Nieuw kort proza bij De Revisor, van Dieuwke van Turenhout (van wie we eerder het quarantaineverhaal ‘Nova’ in drie delen publiceerden): ‘Een C is een gemankeerde O’. Een verhaal over jeugd en verlies.

*

Niemand had het echt zien aankomen, ik al helemaal niet. Ik was een kind met een vergrootglas, vieze nagels en een bos krullen die van mijn kale vader moesten zijn. Ik spoorde pissebedden op onder tuintegels en ving bij het water langs het spoor kikkers met mijn blote handen.

Mijn vader had een nieuwe baan, dat weet ik nog. Hij bleef langer thuis ’s ochtends, en bracht me zelfs naar school nu en dan, een hand diep in zijn zak, zijn andere grote, droge hand om die van mij heen. Ik bekeek het raster van zijn huid met één oog open, het andere ferm dicht. Zijn huid, zo besloot ik, leek op golfjes in de zee als je er hoog overheen vloog.
Hij werkte laat ’s avonds. We gingen niet meer op vliegvakantie dat jaar.
In plaats daarvan knipte mijn moeder haar haar af.

Uit school stond daar een lange vrouw, met kort haar.
‘Dat lange haar was allemaal theater,’ zei ze de volgende dag tegen me terwijl ze rode lippenstift op deed voor de spiegel in het halletje bij de voordeur.
Tegen mijn vader zei ze: ‘Ik heb het gedoneerd. Voor pruiken. Wie weet hoe het zal gaan.’
Ik vroeg me niet af hoe wat zou gaan en ik kan me niet herinneren wat mijn vader zei. Misschien zei hij wel: ‘Natuurlijk lieverd, je bent zo ook prachtig.’
Hij aaide mijn haar wel vaker, als we naar school liepen. Ook was hij ’s avonds weer op tijd thuis. ‘Om een oogje in het zeil te houden.’ Mijn vader kon alles, maar hij kon niet voorkomen dat de poelen naast de spoorlijn verboden terrein werden. Het leek wel alsof ik de enige was die dit erg vond. Bulldozers en graafmachines joegen de kikkers weg en een grijs hek hield mij en mijn vergrootglas op afstand.

We gingen op vakantie in Nederland, ik zie mezelf nog zitten op de achterbank geklemd tussen de koelbox en een tas met handdoeken. Op mijn schoot een zwaar boek dat me maar matig kon interesseren, met foto’s van allerhande vogels. Voorin kibbelden mijn ouders. Mijn vaders stem krachtig en donker, mijn moeders stem zo veel zachter. Ik probeerde op te vangen waar het over ging en snapte niet waarom ze het zo oneens konden zijn over fotoalbums die mijn moeder wel en mijn vader niet wilde maken ‘voor later’.
‘Wat is er?’ vroeg ik. ‘Hebben jullie ruzie?’
‘Nee meisje, het is niets. Niets om je zorgen over te maken.’
Ik ving hun blikken op in de achteruitkijkspiegel en zal de rest van de rit naar de weilanden buiten de auto hebben gekeken. We gingen nooit meer dan twee weken op vakantie, maar die twee weken rekten zich tot eindeloosheden van zon en wind. Over een fotoboek werd niet meer gesproken en het vogelboek lag vergeten in de tent. Ik kroop achter kevers aan in het bosje naast de camping en groef kuilen en geulen die zich brutaal vulden met gorgelend zeewater. Een tijdje had ik alleen oog voor schelpjes. Dat het dode materie was waar leven in had gezeten, wist ik niet.

Mijn moeder had een periode dat ze wat meer lachte, dat haar haar wat groeide, dat ze me knuffelde en me hielp met mijn spreekbeurt over poelkikkers, en toen was ze helemaal kaal, net als mijn vader. Kaler nog, wimpers en wenkbrauwen ook weg. Niemand kwam me meer van school halen.
‘Wat ben je toch groot,’ zei mijn oma.
‘Je moet je groot houden,’ zei mijn opa.
‘Je bent mijn grote meid,’ zei mijn vader gesmoord door mijn krullen.
‘Je blijft altijd mijn kleine meisje,’ zei mijn moeder eens.

Hoe kan ik mijn vaders ogen nog vertrouwen? Ze werkten niet goed, hij moest een bril en was niet vaak thuis om een oogje in het zeil te houden. Hij ging met mijn moeder mee en rimpelde thuis zijn voorhoofd. Mijn moeder lachte niet meer en gaf me de lippenstift waar ik ooit zo lang om gezeurd had. Ik trok er dikke strepen mee over de rug van mijn hand, over het keukenblad en over bakpapier, bekeek met mijn vergrootglas de vette sporen en groeven die me als rode voren in vochtig zand voorkwamen.

Ik fietste naar school. Taal en rekenen werden Nederlands en wiskunde. Voor mijn verjaardag kreeg ik een microscoop, en een haarband voor mijn krullen.
Dat er iets mis was met mijn krullen, wist ik inmiddels ook wel. Iedereen keek ernaar. Ik was de enige thuis met haar. Nieuwe klasgenoten trokken eraan. Er had eens een spinnetje op gelopen. Ik geloof niet dat het spinnetje van de bouwplaats naast het spoor kwam, waar roodbruine bakstenen en zwaar zand overleven onmogelijk maakten. Het spinnetje was voor een toegestroomd joelend publiek van mijn krullen afgepakt. Ik heb het beestje niet gezien, misschien was het niet eens waar. Theater, zou mijn moeder zeggen als ik het haar zou hebben verteld. Ik vertelde weinig.

Er zijn verhalen over meisjes die na een flinke kappersbeurt en een bezoekje aan een schoonheidsspecialiste razend knap worden, en populair. Ik probeer de haarband. Scheer mijn oksels wekelijks. Dieet.
Mijn vader hield mijn hand weer eens beet, mijn moeder keek me met holle ogen aan over de dampende koffie die ze al lang niet meer verdroeg. Het hielp allemaal niet. Niets hielp meer.

Rondom het spoor stonden inmiddels hekken, soms stond ik er ook, mijn handen als vishaakjes verstrengeld met het raster. Mijn krullen zijn van mij, dacht ik, niet van mijn kale vader. Ze waaiden in een vast patroon op toen de intercity langs raasde, gewichtloos. Het was een vrijheid in mijn hoofd, een gewichtloosheid die me betoverde.

Meestal kwam mijn bezorgde vader me halen, soms ook Max. Max gebruikte alle woorden die mijn moeder niet meer had kunnen zeggen toen ze er nog was. Zijn stem was rustiger dan die van mijn vader. Max bleef me verzekeren dat alles wat ik dacht en voelde normaal was. Ook als ik niets dacht. Niets voelde. Dat alles erbij hoorde. Dat alles uiteindelijk een plekje zou krijgen. Eerst dacht ik dat hij de gebouwen bedoelde die naast het spoor uit de grond verrezen, de stapels stenen, de lukraak gestorte hopen zand en grind. Ik liet Max mijn vergrootglas en microscoop zien, dat was mijn taal.
We hingen een foto van mijn moeder naast de spiegel in het halletje bij de voordeur.
Het maakte mij niet uit dat Max geen vrouw was. Ik kocht mijn eigen tampons, maakte mijn eigen kruik als het nodig was, spoelde mijn eigen ondergoed voordat ik het samen met de rest van de was in de machine stopte. Ook een bh kopen lukte prima. Slechts eenmaal dook ik weg achter een rek met frivole azuurblauwe setjes. Het is één om ‘een grote meid te zijn’ en voor jezelf te zorgen, het is iets anders om geconfronteerd te worden met een zwerm zorgeloze meisjes in een lingeriezaak. Thuis bestudeerde ik mijn nieuw gegroeide borsten dagelijks. Nooit vond ik een knobbeltje. Ik stelde me voor dat mijn handen van iemand anders waren, van iemand die nu nog van niets wist. Handen die nu nog een boterham smeerden, of een koeienoog ontleedden. Droge handen zouden het moeten zijn, met een huidpatroon als de golfjes van de zee waar we ooit met zijn drieën gelukkig over vlogen.

Max verdween weer en een serie aan andere mensen bevolkte onze woonkamer. De een na de ander bleef slapen. Een Helen, een Boukje-met-een-buikje, er waren tandenborstels en zenuwachtige knikjes. De badkamer moest ik delen met nieuwe geuren. Een Marjan. Daarna een Mariëlle. We aten veel bonen en dan ineens weer vlees. Ik sloeg met deuren. Deuren gingen op slot. Er was een Sanne die niet kon wachten me te ontmoeten, zo zei mijn vader nadat ik haar rode slipje in de wasmand had gevonden. Die ontmoeting heeft nooit plaatsgevonden. Eerst verdween haar ondergoed, daarna haar naam. Uiteindelijk verdween ik ook, met mijn bed, mijn slipjes en BH’s, mijn microscoop, weggebracht door mijn vader naar een studentenkamer in een leuk huis. Ik aaide zijn hand, nu nat van zijn en mijn tranen en hing foto’s van ons en mijn moeder aan de pas geverfde muur. Daarna dronk ik mijn eerste biertjes met mijn nieuwe huisgenotes – meisjes met en zonder krullen, met en zonder interesse in kikkers, kevers of spinnen, maar meisjes met een moeder die ze belden als ze haar misten, meisjes die leerden omgaan met een meisje zonder moeder.

Als ik de trein naar huis nam, remde die af naast de nieuwe woonwijk die allang niet nieuw meer was. De bomen groeiden en de tuinen trokken hun eigen insecten aan. Mijn vader wist er een appartement te bemachtigen en nu kwam ik hem helpen. Een foto van mijn moeder hing in zijn slaapkamer. Een andere, van ons drieën, genomen aan zee, haar korte haar levendig waaiend, hing ik in de keuken naast het krijtbord. Ik zette thee en tekende atoomschema’s op het krijtbord. Ik probeerde elementen te vinden die bestonden uit twee moleculen en drie atomen. Zwaveldioxide. Water. Koolstofdioxide. SO2. H2O, CO2.

Eenmaal stond hij achter me, zijn geur was hem vooruit gegaan, de geur van thuis en het kraken van het leer van zijn schoen bereikte me voor ik kon schrikken. Mijn achterhoofd vol krullen kwam al lang niet meer tegen zijn buik aan, maar tegen zijn ietwat gebogen schouder. Mijn harige hoofd rustte tegen zijn kale kin.
‘Wat doe je?’ vroeg hij.
‘Ik zoek een oplossing,’ zei ik na lang wikken en wegen.
‘Wat is het probleem?’
Een tijdlang stonden we zo. Het was fijn dat hij achter me stond, fijn dat hij mijn beide schouders beet had op een manier die me liet voelen dat ik bij elkaar gehouden werd door botten, spieren, vel.
Met spuug veegde ik de witte lijn van de hoofdletter C weg. Langzaam verdampte het bewijs dat er ooit een C was geweest die de twee O’s verbond.
‘Niets papa, er is geen probleem meer. Er zijn alleen feiten.’

Nieuw proza bij De Revisor: Levi Jacobs’ verhaal ‘Zullen we zo omkeren?’. Levi Jacobs is advocaat. Verhalen van hem verschenen in De Gids, Kluger Hans, Deus ex Machina, Liter, deOptimist en Tijdschrift Ei.

*

Nog niet weten dat je gaat sterven. Een doktersbezoek: een kantoorruimte in een ziekenhuis, haar naast me hebben, een arts in vrijetijdskleding daar tegenover, geen koffer met stethoscoop, geen witte jas, maar een stapel papieren in een plastic hoes. Uitslagen, scans, rapporten. Slecht nieuws weglachen. Het positief proberen te bekijken, zelf een oplossing aandragen. Haar troosten. Aanhoren dat het goed mis is. Overwegen dat artsen cynisch zijn uit zelfbescherming.

Een laatste dag op werk: om 08.35 loop ik kantoor binnen. Ik schrijf een overdrachtsnotitie voor de lopende zaken. Breng cliënten op de hoogte van mijn tijdelijke vertrek. Voer een laatste voortgangsgesprek met de twee partners voor wie ik werk. Ik draag een maatpak.
Ik zeg: ‘het betreft een tijdelijk ziekteverlof.’
En: ‘maak je daar vooral niet druk om.’
En: ‘dat hoger beroep doe ik na de behandeling.’
En: ‘we houden contact.’
Men raadt me aan te wandelen. Ik ga naar het bos. Staar naar de grond gedurende de 7 km die ik loop. Ik verdenk de advocaat die een van mijn zaken overneemt ervan slordig te zijn en een belangrijk detail over het hoofd te zien. Ik bel met mijn werk.
Overdag tel ik de uren af tot een sportuitzending begint. Verzin een ambitieus verbouwproject. Eindig lusteloos op de bank. ‘s Nachts lig ik wakker.
In de maanden die volgen verslechtert mijn gezondheid. Ik realiseer me dat ik niet meer ga werken.

Ik zit vaak op het bankje voor de deur. Daar schijnt de zon vanaf een uur of twaalf in de middag. Eerst lees ik de krant, maar na een tijdje houd ik daarmee op. Het lezen is te inspannend. Er is om me heen genoeg te zien.
Sjoerd komt langs met zijn baasje. Sjoerd is een Engelse Buldog die zijn twee voorpoten op mijn dunne benen zet en me kwijlend aanstaart. Ik sla brokjes in voor het dier. Iedere dag slikt de Buldog de brokjes zonder kauwen door.
Een meisje in de buurt heeft kanker. Haar ene oog is dicht gehecht. Ze is kaal. Eerst zie ik haar binnen zitten, voor het raam, naar buiten kijkend. We maken iedere dag oogcontact en glimlachen naar elkaar. Ook zij is gek op de Buldog, die tegen haar raam op springt.
In juli speelt het meisje buiten. Ze heeft wat haar. Gaat naar school. Met één oog kan ze prima zien.
Bij regen haal ik een frisse neus onder de deurluifel. De man met de wandelstok en honkbalpet is niet minder vrolijk. Volgens hem is het altijd een mooie dag, weer of geen weer. Ik stoor me daaraan.

Gedwongen in overweging nemen: nalatenschap, euthanasie, invulling komende dagen, weken, maanden, ik zeg jaren, maar men begint te zwijgen. Mijn hoofd schudden: het te vroeg vinden deze zaken te bespreken. Onder druk van de arts overstag gaan.
De arts meerdere keren per week spreken. Hem op het hart drukken dat het weloverwogen, rationeel, tegen mijn geliefden aangehouden is. Nog geen datum en een tijdstip afspreken, wel een voorstelling maken van de dood die intraveneus zijn intrede doet. Galgen-advocaten-humor voor gevorderden: ik teken mijn eigen doodvonnis.

We lopen over het strand. Het is ochtend. Een grijze lucht breekt open, alsof de wolken een blauw gat in worden gezogen. De zee wordt aangeraakt door een strijklicht dat je normaal alleen in bossen ziet, als lichtbundels die op een podium vallen.
Ze zegt: ‘mooi he?’
Ik zeg: ‘ja.’
We lopen dit stuk elke dag, alleen steeds korter. Ik ben altijd al een spelbreker geweest, maar nooit zo erg als nu.
Ik zeg: ‘zullen we zo omkeren?’
Ze verbloemt haar teleurstelling met het woord ‘tuurlijk’ en een gulle glimlach, die voortkomt uit een vage herinnering aan hoe we vroeger van Scheveningen naar IJmuiden liepen. Ik bewonder haar omdat ze eigenlijk nog even wil wandelen; ik ben veranderd, zij niet.
Verderop: ‘ik ben moe.’
We gaan even zitten. Het zeezicht is nauwelijks veranderd. Misschien iets meer schaduwen.
Ze zegt: ‘kom hier,’ en pakt mijn hand vast. Mijn duimnagel is gebroken, staat op scheuren. Ze bijt het stukje af. Ik probeer haar iets te vragen, maar ik kom niet goed uit mijn woorden. Kortademig.
Uiteindelijke zeg ik: ‘dat had ik zelf ook gekund.’
‘O ja?’
Zwijgen is minder inspannend. Vroeger moest ik uren lopen om mijn gedachten uit te putten, om mijn hoofd leeg te maken. Nu nog maar een paar minuten. Ze staat op. Ik zeg dat ik eigenlijk niet naar huis wil, omdat ik geen genoeg kan krijgen van het zand onder mijn voeten.
‘Gaan we toch nog even bij een strandtent zitten?’
‘Of zwemmen.’
‘Ook goed.’
Ik zie haar naakt. Zie mezelf naakt. Mager en bleek.
Het water verlamt me. Onze huid is ruw van het zout. We wachten op onze knieën, met onze ruggen naar de zee, tot een golf op ons breekt en ons de zee in duwt. Ik proest. Slik zeewater in. Ze helpt me overeind. Ze ziet hoe het zeewater met snot uit mijn neus komt.
‘Detox.’ Ik lach erbij.
We waden rillend terug richting de branding.
Sinds die dag zwemmen we elke ochtend in de zee.

Het bankje voor de deur schuift mee met de draaiende aarde, vooruitlopend op de dalende zon die steeds haastiger achter de portiekwoningen aan de overzijde van de straat verdwijnt. Ik volg gedwee, zit met het krimpen van de dagen, korter en korter op het bankje, vastgespijkerd op een heliocentrisch ritme dat toewerkt naar de kortste dag in december.

Precies zoals ik het wil: een gehuurde auto met comfortabele luxe; ik geniet van de voorbijtrekkende Duitse autowegen en 10 mg morfine. We stoppen iedere twee uur voor een pauze. Ik plas. Zij laat de hond plassen. Mijn ogen vallen dicht. Gedachtes, dromen en losse indrukken vervloeien: ik sta aan het hek van de kinderboerderij op de hoek. Er scharrelen kippen rond, geiten staan op hooibalen, een hangbuikzwijntje wroet in weggeworpen groenten. Ik zie mezelf: glimlachend in de volle zon, met de schaar in mijn hand knip ik stukjes van mijn vingers af. Ik voer de kippen, de geiten en het zwijntje. Als ik wakker word, zijn we pas twee nummers verder op de afspeellijst.

We rijden een andere wereld binnen, een van wit, grijs en bruin, sober en kalm, zoals rimpelloos water. We stappen uit. Met twee handen pak ik de sneeuw en ik hap. Ik wil de kou in me voelen. Ik krijg geen lucht meer. Van de kou in mijn mond en longen, van de schoonheid van het witte landschap met de magere, besneeuwde sparren tegen de hellingen, de dappere berken in het dal.
We zijn stamgasten in het hotel waar mijn moeder in haar jeugd al kwam. Vlak na negenen brengt de gastheer de schnaps op tafel, ik krijg Sprite omdat dat erop lijkt. Ze lacht en drinkt en kletst Duits.
Ik schenk haar zelf bij, keer op keer. Haar ogen vertroebelen, niet van verdriet maar van geluk.
Die nacht vrijen we voor het laatst. Ze zweet van de alcohol en is niet meer zo voorzichtig met me.
‘Laat me je drinken.’ Haar stem zwaar, diep, uitgeput.
‘Jij hebt genoeg gehad,’ zeg ik.
Haar toch laten begaan.

Honger heb ik niet meer. Aan drinken ook geen behoefte. Hoewel het guur is buiten, je de wind door de jaren dertig kozijnen hoort razen, neem ik soms een perenijsje.
Ik til mijn hand omhoog. Kleine wondjes, blaasjes, schilfertjes. Mijn huid legt het af tegen de vingers die me aanraken, tegen de schrale lucht, ze droogt uit omdat ze niet meer in staat is zichzelf te voeden, te verschonen. De buitenwereld dringt door. Ik merk het aan de kou in mijn botten. Aan de hoeveelheid zonnebrand die ik moet smeren. Aan de infecties die ik kan oplopen, virussen die me fataal kunnen worden. Op sommige plekken is het gevoel weg, voel ik alleen druk, zoals wanneer iemand het eelt op je voeten aanraakt.

De intimi bijeenroepen op die en die dag, op dat en dat uur.

Op de dag des oordeels nog één keer iedereen verrassen. Een angstige dokter met zijn zakken vloeistof aan je bed ontvangen. Natte plekken onder zijn oksels ontdekken. Vrienden en familie die zich in een kring verzamelen, schuifelende voeten, schurende stoelpoten, fluisterstemmen horen verstillen. Een strook hemels licht verdrijven door te vragen of iemand de rolluiken naar beneden laat.
De dokter een plezier doen: hem verlossen van zijn ondankbare taak een einde te maken aan iemands leven. Hem zienderogen opknappend een grap horen maken.
Lachend antwoorden: ‘ik stel het nog even uit,’ maar bedoelen: ik wil het verzet niet breken.
Een broer die zijn emoties de baas is zegt met een knipoog: ‘dan ga ik weer.’ Constateren dat de gewone gang van zaken niet op zich laat wachten: familieleden hebben het over hun kinderen, vrienden over hun voetbalopvattingen.
Schrikken van haar koude hand op de mijne. Fluisterend haar horen zeggen: ‘ik denk dat je iemand heel blij hebt gemaakt vandaag.’
Haar vragend aankijken. Zeggen: ‘je stond toch achter mijn keuze?’
‘Niet mij, de dokter.’

Ik lig op bed. Alleen. De lakens zijn schoon en stijf. Mijn lichaam is moe, ergens in een halfslaap, een roes. Ik hoor haar binnenkomen. Ze knijpt in mijn bovenbeen. Zonder haar te zien weet ik dat zij het is, mijn spieren herinneren zich de kracht van haar vingers.
Fut om iets te zeggen ontbreekt.

De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (word abonnee!). ‘De levenden’ verscheen in Revisor 11, in 2016. Een verhaal over de dood op doorreis. Bij ‘De levenden’ schreef ze ook het satellietverhaal ‘Voorbijgangers’, een non-fictievariant.

*

Na dagen gedroogd voedsel hopen we op een goed ontbijt, maar daarvoor komen we net te laat aan bij het restaurant aan het begin van de trail. In plaats daarvan eten we ijsjes, het enig eetbare dat te verkrijgen valt, en bekijken de kranten: Robin Williams is dood. Een stel uit Santa Cruz geeft ons een lift terug naar de vallei en daar nemen we de bus terug naar de bewoonde wereld. In El Portal, vlak buiten Yosemite, het motel. De Cedar Lodge werd berucht nadat een motelmedewerker drie vrouwen ombracht die kort daarvoor in het motel hadden verbleven. Wie de berichten over de Yosemite-moorden terugleest, ziet hoe het afgrijzen niet slechts betrekking heeft op de misdaad zelf. Het gaat om de plek waar de moorden gepleegd zijn; de zuiverheid van Yosemite is besmet, het paradijs verloren.


Een eind na Cedar Lodge passeert de bus een stadje in nagebouwde westernstijl, en daar stapt ze in. Ze draagt een spijkerbroek en hemd, een mannenhoed. Ze heeft een uitzonderlijk vriendelijk gezicht. De meeste mensen in deze bus kennen elkaar, reizen vermoedelijk iedere dag deze route. De vrouw wisselt grappen uit met een oudere heer voorin de bus, er wordt gelachen. Ze wuift zichzelf koelte toe en klaagt over de hitte.

Als ik het me goed herinner is dat het eerste waarover we spreken, de hitte die ‘snel’ voorbij zal zijn, binnen een week of zes. Later, als de bus leger is, het grootste deel van haar gezelschap uitgestapt, vraagt ze waar we vandaan komen, en waar we naartoe gaan. Terug naar Merced, zeggen we, en vandaar verder. Dat snapt ze niet. Waarom zou iemand ervoor kiezen naar Merced te gaan? Ze haat de stad. Waarom, vragen we. Het is een onschuldige vraag, waarop we een onschuldig antwoord verwachten.
‘Mijn vader is er vermoord.’
Daarop is geen reactie mogelijk, niet echt. Niet anders dan: I’m sorry, en plotseling ben ik blij met het Engels, dat in elk geval deze mogelijkheid kent, een betere dan het Nederlandse ‘wat erg’ of ‘gecondoleerd’. De bus rijdt over een viaduct en ze wijst ons aan waar hij precies gedood is. Ze is blij dat ze in elk geval niet meer in Merced woont, ook al passeert ze de plek nog elke dag op weg naar haar werk. Er is te veel misdaad in die stad, er wordt te veel gemoord. Het zijn de drugs, zegt ze, vertelt dan over haar eigen verslaving. Inmiddels is ze er min of meer bovenop, met dank aan de AA. Op dat moment mengt zich een andere jongen in het gesprek. Hij praat zacht, bijna onverstaanbaar, maar ook hij is begonnen met AA meetings, pas net. Ze complimenteert hem, moedigt hem aan om door te gaan.
Niet lang daarna stopt de bus bij het station. Een Aziaat zoekt verdwaasd naar de trein die hier niet stopt. We nemen afscheid, zij reist verder en wij lopen naar het motel, alerter nu op bedreigingen dan eerder. De stoep krioelt van de torren.

Die toevallige ontmoeting is nu twee jaar geleden en ondanks mijn notities is de herinnering vervaagd – zo weet ik niet meer zeker of ze alleen reisde, of deels met een vriendin. Soms vraag ik me af hoe het met haar gaat en met haar leven dat zo anders dan het mijne is. Maar ik ken haar naam niet en zou haar op straat niet meer herkennen: er was iets echts, heel even, maar tenslotte zijn we niet meer dan voorbijgangers, toevallige personages in het verhaal van de ander.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. Na ‘Huisje’ en ‘Verdriet en ‘Heimwee’ en ‘Bezoekuur’, is hier het laatste nieuwe verhaal: ‘Obstakel’, waarin niets lukt, en nog erger.

*

De obstakels die hij altijd en eeuwig op zijn weg vindt irriteren hem mateloos; kind ziek, vlek op das, sleutel kwijt, veter breekt, mobiel leeg.  Mag hij nooit eens genieten van een gelijkmatig humeur, een dag waarin alles op rolletjes loopt en hij ’s avonds tevreden op de bank hangt, schoenen uit, benen omhoog, dat was dan dat voor vandaag? Geen schijn van kans, in dat leven van hem waar altijd wel iets of iemand de boel komt verstoren. Als hij alleen was gebleven zou dat heel anders zijn, maar dan  heeft hij ook nog eens een gezin getroffen waarin niemand iets op eigen houtje kan oplossen; zelfs een lamp indraaien is teveel gevraagd ook al omdat de voorraad voortdurend op is, en een spijkertje inslaan, op een ladder klimmen om een spinnenweb weg te halen, een likje verf, toe nou zeg, op die kale plek langs de deurpost, het gras dat gemaaid, de auto die gepoetst of weggebracht moet, de vogelpoep op het raam waar je de godganse dag tegenaan kijkt: alles komt voor zijn rekening en nooit zal er eens niks, helemaal niks  op zijn lijstje staan, nog afgezien van die vlek op zijn das nu en de gebroken veter, zijn mobiel die hij onophoudelijk op moet laden. Een nieuwe nemen daar komt het niet van en dat is dan een van die dingen die hij noodgedwongen voor zich uitschuift, net als zijn brillenglazen die allang niet meer kloppen; van dichtbij ziet hij inmiddels ook slecht dus als hij het ding afzet is hij hem meteen kwijt, of hij gaat erop zitten.
Precies, hij gaat erop zitten. Hij zit erop, nu. Glas eruit, poot kapot. En dat terwijl zijn reservebril spoorloos  is en hij meteen na zijn werk naar een voorstelling moet waar zijn jongste dochter een of ander optreden heeft, die kinderen zo klein als ze zijn hebben elke week wel iets waar je bij moet zitten applaudisseren. Slechter kon het dit keer niet uitkomen maar wat moet hij, twee telefoontjes en een waarschuwend appje van zijn vrouw  jawel hoor, hij zal er zijn – knarsetandend laat hij een lunchafspraak afzeggen, belt de dichtstbijzijnde opticien en werkt zich met levensgevaar door het verkeer, de kapotte bril op één oor. Zal je altijd zien, toch nog iemand die net voor hem is binnengekomen dus kan hij misschien even gauw naar de ijzerwinkel om de hoek gaan, een bepaald soort schroefjes voor de lamp en nog iets, wat was het ook weer – hij gaat zitten en zoekt in zijn agenda om de vertrouwde lijstjes te bestuderen, nooit een eind komt daaraan. Maar de lijstjes zijn onleesbaar in de mist voor zijn ogen en als hij opstaat om nog snel in elk geval die schroefjes te doen, al weken zoekt hij daarnaar, draait de winkel opeens voor zijn ogen, hij zakt terug op het bankje, hand voor zijn gezicht kijk, het gaat al weer over. Hij verplaatst zijn voeten, zet ze terug naast elkaar. Die veters nee, even niet. Hij denkt aan zijn dochter, als het maar lukt met die bril zodat hij haar niet teleurstelt, waar had hij nou dat feestprogramma gelaten, straks even goed zoeken… Altijd wat, er is altijd, altijd, altijd wat maar hee de klant gaat alweer weg, tenminste als dat dezelfde is, herkennen doet hij ongeveer niks meer en de bril voelt scherp als hij zijn hand eromheen klemt.
Daar komt de opticien neemt hij aan, het witte vlak van zijn jas en een zwart montuur daarboven, jawel, hij mag mee naar een opening in de muur waarachter een fluwelen duisternis heerst. Een hoge stoel, voeten op een steuntje, een paar  simpele vragen, zijn naam, geboortedatum, wazig ziet hij wat lichtjes naast het schemerige wit van de jas, prettige stem heeft die man. En dan de letters en cijfers, eerst weet hij er werkelijk geeneen maar dat geeft niet, daar gaat het juist om en als beloning wordt alles steeds helderder zichtbaar, waarachtig, zo scherp heeft hij nog nooit iets gezien en hij zinkt weg in de tijd, alsof hij weer op school zit waar alles zo eenvoudig was. Dan volgt het lezen, een boekje op schoot en nog iets moois, perspectivisch, een landschap vol kleur, plus iets met zwevende blokjes daarna, geeft niet wat het is, van hem mag dit eindeloos doorgaan. Nu nog een nieuw montuur, wat hem betreft mag de opticien het zeggen want hij is de vakman, toch. Tot slot blijkt de verzekering de helft te vergoeden en krijgt hij ook nog gratis een bril te leen, zij het alleen om in de verte te zien. Maar dat is mooi voor vanavond en de rest van de week; maandag zal alles klaar zijn.
Zeldzaam is de ruimte waarin hij, eenmaal buiten, herademt; een prachtig heldere wereld waarin de ijzerwinkel precies het juiste schroefje heeft en hij meteen een hele serie gloeilampen aanschaft, zo kunt u weer even voort meneer. – Waarna hij op zoek naar zijn fietssleutels ook nog eens, in zijn binnenzak, het feestprogramma aantreft, met de aankondiging dat zijn dochter straks, om half zes, in de eerste acte een sneeuwklokje zal spelen.

 

Afbeelding van LGX via Pixabay

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. Na ‘Huisje’ en ‘Verdriet en ‘Heimwee’ is hier ‘Bezoekuur’, in een gezamenlijke huiskamer in de late avond, leeg.

*

Dit hier is wat ze de huiskamer noemen, de eettafel met zeker twaalf stoelen rondom, het gigantische televisiescherm, het zachte brommen uit een van de twee hoge koelkasten. – Hoe moe kan je worden van nietsdoen, urenlang had ze niets anders gedaan dan bij het bed zitten waar een lieve tante stil voor zich uitstaarde, haar ogen in diepe schaduwkuilen. Wanneer is het voldoende geweest, wanneer ga je weg? Ze is weggegaan. Niet eens gemerkt dat het stortregent buiten maar dat doet het, het is laat op de avond en toen de nachtzuster vroeg of ze wat koffie wilde met de glimlachende verzekering, hand op haar arm, dat ze rustig kon blijven tot de bui voorbij was, ging ze zitten aan de gemeenschappelijke tafel, een vaas in het midden. Boeket met een kaartje, onleesbaar van hieraf. Links liggen tijdschriften op een rechthoekige stapel, aan een van de stoelen hangt een plastic tas waar dikke breinaalden uit steken en het televisiescherm geeft geluidloze beelden van een natuurpark met dieren, rechtsonder een gebarentolk.

Verder niemand meer hier, ze kijkt uit op een lange, stille gang waar de vrouw voortschuifelt die zonet haar kleurige breiwerk zorgvuldig oprolde en wegborg in de plastic tas; ‘Zo,’ zei ze terwijl ze haar onderzoekend aankeek, ‘morgen is er weer een dag, ik zeg maar tot ziens.’  Een kleine vrouw, goed verzorgd, met heel donkere ogen en hoge, bijgetekende wenkbrauwen. Hoe traag ze ook voortbeweegt, een hand af en toe tegen de muur, opeens is ze verdwenen. Weg. In de lange, lege gang brandt bij twee deuren een lichtje, een rood en een groen; het zeil op de vloer is onder de tl-buizen glimmend lichtgrijs, geen eind komt eraan.

Ook de nachtzuster is in het niets verdwenen, de koelkast is stilgevallen en de regen is mogelijk opgehouden, zo stil. Het is laat op de avond, ze hoeft nergens naartoe. Gedachteloos zit ze daar, de koffie vergeten, handen los in de schoot. Nergens beweging, er is geen verschil met de vaas op de tafel, de tas aan de stoel, de klok boven de deur en de lange, glimmende gang daarachter, zonder einde onder het bleke licht.

 

Afbeelding van ClaudiaWollesen via Pixabay

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. Na ‘Huisje’ en ‘Verdriet’ is hier het derde verhaal: ‘Heimwee’, die ‘stekende, samentrekkende kramp’, zelfs bij het puzzelen.

*

Er zijn dingen die te dicht bij het oude heimwee komen, het zijn er soms zoveel dat hij aan niets anders kan denken: hij blijft thuis en houdt zich bezig met enorme legpuzzels, net als vroeger. Al kan zijn heimwee ook dan plotseling opkomen, bij zo’n afbeelding van een schaapskudde op de hei, van de duinen met hun helderwitte zand, en zelfs bij dit schilderij nu, van een brieflezende vrouw. Hij heeft de omtrekken nog niet gelegd, het licht van links uit het raam langs de rand van haar blauwe jak, of hij herinnert zich – wat herinnert hij zich, waarschijnlijk iets van toen hij klein was, geen idee eigenlijk. Maar geen twijfel over het gevoel, dit is de stekende, samentrekkende kramp van het heimwee. Die kleine handen, hij heeft er drie stukjes voor nodig, makkelijk genoeg en dan de haarlok langs de wang en de wenkbrauw, hoe is het mogelijk dat ze die in tweeën hebben gebroken, die snee in het midden nee onzin, kom nou, zij weet immers van niets. Hoe lang geleden alweer dat ze daar gestaan heeft, aan het venster en wat leest ze, die wenkbrauw, het zal toch niet iets ergs zijn geweest; haar mond staat een beetje open en hij schaamt zich bijna als hij de stukjes samenvoegt, zo nabij. Maar goed dat zij ook daar niets van kan weten: hoe hij hier zit, voorzichtig zijn duim op haar lippen plaatst en de mond omhoog schuift, nog net geen aansluiting bij de wenkbrauw maar hij gaat nu liever eerst aan die landkaart op de achtergrond beginnen, de stevige, donkere lijn van de stok waardoor de kaart mooi recht hangt. Iets te makkelijk eigenlijk, maar zo is hij zijn gevoel weer een beetje de baas.
Hoe dan ook kan hij beter landkaarten doen, daar leer je wat van en hij heeft van vroeger nog hele grote die bijna niet op de tafel passen. Maar zelfs dan kan het heimwee hem aangrijpen, de puntige bergketens, de blauwe meren van Zwitserland en de kleine, schuin gedrukte namen van een waterval, een bergpas. Hij herinnert zich de overdekte houten brug, het tochtje met een boot, hoe heet het, een raderboot ja, de o zo hoge, spierwitte sneeuw tegen de lucht, het zwevende silhouet van een vogel. Toen. Hij was er, hij heeft het meegemaakt, soms komen geuren terug in zijn neus, klinkt in zijn oren een verre taal. Er was zelfs een puzzelstukje met de naam van het dorp waar het kabelbaantje begon, daar weet hij nog alles van, de uitroep van zijn moeder toen het opeens stopte en ze stil bleven hangen, een kwartier lang tussen hemel en aarde zo eindeloos, met in zijn mond een Zwitserse kruidenbonbon.
Hij haalt koffie en overziet staande de puzzeltafel, brieflezende vrouw. Het lijkt een chaos maar hij weet het precies, de grote en kleine eilanden die bij de stoel horen met bolle koperen spijkers, bij de landkaart, de geplooide doek linksonder. Haar handen, de wenkbrauw. Het heimwee is al bijna weg, blijft in de luwte; hij vindt dat hij snel is vandaag, goed werk, hij krijgt er plezier in. Dus als een tijdje bezig is geweest met een beschaduwd, wit muurvlak, erg moeilijk en saai, gaat hij toch weer op zoek naar de grenzen van datzelfde wit met het blauwe jak – nog niet meteen de voorzijde die zo helder is en zo hopeloos teder, maar de achterkant: stevig en donker in een rechte baan, solide haast, als een boerenkiel.

 

Beeld via het Rijksmuseum.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. Na ‘Huisje’ is hier het tweede verhaal: ‘Verdriet’, onpeilbaar en onverklaarbaar.

*

De ellende is dat hij aldoor moet huilen de laatste tijd; niet dat hij dat dan ook doet want past natuurlijk niet bij de man die hij is, kalm, hardwerkend, middelbare leeftijd. Maar toch, steeds opnieuw, het komt diep uit zijn borst als een aanval van misselijkheid, hij buigt voorover in een hikkend krimpen en richt zich snel op – kom, het gaat alweer. Op kantoor heeft hij er vrijwel geen last van want drukte genoeg daar, hij heeft wel wat anders om zich mee bezig te houden. Maar dan, de lunchpauze, hij loopt naar een klein plantsoentje vlak in de buurt, hij zit bij de vijver en kijkt naar de waterhoentjes, de hoge, zachte pluimen in het riet en ja hoor, hopla. Kramp in zijn middenrif, een snokkend geluid. Heel even is zijn gezicht in zijn handen maar hij zit alweer recht, publiek terrein hier.
En waarom in vredesnaam, waar komt het vandaan, hij kan werkelijk niemand verzinnen om dat aan te vragen; ja wat wil je, als hij het zelf niet eens weet. Hij leidt geen kwaad leven, hij verdient het geld dat hij nodig heeft, soms een paar weekjes naar de zon, hij heeft aardige collega’s, zit op een schaakclub, eet af en toe buiten de deur. Hoe zijn jeugd was? Gewoon, niets bijzonders; persoonlijke herinneringen doen hem ook niet zo veel en of hij wel eens verliefd was, ja hoor, een keer of drie maar daar kwam niet zoveel van terecht. Bovendien, hij vindt het wel prettig, zo op zichzelf.
Nee hem krijg je niet gauw ontevreden, en dan toch deze huiltoestanden: al weken achtereen moet hij op zijn tellen passen, het kan zomaar beginnen. Het is geen doen in feite, hij moet er vanaf, het zullen herinneringen zijn die hij aldoor wegduwt ofzo, al zou hij dus oprecht niet weten wat. Wel heeft hij er inmiddels zo genoeg van dat hij besluit een tijdstip te kiezen om zich er compleet aan over te geven, zijn gevoelens de vrije loop te laten, hoe droeviger hoe beter; misschien is het daarna eindelijk voorbij.

Het is weekend, zondagavond al, nu moet het er echt eens van komen. Hij zit na het eten thuis op de bank, een paar glazen wijn gedronken alvast, en om te beginnen zal hij aan zijn overleden moeder gaan denken. Dat doet hij dus nu, hij ziet haar voor zich, ze had een lief, wat zorgelijk gezicht en dat stemt hem vriendelijk maar verder voelt hij niet veel bijzonders; wat hem eigenlijk wel tegenvalt van zichzelf. – Daarna stapt hij over op de kleuterschool, hij herinnert zich heel kleine tafeltjes en stoeltjes, dat kan niet kloppen want hij was toch zelf net zo klein nee, die vroege jeugd en ook de lagere school blijken nergens toe te leiden. Daarna komt hij op zeiltochten met een vriend die een hond had, een dik gevlekt hondje dat erg hield van het water en daar was toen iets mee ja, wat was dat ook weer. Hij zucht, geen idee. Goed, zijn zuster dan, die hij nauwelijks meer ziet, dat ze samen een step hadden die meeging op vakanties, altijd in de duinen waar je er toch weinig aan had, bedenkt hij nu pas. Ook dat levert dus niets op, evenmin als de gedachte dat hij over een jaar of wat met pensioen zal moeten, welke ziektes hem wachten, een eenzame dood zelfs misschien… leuk is anders maar wat hij ook verzint: geen klem op zijn borst, geen hete druk achter zijn ogen, niets niemendal. – Kijk eens aan, dit moet het toch zo’n beetje zijn en misschien is het daarmee opgelost, anders had hij het toch al lang en breed te kwaad gekregen; het besluit alleen al om er aan toe te geven is blijkbaar voldoende geweest. Hoor je wel vaker, zoiets; hij gaat opgelucht slapen.

De volgende dag is hij mooi op tijd wakker, hij neemt een douche, zet koffie en staat met zijn beker tussen twee handen rustig naar buiten te kijken; over vijf minuten de deur uit. Hij ziet de straat, heel stil nog, de boom voor zijn raam met een hekje er omheen, zijn fiets schuin tegen dat hekje. Alles is compleet, probleemloos in orde en straks zal hij daar staan, bij die boom, naast zijn fiets, hij zal zijn fiets van het slot halen … zijn maag spant zich aan, zijn hart krimpt onder zijn ribben en hij leunt met zijn voorhoofd tegen het koude glas – o nu, kon hij nu urenlang huilen.

 

Beeld Albert Herring, SA. Early Spring at James River State Park, licht aangepast.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. We openen met ‘Huisje’, een kleine idylle – precies wat je zoekt, al jaren.

*

Ongelooflijk wat mooi hier – deze landweg met hoge bermen, een strook gras in het midden en achter de sloot warempel een echt korenveld met papavers langszij, winde, iets geels ook, wat is het. Maar vooral daarginds, aan het eind: een eenzaam, vervallen boerenhuisje. Precies wat ze zoekt, al jaren. Eropaf, meteen, voeten verstrikt in het lange, natte gras en slierten kleefkruid. Het strodak is plukkig donkergrijs en er heeft zich een vlier in verankerd die bloeit in de warmte, je ruikt hem hier al. Overal bramen en brandnetels, een oude waterput met opnieuw een bloeiende vlierstruik en verderop Oost-Indische kers, een rek met vergeelde tuinbonen. Rechts een hokje zonder deur waar een wc-pot in staat met een reservoir erboven van gietijzer en kijk nou eens, aan de ketting een echt porseleinen trekker. Daarachter zo’n strooien hooibergdak, scheef op vier palen, er staat een kar onder met de dissels omhoog en ook een roestig fornuis en een ijskast. Wat doen die hier. Weg ermee straks, het allereerste dat weggaat. Tussen de brandnetels is een bakstenen paadje vrijgebleven tot aan de voordeur; daarnaast vlak boven de grond een bergluik, schuin, met een roestig hangslot. Benieuwd wat daaronder zit.

Dit is schitterend. Zo mooi, zo alleen, ze was al een tijdje op zoek maar dit zal het worden, zomaar bij toeval ontdekt. Wat een geluk. Ze loopt naar de voordeur van vaalgroen hout, links en rechts de meest stoffige ruiten ooit; met de zijkant van haar hand veegt ze een plekje schoon en een baan zonlicht schiet loodrecht naar binnen, het donker in. Valt op een rond tafeltje met een kanten kleed erover, een houten kast rechts en daarnaast, in een leunstoel met hoge kussens, een heel oude vrouw die nu traag haar hoofd opheft, de mond half open.

Na tien jaar vertrekt Jan van Mersbergen als redacteur van De Revisor. Als afscheid zijn korte verhaal ‘Groen‘, dat in twee delen op de website zal verschijnen. Lees deel één, en vandaag het tweede deel.

*

Als ze bij de eethoek gaat staan zie ik dat hij op blote voeten loopt. Jezus. Ik heb altijd koude voeten. Volgens mij hield ik toen op die boot in de winter mijn sokken gewoon aan.
Vera merkte er niks van, dat is zeker.
Ze hebben het over de tafel. Hij wilde een grote tafel waar je met tien man aan kunt zitten, zij zegt dat die vaak niet zou mooi zijn. Nou, ze zijn er wel uitgekomen zo te zien.
We deden het zonder condoom, dat weet ik nog. We waren allebei dronken. Dat heeft meestal het effect dat het lang duurt.
Hij zegt: ‘Uiteindelijk heb ik mijn zin gekregen en is dit onze tafel geworden.’
Misschien ligt ze nu wel te bevallen?
Vera zegt: ‘Maar gewoon tweedehands gevonden, zodat-ie ook weer makkelijk weg kan.’ Ze grinnikt kort.
Paul lacht om haar grapje. Dat-ie weer weg kan. ‘Ik ben er heel blij mee,’ zegt hij.
Ik staar naar het scherm. Nog nooit zag ik zo’n aflevering met een huis zonder het huis te zien.
Ze is mooi. Precies een vrouw waar ik op hoop als het praatwerk achter de rug is en er nog wat gedronken wordt. Filmposter signeren? Ja natuurlijk. Voor wie is het?
Voor Paul.
Hoe schrijf je dat?
Nu kan ik het echt zien: haar buikje. Vijf maanden, schat ik.
Ze staat iets gedraaid bij de eettafel en vertelt over het uitzicht en de glazen pui die erin moest en dat het in de zomer daar wel vijfendertig graden wordt, want de tuin is op het zuiden, en dan begint het muziekje en zegt de voice-over: ‘Dat zie je zo.’
Vera. Ze dronk stevig door in dat grote café, met die schrijver met het verwaaide kapsel aan tafel en die andere twee. Volgens mij was er ook dichter die kort daarna overleden is. Ze zat naast me op een gegeven moment, na wat schuiven en een bezoekje aan de wc. Tafelschikking is bepalend.
De dichter liet zich in de hoek schuiven, of eigenlijk zei hij toen ik eruit moest: ‘Natuurlijk, ga je gang.’ Hij stond voor me op. Die andere schrijver bleef breed en handig zitten, maar die was druk in gesprek met een regisseur uit Utrecht.
Er komt een item over het telen van groentes. Heerlijk, trotse mensen met hobby’s.
Tot de voice-over zegt: ‘Op een prachtige plek in Noord-Holland zijn Paul en Vera de trotse eigenaren…’
Daar is ze weer.
Maar eerst haar man. Zijn naam komt onder in beeld. Hij begint weer te praten, geeft een rondleiding, een trap op, de trap weer af.
Dan neemt Vera het over. Onder in beeld komt haar achternaam erbij te staan en: interieurstylist.
Facebook biedt uitkomst. Met trillende vingers zoek ik de site erbij op mijn telefoon, druk op het vergrootglas en tik haar naam in. Er verschijnen vier Veras, ik zie direct dat ik de bovenste moet hebben. Een zwart-wit profielfoto, met dezelfde lach.
‘We gaan hier uiteindelijk nog een mooie houten vloer in leggen,’ zegt ze.
Ik klik op de profielfoto. De foto wordt vergroot en zie ik een pasgeboren baby met een mutsje op en het oudste kind dat schuin zijn gezicht voor het beeld duwt.
‘Dit is onze badkamer,’ zegt ze.
Stralende lach.
Die boot bij het station van Groningen, de lange reis terug. Waar was ze toen? Met de trein terug, geloof ik. Samen reizen wilde ik niet.
Die ochtend kwam de man die zijn boot aan het festival had verhuurd veel te vroeg een kijkje nemen. Alle deuren stonden open, overal lagen kleren. Vera sloeg de dekens voor haar borsten.
‘O sorry,’ zei de man.
We kleedden ons aan. Er was geen tijd voor koffie. We namen afscheid en dat was het. Nooit meer iets van haar gehoord of gezien.
De datum, van wanneer is die foto?
Waarom zag ik dat niet meteen: juli.
Ze laat de badkamer zien. In de boot zat de douche aan de andere kant: de slaapkamer in de boeg, de douche achter. We hebben nog wel samen gedoucht, volgens mij, en op de terugweg was het kleren zoeken.
Ze heeft het over tegels. Vloertegels. ‘In de badkamer mocht er wel effe wat meer gebeuren.’
Ik word rustig nu. Ze heeft haar kindje. Ik zit te kijken naar een vervlogen avond, een stipje in een agenda waar geen van ons over een tijdje nog aan denkt.
Paul laat de slaapkamer zien. Achter hem op een geborduurd stukje stof staat de naam van hun dochter en de geboortedatum, samen met Janneke, van Jip.
15 september 2017.
Dat is de eerste.
Weer begint-ie over vertrouwen. ‘Ik vertrouw je altijd.’ Mensen die dat zeggen moet je altijd wantrouwen.
Ze zit op een bed dat zo te zien van een paar pallets gemaakt is, met een deken erover. Ze vertelt dat ze buiten woont en dat ze dan ook diertjes wilde. ‘Kipjes, een hond, een poes. Dus.’
Dat was allemaal dik in orde.
‘Dat maakt het wel af.’
Die avond in december wordt steeds duidelijker. Ze droeg een lange rok. Ze deed die rok niet uit. Ze hees hem gewoon omhoog.
Hun kindje was er al in juni. In het voorjaar was ze zwanger. In december ging ze met mij een stukje varen. Ze was toen al zwanger.
Vandaar dat ze niet bang was. Nergens voor. Zwangere vrouwen zijn niet bang. Is dat een conclusie?
Ze zitten onder de pergola, voor het uitzicht, tussen de groene planten en de gele en witte voorjaarsbloemen. Vera heeft een kindje op schoot.
Hij zegt: ‘Als je dan hier zit zo met elkaar dan is het meer dan de moeite waard.’
Vera zegt: ‘Absoluut.’

Na tien jaar vertrekt Jan van Mersbergen als redacteur van De Revisor. Als afscheid zijn korte verhaal Groen, dat in twee delen op de website zal verschijnen. Vandaag het eerste deel.

*

Het scherm van de tv is nog zwart maar het geluid klinkt al: ‘Vera en Paul gaan in hun oude boerderij voor groen.’
Vera, denk ik. Groen.
Ze verschijnen in beeld. Vera en Paul. Zie je wel.
Afgelopen winter moest ik in een café in Groningen een lezing geven over Film noir. Nergens in het land willen de mensen er nog iets van weten, maar in het noorden liep de zaal vol.
Ik bleef daar slapen. Wat Vera daar moest doen weet ik nog steeds niet. In ieder geval was ze in Groningen.
Paul zegt: ‘De groene vloer zag ik eh… echt wel zitten…’ Hij heeft een hoge stem.
Vera vult aan: ‘… en toen zijn we doorgeslagen. Groene tegels. Groene vensterbanken.’
Paul zegt: ‘Alles groen.’
Het is een aankondiging van het programma dat zo meteen op net 2 te zien is.
Ik bleef slapen op een boot die ergens bij het station in het water lag. Ik weet nog goed hoe ze me voorging over de loopplank, hoe ze het trapje afdaalde het ruim in.
Ik wacht tot het programma begint, tot Vera weer in beeld zal komen, met haar klassieke gezicht, blosjes op haar wangen.
De begintune. De trompetten schallen, er komt een huis in beeld en de voice-over zegt:
‘In een rustig Noord-Hollands dorpje wonen Paul en Vera, samen met hun dochtertje Suus in een oude boerderij.’
Ik wist niet dat ze in Noord-Holland woonde. Ze vertelde me destijds dat ze uit Amsterdam kwam.
‘Als ze het huis in 2014 voor het eerst zien, zijn ze meteen verkocht.’
Vera was die avond een beetje dronken, en ook toen vrij vlot verkocht.
Paul doet de voordeur open. ‘Welkom,’ zegt hij. Aardig. Hij heeft een soort ringbaardje.
Op de achtergrond staat Vera met het kindje in haar armen. De cameraman schuift langs haar naar binnen. Ze draagt een jurk. Gebroken wit met dikke zwarte knopen.
In het ruim van die boot, om nog wat te drinken. Ik had het smalle deurtje nog niet achter me dichtgetrokken of Vera duwde haar lijf tegen me aan en kuste me. Niet meer alleen een hand op mijn been of even langs mijn gezicht strelen, dat kon allemaal toeval zijn of alleen een spel voor deze avond. Ze was direct.
Ik zie de keuken, ik zie de woonkamer, inderdaad veel groen: planten met enorme bladeren, een leesstoel, achter grote ramen de tuin.
Ik zie cactussen, vetplantjes op de groene vensterbank. Een weiland waar een vrachtwagen doorheen rijdt. Hadden ze die er niet uit kunnen knippen?
‘We zochten al een hele tijd een huis om onze eigen draai aan te geven,’ zegt Paul. Ze staat naast hem in de keuken, voor een wand met groene tegeltjes. Haar mond iets vertrokken alsof ze ook iets wil zeggen. Een stel. Samen een oude boerderij gekocht.
Hij praat maar door, zij wacht af. Een hand op het aanrecht. Hij vertelt over hun zoektocht naar een huis en zij onderbreekt hem weer: ‘… het duurde ook echt heel lang.’ Dan zwijgt ze weer.
Een oude foto van het huis. Ze vonden toch iets. Dan komt ze close-up in beeld. ‘Koop het maar.’ Ze heeft glinsterende ogen. Niks veranderd.
‘We moesten het hebben,’ zegt ze.
Doortastend was ze toen al. Dat zei ze niet veel later in de kleine slaapcabine ook, in het bed met de schuine randen.
De voice-over vertelt dat het huis eerst nog niet echt leefbaar was en dat ze veel moesten verbouwen. ‘Paul en Vera moesten flink aan de bak.’
Dat ken ik van haar, ja. Een dieseltje.
‘En nu, vijf jaar later, met een nieuwe baby op komst, zijn er nog altijd nieuwe klussen.’
Ik moet slikken. Ze hebben dus een kindje. Maar die nieuwe baby? Gaan ze nog iets zeggen over die nieuwe baby?
Ze is dan zeker twaalf weken zwanger, anders zeg je zoiets niet. Maar aan haar buik is niets te zien. Dus meer dan vier of vijf maanden zal ze niet zwanger zijn.
Ik tel koortsachtig.
Wanneer was dat festival? Het was erg koud. Het staat in mijn agenda, maar ik wil dat niet opzoeken, ik wil niet weg van de tv.
Het was in december.
De beelden verklappen dat het nu voorjaar is, alle planten in de tuin zijn groen en staan in bloei. Het is natuurlijk al een tijdje geleden opgenomen. Het is nu augustus.
De voice-over: ‘Ja, er moest heel veel verbouwd worden.’
‘We hebben besloten eigenlijk ieder jaar één groot project aan te pakken,’ zegt mijn Vera, ‘zodat het een beetje overzichtelijk blijft.’
Paul staat naast haar te knikken.
Overzichtelijk. Kolere zeg.
‘We zijn begonnen met de uitbouw.’
Nu ik haar zo zie staan tegen dat aanrecht denk ik toch iets aan haar buik te kunnen zien. Ze is wat forser geworden. Haar heupen. Haar gezicht.
Ze heeft half lang haar, tot haar schouders. Dik bruin haar. Mooie ogen. Ik herinner me vooral die ogen. Haar haar was toen langer. Ik kon eraan trekken.
Paul zegt: ‘Twee jaar later zijn we hier beneden begonnen.’
Ze zegt nog iets over de vloer, over de uitbouw of een opbouw. Ik luister gespannen maar hoor de helft niet.
Het was ergens tussen Sinterklaas en Kerst. Daar passen meestal twee weekenden tussen en dit soort avonden of filmfestivals doen het meestal niet zo goed in die tijd, als iedereen druk is met de feestdagen, toch kon ik die avond naar Groningen. Vierhonderd euro, exclusief reiskosten.
De laatste trein terug is een drama, dus ik had gevraagd of ik ergens kon overnachten. Dat kon geregeld worden, geen probleem.
‘De opbouw is de grootste klus geweest.’
In het grote café zat ik met twee schrijvers en een andere regisseur die ook hun kunstje gedaan hadden. Een van de schrijvers, een grote man met warrig haar, trok veel publiek, en aandacht na afloop. De andere schrijver was relatief onbekend.
Vera zegt: ‘We konden een groene vloer nemen.’
De voice-over: ‘Gelukkig is Paul heel handig en Vera, vanwege haar werk als interieurstylist, heel creatief. Dus een ideale combi. Nu, vijf jaar later, met een nieuwe baby op komst, hoeven ze zich nog steeds niet te vervelen, want er zijn altijd weer nieuwe klusprojecten.’
Waarom herhalen ze alles?
Paul verschijnt in close-up in beeld. ‘Ik heb echt honderd procent vertrouwen in Vera…’
Hij is een beetje grijs bij de slapen. ‘…maar toen je zwanger werd merkte ik opeens dat ik er niet meer zo veel vertrouwen in had want de keuzes voor de kinderkamer…’ Hij kletst maar door. Vera lacht. Ze heeft mooie rechte tanden. Dat zei ze toen nog tegen me. Dat mijn tanden scheef staan, dat ze dat sexy vindt.
Hoe staan de tanden van dat baardje?
Het stukje uit het voorfilmpje wordt herhaald.
‘Toen zijn we doorgeslagen.’
Ik kan een glimlach niet onderdrukken maar blijf tegelijk bezorgd. December. Augustus. Voorjaar.
‘Eigenlijk kwamen we er later achter dat de vloer helemaal duurzaam gemaakt wordt,’ zegt ze.
Eigenlijk. Dat zei ze toen ook. Eigenlijk wel een leuke plek. Die boot. Eigenlijk wel een mooie avond zo. Eigenlijk kan voorlezen best leuk zijn.
Alles was eigenlijk wel leuk.
‘Alles is van gerecycled materiaal.’
Paul vult aan: ‘Dat is wel een prettig idee.’
Ze recyclen alles, denk ik.

[…]

Deel 2 volgt donderdag 29 oktober.