Nieuwe korte verhalen en iets langer proza bij literair tijdschrift De Revisor, sinds 1974.

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het derde verhaal: ‘Watervaltwist’. Dit zijn de eerste zeven woorden: ‘Ik vlecht de haren van de doden.’

*

Een nieuw kort verhaal, van Johanna van Os. Een verhaal over een broer en groeiende afstand en meer. ‘Ik weet niet precies meer wanneer ik ophield hem te volgen naar de tuinen, naar het water.’

*

Vroeger had ik een broer. Ik weet niet waar hij nu is. Of hij gelukkig is, of nog lijdt. Of hij weet dat mijn hoofd vol zat met keurig op elkaar gestapelde herinneringen, die uit mijn harde schijf op de grond zijn gedwarreld zonder paginering. Ik had een broer die geen vrienden mee naar huis nam en me niet beschermde tegen de pestkoppen op school. Ik had een broer die vanaf zijn geboorte tweeëneenhalf jaar lang zweeg en in volzinnen begon met praten. Het was een engeltje om te zien weet ik van foto’s, met blonde pijpenkrullen die er al snel uitgroeiden. Hij deed zout op slakken, trok poten uit muggen, stak brand in een mierenhoop. ‘Kijk, zo doe je dat.’ En ik kijken hoe de dieren ineenkrompen. Dezelfde jongen die wonderschoon pianospeelde. Misschien begon het daar wel, in die prille kindertijd, de gedachte dat hij anders was. Op zijn zeventiende behaalde hij met Kyokushin karate, de zwaarste Japanse variant, de zwarte band eerste dan. Een uitzonderlijke prestatie waar we heel trots op waren, maar wat verlangde ik naar een gewone broer, liefst één met krullen.

Ik hoor hem nog gillen. Het eerste incident waar ik bij was. We stonden in zijn tuintje met een kop koffie naar de bloeiende magnolia te kijken, die hij onlangs had gepland. De schop stak nog in de aarde, dicht bij de schutting. Ik zag zijn kopje vallen en hij begon aan iets dat op rennen leek, maar verstijfde. ‘De mannen, ze zijn hier,’ fluisterriep hij zonder zijn lichaam nog te bewegen. Zijn opengesperde ogen gericht op iets achter mij. Ik keek over hem heen naar de schutting maar zag niets. Even plotseling als de verstarring gekomen was – een variant op vluchten of vechten, leerde ik later – werd de playknop weer ingedrukt, rende hij naar binnen en gooide de deur van de wc in het slot. Toen begon het gillen en ik probeerde er tegenin te schreeuwen, maar hij was totaal onbereikbaar, als een verre ster. Terwijl ik de klink tevergeefs omlaag en omhoog bewoog, bonkte hij met zijn vuisten op het hout. ‘Ze zijn niet echt, niet bang zijn!’ riep ik en ik bleef het herhalen tot mijn keel schor was en hij met zijn elleboog het bovenruitje aan diggelen sloeg. Glasgerinkel. Hij moet toen op de wc-deksel zijn gaan staan want hij wrong zich op zijn buik over de paar achtergebleven scherven heen en liet zich vallen, een spoortje bloed achterlatend. Ik bleef bij hem tot hij rustig was. Het was niet de eerste keer dat er een arts aan te pas kwam.

Niet veel later belde ik hem, al was het maar om zijn vertrouwde stem te horen. Maar we zwegen meer dan we spraken en dat was oké geweest, als zijn gegil niet nog steeds weerklank gaf. Het bleef op me drukken als een zware deken die je van je af wil trappen. Je benen zijn verlamd, je armen willen het misschien wel doen, maar dan krijg je het koud van de gedachte alleen al en begint het zwijgen en malen weer van voor af aan. We hingen altijd op dezelfde manier op, met ‘we bellen snel weer’ en een vluchtig ‘ik hou van je’ van mijn kant, zonder enig idee wanneer we elkaar weer zouden horen of zien. Schaamte en machteloosheid zijn een bijtend gif dat zich niet laat neutraliseren door liefde. We probeerden het, dat wel.

Zo waren er eindeloze kaartavonden, bezoekjes aan de bioscoop en de filmplots die hij met smaak navertelde. Vakanties in de Ardennen, in Duitsland, op avontuur met zijn fiets door de duinen. Samen met de trein naar Praag, slapen op de aan ons vastgeketende rugzakken, struinen door de Staré Mesto.

Andere uit mijn hoofd getuimelde herinneringen. Hij ging vissen en ik ging mee. Zijn hengel mocht ik niet aanraken, het visnet wel. Mijn kleine handen pasten met een beetje moeite door de mazen. Het nylon liet na terugtrekking rode striemen achter. Zondag na zondag vond ik schubben in de mouw van mijn trui. Je zou zeggen dat ik hem beter leerde kennen op die stille dagen langs de rand van het water. Voor een deel is dat zo. De kromming van zijn rug, zijn eeltige handen, zijn blik als hij met een voorn een snoek ving en later toen hij trots aan het grote werk begon: het karperen. Praten deden we niet veel. Daarmee joeg je de vissen weg. Toen hij me oud genoeg vond, gaf hij me een kleine polaroid, zodat ik zijn vangsten vast kon leggen. Het zijn de weinige foto’s waarop hij lacht.

Vanaf het moment dat we op onszelf woonden, hij eerder dan ik, troffen we elkaar soms op verzoek van onze ouders in het huis dat we geen thuis meer noemden. In die oude gezinssamenstelling wisten we ons tot elkaar te verhouden. Hij was de oudere broer, maar hij gedroeg zich er niet naar. De letters die ‘lethargisch’ vormden, dansten door mijn hoofd, het woord werd als een mantra dat zich in mij bleef herhalen. Zijn haar wat langer dan de laatste keer dat ik hem zag, maar krullen wilden er maar niet in komen. Rode plekken van het slordige scheren. We kusten elkaar vluchtig, zijn stoppels prikten. Een vleug aftershave die me volwassen voorkwam. Hij volgde me naar de keuken, waar ik hete thee voor hem neerzette. Op zachte toon hoorde ik de verwijten vanuit de woonkamer tussen mijn ouders oversteken. Toch ving ik het een en ander op. ‘Waarom zien zij elkaar niet vaker?’ En: ‘Heeft hij dan helemaal geen vrienden?’ Ik had ons willen verdedigen, maar hoe? De waarheid is dat ik hem niet kende, niet wezenlijk. Hij was mijn ongenaakbare broer, in mijn dromen heeft hij krulhaar. Wat ons bond is duidelijk en de rest scheidde ons.

Toen we klein waren dacht ik dat we samen speelden. Maar nu realiseer ik me dat hij werkte en ik hem volgde. We verkenden alle tuintjes in de buurt, hij voorop met schep, ik erachteraan met snottebellen. Honderd tegels telde ik van tuin naar tuin naar tuin. Mijn blik op hem gericht als ik klaar was met tellen. De voortuinen waren het gemakkelijkst. Omspitten, onkruid wieden, de bladeren bijeen vegen. Het betaalde vast niet veel maar voor mijn broer was het genoeg. Zijn vuile handen in de aarde, groene vlekken op zijn knieën en zijn zusje dat naar hem keek. Maar toen ik bij de thee in de keuken begon over die middagen die eindeloos lang leken te duren, dan kwam er niets. ‘Mevrouw De Groot, herinner je je die nog?’ Het vraagteken bleef tussen ons inhangen.

Jaren later. We wonen allebei in een andere stad. Hij zo ver mogelijk van dat vroegere thuis verwijderd. Hij leert de tekens van een andere taal, ik verdiep me in de mijne. Het Japans kent steeds minder geheimen voor hem, hij heeft er des te meer voor de mensen om hem heen. Ik stel me voor dat we allebei in stilte eten. De enkele keer dat ik op zijn studentenkamer kom, doen we de afwas zonder te koken, de vieze bakjes van de Chinees zullen te lang op het aanrecht blijven staan.

Ik weet dat hij er is, mijn broer. We hebben elkaars telefoonnummer, bellen doen we niet. Van mijn moeder weet ik hoe het met hem gaat, en toch. Overdag kan ik hem vergeten. Er zijn lessen, wandelingen, opdrachten, sociale verplichtingen. Iedere avond ga ik achter mijn bureau zitten en lees. ’s Nachts droom ik zijn leven.

Ik weet niet precies meer wanneer ik ophield hem te volgen naar de tuinen, naar het water. Het moet rond de tijd zijn geweest dat ik zijn kamer niet meer in mocht. Ik begreep dat mijn broer tijd voor zichzelf nodig had. Maar wat ik niet begreep, is dat hij in die uren onder zijn bed ging liggen. ‘Ik oefen in ledigheid,’ was zijn verklaring, terwijl ik alleen maar wilde weten waarom hij niet óp zijn bed ging liggen. De keer dat ik zijn kamer binnenglipte – het moet op een zondag geweest zijn, als hij in zijn eentje ging vissen – en snel onder het bed dook, is voor altijd in mijn geheugen opgeslagen. Waar ik vieze sokken, pakjes shag, lege bierblikjes, ja zelfs pornoblaadjes verwacht had, was de vloer bezaaid met gele post-its, kleine notities aan zichzelf. Alles in schreeuwerige hoofdletters. LUISTER ALS ANDEREN PRATEN / HOUD JE RUG RECHT / EET GEZOND / OVERDRIJF NIET / VERGEET DE NACHTMERRIES. Ineens hoorde ik hem de kamer binnenkomen en zo trof hij me aan, steunend op mijn ellenbogen, mijn achterste in de lucht, mijn achterhoofd over de matrasspiraal schurend. Ik kroop op m’n knieën achterwaarts onder het bed uit. Daar houdt de herinnering op. Het ene scenario is dat zijn blik voldoende was me naar buiten te sturen. In het andere scenario is er een explosie van geweld, woede en onmacht. Vreemd genoeg was het dat eerste scenario dat me wakker hield.

De dagen en nachten rijgen zich aaneen, als een ketting madeliefjes. En dan kan ik hem niet meer volgen, ook ’s nachts niet. Ik weet niet waar ze hem mee naartoe hebben genomen. Ergens waar het stil is en wit, vermoed ik, waar de deuren op slot zitten en karretjes met koffie rondgaan. In de universiteitsstad heb ik niets te zoeken. Het is zomer en de terrassen worden bevolkt door jonge mensen. Ik loop over drukke grachten, onderdruk ondanks de warme zon op mijn rug een rilling en sla mijn jasje nog wat strakker om me heen. Als ik hem denk te herkennen in de spiegeling van een etalageruit ben ik niet verbaasd, we hebben dezelfde trekken. Ik mis hem, maar weet niet of hij die emotie kent. Wat zou het leven eenvoudig kunnen zijn. Iemand niet te missen zoals je een nier mist.

In die tijd overweeg ik te verhuizen. Maar het gemak waarmee ik me ’s avonds achter mijn smalle bureau voor het raam zet, wint het van ieder verlangen een andere plek te zoeken. Op straat, in het bleke schijnsel van de lantaarnpaal, trekt de overbuurvrouw de deur achter zich dicht. De zoom van haar jurk, van een afschuwelijk paars velours, blijft achter de deurpost steken. Even ben ik geneigd het raam te openen en iets te roepen. Een fractie later gaat de deur weer open, wordt de zoom naar binnen getrokken en is het moment voorbij.

En toen kwam het onaangekondigde en toch verwachte telefoontje. Mijn vader is kort en zakelijk. Zijn afdeling is gesloten maar er zijn bezoektijden.

Stil en bleek zit mijn broer tegenover me. In de hoek, zodat hij de ruimte goed kan overzien. Als ik zijn ogen zoek, is het of hij probeert te kijken naar iets achter mij. Zijn pupillen schieten heen en weer, opgejaagde stippen, de beweging die past bij een achteruitrijdende treinreiziger. Ik zie dat hij iets ziet dat er niet is. Hopelijk is het dit keer maar één man. Voor ons staan twee plastic bekertjes, koffie voor mij, water voor hem. Hij probeert een slok te nemen. Het water volgt het opgedroogde slakkenspoor dat over zijn kin loopt zijn nek in. ‘Gaat het een beetje, heb je kunnen slapen vannacht?’ Hij zwijgt. Na een half uur staat de te grote jas die zijn lichaam is op en hangt wat tegen me aan in een poging tot een omhelzing. De geur van zweet. Zijn jas is heet vochtig, alsof hij te vroeg uit de droger is gehaald. Ik probeer het zuur dat omhoogkomt weg te slikken. En ik sla mijn armen om zijn bonkige rug. Zijn armen blijven langs zijn lijf hangen.

In de maanden die volgen zoek ik hem iedere week op. Maar het had net zo goed bij één keer kunnen blijven. Iedere week, op dezelfde dag, om dezelfde tijd schakel ik mezelf uit en ben ik louter omhulsel. Ik zet de ene voet voor de andere, mijn lichaam verplaatst zich van de hal naar de kille ontvangstruimte. In de zesde week lopen we met z’n tweeën de tuin in. Dat is een vrijheid die hij verdiend heeft, zo legt een stevige vrouw in het wit me uit. Ze draagt rode sandalen, een anomalie die ik niet goed kan verhapstukken. Een stukje braakliggende grond, klaar om omgewoeld te worden met de schop die eruit omhoogsteekt. Ik zie het te laat. Dat wil zeggen, na hem. Wat er daarna gebeurt, probeer ik iedere nacht te wissen. Iedere slaap is een vruchteloze poging die gebeurtenis in de tuin in stukjes te knippen, te hergroeperen en anders op te slaan. Zodat ik kwijtraak hoe ik hem zag en er de polaroids van het vissen overheen kan schuiven. Ik kan proberen te beschrijven hoe het is om iemand zijn wezen te zien verliezen. Maar het zal nooit in de buurt komen van wat ik die dag zag. Als het voorbij is – net zo onverwacht als de orkaan gekomen is, gaat hij weer liggen – valt hij uitgeput op de grond neer. Hij spuugt nog wat zand uit en komt zwijgend overeind. De verpleging die in allerijl is toegestroomd probeert hem te kalmeren, wat vreemd is, want hij is kalm, ijzig kalm. De vrouw met de rode sandalen noemt het een doorbraak, een eerste stap naar herstel. Misschien is wat ik gezien heb gekte, maar in die termen wil ik niet over hem denken. Het stadium van lethargie is in elk geval doorbroken.

Na vier maanden wordt hij ontslagen. Niemand die zich bekommert om hoe het verder moet. Hij kan nergens heen, dus gaat hij terug naar ons ouderlijk huis waar hij niet op maar onder zijn bed ligt. Ik staak mijn frequente bezoeken. Ik treed niet binnen in zijn ruimte, er zijn anderen die verantwoordelijk voor hem zijn, dus ben ik het niet.

De maanden daarna gaat de herfst onmerkbaar over in winter. Ik neem me iedere dag voor hem te bellen. Dan kondigt de lente zich luidruchtig aan. Schalmende stemmen op de grachten, kwetterende vogels, de nieuwe voorjaarscollectie. Iedere dag denk ik: hij heeft mijn nummer ook. Hij kan heel goed alleen zijn. Of zeg ik dat slechts om mijn groeiende schuld en onrust te bezweren? Toch zijn er mensen die hem nodig hebben. Ik heb hem nodig.

Een visser en zijn maat vinden een hand verstrikt in de mazen van een groot leefnet. Er blijkt een lichaam aan vast te zitten. De huid is wit en zacht, maar te herleiden tot de essentie. Het telefoontje komt opnieuw van mijn vader. Wat volgt is administratie. Alle emotie wordt afgeboekt. We zijn een gezin min één, en regelen alles tot in de puntjes. Alsof het nog niet te laat is. Ik vraag de muizige vrouw die de verzorging op zich neemt of we hem nog kunnen zien. Ze aarzelt, raadt het ons af en zegt: ‘Herinner je hem als de broer die hij was. Hij had vast prachtige krullen. Net als jij.’

Na de begrafenis – hij had het machtig gevonden verteerd te worden door micro-organismen – zijn er broodjes, te dik met boter besmeerd. De ruimte ruikt naar vis.

Nieuw proza! Vandaag Bas van den Bosch, met ‘19 september’, een verjaardagsverhaal, een tocht naar het verleden, over vriendschap en nostalgie.

*

Vandaag, op 19 september, moet ik denken aan mijn vroegere klasgenoot Joost De Winter, die we Jo de Sprinter noemden, omdat hij als tengere rechtshalf van net één meter vijftig bij voetbaltoernooien brede buitenspelers van de bal liep. Of maak ik het nu mooier dan het was en noemden we hem alleen maar zo omdat dat geiniger klonk dan Joost De Winter?
Ik denk aan Jo, en aangezien ik sinds een halfjaar lange, lege dagen moet zien vol te krijgen, besluit ik richting Hunzestraat te fietsen, waar hij naast de slagerij op de hoek van de Scheldestraat woonde. Die familiezaak zit daar nog steeds en als ik er in de buurt ben, koop ik er een bakje vleessalade, eigenlijk alleen omdat er al sinds mensenheugenis een bordje met de tekst: ‘Beste van de stad!’ naast de schaal in de vitrine staat.
Sasja weet dat ik moeilijk kan accepteren dat ik gemeenteambtenaar af ben, dat de dagelijkse routine van vaste gewoonten en vertrouwde verrichtingen na veertig dienstjaren voorbij is en dat ik de afwezigheid van mijn bureaustoel probeer goed te maken met het zadel van mijn fiets. Ze komt naast me staan als ik de achterband oppomp, maar zegt niets, grijnst alleen. Ik heb spijt dat ik haar vorige week vertelde over mijn recente fietstochten naar de Rivierenbuurt, waar ik sentimenteel de bomen in de Biesboschstraat aantikte, alsof ik er weer diefje-met-verlos speelde. Ook vertrouwde ik haar toe dat ik het portiek van mijn ouderlijk huis was binnengegaan en dat het daar leek alsof de motieven in de mozaïekvloeren me als oude bekenden begroetten. Allicht vertelde ik haar ook over mijn oude jongensschool iets verderop, die van binnen was veranderd in een appartementencomplex, maar van buiten trouw bleef aan mijn herinnering: rode baksteen, ramen met zestien kleine raampjes, en de donkerbruine dubbele deur die destijds onverbiddelijk twee werelden scheidde: straatgeluid-stilte, vrijheid-discipline, buiten-binnen.
Als ik bij Sasja wegfiets, kijk ik niet om, terwijl ik weet dat ze bij de deur is blijven staan om me uit te zwaaien. Kinderachtige kerel. Ik zet er de vaart in en sta binnen het halfuur op het Victorieplein met in de schaduw van de wolkenkrabber het standbeeld van Anne Frank. Stond dat beeld daar begin jaren zestig eigenlijk ook al? Er ligt een boeketje bloemen voor de sokkel, meisje met boodschappentas in de rechterhand en boekentas onder de linkerarm; een boekentas zoals wij vijfentwintig jaar later ook zouden dragen, of droegen wij die toen niet? We droegen elkaar, op onze rug en schouders, we vochten soms, maar daarna reikten we elkaar de hand, moest van de meester, en nooit werden we opgepakt omdat onze neus verkeerd stond.
Jo de Sprinter. Ik herinner me zijn geringe lengte, maar ook zijn bril. Andere jongens droegen ook een bril, maar die van Joost had glazen die zijn ogen klein maakten als rozijnen. Ik hoor hem weer lachen, een aanstekelijke lach. Al vroeg had hij door dat lachen afleidde van zijn kleine postuur en zijn bril, en dus lachte hij vaak en verder deed hij zijn best om niet te veel op de voorgrond te treden. Maar soms was hij ongewild toch het middelpunt, want als hij las, bracht hij zijn gezicht tot vijf centimeter van zijn schoolboek en dan keek je vanzelf zijn kant op. Toen de meester van de derde hem bij een fout voorgelezen woord een keer snauwerig vroeg: ‘Kan je het zien, knul?’, lachte Joost hartelijk met de anderen mee.
Paul Michielse. Ik sta voor Jo’s deur in de Hunzestraat en zie dat een slordig stukje papier met de naam Paul Michielse het chique, geëmailleerde naambordje van R.M. De Winter heeft vervangen. R.M. De Winter, ongetwijfeld Jo’s vader, die er nooit was en die ik dus nooit heb gezien omdat hij werkte, ander woord voor, begreep ik later, een leven met een nieuwe vrouw en nieuwe kinderen. Joost liep niet met zijn werkende vader te koop en waarschijnlijk had ik dat in zijn plaats ook niet gedaan, want in die tijd schaamde je je voor scheiding en schaamte hield je voor jezelf. Daarbij had Joost altijd nog een moeder, een nogal hoekige, beweeglijke vrouw, bozig brommend op zoek naar dingen die ze kwijt was en die ergens op de grond leken te liggen. Tegen haar hoefde Joost niet te lachen, want dat maakte haar niet aardiger. Er was ook een grote broer, die evenmin aardig was, en die ons, kleine gastjes, totaal negeerde of ons toeschreeuwde ergens anders te gaan spelen.
Vandaag, 19 september, sta ik voor Jo’s deur en zou ik hem weer de hand willen schudden om hem nog vele jaren te wensen. De verjaardagen van anderen ben ik vergeten, maar die van Joost vergeet ik nooit omdat hij vanaf klas één elk jaar op 17 september dezelfde woorden in mijn oor fluisterde: ‘Nu ben jij jarig, maar over twee dagen ben ík aan de beurt.’ Pas in de zesde klas, toen ik het zinnetje dus al vijf keer had gehoord, verraste ik hem door, voor hij zijn mond kon openen, te zeggen: ‘Ja, Joost, over twee dagen ben jij aan de beurt.’ Hij lachte zijn lach.
Na die zesde klas scheidden onze schoolwegen, maar bleven we wel samen voetballen, bij een club die ik op mijn achttiende verliet. Sindsdien heb ik hem nooit meer gezien en in de vijftig jaar tussen toen en nu heb ik maar één keer iets over hem gehoord. Op een dag, nu zo’n dertig jaar geleden, belde mijn vader me tijdens zijn vakantie in Frankrijk. ‘In een tankstation kwam er een nogal kleine, beweeglijke man op me af,’ zei hij, ‘en die vroeg: “u bent toch de vader van Hugo?”‘ Joost had hem herkend als de man die twintig jaar eerder aan de zijlijn van het voetbalveld had gestaan, een vader die er wel was. Mijn vader verbaasde zich over Joosts geheugen, over het feit dat hij hem na zo’n eeuwigheid nog kon herinneren. ‘U bent geen jaar ouder geworden,’ zei Joost, en hij wist nog dat mijn vader op mijn tiende verjaardag – waar Joost kennelijk ook aanwezig was geweest – een 16 mm-filmpje van Laurel en Hardy had vertoond. ‘Een enthousiaste man,’ zei mijn vader, ‘heel vrolijk en goedlachs en intussen getrouwd met een mooie, langbenige Française. Hij stelde haar keurig aan me voor en vertelde dat hij nu in Lyon woont en iets doet in de wijncoöperatie van de familie van zijn vrouw. Hij heeft zijn huisadres voor je opgeschreven, voor als je eens in de buurt bent.’
Dat vond ik sympathiek, en ik betwijfelde of ik hetzelfde gedaan zou hebben als ik zijn moeder toevallig in Frankrijk was tegengekomen (en haar had herkend!). Ik was blij voor hem dat hij een knappe Française aan de haak had geslagen en betrapte me op de gedachte dat ik zo’n verovering niet achter hem had gezocht.
‘Ik zal hem een kaart sturen als hij jarig is,’ zei ik tegen mijn vader, zonder verder iets uit te leggen over zeventien en negentien september.
Ik open de deur van de slagerij en ben de enige klant in de zaak. Een meisje achter de toonbank vraagt of ik het al weet en ik wijs naar de schaal met vleessalade.
De slager, die een mes slijpt, vraagt of ik misschien naar iemand op zoek ben. Hij is van mijn leeftijd, schat ik, en qua houding en postuur zou hij een zoon kunnen zijn van de slager die hier stond toen Joost en ik klein waren.
Paul Michielse schiet hinderlijk door mijn hoofd, maar ik vertel dat ik hier zestig jaar geleden in de buurt heb gewoond. ‘En hiernaast woonde een schoolvriendje, dus voor de gein keek ik even naar de naambordjes, macht der gewoonte.’
‘Nostalgie,’ zegt de slager. ‘Hoe heette dat vriendje?’
Jo De Sprinter, wil ik zeggen, maar net op tijd slik ik dat in: ‘De Winter, Joost De Winter.’
‘Ah.’ De slager glimlacht. ‘Ik ken zijn broer. Frans.’
Ik knik en hoor een stem: Ga ergens anders spelen.
‘Als jongen hielp ik hier mijn oom,’ zegt de man, ‘en ik kende Frans De Winter van de detailhandelsschool. Pas later ontdekte ik dat hij hiernaast op twee hoog woonde.’ Hij staart omhoog en laat zijn blik langs de wanden van de slagerij gaan. ‘Deze zaak heb ik vijfenveertig jaar geleden van mijn oom overgenomen en over drie maanden ga ik sluiten, dan is het finito’ Het geslepen mes hangt hij aan een haak tussen andere messen. Als het ding stopt met bewegen, kijkt hij me aan, pensionado’s onder elkaar.
‘Frans de Winter scharrelt, net als u, ook nog wel eens door de buurt en een heel enkele keer loopt hij hier binnen om gedag te zeggen.’ De slager haalt zijn schouders op. ‘Maar ú kende dus Joost, de jonge broer als ik me niet vergis.’
‘Dat klopt,’ zeg ik. ‘We zaten hierachter op de jongensschool.’
‘Joost was, als ik het goed begreep, een beetje een zenuwenlijertje vroeger,’ praat de slager verder. ‘U weet dat hij drie jaar terug is overleden?’ Van boven zijn bril kijkt hij me nog eens indringend aan. ‘O, dat wist u niet.’ Hij doet een stap in mijn richting en vervolgt, iets zachter: ‘Frans liep hier in juni of juli weer eens binnen en toen kwam het op zijn broer. Het scheen dat die in Frankrijk woonde.’ De slager klopt op zijn borst.
‘Het hart.’
Het meisje zet mijn bakje salade op de toonbank en sluit de schaal in de vitrine af met vershoudfolie. Haar pink scheert rakelings langs het bordje ‘Beste van de stad’. Ze vraagt of
ik nog iets anders gewenst had en of ze er een tasje bij zal doen.

Ik fiets terug door de Rooseveltlaan en ineens dringt tot me door dat vanaf vandaag voor mij Joosts geboortedag ook zijn sterfdag is geworden. Nooit meer zal hij twee dagen na mij aan de beurt zijn en daarmee, realiseer ik me, zal ook mijn eigen verjaardag iets van zijn glans verloren hebben. Alles houdt op en houvast bestaat niet.
Voor het voetgangerstunneltje naar de Roerstraat stap ik af om ook daar nog eens doorheen te lopen. De muren zijn recentelijk gevoegd en de zware metalen deur met het opschrift GEB kreeg een nieuwe, groene verflaag. Gelukkig heeft het middendeel van de tunnel nog steeds geen plafond en net als vroeger drijven de wolken ongestoord voorbij. Dat voelt als troost, alsof er toch dingen bestaan die blijven zoals ze waren.
Ik verplaats mijn voet omdat er een streepje water langs de deurlijst in de richting van mijn schoen sijpelt. Ooit, tijdens het douchen na een voetbalwedstrijd, vroeg Jo of hij van iemand een stukje zeep mocht lenen omdat hij zijn eigen zeep vergeten was.
Ronald – twee koppen groter dan Jo – overhandigde hem een haast onzichtbaar reepje zeep met de woorden: ‘Hier moet jij het wel mee kunnen redden, toch?’
We moesten er allemaal om lachen. En Jo het hardst.

 

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het tweede verhaal: ‘Sluitgordijn’. Dit zijn de eerste zes woorden: ‘Na de dood komen de dingen.’

*

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het eerste verhaal: ‘Glimp’. Dit zijn de eerste zes woorden: ‘Als kind ving ik een glimp.’

*

Een reisreportage na een lange fietstocht, dan is een glas bier verdiend in Roman Helinski’s korte verhaal ‘Lier’. Toch wringt het.

*

Het was al laat – de terrassen van de kleine stad waren nog halfvol, steeds meer mensen gingen naar huis, en zij die bleven trokken een trui aan, want de hitte van de dag was opgelost en het werd nu snel frisser. Laatste ronden werden aangekondigd door obers toen de fotograaf en ik vanuit het restaurant naar ons hotel wandelden. We hadden fantastisch gegeten – zeven gangen, ingrediënten uit het Neteland rondom de Belgische stad Lier. De kok was een paar keer uit de keuken gekomen om vertellen wat er op onze borden lag. We kregen de beste behandeling, zoals wel vaker, omdat we journalisten waren – of althans: als journalisten werden gezien. In feite was er aan ons werk niets wat de term journalistiek rechtvaardigde, een toeristisch verhaal afleveren met foto’s was de opdracht. In het restaurant hielp het ons dat de fotograaf op zoek ging naar de juiste hoek en het beste licht om het hoofgerecht te fotograferen – een zachte biefstuk, waarvan navraag leerde dat die dan weer niet uit de streek afkomstig was. We dronken zurige frisse lambiek als aperitief, Oostenrijkse en Luikse oranje wijnen, een Montepulciano uit 2018. En toch voelden we toen we later door die koele avondlucht naar ons hotel wandelden weinig van de wijn of die zeven gangen. Bedwelmd door de fijne combinatie van de smaken van het eten en de wijn, niet zozeer van het eten en de wijn zelf dus, liepen we naar ons hotel. We waren nog niet helemaal voldaan, want de stad die zo levendig was geweest toen we het restaurant binnen gingen, had in de binnentuin minder geleefd, en we verlangden naar de roes van bier en jeugd rondom ons; studenten die lachten, jonge vrouwen met blote buiken die naar ons keken, of ons in elk geval het idee gaven dat ze elk moment konden opkijken. We passeerden een café dat The Jack heette. De fotograaf stelde voor plaats te nemen op het kleine terras aan de voorkant, al kwam die zaak op het eerste oog op geen enkele manier tegemoet aan onze eenvoudige wensen. The Jack was een volkscafé; acht stoelen stonden buiten, allemaal bezet. Rokende mannen met ontblote armen met tatoeages, een oude barvrouw die ons een paar tellen nadrukkelijk opnam en daarna pas vroeg wat we bliefden. Ze zetten ons bier neer bij twee stoelen die net waren vrijgekomen. Om ons heen klonk plat Vlaams – Antwerps dialect. Rechts naast me een vrouw die me vanuit haar ooghoeken in de gaten hield. De fotograaf en ik spraken over onze reis tot zover – een fietstocht rondom de stad, vooral een tocht langs de slingerende rivier de Nete met zijn prachtige, verstilde oevers. Makkelijk in het gehoor liggende rock klonk vanuit de openstaande deuren van het café. Terwijl ik ernaar luisterde, voelde ik hoe moe ik eigenlijk was, de fotograaf vast ook, want die morgen waren we vroeg op de fiets gestapt. In een opwelling waren we hier gaan zitten, maar het gaf een fraai inkijkje in een andere wereld dan die waar we de laatste dagen hadden vertoefd. De arbeiders van Lier, de voetbalsupporters, in plaats van studenten en chef-koks, gidsen en medewerkers van toerismediensten die er alles aan deden om het ons naar de zin te maken.
Het gesprek met de mensen rond ons kwam niet van de grond; de knikjes naar elkaar waren vriendelijk, het heffen van het glas werd twee keer beantwoord. ’t Bolleke dat ik had besteld steeg aangenaam naar mijn hoofd; en dat onprettige gevoel dat ik soms heb bij nieuwe groepen bleef uit. De fotograaf zei ietwat hard, niet alleen voor mijn oren: ‘Zeventig kilometer langs de Nete gefietst.’ Dit trok de aandacht. Iemand vroeg: ‘Waarom?’
‘Een reisverhaal,’ antwoordde ik, waarna de dame snoof die op het terras naast me zat, een armlengte bij me vandaan. Ik bekeek haar wat beter. Een jaar of vijftig, flink opgemaakt, het gezicht van een roker. Haar ogen waren helder en er lag iets opmerkzaams in; het was alsof ze meer zág dan de meeste anderen.
Een korte uitwisseling over het fietsen langs de Nete volgde en vanuit daar vertakte het gesprek zich. De fotograaf sprak met een man die zichzelf voortdurend herhaalde, en die al die tijd had zitten mompelen terwijl er niemand met hem sprak. Ik praatte met een iele kerel die me al was opgevallen vanwege zijn merkwaardige, stijve loop toen hij naar het toilet was gegaan; ik vroeg me af of hij kunstheupen had. We spraken over Feyenoord, waarvan hij fan was, en over die andere havenploeg: Royal Antwerpen. Ik viste uit de poel van herinneringen oud-spelers van die laatste club op en legde hem wat feitjes voor. Ik prikkelde hem door te zeggen dat het naar mijn weten al jaren geen topploeg meer was, maar de man hapte niet en beaamde slechts mijn constatering. Een kalme kerel, doodgoed en vriendelijk. Ik verstond niet alles wat hij zei omdat de muziek harder was gezet. Ik vroeg hem een paar keer om luider te spreken, maar daarna verstond ik hem nog steeds niet goed, en toen knikte ik gewoon mee, mogelijk deed hij precies hetzelfde, want we spraken langs elkaar heen.
Zo kabbelde de avond voort. De fotograaf moest hard lachen om de verhalen van de mompelaar, en ik zocht naar een nieuwe gesprekpartner, want de voetbalfan en ik waren uitgepraat. Hij stond nog een keer op om naar het toilet te gaan, kwam naar buiten met een colaatje, want hij dronk niet en dat nam me voor hem in. Op dat moment draaide de vrouw naast me het hoofd half mijn kant op, en de overgebleven afstand tussen ons overbrugde ze door haar ogen naar de hoeken van haar kassen te laten drijven. Ze vroeg: ‘Wat doen jullie hier?’ Instinctief wist ik wat ze bedoelde; waarom waren we uitgerekend in dit café op het terras gaan zitten? Ik antwoordde: ‘Wat we in Lier doen? We maken een reisverhaal.’ Ze wendde het hoofd af, zuchtend, alsof het moeite kostte. Daarna draaide ze weer terug, die blik vanuit de ooghoeken; schuw, minzaam. ‘Nee, meneertje, wat doe je híér.’ Geen vraag, het woord ‘hier’ kreeg nadruk.
‘Ik drink mijn biertje,’ zei ik. ‘Mág dat?’ Haar antwoord stond al vast, dat had ik al aan haar hele houding gezien, aan het wegkijken.
Ze herhaalde: ‘Wat doe je hier.’
Ik ging anders op mijn stoel zitten, keek naar de fotograaf die nog in gesprek was verderop, Hij was met zijn altijd open houding overal op zijn plek. De vrouw vroeg: ‘Waarom zit je hier en niet in die andere twintig cafés? Waarom praat je…’ Een veeg met haar arm naar de mompelaar. ‘Waarom praat je met de minderen hier?’
‘De minderen?’ herhaalde ik, bereid om haar met deze uitdrukking de rest van de avond om de oren te slaan. ‘Hoezo de minderen? Niemand is minder dan een ander.’
‘Ach,’ zei ze. ‘Je weet wat ik bedoel.’
Ik probeerde haar aan te kijken, maar ze draaide haar hoofd steeds weg.
‘Kunt u me gewoon aankijken als we praten?’ vroeg ik. Weer die blik, het schudden van het hoofd. De voetbalfan volgde het gesprek, maar zei niks. Ik glimlachte naar hem, hij schrok ervan en beantwoordde de lach niet. We hadden prima gepraat, leuk over voetbal, maar deze vrouw kende hij langer, in elk geval al de hele avond en dat was nog steeds eindeloos langer dan dat hij mij kende. Ik telde de mensen op het terras, en meende dat de meesten op onze hand waren, want we hadden ze niets misdaan.
‘Ga toch weg,’ zei de vrouw. ‘Je hebt hier niks te zoeken. En neem hem mee.’ Ze wees naar de fotograaf, ondertussen met een andere man in gesprek. Mijn bier was op, maar ik bestelde niet bij. De vrouw maakte voor de zoveelste keer een afkeurend geluid. Het was onplezierig om daar de veroorzaker van te zijn – net zoals het vervelend was om geen kans van haar te krijgen echt met elkaar te praten. Maar vertrekken op verzoek was geen optie. Ook al maakte ik reisverhalen die voor vijfennegentig procent bestonden uit positieve berichten over de stad – geen journalistiek werk dus – toch voelde ik me geroepen om te blijven. Deze vrouw zag mij als journalist en ze wantrouwde de journalist, en zette hem onder druk, zodat hij uit haar wereld terug zou stappen. Toch had ik ook iets van bewondering voor de scherpte van de vrouw, omdat ze de situatie goed inschatte. Waarom waren we hier eigenlijk binnengestapt? Was het de oprechte interesse om een andere wereld te zien, om andere verhalen te horen, of was het ludiek, een grapje van twee mannen die ongetwijfeld meer aangeschoten waren dan ze zelf door hadden?
De vrouw stond op, liep vlak voor me langs, en even was ik op mijn hoede voor een duw, of de inhoud van haar glas bier over me heen. Ik zou op tijd zijn weggesprongen, ondanks het extra biertje na al die wijn. Ze verdween en op het terras werden de gesprekken hervat. De voetbalfan sprak weer over voetbal tegen me en ik was wat milder over Royal Antwerpen. Ondertussen woog ik af: was dit een moment om er tussen uit te knijpen zonder gezichtsverlies? De fotograaf was nog steeds in gesprek, de mompelaar aan mijn linkerhand sprak in zichzelf. Ik riep de fotograaf, terwijl de vrouw alweer naast me plaatsnam. De fotograaf keek verstoord op. Met een paar woorden stelde ik hem op de hoogte van de situatie. Niet om twee tegen éen verder te praten, maar omdat hij veel meer dan ik het talent had om gemoederen te kalmeren, om spanning weg te lachen. Maar zijn gelach nu – oprecht, om het verzoek te vertrekken dat de vrouw nog eens herhaalde, met meer gif – viel niet goed. Ook hem gunde ze het niet om aangekeken te worden. Ze beet hem iets toe, richtte haar woede in het gesprek met hem op mij, aan mijn houding – ik had haar geschoffeerd. Opnieuw lachte de fotograaf haar woorden weg, de spanning bleef groot. In haar kroeg tussen deze mensen, mindere mensen zoals de vrouw ze zelf noemde, waarbij ze voor zover ik kon inschatten dus neerkeek op de mensen terwijl zij het tegelijkertijd voor hen opnam. Ik probeerde de vrouw nog een keer uit te leggen dat we een reisverhaal maakten, dat dit café niet in het artikel zou belanden, omdat niemand in een oppervlakkig reisblad wil lezen over een volkscafé na middernacht – hier herstelde ik mezelf, en maakte er café na middernacht van. Ze luisterde niet. De fotograaf vertelde haar dat hij met de arbeider een mooi gesprek had gevoerd over de kosten van het leven in Lier, maar het ging er niet in bij de vrouw. De wijn van die avond speelde op dat moment op in mijn maag. Ik slikte de zurige smaak ervan een paar keer weg. Mijn geduld was op. Ik verliet het terras, zonder nog woorden aan de vrouw vuil te maken, de fotograaf volgde. In mijn hotel liet ik het bad vollopen, ook al was het al één uur.

Nieuw kort proza bij De Revisor, van Dieuwke van Turenhout (van wie we eerder het quarantaineverhaal ‘Nova’ in drie delen publiceerden): ‘Een C is een gemankeerde O’. Een verhaal over jeugd en verlies.

*

Niemand had het echt zien aankomen, ik al helemaal niet. Ik was een kind met een vergrootglas, vieze nagels en een bos krullen die van mijn kale vader moesten zijn. Ik spoorde pissebedden op onder tuintegels en ving bij het water langs het spoor kikkers met mijn blote handen.

Mijn vader had een nieuwe baan, dat weet ik nog. Hij bleef langer thuis ’s ochtends, en bracht me zelfs naar school nu en dan, een hand diep in zijn zak, zijn andere grote, droge hand om die van mij heen. Ik bekeek het raster van zijn huid met één oog open, het andere ferm dicht. Zijn huid, zo besloot ik, leek op golfjes in de zee als je er hoog overheen vloog.
Hij werkte laat ’s avonds. We gingen niet meer op vliegvakantie dat jaar.
In plaats daarvan knipte mijn moeder haar haar af.

Uit school stond daar een lange vrouw, met kort haar.
‘Dat lange haar was allemaal theater,’ zei ze de volgende dag tegen me terwijl ze rode lippenstift op deed voor de spiegel in het halletje bij de voordeur.
Tegen mijn vader zei ze: ‘Ik heb het gedoneerd. Voor pruiken. Wie weet hoe het zal gaan.’
Ik vroeg me niet af hoe wat zou gaan en ik kan me niet herinneren wat mijn vader zei. Misschien zei hij wel: ‘Natuurlijk lieverd, je bent zo ook prachtig.’
Hij aaide mijn haar wel vaker, als we naar school liepen. Ook was hij ’s avonds weer op tijd thuis. ‘Om een oogje in het zeil te houden.’ Mijn vader kon alles, maar hij kon niet voorkomen dat de poelen naast de spoorlijn verboden terrein werden. Het leek wel alsof ik de enige was die dit erg vond. Bulldozers en graafmachines joegen de kikkers weg en een grijs hek hield mij en mijn vergrootglas op afstand.

We gingen op vakantie in Nederland, ik zie mezelf nog zitten op de achterbank geklemd tussen de koelbox en een tas met handdoeken. Op mijn schoot een zwaar boek dat me maar matig kon interesseren, met foto’s van allerhande vogels. Voorin kibbelden mijn ouders. Mijn vaders stem krachtig en donker, mijn moeders stem zo veel zachter. Ik probeerde op te vangen waar het over ging en snapte niet waarom ze het zo oneens konden zijn over fotoalbums die mijn moeder wel en mijn vader niet wilde maken ‘voor later’.
‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Hebben jullie ruzie?’
‘Nee meisje, het is niets. Niets om je zorgen over te maken.’
Ik ving hun blikken op in de achteruitkijkspiegel en zal de rest van de rit naar de weilanden buiten de auto hebben gekeken. We gingen nooit meer dan twee weken op vakantie, maar die twee weken rekten zich tot eindeloosheden van zon en wind. Over een fotoboek werd niet meer gesproken en het vogelboek lag vergeten in de tent. Ik kroop achter kevers aan in het bosje naast de camping en groef kuilen en geulen die zich brutaal vulden met gorgelend zeewater. Een tijdje had ik alleen oog voor schelpjes. Dat het dode materie was waar leven in had gezeten, wist ik niet.

Mijn moeder had een periode dat ze wat meer lachte, dat haar haar wat groeide, dat ze me knuffelde en me hielp met mijn spreekbeurt over poelkikkers, en toen was ze helemaal kaal, net als mijn vader. Kaler nog, wimpers en wenkbrauwen ook weg. Niemand kwam me meer van school halen.
‘Wat ben je toch groot,’ zei mijn oma.
‘Je moet je groot houden,’ zei mijn opa.
‘Je bent mijn grote meid,’ zei mijn vader gesmoord door mijn krullen.
‘Je blijft altijd mijn kleine meisje,’ zei mijn moeder eens.

Hoe kan ik mijn vaders ogen nog vertrouwen? Ze werkten niet goed, hij moest een bril en was niet vaak thuis om een oogje in het zeil te houden. Hij ging met mijn moeder mee en rimpelde thuis zijn voorhoofd. Mijn moeder lachte niet meer en gaf me de lippenstift waar ik ooit zo lang om gezeurd had. Ik trok er dikke strepen mee over de rug van mijn hand, over het keukenblad en over bakpapier, bekeek met mijn vergrootglas de vette sporen en groeven die me als rode voren in vochtig zand voorkwamen.

Ik fietste naar school. Taal en rekenen werden Nederlands en wiskunde. Voor mijn verjaardag kreeg ik een microscoop, en een haarband voor mijn krullen.
Dat er iets mis was met mijn krullen, wist ik inmiddels ook wel. Iedereen keek ernaar. Ik was de enige thuis met haar. Nieuwe klasgenoten trokken eraan. Er had eens een spinnetje op gelopen. Ik geloof niet dat het spinnetje van de bouwplaats naast het spoor kwam, waar roodbruine bakstenen en zwaar zand overleven onmogelijk maakten. Het spinnetje was voor een toegestroomd joelend publiek van mijn krullen afgepakt. Ik heb het beestje niet gezien, misschien was het niet eens waar. Theater, zou mijn moeder zeggen als ik het haar zou hebben verteld. Ik vertelde weinig.

Er zijn verhalen over meisjes die na een flinke kappersbeurt en een bezoekje aan een schoonheidsspecialiste razend knap worden, en populair. Ik probeer de haarband. Scheer mijn oksels wekelijks. Dieet.
Mijn vader hield mijn hand weer eens beet, mijn moeder keek me met holle ogen aan over de dampende koffie die ze al lang niet meer verdroeg. Het hielp allemaal niet. Niets hielp meer.

Rondom het spoor stonden inmiddels hekken, soms stond ik er ook, mijn handen als vishaakjes verstrengeld met het raster. Mijn krullen zijn van mij, dacht ik, niet van mijn kale vader. Ze waaiden in een vast patroon op toen de intercity langs raasde, gewichtloos. Het was een vrijheid in mijn hoofd, een gewichtloosheid die me betoverde.

Meestal kwam mijn bezorgde vader me halen, soms ook Max. Max gebruikte alle woorden die mijn moeder niet meer had kunnen zeggen toen ze er nog was. Zijn stem was rustiger dan die van mijn vader. Max bleef me verzekeren dat alles wat ik dacht en voelde normaal was. Ook als ik niets dacht. Niets voelde. Dat alles erbij hoorde. Dat alles uiteindelijk een plekje zou krijgen. Eerst dacht ik dat hij de gebouwen bedoelde die naast het spoor uit de grond verrezen, de stapels stenen, de lukraak gestorte hopen zand en grind. Ik liet Max mijn vergrootglas en microscoop zien, dat was mijn taal.
We hingen een foto van mijn moeder naast de spiegel in het halletje bij de voordeur.
Het maakte mij niet uit dat Max geen vrouw was. Ik kocht mijn eigen tampons, maakte mijn eigen kruik als het nodig was, spoelde mijn eigen ondergoed voordat ik het samen met de rest van de was in de machine stopte. Ook een bh kopen lukte prima. Slechts eenmaal dook ik weg achter een rek met frivole azuurblauwe setjes. Het is één om ‘een grote meid te zijn’ en voor jezelf te zorgen, het is iets anders om geconfronteerd te worden met een zwerm zorgeloze meisjes in een lingeriezaak. Thuis bestudeerde ik mijn nieuw gegroeide borsten dagelijks. Nooit vond ik een knobbeltje. Ik stelde me voor dat mijn handen van iemand anders waren, van iemand die nu nog van niets wist. Handen die nu nog een boterham smeerden, of een koeienoog ontleedden. Droge handen zouden het moeten zijn, met een huidpatroon als de golfjes van de zee waar we ooit met zijn drieën gelukkig over vlogen.

Max verdween weer en een serie aan andere mensen bevolkte onze woonkamer. De een na de ander bleef slapen. Een Helen, een Boukje-met-een-buikje, er waren tandenborstels en zenuwachtige knikjes. De badkamer moest ik delen met nieuwe geuren. Een Marjan. Daarna een Mariëlle. We aten veel bonen en dan ineens weer vlees. Ik sloeg met deuren. Deuren gingen op slot. Er was een Sanne die niet kon wachten me te ontmoeten, zo zei mijn vader nadat ik haar rode slipje in de wasmand had gevonden. Die ontmoeting heeft nooit plaatsgevonden. Eerst verdween haar ondergoed, daarna haar naam. Uiteindelijk verdween ik ook, met mijn bed, mijn slipjes en BH’s, mijn microscoop, weggebracht door mijn vader naar een studentenkamer in een leuk huis. Ik aaide zijn hand, nu nat van zijn en mijn tranen en hing foto’s van ons en mijn moeder aan de pas geverfde muur. Daarna dronk ik mijn eerste biertjes met mijn nieuwe huisgenotes – meisjes met en zonder krullen, met en zonder interesse in kikkers, kevers of spinnen, maar meisjes met een moeder die ze belden als ze haar misten, meisjes die leerden omgaan met een meisje zonder moeder.

Als ik de trein naar huis nam, remde die af naast de nieuwe woonwijk die allang niet nieuw meer was. De bomen groeiden en de tuinen trokken hun eigen insecten aan. Mijn vader wist er een appartement te bemachtigen en nu kwam ik hem helpen. Een foto van mijn moeder hing in zijn slaapkamer. Een andere, van ons drieën, genomen aan zee, haar korte haar levendig waaiend, hing ik in de keuken naast het krijtbord. Ik zette thee en tekende atoomschema’s op het krijtbord. Ik probeerde elementen te vinden die bestonden uit twee moleculen en drie atomen. Zwaveldioxide. Water. Koolstofdioxide. SO2. H2O, CO2.

Eenmaal stond hij achter me, zijn geur was hem vooruit gegaan, de geur van thuis en het kraken van het leer van zijn schoen bereikte me voor ik kon schrikken. Mijn achterhoofd vol krullen kwam al lang niet meer tegen zijn buik aan, maar tegen zijn ietwat gebogen schouder. Mijn harige hoofd rustte tegen zijn kale kin.
‘Wat doe je?’ vroeg hij.
‘Ik zoek een oplossing,’ zei ik na lang wikken en wegen.
‘Wat is het probleem?’
Een tijdlang stonden we zo. Het was fijn dat hij achter me stond, fijn dat hij mijn beide schouders beet had op een manier die me liet voelen dat ik bij elkaar gehouden werd door botten, spieren, vel.
Met spuug veegde ik de witte lijn van de hoofdletter C weg. Langzaam verdampte het bewijs dat er ooit een C was geweest die de twee O’s verbond.
‘Niets papa, er is geen probleem meer. Er zijn alleen feiten.’

Nieuw proza bij De Revisor: Levi Jacobs’ verhaal ‘Zullen we zo omkeren?’. Levi Jacobs is advocaat. Verhalen van hem verschenen in De Gids, Kluger Hans, Deus ex Machina, Liter, deOptimist en Tijdschrift Ei.

*

Nog niet weten dat je gaat sterven. Een doktersbezoek: een kantoorruimte in een ziekenhuis, haar naast me hebben, een arts in vrijetijdskleding daar tegenover, geen koffer met stethoscoop, geen witte jas, maar een stapel papieren in een plastic hoes. Uitslagen, scans, rapporten. Slecht nieuws weglachen. Het positief proberen te bekijken, zelf een oplossing aandragen. Haar troosten. Aanhoren dat het goed mis is. Overwegen dat artsen cynisch zijn uit zelfbescherming.

Een laatste dag op werk: om 08.35 loop ik kantoor binnen. Ik schrijf een overdrachtsnotitie voor de lopende zaken. Breng cliënten op de hoogte van mijn tijdelijke vertrek. Voer een laatste voortgangsgesprek met de twee partners voor wie ik werk. Ik draag een maatpak.
Ik zeg: ‘het betreft een tijdelijk ziekteverlof.’
En: ‘maak je daar vooral niet druk om.’
En: ‘dat hoger beroep doe ik na de behandeling.’
En: ‘we houden contact.’
Men raadt me aan te wandelen. Ik ga naar het bos. Staar naar de grond gedurende de 7 km die ik loop. Ik verdenk de advocaat die een van mijn zaken overneemt ervan slordig te zijn en een belangrijk detail over het hoofd te zien. Ik bel met mijn werk.
Overdag tel ik de uren af tot een sportuitzending begint. Verzin een ambitieus verbouwproject. Eindig lusteloos op de bank. ‘s Nachts lig ik wakker.
In de maanden die volgen verslechtert mijn gezondheid. Ik realiseer me dat ik niet meer ga werken.

Ik zit vaak op het bankje voor de deur. Daar schijnt de zon vanaf een uur of twaalf in de middag. Eerst lees ik de krant, maar na een tijdje houd ik daarmee op. Het lezen is te inspannend. Er is om me heen genoeg te zien.
Sjoerd komt langs met zijn baasje. Sjoerd is een Engelse Buldog die zijn twee voorpoten op mijn dunne benen zet en me kwijlend aanstaart. Ik sla brokjes in voor het dier. Iedere dag slikt de Buldog de brokjes zonder kauwen door.
Een meisje in de buurt heeft kanker. Haar ene oog is dicht gehecht. Ze is kaal. Eerst zie ik haar binnen zitten, voor het raam, naar buiten kijkend. We maken iedere dag oogcontact en glimlachen naar elkaar. Ook zij is gek op de Buldog, die tegen haar raam op springt.
In juli speelt het meisje buiten. Ze heeft wat haar. Gaat naar school. Met één oog kan ze prima zien.
Bij regen haal ik een frisse neus onder de deurluifel. De man met de wandelstok en honkbalpet is niet minder vrolijk. Volgens hem is het altijd een mooie dag, weer of geen weer. Ik stoor me daaraan.

Gedwongen in overweging nemen: nalatenschap, euthanasie, invulling komende dagen, weken, maanden, ik zeg jaren, maar men begint te zwijgen. Mijn hoofd schudden: het te vroeg vinden deze zaken te bespreken. Onder druk van de arts overstag gaan.
De arts meerdere keren per week spreken. Hem op het hart drukken dat het weloverwogen, rationeel, tegen mijn geliefden aangehouden is. Nog geen datum en een tijdstip afspreken, wel een voorstelling maken van de dood die intraveneus zijn intrede doet. Galgen-advocaten-humor voor gevorderden: ik teken mijn eigen doodvonnis.

We lopen over het strand. Het is ochtend. Een grijze lucht breekt open, alsof de wolken een blauw gat in worden gezogen. De zee wordt aangeraakt door een strijklicht dat je normaal alleen in bossen ziet, als lichtbundels die op een podium vallen.
Ze zegt: ‘mooi he?’
Ik zeg: ‘ja.’
We lopen dit stuk elke dag, alleen steeds korter. Ik ben altijd al een spelbreker geweest, maar nooit zo erg als nu.
Ik zeg: ‘zullen we zo omkeren?’
Ze verbloemt haar teleurstelling met het woord ‘tuurlijk’ en een gulle glimlach, die voortkomt uit een vage herinnering aan hoe we vroeger van Scheveningen naar IJmuiden liepen. Ik bewonder haar omdat ze eigenlijk nog even wil wandelen; ik ben veranderd, zij niet.
Verderop: ‘ik ben moe.’
We gaan even zitten. Het zeezicht is nauwelijks veranderd. Misschien iets meer schaduwen.
Ze zegt: ‘kom hier,’ en pakt mijn hand vast. Mijn duimnagel is gebroken, staat op scheuren. Ze bijt het stukje af. Ik probeer haar iets te vragen, maar ik kom niet goed uit mijn woorden. Kortademig.
Uiteindelijke zeg ik: ‘dat had ik zelf ook gekund.’
‘O ja?’
Zwijgen is minder inspannend. Vroeger moest ik uren lopen om mijn gedachten uit te putten, om mijn hoofd leeg te maken. Nu nog maar een paar minuten. Ze staat op. Ik zeg dat ik eigenlijk niet naar huis wil, omdat ik geen genoeg kan krijgen van het zand onder mijn voeten.
‘Gaan we toch nog even bij een strandtent zitten?’
‘Of zwemmen.’
‘Ook goed.’
Ik zie haar naakt. Zie mezelf naakt. Mager en bleek.
Het water verlamt me. Onze huid is ruw van het zout. We wachten op onze knieën, met onze ruggen naar de zee, tot een golf op ons breekt en ons de zee in duwt. Ik proest. Slik zeewater in. Ze helpt me overeind. Ze ziet hoe het zeewater met snot uit mijn neus komt.
‘Detox.’ Ik lach erbij.
We waden rillend terug richting de branding.
Sinds die dag zwemmen we elke ochtend in de zee.

Het bankje voor de deur schuift mee met de draaiende aarde, vooruitlopend op de dalende zon die steeds haastiger achter de portiekwoningen aan de overzijde van de straat verdwijnt. Ik volg gedwee, zit met het krimpen van de dagen, korter en korter op het bankje, vastgespijkerd op een heliocentrisch ritme dat toewerkt naar de kortste dag in december.

Precies zoals ik het wil: een gehuurde auto met comfortabele luxe; ik geniet van de voorbijtrekkende Duitse autowegen en 10 mg morfine. We stoppen iedere twee uur voor een pauze. Ik plas. Zij laat de hond plassen. Mijn ogen vallen dicht. Gedachtes, dromen en losse indrukken vervloeien: ik sta aan het hek van de kinderboerderij op de hoek. Er scharrelen kippen rond, geiten staan op hooibalen, een hangbuikzwijntje wroet in weggeworpen groenten. Ik zie mezelf: glimlachend in de volle zon, met de schaar in mijn hand knip ik stukjes van mijn vingers af. Ik voer de kippen, de geiten en het zwijntje. Als ik wakker word, zijn we pas twee nummers verder op de afspeellijst.

We rijden een andere wereld binnen, een van wit, grijs en bruin, sober en kalm, zoals rimpelloos water. We stappen uit. Met twee handen pak ik de sneeuw en ik hap. Ik wil de kou in me voelen. Ik krijg geen lucht meer. Van de kou in mijn mond en longen, van de schoonheid van het witte landschap met de magere, besneeuwde sparren tegen de hellingen, de dappere berken in het dal.
We zijn stamgasten in het hotel waar mijn moeder in haar jeugd al kwam. Vlak na negenen brengt de gastheer de schnaps op tafel, ik krijg Sprite omdat dat erop lijkt. Ze lacht en drinkt en kletst Duits.
Ik schenk haar zelf bij, keer op keer. Haar ogen vertroebelen, niet van verdriet maar van geluk.
Die nacht vrijen we voor het laatst. Ze zweet van de alcohol en is niet meer zo voorzichtig met me.
‘Laat me je drinken.’ Haar stem zwaar, diep, uitgeput.
‘Jij hebt genoeg gehad,’ zeg ik.
Haar toch laten begaan.

Honger heb ik niet meer. Aan drinken ook geen behoefte. Hoewel het guur is buiten, je de wind door de jaren dertig kozijnen hoort razen, neem ik soms een perenijsje.
Ik til mijn hand omhoog. Kleine wondjes, blaasjes, schilfertjes. Mijn huid legt het af tegen de vingers die me aanraken, tegen de schrale lucht, ze droogt uit omdat ze niet meer in staat is zichzelf te voeden, te verschonen. De buitenwereld dringt door. Ik merk het aan de kou in mijn botten. Aan de hoeveelheid zonnebrand die ik moet smeren. Aan de infecties die ik kan oplopen, virussen die me fataal kunnen worden. Op sommige plekken is het gevoel weg, voel ik alleen druk, zoals wanneer iemand het eelt op je voeten aanraakt.

De intimi bijeenroepen op die en die dag, op dat en dat uur.

Op de dag des oordeels nog één keer iedereen verrassen. Een angstige dokter met zijn zakken vloeistof aan je bed ontvangen. Natte plekken onder zijn oksels ontdekken. Vrienden en familie die zich in een kring verzamelen, schuifelende voeten, schurende stoelpoten, fluisterstemmen horen verstillen. Een strook hemels licht verdrijven door te vragen of iemand de rolluiken naar beneden laat.
De dokter een plezier doen: hem verlossen van zijn ondankbare taak een einde te maken aan iemands leven. Hem zienderogen opknappend een grap horen maken.
Lachend antwoorden: ‘ik stel het nog even uit,’ maar bedoelen: ik wil het verzet niet breken.
Een broer die zijn emoties de baas is zegt met een knipoog: ‘dan ga ik weer.’ Constateren dat de gewone gang van zaken niet op zich laat wachten: familieleden hebben het over hun kinderen, vrienden over hun voetbalopvattingen.
Schrikken van haar koude hand op de mijne. Fluisterend haar horen zeggen: ‘ik denk dat je iemand heel blij hebt gemaakt vandaag.’
Haar vragend aankijken. Zeggen: ‘je stond toch achter mijn keuze?’
‘Niet mij, de dokter.’

Ik lig op bed. Alleen. De lakens zijn schoon en stijf. Mijn lichaam is moe, ergens in een halfslaap, een roes. Ik hoor haar binnenkomen. Ze knijpt in mijn bovenbeen. Zonder haar te zien weet ik dat zij het is, mijn spieren herinneren zich de kracht van haar vingers.
Fut om iets te zeggen ontbreekt.

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (word abonnee!). ‘De levenden’ verscheen in Revisor 11, in 2016. Een verhaal over de dood op doorreis. Bij ‘De levenden’ schreef ze ook het satellietverhaal ‘Voorbijgangers’, een non-fictievariant.

*

Na dagen gedroogd voedsel hopen we op een goed ontbijt, maar daarvoor komen we net te laat aan bij het restaurant aan het begin van de trail. In plaats daarvan eten we ijsjes, het enig eetbare dat te verkrijgen valt, en bekijken de kranten: Robin Williams is dood. Een stel uit Santa Cruz geeft ons een lift terug naar de vallei en daar nemen we de bus terug naar de bewoonde wereld. In El Portal, vlak buiten Yosemite, het motel. De Cedar Lodge werd berucht nadat een motelmedewerker drie vrouwen ombracht die kort daarvoor in het motel hadden verbleven. Wie de berichten over de Yosemite-moorden terugleest, ziet hoe het afgrijzen niet slechts betrekking heeft op de misdaad zelf. Het gaat om de plek waar de moorden gepleegd zijn; de zuiverheid van Yosemite is besmet, het paradijs verloren.


Een eind na Cedar Lodge passeert de bus een stadje in nagebouwde westernstijl, en daar stapt ze in. Ze draagt een spijkerbroek en hemd, een mannenhoed. Ze heeft een uitzonderlijk vriendelijk gezicht. De meeste mensen in deze bus kennen elkaar, reizen vermoedelijk iedere dag deze route. De vrouw wisselt grappen uit met een oudere heer voorin de bus, er wordt gelachen. Ze wuift zichzelf koelte toe en klaagt over de hitte.

Als ik het me goed herinner is dat het eerste waarover we spreken, de hitte die ‘snel’ voorbij zal zijn, binnen een week of zes. Later, als de bus leger is, het grootste deel van haar gezelschap uitgestapt, vraagt ze waar we vandaan komen, en waar we naartoe gaan. Terug naar Merced, zeggen we, en vandaar verder. Dat snapt ze niet. Waarom zou iemand ervoor kiezen naar Merced te gaan? Ze haat de stad. Waarom, vragen we. Het is een onschuldige vraag, waarop we een onschuldig antwoord verwachten.
‘Mijn vader is er vermoord.’
Daarop is geen reactie mogelijk, niet echt. Niet anders dan: I’m sorry, en plotseling ben ik blij met het Engels, dat in elk geval deze mogelijkheid kent, een betere dan het Nederlandse ‘wat erg’ of ‘gecondoleerd’. De bus rijdt over een viaduct en ze wijst ons aan waar hij precies gedood is. Ze is blij dat ze in elk geval niet meer in Merced woont, ook al passeert ze de plek nog elke dag op weg naar haar werk. Er is te veel misdaad in die stad, er wordt te veel gemoord. Het zijn de drugs, zegt ze, vertelt dan over haar eigen verslaving. Inmiddels is ze er min of meer bovenop, met dank aan de AA. Op dat moment mengt zich een andere jongen in het gesprek. Hij praat zacht, bijna onverstaanbaar, maar ook hij is begonnen met AA meetings, pas net. Ze complimenteert hem, moedigt hem aan om door te gaan.
Niet lang daarna stopt de bus bij het station. Een Aziaat zoekt verdwaasd naar de trein die hier niet stopt. We nemen afscheid, zij reist verder en wij lopen naar het motel, alerter nu op bedreigingen dan eerder. De stoep krioelt van de torren.

Die toevallige ontmoeting is nu twee jaar geleden en ondanks mijn notities is de herinnering vervaagd – zo weet ik niet meer zeker of ze alleen reisde, of deels met een vriendin. Soms vraag ik me af hoe het met haar gaat en met haar leven dat zo anders dan het mijne is. Maar ik ken haar naam niet en zou haar op straat niet meer herkennen: er was iets echts, heel even, maar tenslotte zijn we niet meer dan voorbijgangers, toevallige personages in het verhaal van de ander.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. Na ‘Huisje’ en ‘Verdriet en ‘Heimwee’ en ‘Bezoekuur’, is hier het laatste nieuwe verhaal: ‘Obstakel’, waarin niets lukt, en nog erger.

*

De obstakels die hij altijd en eeuwig op zijn weg vindt irriteren hem mateloos; kind ziek, vlek op das, sleutel kwijt, veter breekt, mobiel leeg.  Mag hij nooit eens genieten van een gelijkmatig humeur, een dag waarin alles op rolletjes loopt en hij ’s avonds tevreden op de bank hangt, schoenen uit, benen omhoog, dat was dan dat voor vandaag? Geen schijn van kans, in dat leven van hem waar altijd wel iets of iemand de boel komt verstoren. Als hij alleen was gebleven zou dat heel anders zijn, maar dan  heeft hij ook nog eens een gezin getroffen waarin niemand iets op eigen houtje kan oplossen; zelfs een lamp indraaien is teveel gevraagd ook al omdat de voorraad voortdurend op is, en een spijkertje inslaan, op een ladder klimmen om een spinnenweb weg te halen, een likje verf, toe nou zeg, op die kale plek langs de deurpost, het gras dat gemaaid, de auto die gepoetst of weggebracht moet, de vogelpoep op het raam waar je de godganse dag tegenaan kijkt: alles komt voor zijn rekening en nooit zal er eens niks, helemaal niks  op zijn lijstje staan, nog afgezien van die vlek op zijn das nu en de gebroken veter, zijn mobiel die hij onophoudelijk op moet laden. Een nieuwe nemen daar komt het niet van en dat is dan een van die dingen die hij noodgedwongen voor zich uitschuift, net als zijn brillenglazen die allang niet meer kloppen; van dichtbij ziet hij inmiddels ook slecht dus als hij het ding afzet is hij hem meteen kwijt, of hij gaat erop zitten.
Precies, hij gaat erop zitten. Hij zit erop, nu. Glas eruit, poot kapot. En dat terwijl zijn reservebril spoorloos  is en hij meteen na zijn werk naar een voorstelling moet waar zijn jongste dochter een of ander optreden heeft, die kinderen zo klein als ze zijn hebben elke week wel iets waar je bij moet zitten applaudisseren. Slechter kon het dit keer niet uitkomen maar wat moet hij, twee telefoontjes en een waarschuwend appje van zijn vrouw  jawel hoor, hij zal er zijn – knarsetandend laat hij een lunchafspraak afzeggen, belt de dichtstbijzijnde opticien en werkt zich met levensgevaar door het verkeer, de kapotte bril op één oor. Zal je altijd zien, toch nog iemand die net voor hem is binnengekomen dus kan hij misschien even gauw naar de ijzerwinkel om de hoek gaan, een bepaald soort schroefjes voor de lamp en nog iets, wat was het ook weer – hij gaat zitten en zoekt in zijn agenda om de vertrouwde lijstjes te bestuderen, nooit een eind komt daaraan. Maar de lijstjes zijn onleesbaar in de mist voor zijn ogen en als hij opstaat om nog snel in elk geval die schroefjes te doen, al weken zoekt hij daarnaar, draait de winkel opeens voor zijn ogen, hij zakt terug op het bankje, hand voor zijn gezicht kijk, het gaat al weer over. Hij verplaatst zijn voeten, zet ze terug naast elkaar. Die veters nee, even niet. Hij denkt aan zijn dochter, als het maar lukt met die bril zodat hij haar niet teleurstelt, waar had hij nou dat feestprogramma gelaten, straks even goed zoeken… Altijd wat, er is altijd, altijd, altijd wat maar hee de klant gaat alweer weg, tenminste als dat dezelfde is, herkennen doet hij ongeveer niks meer en de bril voelt scherp als hij zijn hand eromheen klemt.
Daar komt de opticien neemt hij aan, het witte vlak van zijn jas en een zwart montuur daarboven, jawel, hij mag mee naar een opening in de muur waarachter een fluwelen duisternis heerst. Een hoge stoel, voeten op een steuntje, een paar  simpele vragen, zijn naam, geboortedatum, wazig ziet hij wat lichtjes naast het schemerige wit van de jas, prettige stem heeft die man. En dan de letters en cijfers, eerst weet hij er werkelijk geeneen maar dat geeft niet, daar gaat het juist om en als beloning wordt alles steeds helderder zichtbaar, waarachtig, zo scherp heeft hij nog nooit iets gezien en hij zinkt weg in de tijd, alsof hij weer op school zit waar alles zo eenvoudig was. Dan volgt het lezen, een boekje op schoot en nog iets moois, perspectivisch, een landschap vol kleur, plus iets met zwevende blokjes daarna, geeft niet wat het is, van hem mag dit eindeloos doorgaan. Nu nog een nieuw montuur, wat hem betreft mag de opticien het zeggen want hij is de vakman, toch. Tot slot blijkt de verzekering de helft te vergoeden en krijgt hij ook nog gratis een bril te leen, zij het alleen om in de verte te zien. Maar dat is mooi voor vanavond en de rest van de week; maandag zal alles klaar zijn.
Zeldzaam is de ruimte waarin hij, eenmaal buiten, herademt; een prachtig heldere wereld waarin de ijzerwinkel precies het juiste schroefje heeft en hij meteen een hele serie gloeilampen aanschaft, zo kunt u weer even voort meneer. – Waarna hij op zoek naar zijn fietssleutels ook nog eens, in zijn binnenzak, het feestprogramma aantreft, met de aankondiging dat zijn dochter straks, om half zes, in de eerste acte een sneeuwklokje zal spelen.

 

Afbeelding van LGX via Pixabay