Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor liet ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door sluimer, slaap, linksdraaiende Pfeiffer, roofdieren, aangeleerde hulpeloosheid, te veel, te veel – en geluk en beren .

*

Ik loop door een bouwmarkt en als ik niet onmiddellijk al mijn overige spieren aanspan zal ik ergens tussen de muurverf en de zijdeglans onherroepelijk in een vorstelijke sluimer vallen. Dat mijn eigen twee benen me heelhuids door het Amsterdamse verkeer hebben gefietst, mag een wonder heten. Sinds ik heb gehoord dat M. en ik een woning hebben breng ik mijn dagen door in diverse staten van slaap. ’s Nachts is dat geen probleem. Voor iemand die nooit slaapt ben ik een topprestatie aan het leveren. Overdag is het een ander verhaal. Regelmatig word ik wakker met mijn wang op een boek, of zomaar in halfzit op de bank, met mijn handdoek half langs mijn lichaam en een sok in mijn hand – poging tot aankleden: gestrand.

Vroeger ging ik in periodes als deze naar de huisarts. Die liet dan genoeg bloed aftappen om niet alleen mij, maar ook al mijn voorvaderen en het eventuele nageslacht op iedere vreselijke aandoening en elk onzichtbaar vitaminegebrek denkbaar te controleren. Twee keer was het raak: als tiener kreeg ik natuurlijk de ziekte van Pfeiffer, en in mijn studententijd kreeg ik die nog een keer, althans, een of andere linksdraaiende variant ervan, waardoor ik op een schemeravond in de VU-bibliotheek hevig kwijlend ontwaakte op Hermingard van de Eiketerpen. Een oud vaderlandsch verhaal. Alle andere keren keek de huisarts van dienst me vorsend aan en zei: ‘Het zit waarschijnlijk tussen je oren.’

Dat geloof ik dan maar. Ben ik normaal gesproken bedraad als die ene holbewoner die beren moet verjagen, blijkt in bijzonder drukke periodes tegenstrijdig genoeg dat ik ook nauw verwant ben aan de flauwbok. De Zuid-Afrikaanse schrijver Etiënne van Heerden beschrijft ze in zijn roman De stoetmeester (die natuurlijk niet over de bokken gaat, maar over de mensen). Het zijn bokjes die als ze stress ervaren flauwvallen; je kunt er als je op YouTube naar ‘fainting goats’ zoekt heel erg grappige filmpjes van vinden. In werkelijkheid worden ze – ook in Van Heerdens boek – gefokt om tussen een kudde schapen te zetten. Als de schapen worden aangevallen door wild kunnen ze ontkomen, want die bokjes, belast met een genetisch defect, blijven liggen om te worden opgegeten.

Ik zoek met in mijn hand een te klein mandje naar afdekzeil, houtverf, muurvuller. Het zou me niets verbazen als ik bij het volgende schap mijn wiskundeleraar aantref, die meldt dat ik direct mijn eindexamen over moet doen. Voor het gemak heeft hij achter het tuinmeubilair een gymzaal opgesteld waar toevallig ook mijn al lang overleden grootmoeder een pan soep staat te maken. Met mijn vrije hand duw ik wat mengstokjes tussen de verfbakken. Had ik maar chocola bij me. In een artikel heb ik gelezen dat stress – een, laten we wel wezen, nogal relatief begrip – voor een glucosedip kan zorgen. Dat is de reden dat sommige mensen als ze onrust ervaren naar snoep en cola grijpen. Ineens herinner ik me levendig hoe ik op de middelbare school, ook zonder pfeiffer, louter wakker wist te blijven door de hele dag stiekem stukjes Bounty of Snickers te eten. En hoe ik aan de universiteit de colleges wetenschapsfilosofie doorkwam op koffie met drie zakjes suiker erin.

Met mijn laatste krachten reken ik af. Als alles uit mijn tas valt wordt het me bijna te veel. Niet dat ik boos ben, of verdrietig, ik voel me niet eens opgewonden, ik kan gewoon werkelijk mijn ogen niet openhouden. Een man die ik eerder in de bouwmarkt aanhield omdat ik z’n portemonnee uit z’n zak zag vallen komt naast me staan.
‘Moet ik je helpen?’ vraagt hij.
Ja, denk ik. Pak al die spullen. Draag ze naar je bus. Leg mij erbij. Laad ons weer uit op bestemming. Maak me wakker als het zomer is.
‘Nee hoor,’ zeg ik.
Want in een ander artikel heb ik gelezen dat die slaperigheid bij onrust ook uit je kindertijd kan komen. Aangeleerde hulpeloosheid, heet het dan. Als je niet geholpen wordt is het op den duur voor iedereen beter om te stoppen met gillen en lekker in slaap te vallen. Er zit veel tussen mijn oren, maar hulpeloosheid precies niet.

Bij mijn volgeladen fiets klik ik een op de valreep aangeschaft blikje cola open. Er is ook niet zo veel om me hulpeloos over te voelen. Ik durf met droge ogen op te schrijven dat ik straalgelukkig ben. De stress die ik ervaar is niet van de dramatische variant, het is gewoon een veelheid aan dingen. In het klein ervaar ik mijn flauwbokmomenten ook als ik op een plek beland waar erg veel te verwerken is en ik geen duidelijk doel heb. Dat is waarom je niks aan me hebt als je me in mijn vrije tijd loslaat op een festivalterrein of in een IKEA. Mijn luiken gaan gewoon dicht. Too much input. Eet me op, zegt mijn lichaam, of geef me eten, maar laten we in godsnaam dit nutteloze limbo aan veelheid opheffen.

Na drie keer verkeerd fietsen kom ik met al m’n emmers en zeilen aan op bestemming. Met een sleutel waar ik niet aan ben gewend doe ik een deur die ik niet ken open. In de woonkamer zet ik alles neer. Ik ga liggen. Zal ik, gewoon hier, op de kale vloer? Dan klinken er boven me heel zacht voetstappen die ik nooit eerder gehoord heb. De sluimer die als stroop door mijn ledematen gaat verandert gelijk in de vloeibare speed die normaal door mijn aderen stroomt. Ik moet rechtop gaan zitten om niet te stikken in mijn hervonden levenslust. Godzijdank, daar zijn ze: gloednieuwe beren.

 

Foto Willem van de Pol, 1933, Nationaal Archief: Vrouw slaapt in stoel voor het raam

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door oorlog, de zeespiegelstijging, discriminatie, verkrachting, de voedselbank en het klerevirus, en de woorden van Asmaa Azaizeh.

*

Mijn vak, daar ga ik weer, kan wat belachelijk aanvoelen. Zoals nu. Ik zit op de bank, in mijn kamer, en ik moet een stukje schrijven. Ik mag een stukje schrijven, tenslotte bood ik het zelf aan, en Daan Stoffelsen zei dat hij dat ook een leuk idee vond. Ik zit op de bank een stukje te schrijven en in Oekraïne is oorlog en de zee stijgt onherroepelijk en er worden mensen gediscrimineerd en verkracht en er staan rijen bij de voedselbank en door alles heen sluiert dat klerevirus, het houdt nog steeds mensen binnen, al doen we of het over is.

Tien jaar geleden was ik als communicatiemedewerker betrokken bij de eerste editie van Read My World, een internationaal literatuurfestival. Een van de optredende dichters was de Palestijnse Asmaa Azaizeh. Ze zei tegen me, ik weet niet meer hoe we erop kwamen: ‘Ik kan niet meer schrijven. Uit mij komen alleen maar stomme sprookjes.’ Het was te groot, oorlog, geweld, ze kreeg het haar werk niet in, haar leven niet uit, en toch: het was niet haar verhaal, maar ook weer wel, en iedereen vond dat ze er iets van moest vinden, en daarom lukte het niet – zoiets.  Jaren later is ze over dat dubbele gevoel van de alomtegenwoordigheid van geweld, het toch niet ervaren, gaan schrijven. Over de verwachting die heerst: je bent een schrijver in de nabijheid van een ramp, dus daar zal je wel over gaan schrijven. In het gedicht ‘Do not believe me if I talked to you about war’ staat:

Do not believe me if I talked to you of war, because when I spoke of blood, I was drinking coffee, when I spoke of graves, I was picking yellow daisies in Marj Ibn Amer, when I described the murderers, I was listening to my friends’ giggles, and when I wrote about a burnt theatre in Aleppo, I was standing before you in an air-conditioned one.*

Ik denk vaak terug aan dat korte moment met Azaizeh. Het is waar; als er iets gebeurt, iets groots, en toevallig ben je schrijver, dan verwacht je omgeving dat je er iets over te melden hebt. Het is jouw taak: de pijn laten zien, het onrecht, of juist het geluk dat halsstarrig de kop op kan steken, zelfs als alles om je heen in (al dan niet metaforisch) puin ligt. In dezelfde (maar niet precies dezelfde) categorie herinner ik me gesprekken met schrijvers die in meer of mindere mate afwijken van een achterhaalde norm. Tegelijkertijd de druk, dus de weerstand, maar ook een drang te voelen om over dat ‘afwijkende’ te schrijven – je kleur, je geaardheid, je sociaal culturele achtergrond, je rouw, je ziekte. Meer willen schrijven dan dat het erg en vreselijk is – schrijven is niet louter een meldplicht van onrecht, tenslotte – maar ook een pen tot stilstand denken: dáár is het erger, díe heeft het zwaarder, dát is pas ziek, wat zou ík dan helemaal.

(Ik moest een keer een praatje houden aan de Van Eyck academie, daar was ik residerend schrijver. De mislukte roman waar ik aan werkte ging over een ramp in Nederland. Veel water. Een van de deelnemers stak zijn hand op. Hij zei: ‘Dat is cultural appropriation. In Griekenland sterven er nu daadwerkelijk mensen een verdrinkingsdood.’ Ik had even geen antwoord paraat.)

Besluiten tot een heel ander onderwerp. Een verhaal verzinnen. Terwijl het dáár ontploft, díé is gestorven, de zeespiegel enzovoorts! Je stomme sprookje van een schijf wissen.

Is schrijven als dit, zo op de bank, met warme voeten en uitzicht op diverse rampen, hetzelfde als zwijgen? Ik weet het niet, ik weet het gewoon niet. Misschien is het eerder als wachten. De vraag is op wat.

 

* dit fragment haal ik van Azaizehs website – het gedicht is ook in het Nederlands vertaald door Nisrine Mbarki, als Geloof me niet als ik vertel over de oorlog, en is in de gelijknamige bundel verschenen bij Uitgeverij Jurgen Maas. Alleen heb ik die niet bij de hand, dus moet u het nu even met de Engelse tekst doen.

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door de huurbemiddelaar, een hete aardappel, verstandige dingen, het kapitalisme en normaliteit.

*

Nadat ik een huurbemiddelaar telefonisch mijn inkomen uit de doeken deed, was hij even stil.
‘Hallo?’ zei ik.
De man, hij klonk veel jonger en tegelijkertijd wegens bijzonder hete aardappel veel ouder dan ik, schraapte zijn keel.
‘Komt er nog verbetering in deze situatie?’ vroeg hij.
‘Nee,’ zei ik, ‘nee, dat denk ik niet.’
Bij het wegdrukken van het gesprek miste ik hartgrondig de mogelijkheid met een hoorn te smijten.

‘Verbetering van mijn situatie! Dat impliceert,’ zo brulde ik later tegen M., die me stevig in haar armen hield omdat ik anders uit blinde woede op zou stijgen, ‘dat mijn situatie kennelijk niet goed genoeg is! Dat er iets niet klopt!’
M. zei allemaal verstandige dingen, zoals dat het aan het kapitalisme ligt, en aan de VVD, en dat ik bovendien toch gewoon rondkwam, en dat ik in godsnaam even uit dit spiraaltje moest komen, maar dat lukte dus niet.
‘Waarom ben ik niet normaal,’ jammerde ik, ‘waarom ben ik niet gewoon ergens accountmanager of administratief medewerker? En dat ik in een rijtjeshuis woon met een man en 2,5 kind, en dat ik in mijn vrije tijd graag ga shoppen, en dat ik één boek per maand lees, elke keer van Tommy Wieringa, voor mijn leesclub, waar ik dan ook witte wijn met bubbels drink en praat over alle 2,5 kinderen van de andere leesclubgenoten!’
M.’s grip begon, om allerlei zeer begrijpelijke redenen, wat losser te worden.
‘Ik heb het geprobeerd!’ gilde ik als een waanzinnige door mijn zolderkamer. ‘Ik heb zo hard geprobeerd geen schrijver te worden!’

Dat was niet gelogen. Hoewel al m’n innerlijke kompasnaalden altijd naar het woord wezen, wilde ik er niet aan. Ik durfde niet. Ik nam gewone banen, met Excelsheets en printerhokken, tot ik – ergens in de twintig, scheel van slaapgebrek en sluimerende depressies – op een kantoor naar mijn pensioen zat te verlangen, en me inschreef voor een studie Nederlands. Dan kon ik, zo redeneerde ik, misschien wel taalkundige worden. Lesmethodes ontwikkelen. Voor een salaris. Enfin. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en bij mij is dat dus het papier op, tot het in zwarte lettertjes opdroogt.

Ondanks mijn larmoyante zelfbeklag bleef M. naast me zitten, want ze is een volhouder. Zij heeft nooit een kantoorbaan gehad – ze wist al vanaf dat ze kon bewegen dat ze danser wilde worden. En dat werd ze. Zelfs als de godganse wereld op z’n gat ligt te jammeren is M. dingen aan het maken: voorstellingen, installaties, plannen. Toen we elkaar nog niet kenden, maar zo lang kennen we elkaar nog niet, hing ik bij de minste tegenslag direct al mijn plannen aan de wilgen. Dan werd ik postbode, schoonmaker of communicatiemedewerker. M., daarentegen, ging desnoods op droog brood door. Uit bevlogenheid en een rotsvast geloof in de waarde van kunst.
‘Je moet helemaal geen flitsbezorger worden,’ onderbrak ze mijn snotterige monoloog voor de zoveelste keer, ‘en adem alsjeblieft even in.’
Dat deed ik. En uit. Tot ik weer begreep dat er helemaal niets zielig is aan mijn situatie, zo met die grote liefde en de literatuur en zo – menigeen zou voor minder z’n ziel verkopen.

Wat ik die huurbemiddelaar had moeten antwoorden op de vraag of er nog ‘verbetering in deze situatie’ kwam weet ik nog steeds niet precies. Misschien had ik de vraag met beide handen terug moeten slingeren: ‘Wat kunt u doen om deze situatie te verbeteren?’
Ik heb het idee dat ik naar iets groters zoek. Niet alleen een weerwoord op deze ouwelijke jongen, maar op iedereen die situaties als de mijne een dwaling lijkt te vinden. Die van vele met mij. De scheppers, de makers, de mensen die met pen, lijf, penseel of beitel de kieren van een kleurloos klimaat te lijf gaan, ook als er niemand kijkt. Je merkt pas hoe grauw het wordt als ze daarmee stoppen.

 

Beeld bij deze column: Protestaktie van kunstenaars tegen falend kunst en kultuur beleid kunstenaars plakken muurkranten op Stedelijk Museum Amsterdam, op voorgrond Ernst Vijlbrief. Uit het Nationaal Archief.

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door mensen op straat, door doempredikers, door alle veranderingen om haar heen en de levens die ze allemaal nog kan gaan leiden.

*

Sinds enige tijd ben ik ‘u’. In winkels, op straat: u. Het is een denkgroef tussen mijn wenkbrauwen, het grijzende haar, de kilo’s die ik cadeau kreeg van een medicijn, de plooien van (slechts) mijn kussen in mijn wang. En in tegenstelling tot wat ik altijd geleerd heb – namelijk dat je een heel lange fase door moet waarin je met iets te hoge stem roept GOD NEE ZEG MAAR ‘JE’ HAHA ZO OUD BEN IK NIET HOE OUD DENK JE WEL NIET (enz.) – vind ik het helemaal niet erg, een ‘u’ zijn. Ik vind het, geloof ik, zelfs wel leuk. Natuurlijk besef ik ten volle dat hier enkele andere privileges (nee, geen vinkjes, ga toch heen) meespelen, maar ik bemerk werkelijk geen enkel nadeel aan mijn u-zijn. Mijn beweringen worden serieuzer genomen (vooralsnog, moet ik hierbij aantekenen; het schijnt dat je als vrouw na je vijftigste helemaal nooit meer serieus genomen wordt). Ook wordt er op een enkele opmerking over mijn veronderstelde geaardheid na nog zelden iets goors naar mijn hoofd geslingerd op straat. Sterker nog: zelfs het weinige slingeren lijkt eerbiedwaardiger te gebeuren. Zo riep iemand me vandaag in de Leidsestraat uit de grond van zijn hart toe: ‘Wat bent u een mooie vrouw!’ Ik riep: ‘Dank je wel!’ Een omstander beet me toe: ‘Don’t engage!’ Mijn aanbidder vervolgde: ‘Ik heb mijn tenen op slot gezet voor Jezus!’ En daar ging ik inderdaad maar niet op in.

Toen ik mijn geluk over het gebrek aan straatintimidatie eens opgelucht verkondigde in gezelschap, vond iemand het nodig om te zeggen dat ik heus nog wel een lekker wijf ben. Dat ik me daar geen zorgen over zou gaan maken, zeg maar. Wat heel lief bedoeld was, maar ook een beetje jammer, want dat weet ik zelf ook wel. Het u-zijn staat me goed. Ja, ik heb een raar pijntje in mijn rug en rammel licht bij het opstaan, en nee, ik heb geen idee naar welke muziek mensen van onder de dertig luisteren, maar trek mij een lange jas aan en geef me een bril om streng overheen te kijken en je staat niet meer voor jezelf in. Of wel, juist wel, omdat je net als ik volwassen bent en alles in je broek kunt houden.

Het is niet alleen dat de wereld me anders ziet, ik ga ook anders door de wereld. Achter me sloten zich wat deuren, kamers vol gemiste en genomen kansen, stampende beats en zwetende twintigers. Voor me gingen er evenveel weer open, kamers vol diepere vriendschappen, betere maaltijden en iets meer ruggengraat. Dat die weidse toekomst niet altijd zo weids zal zijn snap ik al te goed, want iets wat nooit lijkt te verdwijnen is het doemprediken van oudere generaties. Wacht maar, krassen ze, tot je pubers hebt, of oude ouders, of de menopauze, of twintig jaar huwelijk, of artritis. Tot je te oud bent om nog te beginnen met hardlopen, te moe om nog noten te leren lezen, te druk om zomaar naar de kroeg te gaan, te grijs voor een flirt bij de incontinentieluiers, zelfs!

Als ik terugdenk aan alle doempredikers uit mijn zesendertigjarig bestaan zijn er ook een hoop bij van mijn huidige leeftijd. Ze beten me toe dat mijn tienerjaren de beste tijd van mijn leven waren, dat ik nooit meer zo fit zou zijn als op mijn vijfentwintigste, dat ik maar moest wachten met klagen tot ik boven de dertig was, dan zou het pas erg worden. Ze stonden altijd op een of andere manier tegenover me, zelden naast me, alsof een leeftijdsverschil van amper tien jaar een onoverkoombare horde was bij het voeren van een normaal gesprek.

Misschien bevind ik me nu inderdaad op een dood punt, gewichtloos, zoals een bal even stilhangt in de lucht voor hij weer valt. Wordt alles vanaf nu alleen maar erger, zieker en lelijker. Maar dat vallen, de rampen, dat kan toch niet het enige zijn. Mijn tienerjaren waren helemaal niet de beste van mijn leven, en niemand heeft me ooit verteld dat ik die grijze haren leuk zou vinden, yet here we are. Ik wou dat iemand me het wel verteld had. Gewoon, omdat het soms fijn is je op je latere versies te verheugen, al is het uit nieuwsgierigheid.

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door woningnood, huizenhonger, verkamering, Nieuw-Vennep, panieksollicitaties en in godsnaam alle onderbroeken.

*

Je moet je zegeningen tellen. Hoewel ik me bij zesendertig jaar zijn niet echt had voorgesteld op kamers te wonen, heb ik in ieder geval een dak boven mijn hoofd. ‘Sommige mensen,’ zei een vriendin eens om me op te beuren, ‘kiezen voor deze woonvorm.’ Dus telde ik ook de zegeningen van degene die ik was geweest als ik voor deze manier van leven had gekozen. Dat ging ondanks een hoorbaar splijtende persoonlijkheid best oké, maar toen werd ik verliefd, en zij ook op mij, en dat bleef duren en duren, tot we stapelgek werden van het steeds weer bedenken: bij wie? Wanneer? Ligt die oplader niet bij jou? Waar blijven in godsnaam alle onderbroeken?

Het was handig geweest als een van ons, zeg, kaakchirurg was, maar helaas; ik ben een schrijver in een zolderkamer, M. is een danser in een andere kamer. Zie met dat culturele & pandemische budget maar eens in de hoofdstad een plek met tenminste twéé kamers te vinden.

Voor u woest ter toetsenbord stort om ons ervan te overtuigen dat Amsterdam niet zaligmakend is wil ik graag melden dat ik heel blij voor u ben dat u een plek heeft gevonden buiten het Randstedelijke Sodom en Gomorra. Er zijn echter ook mensen die nog even blijven hopen, omdat ze er zoals ik geboren, en zoals wij beiden geworteld zijn en– Ach. Het feit dat ik me moet verdedigen als ik zeg dat ik in de stad waar ik al woon (al woonde ik er niet!) wil wonen is natuurlijk te tragisch voor woorden. Net als dat we via Woningnet misschien over ongeveer vijf jaar een kelderstudio kunnen bemachtigen, net als de bizarre inkomenseisen voor vrije sector-woningen.

We krijgen best wat reacties als we dan maar een oproep plaatsen op sociale media. Je weet dat het erg is, met stijgende huurprijzen en altijd wel een VOC’er die zo’n pied-à-terre kan lijen, maar als je het keer op keer ziet bevestigd in huren van zeventienhonderd euro exclusief is het toch even slikken.

‘Succes,’ appt een kennis uit het culturele veld bemoedigend: ‘Wij zijn naar Nieuw-Vennep verhuisd, maar misschien lukt het jullie wel!’

Na twee uur Twitter refreshen verdiep ik me verwoed in mogelijkheden om me om te laten scholen tot iets waar je modaal van gaat verdienen. Fuck de literatuur, dan maar. Ettelijke uren panieksolliciteren verder en in de volle overtuiging dat ik een uitstekend ziekenhuisdirecteur zou zijn besef ik dat ik even naar buiten moet.

Koud, is het, een rozig waas sluiert door de stad, die zo mooi is dat je ’m in z’n geheel zou willen omhelzen, tel die zegening nu het nog kan. En God, wat staan er veel huizen buiten. Ik tel meer ruiten dan zegeningen. Het moet toch kunnen, zingt er iets in me, hoewel het deuntje wat ijl, misschien zelfs vals klinkt. Er moet tussen al die huizen in toch één plek zijn waar wij passen. Hier, thuis.

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door Instagram, haar neus, vijf tot dertien geblokkeerde schrijvers, een stomende neukpassage in een stationsrestauratie op Alaska, de lol, de fakkel, het nut, de kunst.

*

Het introtekstje bij deze serie stukjes rept over afleidingen en een roman. Nu is het geval dat, bij mij dan, afgeleid raken onontbeerlijk is voor het schrijven van proza. Dit schrijf ik heel stellig, het is namelijk waar, maar omdat ik zo doordrongen ben van het kapitalisme & de prestatiemaatschappij dat iedere beweging die ik maak onmiddellijk gewin, resultaat of toch tenminste een applausje op moet leveren, is het daadwerkelijk en volle overtuiging afgeleid raken bijna een onmogelijkheid geworden. Ja: Instagram verversen, dat lukt nog wel. Daarbij kan ik namelijk verdacht dicht bij m’n werk blijven zitten. Ik laat gewoon een Word-document op mijn laptop open staan, en pak heel even, heel eventjes maar, dat telefoontje erbij. Zo houd ik mezelf voor dat ik ieder moment een nieuwe (prijswinnende, wereldkerende, bestsellende) alinea neer kan pennen.

Dat is niet de afleiding die proza voedt. De afleiding die proza voedt is het achternalopen van je neus als je iets lekkers ruikt, stad en land af fietsen voor dat ene boek over dat ene onderwerp dat helemaal niets bijdraagt aan je werk of de wereld. Het is een heleboel dat nu niet kan, een zalige droom vol kroegen, zalen, pluche. Het is besluiten naar strand of bos te gaan, het is hopeloos verliefd worden, het is pogen het beatboxen onder de knie te krijgen, de plotselinge drang je bureau te verlaten om te kijken of je eigenlijk op je handen kunt lopen. Vooral is het: jezelf toestaan iets uit het oog te verliezen.

Net zo belangrijk voor de prozaschrijver: er lol in hebben. Dat is iets wat ik mijn studenten vaak aan hun verstand probeer te peuteren. ‘Ja,’ oreer ik dan ten overstaan van vijf tot dertien geblokkeerde schrijvers, ‘schrijvers zeggen in interviews dat die sleutelroman één grote lijdensweg was, die ze bovendien in een zelfgebouwde hut van plastic tassen en gebruikte condooms hebben afgelegd omdat ze geen huur konden betalen en hun vrouw ze niet meer in huis wilde hebben (“ik dacht zelfs niet meer aan douchen, mijn huid verdroeg geen water”), maar die schrijvers zijn wel ooit gaan schrijven. Ze hebben geen muziekstuk gecomponeerd, wendden zich niet tot het houwen van marmer, namen geen kwast ter hand – er moet ergens een adertje genot of plezier in hebben gezeten. Noem scheppen een zelfkwelling, maar als schrijven altijd zou voelen alsof je aan een dood paard trekt gaat er iets verkeerd.’
Op dit punt wordt er glazig geknikt en zet ik door: ‘Waar heb je zin in,’ jubel ik mijn klassen toe, maak per ongeluk een gebaar als bij het splijten van een zee, ‘schrijf dat dan! Vergeet het idee dat je moet schrijven om misstanden aan de kaak te stellen (we wéten wel hoe erg het allemaal is met het klimaat en de genderongelijkheid), of dat je per se alles waar je je diep voor schaamt aan het papier moet opbiechten (wat wil je, dat de lezer je absolutie verleent?), als jij de onbedwingbare behoefte voelt een stomende neukpassage in een stationsrestauratie op Alaska als startschot van je verhaal neer te schrijven, doe dat dan! Schrijf er in godsnaam niet zo omheen! We kunnen je proza altijd achteraf nog opbouwend affakkelen.’

Steeds als ik een variant van deze monoloog opvoer speelt mijn geweten wat op, want het daadwerkelijk en in volle overtuiging lol hebben in het schrijven gaat me niet immer soepel af. Dat komt geloof ik omdat ook die lol op alle andere – professionele, praktische – vlakken van mijn leven het toetje is, of de prettige bijkomstigheid. Zelfs als ik een bord eten voor mijn neus heb eet ik eerst de minst lekkere dingen op, om te eindigen met de laatste, perfecte hap, die helaas wel net iets te koud is.

Schrijven is – voor iemand als ik, die op een of andere manier zowel de schuld van het katholicisme, het calvinistische ascetisme, de activistische verontwaardiging, als de neoliberale prestatiedrang heeft geïnternaliseerd – een kwestie van omkeren. Verdwalen zonder te weten waar je eigenlijk naar op weg bent, en of je überhaupt wel ergens heengaat. Een beloning voor je aan het werk gaat. Eerst de lol, dan de fakkel. Misschien zegt dit wel iets over het nut van kunst, maar als ik daar aan ga denken schrijf ik helemaal nooit meer iets op.

 

Beeld: ‘Bevrijdingsestafette’ aankomst in Weert met fakkeldrager Wiel Nouwen – Municipal Archives of Weert, Netherlands – CC BY-SA.

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door lijstjes, gemopper, meningen, overdekte winkelcentra, baaldagen.

*

Het is lijstjestijd. Als ik een lijstje moest maken met interessantste mopperaars van 2021 zou schrijver, kunstenaar, podcastmaker Michiel Lieuwma erin staan. Onlangs mopperde hij in een instagramstory over lijstjes, het liet me niet los. Lijstjes zijn volgens Lieuwma, als ik het goed onthouden heb, behalve vervelend ook heel elitair. Wie denken die recensenten wel niet dat ze zijn?

Ja, wat denken we wel niet. Ook ik maakte voor NRC een (nog niet gepubliceerd) lijstje lievelingen. Mijn idee erachter is niet direct dat ik het plebs eens ga vertellen wat volgens de Almachtige Roos van Rijswijk Objectief de Beste Literatuur uit 2021 is. Maar goed, het lijstje staat wel in een elitaire krant, en die krant publiceert niet de lijstjes van álle lezende mensen in het Nederlands taalgebied– geïmpliceerde autoriteit. Nee, lijstjes slaan nergens op. Wat goed, fijn, mooi of leuk is, is totaal afhankelijk van moment, context, persoon, gemoed.

Zo ging ik eergisteren naar Stadshart Amstelveen. In mijn toptien van treurige plekken eindigt het minstens op drie. Toch ging ik er uit vrije wil heen. Ik had een baaldag, ik moest er even uit. Naar een echt stadscentrum, had ik kunnen gaan, of met een vliegtuig naar een zonniger oord, maar ik besloot tot Stadshart Amstelveen. Een half uur naar buiten kijken in een tram, door een overdekt winkelcentrum dolen.

Op mijn lijstje van de meest rustgevende plekken in het specifieke geval van hersenmist en lijfschmertz, eindigt het Stadshart óók in de topdrie. Samen met Hoog Catharijne en de IJ-tunnel van Amsterdam Centraal. Het zijn wat de Franse antropoloog Marc Augé ooit ‘non-plaatsen’ doopte. ‘Tijdelijke plekken waar mensen anoniem blijven en die niet belangrijk genoeg zijn om te worden gezien als “plekken”,’ aldus Wikipedia.

Niets kalmeert mijn innerlijke onrust zo gauw als een non-plaats. Het is volstrekt duidelijk wat je er moet doen, er klinkt muzak die je nergens aan doet denken, de temperatuur is er constant, net als het licht, met een beetje mazzel kom je er niemand tegen die aan je vraagt hoe het met je gaat. Er bestaat geen verleden, geen toekomst, alleen een lauwwarm nu. Volgens mij hangt mijn voorliefde voor dit soort oorden samen met mijn voorliefde voor zeer voorspelbare actiefilms. Je weet waar je aan toe bent, en dat het totaal onbelangrijk is.

Een plek als ’t Stadshart een non-plaats noemen is ook elitair, natuurlijk. Als je er iedere dag werkt en als al je vrienden er gaan funshoppen, dan liggen in al die glanzend gepoetste tegels betekenisvolle herinneringen opgeslagen. Dus als ik twee lijstjes maak, een met kloteplekken en een met lievelingsplekken, en op allebei zou het Stadshart op één staan, zou het alsnog een hopeloze onderneming zijn. Wie denkt Van Rijswijk wel niet dat ze is? Een gelaagde persoonlijkheid? Iemand die zich verheven voelt boven het volk dat haar muzak muziek noemt? Is ze soms op alle kloteplekken op aarde geweest?

Laten we de lijstjes maar afschaffen, mopperde ik intern toen ik in lijn 5 zat, van ’t Stadshart onderweg naar huis. Weet je wat, laten we alles maar afschaffen. Al die frictie. Al die meningen. Alle tegenmeningen. Al die niet-gehoorde toptienen, te weinig gelezen boeken, nooit gekeken films. We trekken er een streep door tot er geen lijstjes meer te maken zijn, tot er onder evenwichtige verlichting alleen nog zaken op kamertemperatuur geserveerd worden.
Omdat achter me in de tram iemand erg luid over een smerige aandoening begon te bellen stopte ik oortjes in mijn oren.

Voor het eerst (ik loop nogal achter de podcastfeiten aan omdat ik de hele tijd slechte actiefilms kijk) begon ik naar Lieuwma’s Boze geesten te luisteren; urenlange interviews met mensen die onder vuur liggen, of die zoals in dit geval, interessante dingen te vertellen hebben. Ik luisterde de aflevering waarin schrijver Lot Vekemans heerlijk kalm haar zienswijze op kunst, toe-eigening en emoties uiteenzet terwijl Lieuwma dan weer foetert en moppert, dan weer twijfelt, steeds aan haar lippen hangt. Ik was het lang niet met al het gefoeter eens, vond het een boeiend gesprek. Soms vergeet je bijna dat die combinatie óók bestaat, is er misschien een winkelcentrum nodig om je verhitte gemoed te dempen. Waarmee ik wil zeggen dat deze baaldag van alle baaldagen in 2021, gerangschikt naar voldoening, hoog in de toptien eindigt.

 

Ook De Revisor doet aan lijstjes, net als bij NRC Handelsblad verschijnen die eind volgende week. De lijstjes van 2020 en 2019 zijn terug te lezen, thuis of in het winkelcentrum.

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door een kleine man, universele ouwe Jordanezen, meerkoeten en een foto.

*

Onderweg naar Albert Heijn, het is elf uur ’s ochtends, zie ik een man zijn deur openmaken. Klein van stuk is hij, zo’n één meter zestig. Hij draagt een rode muts, een groene ribbroek en een jas die misschien ooit geel is geweest. Om zijn kin kranst een spierwit baardje. Zijn ogen zijn groot als die van een kind en zijn wangen blozen als die van een meisje, hij glimlacht naar me met stompe, spierwitte tanden. In zijn knuistje houdt hij een sleutel die in ieder andere situatie geen voordeur, maar een schatkist zou openen. Ik lach terug (niet: uit), steek een zebra over.

Heb je het door als je ergens gedurende je leven in een kabouter metamorfoost? Of in een van de dames die in het straatbeeld een constante vormen; een lange jas in poedertint, het lichaam licht gekromd, de gezwollen enkels besteunkoust boven dikke zolen, een permanent met een paars waas? Plastic regenkapjes. Als je goed naar de schilderijen van Bruegel kijkt ze je ze er daar ook al rondschuifelen. Ze voeren eendjes of speuren door hun jampotglazen de ijspret af om te zien of er nog iets af te keuren valt. God, wat is er veel waarin je kunt veranderen, ineens zie ik ze overal: orgeldraaiers, boswachters, heksen, Maarten van Rossems, universele ouwe Jordanezen.
Achter me sluiten de schuifdeuren van de supermarkt. De man van zojuist hangt in zijn eigen halletje zijn jas aan de kapstok en haalt voor de grote spiegel die er hangt zijn vingertjes door zijn baard. Ja, denkt hij, ik ben een prachtige kabouter!

Bij het brood kijk ik licht bevreesd naar wat ik van mezelf kan zien. Mijn handen zijn bij lange na niet de vogelklauwen die het ooit, moge ik lang genoeg leven, zullen worden. In een ervan bungelt een plastic zakje met een kaascroissant. Ik draag een sjaal met zwart-geel ruitpatroon. Een zware wollen jas, donkerblauw. Een zwarte broek met een vouw. Zwarte brogues. Mijn haar, weet ik, is te lang; ’s ochtends kam ik het naar achter, tegen de tijd dat ik de deur uitga is het droog en zou ik de liefdesbaby van George Michael, Dracula en Hans Klok kunnen zijn.

Ik probeer mezelf te bekijken in de weerspiegeling van de vriesdeuren. Dat lukt niet, hoeft ook niet, ik weet het al. Het wordt grijs, mijn haar, maar alleen nog bij de slapen. Onder mijn ogen begint de huid er wat vermoeid uit te zien. Een foto die M. laatst van me maakte verschijnt voor mijn geestesoog. We liepen door een bos dat zo herfstig was dat je er een hap van had willen nemen – van de bladeren, schreeuwend geel, de grond die naar rot en paddenstoelen rook, van de lucht die zo vol zuurstof en leven zat dat iedere ramp onwaarschijnlijk leek. Op de foto stond ik met mijn bleke harses en mijn handen in mijn zakken een beetje naar een watertje te turen. Het zag eruit alsof ik ieder moment een notitieboek uit een van de zakken van die zware jas kon halen, en uit de andere een tuitknak, om vervolgens met die sigaar in mijn mondhoek en een vulpen in mijn hand de eenzame meerkoet die in het watertje dreef te vragen naar de jazz die hem gevormd had.
O God, zei ik toen ik de foto zag, die moet je wegdoen hoor.

Met de croissant, wat peren en de ingrediënten voor spinaziecurry in mijn rugtas passeer ik het huis van de prachtige kabouter weer. Hij zal nu op zijn bank zitten, een pijpje roken. Zijn vrouw verschijnt in de woonkamer, ze veegt haar handen af aan haar paarse schort en zet haar puntmuts recht- of hij ook een kopje nootjeskoffie wil.
Naar wie dacht de kabouter dat hij glimlachte, toen ik hem passeerde? Je hebt ongelijk, wil ik roepen, ik weet helemaal niets van jazz!
Maar goed. Ondanks mezelf betreed ik vervolgens dus wel de zolderkamer die schrijvers in films altijd bewonen. Voor ik koffiezet en aan het werk ga hark ik in de spiegel mijn kapsel nog eens naar achter. Zwart, drink ik die koffie natuurlijk, en op mijn ene been ligt een boek en op het andere een notitieblokje en ach: je kunt het ook omarmen.

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door het lot, door Burrhus Frederic Skinner en zijn duiven, door krasloten.

*

Ik leed aan wandeldrang. Ik wist zeker dat er buiten op straat, buiten mij, iets van hoop moest gloren. Als ik lang genoeg door de stad liep zou ik vanzelf een oplossing tegenkomen. Een orakel dat me precies zou zeggen wat ik moest doen om mijn leven weer op de rit te krijgen, een weldoener die in mij de uitgelezen bewoner van zijn leegstaande zolder zag. Iemand die zou zeggen: elk halfuur klinkt er een bel, en dan hoef je alleen maar op deze knop te drukken, we betalen je twintig euro per uur. Dat die gedachtegang volledig geschift was wist ik terwijl ik op rubberzolen het stratenplan uitsleet ook wel. Maar op een of andere manier kon ik het geloof in dat orakel, de weldoener, enzovoorts, niet uitzetten. Het was als naar een uitermate slecht kostuumdrama kijken. Er verschijnen hengelmicrofoons in beeld, de gravin draagt een digitaal horloge, je hebt ook aan goede kostuumdrama’s een hekel, en toch moet je een traantje wegpinken als bij zoete harptonen de jonkheer sterft. Het is niet echt, je lichaam doet alsof en produceert de bijpassende emotie. Mijn geloof was een soort emotie.

Zelfs in al mijn gekte dacht ik regelmatig aan Burrhus Frederic Skinner. Hij zet in de eerste helft van de twintigste eeuw duiven in een doos, en bewijst daarmee dat ook gevleugelden aan bijgeloof doen. De duiven in hun doos krijgen zo nu en dan voer, gewoon, zomaar. Maar die duiven denken, in al hun almacht, dat hun eigen gedrag invloed heeft op het verschijnen van voedsel.

Ook ’s avonds doolde door de stad. Op een van die avonden, ik bewoonde inmiddels een kamer, had ik van tevoren hardop de wens uitgesproken dat ik bij het grofvuil een poef, een tafeltje of een stoel zou vinden. Voor de verandering leek me dat een vrij redelijke vraag aan het lot, dat me vooralsnog niet voorzien had van grote sommen geld en orakels. Prompt vond ik op de eerste straathoek een tafeltje, op de tweede een poef en op de derde (ik liep inmiddels wat moeizaam wegens het gesleur) een stoel.
Zou het, dacht ik.
Het voelde allemaal nogal rechtvaardig.

Dit was allemaal jaren geleden. Als het leven er nu even is laaf ik me er blijmoedig aan tot ik niet meer kan. Mijn hoop op orakels is goeddeels vervaagd. Soms, wanneer er iets van wanhoop om mijn hart flakkert, koop ik een kraslot van een euro. Dat houd ik dan de hele dag in mijn tas en ik kalefater er aanzienlijk van op, want gedurende die hele dag is het zeker dat ik ’s avonds een jaarinkomen open zal krassen. Rechtvaardigheid! Rond bedtijd ben ik van geluk het hele kraslot vergeten. Een paar dagen later valt het uit mijn tas en dan kras ik het open, nul euro natuurlijk, maar dat is niet erg.

Skinners duiven, nog steeds in die doos, zijn overigens uitgehongerd. Ze hebben maar driekwart het gewicht van een weldoorvoede duif. In hun hongerklop beginnen ze handelingen te herhalen die ze uitvoerden vlak voor het verschijnen van het voer. Pik, precies daar, pikkerdepik. Knik, het kopje opzij. Driemaal een pirouette om de zaken in beweging te zetten, of nee, maak er veertigmaal van, opdat het veelvuldig voer moge regenen.
Het is niet dat de wereld er zonniger op wordt, verder. Nu ik dit schrijf, bijvoorbeeld, heb ik een treurige dag. Ik ben bang voor het virus en boos over twijfelachtige plannen die, prik in je mik of niet, voor totale verdeeldheid zorgen. En O God, het klimaat, de oorlogen, het kapitalisme, waarom zijn de boodschappen zo duur?

Mijn systeem wringt zich in bochten om troost te zoeken. Vroeger hielden we rekening met de seizoenen, nu met de golven, ook dit moet wennen. Klimaatwisselingen zijn van alle tijden, dat we deze zelf hebben veroorzaakt maakt het zuur, niet anders. We zijn dieren, en alle dieren moeten overleven, dat ook wij dat moeten waren we hier alleen even vergeten. Bladiebla, gadverdamme. Door mijn zolderraam zie ik de lucht die egaal grijs is, de muur van een cel. Ik knip alle lichten aan en internet mezelf nog een diepere kuil in. Alsof ik, steeds weer de NOS-site verversend, klik, klik, zeker weet dat er een bericht moet verschijnen dat orakelt over het einde van pandemie en wooncrisis. Alsof er, klik, in mijn mailbox een echte miljonair verschijnt. Alsof op Twitter, klikkerdeklik, iemand in plaats van een scheldkanonnade de formule voor een medicijn zal delen.

Op het zolderraam verschijnen spatjes. De iep waar ik op uitkijk is al zijn blad verloren, hij steekt als een hongerige dominee boven de stad uit. Mijn vleugels steek ik in een regenjas en mijn poten in stevige schoenen, ik daal koerend zes trappen af. Als ik lang genoeg pirouettes draai moet het goedkomen, moet er iets op zijn plaats vallen, het kan niet anders.

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door toeristen, boeken, de neuroloog, haar moeder.

*

‘Maar ja,’ zegt de neuroloog, ‘tegenwoordig leven we heel lang, en het is niet dat die knop vanzelf omgaat.’
Ze legt me uit dat ik bedraad ben als iemand die beren moet verjagen wanneer de rest van de holbewoners braaf ligt te tukken – de conclusie uit een nacht slapen vol kastjes, plakkers, snoeren en klemmen. Een andere arts vertelde me eens dat ik uitermate geschikt zou zijn om dagen over een vlakte te slalommen, achter beren aan bijvoorbeeld. Ik vroeg niet of er wel beren leven op een vlakte, daar ging het niet om, het ging er ook hier om dat er iets aan mijn systeem is dat me ietwat ongeschikt maakt voor bureaustoelen en kantooruren. Meer jacht zou me passen, meer gebladerte waarin ik me zou verbergen om met een vogelroep mijn stamgenoten te waarschuwen voor naderend onheil, meer fysieke arbeid. Meer beren.
‘Maar ja.’

Terwijl ik door het Amsterdamse verkeer slalom, ik heb geen bel dus roep heel hard FIETS of LAMEDERDOOR naar bewinterjaste toeristen, denk ik aan de vrouw die Marjan Engel beschreef in haar kleine roman Beer. Een vrouw die geschikt lijkt voor plezier noch werk, tot de beer zijn intrede doet in haar leven. Ze hoeft niet op hem te jagen, hij is immers al gevangen; verwaarloosd ligt hij aan de ketting. Hij hoort bij het huis waar ze een bibliotheek moet inventariseren. Geen vlakte, wel onherbergzaam, moerassig gebied. De beer is lekker warm. De beer is, bij nader inzien, woest aantrekkelijk. Eigenlijk wil die vrouw maar één ding: met de beer naar bed.
Met sardonisch genoegen schamp ik de laatste toerist, parkeer mijn fiets bij het huis van mijn moeder. We drinken wijn, ik help haar met het aansluiten van een apparaat dat het kloppen van haar hart doorgeeft aan een dokter. Daarna installeren we haar nieuwe telefoon. Om te testen of alles werkt app ik haar een foto van mijn onderkin. We eten pizza.
Het wordt donker. Kennelijk scherpt in mijn reptielenbrein iemand een speer. Ze zit klaar, verscholen in de enige boom die de vlakte telt, knijpt haar ogen samen om langs het loof roofdieren te zien naderen. Achterin de grot draait een blinde ziener zich smalend om; ‘alsof,’ zegt hij in tongen, ‘dat wijf ons tegen wild kan beschermen! Ze heef min zes en de bril is nog niet uitgevonden!’
Mijn moeder schenkt ons nog eens in, vertelt gierend van het lachen over een recent museumbezoek. Ik vertel over de nacht vol plakkers en snoeren, ik laat haar de tabel zien waarvan tot ons beider pret één van de rijen ‘absolute snurk’ heet. De telefoon van mijn moeder maakt een onbestemd geluid, we komen er niet achter waarom en daar proosten we ook nog eens op.

Onderweg naar huis word ik bijna aangereden door een taxi die door rood rijdt. Een grote, boze man, hij heeft een baard die zijn auto haast vult, rolt zijn raam naar beneden. Met een jordanese tongval waar je nostalgisch van zou worden brult hij een serie beledigingen. Ik slalom zwijgend verder door de vlakte vol tramrails, verkeerslichten, dönerzaken.
‘Maar ja,’ zei de neuroloog ook, ‘we moeten nog maar zien wat werkt.’
Ik heb mijn lenzen uitgedaan, me niet in loof maar een deken gerold. Op de vlakte waar de medische wetenschap me thuis waant had ik geen moeder meer gehad. Vermoedelijk ook geen tanden.
Maar ja, maar ja, maar ja.
Het beste, denk ik, mijn knipperslaap is al half begonnen, kunnen ze me gewoon een beer voorschrijven. Een kleintje, om het af te leren.

 

Thomas Heerma van Voss schreef ook over Marian Engels roman.