Nieuwe korte verhalen en iets langer proza bij literair tijdschrift De Revisor, sinds 1974.

In Parijs is het makkelijk van alles te verliezen. Zoals een exemplaar van De wetten van Connie Palmen bijvoorbeeld. Een nieuw kort verhaal van Janne Heling. Lees verder

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het zesde en laatste verhaal: ‘Vistrap’. Dit zijn de eerste zes woorden: ‘Hij groeide op tussen de paling.’

*

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het vijfde verhaal: ‘Maskers’. Dit zijn de eerste vier woorden: ‘Ze vult mijn avonden.’

*

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het vierde verhaal: ‘Omhoog’. Dit zijn de eerste acht woorden: ‘Ik herinner me hem met zijn hoofd omhoog.’

*

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het derde verhaal: ‘Watervaltwist’. Dit zijn de eerste zeven woorden: ‘Ik vlecht de haren van de doden.’

*

Een nieuw kort verhaal, van Johanna van Os. Een verhaal over een broer en groeiende afstand en meer. ‘Ik weet niet precies meer wanneer ik ophield hem te volgen naar de tuinen, naar het water.’

*

Vroeger had ik een broer. Ik weet niet waar hij nu is. Of hij gelukkig is, of nog lijdt. Of hij weet dat mijn hoofd vol zat met keurig op elkaar gestapelde herinneringen, die uit mijn harde schijf op de grond zijn gedwarreld zonder paginering. Ik had een broer die geen vrienden mee naar huis nam en me niet beschermde tegen de pestkoppen op school. Ik had een broer die vanaf zijn geboorte tweeëneenhalf jaar lang zweeg en in volzinnen begon met praten. Het was een engeltje om te zien weet ik van foto’s, met blonde pijpenkrullen die er al snel uitgroeiden. Hij deed zout op slakken, trok poten uit muggen, stak brand in een mierenhoop. ‘Kijk, zo doe je dat.’ En ik kijken hoe de dieren ineenkrompen. Dezelfde jongen die wonderschoon pianospeelde. Misschien begon het daar wel, in die prille kindertijd, de gedachte dat hij anders was. Op zijn zeventiende behaalde hij met Kyokushin karate, de zwaarste Japanse variant, de zwarte band eerste dan. Een uitzonderlijke prestatie waar we heel trots op waren, maar wat verlangde ik naar een gewone broer, liefst één met krullen.

Ik hoor hem nog gillen. Het eerste incident waar ik bij was. We stonden in zijn tuintje met een kop koffie naar de bloeiende magnolia te kijken, die hij onlangs had gepland. De schop stak nog in de aarde, dicht bij de schutting. Ik zag zijn kopje vallen en hij begon aan iets dat op rennen leek, maar verstijfde. ‘De mannen, ze zijn hier,’ fluisterriep hij zonder zijn lichaam nog te bewegen. Zijn opengesperde ogen gericht op iets achter mij. Ik keek over hem heen naar de schutting maar zag niets. Even plotseling als de verstarring gekomen was – een variant op vluchten of vechten, leerde ik later – werd de playknop weer ingedrukt, rende hij naar binnen en gooide de deur van de wc in het slot. Toen begon het gillen en ik probeerde er tegenin te schreeuwen, maar hij was totaal onbereikbaar, als een verre ster. Terwijl ik de klink tevergeefs omlaag en omhoog bewoog, bonkte hij met zijn vuisten op het hout. ‘Ze zijn niet echt, niet bang zijn!’ riep ik en ik bleef het herhalen tot mijn keel schor was en hij met zijn elleboog het bovenruitje aan diggelen sloeg. Glasgerinkel. Hij moet toen op de wc-deksel zijn gaan staan want hij wrong zich op zijn buik over de paar achtergebleven scherven heen en liet zich vallen, een spoortje bloed achterlatend. Ik bleef bij hem tot hij rustig was. Het was niet de eerste keer dat er een arts aan te pas kwam.

Niet veel later belde ik hem, al was het maar om zijn vertrouwde stem te horen. Maar we zwegen meer dan we spraken en dat was oké geweest, als zijn gegil niet nog steeds weerklank gaf. Het bleef op me drukken als een zware deken die je van je af wil trappen. Je benen zijn verlamd, je armen willen het misschien wel doen, maar dan krijg je het koud van de gedachte alleen al en begint het zwijgen en malen weer van voor af aan. We hingen altijd op dezelfde manier op, met ‘we bellen snel weer’ en een vluchtig ‘ik hou van je’ van mijn kant, zonder enig idee wanneer we elkaar weer zouden horen of zien. Schaamte en machteloosheid zijn een bijtend gif dat zich niet laat neutraliseren door liefde. We probeerden het, dat wel.

Zo waren er eindeloze kaartavonden, bezoekjes aan de bioscoop en de filmplots die hij met smaak navertelde. Vakanties in de Ardennen, in Duitsland, op avontuur met zijn fiets door de duinen. Samen met de trein naar Praag, slapen op de aan ons vastgeketende rugzakken, struinen door de Staré Mesto.

Andere uit mijn hoofd getuimelde herinneringen. Hij ging vissen en ik ging mee. Zijn hengel mocht ik niet aanraken, het visnet wel. Mijn kleine handen pasten met een beetje moeite door de mazen. Het nylon liet na terugtrekking rode striemen achter. Zondag na zondag vond ik schubben in de mouw van mijn trui. Je zou zeggen dat ik hem beter leerde kennen op die stille dagen langs de rand van het water. Voor een deel is dat zo. De kromming van zijn rug, zijn eeltige handen, zijn blik als hij met een voorn een snoek ving en later toen hij trots aan het grote werk begon: het karperen. Praten deden we niet veel. Daarmee joeg je de vissen weg. Toen hij me oud genoeg vond, gaf hij me een kleine polaroid, zodat ik zijn vangsten vast kon leggen. Het zijn de weinige foto’s waarop hij lacht.

Vanaf het moment dat we op onszelf woonden, hij eerder dan ik, troffen we elkaar soms op verzoek van onze ouders in het huis dat we geen thuis meer noemden. In die oude gezinssamenstelling wisten we ons tot elkaar te verhouden. Hij was de oudere broer, maar hij gedroeg zich er niet naar. De letters die ‘lethargisch’ vormden, dansten door mijn hoofd, het woord werd als een mantra dat zich in mij bleef herhalen. Zijn haar wat langer dan de laatste keer dat ik hem zag, maar krullen wilden er maar niet in komen. Rode plekken van het slordige scheren. We kusten elkaar vluchtig, zijn stoppels prikten. Een vleug aftershave die me volwassen voorkwam. Hij volgde me naar de keuken, waar ik hete thee voor hem neerzette. Op zachte toon hoorde ik de verwijten vanuit de woonkamer tussen mijn ouders oversteken. Toch ving ik het een en ander op. ‘Waarom zien zij elkaar niet vaker?’ En: ‘Heeft hij dan helemaal geen vrienden?’ Ik had ons willen verdedigen, maar hoe? De waarheid is dat ik hem niet kende, niet wezenlijk. Hij was mijn ongenaakbare broer, in mijn dromen heeft hij krulhaar. Wat ons bond is duidelijk en de rest scheidde ons.

Toen we klein waren dacht ik dat we samen speelden. Maar nu realiseer ik me dat hij werkte en ik hem volgde. We verkenden alle tuintjes in de buurt, hij voorop met schep, ik erachteraan met snottebellen. Honderd tegels telde ik van tuin naar tuin naar tuin. Mijn blik op hem gericht als ik klaar was met tellen. De voortuinen waren het gemakkelijkst. Omspitten, onkruid wieden, de bladeren bijeen vegen. Het betaalde vast niet veel maar voor mijn broer was het genoeg. Zijn vuile handen in de aarde, groene vlekken op zijn knieën en zijn zusje dat naar hem keek. Maar toen ik bij de thee in de keuken begon over die middagen die eindeloos lang leken te duren, dan kwam er niets. ‘Mevrouw De Groot, herinner je je die nog?’ Het vraagteken bleef tussen ons inhangen.

Jaren later. We wonen allebei in een andere stad. Hij zo ver mogelijk van dat vroegere thuis verwijderd. Hij leert de tekens van een andere taal, ik verdiep me in de mijne. Het Japans kent steeds minder geheimen voor hem, hij heeft er des te meer voor de mensen om hem heen. Ik stel me voor dat we allebei in stilte eten. De enkele keer dat ik op zijn studentenkamer kom, doen we de afwas zonder te koken, de vieze bakjes van de Chinees zullen te lang op het aanrecht blijven staan.

Ik weet dat hij er is, mijn broer. We hebben elkaars telefoonnummer, bellen doen we niet. Van mijn moeder weet ik hoe het met hem gaat, en toch. Overdag kan ik hem vergeten. Er zijn lessen, wandelingen, opdrachten, sociale verplichtingen. Iedere avond ga ik achter mijn bureau zitten en lees. ’s Nachts droom ik zijn leven.

Ik weet niet precies meer wanneer ik ophield hem te volgen naar de tuinen, naar het water. Het moet rond de tijd zijn geweest dat ik zijn kamer niet meer in mocht. Ik begreep dat mijn broer tijd voor zichzelf nodig had. Maar wat ik niet begreep, is dat hij in die uren onder zijn bed ging liggen. ‘Ik oefen in ledigheid,’ was zijn verklaring, terwijl ik alleen maar wilde weten waarom hij niet óp zijn bed ging liggen. De keer dat ik zijn kamer binnenglipte – het moet op een zondag geweest zijn, als hij in zijn eentje ging vissen – en snel onder het bed dook, is voor altijd in mijn geheugen opgeslagen. Waar ik vieze sokken, pakjes shag, lege bierblikjes, ja zelfs pornoblaadjes verwacht had, was de vloer bezaaid met gele post-its, kleine notities aan zichzelf. Alles in schreeuwerige hoofdletters. LUISTER ALS ANDEREN PRATEN / HOUD JE RUG RECHT / EET GEZOND / OVERDRIJF NIET / VERGEET DE NACHTMERRIES. Ineens hoorde ik hem de kamer binnenkomen en zo trof hij me aan, steunend op mijn ellenbogen, mijn achterste in de lucht, mijn achterhoofd over de matrasspiraal schurend. Ik kroop op m’n knieën achterwaarts onder het bed uit. Daar houdt de herinnering op. Het ene scenario is dat zijn blik voldoende was me naar buiten te sturen. In het andere scenario is er een explosie van geweld, woede en onmacht. Vreemd genoeg was het dat eerste scenario dat me wakker hield.

De dagen en nachten rijgen zich aaneen, als een ketting madeliefjes. En dan kan ik hem niet meer volgen, ook ’s nachts niet. Ik weet niet waar ze hem mee naartoe hebben genomen. Ergens waar het stil is en wit, vermoed ik, waar de deuren op slot zitten en karretjes met koffie rondgaan. In de universiteitsstad heb ik niets te zoeken. Het is zomer en de terrassen worden bevolkt door jonge mensen. Ik loop over drukke grachten, onderdruk ondanks de warme zon op mijn rug een rilling en sla mijn jasje nog wat strakker om me heen. Als ik hem denk te herkennen in de spiegeling van een etalageruit ben ik niet verbaasd, we hebben dezelfde trekken. Ik mis hem, maar weet niet of hij die emotie kent. Wat zou het leven eenvoudig kunnen zijn. Iemand niet te missen zoals je een nier mist.

In die tijd overweeg ik te verhuizen. Maar het gemak waarmee ik me ’s avonds achter mijn smalle bureau voor het raam zet, wint het van ieder verlangen een andere plek te zoeken. Op straat, in het bleke schijnsel van de lantaarnpaal, trekt de overbuurvrouw de deur achter zich dicht. De zoom van haar jurk, van een afschuwelijk paars velours, blijft achter de deurpost steken. Even ben ik geneigd het raam te openen en iets te roepen. Een fractie later gaat de deur weer open, wordt de zoom naar binnen getrokken en is het moment voorbij.

En toen kwam het onaangekondigde en toch verwachte telefoontje. Mijn vader is kort en zakelijk. Zijn afdeling is gesloten maar er zijn bezoektijden.

Stil en bleek zit mijn broer tegenover me. In de hoek, zodat hij de ruimte goed kan overzien. Als ik zijn ogen zoek, is het of hij probeert te kijken naar iets achter mij. Zijn pupillen schieten heen en weer, opgejaagde stippen, de beweging die past bij een achteruitrijdende treinreiziger. Ik zie dat hij iets ziet dat er niet is. Hopelijk is het dit keer maar één man. Voor ons staan twee plastic bekertjes, koffie voor mij, water voor hem. Hij probeert een slok te nemen. Het water volgt het opgedroogde slakkenspoor dat over zijn kin loopt zijn nek in. ‘Gaat het een beetje, heb je kunnen slapen vannacht?’ Hij zwijgt. Na een half uur staat de te grote jas die zijn lichaam is op en hangt wat tegen me aan in een poging tot een omhelzing. De geur van zweet. Zijn jas is heet vochtig, alsof hij te vroeg uit de droger is gehaald. Ik probeer het zuur dat omhoogkomt weg te slikken. En ik sla mijn armen om zijn bonkige rug. Zijn armen blijven langs zijn lijf hangen.

In de maanden die volgen zoek ik hem iedere week op. Maar het had net zo goed bij één keer kunnen blijven. Iedere week, op dezelfde dag, om dezelfde tijd schakel ik mezelf uit en ben ik louter omhulsel. Ik zet de ene voet voor de andere, mijn lichaam verplaatst zich van de hal naar de kille ontvangstruimte. In de zesde week lopen we met z’n tweeën de tuin in. Dat is een vrijheid die hij verdiend heeft, zo legt een stevige vrouw in het wit me uit. Ze draagt rode sandalen, een anomalie die ik niet goed kan verhapstukken. Een stukje braakliggende grond, klaar om omgewoeld te worden met de schop die eruit omhoogsteekt. Ik zie het te laat. Dat wil zeggen, na hem. Wat er daarna gebeurt, probeer ik iedere nacht te wissen. Iedere slaap is een vruchteloze poging die gebeurtenis in de tuin in stukjes te knippen, te hergroeperen en anders op te slaan. Zodat ik kwijtraak hoe ik hem zag en er de polaroids van het vissen overheen kan schuiven. Ik kan proberen te beschrijven hoe het is om iemand zijn wezen te zien verliezen. Maar het zal nooit in de buurt komen van wat ik die dag zag. Als het voorbij is – net zo onverwacht als de orkaan gekomen is, gaat hij weer liggen – valt hij uitgeput op de grond neer. Hij spuugt nog wat zand uit en komt zwijgend overeind. De verpleging die in allerijl is toegestroomd probeert hem te kalmeren, wat vreemd is, want hij is kalm, ijzig kalm. De vrouw met de rode sandalen noemt het een doorbraak, een eerste stap naar herstel. Misschien is wat ik gezien heb gekte, maar in die termen wil ik niet over hem denken. Het stadium van lethargie is in elk geval doorbroken.

Na vier maanden wordt hij ontslagen. Niemand die zich bekommert om hoe het verder moet. Hij kan nergens heen, dus gaat hij terug naar ons ouderlijk huis waar hij niet op maar onder zijn bed ligt. Ik staak mijn frequente bezoeken. Ik treed niet binnen in zijn ruimte, er zijn anderen die verantwoordelijk voor hem zijn, dus ben ik het niet.

De maanden daarna gaat de herfst onmerkbaar over in winter. Ik neem me iedere dag voor hem te bellen. Dan kondigt de lente zich luidruchtig aan. Schalmende stemmen op de grachten, kwetterende vogels, de nieuwe voorjaarscollectie. Iedere dag denk ik: hij heeft mijn nummer ook. Hij kan heel goed alleen zijn. Of zeg ik dat slechts om mijn groeiende schuld en onrust te bezweren? Toch zijn er mensen die hem nodig hebben. Ik heb hem nodig.

Een visser en zijn maat vinden een hand verstrikt in de mazen van een groot leefnet. Er blijkt een lichaam aan vast te zitten. De huid is wit en zacht, maar te herleiden tot de essentie. Het telefoontje komt opnieuw van mijn vader. Wat volgt is administratie. Alle emotie wordt afgeboekt. We zijn een gezin min één, en regelen alles tot in de puntjes. Alsof het nog niet te laat is. Ik vraag de muizige vrouw die de verzorging op zich neemt of we hem nog kunnen zien. Ze aarzelt, raadt het ons af en zegt: ‘Herinner je hem als de broer die hij was. Hij had vast prachtige krullen. Net als jij.’

Na de begrafenis – hij had het machtig gevonden verteerd te worden door micro-organismen – zijn er broodjes, te dik met boter besmeerd. De ruimte ruikt naar vis.

Nieuw proza! Vandaag Bas van den Bosch, met ‘19 september’, een verjaardagsverhaal, een tocht naar het verleden, over vriendschap en nostalgie.

*

Vandaag, op 19 september, moet ik denken aan mijn vroegere klasgenoot Joost De Winter, die we Jo de Sprinter noemden, omdat hij als tengere rechtshalf van net één meter vijftig bij voetbaltoernooien brede buitenspelers van de bal liep. Of maak ik het nu mooier dan het was en noemden we hem alleen maar zo omdat dat geiniger klonk dan Joost De Winter?
Ik denk aan Jo, en aangezien ik sinds een halfjaar lange, lege dagen moet zien vol te krijgen, besluit ik richting Hunzestraat te fietsen, waar hij naast de slagerij op de hoek van de Scheldestraat woonde. Die familiezaak zit daar nog steeds en als ik er in de buurt ben, koop ik er een bakje vleessalade, eigenlijk alleen omdat er al sinds mensenheugenis een bordje met de tekst: ‘Beste van de stad!’ naast de schaal in de vitrine staat.
Sasja weet dat ik moeilijk kan accepteren dat ik gemeenteambtenaar af ben, dat de dagelijkse routine van vaste gewoonten en vertrouwde verrichtingen na veertig dienstjaren voorbij is en dat ik de afwezigheid van mijn bureaustoel probeer goed te maken met het zadel van mijn fiets. Ze komt naast me staan als ik de achterband oppomp, maar zegt niets, grijnst alleen. Ik heb spijt dat ik haar vorige week vertelde over mijn recente fietstochten naar de Rivierenbuurt, waar ik sentimenteel de bomen in de Biesboschstraat aantikte, alsof ik er weer diefje-met-verlos speelde. Ook vertrouwde ik haar toe dat ik het portiek van mijn ouderlijk huis was binnengegaan en dat het daar leek alsof de motieven in de mozaïekvloeren me als oude bekenden begroetten. Allicht vertelde ik haar ook over mijn oude jongensschool iets verderop, die van binnen was veranderd in een appartementencomplex, maar van buiten trouw bleef aan mijn herinnering: rode baksteen, ramen met zestien kleine raampjes, en de donkerbruine dubbele deur die destijds onverbiddelijk twee werelden scheidde: straatgeluid-stilte, vrijheid-discipline, buiten-binnen.
Als ik bij Sasja wegfiets, kijk ik niet om, terwijl ik weet dat ze bij de deur is blijven staan om me uit te zwaaien. Kinderachtige kerel. Ik zet er de vaart in en sta binnen het halfuur op het Victorieplein met in de schaduw van de wolkenkrabber het standbeeld van Anne Frank. Stond dat beeld daar begin jaren zestig eigenlijk ook al? Er ligt een boeketje bloemen voor de sokkel, meisje met boodschappentas in de rechterhand en boekentas onder de linkerarm; een boekentas zoals wij vijfentwintig jaar later ook zouden dragen, of droegen wij die toen niet? We droegen elkaar, op onze rug en schouders, we vochten soms, maar daarna reikten we elkaar de hand, moest van de meester, en nooit werden we opgepakt omdat onze neus verkeerd stond.
Jo de Sprinter. Ik herinner me zijn geringe lengte, maar ook zijn bril. Andere jongens droegen ook een bril, maar die van Joost had glazen die zijn ogen klein maakten als rozijnen. Ik hoor hem weer lachen, een aanstekelijke lach. Al vroeg had hij door dat lachen afleidde van zijn kleine postuur en zijn bril, en dus lachte hij vaak en verder deed hij zijn best om niet te veel op de voorgrond te treden. Maar soms was hij ongewild toch het middelpunt, want als hij las, bracht hij zijn gezicht tot vijf centimeter van zijn schoolboek en dan keek je vanzelf zijn kant op. Toen de meester van de derde hem bij een fout voorgelezen woord een keer snauwerig vroeg: ‘Kan je het zien, knul?’, lachte Joost hartelijk met de anderen mee.
Paul Michielse. Ik sta voor Jo’s deur in de Hunzestraat en zie dat een slordig stukje papier met de naam Paul Michielse het chique, geëmailleerde naambordje van R.M. De Winter heeft vervangen. R.M. De Winter, ongetwijfeld Jo’s vader, die er nooit was en die ik dus nooit heb gezien omdat hij werkte, ander woord voor, begreep ik later, een leven met een nieuwe vrouw en nieuwe kinderen. Joost liep niet met zijn werkende vader te koop en waarschijnlijk had ik dat in zijn plaats ook niet gedaan, want in die tijd schaamde je je voor scheiding en schaamte hield je voor jezelf. Daarbij had Joost altijd nog een moeder, een nogal hoekige, beweeglijke vrouw, bozig brommend op zoek naar dingen die ze kwijt was en die ergens op de grond leken te liggen. Tegen haar hoefde Joost niet te lachen, want dat maakte haar niet aardiger. Er was ook een grote broer, die evenmin aardig was, en die ons, kleine gastjes, totaal negeerde of ons toeschreeuwde ergens anders te gaan spelen.
Vandaag, 19 september, sta ik voor Jo’s deur en zou ik hem weer de hand willen schudden om hem nog vele jaren te wensen. De verjaardagen van anderen ben ik vergeten, maar die van Joost vergeet ik nooit omdat hij vanaf klas één elk jaar op 17 september dezelfde woorden in mijn oor fluisterde: ‘Nu ben jij jarig, maar over twee dagen ben ík aan de beurt.’ Pas in de zesde klas, toen ik het zinnetje dus al vijf keer had gehoord, verraste ik hem door, voor hij zijn mond kon openen, te zeggen: ‘Ja, Joost, over twee dagen ben jij aan de beurt.’ Hij lachte zijn lach.
Na die zesde klas scheidden onze schoolwegen, maar bleven we wel samen voetballen, bij een club die ik op mijn achttiende verliet. Sindsdien heb ik hem nooit meer gezien en in de vijftig jaar tussen toen en nu heb ik maar één keer iets over hem gehoord. Op een dag, nu zo’n dertig jaar geleden, belde mijn vader me tijdens zijn vakantie in Frankrijk. ‘In een tankstation kwam er een nogal kleine, beweeglijke man op me af,’ zei hij, ‘en die vroeg: “u bent toch de vader van Hugo?”‘ Joost had hem herkend als de man die twintig jaar eerder aan de zijlijn van het voetbalveld had gestaan, een vader die er wel was. Mijn vader verbaasde zich over Joosts geheugen, over het feit dat hij hem na zo’n eeuwigheid nog kon herinneren. ‘U bent geen jaar ouder geworden,’ zei Joost, en hij wist nog dat mijn vader op mijn tiende verjaardag – waar Joost kennelijk ook aanwezig was geweest – een 16 mm-filmpje van Laurel en Hardy had vertoond. ‘Een enthousiaste man,’ zei mijn vader, ‘heel vrolijk en goedlachs en intussen getrouwd met een mooie, langbenige Française. Hij stelde haar keurig aan me voor en vertelde dat hij nu in Lyon woont en iets doet in de wijncoöperatie van de familie van zijn vrouw. Hij heeft zijn huisadres voor je opgeschreven, voor als je eens in de buurt bent.’
Dat vond ik sympathiek, en ik betwijfelde of ik hetzelfde gedaan zou hebben als ik zijn moeder toevallig in Frankrijk was tegengekomen (en haar had herkend!). Ik was blij voor hem dat hij een knappe Française aan de haak had geslagen en betrapte me op de gedachte dat ik zo’n verovering niet achter hem had gezocht.
‘Ik zal hem een kaart sturen als hij jarig is,’ zei ik tegen mijn vader, zonder verder iets uit te leggen over zeventien en negentien september.
Ik open de deur van de slagerij en ben de enige klant in de zaak. Een meisje achter de toonbank vraagt of ik het al weet en ik wijs naar de schaal met vleessalade.
De slager, die een mes slijpt, vraagt of ik misschien naar iemand op zoek ben. Hij is van mijn leeftijd, schat ik, en qua houding en postuur zou hij een zoon kunnen zijn van de slager die hier stond toen Joost en ik klein waren.
Paul Michielse schiet hinderlijk door mijn hoofd, maar ik vertel dat ik hier zestig jaar geleden in de buurt heb gewoond. ‘En hiernaast woonde een schoolvriendje, dus voor de gein keek ik even naar de naambordjes, macht der gewoonte.’
‘Nostalgie,’ zegt de slager. ‘Hoe heette dat vriendje?’
Jo De Sprinter, wil ik zeggen, maar net op tijd slik ik dat in: ‘De Winter, Joost De Winter.’
‘Ah.’ De slager glimlacht. ‘Ik ken zijn broer. Frans.’
Ik knik en hoor een stem: Ga ergens anders spelen.
‘Als jongen hielp ik hier mijn oom,’ zegt de man, ‘en ik kende Frans De Winter van de detailhandelsschool. Pas later ontdekte ik dat hij hiernaast op twee hoog woonde.’ Hij staart omhoog en laat zijn blik langs de wanden van de slagerij gaan. ‘Deze zaak heb ik vijfenveertig jaar geleden van mijn oom overgenomen en over drie maanden ga ik sluiten, dan is het finito’ Het geslepen mes hangt hij aan een haak tussen andere messen. Als het ding stopt met bewegen, kijkt hij me aan, pensionado’s onder elkaar.
‘Frans de Winter scharrelt, net als u, ook nog wel eens door de buurt en een heel enkele keer loopt hij hier binnen om gedag te zeggen.’ De slager haalt zijn schouders op. ‘Maar ú kende dus Joost, de jonge broer als ik me niet vergis.’
‘Dat klopt,’ zeg ik. ‘We zaten hierachter op de jongensschool.’
‘Joost was, als ik het goed begreep, een beetje een zenuwenlijertje vroeger,’ praat de slager verder. ‘U weet dat hij drie jaar terug is overleden?’ Van boven zijn bril kijkt hij me nog eens indringend aan. ‘O, dat wist u niet.’ Hij doet een stap in mijn richting en vervolgt, iets zachter: ‘Frans liep hier in juni of juli weer eens binnen en toen kwam het op zijn broer. Het scheen dat die in Frankrijk woonde.’ De slager klopt op zijn borst.
‘Het hart.’
Het meisje zet mijn bakje salade op de toonbank en sluit de schaal in de vitrine af met vershoudfolie. Haar pink scheert rakelings langs het bordje ‘Beste van de stad’. Ze vraagt of ik nog iets anders gewenst had en of ze er een tasje bij zal doen.

Ik fiets terug door de Rooseveltlaan en ineens dringt tot me door dat vanaf vandaag voor mij Joosts geboortedag ook zijn sterfdag is geworden. Nooit meer zal hij twee dagen na mij aan de beurt zijn en daarmee, realiseer ik me, zal ook mijn eigen verjaardag iets van zijn glans verloren hebben. Alles houdt op en houvast bestaat niet.
Voor het voetgangerstunneltje naar de Roerstraat stap ik af om ook daar nog eens doorheen te lopen. De muren zijn recentelijk gevoegd en de zware metalen deur met het opschrift GEB kreeg een nieuwe, groene verflaag. Gelukkig heeft het middendeel van de tunnel nog steeds geen plafond en net als vroeger drijven de wolken ongestoord voorbij. Dat voelt als troost, alsof er toch dingen bestaan die blijven zoals ze waren.
Ik verplaats mijn voet omdat er een streepje water langs de deurlijst in de richting van mijn schoen sijpelt. Ooit, tijdens het douchen na een voetbalwedstrijd, vroeg Jo of hij van iemand een stukje zeep mocht lenen omdat hij zijn eigen zeep vergeten was.
Ronald – twee koppen groter dan Jo – overhandigde hem een haast onzichtbaar reepje zeep met de woorden: ‘Hier moet jij het wel mee kunnen redden, toch?’
We moesten er allemaal om lachen. En Jo het hardst.

 

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het tweede verhaal: ‘Sluitgordijn’. Dit zijn de eerste zes woorden: ‘Na de dood komen de dingen.’

*

Nieuw proza! Dankzij een subsidie van het Nederlands Letterenfonds in het kader van de regeling Van maker tot lezer kon Robin Kramer zes verhalen schrijven en opnemen als podcast: 500 woorden. Vandaag het eerste verhaal: ‘Glimp’. Dit zijn de eerste zes woorden: ‘Als kind ving ik een glimp.’

*

Een reisreportage na een lange fietstocht, dan is een glas bier verdiend in Roman Helinski’s korte verhaal ‘Lier’. Toch wringt het.

*

Het was al laat – de terrassen van de kleine stad waren nog halfvol, steeds meer mensen gingen naar huis, en zij die bleven trokken een trui aan, want de hitte van de dag was opgelost en het werd nu snel frisser. Laatste ronden werden aangekondigd door obers toen de fotograaf en ik vanuit het restaurant naar ons hotel wandelden. We hadden fantastisch gegeten – zeven gangen, ingrediënten uit het Neteland rondom de Belgische stad Lier. De kok was een paar keer uit de keuken gekomen om vertellen wat er op onze borden lag. We kregen de beste behandeling, zoals wel vaker, omdat we journalisten waren – of althans: als journalisten werden gezien. In feite was er aan ons werk niets wat de term journalistiek rechtvaardigde, een toeristisch verhaal afleveren met foto’s was de opdracht. In het restaurant hielp het ons dat de fotograaf op zoek ging naar de juiste hoek en het beste licht om het hoofgerecht te fotograferen – een zachte biefstuk, waarvan navraag leerde dat die dan weer niet uit de streek afkomstig was. We dronken zurige frisse lambiek als aperitief, Oostenrijkse en Luikse oranje wijnen, een Montepulciano uit 2018. En toch voelden we toen we later door die koele avondlucht naar ons hotel wandelden weinig van de wijn of die zeven gangen. Bedwelmd door de fijne combinatie van de smaken van het eten en de wijn, niet zozeer van het eten en de wijn zelf dus, liepen we naar ons hotel. We waren nog niet helemaal voldaan, want de stad die zo levendig was geweest toen we het restaurant binnen gingen, had in de binnentuin minder geleefd, en we verlangden naar de roes van bier en jeugd rondom ons; studenten die lachten, jonge vrouwen met blote buiken die naar ons keken, of ons in elk geval het idee gaven dat ze elk moment konden opkijken. We passeerden een café dat The Jack heette. De fotograaf stelde voor plaats te nemen op het kleine terras aan de voorkant, al kwam die zaak op het eerste oog op geen enkele manier tegemoet aan onze eenvoudige wensen. The Jack was een volkscafé; acht stoelen stonden buiten, allemaal bezet. Rokende mannen met ontblote armen met tatoeages, een oude barvrouw die ons een paar tellen nadrukkelijk opnam en daarna pas vroeg wat we bliefden. Ze zetten ons bier neer bij twee stoelen die net waren vrijgekomen. Om ons heen klonk plat Vlaams – Antwerps dialect. Rechts naast me een vrouw die me vanuit haar ooghoeken in de gaten hield. De fotograaf en ik spraken over onze reis tot zover – een fietstocht rondom de stad, vooral een tocht langs de slingerende rivier de Nete met zijn prachtige, verstilde oevers. Makkelijk in het gehoor liggende rock klonk vanuit de openstaande deuren van het café. Terwijl ik ernaar luisterde, voelde ik hoe moe ik eigenlijk was, de fotograaf vast ook, want die morgen waren we vroeg op de fiets gestapt. In een opwelling waren we hier gaan zitten, maar het gaf een fraai inkijkje in een andere wereld dan die waar we de laatste dagen hadden vertoefd. De arbeiders van Lier, de voetbalsupporters, in plaats van studenten en chef-koks, gidsen en medewerkers van toerismediensten die er alles aan deden om het ons naar de zin te maken.
Het gesprek met de mensen rond ons kwam niet van de grond; de knikjes naar elkaar waren vriendelijk, het heffen van het glas werd twee keer beantwoord. ’t Bolleke dat ik had besteld steeg aangenaam naar mijn hoofd; en dat onprettige gevoel dat ik soms heb bij nieuwe groepen bleef uit. De fotograaf zei ietwat hard, niet alleen voor mijn oren: ‘Zeventig kilometer langs de Nete gefietst.’ Dit trok de aandacht. Iemand vroeg: ‘Waarom?’
‘Een reisverhaal,’ antwoordde ik, waarna de dame snoof die op het terras naast me zat, een armlengte bij me vandaan. Ik bekeek haar wat beter. Een jaar of vijftig, flink opgemaakt, het gezicht van een roker. Haar ogen waren helder en er lag iets opmerkzaams in; het was alsof ze meer zág dan de meeste anderen.
Een korte uitwisseling over het fietsen langs de Nete volgde en vanuit daar vertakte het gesprek zich. De fotograaf sprak met een man die zichzelf voortdurend herhaalde, en die al die tijd had zitten mompelen terwijl er niemand met hem sprak. Ik praatte met een iele kerel die me al was opgevallen vanwege zijn merkwaardige, stijve loop toen hij naar het toilet was gegaan; ik vroeg me af of hij kunstheupen had. We spraken over Feyenoord, waarvan hij fan was, en over die andere havenploeg: Royal Antwerpen. Ik viste uit de poel van herinneringen oud-spelers van die laatste club op en legde hem wat feitjes voor. Ik prikkelde hem door te zeggen dat het naar mijn weten al jaren geen topploeg meer was, maar de man hapte niet en beaamde slechts mijn constatering. Een kalme kerel, doodgoed en vriendelijk. Ik verstond niet alles wat hij zei omdat de muziek harder was gezet. Ik vroeg hem een paar keer om luider te spreken, maar daarna verstond ik hem nog steeds niet goed, en toen knikte ik gewoon mee, mogelijk deed hij precies hetzelfde, want we spraken langs elkaar heen.
Zo kabbelde de avond voort. De fotograaf moest hard lachen om de verhalen van de mompelaar, en ik zocht naar een nieuwe gesprekpartner, want de voetbalfan en ik waren uitgepraat. Hij stond nog een keer op om naar het toilet te gaan, kwam naar buiten met een colaatje, want hij dronk niet en dat nam me voor hem in. Op dat moment draaide de vrouw naast me het hoofd half mijn kant op, en de overgebleven afstand tussen ons overbrugde ze door haar ogen naar de hoeken van haar kassen te laten drijven. Ze vroeg: ‘Wat doen jullie hier?’ Instinctief wist ik wat ze bedoelde; waarom waren we uitgerekend in dit café op het terras gaan zitten? Ik antwoordde: ‘Wat we in Lier doen? We maken een reisverhaal.’ Ze wendde het hoofd af, zuchtend, alsof het moeite kostte. Daarna draaide ze weer terug, die blik vanuit de ooghoeken; schuw, minzaam. ‘Nee, meneertje, wat doe je híér.’ Geen vraag, het woord ‘hier’ kreeg nadruk.
‘Ik drink mijn biertje,’ zei ik. ‘Mág dat?’ Haar antwoord stond al vast, dat had ik al aan haar hele houding gezien, aan het wegkijken.
Ze herhaalde: ‘Wat doe je hier.’
Ik ging anders op mijn stoel zitten, keek naar de fotograaf die nog in gesprek was verderop, Hij was met zijn altijd open houding overal op zijn plek. De vrouw vroeg: ‘Waarom zit je hier en niet in die andere twintig cafés? Waarom praat je…’ Een veeg met haar arm naar de mompelaar. ‘Waarom praat je met de minderen hier?’
‘De minderen?’ herhaalde ik, bereid om haar met deze uitdrukking de rest van de avond om de oren te slaan. ‘Hoezo de minderen? Niemand is minder dan een ander.’
‘Ach,’ zei ze. ‘Je weet wat ik bedoel.’
Ik probeerde haar aan te kijken, maar ze draaide haar hoofd steeds weg.
‘Kunt u me gewoon aankijken als we praten?’ vroeg ik. Weer die blik, het schudden van het hoofd. De voetbalfan volgde het gesprek, maar zei niks. Ik glimlachte naar hem, hij schrok ervan en beantwoordde de lach niet. We hadden prima gepraat, leuk over voetbal, maar deze vrouw kende hij langer, in elk geval al de hele avond en dat was nog steeds eindeloos langer dan dat hij mij kende. Ik telde de mensen op het terras, en meende dat de meesten op onze hand waren, want we hadden ze niets misdaan.
‘Ga toch weg,’ zei de vrouw. ‘Je hebt hier niks te zoeken. En neem hem mee.’ Ze wees naar de fotograaf, ondertussen met een andere man in gesprek. Mijn bier was op, maar ik bestelde niet bij. De vrouw maakte voor de zoveelste keer een afkeurend geluid. Het was onplezierig om daar de veroorzaker van te zijn – net zoals het vervelend was om geen kans van haar te krijgen echt met elkaar te praten. Maar vertrekken op verzoek was geen optie. Ook al maakte ik reisverhalen die voor vijfennegentig procent bestonden uit positieve berichten over de stad – geen journalistiek werk dus – toch voelde ik me geroepen om te blijven. Deze vrouw zag mij als journalist en ze wantrouwde de journalist, en zette hem onder druk, zodat hij uit haar wereld terug zou stappen. Toch had ik ook iets van bewondering voor de scherpte van de vrouw, omdat ze de situatie goed inschatte. Waarom waren we hier eigenlijk binnengestapt? Was het de oprechte interesse om een andere wereld te zien, om andere verhalen te horen, of was het ludiek, een grapje van twee mannen die ongetwijfeld meer aangeschoten waren dan ze zelf door hadden?
De vrouw stond op, liep vlak voor me langs, en even was ik op mijn hoede voor een duw, of de inhoud van haar glas bier over me heen. Ik zou op tijd zijn weggesprongen, ondanks het extra biertje na al die wijn. Ze verdween en op het terras werden de gesprekken hervat. De voetbalfan sprak weer over voetbal tegen me en ik was wat milder over Royal Antwerpen. Ondertussen woog ik af: was dit een moment om er tussen uit te knijpen zonder gezichtsverlies? De fotograaf was nog steeds in gesprek, de mompelaar aan mijn linkerhand sprak in zichzelf. Ik riep de fotograaf, terwijl de vrouw alweer naast me plaatsnam. De fotograaf keek verstoord op. Met een paar woorden stelde ik hem op de hoogte van de situatie. Niet om twee tegen éen verder te praten, maar omdat hij veel meer dan ik het talent had om gemoederen te kalmeren, om spanning weg te lachen. Maar zijn gelach nu – oprecht, om het verzoek te vertrekken dat de vrouw nog eens herhaalde, met meer gif – viel niet goed. Ook hem gunde ze het niet om aangekeken te worden. Ze beet hem iets toe, richtte haar woede in het gesprek met hem op mij, aan mijn houding – ik had haar geschoffeerd. Opnieuw lachte de fotograaf haar woorden weg, de spanning bleef groot. In haar kroeg tussen deze mensen, mindere mensen zoals de vrouw ze zelf noemde, waarbij ze voor zover ik kon inschatten dus neerkeek op de mensen terwijl zij het tegelijkertijd voor hen opnam. Ik probeerde de vrouw nog een keer uit te leggen dat we een reisverhaal maakten, dat dit café niet in het artikel zou belanden, omdat niemand in een oppervlakkig reisblad wil lezen over een volkscafé na middernacht – hier herstelde ik mezelf, en maakte er café na middernacht van. Ze luisterde niet. De fotograaf vertelde haar dat hij met de arbeider een mooi gesprek had gevoerd over de kosten van het leven in Lier, maar het ging er niet in bij de vrouw. De wijn van die avond speelde op dat moment op in mijn maag. Ik slikte de zurige smaak ervan een paar keer weg. Mijn geduld was op. Ik verliet het terras, zonder nog woorden aan de vrouw vuil te maken, de fotograaf volgde. In mijn hotel liet ik het bad vollopen, ook al was het al één uur.