Na tien jaar vertrekt Jan van Mersbergen als redacteur van De Revisor. Als afscheid zijn korte verhaal Groen, dat in twee delen op de website zal verschijnen. Vandaag het eerste deel.

*

Het scherm van de tv is nog zwart maar het geluid klinkt al: ‘Vera en Paul gaan in hun oude boerderij voor groen.’
Vera, denk ik. Groen.
Ze verschijnen in beeld. Vera en Paul. Zie je wel.
Afgelopen winter moest ik in een café in Groningen een lezing geven over Film noir. Nergens in het land willen de mensen er nog iets van weten, maar in het noorden liep de zaal vol.
Ik bleef daar slapen. Wat Vera daar moest doen weet ik nog steeds niet. In ieder geval was ze in Groningen.
Paul zegt: ‘De groene vloer zag ik eh… echt wel zitten…’ Hij heeft een hoge stem.
Vera vult aan: ‘… en toen zijn we doorgeslagen. Groene tegels. Groene vensterbanken.’
Paul zegt: ‘Alles groen.’
Het is een aankondiging van het programma dat zo meteen op net 2 te zien is.
Ik bleef slapen op een boot die ergens bij het station in het water lag. Ik weet nog goed hoe ze me voorging over de loopplank, hoe ze het trapje afdaalde het ruim in.
Ik wacht tot het programma begint, tot Vera weer in beeld zal komen, met haar klassieke gezicht, blosjes op haar wangen.
De begintune. De trompetten schallen, er komt een huis in beeld en de voice-over zegt:
‘In een rustig Noord-Hollands dorpje wonen Paul en Vera, samen met hun dochtertje Suus in een oude boerderij.’
Ik wist niet dat ze in Noord-Holland woonde. Ze vertelde me destijds dat ze uit Amsterdam kwam.
‘Als ze het huis in 2014 voor het eerst zien, zijn ze meteen verkocht.’
Vera was die avond een beetje dronken, en ook toen vrij vlot verkocht.
Paul doet de voordeur open. ‘Welkom,’ zegt hij. Aardig. Hij heeft een soort ringbaardje.
Op de achtergrond staat Vera met het kindje in haar armen. De cameraman schuift langs haar naar binnen. Ze draagt een jurk. Gebroken wit met dikke zwarte knopen.
In het ruim van die boot, om nog wat te drinken. Ik had het smalle deurtje nog niet achter me dichtgetrokken of Vera duwde haar lijf tegen me aan en kuste me. Niet meer alleen een hand op mijn been of even langs mijn gezicht strelen, dat kon allemaal toeval zijn of alleen een spel voor deze avond. Ze was direct.
Ik zie de keuken, ik zie de woonkamer, inderdaad veel groen: planten met enorme bladeren, een leesstoel, achter grote ramen de tuin.
Ik zie cactussen, vetplantjes op de groene vensterbank. Een weiland waar een vrachtwagen doorheen rijdt. Hadden ze die er niet uit kunnen knippen?
‘We zochten al een hele tijd een huis om onze eigen draai aan te geven,’ zegt Paul. Ze staat naast hem in de keuken, voor een wand met groene tegeltjes. Haar mond iets vertrokken alsof ze ook iets wil zeggen. Een stel. Samen een oude boerderij gekocht.
Hij praat maar door, zij wacht af. Een hand op het aanrecht. Hij vertelt over hun zoektocht naar een huis en zij onderbreekt hem weer: ‘… het duurde ook echt heel lang.’ Dan zwijgt ze weer.
Een oude foto van het huis. Ze vonden toch iets. Dan komt ze close-up in beeld. ‘Koop het maar.’ Ze heeft glinsterende ogen. Niks veranderd.
‘We moesten het hebben,’ zegt ze.
Doortastend was ze toen al. Dat zei ze niet veel later in de kleine slaapcabine ook, in het bed met de schuine randen.
De voice-over vertelt dat het huis eerst nog niet echt leefbaar was en dat ze veel moesten verbouwen. ‘Paul en Vera moesten flink aan de bak.’
Dat ken ik van haar, ja. Een dieseltje.
‘En nu, vijf jaar later, met een nieuwe baby op komst, zijn er nog altijd nieuwe klussen.’
Ik moet slikken. Ze hebben dus een kindje. Maar die nieuwe baby? Gaan ze nog iets zeggen over die nieuwe baby?
Ze is dan zeker twaalf weken zwanger, anders zeg je zoiets niet. Maar aan haar buik is niets te zien. Dus meer dan vier of vijf maanden zal ze niet zwanger zijn.
Ik tel koortsachtig.
Wanneer was dat festival? Het was erg koud. Het staat in mijn agenda, maar ik wil dat niet opzoeken, ik wil niet weg van de tv.
Het was in december.
De beelden verklappen dat het nu voorjaar is, alle planten in de tuin zijn groen en staan in bloei. Het is natuurlijk al een tijdje geleden opgenomen. Het is nu augustus.
De voice-over: ‘Ja, er moest heel veel verbouwd worden.’
‘We hebben besloten eigenlijk ieder jaar één groot project aan te pakken,’ zegt mijn Vera, ‘zodat het een beetje overzichtelijk blijft.’
Paul staat naast haar te knikken.
Overzichtelijk. Kolere zeg.
‘We zijn begonnen met de uitbouw.’
Nu ik haar zo zie staan tegen dat aanrecht denk ik toch iets aan haar buik te kunnen zien. Ze is wat forser geworden. Haar heupen. Haar gezicht.
Ze heeft half lang haar, tot haar schouders. Dik bruin haar. Mooie ogen. Ik herinner me vooral die ogen. Haar haar was toen langer. Ik kon eraan trekken.
Paul zegt: ‘Twee jaar later zijn we hier beneden begonnen.’
Ze zegt nog iets over de vloer, over de uitbouw of een opbouw. Ik luister gespannen maar hoor de helft niet.
Het was ergens tussen Sinterklaas en Kerst. Daar passen meestal twee weekenden tussen en dit soort avonden of filmfestivals doen het meestal niet zo goed in die tijd, als iedereen druk is met de feestdagen, toch kon ik die avond naar Groningen. Vierhonderd euro, exclusief reiskosten.
De laatste trein terug is een drama, dus ik had gevraagd of ik ergens kon overnachten. Dat kon geregeld worden, geen probleem.
‘De opbouw is de grootste klus geweest.’
In het grote café zat ik met twee schrijvers en een andere regisseur die ook hun kunstje gedaan hadden. Een van de schrijvers, een grote man met warrig haar, trok veel publiek, en aandacht na afloop. De andere schrijver was relatief onbekend.
Vera zegt: ‘We konden een groene vloer nemen.’
De voice-over: ‘Gelukkig is Paul heel handig en Vera, vanwege haar werk als interieurstylist, heel creatief. Dus een ideale combi. Nu, vijf jaar later, met een nieuwe baby op komst, hoeven ze zich nog steeds niet te vervelen, want er zijn altijd weer nieuwe klusprojecten.’
Waarom herhalen ze alles?
Paul verschijnt in close-up in beeld. ‘Ik heb echt honderd procent vertrouwen in Vera…’
Hij is een beetje grijs bij de slapen. ‘…maar toen je zwanger werd merkte ik opeens dat ik er niet meer zo veel vertrouwen in had want de keuzes voor de kinderkamer…’ Hij kletst maar door. Vera lacht. Ze heeft mooie rechte tanden. Dat zei ze toen nog tegen me. Dat mijn tanden scheef staan, dat ze dat sexy vindt.
Hoe staan de tanden van dat baardje?
Het stukje uit het voorfilmpje wordt herhaald.
‘Toen zijn we doorgeslagen.’
Ik kan een glimlach niet onderdrukken maar blijf tegelijk bezorgd. December. Augustus. Voorjaar.
‘Eigenlijk kwamen we er later achter dat de vloer helemaal duurzaam gemaakt wordt,’ zegt ze.
Eigenlijk. Dat zei ze toen ook. Eigenlijk wel een leuke plek. Die boot. Eigenlijk wel een mooie avond zo. Eigenlijk kan voorlezen best leuk zijn.
Alles was eigenlijk wel leuk.
‘Alles is van gerecycled materiaal.’
Paul vult aan: ‘Dat is wel een prettig idee.’
Ze recyclen alles, denk ik.

[…]

Deel 2 volgt donderdag 29 oktober.

Nieuw proza op DeRevisor.nl: lees Joep Stapels ‘Schaapskop’, een verhaal over een kater, een café en een verdwenen gitaar.

*

Ik ben hier te oud voor, dacht Kazimir toen hij lang genoeg naar het systeemplafond had geknipperd om de coördinaten op een rijtje te krijgen. Vlakbij klonk gesnurk. Mat licht viel door de grote ramen, gordijnen waren er niet. De centrale verwarming loeide. Lege flessen, borden met etensresten en peuken. Hij had geslapen in een nest van kussens. Zijn rug zeurde. Zijn geeuw ontaardde in een hoestbui.
Het schaap keek hem recht aan. De ogen glansden. Iemand had een damesonderbroek over de viltige kop gesjord, respectloos eigenlijk, al leek het dier zich er weinig van aan te trekken.
Kazimir kleedde zich aan, dronk water uit een vettige mok die hij drie keer vulde, stommelde tussen de lichamen door de kamer uit, hielp in het trappenhuis een Noord-Afrikaanse man met een kinderwagen, liep door straten die hij aan de lopende band herkende en belde aan bij de karakteristieke buitenlamp.
Een kale man met plukjes tattoo uit de boorden van zijn shirt deed open en zei dat hij aan het verkeerde adres was. De vriendelijkheid van de kale man ten spijt ervoer Kazimir dat als een opluchting.
Hij bestelde zwarte koffie in een café dat absoluut hetzelfde café was als gisteravond, de ronde bar, de mozaïekvloer, en deed navraag bij de bediening. De vrouw die zijn koffie bracht veegde haar handen af aan haar schort, blies nadenkend een lok uit haar gezicht en zei dat ze haar collega zou vragen.
Het café was nagenoeg leeg, in de hoek zat een groepje scholieren te kaarten, een verlopen kerel in een vettig colbertje leek vergroeid met de bar. Aan de muur hingen posters van Le Chat Noir, maar hij was niet in Parijs.
Hij nam een slok koffie. Het schaap was nogal hardhandig van de muur getrokken, waarschijnlijk iets te ruw om nog ludiek te zijn. Hij overwoog de jongens een bericht te sturen, breng dat ding even terug, maar een andere serveerster naderde zijn tafeltje, trok een stoel naar achter en ging zitten.
‘Heeft zij je gestuurd?’
‘Niemand heeft mij gestuurd.’
‘Dat geloof ik niet.’
‘Dan geloof je het niet.’
‘Er zijn mensen bóós.’
‘Ja, ik zorg dat ze dat ding terugbrengen.’
‘Heb je mij gezien?’
‘Dat weet ik niet meer.’
‘Ik was er niet.’
‘Dan zal ik je wel niet gezien hebben.’
De serveerster boog voorover en keek hem strak aan.
‘Volgens mij zit je uit je nek te lullen,’ zei ze. Ze stond zo bruusk op dat haar stoel omviel.
Iedereen in het café draaide zich naar zijn tafeltje, behalve de stamgast, die met zijn hoofd in het bakje servetten op de toog in slaap was gevallen.
De serveerster zette de stoel recht en verdween.
Toen ze even later kwam afrekenen, een geheimzinnige gloed in haar gezicht, tikte ze met haar lange rode nagel op het bonnetje, net zo lang tot hij expliciet te verstaan gaf dat hij het gezien had, ja, het adres dat erop was geschreven, waarna ze geschrokken een vinger tegen haar lippen legde.

Het huis leek exact op dat van de kale met de tatoeages, maar nu deed iemand anders open. Zulke lantaarns waren kennelijk in de mode.
‘Ik heb mijn gitaar laten staan,’ zei hij.
In de deuropening stond een zwarte man in een blauw kostuum met gouden manchetknopen. Er stak een boek onder zijn arm. Kazimir had hem vannacht ook gezien, naakt en geblinddoekt, in een rollenspel.
‘Er is hier geen gitaar,’ zei de man.
‘Jawel, ik heb hem achter de bank gezet.’
‘Het spijt me.’
‘Kun je even kijken?’
‘Ben je een vriend van Miss Lily?’
‘Ik ken geen Miss Lily. Ik wil alleen mijn gitaar.’
‘Waarom heb je hem dan laten staan?’
‘Ik ging een frisse neus halen met een van je andere gasten. Toen we terugkwamen was alles donker.’
‘Je bent aan het verkeerde adres, kameraad. Dit is alleen met uitnodiging.’
‘We konden gewoon doorlopen. We gingen mee met een kerel, Tomek geloof ik. Of Olaf. Komt hier vaker.’
‘Zegt me niks.’
‘Klein, dik. Louche type. Eerst gingen we naar een café en toen kwamen we hier. Misschien weet hij het.’
De man keek hem koeltjes aan. Hij deed de deur dicht.
De plek achter de bank.
Tomek. Olaf. Had hem erop gewezen.
Kazimir wreef in zijn gezicht. Hij was echt te oud voor deze onzin.
De deur ging open, met een olijk rolletje van zijn hand gebaarde de man naar de hal.
Kazimir wierp een blik achter de bank. Pas de guitare, zouden ze in Parijs zeggen. De man ging hem voor naar een stalen wenteltrap, de treden waren bekleed met hoogpolige beige vloerbedekking, en de bovenverdieping ook, als een vacht. Beige gordijnen tot op de vloer.
‘Laarzen uit.’
Kazimir trok zijn laarzen uit en volgde de man door een lange smalle gang. Hij telde elf deuren, de bovenverdieping strekte zich uit over meerdere panden. De vloerdekking was heerlijk zacht. Door een kier ving hij een glimp op van een naakt lichaam dat aan kettingen hing. Er klonk barokmuziek. Aan het einde van de gang was weer een wenteltrap.
De man liet hem binnen in een luxueus ingericht vertrek, met beige vloerbedekking en een hemelbed.
‘Miss Lily,’ zei hij.
Op de rand van het bed zat een vrouw in een roze peignoir, met krulspelden onder een haarnetje. In haar armen lag een beige poes. Ze droeg een roze legging. Kazimir schatte haar tussen de vijfendertig en de vijfenzestig.
‘Dus Timon heeft jou meegenomen.’
‘Timon, dat was het. Een zelfvoldaan, zweterig ventje, lult je de oren van je kop.’
‘Timon is mijn zoon. En beoogd opvolger. Hij was erg boos vanochtend.’
‘Anders ik wel. Hij heeft mijn gitaar gejat.’
‘Het is geen makkelijke jongen. Ik laat hem oefenen met het café. Timon heeft talent voor rode cijfers, ondanks mijn kapitaalinjecties.’ Het zag er obsceen uit, zoals ze haar ogen samenkneep. ‘En nu beweer jij dat hij een dief is.’
‘Ik wil alleen mijn gitaar terug. Bel hem maar, ik wacht wel.’
Miss Lily viste een zilveren sigarettendoos en een zilveren sigarettenhouder op tussen de kussens.
‘Je meent het, van die gitaar.’ Ze hield hem het geopende doosje voor. ‘Leroy.’
Kazimir nam een sigaret. Zijn telefoon ging, hij drukte de oproep weg.
Leroy, die verderop zat te lezen, kwam overeind, richtte een klein pistooltje op Kazimirs gezicht en gaf hem vuur.
‘Wat lees je?’
Leroy hield het boek omhoog, op de kaft stonden rare letters.
‘Is het wat?’
‘Dostojevski.’
‘Aanrader?’
Leroy zei iets dat onvriendelijk bedoeld leek, in een taal die klonk als Russisch.
Miss Lily keek hem door de rookdampen langdurig aan. Kazimir zag de uitgroei op haar haargrens. De foundation vertoonde barsten. Maar haar ogen sprankelden.
‘Schaam jij je voor je dromen?’
‘Mijn dromen? Moet je luisteren –’
‘Sluimeren er verlangens in je buik waarvan je schrikt? Heb je weleens iets in je anus gestopt dat over de grens ging, over je eigen grenzen? Welke ontkenning draag je met je mee?’
‘Ik weet vrij zeker dat ik hem niet mijn anus heb gestopt, Miss Lily.’
‘Wat zou je als laatste verklappen, onder druk?’
‘Is dat een dreigement?’
‘Je ziet er beroerd uit. Ongelukkig. Niets heilzamer dan je uitleveren aan de wil van iemand anders. Vrij in je hoofd zijn, zoals Leroy.’
‘Hou toch op.’
Zijn telefoon ging opnieuw. Hij besteedde er geen aandacht aan en prikte met zijn wijsvinger in Leroys richting. ‘Je bent een vrij mens, kameraad Leroy. Vergeet dat niet.’
‘Je bedoelt dat mijn seksuele psychodrama je ongemakkelijk maakt omdat ik zwart ben,’ zei Leroy.
‘Ik bedoel dat je deze flauwekul niet hoeft te slikken.’
‘Ik ben haar slaaf. Er is een contract. Ik sta volledig tot haar beschikking.’
Kazimir wilde nog iets zeggen, maar hij wist niet wat. Zijn telefoon ging nog steeds en hij nam op.
‘De motor loopt, Kaz. Waar zit je?’
Het was Dennis, de tourmanager.
‘Een of andere klootzak heeft mijn gitaar gejat.’
‘Welke gitaar?’
‘De Gibson.’
‘De Gibson staat al in de bus. Waar ben je?’
‘Weet je dat zeker?’
‘Anders krijg je een nieuwe van me.’
‘Een Gibson waar Wes Montgomery op heeft gespeeld?’
‘Als je maar opschiet.’
Ergens in dit land was een zaaltje waar een stel onbekenden op hem wachtte. Een man of twintig. Ze kenden zijn teksten uit hun hoofd. Na afloop kochten ze drank voor hem. Het was voorspelbaar, het was teleurstellend, maar hij had geleerd hen dankbaar te zijn.
Ja, een vrij man.
‘Pik me maar op bij dat café van gisteren.’
‘Zorg dat ze je niet zien. We hebben een verrassing. Een plastictas vol briefjes van vijftig, Kaz. Als in een film. Zat in die schapenkop.’
Kazimir borg zijn telefoon op, drukte zijn peuk uit en keek Miss Lily aan. Haar glimlach was verdwenen. Hij draaide zich om en liep naar de deur, voelde aan de knop. De deur zat op slot.
‘De deur zit op slot.’
‘Nee toch,’ zei Miss Lily.
‘Zou je hem willen openmaken?’
‘Leroy.’
Leroy klapte zijn boek dicht, zuchtte en staarde dromerig voor zich uit.

Nieuw proza op DeRevisor.nl: lees Martijn van Liths ‘Het eiland’, een scène uit een jeugd. Zomers en droevig.

*

We dronken ananasbreezers, die eindeloze snikhete zomer dat Merel doodging. Elke dag fietsten we naar het eiland dat eigenlijk geen eiland was, maar met een smal bruggetje aan het vasteland vastzat. Zij altijd voorop, op die knalrode fiets met balletjes in de spaken. Handen los, tot aan het bruggetje altijd de handen los. Raoul en ik er een stukje achter – kletsend, lachend, kijkend. Het bandje van haar spaghettishirt, de moedervlekken die ik soms probeerde te tellen als Raoul met één hand aan zijn fiets een peuk uit zijn broekzak graaide. Van zijn broer gejat.
Op het eiland lieten we onze fietsen en onszelf in het gras vallen. Daar lagen we, te kijken naar de luchten, de koeien, het water. Merel praatte, wij luisterden. Gaven haar antwoord wanneer ze iets vroeg. Lachten wanneer ze een grap maakte. Bloosden wanneer ze wilde weten hoe vaak we ons aftrokken. Aan het eind van zo’n middag fietsten we elk onze eigen weg naar huis. We aten, sliepen en wachtten tot het weer tijd was om naar het eiland te gaan.

*

De laatste vrijdag van de vakantie, Raoul is er niet. Zijn moeder zegt dat hij morgen weer komt. Ik fiets door naar het huis van Merel.
‘Jammer’, zegt ze.
We fietsen naast elkaar. Op haar gezicht heeft ze geen moedervlekken.
‘Wat kijk je?’
Ik kijk weg.

We liggen al een tijdje in het gras als Merel opstaat. Zonder waarschuwing trekt ze haar T-shirt uit, dan haar broek.
‘Ik ga zwemmen. Ga je mee?’
Ik durf nauwelijks haar kant op te kijken. Een zwembroek heb ik niet bij me.
Ze lacht, trekt een sprint naar het strandje en loopt zo het water in. Even houdt ze haar pas in, dan stort ze zich voorover in de plas. Ze strijkt door haar blonde haar dat nu donkerder is en zwaait naar me. Merel, in haar ondergoed, zwaaiend naar mij. Wachtend op mij.
En ik blijf zitten.

Samen drinken we de breezers leeg die ze in een Albert Heijn-tas heeft meegenomen.
‘Ik ben een beetje verkouden,’ zeg ik. ‘En ik heb ook geen zwembroek bij me.’
Ze lacht. ‘Het is goed, hoor.’ Is ze vrolijker dan anders?
Na twee flesjes komt ze wat dichter bij me zitten. Haar T-shirt en broek heeft ze weer aangetrokken. Ze legt haar hoofd tegen mijn schouder, haar blonde haar is weer bijna blond. Ik strijk erdoorheen, zachtjes. Ze kijkt op en glimlacht. Dan sluit ze haar ogen.
Maandag begint het nieuwe schooljaar.

*

De volgende dag ben ik weer op het eiland, met Raoul. Merel is bij haar oma op de camping twee dorpen verder.
We liggen in het gras, nu met z’n tweeën. Raoul haalt een draagbare cd-speler uit zijn moeders fietstas. Pioneer, staat erop. We hebben één cd: Blink 182, Enema of the State. Een blonde verpleegster in een kort jurkje met een grote spuit in haar hand.
‘Lekker wijf, toch?’ Hij geeft me een stomp.
‘Zeker. Ja, man.’
Blink 182, heel die eindeloze stikhete zomerdag lang uit de boxen van die ouwe Pioneer, tot de ananas onze neuzen uitkomt en we rozig onze fietsen pakken.
Ik krijg de mijne niet van het slot, gooi hem boos op de grond en laat me opnieuw in het gras vallen. Raoul schudt zijn hoofd, pakt mijn fiets op en draait in een soepele beweging het slot open. Hij zet de fiets op de standaard en maakt een buiging. Ik knijp hem in zijn arm, die stevig aanvoelt.
Morgen begint het nieuwe schooljaar.

*

‘Heb je lekker geslapen?’ vraagt mijn moeder. Ik knik. Mijn vader is aan het bellen. Hij zegt dat ik er zal zijn, dat Raoul mee kan rijden. Zijn zinnen klinken ingestudeerd. Mijn moeder schenkt thee voor me in en vraagt nog een keer of ik goed heb geslapen.
‘Mam, is er iets?’
Ze kijkt naar buiten en blijft het zakje in mijn thee dompelen tot het koffie wordt.
‘Mam. Wat is er?’
Ze kijkt eerst naar mijn vader, die knikt, en dan naar mij.
‘Ga even zitten, schat. Er is iets gebeurd. Iets ergs.’

*

We komen op school aan, waar iedereen normaal doet. Alleen Raoul en ik weten er nog van. En Fieke waarschijnlijk, het enige meisje uit haar klas waar ze mee kan opschieten. Daar komt ze het plein op lopen. Raoul zegt dat haar tieten groter zijn geworden in de vakantie. Ik geef hem een stomp. We lopen het lokaal in, waar meneer Heinz al klaarstaat. Onze  mentor. Voor hem op het bureau staat een doos tissues van Euroshopper.
Heinz wipt heen en weer op zijn brede Mephisto-schoenen en plukt aan het zakje van zijn bruine geruite overhemd, dat aan het eind van iedere schooldag vol zit met krijtvlekken. Hij wacht tot iedereen een plek heeft gevonden en kucht. Naast hem staat een vrouw die hij voorstelt als ‘de vertrouwenspersoon’. Een vrouw met kort haar en een fleecetrui, die we weleens door school zien lopen. Om de een of andere reden noemen we haar altijd Wim. Ik kijk naar Raoul, maar hij zit met zijn hoofd naar beneden.
Heinz neemt het woord. Hij laat steeds een pauze vallen voor het woord ‘dood’, alsof hij nog op een beter te aanvaarden synoniem wacht. De klas is stilgevallen, leerlingen kijken elkaar verbaasd aan. Heinz kijkt rond en knikt naar Wim.
Ze doet een paar stappen naar voren. We moeten weten dat haar deur altijd voor ons openstaat. Dat het niet raar is om hulp te vragen. Haar trui, de haren die ik er vanaf de achterste rij op zie liggen, de serieuze blik: ze nodigen niet uit tot een warme omhelzing, maar misschien kan ze heel goed luisteren.
Heinz vraagt of er nog vragen zijn.
Stilte. Tranen.
Fieke loopt de klas uit, Wim erachteraan.
Raoul en ik kijken elkaar aan. Hij slaat zijn arm om mijn schouders en ik probeer te glimlachen.

*

Het kerkje propvol. Tot aan het hek met de leeuwen staan mensen onder paraplu’s. Ik zie Merels oma, bij wie we vroeger weleens pannenkoeken hebben gegeten. We maakten er een wedstrijd van en ik won. Een halve emmer kots en eeuwige roem. Oma heeft een doorzichtige paraplu in haar hand. Ze ziet me en glimlacht. Oma pannenkoek.
Haar moeder spreekt. Haar moeder breekt. Er klinkt trage, dromerige muziek die Merel ‘werkelijk prachtig had gevonden’. Ik kijk opzij, Raoul haalt zijn schouders op. Het kan. Bij ons luisterde ze naar Slipknot en Korn; riep ‘pussymuziek’ wanneer wij Green Day opzetten, maar natuurlijk, het kan.
Na een stukje Mahler dat Merel ook ‘schitterend had gevonden’, is het de beurt aan een meisje dat ik niet ken. Ze heet Sophie en wordt aangekondigd als Merels beste vriendin. Ze kennen elkaar van de vioolles waar Merel na een jaar mee was gestopt. Sophie leest een gedicht voor van Guido Gezelle. Dan kijkt ze plechtig de zaal in, neemt nog een slok water en loopt weer richting haar stoel. Onderweg omhelst ze Merels vader, de volgende spreker. Hij heeft het steeds over ‘mijn dochter’, alsof hij haar naam al is verloren.
Sophie speelt nog viool en daarna mag iedereen langs de kist lopen. Raoul en ik blijven even staan, naast elkaar. We buigen tegelijk ons hoofd alsof we het hebben geoefend.            

*

Pauze. Raoul en ik samen in de klas, ons mentorlokaal. Door de open ramen horen we horen onze klasgenoten voetballen. Buiten is het half oktober, binnen ruikt alles naar augustus. Ananas. Alcohol. Kokosijs. Jongenszweet en stilstaand water.
Merels foto hangt aan de muur, haar tafeltje is leeg, haar kaarsje brandt. Een engel die een vlam vasthoudt. Het brandt van acht uur ‘s ochtends tot iets na vieren. Heinz heeft een doos waxinelichtjes in zijn la liggen, de la die hij vorig schooljaar soms hard dichtgooide als het te rumoerig werd.
Gejuich van buiten, iemand heeft een doelpunt gemaakt. Raoul wrijft in zijn ogen, doet zijn mond langzaam open. ‘Was jij….’ Hij kijkt naar zijn tafeltje. ‘Was jij ook verliefd op haar?’
Ik kijk naar de etui in de hoek van mijn tafel en dan langzaam omhoog. Zijn bruine ogen, zijn mooie bruine ogen waar altijd iets zachts in ligt.
We kijken elkaar aan, ik schud mijn hoofd en kijk weer naar beneden, naar ons eiland van glanzend beukenhout. Een verdieping hoger verschuift iemand een tafel.
‘Nee, ik was niet verliefd op haar.’
De bel gaat en nog heel even is het stil in ons lokaal.

Ik bezoek mijn vader in Italië. Mijn oom haalt me op van het vliegveld; met een hand bestuurt hij zijn Hyundai, met de andere houdt hij zijn mobiel tegen zijn oor. Hij praat over werk. We rijden een heuvel af, draaien door haarspeldbochten. Ik zie groen op groen met hier en daar een rotspartij. Op de kammen van de heuvels staan windmolens; de grijze wieken draaien snel, alsof ze iets in te halen hebben.
‘Op vrijdag heb ik een congres, dan kan ik niet langskomen,’ zegt mijn oom als hij de telefoon heeft weggelegd, ‘maar ik ben er voor het dorpsfeest. Dat zal wel in het water vallen met dit weer. Bizar, deze lente.’
Vrijdag wordt papa achtentachtig. Toen ik hem aan de lijn had gisteren, hadden we het erover. Echt, zo oud al? vroeg hij.
In het huis van mijn vader is het koud. De cv-ketel werkt niet meer, maar aan de telefoon heeft papa er niets over gezegd. Ik trek een vestje aan en drink een glas wijn. Gelukkig heb ik afgelopen kerst, toen ik spullen weggooide, het elektrisch kacheltje bewaard. Ik zet het in de woonkamer. Wanneer ik mijn handkoffer uitpak klinkt uit de badkamer gestommel. Papa vloekt. Ik loop erheen. Hij staat met een schroevendraaier voor de cv-ketel.
‘Je krijgt nog een schok,’ zeg ik.
‘Dat weet ik allemaal wel. Sara.’ Hij spreekt mijn naam met nadruk uit, zoals hij deed toen ik klein was.
Op de wc-pot staat een kruk.
‘Wat doet die daar?’ vraag ik tegen beter weten in.
‘Ik moest ergens op klimmen om bovenop de ketel te kijken.’

‘Zullen we naar de doe-het-zelf zaak gaan,’ stel ik de volgende ochtend voor als ik hem overtuigd heb een nieuwe cv-ketel te kopen.
‘Welke? Die aan de hoofdweg? Daar hebben ze geen ketels.’
‘Ben je al gaan kijken?’ vraag ik en adem diep in.
‘Nee. Maar dat weet iedereen.’
‘Laten we dadelijk even binnenlopen.’
Bij de doe-het-zelf zaak hebben ze wel ketels. Ze staan op een laag schap: vierkante witte kasten die er allemaal hetzelfde uitzien. Ik wijs er een aan.
‘Wat vind je van deze?’ vraag ik.
Papa duwt zijn kin naar voren, een beweging die hij maakt als hij iets afkeurt: ‘Die zijn voor in de keuken.’
Ik wenk een medewerker. Hij vraagt ons hoeveel kilowatt vermogen de ketel moet hebben. Twintig kilowatt. Die van twintig, vertelt de medewerker, staan verpakt in de opslag.
‘Ik wil er een zien,’ zegt papa.
‘Ze zijn hetzelfde als deze van veertig,’ zegt de medewerker. Zijn schouders gaan omhoog en weer omlaag, alsof van boven aan touwtjes wordt getrokken.
‘Je zei net dat ze kleiner zijn,’ zegt papa.
We mogen mee naar de opslag. De medewerker maakt een doos voor ons open.
‘Plaatsen jullie ze ook?’ vraag ik.
‘Nee, maar ik kan jullie wel het telefoonnummer van een monteur geven.’ De medewerker schrijft het nummer van een zekere Alfredo op een papiertje. ‘Als hij niet kan, zijn er genoeg anderen. Iedereen zit zonder werk.’
Alfredo heeft tijd. Hij haalt de ketel op en brengt hem diezelfde middag langs. Hij is een kleine donkere man, met smalle bakkebaardjes. Mijn vader staat in de badkamer naast hem terwijl Alfredo werkt en vertelt over zijn schoonmoeder. Ze heeft keelkanker gehad. Ik ben met mijn laptop in de woonkamer gaan zitten, maar in plaats van aan een document te werken luister ik mee.
‘Als je goede zorg wilt, hoef je niet naar een openbaar ziekenhuis. Daar zijn de wachttijden lang en de lontjes kort,’ grinnikt Alfredo.
‘Ja,’ zegt papa.
‘De slimme jongeren die kunnen studeren, die gaan naar het buitenland. Daar zijn goede opleidingen en daar is werk. Het zal me niets verbazen als er hier universiteiten gaan sluiten.’
Mijn vader mompelt iets wat ik niet kan verstaan. Hij klinkt ongeïnteresseerd.
‘Wist u dat die kapitein, de lulhannes die zijn cruiseschip liet zinken en zijn passagiers liet verdrinken, les geeft? Aan de universiteit nog wel. Over hoe om te gaan in panieksituaties.’
Papa weet volgens mij niet waar Alfredo het over heeft. Als ik er ben, kijkt hij nooit naar het journaal. Ik kan me het incident wel herinneren; het haalde ook in Nederland de voorpagina’s. De kapitein, Schiettino heette hij, ging als een van de eersten van boord.
‘En de kustwachter die hem aanspoorde zijn plicht te doen is teruggezet naar een baantje bij de administratie,’ zegt Alfredo.

Het waait flink wanneer we later op de dag naar het strand fietsen. Papa zwiert over de weg, met de wind mee als een vlieger. Zo vrij stel ik me hem altijd voor: op de fiets naar het strand, of naar het bos om eekhoorntjesbrood en walnoten te zoeken. Ik fiets tussen hem en de voorbijrazende auto’s in. Na tien minuten klaagt hij dat hij het koud heeft, maar hij wilde geen jas aan. Op zijn onderarm heeft hij een korst; een schram die ik herken van toen hij met kerst tegen een kastje liep. Zijn huid is als vloeipapier.
‘Jij moet eigenlijk een fietshelm,’ zeg ik.
‘De kans dat ik val wanneer ik loop is groter.’
De boulevard is opgebroken. Op de enige parkeerplaats staat een handvol auto’s. Daarin zitten mensen, waarschijnlijk uit het dorp, naar de hoge golven te kijken. Een man is naast zijn vrouw in slaap gevallen.
Papa wil niet mee het strand op. Hij wil zich opwarmen in het café. We spreken af dat ik alleen ga en hij op me wacht.
‘Je zult niet lang blijven, dunkt me,’ zegt hij als ik begin te lopen. ‘Sara, ga maar niet te dicht bij de branding,’ roept hij erachteraan. ‘Ik wacht hier wel tot je beneden bent.’
Ik ga op een beschutte plek zitten van waaruit ik papa in de gaten houd. Ik zwaai naar hem. Als hij de boulevard overgestoken is richting het café, loop ik naar de vloedlijn. Ik sta vol in de wind, de zee stuurt wilde golven tot vlak voor mijn voeten. Voordat ik uit het dorp vertrok, vijfentwintig, bijna zesentwintig jaar geleden, keek ik uren achtereen naar de golven. Sinds een aantal jaren blijf ik maar kort, kijk ik wel, maar zie ze niet echt. Hoe vaak zal ik hier nog staan? Bij elk vertrek neem ik afscheid. Ik sluit mijn ogen en probeer aandachtig naar het beuken van de zee te luisteren. Wanneer ik ze open bij drie, zeg ik tegen mezelf, zie ik de golven weer. Een, twee, drie.
Als ik na een minuutje of twintig naar boven loop, wacht mijn vader me buiten het café op: ‘Je bent doorgelopen, hè. Toen ik weer keek was je weg.’
Ik tuit mijn mond en trommel met mijn vingers tegen mijn dij. Hij knipoogt snel naar me.
Terug naar huis fietsen we langs een eucalyptusbos. Volgens papa was het bosje net aangelegd toen hij een jongen was. Er wordt gezaagd. Als we dichterbij komen, zie ik dat veel bomen geveld zijn: er zijn meer parkeerplekken nodig voor toeristen in de zomer. Midden in een kaal veld is een ellips met overgebleven bomen, nog maar een stuk of tien.
‘Wat vind jij ervan?’ vraag ik papa.
‘De jeneverbesstruiken zijn ook weggehaald. Die bloeiden net.’

Op papa’s verjaardag glip ik naar de duinen om takjes van de jeneverbes te plukken. Ze hebben gele knopjes. Het lijkt me een leuk gebaar want een cadeau heb ik niet voor hem.
Als ik ze op tafel neerleg, staat daar een vaas met erin dezelfde takken. Papa komt de kamer binnen. Zoals hij naar me kijkt, met een twinkeling in zijn ogen, lijkt hij op een kind dat in de nacht onder de kerstboom is wezen snuffelen.
‘Van wie heb je die?’ vraag ik en wijs op de takken in de vaas.
‘Van wie denk je?’
‘Is iemand langsgekomen?’
‘Ik ben bij de duinen geweest!’
Die avond willen we uit eten gaan. We lopen door de regen naar de pizzeria. Papa heeft voor de zekerheid een wekker gezet, opdat we niet te laat komen, maar als we voor de deur staan blijkt het restaurant pas over drie kwartier open te gaan. We lopen naar een zaak waar je pizza’s kunt afhalen. Toen ik jonger was werkte ik voor een bakkerij in het pand. Vlak voor de ingang op de stoep ligt een kitten, de ogen nog dicht met smeersel. De kop ligt in een plasje bloed. Waarschijnlijk is het geraakt door een auto en de stoep op geslingerd. Ik meld aan de knul achter de toonbank dat er een dood dier buiten ligt. Hij lijkt er niet van onder de indruk te zijn, maar zegt dat hij het zal weghalen. Als we onze bestelling hebben, stel ik aan papa voor de achteruitgang te nemen. Hij volgt me naar de zijsteeg.
‘Waar zijn we?’ vraagt hij.
‘We hebben de achteruitgang genomen. Je weet wel, waar vroeger het meel geleverd werd.’
‘Je vergist je.’ Hij kijkt om zich heen, draait een rondje om zijn eigen as.
‘Loop nu maar mee.’ Ik neem hem bij de arm.
‘Ik was echt mijn kompas even kwijt,’ zegt hij even later.
‘Geen goed teken.’
‘Niet echt, nee.’
Thuis eten we de pizza’s en toosten op zijn volgende levensjaar.
‘Deze dag is een cadeautje,’ zegt hij.
Als we afruimen weet hij niet meer waar de afval heen moet. Hij loopt rond met de pizzadozen en legt ze uiteindelijk in het keukenkastje. Alles is zo’n ‘zooi’, bromt hij.

Zondag is het feest ter ere van de dorpspatroon. Naar de ochtendmis gaan we niet, wel naar de gezamenlijke lunch. Papa wil zijn nette kleren aan. Hij draagt een hemelsblauw overhemd, waarvan de mouwen met brede elastieken omhoog gehouden worden, een gilet en een stropdas.
‘Zo,’ zegt hij, ‘Netjes hè.’
‘Heel mooi.’
‘Waar gaan we ook al weer heen? Heb ik mijn paspoort nodig?’
Ik kijk naar hem, naar zijn verwarde blik. Papa drijft af, als een bootje, en ik heb geen touw, geen haak om hem terug te halen. Ik knipper vocht weg uit mijn ogen.
‘Ja,’ antwoord ik met geknepen stem, ‘en je vliegticket.’
Dan begint hij te lachen. Een lach die ik sinds mijn komst niet gehoord heb, eentje die van diep opborrelt en vervolgens zacht giert, die me herinnert aan grapjes die we maakten.
Het beeld van de heilige staat midden op het kerkplein, eromheen zijn tafels opgesteld. Kleine troepen mensen hebben zich erbij geschaard. We voegen ons bij mijn oom. Hij zit aan tafel met een aantal mannen uit het dorp. Ze vertellen over een voorval dat jaren geleden plaatsvond. Toen het maanden achterelkaar niet regende werd het beeld in zee gegooid. De mensen uit het dorp vonden dat de heilige zijn plicht niet volbracht. Omdat het van papier-maché was, zoog het zeewater op. Kijk, zeiden ze, onze heilige barst liever dan dat hij voor regen zorgt.
Wijnflessen gaan van hand tot hand, ingemaakte tuinbonen, kaas en gedroogde worst. Ik heb stukjes kaas en worst op papa’s bordje gelegd. Hij is altijd een langzame eter geweest; eerst bestudeert hij het voedsel nauwlettend, schuift het wat rond, alsof hij een openingszet overpeinst, dan kiest hij een eerste hap en kauwt er lang op. Zijn keuze valt nu op een stukje kaas, hij ruikt eraan en stopt hem in zijn mond. Als mijn oom het over de ochtendmis heeft, zegt de vrolijkste van de mannen: ‘Ik was tien toen ik voor het laatst een voet in de kerk zette.’
‘De bar is jouw geloof,’ zegt mijn oom.
De mannen schenken opnieuw wijn bij en zetten hun lijflied in: we gaan drinken in de bar, in de bar gaan we drinken! Papa neuriet mee, zo zoet, dat ik heel even een arm om zijn schouders sla.
Met z’n drieën wandelen we terug naar huis. We lopen door smalle straten. De luiken van de huizen zijn dicht omdat de huizen verlaten zijn. Langs de weg staat een zwart kippetje, ze lijkt te bibberen van de kou. Papa maakt geluidjes naar haar.
‘We zouden haar kunnen meenemen,’ zegt hij.
‘Wat moet je met een kip?’ vraagt mijn oom.
‘Zodat ze eieren voor hem kan leggen,’ antwoord ik.
Als we bijna de hoek om zijn, blijft mijn vader staan: ‘We nemen haar mee en geven haar iets te eten.’
‘Ze is van iemand,’ zeg ik. De zin galmt in de straat na als het hard dichtvallen van een deur. Plotseling verlang ik naar mijn eigen huis, naar Nederland, zelfs naar mijn werk. Papa lijkt me niet gehoord te hebben, hij loopt terug, maakt sussende geluiden en gebaren naar de kip.
‘Kijken of ze zich laat pakken,’ zegt hij. Maar de kip loopt van hem weg, rechts links, tokkelt luid en lang. Hij gaat gebukt achter haar aan.
‘Laat haar toch,’ zegt mijn oom, desondanks drijft papa de kip op tot in een hoek.
‘Papa, luister nou eens,’ roep ik. Ik loop naar hem toe en grijp naar zijn arm, krijg echter alleen de mouw van zijn overhemd te pakken. Hij trekt zich los, duikt voorover, tilt het hoopje donkere pluimen op en houdt het op ooghoogte voor zich.
‘We doen haar op ons balkon,’ zegt hij.
Mijn oom fronst zijn wenkbrauwen.
‘Ze klagen je aan voor diefstal,’ zeg ik.
We halen hem over de kip in het openbare plantsoen voor ons huis te laten. Papa haalt binnen wat brood, scheurt het in stukjes en staat erbij terwijl de kip eet.
‘Als de Albanese buurman haar ontdekt, gaat hij haar zeker plukken,’ zegt hij.
Mijn oom moet weg; hij heeft nog een afspraak. Ik loop een stukje met hem mee.
‘In het dorp is geen hulp voor je vader. Uiteindelijk zal hij in de stad moeten worden opgevangen,’ zegt hij bij ons afscheid.
Ik knik.

Op de laatste dag van mijn bezoek gaat papa mee tot op het strand. De zon schijnt, maar het strand is zo goed als verlaten. De zee is van een doorzichtig grijsgroen. Een bouwvakker freest of boort, ik hoor het verschil niet.
‘Je wilde gaan zwemmen,’ zeg ik op gegeven moment.
‘O ja. Moet ik mijn kleren uitdoen?’
‘Dat is geen slecht idee.’
Hij opperde eerst, een beetje baldadig, dat hij een frisse duik wilde nemen. Toen waren we al van huis weg zonder zwemspullen, maar papa is dol op zwemmen, dus herinner ik hem eraan. Hij begint zijn kleren al uit te doen. Het gilet, het hemelsblauwe overhemd; hij draagt hetzelfde als gisteren, alleen de das heeft hij niet omgedaan. Dan trekt hij zijn sandalen, zijn sokken, zijn broek uit. Een voor een legt hij ze met lange halen naast me neer.
‘Ik ga dan.’
Hij staat op en loopt richting de branding. Hij draait zich nog een keer om en zoekt mijn blik: ‘Het zal niet te koud zijn, toch?’
‘Maak je benen eerst een beetje nat,’ hoor ik mezelf zeggen.
Van achteren is hij een iele man in een te grote onderbroek en een ouderwets onderhemd. Als meisje wilde ik dat hij me leerde zwemmen. Hij kon helemaal niet goed zwemmen, want hij had het zichzelf geleerd net als alle kinderen uit het dorp. Maar elke keer als ik erover begon, sprong hij op en rende met me mee de zee in. Zo moet je het doen, riep hij dan en hield zijn hoofd krampachtig boven water terwijl hij met zijn voeten achter zich trapte.
Papa is het water ingegleden. Hij doet weer een brave schoolslag, zijn hoofd ruim boven de zeespiegel. Ik kijk naar de duinen rechts waar het licht nu zilverachtig is. De planten hebben een zachte pastelkleur. Ik hoor niets behalve het breken van de golven en de bouwvakker die aan het werk is. Alleen op de golfslag acht ik, nu vlak voor me, even niet op het diepe waar cruiseschepen vergaan en heiligen barsten.
Als ik weer focus op de plek waar papa was, zie ik een lege zee. Het is stil rondom me: de bouwvakker is gestopt met frezen of boren. Ik leg een hand op het hemelsblauwe overhemd en adem ijlere lucht in dan net, mijn lichaam lijkt weg te zinken in het zand. Ik sluit mijn ogen. Als ik ze weer zal openen, denk ik, zie ik zijn hoofd weer boven water komen. Een, twee, drie.

Beeld © Rosanna del Negro

Nieuw proza op Revisor.nl: ‘Nachtrit’. Liedewij Vogelzang roept een nachtelijke wereld op, om in te verdwalen.

*

Op de hoek van Washington Square Park houd ik een taxi aan. Ik groet de chauffeur en neem plaats op de bijrijdersstoel. De auto ruikt naar mandarijnen, ik voel de kou van het leer door mijn broek heen. 
‘Rijd maar wat,’ zeg ik, ‘kan dat, gewoon wat rijden?’ Het lijkt de chauffeur niet te interesseren. ‘Sure.’ Met of zonder bestemming; het komt op hetzelfde neer. Hij rijdt rond in de nacht, hij stelt geen vragen.

Zodra de auto optrekt licht mijn telefoon op in mijn schoot. Het scherm is fel in het donker. Ik open het bericht niet maar zie de eerste regel: Waar ga je heen? Ik heb[…] Ik zet de lichtsterkte zwakker, er komt nog een bericht binnen. Kom terug. We kunnen to[…]
In de donkere auto trekt het licht van het navigatiesysteem mijn aandacht. De wegen uiterst overzichtelijk op het scherm. Ik denk aan de benen van mijn moeder. Vroeger keek ik vanaf de badrand naar de spataderen die als een wegenkaart over haar huid liepen. Kleine, donkerpaars, roodblauwe wegen die steeds uit elkaar liepen en daarna weer verbinding zochten. ‘Waar kijk je naar?’ had ze gevraagd, terwijl ze haar korte haar met een kwast in een soort hanenkam streek. Ik legde mijn hand op haar kuit. De badkamer rook naar ammoniak. Ik weet nog dat ik dacht: als ik later groot ben, dan wil ik haar benen. Dan wil ik een lijf dat de weg kan wijzen. Alsof mijn moeder mijn gedachten las, schudde ze haar hoofd. ‘Je bent jaloers op de verkeerde dingen,’ zei ze, terwijl ze haar haar in plastic wikkelde. 
Ik kijk naar mijn eigen benen, waar mijn telefoon inmiddels tussen is gevallen. Het scherm licht opnieuw op. Ik draai de telefoon om, leg hem op mijn bovenbeen en kijk naar buiten, naar de lege maar verlichte winkels. 
De chauffeur zucht geïrriteerd omdat iemand vlak voor hem de weg opdraait. Ik glimlach naar hem zonder dat hij het ziet. 
Hij was 5th Avenue opgedraaid en reed sindsdien alleen rechtdoor. Ik geloof niet dat ik dat gekund zou hebben. Als de rollen omgedraaid waren en hij bij mij in de auto was gestapt en had gezegd: rijd maar wat, had ik waarschijnlijk gecirkeld, steeds opnieuw om hetzelfde blok met huizen gereden. 
Dat cirkelen zou ik vooral doen tegen het verdwalen. Ik heb me nooit weten te oriënteren. Of, sterker: vaak lukt het me niet om mezelf te plaatsen ten opzichte van de ruimte waarin ik me begeef. Als ik in de metro sta en mijn ogen sluit, kan ik niet meer voelen welke kant we op rijden. Soms word ik wakker en probeer ik, met mijn ogen nog dicht, te bedenken waar de muren in de kamer zich bevinden. 
Toen ik Beer vertelde over mijn gebrek aan oriëntatievermogen stelde hij voor dat ik altijd mijn locatie met hem zou delen. Zodat hij steeds zou weten waar ik was, en ik alleen al om die reden niet echt kwijt kon raken. Hij zette dezelfde functie aan op zijn telefoon. Vanaf dat moment had ik altijd toegang tot een plattegrond met niet één, maar twee bolletjes, kon ik op een scherm zien hoe wij ons bewogen ten opzichte van elkaar, werd de afstand tussen ons een doolhof in een puzzelboek, trok ik in gedachten lijnen door alle straten die tussen ons lagen. 
Beer heet niet echt Beer, maar hij staat het toe dat ik hem zo noem. 
‘Heb jij huisdieren?’ vraag ik aan de chauffeur. 
‘Nee,’ hij trekt snel op bij het stoplicht, alsof we haast hebben. ‘Ik woon in de stad.’ Hij vindt honden in de stad het toppunt van angst voor eenzaamheid, verklaart hij na een korte stilte. Mensen die achter een beest aanlopen, warme stront van de stoep oprapen, alleen maar om niet alleen te hoeven zijn. 
We rijden nog steeds rechtdoor op 5th Avenue. 
Vroeger mocht ik geen huisdier en liet ik om die reden de hond van mijn buren uit. Dan bepaalde niet ik de route, maar de hond. Ze leidde me altijd hetzelfde blokje om. Wist ze de weg, of kende ze het bestaan van andere wegen niet? 
De laatste keer dat ik verdwaalde was in het Museum of Natural History. Al bij binnenkomst overviel het me: de grootsheid van het gebouw. De verschillende gangen die me aan leken te kijken, het feit dat ik er een moest kiezen, de vraag waar ik in vredesnaam naartoe moest. Trappen op en af, gangen links en rechts met daarachter nog meer gangen en nog meer kruispunten. Ik liep door souvenirwinkels met knuffels, spellen, kleding en boeken uit alle werelddelen en daarbuiten, om uiteindelijk bij de Hall of Ocean Life uit te komen. De blauwe vinvis zweefde in het atrium. Het grootste dier ter wereld. Ik kon niet anders dan naar boven kijken. Ik ging liggen op de grond, tussen de lichtprojectie van zachtjes kabbelend water – een vloer zoals een plafond van een zwembad, de wereld op haar kop. En daar, onder de blauwe vinvis, waar toch al niks klopte, deed het er even niet toe dat ik verdwaald was. 
De chauffeur draait de radio aan. 
Ik ben naar Manhattan verhuisd omdat ik er mijn weg kan vinden, omdat de straten hier genummerd zijn en min of meer symmetrisch, als een visnet, over de stad liggen. 
Vlak voordat ik de vinvis verliet en terug de echte wereld in stapte, de wereld waarin ik op zoek was naar de uitgang, zag ik in de Hall of Ocean Life een video waarin een haai gechipt wordt. Het beest half uit het water getild en tegen de kant van de boot vastgehouden door drie mensen, spartelend, er wordt een chip in zijn vin gezet. 
Ik denk aan de haai. Als hij nog leeft, wordt hij nu nog gevolgd. 
‘Fuck.’ Ik gris mijn telefoon tevoorschijn, negeer de binnengekomen berichtjes en gemiste oproepen en open Maps. Het duurt even voor de kaart zichtbaar is. De twee bolletjes komen tevoorschijn op een volledig wit scherm, waar de straten nog geladen moeten worden, maar ik zie al wel dat ze naar elkaar toe bewegen. 
Ik zet de functie ‘locatie delen’ uit en legde de telefoon ónder mijn been dit keer. Ik krijg het warm. Zou hij me volgen? Is mijn route voorspelbaar, op deze weg waarop ik al kilometers lang geen bocht heb gemaakt? 
‘Ga hier maar rechts,’ zeg ik vlak voor de kruising met 118th Street. De chauffeur draait het stuur, hij doet het direct en zonder twijfel, alsof ik op de knop van een computer had gedrukt. Vlak daarna trapt hij keihard op de rem, er volgt een harde klap. Mijn bovenlijf schokt naar voren, waar ik word opgevangen door de strakgespannen gordel. Even staat alles stil. Dan zie ik het hoofd van een jongen, net boven de motorkap, gevolgd door de rest van zijn lijf. Het gaat traag, hoe hij daar verschijnt. Als een filmpersonage dat vanachter een heuvel de horizon ín komt lopen, er ineens is. De jongen slaat op de motorkap en kijkt kwaad de auto in. Ik druk mijn rug achterin de stoel. Hij bukt en trekt zijn fiets aan het stuur omhoog. Hij slaat nog een keer, steekt een middelvinger op en fietst weg. Ik staar hem na terwijl hij de nacht in slingert. 
Getoeter achter ons. De chauffeur vloekt. ‘Sorry’, zeg ik, ‘sorry.’ Ik had me niet met de route moeten bemoeien. 
Hij trekt langzaam op, sorteert voor op de volgende bocht naar rechts, en roept ondertussen verontwaardigd: ‘Klote fietsers, die horen hier niet. Dan vraag je toch om een fucking ongeluk.’ 
Ik denk aan het moment in een enge film waarop je je realiseert dat het telefoontje van binnenin het huis komt. Mijn schuld, denk ik. ‘Sorry,’ fluister ik een laatste keer. 
Ik pak mijn telefoon en op het scherm zie ik het bolletje van Beer. Hij is wel rechtdoor gereden bij de kruising. We bewegen in tegenovergestelde richting, steeds verder bij elkaar vandaan. 
Als het bedrag op de meter exact gelijk is aan het bedrag dat ik bij me heb vraag ik de chauffeur om te stoppen. Hij zet de auto stil. ‘Daar ben je ingestapt,’ hij wijst naar links. Ik knik zo nonchalant mogelijk. 
Ik bedank, laat het geld achter en stap uit. Aan de overkant van de straat zie ik mensen uit een metrostation naar boven komen. 
Op mijn telefoonscherm is het bolletje van Beer verdwenen. Nu ben ik echt kwijt. Ik kijk naar mijn benen en dan beginnen ze te lopen.

Beeld Eden, Janine and Jim via Wikimedia.

Dit korte verhaal van debutant Jasper Rebel dook op in onze stapel ingezonden kopij. We waren er meteen van gecharmeerd: het heeft een heel eigen toon, dit verhaal over een man van wie een van de belangrijkste zintuigen is aangetast.

*

I

Hamburg was een goede stad voor een polaroidverkoper. Met enige moeite vond hij er zijn weg. Hij volgde stemmen, geluiden, de drukte op straat. Zijn handen waren gewend hem te leiden langs vochtige muren en roestige bruggen.  Er waren altijd mensen op straat, ook ’s nachts. Hij verkocht vaak een foto. Soms aan mannen alleen die hun geluk wilden delen, vaak ook aan vrouwen, die ergens anders hadden willen zijn. Maar meestal was het de gimmick natuurlijk. Kijken of de blinde überhaupt het zoenende stelletje in beeld kon krijgen.

Hij had eerst niet door dat hij een bordeel in was gelopen. Hij was het geluid van een groep jongens gevolgd. Het leek of ze door een marmeren hal liepen, de stemmen galmden als in het zwembad maar zijn voeten bleven droog. Hij voelde een koude wind in zijn nek die van buiten moest zijn gekomen. Toen hij zich probeerde te oriënteren had het groepje hem gevraagd een foto van hen te maken. Ze hadden hem bij zijn armen opgetild. Nadat hij een stuk verplaatst was werd hij neergezet op een zachte, maar ongelijke ondergrond. Hij had de foto gemaakt en zijn geld gekregen. Toen lieten ze hem alleen. Heel voorzichtig verschoof hij zijn voeten, centimeter voor centimeter, tot hij begreep waar hij was. Hij stond halverwege een trap. Er was tapijt en het was warm. Boven hem hoorde hij gedempte stemmen, schuifelende passen. Hij liep omhoog, achter het geluid aan. Mensen liepen langs hem, duwden hem opzij. Hij kreeg een por en hij wankelde. Hij viel tegen iemand aan. Zijn wang raakte een boezem, maar niet een bedekt met een jurk of een jas. De huid was warm en zacht, de welving gaf iets mee zodat niet alleen zijn wang, maar ook zijn mond raakte wat meestal niet mocht. Toen hij ademhaalde rook hij nicotine en mierzoete parfum. Hij krabbelde overeind, verontschuldigde zich en liep verder.
Daar waar de gang doodliep en hij stopte om zich om te draaien, was het stil. Hij verborg zijn camera onder zijn jas en rechtte zijn rug. Hij zag niets en hoorde niets, maar hij rook een veld vol bloemen, nog net niet in volle bloei.

‘Je ziet me niet hè?’ Heel dichtbij hem was ze. Een meisje. Haar stem klonk breekbaar en de pauzes tussen de woorden waren net iets te lang. Ze sprak zo zachtjes dat hij  niet kon zeggen of ze bang was of verlegen. ‘Ik heb je ogen gezien. Hoe komt dat?’
Hij draaide zijn hoofd in de richting van het geluid. Ze wachtte niet op zijn antwoord.
‘Ik word altijd bekeken,’ zei ze.  ‘Van top tot teen. Maar jij kijkt helemaal niet.’
Hij had haar willen vertellen dat ze naar lavendel rook en naar jasmijn, maar hij knikte alleen maar.
‘Ik zie niet veel. Zal ik een foto van je maken? Niet voor geld hoor. Gewoon, voor jezelf.’
Het meisje lachte zachtjes, giechelde eigenlijk alsof een van haar vriendinnen een ondeugend grapje had gemaakt.
‘Heel veel mannen hebben me gevraagd of ze foto’s van me mochten maken. Ik zeg altijd nee.’
‘Waarom willen ze foto’s van je maken?’ vroeg hij verbaasd.
‘Om naar te kijken.’
‘Ik vind het gewoon leuk om foto’s te maken,’ zei hij.
‘Zie je echt niets?’
‘Nauwelijks.’
‘Dan mag het, maak maar een foto van me. Doe het nu, er is niemand.’
Hij deed een stap naar achter, pakte zijn camera en mikte in de richting van haar stem. Hij hield zijn adem in en drukte af. Met een zacht zoemen kwam de foto uit het apparaat. Hij wapperde met het fotopapier en gaf haar de foto. Weer klonk dat zachte lachje. Hij zag niet dat er kuiltjes in haar wangen verschenen, maar hij hoopte het wel. 
‘Bewaar jij hem voor me?’
Hij knikte.
‘Nu moet je weg, anders krijgen we problemen.’

Hij probeerde zijn weg terug te vinden, maar het trappenhuis vond hij niet. De gang liep langer door dan gedacht. Er zatten bochten in, en hoeken. Sommige stukken waren verlaten en stil, dan weer hoorde hij stemmen dichtbij. Ze  klonken hard en scherp alsof er ruzie was, dan weer zacht en stiekem als in een onderhandeling. Hij had geen idee waar hij was. De foto zat in zijn broekzak. Hij hield zijn hand erop, voelde het fotopapier en dacht aan de stem die hij had gehoord. Hij kwam uit bij een deur, die hij open duwde en al na twee passen stootte hij tegen een zacht voorwerp. Zijn hand schoot naar voren om zijn val te breken en ook die raakte een zacht vlak, Hij taste vooruit en kneep in de zachte stof. Hij deed zijn schoenen uit, ging liggen op het bed  en deed zijn ogen dicht.

II

Vlakbij werd een deur met kracht geopend. Hij hoorde een dreun en daarna een kletterend geluid alsof iemand een hand kleingeld op de grond uitstrooide.
‘Hier ga je spijt van krijgen!’ hoorde hij een stem roepen,
daarna hoorde hij alleen nog maar voetstappen die eerst luid klonken, en al snel alleen heel zachtjes. Daarna was het stil.
De polaroidverkoper opende de deur van zijn kamer. Toen klonk een bekende stem.

‘Was je er weer,’ zei het meisje dat naar bloemen rook.
‘Ik heb je foto nog.’
‘Dat dacht ik wel.’
Ze zette een stap dichterbij. Op de smalle gang was weinig ruimte om elkaar te ontlopen. Hij hield zijn handen langs zijn lichaam, bang om haar per ongeluk aan te raken op een plek waar ze dat niet wilde.
‘Heb je een vriendin?’
’Nee.’
‘Wil je geen vriendin?’ Ze klonk fermer dan eerst, met meer kracht waardoor haar stem aan het einde van haar zinnen schor was.
‘Ik zou ook niet bij mijzelf willen zijn.’
‘Misschien zou ze het fijn vinden dat je niet steeds zeurt over wat ze aan heeft.’ Weer kwam ze een stap dichterbij, hij voelde de warmte van haar lichaam op zijn armen, op zijn wangen.  Hij hoorde haar ademhaling.

‘Hoe heet je?’ vroeg hij
‘Noem me maar Katharina.’
‘Dag Katharina.’ Hij voelde zich volmaakt. Hij had een vriend gemaakt in een stad waar hij niemand kende. Waar hij dagen achtereen van vreemde naar vreemde ging en nooit ergens stopte  alleen om stil te kunnen staan. En nu stond hij daar en zij was daar met hem.
‘Luister,’ zei ze. ‘Je moet maar niet te vaak met me praten. Anders val je op.’
‘Geloof me,’ zei hij, ‘niemand ziet mij staan.’
Nu praatte ze weer zachtjes, en langzaam. Ze zocht naar de goede woorden. ’Ik had deze man geloof ik beter niet weg kunnen sturen.’
‘Was hij niet aardig?’
Het meisje antwoordde niet. Ze was stil. Alsof het gesprek plots afgesloten was. Een tijdje stonden ze tegenover elkaar zonder iets te zeggen. Toch probeerde hij het weer.

‘Kan je niet iets anders gaan doen? Dat je op een dag gewoon verdwenen bent?’ vroeg hij.
Ze wachtte even met antwoorden en zei toen aarzelend: ’Er verdwijnen zo vaak meisjes, maar meestal niet omdat ze dat zelf wilden.’
‘Zo moeilijk is het niet,’ zei hij, ‘ik ben ook wel eens verdwenen.’ Hij richtte zijn handpalmen naar de lucht als om aan te geven hoe gemakkelijk dat ging.
‘Verdwijn dan nu maar opnieuw, daar komt iemand aan,’ zei ze zachtjes. Toen hoorde hij haar weglopen, snelle pasjes die klonken alsof ze met sokjes over de gang liep. Toen stond hij daar alleen.

Hij kreeg een duw in zijn rug waardoor hij voorover viel. Hij was te laat om zijn val te breken met zijn handen. Zijn hoofd sloeg tegen iets hards. Een scherpe pijn trok van zijn achterhoofd naar zijn aangezicht. Iets warms druppelde uit zijn linkeroor. Zijn ogen gingen dicht. Hij hoorde heel even, helemaal niets.

Van heel dichtbij klonk een stem, hij voelde de lippen van een man tegen zijn oor.

‘Zeg wie je bent of ik breek je vingers.’
‘Thijs heet ik,’ zei hij. ‘Ik ben polaroidverkoper. Ik moest een foto maken.’
Een hand greep ruw om zijn hals. De leren riem van de camera bleef achter zijn oren hangen en liet toen los.
‘Wat voor foto’s heb je gemaakt, laat het zien.’
Hij hoorde hem rammelen aan het apparaat, toen een luide hoge klap. Hij hoorde glas dat brak in kleine stukjes.

Toen gingen de handen van de man onder zijn kleding en in zijn zakken. Ze pakten de foto van Katharina. De man floot tussen zijn tanden.
‘Wat deed je met haar? Hoe ken je haar?’
Hij schudde zijn hoofd. Een dag en een nacht had hij zich verbonden gevoeld met een onbekend meisje zonder haar ooit te hebben gezien. ze had hem voor even, heel even laten voelen dat hij niet alleen was. Hij zou niets doen om haar in gevaar te brengen. Hij verbeet zijn tranen en stak zijn kin omhoog. En toen stelde de man de verlossende vraag: ‘Waar is ze, waar is Katharina?’

Voor De Revisor 21 schreef Viktor Frölke het verhaal ‘Drie dingen die ik met mijn vader heb gedaan.’ Frölke gaat door met ordenen en tellen, nu over negen manieren om te sterven als dichter, anders dan zelfmoord.

*

1. Het potloodje

De dichter, die net een kort onderhoud heeft gehad met zijn redacteur en publiciteitsmedewerker, op de derde verdieping van het grachtenpand waarin de uitgeverij zetelt die in het najaar zijn nieuwe bundel zal uitgeven, – althans dat is het plan, op het omslag zal een vogel prijken, een fitis, bekend van zijn merkwaardige, haast slobberachtige fluitje, alsof hij fluit met zijn snavel in een kom water –, die dichter dus, komt ten val op het overloopje van het imposante trappenhuis en belandt op een dusdanige manier op de marmeren vloer dat het potloodje, dat hij te allen tijde in de binnenzak van zijn jasje draagt, zich in zijn rechterlong boort. Tijdens de behandeling van de perforatie van de long wordt bij de dichter uitgezaaide longkanker vastgesteld. ‘Fitis’ verschijnt postuum, hetgeen de verkoop niet schaadt.

2. Vleugel

Een concertvleugel van transparant kunststof, die uit een op de eerste verdieping gelegen opnamestudio van een reclamebureau wordt getakeld, – de ochtendzon schittert dwars door het machtige instrument heen –, raakt in het ongerede en landt bovenop de dichter, die, tegen zijn gewoonte in, de wegversperring had genegeerd en onderlangs voorbij loopt, ietwat nerveus op weg naar zijn eerste tinderdate. Uit de klep van de vleugel alsook uit de keel van de dichter stijgt op het moment van impact een dissonant geluid op, dat, voor wie er oor voor heeft, met elkaar in overeenstemming lijkt.

3. Verliefd

Dromend over het eerste en enige meisje op wie zij ooit verliefd was, op de lagere school, een meisje uit China, met volmaakte huid, haardracht en tanden, een ontwapenende lach en een tong die nog het meest op een ijslolly leek, draaide de 91-jarige dichter zich om en viel uit bed. Vierenhalf uur later werd zij gevonden door de dienstdoende mantelzorger, die in het ongewisse was over haar dichterschap, aangezien zij sinds de bundel ‘Hu’, verschenen in de jaren zeventig, bij een obscure uitgeverij die allang ter ziele is, niets meer had gepubliceerd.

4. Bad trip

Terwijl de dichter onderzoek doet bij native Americans in Brazilië voor een lang episch gedicht, werktitel ‘Rooksignalen’, waarvoor hij van de Stichting Jan Hanlo vijfduizend euro subsidie heeft ontvangen, raakt hij na overmatig gebruik van ayahuasaca in een bad trip, hartfalen als gevolg hebbende. In de wijde omtrek blijkt niemand hem te kunnen of willen helpen. Het manuscript van het epische gedicht, bestaande uit een dozijn volgekraste schoolschriften, is overgedragen aan de Jan Hanlo-stichting, die het heeft opgeslagen in een kluis.

5. Kogelvis

Als hij de kans krijgt als groupie mee te reizen met de band van zijn beste vriend, een hitgevoelige popmuzikant, op diens tournee door Japan, overspeelt de dichter op een avond zijn hand door in het Tokyo’se restaurant fugu ofwel kogelvis te bestellen, een gerecht dat dodelijk kan zijn indien incorrect bereid. Diezelfde nacht nog, in de badkamer van de hotelkamer van het Peninsula Hotel, probeert hij vergeefs zijn maag leeg te kotsen, terwijl zijn vriend stomdronken op bed ligt, zijn kleren nog aan.

6. Scooter

Onderweg van de tramhalte naar het trottoir wordt de dichter, die pertinent weigert om met de fiets door de stad te gaan onder het motto ‘dichters fietsen niet’, geschept door de elektrische scooter van de geluidstechnicus van een cultureel podium dat veel aan spoken word doet.

7. Duel

De dichter heeft zijn aartsrivaal uitgedaagd voor een duel, uit te vechten met echte, werkende, achttiende-eeuwse pistolen, vriendelijk beschikbaar gesteld door een verzamelaar uit Gent. Het duel vindt plaats op een lome zaterdagmiddag aan de rand van een goed beschut veld in het Amsterdamse Bos, in het bijzijn van de Gentse verzamelaar, een sportarts (een vriend van de dichter) en een moeder met kinderwagen die toevallig kwam aan joggen. De rivaal, ook een dichter, had gewaagd het nieuwe kapsel van de dichter in een recensie van diens Verzameld Werk te omschrijven als ‘een coupe waarbij Hitlers konthaar nog gunstig afsteekt’. De dichter die om het duel had gevraagd wordt door een kogel geraakt in zijn maag. Hij begint hevig te bloeden. De sportarts staat machteloos, wil een ambulance bellen, maar de wapenhandelaar houdt hem tegen. De uitgedaagde dichter, slechts door een kogel geschampt aan zijn ongeschoren kaak, ziet een paar dagen later kans om in dezelfde krant een welwillende necrologie te schrijven waarin met geen woord wordt gerept over het duel of het voorafgaande conflict.

8. Lift

In een buitenwijk van Bologna, waar de dichter dankzij Poetry International, en toch ook wel haar ouders, die haar treinreis en nieuwe laptop financieren, een half jaar mag logeren in een leegstaand fabriekspand, blijft de dichter, vlak voordat ze weer naar huis zou gaan, hangen in de werklift tussen de vierde en de vijfde verdieping. Aanvankelijk kan ze de humor nog wel inzien van dit bedrijfsongeval, maar niet veel later, haar telefoon is dood en haar waterflesje leeg, schreeuwt ze haar stem schor om hulp. In het belendende klooster blijft het stil. Nota bene op de eerste dag van haar verblijf als poet in residence had ze er een keer belletje getrokken, uit balorigheid, en toch ook wel nieuwsgierigheid – melig deed ze er verslag van op social media – maar toen werd er dus ook niet opengedaan.

9. Kiri te Kanawa

De dichter had er zijn levensproject van gemaakt om Kiri te Kanawa te worden. Niet alleen had hij zijn naam veranderd in Kiri te Kanawa, hij had ook cosmetische chirurgie ondergaan om meer op Kiri te Kanawa te lijken, en zanglessen genomen om zijn stem, al was het maar een fractie, dichter in de buurt te brengen van het origineel. Toen hij genoeg geld had gespaard voor een geslachtsveranderende operatie, en hij zijn eerste dichtbundel, ‘Kiri te Kanawa’, in Nieuw Zeeland wilde lanceren, sleepte het management van Te Kanawa de dichter namens de familie voor de rechter. De dichter ging in hongerstaking tegen de uitspraak en bezweek na vijftien dagen in zijn AirBnB-appartement in Auckland.

Beeld © Anne Reinke

Lotte Lentes schreef een logboek. Over een eiland, over een dag, de laatste dag. Nu opgenomen in de reeks 500 à 1.000.

*

Voor de zoveelste keer verbiedt ze me de kaart van het eiland uit mijn rugzak te halen.
‘Dan lijken we net toeristen,’ zegt ze.
‘Maar we zijn toch ook toeristen?’ vraag ik.
Ze antwoordt niet, maar kijkt met samengetrokken wenkbrauwen naar het scherm van haar telefoon. Iemand raadde haar een app aan waarmee je kaarten van een specifiek gebied kunt downloaden zodat je ze offline kunt gebruiken. Omdat we de groene pijl op haar beeldscherm volgen die telkens verspringt als we halthouden en minutenlang stilstaat wanneer we lopen, dwalen we voor de zevende ochtend op rij door een van de buitenwijken van Cala D’Or.

Steeds vastberadener verandert ze van richting, maar Funroute ’69, een met mos overgroeide kartbaan half verscholen achter palmen, passeerden we zojuist voor de vierde keer. De huid op mijn schouders begint te verbranden en een onzichtbaar sloopkogeltje schoffelt al een tijdje onbehoorlijk hard tegen mijn linkerslaap, zoals iedere dag rond dit uur. Steeds meer lees ik er de waarschuwing in dat ik zo snel mogelijk van dit eiland weg moet.
‘Kom eens naast me lopen joh, waarom slenter je de hele tijd zo achter me aan?’
Ik zet twee grote passen en we gaan weer gelijk op. Meteen ben ik bang bij de volgende onverwachte koerswijziging tegen haar op te botsen.
‘Ik kan toch niet weten waar je heen gaat?’ zeg ik pinnig.
Ze gromt en versnelt haar pas. Ik mompel ‘sorry’ alsof de botsing die ik vreesde zojuist plaatsgevonden heeft.

De supermarkten heten hier geen supermercado, maar gewoon supermarket. Op de uithangborden prijken verschoten foto’s van bonen in tomatensaus, Franse kaasjes en bier. Hoog opgetrokken appartementencomplexen en hotels bepalen al zeven dagen ons uitzicht. Hun balkons net kennels vol opblaasbare orka’s, dolfijnen en krokodillen die geduldig wachten tot iemand ze weer meetorst naar strand of zwembad. We vallen uit de toon met onze versleten Nikes en wijdvallende bloesjes, onze haren in een warrige knot hoog op ons hoofd bijeengebracht. De meisjes hier zijn van een strakkere soort. Ze dragen lippenstift en grote, gouden ringen in hun oren wanneer ze naar het strand gaan. ’s Avonds hebben ze strapless jurkjes aan die hun billen net genoeg verbergen om hun vaders niet in verlegenheid te brengen.

Ik heb wel jurken bij me, maar ik draag ze niet. Liever vorm ik een front met haar. Dat is gezelliger, hou ik mezelf voor, maar eigenlijk bedoel ik: noodzakelijker. Het onderscheid tussen haar en mij zo klein mogelijk houden betekent het contrast tussen ons en alle andere aanwezigen op het eiland benadrukken. We halen plezier uit een gezamenlijke vijand, wijzen elkaar gniffelend op tatoeages van rozen en babyhoofdjes, op roodverbrande kuiten en schouderbladen, op gigantische Hello Kitty-telefoonhoesjes, op met strassstenen versierde teenslippers. Zo lang we kunnen definiëren wat we niet zijn, hoeft geen van ons zich bezig te houden met het tegenovergestelde.

In de drie jaar dat ik haar ken, heb ik haar precies één keer in een jurk gezien. Als een koppig geitje stond ze met haar schouders hoog opgetrokken in het pashokje van de V&D. Ze frunnikte aan de kanten zoom, de rits ging niet helemaal tot boven dicht. Ik probeerde haar te helpen maar ze wilde niet stil blijven staan.
‘Mag het uit,’ zei ze toen ik de ritssituatie goed probeerde te bekijken. ‘Ik wil het uit.’
Onhandig trok ze de satijnen stof van haar schouders, ergens knapte een stikseltje. Het zwarte jurkje belandde op de vloer als een afgedankte poetsdoek. Zij bleef over, in haar versleten behaatje. Ik ernaast, mijn winterjas nog aan.

Op het eiland voel ik me steeds vaker de jurk die ze aanheeft, maar niet aan wil. In bed draaien we iedere avond net zo lang tot we allebei een houding hebben gevonden die zowel comfortabel als acceptabel is. Ver genoeg uit elkaar om niet te intiem te zijn, dichtbij genoeg om nog voor geliefden door te kunnen. Eén keer probeerde ik haar aan te raken, zonder iets zachts aan haar te kunnen ontdekken. Ze lag erbij als een hoogspanningsmast. Haar onvermurwbaarheid maakte me strijdbaar, dus aaide ik, en wreef ik, en kneedde ik, en ze liet het toe maar er veranderde niets. Pas toen ik met mijn hand naar beneden ging, mijn vingers achter de zoom van haar slipje liet verdwijnen, slordig, ruw, waardoor ik een stukje huid openhaalde, vroeg ze me te stoppen.
Vroeger kropen we zo dicht bij elkaar dat alles, tot en met het laatste haar in onze paardenstaarten, met elkaar verstrengeld was. ‘Het past precies’, zeiden we dan, maar het past altijd precies. Totdat het alleen nog maar ongeveer past en daarna moeilijk past om uiteindelijk helemaal niet meer te passen.

Tijdens de lunch weigert ze opnieuw haar eten in een andere taal te bestellen dan in het Spaans. Dat heeft met respect te maken, zegt ze, respect voor de locals, maar als ik om me heen kijk heb ik geen idee wat local hier precies betekent en door wie haar geste op prijs zou kunnen worden gesteld. De ober van Churchill’s Tapasbar blijkt bovendien gewoon uit Helmond te komen en Joep te heten en vooral niet van plan het Spaanse geploeter in een andere taal te beantwoorden dan het Nederlands. Na twee keer proberen staakt ze haar pogingen. Ze leunt sip achterover en kijkt de barman na, die tijdens het lopen een nonchalante hand door zijn hoogblonde haren haalt.
Wat een eikel,’ zeg ik zacht.
Ze moet een klein beetje lachen maar verzet zich ertegen, kijkt stuurs naar de handen op haar bovenbenen als een verongelijkte peuter.
‘Jezus, wát een eikel.’ Ik zeg het harder nu, speel mijn verontwaardiging groots uit in de hoop haar een echte lach te kunnen ontfutselen en zie aan de tafel naast ons twee roodverbrande hoofden geërgerd onze kant op kijken. Wanneer Joep uit Helmond terugkomt draag ik hem op om ons twee Mojito’s te brengen por favor, daarna een fles wijn. Ik stel zoveel vragen als ik kan om haar op haar gemak te stellen, over haar norsheid heen te tillen. Steeds opgewekter begint ze te praten, met steeds meer gebaren ook. Een langverwachte opgetogenheid echoot ons gesprek binnen, als toetje bestellen we tiramisu én ijs.
Voordat ik ga betalen trek ik haar naar me toe. Ik kus haar lomp, waardoor onze voortanden op elkaar botsen, ze schaterlacht. We laten twintig euro fooi voor Joep achter en gieren gracias over het terras. De hele weg naar huis lopen we hand in hand. Pas wanneer we bij het hotel aankomen, waar een groep jongens tegen de gevel staat te roken, laat ik haar weer los. Ze loopt voor me de trap op, haar slanke, gebruinde benen steken onder haar strakke shorts vandaan. Ik wil in haar kuiten bijten.

In de lobby van het hotel ligt een meisje te slapen op een telefoon die aan de oplader hangt. Twee jongens van een jaar of tien staan lusteloos te pingpongen. Een vrouw sloft zuchtend richting de trappen, haar felgele sarong zo strak rond haar heupen geknoopt dat het vet er aan alle kanten overheen druipt. De dagen kleven traag en oneindig aan elkaar, wie ze per se van elkaar wil onderscheiden kijkt op het bord met het avondprogramma. Gisteren Latin party, vanavond karaoke, morgen pokernight.

In de baai staan we voor de laatste keer tot onze navels in het water. Op het oppervlak schittert een paarlemoeren glans van afgespoelde zonnebrandolie. Verder dan dit durft ze niet. Het water is minder helder verderop en ook plotseling veel dieper. Ze is de hele week al bang voor de glibberige visjes, schrikt van stukjes zeewier in haar knieholte. Ik heb mijn beide armen om haar middel geslagen, druk haar net zolang tegen me aan tot ze ontspant. Verderop hebben vijf roodverbrande mannen een drijvend vlot het water opgeduwd waar in twee compartimenten een koelkast en een stereotoren op zijn gebouwd. Ze schreeuwen uitgelaten en ik stel me voor hoe ze al joelend worden geëlektrocuteerd. Aan haar mondhoeken die voorzichtig omhoog krullen zie ik dat zij zich ongeveer hetzelfde scenario voorstelt.
We zwijgen en kijken uit over het open water. Er zijn mensen die in de verte zwemmen, zo ver dat ze dichter bij de boten zijn die buiten de baai traag voorbijschuiven dan bij ons. Op de eerste dag zwom ik daar ook. Ik voelde me vrij en helder toen ik met grote slagen de baai verliet, maar op open water sloeg die lichtheid plotseling om in de angst dat twee handen me bij mijn enkels vast zouden grijpen en me mee zouden sleuren de diepte in. Ik zwom zo snel als ik kon terug en toen ik buiten adem bij onze badlakens aankwam was ze boos. Ze was me uit het oog verloren, zei ze, had me in mijn donkerblauwe badpak niet meer kunnen onderscheiden van het water, ze was bezorgd geweest. Ik zei sorry en beloofde niet meer zo ver te gaan. Terwijl ik naast haar lag op te drogen bedacht ik me dat we allebei de neiging hebben te verlangen naar iets wat buiten ons bereik ligt. Zij vermoedt dat het open water iets bijzonders herbergt, maar ze durft er niet naartoe te zwemmen. Ik zoek het open water onbezonnen op tot een instinctieve angst me herinnert aan wat ik achterliet. Zo zijn we nooit op dezelfde plek.
De rest van de week trok ik baantjes precies aan de rand van haar zichtveld. Noch de lichtheid, noch de angst keerden terug.

Tijdens onze laatste nacht op het eiland droom ik dat haar vader me opbelt en zegt dat ze op weg naar huis verongelukt is. Ze reed in een auto waar een spookrijder frontaal tegenop botste. In mijn droom klapt een enorme paniek zo hard mijn borstkas binnen dat het voelt alsof mijn ribben een voor een verbrijzeld worden. Ik vergeet te vragen of ze nog leeft, ren op blote voeten het huis uit.
Verkrampt word ik wakker, maar ik ben onmiddellijk ontzettend tevreden over die paniek. Trots vertel ik aan het ontbijt over het telefoontje en mijn reactie. Wanneer ik het detail van de blote voeten poneer, mijn handen druk bewegend boven de eieren, moet ze lachen. Om de droom nog meer betekenis toe te kunnen kennen, zoek ik naar het lemma ‘auto-ongeluk’ op droominfo.nl, maar ik slik net op tijd in wat er staat – als je droomt dat een geliefde omkomt in een ongeluk suggereert dit een diep verlangen afscheid te willen nemen van deze persoon. Ik kijk op van het beeldscherm, zie hoe ze een witte boterham met aardbeienjam in vier stukken snijdt en zeg dat het thuis maar 19 graden is.

In het vliegtuig zitten we naast elkaar met het gangpad tussen ons in. Ik hou een boek vast zonder het te lezen. Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe ze op het scherm in de hoofdsteun voor haar een bowlingbal richting een groep opgestelde kegels probeert te swipen. Verbeten tikt en veegt ze over het scherm, maar het lukt haar niet de bal in beweging te krijgen. Ze geeft het op en begint lusteloos door de films te bladeren.
Een paar rijen voor ons worstelt een stel met hun ontevreden baby. Uit het kleine lijfje klinkt gehik en gehuil. Door het geluid kantelt de sfeer in het vliegtuig, al is het onduidelijk of de overige inzittenden de gemoedstoestand van de baby aannemen of de baby juist uiting geeft aan de heersende vermoeidheid en verveling. We weten allemaal dat we er nog niet vanaf zijn als we geland zijn, dat we op het vliegveld eerst nog op onze bagage moeten wachten, naar huis moeten rijden, eenmaal aangekomen een stapel post van de deurmat af moeten vegen en dat voor de rest alles er precies zo bij zal liggen als we het achterlieten. Wat al stuk was werd ook tijdens de vakantie niet gemaakt. 
Mensen beginnen al gauw iets van het gehuil te vinden, zij ook. De vader staat op, werpt het kind over zijn schouders en begint beschaamd op en neer te lopen. Ze zucht de eerste paar keren dat hij passeert, maar al vlug gaat ze op in de film en vergeet ze hem. Ik heb haar altijd op haar mooist gevonden wanneer ze geconcentreerd was, maar hoe langer we samen zijn, hoe mooier ik haar begin te vinden wanneer ze geconcentreerd is op iets anders dan op mij.
Buiten valt de nacht. De laatste stralen zonlicht trekken zich terug achter de horizon. Af en toe kijkt ze op en dan glimlachen we naar elkaar. Mijn arm is lang genoeg om het smalle gangpad te overbruggen, de hare ook, toch houden we ze waar ze zijn.

*

Deze tekst kwam tot stand in het kader van CELA, een ontwikkeltraject voor opkomend Europees literair talent. 

Na een korte radiostilte vervolgen we onze reeks 500 à 1.000 met een verhaal van Lucia van den Brink: ‘RGB’.

*

Eindelijk mag ik de hoofdrolspeler op het doek schilderen. De achtergrond is af: het groen van de vijgenbomen en bramenstruiken, het blauw van de zee en de lucht. Ik doop mijn penseel in het rood, groen en blauw. Als je die kleuren in dezelfde hoeveelheid mengt, krijg je grijs. Ik zoek naar de ideale verhouding. Daarbij probeer ik me de kleur voor de geest te halen die ik zag als kind toen ik stiekem naar het circus fietste. Daar keek ik naar de grijze olifanten die in het gras van het park stonden. Het enige dat de dieren tegenhield was een gespannen touw om een paar palen. Ze vonden zichzelf niet groot of sterk genoeg om er doorheen te beuken. Ze lieten hun wereld eindigen waar het touw begon.

Het fascineerde me. Ik moest het beeld vastleggen. Het eerste schilderij dat ik maakte was van een olifant omringd door een touw. Een olifant in een park. Daarna ook op het strand, midden in de stad of waar dan ook, maar altijd dezelfde olifant.
Tot die ene dag tijdens onze vakantie. We hadden het er ’s ochtends al over gehad, Faraj en ik.
‘Het is toch vies of zo? Voor jou,’ had ik gezegd.
Hij haalde zijn schouders op. ‘Een bloederige hamburger vind ik ook lekker.’
‘Vergelijk je me met een hamburger?’ Ik sloeg hem op zijn bovenbeen.
‘Wat ik bedoel te zeggen is; het hoort erbij. Het is gewoon meer van jou.’
‘Dat is waar,’ mompelde ik. En daar had ik het bij gelaten.
Later die dag gingen we naar de zee. We wilden afdalen. Onze voeten in het koude water laten bungelen. Even afkoelen.
Maar het pad klom. Het leek alleen gebruikt te worden door spinnen. We braken door hun webben.
Faraj liep voorop. Iedere stap leek hem dichterbij zijn doel te brengen. Het was net of hij een dwaallicht volgde dat alleen voor hem bestond.
‘Kunnen we niet beter teruglopen?’ vroeg ik. Alles om ons heen was groen: struiken, bomen. Met mijn hand gleed ik over mijn broekzak. Ik zocht naar mijn telefoon, maar die lag nog in de auto. De auto die we een uur geleden achter hadden gelaten op het parkeerterrein. Of nou ja, iets wat op een uur leek. Mijn tijdsbesef was niet betrouwbaar meer, kwijtgeraakt. Net als mijn richtingsgevoel.
Er kwam een punt dat er meer blauw was dan groen. Meer zee en lucht. Een tint helderblauw die je in Nederland niet tegenkomt.
‘Wist je dat de lucht blauw is omdat het zonlicht verstrooit onderweg?’ vroeg ik aan Faraj. Ik wist dat het zijn lievelingskleur was.
‘Wat bedoel je met verstrooien, mijn kunstenares?’ Faraj draaide zich om en kneep in mijn zij.
‘Zoals ik het zeg; blauw bereikt je oog via een omweg. Dat komt door de korte golflengte.’
‘Dus blauw bestaat omdat het onderweg naar je oog verdwaalt?’
‘Zo zou je het kunnen zeggen.’
Hij glimlachte. ‘Zie je, de weg kwijtraken is goed. Als je verdwaalt, kun je tenminste iets vinden.’
‘Gebruik je daarom liever geen Google Maps?’
‘Na één keer rijden wil ik het uit mijn hoofd doen. En als het niet lukt, nou ja, van een omweg kun je leren. Of iets nieuws ontdekken.’
‘Ik kom het liefst direct waar ik wil zijn,’ zei ik, ‘en ik zou nu het liefst teruggaan.’
‘Waar is terug?’ Hij bleef vooruit kijken. Ik ging naast hem lopen. Het was laat in de middag, toch liet de zon onze huid gloeien.
Faraj pauzeerde bij een grote struik om aan de bladeren te ruiken. ‘Vijgen,’ zei hij. Toen ik beter keek, zag ik ze hangen: de groene vruchten die alleen in warme landen groeien. Hij kende dit klimaat beter dan ik. Hij plukte een blaadje en gaf het aan mij. Ik rook eraan. Vanaf dat moment herkende ik overal vijgenbomen. Ik zag ook bramenstruiken met gemene stekels. Af en toe klonk er een bijenkoor uit de bosjes.
Ik wilde de omgeving vastleggen. Ik stelde me voor hoe het penseel zou voelen tussen mijn vingers, hoe de verf zou ruiken als ik realiteit mengde met fantasie.
Met iedere stap had ik minder tegen Farajs ferme pas in te brengen. Het deed er niet toe. Ik liep. Natuurlijk wilde ik dwalen met hem, verdwijnen, alleen wij twee op de wereld.
Mijn pas kreeg een ander ritme. Een ritme dat onwennig voelde; het was niet de pas van het rennen naar de trein, niet van ongeduldig wachten in de rij bij de supermarkt en niet van de gretigheid waarmee ik dagelijks naar het koffieapparaat loop. Nee, dit was het ritme van lopen zonder doel. Het ritme van vijgenbomen, bramenstruiken en bijen.
Mijn nek zweette. Mijn voeten brandden.
De vijgengeur ging mijn neus in en vulde mijn longen met zuurstof. Het geluid van de bijen ging mijn oren in en zoemde door mijn lichaam. Ik was onderdeel van de omgeving en de omgeving was onderdeel van mij.
Ik was niet langer iemand met volgers op Instagram en vrienden op Facebook. Ik was niet mijn kledingsmaak. Ik was niet mijn stem, mijn haar, mijn huidskleur. Niet mijn opleiding, mijn werkervaring, mijn vaardigheden.
Ik was niet.
Ik liep.
Totdat we aan het einde van het pad waren. Bovenaan een diepe klif. Een klif die eindigde waar de zee begon.
‘Zoveel water…’ 
Faraj begon te lachen. ‘Dat zeker.’
‘Ik weet dat het grootste gedeelte van de wereld eruit bestaat, maar toch zie ik het bijna nooit.’
‘De stad beperkt je zicht.’ Faraj kwam achter me staan en sloeg zijn armen om me heen. Ik voelde zijn adem in mijn nek.
‘Ik denk dat je heel erg verdwaald kunt raken op zee.’ 
‘Ik ben verdwaald sinds ik jou ken,’ fluisterde hij in mijn oor.
Ik draaide me om, legde mijn hand in zijn nek en kuste hem.
We duwden onze lichamen tegen elkaar aan. We wilden zo dichtbij komen, dat er geen dichterbij meer was. Ik begon sneller te ademen. Probeerde ieder stukje van zijn huid aan te raken. We bewogen zoals we gedirigeerd werden door de omgeving.
Hij greep met zijn hand tussen mijn benen en wreef zachtjes.
‘Ik kan niet,’ mompelde ik. ‘Ik ben daar bezet.’ Ik gebruikte omslachtige woorden die de realiteit van mijn ongesteldheid moesten verzachten.  ‘Ik denk dat het wel kan.’ Zijn hand kroop, groef en manoeuvreerde zich tot in mijn bikini. Met zijn andere hand pakte hij die van mij en bracht die naar het touwtje. Uit automatisme pakte ik het vast. Hij keek me afwachtend aan.
Vanochtend koos ik een zwarte bikini, want vlekken voorkomen was onmogelijk, maar ze onzichtbaar houden zou nog net lukken. Geen jurkje, want daarin zaten geen broekzakken om de kleurige verpakking van maandverband te verstoppen. En mijn tas moest een vakje hebben om dicht te ritsen, zodat mijn dagvoorraad tampons er niet uit kon vallen.
Andere vrouwen gaan ook zo te werk, dat wist ik zeker. We zijn menstruatieninja’s, ieder met een eigen set technieken om het rood onzichtbaar te houden. Levenslang geperfectioneerd, altijd hopend op gratie.
Maakte ik al die keuzes omdat ik het zelf wilde? Als ik geen menstruatieninja zou zijn, zou ik de vlekken in mijn ondergoed trots kunnen dragen; een teken van een gezond lichaam dat klaar is voor een nieuw begin. Ik zou mijn armen laten zwieren als ik naar het toilet loop met maandverband in mijn hand. Ik zou tampons in een mooi glaasje op mijn toilet zetten als traktatie voor iedere vrouw die op bezoek komt, zoals vroeger sigaretten op tafel kwamen.
Het blauwe touwtje wikkelde ik om mijn vinger. De kleinste beweging zou de tampon lostrekken. Ik was benieuwd wat er zou gebeuren als ik het bloed liet gaan. Zou het netjes op zijn plek blijven? Zou het langs mijn benen lopen? Zou het op de grond spetteren?
Ik realiseerde me hoe groot mijn wereld eigenlijk was en hoe klein die was geworden in mijn hoofd. Ik had er een touwtje omheen gespannen, of laten spannen.
Het blauw voor ons was kalm; het water kabbelde, de hemel leek gladgestreken. Ik deed een stap naar de diepte, trok de tampon los en gooide die met een flinke zwier in het blauw onder ons.
Daarna liet ik mijn broek zakken en duwde mijn billen tegen Faraj aan. Hij kleedde zich uit, hinkelde even toen hij op een been stond en sjorde mijn bikinibroekje opzij. Zijn penis baande een weg langs mijn billen en gleed naar binnen. Alles voelde zachter en warmer dan normaal. Ik hapte naar adem. Hij was hebberig, zijn heup maakte een ketsend geluid tegen mijn billen. Ik steunde met mijn handen op mijn bovenbenen, net boven mijn knieën, sloot mijn ogen en voelde alleen maar. Zonder tijdsbesef, zonder uiterlijk, zonder innerlijk verdwaalde ik in het niet-zijn.
Tot mijn zweterige voet uit mijn teenslipper gleed. Ik wankelde, probeerde weer in mijn slipper te stappen en zag hoe het bloed op mijn benen als een rivier met kleine vertakkingen de snelste weg naar het laagste punt zocht. Onderweg vermengde het rood met zonnebrand en vormde een lichtere kleur. Mijn benen waren het doek, het palet aan rood een kunstwerk.
Faraj stopte, pakte mijn bovenarmen, draaide me om, kuste me en zakte voor me op zijn knieën. Ik twijfelde, ik wist waar dit naartoe ging, en dacht aan hoe hij had gezegd dat hij van een bloederige hamburger hield. Zodra hij me zachtjes begon te likken, wist ik dat het goed was. Het bloed was niet eng, deed geen pijn, hield ons niet tegen, was er gewoon.
Ik synchroniseerde met zijn bewegingen. En ik kwam klaar.
Vanuit mijn ooghoek zag ik hem snelle handbewegingen maken, hij volgde
en liet zich op de grond vallen.
Er zat bloed rondom zijn mond. Een donkerrode tint onder zijn neus, rode vlekken op zijn kin. Hij glimlachte toen hij mij zag kijken en likte zijn bovenlip af. Hij bromde tevreden.
Ik ging naast hem zitten.
De zon zakte langzaam. Het uitzicht werkte hypnotiserend. We staarden zwijgend. Ik vroeg me af of mensen uitzichten mooi vinden omdat ze de wereld zien, of juist omdat ze het einde van de wereld zien.
De lucht rondom de ondergaande zon veranderde van helderblauw naar rood.
‘De kleur rood verstrooit amper onderweg naar je oog,’ zei ik. ‘Dat zie je nu. Omdat de zon lager zakt, is de luchtlaag waar de zon doorheen moet dikker. Blauw redt dat niet vanwege de verstrooiing, maar rood komt er altijd doorheen. Daarom zijn mistlampen ook rood.’
Met mijn hand wreef ik over het bloed op mijn benen. Het was ingedikt en opgedroogd. Ik smeerde het uit, verstrooide het totdat er niets meer van te zien was, totdat er alleen nog een spatje op mijn enkel zat.
Ik keek ernaar. Liet het daar.
Het mocht er zijn. Niet alles hoeft te verdwalen.
Vandaag schilder ik geen touw om de olifant.

In de reeks 500-1.000 woorden vandaag het verhaal ‘Dieren die je niet op kunt tillen’ van Jordi Lammers, een verhaal dat ruim 1.700 woorden telt maar zoals het in deze reeks gaat: is een verhaal goed dan plaatsen we het, dan is lengte ondergeschikt. Update 29 juni 2020: Jordi Lammers wint de schrijfwedstrijd Write Now! 2020!

*

Chris kon zich niet voorstellen dat hij zich ooit gelukkiger zou voelen dan vandaag. De zon gloeide in de achteruitkijkspiegel, de airco woei in zijn gezicht en het jachtgeweer lag op de achterbank. Alles was goed.
Zijn vader reed met tachtig kilometer per uur door het bos terwijl het ene na het andere nummer van Tom Petty de revue passeerde. Zijn vader was fan van hem, groot fan, misschien wel de grootste ter wereld. Hij had alle platen en bootlegs en was op de dag van zijn overlijden helemaal van slag geweest. Met een fles whiskey en een pakje sigaretten had hij zich teruggetrokken op de veranda, waar hij om de zoveel tijd zijn naam mompelde alsof het om een oude vriend van hem ging. Daarna heeft hij er nooit meer een woord over gesproken en Chris gaf hem daar groot gelijk in. Dood is dood, daar valt geen reet meer aan te doen.
Chris liet zijn ogen over zijn vader glijden en was jaloers op zijn outfit: een spijkerbroek die naar kampvuur rook, een zwart shirt zonder mouwen en een versleten legerpet die hij zo nu en dan optilde om het zweet van zijn voorhoofd te vegen. Zijn vader was niet zomaar een man, hij was een man die in de twintig jaar dat ze in het dorp woonde nog nooit een potje armpje drukken had verloren, een legende in de ogen van de oude garde en een voorbeeld voor alle jongens die ook zo sterk wilde worden. En bovenal: zijn vader. Hij week van de weg af, reed een vergeelde grasvlakte op en parkeerde de wagen in de schaduw.
Eindelijk, dacht Chris, we kunnen beginnen.
Hij stapte uit de auto en nam de omgeving in zich op. Veel was er niet te zien. Een lantaarnpaal, een slipper en een dixie die een deur miste, dat was alles. Chris raapte de slipper op, trok het teenstukje uit het rubberen voetbed en besefte hoe ver ze van de bewoonde wereld verwijderd waren. Mocht de wagen straks niet meer opstarten, zouden ze hier in het beste scenario pas morgen ontdekt worden. Maar goed, dat waren zorgen voor later. Nu moest hij zich op de jacht focussen. Zijn verwachtingen waren gedurende de rit alleen maar gegroeid en het stelde hem daarom extra teleur dat zijn vader bij aankomst alles op zijn dode gemakje deed.
Zijn vader zette een koffiekan op de motorkap, legde een krant ernaast, en haalde een pak shag uit zijn broekzak. Langzaam, alsof de herten vanzelf naar hen toe zouden huppelen, liet hij het vloei tussen zijn vingers glijden en Chris wilde het liefst de hele handel uit zijn handen pakken om het zelf twee keer sneller te doen. Hij sloot zijn ogen, telde tot tien en snoof de dennengeur in zich op. Een paar seconde hielp het, maar toen hij zijn ogen weer opende werd zijn blik automatisch naar de achterbank gezogen. Het wapen lag er prachtig bij. De loop glinsterde in de zon en de houten hals leek gladder dat ooit tevoren. Hij ging op de hete motorkap zitten, in het zicht van zijn vader, en vroeg waarom het geweer nog in de auto lag.
Omdat we het nu nog niet nodig hebben, zei zijn vader zonder op te kijken.
Maar we wachten al zo lang, zei Chris.
Dan wacht je nog iets langer.
Zijn vader sloeg een bladzijde van de krant om en las schijnbaar onverstoord verder. Met grote, snelle passen liep Chris weg van de auto, terwijl het ene net het andere scheldwoord door zijn hoofd gierde. Hij tastte naar zijn broekzak, haalde een mes tevoorschijn, klapte het open en ramde het in de eerste boom die hij tegenkwam. In een keer gleed alle frustratie uit zijn lichaam: de jongens die zijn schooltas elke pauze in de prullenbak gooide, de puistjes die zich over zijn gezicht verspreidden en zijn moeder die sinds het ongeluk de hele dag achter de laptop patience speelde. Even was het allemaal weg, maar al snel troepten de boze gedachtes weer samen omdat hij het mes niet meer uit de boom kreeg. Hij trok en trok maar het mes bleef klemvast zitten. Nog een poging, besloot hij, daarna zou zijn vader hem een handje moeten helpen. Hij zette zijn rechtervoet tegen de boom, leunde met zijn hele gewicht naar achteren en trok zo hard als hij kon.
Het volgende moment lag hij met zijn rug op het gras. Hij raapte het mes op en zag aan de blik van zijn vader dat hij alles had meegekregen.
Je moet dat ding niet in de boom steken, zei hij met een frons tussen zijn ogen. Zijn stem, daarentegen, klonk nog even beheerst als altijd.
Sorry, zei Chris, maar ik wacht al uren tot we gaan jagen. Ik kan niet meer. 
Zijn vader zette de beker op de motorkap en sloeg zijn armen over elkaar.
Ik ben bang dat het vandaag niet gaat lukken, Chris.
Hoezo niet?
Het is er de juiste dag niet voor.
Maar wanneer is dan wel de juiste dag?
Dat is lastig uit te leggen aan mensen die niet jagen.
Chris keek met een verwarde blik om zich heen.
Maar, waarom zijn we hier dan?
Zijn vader krabde aan zijn bovenarm en staarde naar een willekeurig punt in de verte. 
Oké dan, we kunnen best een uurtje het bos ingaan. Maar blijf een meter achter me lopen. Begrepen?
Chris knikte en even later zag hij hoe het zonlicht vlekken maakte op het bospad. Op een normale dag had hij van deze wandeling genoten, maar nu lette hij vooral op het geritsel in de struiken. Af en toe stak er een konijntje over. Een prima prooi voor jagers die met weinig genoegen nemen, maar niet voor hem. Hij wilde alleen op grote dieren schieten. Dieren die je niet op kunt tillen.
Voor een open veld hield zijn vader halt. Hij draaide zich om en gebaarde dat ze zich klein moesten maken.
We zijn heel dichtbij nu, fluisterde hij, vanaf hier kunnen we ze goed bekijken.
Zijn vader verschuilde zich achter een struik, haalde een schietstok uit zijn tas en draaide onbeholpen aan wat schroefjes en boutjes om het ding op de juiste hoogte af te stellen. Toen hij klaar was, legde hij zijn jachtgeweer op het steunstuk. Nu kon het niet lang meer duren, dacht Chris, en terwijl zijn vader naar het veld tuurde, bracht het gezang van de vogels hem terug naar de middag dat hij een duif van de schutting had geschoten. Zijn vrienden waren erbij geweest en hadden het beestje even later achter de schutting gevonden, badend in een plasje bloed. Iedereen had het de rest van die dag over het schot gehad, behalve Chris zelf. Het enige dat hij gevoeld had was honger. Honger om elke vogel ter wereld uit de lucht te knallen.
Zie je al iets, vroeg hij aan zijn vader.
Nee, antwoordde hij, niks.
Zijn vader boog voorover om het veld te bekijken en op dat moment zag Chris iets vreemds aan hem. Tussen de plukken die onder zijn pet vandaan glipten zaten een paar grijze haren. Niet meer dan tien, maar toch, dit was het begin van het eind, vanaf nu zou het alleen maar erger worden. Hij deed een stap naar voren om de haartjes beter bekijken en dacht aan zijn opa die eerst grijs was geworden, daarna in een rolstoel was beland en op dit moment elke dag door een zuster werd verschoond. Zo snel kon het gaan.  
Chris zette het uit zijn hoofd en vroeg aan zijn vader of hij ook een keer mocht kijken. Omdat er geen reactie volgde, probeerde hij het nog een keer, nu minder geduldig: kom op pap, ik wil ook.
Zijn vader draaide zich om en in plaats van boos te worden, keek hij met grote ogen naar iets dat vlak achter zijn zoon stond. Daarna draaide ook Chris zich om een zag hij, nog geen vijf meter voor hem, de vijand staan, de prooi waar ze op gewacht hadden. Volledig bevroren, als een wassen beeld, staarde het in de loop van het jachtgeweer.
Schiet, siste Chris met zijn tanden op elkaar.
Wat zeg je?
Dat je moet schieten!
Nu?
Ja, riep Chris, nu!
Zijn vader zette een pas naar achter, keek naar zijn voeten, verloor zijn evenwicht en haalde in zijn val de trekker over.
Er klonk een knal door het bos, gevolgd door het gefladder van wat vogels. Het hert vluchtte de bosjes in en Chris strekte zijn hand uit om zijn vader overeind te helpen. De man die voor hem op de grond lag, was niet de spierbundel die afgelopen zomer met zijn blote handen een vis had gevangen. Integendeel. Dit was een oud mannetje dat in de hal van het bejaardenthuis op zijn bek was gegaan. Niet meer en niet minder.
Dat lukt zelf wel, zei zijn vader. Hij krabbelde op, raapte zijn pet van de grond en zette die scheef op zijn hoofd. Vervolgens liep hij in een rechte lijn naar de schietstok. Hij klapte het ding dicht en stopte het in de tas.
We zijn klaar voor vandaag.
Zonder om te kijken liep hij weg en Chris slenterde met tegenzin achter hem aan. Als ze straks thuiskwamen, zou alles nog hetzelfde zijn. De koeien zouden nog steeds met hun domme koppen in de wei staan, zijn broertjes zouden nog steeds de hele dag achter elkaar aan rennen en zijn moeder zou nog steeds met een chipszak voor de laptop zitten. Daar was geen zak aan veranderd.
Zijn vader zat al in de auto toen Chris bij de grasvlakte aankwam. Hij had zijn vingers om het stuur geklemd en richtte zijn blik op de bosrand die door de koplampen in een spotlight werden gezet. Chris stapte in en ging naast zijn vader zitten, die hem tot zijn verbazing een peuk aanbood. Chris schudde zijn hoofd. Zo makkelijk liet hij zich niet afkopen.
Je kan helemaal niet jagen, viel hij met de deur in huis.
Zijn vader knikte.
Maar waarom zei je dat dan?
Geen idee, zei zijn vader, soms zeg je iets en kun je het niet meer terugdraaien. Zo gaat dat.
Hij tilde zijn pet op waardoor er vlak onder zijn haargrens een witte streep tevoorschijn kwam. Pas nu zag Chris hoe verbrand de rest van zijn gezicht was. 
Ik snap het niet, zei Chris, waarom rijd je dan hierheen?
Rust, zei zijn vader, dat is alles. Thuis moet ik het eten koken, de afwas doen, jullie naar school brengen en ook nog de hele dag op het land werken. Soms ben ik zo moe dat ik niet eens meer een kopje koffie op kan tillen.
Zijn vader hield het vlammetje van de zippo onder zijn peuk en nam een flinke hijs. Chris snoof de rook op die zich door de auto verspreidde. Zo kon hij toch een beetje meedoen. 
Je lag er echt dom bij net, zei hij na een poosje.
Dat zal wel ja, antwoorde zijn vader.
Net een bejaarde.
Zijn vader glimlachte flauwtjes, tikte de peuk af en kneep Chris vervolgens in zijn bovenbeen.
Niet te lang boos zijn. Ik probeer er ook het beste van te maken.
Met die woorden sloot zijn vader het gesprek af. Hij startte de auto, reed de weg op en trommelde de rest van de rit ieder liedje van Tom Petty mee – zelfs de nummers waar geen drumpartij in voorkwam. Chris legde zijn hoofd op het raam en dacht aan zijn moeder die op dit moment in de woonkamer zat te wachten tot ze thuiskwamen. Straks zou zijn vader haar een kus geven en vragen hoe haar avond was, daarna zou hij haar uit de rolstoel tillen en op de traplift zetten die haar iedere avond met een brommend geluid naar boven bracht. Zo zou het de komende jaren gaan en het enige dat hij nu kon doen was stilzitten, zijn hand op het dashboard leggen en het ritme zachtjes meetikken.