerde, de roman een aantal ‘geborneerde opmerkingen’ bevat ‘over homoseksualiteit vooral, die niet gerechtvaardigd worden door het feit dat ze in de mond van een homo worden gelegd. Nog minder te rechtvaardigen is het waas van dubbel en driedubbel geïroniseerd, maar onmiskenbaar antisemitisme dat over bepaalde passages hangt’. 
Na die recensie van Nuis kon geen criticus het zich veroorloven om over Mystiek lichaam te schrijven zónder op de vraag in te gaan of de auteur zich schuldig had gemaakt aan antisemitisme. De affaire bracht Kellendonk ertoe in het essay ‘Ons Wilde Westen: literatuur en publieke opinie’ bitter terug te blikken: ‘Als het gaat om eigentijdse ideeën in een roman, (…) dan ontstaat gemakkelijk verwarring (…). De verleiding om buiten zijn boekje te treden kan de bespreker dan te machtig worden (..) 
Wie op de affaire terugkijkt, ziet een droevig stemmend steekspel, dat makkelijk te voorkomen was geweest als die ene recensent Nuis meer notie had genomen van die oergrond voor alle literatuur: een roman betoogt niet, maar drukt uit, of zoals Kellendonk het enige tijd na de affaire in een interview verwoordde: ‘Je moet onderscheid maken tussen betogend en verhalend proza. Als ik een opvatting te verkondigen heb, dan schrijf ik wel een artikel (..) , dan houd ik een betoog. (..) In een roman worden denkbeelden niet verkondigd, maar gedramatiseerd. Er wordt geen recept uitgeschreven, maar een conflict uitgebeeld.’ 
Je zou denken: dit weet iedereen, tot aan de leesclub in Teheran aan toe. Maar tegenover Nuis was het aan dovemansoren gericht. Hij had zich niet bereid verklaard zich te laten ‘verdwalen’ in het labyrint dat Mystiek lichaam heet. In plaats daarvan nam hij zijn buitenliteraire kompas als maatstaf, en keurde de roman af toen bleek dat bepaalde passages niet correspondeerden met zijn morele routeplanner. 
Minder dan tien jaar later, in 1994, was het weer zover. Toen werd niet de antisemitisme- maar de racismekaart getrokken. En ook toen bleek de beschuldiging terug te brengen tot dezelfde wrijving die het ‘schandaal’ rondom Mystiek lichaam veroorzaakte: een schrijver die zich tot doel had gesteld een reeks ‘conflicten’ uit te beelden en éen lezer, in dit geval de essayist Anil Ramdas, die die uitbeelding reduceerde tot een kwestie voor een meerkeuzevraag, met slechts twee mogelijke antwoorden: goed of fout. 
Over die keer in 1994 kan ik meepraten, want ik was er zelf bij, om het zo maar te zeggen. Uit de eerste hand kan ik u mededelen dat éen van de conflicten in De buitenvrouw zich toespitst op de zelfverklaarde politieke correctheid van hoofdfiguur Theo Altena versus diens onbeteugelbare instincten die bepaald niet in de pas lopen met die veronderstelde correctheid. 
Een paar maanden nadat de recensies over De buitenvrouw waren verschenen repte Anil Ramdas in een paginagroot stuk in NRC Handelsblad van ‘moedwil en misverstand bij blanke schrijvers’. Hij had het daarbij in het bijzonder gemunt op De buitenvrouw en haar auteur. Ramdas’ toorn werd onder meer gewekt doordat de lezer alles te weten kwam van de gevoelens en gedachten van de blanke man, terwijl de gevoelens en gedachten van de zwarte vrouw in de roman in nevelen gehuld bleven. Dát had de schrijver niet mogen doen. De schrijver had ook een zwart personage door middel van een nieuw vertelperspectief een eigen stem moeten geven. Kortom: de schrijver had een heel ander boek moeten schrijven. Het betrof hier volgens Ramdas een laakbare morele tekortkoming van de auteur. Ramdas noemde ‘bekende volksschrijvers’ ‘onoplettend en onverschillig’. En, concludeerde hij: ‘Zo langzamerhand moeten we dat gaan wijten aan moedwil en kwade trouw. Het is toch een formidabele wanprestatie van de Nederlandse schrijvers om niet te zien dat hun samenleving drastisch van kleur en aard is veranderd? (…) Terwijl een miljoen burgers hun dagelijkse vernederingen verbijten, kijken de Nederlandse schrijvers een andere kant op. Als zo’n schrijver tegen mij opbotst, grijp ik hem bij zijn revers (..) .’ 
Vertaald naar andere romans uit andere tijden kwam de klacht van Ramdas erop neer dat het een schande was dat bijvoorbeeld Gerard Reve in De avonden alleen maar een stem had gegeven aan de even sardonische als wanhopige Frits van Egters, terwijl de gevoelens en gedachten van diens vader en moeder nooit een eigen, autonome uiting kregen. Nu was De avonden een klap in het gezicht van alle vaders en moeders die dagelijks de brutaliteit en de bokkigheid van hun jongvolwassen kinderen moesten slikken. 
Ernst van Alphen blikte in het aan Kellendonk gewijde nummer van De Revisor terug op Mystiek lichaam en concludeerde dat critici als Aad Nuis ‘particuliere uitspraken en gedragingen in de roman uit hun context rukken en ze generaliseren tot Kellendonks wereldbeeld’. Vervang hier de naam van Kelledonk voor die van de schrijver van De buitenvrouw en de leesmethode van Ramdas is perfect getypeerd. 
Marja Brouwers werd in 2004 op haar beurt aan haar jasje getrokken, door Michaël Zeeman. Het essentiële verschil is dat Zeeman Casinowaardeerde waar Nuis en Ramdas respectievelijk Mystiek lichaam en De buitenvrouw afkeurden. Zeeman trok aan Brouwers’ jasje om haar te complimenteren. Zijn essay over Casino is behalve sympathiek en enthousiasmerend ook steekhoudend in de constatering dat Casino naar inzet en poetica correspondeert met een aantal belangrijke hedendaagse romans uit Europa en Amerika. Wat willen we nog meer? 
Het is echter spijtig voor Casino en schadelijk voor de geloofwaardigheid van de literaire kritiek dat Zeeman in zijn enthousiasme in dezelfde fout vervalt als Nuis en Ramdas. In Mystiek lichaam en De buitenvrouw begingen de romanpersonages ‘overtredingen’ waarvoor Nuis en Ramdas maximale boetes uitschreven aan de schrijvers. In Casino trof Zeeman een aantal ideeën aan die correspondeerden met de ideeën die hijzélf regelmatig over het voetlicht brengt in zijn columns. Het goede nieuws is dat die overeenkomstige ideeën hem brachten tot een inspirerende bespiegeling over de mogelijkheden en reikwijdten van het soort roman dat hij in zijn voorwoord in Magazijn juist diskwalificeert. Het slechte nieuws is dat hij in zijn artikel over Casino zijn literaire waardering liet afhangen van zijn instemming met een aantal morele noties in het boek. Het is het fotonegatief van de manier van lezen van Azir Nafisi. Het is: Reading Casino in Amsterdam. 
Zeeman maakte precies dezelfde denkfout als Ramdas en Nuis – alleen met een andere uitkomst in waardering. Frans Kellendonk bracht die denkfout als volgt onder woorden: ‘ De kanttekening “ik ben het niet eens met de ideeën” in dit verhaal is precies zo gratuit als “dit is een verhaal over blonde vrouwen en ik houd toevallig niet van blonde vrouwen”.’ 
Nu zal Marja Brouwers allang blij zijn geweest dát er iemand was die wees op de ideeënrijkdom in Casino. Maar intussen had Zeemans essay exact dezelfde gevolgen voor de ontvangst van Casino als het stuk van Nuis op de ontvangst van Mystiek lichaam. Brouwers wees hier indirect op, in een artikel genaamd ‘Kept Niet Gelezen’, dat zij enige maanden na verschijning van Casino publiceerde. Hierin verzucht ze: ‘Van Casino ontving ik een totaal van achtennegentig boekbesprekingen. (…) Zevenentachtig daarvan bespraken niet mijn boek, maar het artikel van Zeeman (…) .’ 
Doordat in veel van die zevenentachtig recensies uitsluitend op Zeemans reductionistische manier van lezen werd ingegaan, raakten de literaire kwaliteiten van Casino aan het zicht onttrokken. Dat verdient geen enkele roman, dus ook Casino niet. 
Net als Mystiek lichaam en De buitenvrouw beeldt ook Casino allerlei conflicten uit, in dit geval onder andere het conflict tussen de ‘oude’ intellectuele adel en de ‘nieuwe’ pragmatische rijken tussen de jaren zestig en de jaren negentig; tussen engagementsdenken en rendementsdenken. Marja Brouwers vervlecht die conflicten met een algemeen menselijke tragiek, en juist in die vervlechting schuilt de grote literaire kracht van Casino. Die kracht toont zich onder meer in de opzettelijk hoekige en losse vorm: verhalende fragmenten worden afgewisseld met essayistische passages, en die afwisseling is ruw, grillig en ongepolijst – en weerspiegelt zo de betrekkelijke ruwheid van de inhoud van de roman. 
Michaël Zeeman introduceerde in zijn artikel Casino als volgt: ‘In haar roman Casino leidt Marja Brouwers ons binnen in de wereld van de veelverdieners, die in het afgelopen decennium zo spraakmakend en zichtbaar zijn geworden, de mannen van de “exorbitante zelfverrijking” over wie toenmalig minister-president Wim Kok met zoveel afschuw sprak. (..) De geest die Brouwers beschrijft en de zeden waartoe die geest (..) hebben geleid zijn springlevend. Zelfs wie maar sporadisch een krant leest, weet meteen waarover zij het heeft.’ 
Hee, is dat niet diezelfde krant waaruit de schrijver nu juist volgens diezelfde Zeeman niét mocht putten? Raar is dat. Wie vraagt naar de moord op Van Gogh als mogelijk materiaal voor een roman, krijgt van Zeeman het dogma over het verbod op ‘het dagelijks nieuws’ om de oren; wie zich in een roman concentreert op het traject van idealisme van de jaren zestig naar verloedering in de jaren negentig wordt door diezelfde Zeeman bewierookt en toegejuicht. Dat zal wel een bedrijfsfoutje zijn. 
Het reductionisme dat Zeeman toepaste, komt het duidelijkst naar voren als hij een voorbeeld uit Casino licht: ‘Het mooiste beeld uit Brouwers’ boek is dat van een statig Amsterdams pand, dat wordt verdedigd door de eigenaren en uitgewoond door de huurders. Gaandeweg wordt in twijfel getrokken wat die eigenaren nog rechtmatig kunnen doen, terwijl de huurders alle wetgeving inzetten om hun schandalige omgang met het gebouw te kunnen legitimeren. Wij wonen in het huis van onze geschiedenis, dat we cadeau hebben gekregen van onze voorouders. Je zou zeggen, dat schept verplichtingen. Mis, zeggen Brouwers’ personages; dat geeft je louter rechten. Het conflict wordt uitgevochten door advocaten en huurcommissies, maar het is onoplosbaar. Het is een huiveringwekkend beeld.’ 
Zoals Zeeman het weergeeft drukt dit beeld de misstand uit dat huurders door een tiranniek gehamer op de eigen rechten niet langer hun plichten kennen. Doordat Zeeman het achterliggende drama in deze passage eenvoudig negeert, doet hij de fascinerende veelkantigheid vanCasino onrecht, zeker wanneer hij vervolgens suggereert dat Marja Brouwers ons middels die passage een wijze les meegeeft over ‘het huis van de geschiedenis’ waarin we wonen. 
Als dat de strekking was van deze passage in Casino, dan zou ik Brouwers’ roman op dit onderdeel maar een zeurderig traktaat hebben gevonden. Maar voor wie zich écht openstelt voor het labyrint genaamd Casino, biedt de roman veel en veel meer. Wat Zeeman verzuimt te vermelden is dat de eigenaar van het statige pand de glamour-crimineel Philip van Heemskerk is, de man die als een pasja zijn nieuwe rijkdom toont in Zuid-Frankrijk. Van Heemskerk kan met zijn charme, zijn geld én zijn geraffineerde intimidatiemethoden de halve wereld aan – behalve die kleine zielen op verdieping drie van zijn prachtige huis in Amsterdam, die lastige huurders die er behagen in scheppen hun eigenaar te treiteren. 
Aldus loodst Marja Brouwers de lezers een gelaagde wereld in. De meester-handelaar, playboy en crimineel Heemskerk ligt als een muizige huisjesmelker een leiding in een keukentje te repareren dat door de huurders nota bene expres is kapotgemaakt. Door die omkering beeldt de roman het eeuwige menselijke gewemel uit. En achter die omkering schemert in Casino het staketsel van het leven zélf, gestut door de tijdloze vragen: hoe zinvol zijn onze strevingen, waar vinden wij waarheid, en waarom toch rest ons op de beslissende ogenblikken niets dan lucht, desillusie en onmacht?

Wat zegt het over onze literatuur als drie doorgaans bepaald niet oliedomme beroepslezers sommige romans beoordelen op volstrekt verkeerde gronden? 
Het antwoord moet zijn dat de zelfopgelegde literaire quarantaine tot gevolg heeft gehad dat er in Nederland relatief weinig romans verschenen die zich én stevig verankerden in de eigen tijd én afdaalden in de contreien van de eeuwiger vragen naar de menselijke ervaring. Critici zijn daardoor niet gewend aan romans die zich niets gelegen laat liggen aan die quarantaine. Door die onbekendheid met het genre vervallen ook doorgaans capabele recensenten als Nuis, Ramdas en Zeeman in onnozele beginnersfouten. Met in de praktijk de funeste gevolgen voorMystiek lichaamDe buitenvrouw en Casino. Dat juist deze drie romans het slachtoffer werden van die reductionistische manier van lezen is geen toeval, want alledrie onttrekken ze zich, ieder op eigen manier, aan de literaire quarantaine. 
Is een faux pas als door Nuis, Ramdas en Zeeman te voorkomen? Natuurlijk niet. Maar zolang de zelfopgelegde literaire quarantaine in stand wordt gehouden, blijft de kans extra groot dat beroepslezers hun huishoudboekje van morele standaards tevoorschijn toveren. 
Het is onvermijdelijk en het zal bevrijdend werken: de literaire quarantaine moet worden opgeheven. Door de afschaffing van de literaire quarantaine is de kans groter dat in Nederland een literatuur kan bloeien waarin geen enkel onderwerp en geen enkele verzinnebeelding op voorhand tot minderwaardig of ‘verkeerd’ wordt verklaard. In zo’n literair klimaat is niets taboe, de moord op Van Gogh evenmin als de verpopping van een vlinder ergens in de uiterwaarden nabij Tiel. Alles mag meedoen. Terwille van die ideale situatie is de literaire quarantaine vanaf nu en bij dezen afgeschaft. 
Sommigen die waren verknocht aan de literaire quarantaine als een gevangene aan de-ketting-met-de-loden-bal-aan-het-been zullen misschien wat met de ogen knipperen. Het strekt óók de oogknipperaars tot aanbeveling een blik te werpen in een roman die naar vorm en inhoud de uiterste consequentie toont van een thematische vrijheid en een ideale veelvormigheid: Rayuela van Julio Cortàzar. 
Rayuela is een roman die je kunt lezen in een volgorde die je zelf kunt bepalen: van begin tot eind, in een door de schrijver opgestelde alternatieve volgorde, maar ook in een volgorde die weer van het alternatief afwijkt. Cortazar beschrijft in Rayuela het leven van de flink lethargische Horacio die, woonachtig in Parijs, weinig uitvoert maar des te koortsachtiger nadenkt. Horacio keert met zijn vrouw la Maga en zijn zieke kind Rocamadour terug naar Buenos Aires, waar hij vervolgens heen en weer wordt gekaatst van hotel naar inrichting en weer terug. Tussen de bedrijven door bepeinst een schrijver genaamd Morelli zijn leven en dat van Horacio, maar ook de zin en onzin van het schrijven van romans. 
‘Rayuela’ betekent ‘hinkelspel’, en de lezer kan door die open vorm door de roman heen hinkelen zoals hij wil. In fragment ‘2’ van Rayuela is Horacio aan het woord over zijn bestaan in Parijs dat hij ‘soms probeert te beschrijven’. Horacio’s gedachtenstroom die begint bij Parijs en eindigt bij zijn liefje la Maga die hem kietelt met haar tong is te lezen als een metafoor voor de onbegrensdheid aan onderwerpen en fascinaties waardoor de schrijver Morelli – en met hem, zo stel ik me voor, álle schrijvers- zich laten leiden: 

‘(..) dit Parijs waarin ik me als een droog blad beweeg, zou onzichtbaar zijn als er achter niet dat verlangen naar de as zou kloppen, naar het terugvinden van de grondslag. Wat een woorden, wat een benamingen voor éen en dezelfde verwarring. Soms ben ik er van overtuigd dat stompzinnigheid en driehoek éen zijn, dat acht maal acht waanzin is of een hond. Als ik la Maga, die verdichte nevelvlek, in mijn armen houd, bedenk ik dat het kneden van een poppetje uit wat broodkruimels evenveel zin heeft als het schrijven van de roman die ik nooit zal schrijven (..) . De slinger legt zijn korte beweging af en ik rijg me opnieuw in met geruststellende begrippen: onbelangrijk poppetje, transcedente roman, heldhaftige dood. Ik zet ze op een rij, van klein naar groot: popje, roman, heldendom. Ik moet denken aan de waardenschalen die Ortega en Scheler zo grondig bestudeerd hebben: esthetiek, ethiek, religie. Religie, esthetiek, ethiek. Ethiek, religie, esthetiek. Popje, roman. Dood, popje. La Maga’s tong kietelt me. Rocamadour, ethiek, popje, la Maga. Tong, kietelen, ethiek.’ 

Waarom ontroerde me dit toen ik het voor het eerst las, en waarom houdt dit fragment eigenlijk niet op me te ontroeren? Niet het feit dat hier iemand de zinloosheid beschrijft van het schrijven van de roman die hij nooit zal schrijven. Die ring van Möbius is fascinerend, maar die ring zien we terug in meer romans. Want de frappe is natuurlijk dat wij nu juist die roman in handen hebben waarover Horacio beweert dat die nooit zal worden geschreven. Een lokkend slimmigheidje van Cortazar. 
Waar het me om gaat is dit: het kneden van een poppetje heeft evenveel zin als het schrijven van een roman – geen zin dus, zijn we geneigd te denken. Maar zo is het niet. Het is allemaal, van het kleine kneden tot de grootse plannen, van even groot belang en doordrongen van dezelfde gloed en zin. Het nietigste krijgt dezelfde glans en grandeur als de zetstukken uit het grootse en meeslepende leven: de ethiek, het heldendom, de dood. Van die gelijke toekenning aan zowel het nietigste en het lichtste alsook aan de wereld van de zwaarte en de daden, is het maar een kleine stap naar de gelijkschakeling van de grote woorden: ethiek, religie, esthetiek – ziehier het triumviraat waarbinnen de schrijver toch altijd zijn lijnen uitzet. Die luid schalmeiende woorden worden ineens vermengd met de vignetten van het intieme leven van Horacio: popje, roman, Rocamadour. Zijn muze kietelt hem met haar tong – en direct bevindt zich die tong temidden van die schalmeiende woorden ethiek, religie, esthetiek. Of: hoe moraal zelfs de intimiteiten aanraakt; hoe God kan schuilen in éen kietelbeweging met je tong. En, vanzelfsprekend, hoe mooi het is, die tong, of hoe weerzinwekkend natuurlijk, die intimiderend nabije lap vochtig en slakkenspoorglanzend week vlees. Ethiek, popje, roman. Roman, la Maga, esthetiek. De opsommingen dienen als een mantra die uitdrukt dat niets zal worden uitgesloten. 
Kort hiervoor klonk in het afschaffen van de literaire quarantaine onwillekeurig enige galm mee. Om evenwicht na te streven kan het ook op de manier als in Rayuela: de vrijwaring van de quarantaine wordt niet uitgeroepen maar gedemonstreerd, opdat de schrijver kan en mag hinkelen en bepaalde stenen niet langer verboden zijn om op te landen met de bal van je voet. De hink-stap-sprong breidt zich uit naar alle tegels. Hoe zou het klinken volgens het ritme en de dynamiek van Rayuela? Roman, het vacuüm, het nieuws. Esthetiek, religie, ethiek. het vacuüm, God, het nieuws. Tong, kietelen, de roman. Het kietelen, het nieuws, het vacuüm. La Maga’s tong kietelt ons. Religie, popje, roman, het vacuüm. En zo verder. En zo verder. Onze voeten raken de tegels. Alles veert mee. Roman, het nieuws, popje. Tong, esthetiek, God. Nog meer van die steekwoorden in oneindige combinaties, en het zal vanzelf gaan. Het gáát al vanzelf.
We hinkelen.