Er zijn plekken op de wereld waar het weer nooit een gespreksonderwerp is. Het weer is er een gegeven – elke dag keert het in min of meer dezelfde vorm terug. Hier ligt dat anders. Hier berichten we elkaar dat we het gat tussen twee buien afwachten, kleden we de kale transactie bij een kassa, knipbeurt of taxirit een beetje aan met het benoemen van de gevoelstemperatuur buiten, zien we in een oogopslag op foto’s of het zomer was. Hier is de zomer een begrip, zoals een feestdag dat is of een herdenking. De voorbereiding begint al in januari. ‘Wat doen we met de zomer?’ zeggen we alsof we het over een geliefd familielid hebben dat we met respect en enig ontzag behandelen, die ene keer per jaar dat haar bezoek in onze agenda staat. Een familielid dat we graag uit haar jas helpen, voor wie we gelijk een extra bord dekken, ons eigen bed afstaan.

Elk jaar opnieuw zie ik de ontmoeting met dit jaargetijde als een moment waarin we een ander deel van onszelf beter leren kennen. Een deel dat guller is en guller leeft. Mijn hoofd wil dat graag verklaren en broedt al een poosje op de hypothese dat het gebrek aan zon móét hebben bijgedragen aan het succesverhaal van het calvinisme. Mijn argumenten: het donker en de kou maken dat we geplande, overzichtelijke levens leiden, zoals ook de bomen in de winter teruggebracht worden tot hun kale uitlijning. We verplaatsen ons tussen huis, kantoor en andere gebouwen, leven relatief blokkerige levens, waarin we met de hoogste graad van efficiëntie het meeste uit onze korte dagen proberen te halen. Of, lyrischer benaderd: als het zo’n groot deel van de dag donker is, bewolkt, koud of verregend, wordt iets in ons klein gehouden. Het leeft wel, maar het is op waakvlam gezet.

Niet gek dat zodra de eerste zonnestralen langer aanblijven, we met een sluimerende fear of missing out zenuwachtig naar buiten staren. De zomer breekt met onze ritmes, praktisch en vanbinnen. De bomen, de bloemen, de zon, de vogels, de verlengde dagen – ze doen het ons voor. We blijven nog even hangen, drinken van de lange avonden, raken het verschil ertussen kwijt, komen laat thuis, zijn mild naar wat moet, staan open voor wat mag. Zelfs als het feitelijk een verregende zomer is, we niet op vakantie gaan of door allerlei verplichtingen worden binnen gehouden, dan bestaat er ergens in ons nog altijd de kindbeleving waar we op terugvallen. Zes lange weken waarin zomer en vakantie synoniemen werden en die zo als een zuil in onze (mentale) jaaragenda terecht zijn gekomen. De Zomer Zuil. Een begin en een einde in het midden van het jaar.

‘wat ik wil zeggen is dat ik naar onze zomer verlang
en naar hoe dagen en mogelijkheden zich uitstrekken
al weet ik dat een mogelijkheid niet gelijkstaat aan belofte’

schrijft Yentl van Stokkum in ‘In dit gedicht zal ik proberen zachter te zijn’. Hoewel we onze andere nummers niet met de seizoenen aanduiden, ligt dat in de zomer anders. Zou het toeval zijn dat we dit seizoen nu al een paar jaargangen aangrijpen om een ‘vrij’ nummer te maken?

Collega-redacteur Daan Stoffelsen noemt onze vrije nummers terecht ‘de speeltuin’, omdat we er alle mooie teksten kunnen plaatsen die we gedurende het jaar tegenkomen, zonder dat ze zich hoeven te schikken naar een thema. En zoals dat gaat, blijken er in die vrijheid dingen ongedwongen samen te komen. Dit nummer staat vol van ogenschijnlijk kleine verhalen, die dicht op de huid werden geschreven. We zijn bij twee vrienden die elkaar in een weiland bij een snelweg ontmoeten, staan een paar minuten in een juwelierszaak, gamen een potje na het eten, bezoeken een voormalig dakloze, zwemmen bij een boshuisje. Maar onder het oppervlak van de normaliteit broeien grote thema’s. Vaak kan de grootsheid door de personages niet onder woorden worden gebracht – het slechte nieuws dat maar niet gedeeld kan worden in de verhalen van Nicole Kaandorp en Renée van Marissing, de vrijwilliger in het verhaal van Thomas Heerma van Voss die niet het beste voor heeft met zijn cliënt – om op andere momenten in schel tl-licht te worden gezet. Op genadeloze toon ontleedt Sonja Schulte in haar essay de schaamte die ze voelt over haar zes jaar in de bijstand, en in het verhaal van Jente Posthuma lezen we hoe de misselijkmakende realiteit doordringt in de overzichtelijke wereld van een game.

‘In een volgende ronde lopen we door een vuilverbrandingsbedrijf en ik sla net met mijn voorhoofd een ruitje in als er van achteren weer tegen me wordt aangereden. Het is de roze man. Een gele gespierde man staat toe te kijken. De roze sleurt me mee naar een open ruimte, gooit me op de grond en verkracht me. […] In paniek druk ik op alle knoppen van de controller, maar het lukt me niet om los te komen.’

Maar er zijn ook uitzonderingen. Overvloedige verhalen, stilistisch of inhoudelijk, zoals het verhaal van Joost Oomen bijvoorbeeld, waarin eenden dobberen op een meertje aan de achterkant van de maan, en er één heel platonesk besluit de wereld te verkennen die buiten het meer begint. Er is de poëzie van Maxime Garcia Diaz, Arnoud van Adrichem en Babeth Fonchie Fotchind waarin de wereld in al haar veelheid over elkaar heen buitelt. En er is ‘Radia’, het verhaal van Teju Cole over een stad waarin alleen vluchtelingen wonen, en waar heden, verleden en toekomst door elkaar lijken te lopen. Het ademt vervreemding, om af en toe akelig dichtbij te komen.

‘Radia was een stad van de herinnering aan aanraking, een stad waarvan inwoners soms beweerden dat het verleden hen niet bezighield. Dan zeiden ze dat ze geen last hadden van het gebrek aan lichamelijk contact tussen henzelf en anderen, maar vervolgens hoefden ze maar een gordijn te zien rusten op een vensterbank, of ze barstten in tranen uit.’

Voor mij betekent dit zomernummer ook een einde en een begin in het midden van het jaar. Na vier jaar redacteurschap heb ik besloten meer tijd vrij te maken voor mijn eigen werk. Ik zal De Revisor altijd blijven volgen en voel grote dankbaarheid voor alles wat ik heb geleerd en naar mijn collega’s in het bijzonder, die met onnoemelijk veel aandacht, ambitie en precisie dit tijdschrift maken. Ik werk komend nummer mee als auteur, zoals mijn relatie met De Revisor ooit begonnen is. Het wordt een nummer over Landschap en literatuur, waarop het laatste essay van dit nummer, geschreven door Miriam Rasch, al vooruitloopt.

‘Lange tijd heb ik geleefd met Het Landschap. Een droombeeld, op twee manieren: het is er vooral ’s nachts, en het is waar alles goed komt.’

Hopelijk komen we elkaar daar tegen. Maar nu eerst: zomer.

Bernke Klein Zandvoort debuteerde in 2010 in De Revisor, werd in 2017 redacteur, en vertrekt deze zomer. We gaan Bernkes enthousiasme, creativiteit, zorgvuldigheid en betrokkenheid enorm missen — maar we kijken ernaar uit nieuw werk van haar te lezen, te beginnen in het najaarsnummer (abonnees krijgen dat nummer automatisch).

Het was een bijzondere ervaring tijdens de presentatie van ‘onze’ eerste Revisor in 2010: direct na het optreden van onze poëziedebutante Bernke Klein Zandvoort snelde de redacteur van Uitgeverij Querido op haar af. Bij die uitgeverij verscheen haar debuut Uitzicht is een afstand die zich omkeert (Debuutprijs Het Liegend Konijn, nominaties C. Buddingh’-prijs en Jo Peters Poëzieprijs), en dit jaar Veldwerk (nominatie Grote Poëzieprijs). In 2017 werd ze onze poëzieredacteur, en nu zwaait ze af. Ze schrijft daarover in het Redactioneel van ons zomernummer (verschijnt 27 juli, reserveren kan al):

‘Na vier jaar redacteurschap heb ik besloten meer tijd vrij te maken voor mijn eigen werk. Ik zal De Revisor altijd blijven volgen en voel grote dankbaarheid voor alles wat ik heb geleerd en naar mijn collega’s in het bijzonder, die met onnoemelijk veel aandacht, ambitie en precisie dit tijdschrift maken.’

Bernkes werk bij De Revisor is voor een deel terug te lezen op onze site.

Haar tijdelijke vervanger is Lotte Lentes. Zij schrijft proza en theater. In 2017 verscheen haar bundel Een tweede keer kijken. Ooit zat ze in de redactie van het legendarische tijdschrift Das Mag, momenteel werkt ze aan haar debuutroman die zal verschijnen bij Uitgeverij Cossee.

 

Een nieuwe gezamenlijke oproep! Voor ons najaarsnummer zijn we samen met De Nieuwe Garde op zoek naar essays rondom het thema literatuur en landschap. Stuur je essay in bij De Nieuwe Garde en maak kans op publicatie.

Literatuur is niet zelden gebonden aan een locatie: een verhaal heeft een plek nodig, net zoals een schrijver geboortegrond meedraagt. Taal is ingebed in een omgeving: een kamer, een gebouw, een landschap – en daar is het uitgangspunt van De Revisor 30: Literatuur en landschap. Wat doen de bergen voor het drama, de polder voor de scène, hoe beïnvloedt het uitzicht de taal? Hoe verandert de literatuur het landschap, kan het de kunst verruimen of juist inkaderen? In proza, poëzie en essay onderzoekt en illustreert De Revisor deze verhoudingen.

De Nieuwe Garde is er om aanstormende schrijvers te helpen hun beste essays te schrijven. Om ze naar publicatie te begeleiden binnen ons groeiende netwerk van partners. Om de Nederlandstalige essayistiek te blijven vernieuwen. Om de kruisbestuiving tussen het Nederlandse en het Vlaamse literaire veld te bevorderen.

Inzenden

Stuur je essay van maximaal 2.000 woorden uiterlijk 15 juli in via ons inzendformulier (kies bij beoogd tijdschrift/platform voor De Revisor) en maak kans op een mentoraat bij De Nieuwe Garde en publicatie!

Deze oproep wordt mede mogelijk gemaakt door het Lucas-Ooms Fonds.

Lockdown-lezen, winter-lezen. Met onze speciale winteraanbieding doe je een abonnement cadeau en krijg je het tweede voor de helft van de prijs.
Of: trakteer je jezelf op een abonnement en geef je het tweede voordelig cadeau!

Klik hier om te bestellen.

Nieuws! De Revisor neemt afscheid en verwelkomt. Jan van Mersbergen vertrekt na tien jaar trouwe dienst uit de redactie, Maureen Ghazal volgt hem op.

*

Maureen Ghazal (1995)  schrijft poëzie en proza en maakt daarnaast performances en beeldend werk. In 2018 studeerde ze met haar dichtbundel Altijd verschoven ruimtes af aan de Willem de Kooning Academie. Ze volgde een uitwisseling ‘Woordkunst’ aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen en een minor ‘Literatuur’ aan de Vrije Universiteit Amsterdam. In 2018 won ze de El-Hizjra literatuurprijs in de categorie Poëzie. Ze publiceerde onder andere in De Revisor, De Gids, Deux Ex Machina, De Sampler en Tilt INC. Momenteel neemt ze deel aan het Slow Writing Lab van het Nederlands Letterenfonds waar ze onderzoek doet naar haar geboortegrond in de polder en de invloed van taal op landschap.

Je las op derevisor.nl al haar gedicht ‘Fobie’, maar ze droeg ook al bij aan #24, ‘Huid’. We zijn erg blij met haar komst.

Een groot deel van Jans online bijdragen is te lezen op derevisor.nl, en sowieso zijn laatste verhaal als redacteur, ‘Groen’.

Een oranjegevoel, en wel meer dan dat, want Marieke Lucas Rijneveld is oud-redacteur van dit tijdschrift, overweldigt de redactie bij de bekendmaking van de winnaars van de prestigieuze International Booker Prize 2020: Rijneveld en haar vertaalster Michele Hutchison voor The Discomfort of Evening / De avond is ongemak. Trots. Heel grote blijdschap. Iets met zeven uiers. Gefeliciteerd!

*

Marieke Lucas Rijneveld publiceerde voor, tijdens en na haar redacteurschap in De Revisor en op onze site:

 

Dinsdag 4 februari vanaf 19.30 bij Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum aan het Spui te Amsterdam gaat Thomas Heerma van Voss in gesprek met Daan Borrel over haar nieuwe boek Jaar van het nieuwe verhaal. Het is de twaalfde aflevering van de interviewreeks van literair tijdschrift De Revisor en Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum. Je bent van harte welkom.

AANMELDEN

Over Jaar van het nieuwe verhaal

Een vrouw maakt één jaar na haar relatiebreuk de balans op: is ze ondertussen echt geheeld? Heeft ze die ene soort liefde gevonden waarvoor ze die andere soort liefde achterliet? Op de goede dagen van haar menstruatiecyclus denkt ze van wel: dan voelt ze zich onafhankelijk, opgewekt en wild. Maar tijdens die andere dagen niet. Dan is haar buik één bonk laaiende spanning, voelt ze zich vervreemd van zichzelf en verlangt ze driftig naar een kind van haar beste vriend. Komt dit verschil in gemoedstoestand voort uit hormonen of uit verhalen?

Jaar van het nieuwe verhaal is een radicaal kwetsbaar doch krachtig boek waarin Daan Borrel de verhalen over vrouwelijkheid, tijd en verbinding afbreekt en opnieuw opbouwt.

Daan Borrel (1990) studeerde literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en is freelancejournaliste. Ze schrijft onder meer voor NRC HandelsbladDe Correspondent en Het Parool over cultuur en seksualiteit. In 2017 stelde ze met huisarts en seksuoloog Peter Leusink de bundel Dit gaat niet over seks samen.
In 2018 verscheen haar persoonlijke essay over verlangen onder de titel Soms is liefde dit, dat een intieme blik geeft in het hoofd én de onderbuik van een mens die in alle nuance probeert haar eigen seksualiteit te begrijpen. In januari 2020 verschijnt haar boek Jaar van het nieuwe verhaal, een radicaal doch kwetsbaar boek waarin Daan Borrel de verhalen over vrouwelijkheid, tijd en verbinding afbreekt en opnieuw opbouwt.

Thomas Heerma van Voss (1990) schreef de romans De allestafel en Stern en de verhalenbundel De derde persoon. Zijn essaybundel Plaatsvervangers werd genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs. Zijn nieuwe roman heet Condities en gaat over de anti-held Vincent Pek die — aangemoedigd door zijn uitgever — besluit een roman over zijn eigen leven te schrijven.
Heerma van Voss is sinds 2015 redacteur van De Revisor.

Over De Revisor vs. Athenaeum:

Een gesprek over een boek, over literatuur, over ambacht en kunst: dat is de eenvoudige gedachte achter een nieuwe reeks publieke interviews. Regelmatig gaat een van de redacteurs van De Revisor in gesprek met een interessante schrijver over haar of zijn nieuwste boek. En jij kunt daarbij zijn.

Dinsdag 1 oktober vanaf 19.30 bij Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum aan het Spui te Amsterdam gaat onze Daan Stoffelsen in gesprek met Peter Buwalda over zijn roman Otmars zonen. Het is de elfde aflevering van de interviewreeks van literair tijdschrift De Revisor en Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum. Je bent van harte welkom.

Over Otmars zonen

Otmars zonen vertelt het verhaal van de jonge Shell-employé Ludwig Smit, die na een bezoek aan de illustere Johan Tromp op het Siberische eiland Sakhalin strandt in een sneeuwstorm. Juist nu, wanneer onderzoeksjournaliste Isabelle Orthel hem het deksel komt overhandigen van een beerput, begint Tromps daverende carrière in de oliebusiness te wankelen. Tromp – hedonist, alfaman, kroonprins van Shell, en in alles het tegenbeeld van Ludwig – schat zijn twee bezoekers volkomen verkeerd in.

Peter Buwalda verkent in zijn tweede roman Otmars zonen de grenzen van de epische wereld die hij al in Bonita Avenue schiep. In de nog te verschijnen delen van zijn roman fleuve, De jaknikker en Hysteria siberiana, geeft hij deze wereld verder vorm.

Lees op Athenaeum.nl een fragment uit Otmars zonen.

Peter Buwalda debuteerde in 2010 met Bonita Avenue. Het boek werd genomineerd voor twaalf literaire prijzen, waarvan hij er vijf won. De roman voerde de bestsellerlijsten aan, verkocht meer dan 350.000 exemplaren en werd wereldwijd vertaald en bejubeld.

Daan Stoffelsen is webboekverkoper bij Athenaeum Boekhandel, recensent en redacteur van De Revisor, daarnaast is hij jurylid voor de Bookspot Literatuurprijs.

Over De Revisor vs. Athenaeum:

Een gesprek over een boek, over literatuur, over ambacht en kunst: dat is de eenvoudige gedachte achter een nieuwe reeks publieke interviews. Regelmatig gaat een van de redacteurs van De Revisor in gesprek met een interessante schrijver over haar of zijn nieuwste boek. En jij kunt daarbij zijn.

Gisteren werd bij Singel Uitgeverijen het eerste nummer bij de nieuwe uitgeverij, in een nieuwe vormgeving, met het thema Periferie gepresenteerd: #22. Rob van Essen, Çağlar Köseoğlu en Jan van Mersbergen lazen voor, er was een audiofragment waarop Dafne Holtland Mathijs Deen voorlas, Josje Kraamer speechte, en Daan Stoffelsen had dit dankwoord.

*

Ik weet niet meer wie, maar hij ergerde zich duidelijk. Geen boek meer zonder dankwoord, geen dankwoord of het moet over meerdere pagina’s. En iedereen moet bedankt: de bloemist en de brouwerij, oma, de hond en de steenmarter. 
Ik deel die ergernis niet.

Dankwoorden zijn een perifeer literair genre, dat afbakent en verbindt. Ze zijn de navelstreng naar de werkelijkheid, naar het autobio dat achter elke grafie zweeft. Ze maken de onzichtbaren zichtbaar. Ze maken diepgravende De Wereld Draait Door-interviews overbodig. In het slechtste geval is het dankwoord een oud-testamentische namencatalogus, in het beste een postmodernistisch essay. 
Ik had het liefst heel groot ‘Bedankt’ boven de colofon en de auteurspagina van nummer 22 gezet, ook al blijft de brouwerij dan onbenoemd. Maar hoewel De Revisor geen uitgesproken poëtica heeft, of eigenlijk vooral een innerlijk tegenstrijdige poëtica – lees dit nummer – is er één belangrijke regel: Minder is beter. Dus…

Bedankt, namens het hele team.

(Op de foto – gemaakt door Maarten Asscher – dat team: van links naar rechts: Daan, Bernke, Thomas, Jan – Josje staat op het bankje en deelt de eerste exemplaren uit.)

Toen dit nummer bedacht werd, zag ik het al gebeuren: een politiek, zwart-wit nummer, maatschappelijk en ongemakkelijk. Dat is niet verdwenen, maar Revisor 22 is meer dan dat. Dit nummer bezingt geboortegrond, vervloekt eenvormigheid – en geniet ervan, scherpt aan en ontspant, zoekt de grenzen op tussen het buiten en binnen. Het is intiem en gedragen, stellig en genuanceerd, literatuur in de volle breedte, de zinnen lopen over de pagina’s heen en maken ruime marges mogelijk.

Dankbaarheid past hier.

Het periferienummer, het buitenwijkennummer, ontstond nog bij De Bezige Bij, ons huis ver van huis. Bedankt.
Het kwam tot bloei bij Singel. Bedankt.
Het voortbestaan van dit tijdschrift danken we voor een groot deel aan de doortastende betrokkenheid van ons bestuur, dat ons nu ten dele gaat verlaten. Bedankt, Maarten, Lex, Menno. 
Dit nummer was er niet zonder onze auteurs. Bedankt.
Zonder Bernke, Jan en Thomas, een uniek mengsel van ambacht en kunst en keiharde redactie. Bedankt.
Zonder hen die tafel en bed met ons delen, frustratie en enthousiasme, en nu raken we kort de periferie van de meelezers maar de kern van de medelevers, zonder onze geliefden, waren we nog verder van huis. Bedankt.

Dit wordt een echt dankwoord. Zonder de bloemist… Nee.

Zonder Pauliens warme ontvangst en kritische vertrouwen waren we hier niet thuisgekomen. Bedankt.
Zonder Josje was er weinig tot niets. Bedankt voor alles en alles enthousiast. Bedankt.
Hugo, Esther, Vincent, Luuk, zonder jullie waren we niet zo bestelbaar, hoorbaar, vindbaar, zichtbaar. Bedankt.
Zonder Kays frisse vormgeving, zonder Alexandra Colmenares Cossio en haar foto’s die zowel intiem als bevreemdend zijn, hadden we geen nieuwe start kunnen maken. Bedankt.
Zonder boekverkopers, abonnees, lezers zijn we niets dan een feestje bij een uitgeverij. Alvast bedankt.

Ik eindig dit dankwoord met een belofte: meer audio, meer abonnementsgemak, meer online en meer papier. Meer literatuur. Een zomernummer, een co-productie met De Harmonie voor founding father Dirk Ayelt Kooiman, een winternummer met als thema ‘Huid’.

Zonder de brouwer hadden we nu niets terug te geven. In Tilburg begon Brouwerij Frontaal nog maar kortgeleden met een nieuw bier, een heel doordrinkbaar Belgisch Pale Ale (blond) van 4,7%. Revisor heet het. Paulien? Josje?

In de tweede editie, donderdag 18 april vanaf 19.30 van Het Personage word je meegenomen op een rondleiding door het voormalige Scheepvaarthuis, vandaag Grand Hotel Amrâth én een rijksmonument. Verspreid over hotelkamers en historische zalen brengen schrijvers en een kunstenaar een nieuw personage tot leven: De Navigator

Een avond over kapiteins en olietankers, over dwalen, GeoGuessr spelen, mensenstromen en wat er vandaag de dag allemaal aan het woord ‘ontdekkingsreiziger’ kleeft. Met Maria Barnas, Nyk de Vries, Selin Kusçu, Roos van Rijswijk, Jan van Aken, Samson Young, Iduna Paalman – en met jou?