De Revisor is er voor nieuwe literatuur sinds 1974. Een van de schrijvers die opvalt in de afgelopen jaargangen is Wytske Versteeg, winnaar van de Frans Kellendonkprijs 2020 en de BNG Literatuurprijs 2013. Voor De Revisor schreef ze vier verhalen, die we deze week online plaatsen, met de belofte van een nieuw verhaal in ons najaarsnummer (word abonnee!). ‘De levenden’ verscheen in Revisor 11, in 2016. Een verhaal over de dood op doorreis. Bij ‘De levenden’ schreef ze ook het satellietverhaal ‘Voorbijgangers’, een non-fictievariant.

*

Na dagen gedroogd voedsel hopen we op een goed ontbijt, maar daarvoor komen we net te laat aan bij het restaurant aan het begin van de trail. In plaats daarvan eten we ijsjes, het enig eetbare dat te verkrijgen valt, en bekijken de kranten: Robin Williams is dood. Een stel uit Santa Cruz geeft ons een lift terug naar de vallei en daar nemen we de bus terug naar de bewoonde wereld. In El Portal, vlak buiten Yosemite, het motel. De Cedar Lodge werd berucht nadat een motelmedewerker drie vrouwen ombracht die kort daarvoor in het motel hadden verbleven. Wie de berichten over de Yosemite-moorden terugleest, ziet hoe het afgrijzen niet slechts betrekking heeft op de misdaad zelf. Het gaat om de plek waar de moorden gepleegd zijn; de zuiverheid van Yosemite is besmet, het paradijs verloren.


Een eind na Cedar Lodge passeert de bus een stadje in nagebouwde westernstijl, en daar stapt ze in. Ze draagt een spijkerbroek en hemd, een mannenhoed. Ze heeft een uitzonderlijk vriendelijk gezicht. De meeste mensen in deze bus kennen elkaar, reizen vermoedelijk iedere dag deze route. De vrouw wisselt grappen uit met een oudere heer voorin de bus, er wordt gelachen. Ze wuift zichzelf koelte toe en klaagt over de hitte.

Als ik het me goed herinner is dat het eerste waarover we spreken, de hitte die ‘snel’ voorbij zal zijn, binnen een week of zes. Later, als de bus leger is, het grootste deel van haar gezelschap uitgestapt, vraagt ze waar we vandaan komen, en waar we naartoe gaan. Terug naar Merced, zeggen we, en vandaar verder. Dat snapt ze niet. Waarom zou iemand ervoor kiezen naar Merced te gaan? Ze haat de stad. Waarom, vragen we. Het is een onschuldige vraag, waarop we een onschuldig antwoord verwachten.
‘Mijn vader is er vermoord.’
Daarop is geen reactie mogelijk, niet echt. Niet anders dan: I’m sorry, en plotseling ben ik blij met het Engels, dat in elk geval deze mogelijkheid kent, een betere dan het Nederlandse ‘wat erg’ of ‘gecondoleerd’. De bus rijdt over een viaduct en ze wijst ons aan waar hij precies gedood is. Ze is blij dat ze in elk geval niet meer in Merced woont, ook al passeert ze de plek nog elke dag op weg naar haar werk. Er is te veel misdaad in die stad, er wordt te veel gemoord. Het zijn de drugs, zegt ze, vertelt dan over haar eigen verslaving. Inmiddels is ze er min of meer bovenop, met dank aan de AA. Op dat moment mengt zich een andere jongen in het gesprek. Hij praat zacht, bijna onverstaanbaar, maar ook hij is begonnen met AA meetings, pas net. Ze complimenteert hem, moedigt hem aan om door te gaan.
Niet lang daarna stopt de bus bij het station. Een Aziaat zoekt verdwaasd naar de trein die hier niet stopt. We nemen afscheid, zij reist verder en wij lopen naar het motel, alerter nu op bedreigingen dan eerder. De stoep krioelt van de torren.

Die toevallige ontmoeting is nu twee jaar geleden en ondanks mijn notities is de herinnering vervaagd – zo weet ik niet meer zeker of ze alleen reisde, of deels met een vriendin. Soms vraag ik me af hoe het met haar gaat en met haar leven dat zo anders dan het mijne is. Maar ik ken haar naam niet en zou haar op straat niet meer herkennen: er was iets echts, heel even, maar tenslotte zijn we niet meer dan voorbijgangers, toevallige personages in het verhaal van de ander.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. Na ‘Huisje’ en ‘Verdriet en ‘Heimwee’ en ‘Bezoekuur’, is hier het laatste nieuwe verhaal: ‘Obstakel’, waarin niets lukt, en nog erger.

*

De obstakels die hij altijd en eeuwig op zijn weg vindt irriteren hem mateloos; kind ziek, vlek op das, sleutel kwijt, veter breekt, mobiel leeg.  Mag hij nooit eens genieten van een gelijkmatig humeur, een dag waarin alles op rolletjes loopt en hij ’s avonds tevreden op de bank hangt, schoenen uit, benen omhoog, dat was dan dat voor vandaag? Geen schijn van kans, in dat leven van hem waar altijd wel iets of iemand de boel komt verstoren. Als hij alleen was gebleven zou dat heel anders zijn, maar dan  heeft hij ook nog eens een gezin getroffen waarin niemand iets op eigen houtje kan oplossen; zelfs een lamp indraaien is teveel gevraagd ook al omdat de voorraad voortdurend op is, en een spijkertje inslaan, op een ladder klimmen om een spinnenweb weg te halen, een likje verf, toe nou zeg, op die kale plek langs de deurpost, het gras dat gemaaid, de auto die gepoetst of weggebracht moet, de vogelpoep op het raam waar je de godganse dag tegenaan kijkt: alles komt voor zijn rekening en nooit zal er eens niks, helemaal niks  op zijn lijstje staan, nog afgezien van die vlek op zijn das nu en de gebroken veter, zijn mobiel die hij onophoudelijk op moet laden. Een nieuwe nemen daar komt het niet van en dat is dan een van die dingen die hij noodgedwongen voor zich uitschuift, net als zijn brillenglazen die allang niet meer kloppen; van dichtbij ziet hij inmiddels ook slecht dus als hij het ding afzet is hij hem meteen kwijt, of hij gaat erop zitten.
Precies, hij gaat erop zitten. Hij zit erop, nu. Glas eruit, poot kapot. En dat terwijl zijn reservebril spoorloos  is en hij meteen na zijn werk naar een voorstelling moet waar zijn jongste dochter een of ander optreden heeft, die kinderen zo klein als ze zijn hebben elke week wel iets waar je bij moet zitten applaudisseren. Slechter kon het dit keer niet uitkomen maar wat moet hij, twee telefoontjes en een waarschuwend appje van zijn vrouw  jawel hoor, hij zal er zijn – knarsetandend laat hij een lunchafspraak afzeggen, belt de dichtstbijzijnde opticien en werkt zich met levensgevaar door het verkeer, de kapotte bril op één oor. Zal je altijd zien, toch nog iemand die net voor hem is binnengekomen dus kan hij misschien even gauw naar de ijzerwinkel om de hoek gaan, een bepaald soort schroefjes voor de lamp en nog iets, wat was het ook weer – hij gaat zitten en zoekt in zijn agenda om de vertrouwde lijstjes te bestuderen, nooit een eind komt daaraan. Maar de lijstjes zijn onleesbaar in de mist voor zijn ogen en als hij opstaat om nog snel in elk geval die schroefjes te doen, al weken zoekt hij daarnaar, draait de winkel opeens voor zijn ogen, hij zakt terug op het bankje, hand voor zijn gezicht kijk, het gaat al weer over. Hij verplaatst zijn voeten, zet ze terug naast elkaar. Die veters nee, even niet. Hij denkt aan zijn dochter, als het maar lukt met die bril zodat hij haar niet teleurstelt, waar had hij nou dat feestprogramma gelaten, straks even goed zoeken… Altijd wat, er is altijd, altijd, altijd wat maar hee de klant gaat alweer weg, tenminste als dat dezelfde is, herkennen doet hij ongeveer niks meer en de bril voelt scherp als hij zijn hand eromheen klemt.
Daar komt de opticien neemt hij aan, het witte vlak van zijn jas en een zwart montuur daarboven, jawel, hij mag mee naar een opening in de muur waarachter een fluwelen duisternis heerst. Een hoge stoel, voeten op een steuntje, een paar  simpele vragen, zijn naam, geboortedatum, wazig ziet hij wat lichtjes naast het schemerige wit van de jas, prettige stem heeft die man. En dan de letters en cijfers, eerst weet hij er werkelijk geeneen maar dat geeft niet, daar gaat het juist om en als beloning wordt alles steeds helderder zichtbaar, waarachtig, zo scherp heeft hij nog nooit iets gezien en hij zinkt weg in de tijd, alsof hij weer op school zit waar alles zo eenvoudig was. Dan volgt het lezen, een boekje op schoot en nog iets moois, perspectivisch, een landschap vol kleur, plus iets met zwevende blokjes daarna, geeft niet wat het is, van hem mag dit eindeloos doorgaan. Nu nog een nieuw montuur, wat hem betreft mag de opticien het zeggen want hij is de vakman, toch. Tot slot blijkt de verzekering de helft te vergoeden en krijgt hij ook nog gratis een bril te leen, zij het alleen om in de verte te zien. Maar dat is mooi voor vanavond en de rest van de week; maandag zal alles klaar zijn.
Zeldzaam is de ruimte waarin hij, eenmaal buiten, herademt; een prachtig heldere wereld waarin de ijzerwinkel precies het juiste schroefje heeft en hij meteen een hele serie gloeilampen aanschaft, zo kunt u weer even voort meneer. – Waarna hij op zoek naar zijn fietssleutels ook nog eens, in zijn binnenzak, het feestprogramma aantreft, met de aankondiging dat zijn dochter straks, om half zes, in de eerste acte een sneeuwklokje zal spelen.

 

Afbeelding van LGX via Pixabay

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. Na ‘Huisje’ en ‘Verdriet en ‘Heimwee’ is hier ‘Bezoekuur’, in een gezamenlijke huiskamer in de late avond, leeg.

*

Dit hier is wat ze de huiskamer noemen, de eettafel met zeker twaalf stoelen rondom, het gigantische televisiescherm, het zachte brommen uit een van de twee hoge koelkasten. – Hoe moe kan je worden van nietsdoen, urenlang had ze niets anders gedaan dan bij het bed zitten waar een lieve tante stil voor zich uitstaarde, haar ogen in diepe schaduwkuilen. Wanneer is het voldoende geweest, wanneer ga je weg? Ze is weggegaan. Niet eens gemerkt dat het stortregent buiten maar dat doet het, het is laat op de avond en toen de nachtzuster vroeg of ze wat koffie wilde met de glimlachende verzekering, hand op haar arm, dat ze rustig kon blijven tot de bui voorbij was, ging ze zitten aan de gemeenschappelijke tafel, een vaas in het midden. Boeket met een kaartje, onleesbaar van hieraf. Links liggen tijdschriften op een rechthoekige stapel, aan een van de stoelen hangt een plastic tas waar dikke breinaalden uit steken en het televisiescherm geeft geluidloze beelden van een natuurpark met dieren, rechtsonder een gebarentolk.

Verder niemand meer hier, ze kijkt uit op een lange, stille gang waar de vrouw voortschuifelt die zonet haar kleurige breiwerk zorgvuldig oprolde en wegborg in de plastic tas; ‘Zo,’ zei ze terwijl ze haar onderzoekend aankeek, ‘morgen is er weer een dag, ik zeg maar tot ziens.’  Een kleine vrouw, goed verzorgd, met heel donkere ogen en hoge, bijgetekende wenkbrauwen. Hoe traag ze ook voortbeweegt, een hand af en toe tegen de muur, opeens is ze verdwenen. Weg. In de lange, lege gang brandt bij twee deuren een lichtje, een rood en een groen; het zeil op de vloer is onder de tl-buizen glimmend lichtgrijs, geen eind komt eraan.

Ook de nachtzuster is in het niets verdwenen, de koelkast is stilgevallen en de regen is mogelijk opgehouden, zo stil. Het is laat op de avond, ze hoeft nergens naartoe. Gedachteloos zit ze daar, de koffie vergeten, handen los in de schoot. Nergens beweging, er is geen verschil met de vaas op de tafel, de tas aan de stoel, de klok boven de deur en de lange, glimmende gang daarachter, zonder einde onder het bleke licht.

 

Afbeelding van ClaudiaWollesen via Pixabay

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. Na ‘Huisje’ en ‘Verdriet’ is hier het derde verhaal: ‘Heimwee’, die ‘stekende, samentrekkende kramp’, zelfs bij het puzzelen.

*

Er zijn dingen die te dicht bij het oude heimwee komen, het zijn er soms zoveel dat hij aan niets anders kan denken: hij blijft thuis en houdt zich bezig met enorme legpuzzels, net als vroeger. Al kan zijn heimwee ook dan plotseling opkomen, bij zo’n afbeelding van een schaapskudde op de hei, van de duinen met hun helderwitte zand, en zelfs bij dit schilderij nu, van een brieflezende vrouw. Hij heeft de omtrekken nog niet gelegd, het licht van links uit het raam langs de rand van haar blauwe jak, of hij herinnert zich – wat herinnert hij zich, waarschijnlijk iets van toen hij klein was, geen idee eigenlijk. Maar geen twijfel over het gevoel, dit is de stekende, samentrekkende kramp van het heimwee. Die kleine handen, hij heeft er drie stukjes voor nodig, makkelijk genoeg en dan de haarlok langs de wang en de wenkbrauw, hoe is het mogelijk dat ze die in tweeën hebben gebroken, die snee in het midden nee onzin, kom nou, zij weet immers van niets. Hoe lang geleden alweer dat ze daar gestaan heeft, aan het venster en wat leest ze, die wenkbrauw, het zal toch niet iets ergs zijn geweest; haar mond staat een beetje open en hij schaamt zich bijna als hij de stukjes samenvoegt, zo nabij. Maar goed dat zij ook daar niets van kan weten: hoe hij hier zit, voorzichtig zijn duim op haar lippen plaatst en de mond omhoog schuift, nog net geen aansluiting bij de wenkbrauw maar hij gaat nu liever eerst aan die landkaart op de achtergrond beginnen, de stevige, donkere lijn van de stok waardoor de kaart mooi recht hangt. Iets te makkelijk eigenlijk, maar zo is hij zijn gevoel weer een beetje de baas.
Hoe dan ook kan hij beter landkaarten doen, daar leer je wat van en hij heeft van vroeger nog hele grote die bijna niet op de tafel passen. Maar zelfs dan kan het heimwee hem aangrijpen, de puntige bergketens, de blauwe meren van Zwitserland en de kleine, schuin gedrukte namen van een waterval, een bergpas. Hij herinnert zich de overdekte houten brug, het tochtje met een boot, hoe heet het, een raderboot ja, de o zo hoge, spierwitte sneeuw tegen de lucht, het zwevende silhouet van een vogel. Toen. Hij was er, hij heeft het meegemaakt, soms komen geuren terug in zijn neus, klinkt in zijn oren een verre taal. Er was zelfs een puzzelstukje met de naam van het dorp waar het kabelbaantje begon, daar weet hij nog alles van, de uitroep van zijn moeder toen het opeens stopte en ze stil bleven hangen, een kwartier lang tussen hemel en aarde zo eindeloos, met in zijn mond een Zwitserse kruidenbonbon.
Hij haalt koffie en overziet staande de puzzeltafel, brieflezende vrouw. Het lijkt een chaos maar hij weet het precies, de grote en kleine eilanden die bij de stoel horen met bolle koperen spijkers, bij de landkaart, de geplooide doek linksonder. Haar handen, de wenkbrauw. Het heimwee is al bijna weg, blijft in de luwte; hij vindt dat hij snel is vandaag, goed werk, hij krijgt er plezier in. Dus als een tijdje bezig is geweest met een beschaduwd, wit muurvlak, erg moeilijk en saai, gaat hij toch weer op zoek naar de grenzen van datzelfde wit met het blauwe jak – nog niet meteen de voorzijde die zo helder is en zo hopeloos teder, maar de achterkant: stevig en donker in een rechte baan, solide haast, als een boerenkiel.

 

Beeld via het Rijksmuseum.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. Na ‘Huisje’ is hier het tweede verhaal: ‘Verdriet’, onpeilbaar en onverklaarbaar.

*

De ellende is dat hij aldoor moet huilen de laatste tijd; niet dat hij dat dan ook doet want past natuurlijk niet bij de man die hij is, kalm, hardwerkend, middelbare leeftijd. Maar toch, steeds opnieuw, het komt diep uit zijn borst als een aanval van misselijkheid, hij buigt voorover in een hikkend krimpen en richt zich snel op – kom, het gaat alweer. Op kantoor heeft hij er vrijwel geen last van want drukte genoeg daar, hij heeft wel wat anders om zich mee bezig te houden. Maar dan, de lunchpauze, hij loopt naar een klein plantsoentje vlak in de buurt, hij zit bij de vijver en kijkt naar de waterhoentjes, de hoge, zachte pluimen in het riet en ja hoor, hopla. Kramp in zijn middenrif, een snokkend geluid. Heel even is zijn gezicht in zijn handen maar hij zit alweer recht, publiek terrein hier.
En waarom in vredesnaam, waar komt het vandaan, hij kan werkelijk niemand verzinnen om dat aan te vragen; ja wat wil je, als hij het zelf niet eens weet. Hij leidt geen kwaad leven, hij verdient het geld dat hij nodig heeft, soms een paar weekjes naar de zon, hij heeft aardige collega’s, zit op een schaakclub, eet af en toe buiten de deur. Hoe zijn jeugd was? Gewoon, niets bijzonders; persoonlijke herinneringen doen hem ook niet zo veel en of hij wel eens verliefd was, ja hoor, een keer of drie maar daar kwam niet zoveel van terecht. Bovendien, hij vindt het wel prettig, zo op zichzelf.
Nee hem krijg je niet gauw ontevreden, en dan toch deze huiltoestanden: al weken achtereen moet hij op zijn tellen passen, het kan zomaar beginnen. Het is geen doen in feite, hij moet er vanaf, het zullen herinneringen zijn die hij aldoor wegduwt ofzo, al zou hij dus oprecht niet weten wat. Wel heeft hij er inmiddels zo genoeg van dat hij besluit een tijdstip te kiezen om zich er compleet aan over te geven, zijn gevoelens de vrije loop te laten, hoe droeviger hoe beter; misschien is het daarna eindelijk voorbij.

Het is weekend, zondagavond al, nu moet het er echt eens van komen. Hij zit na het eten thuis op de bank, een paar glazen wijn gedronken alvast, en om te beginnen zal hij aan zijn overleden moeder gaan denken. Dat doet hij dus nu, hij ziet haar voor zich, ze had een lief, wat zorgelijk gezicht en dat stemt hem vriendelijk maar verder voelt hij niet veel bijzonders; wat hem eigenlijk wel tegenvalt van zichzelf. – Daarna stapt hij over op de kleuterschool, hij herinnert zich heel kleine tafeltjes en stoeltjes, dat kan niet kloppen want hij was toch zelf net zo klein nee, die vroege jeugd en ook de lagere school blijken nergens toe te leiden. Daarna komt hij op zeiltochten met een vriend die een hond had, een dik gevlekt hondje dat erg hield van het water en daar was toen iets mee ja, wat was dat ook weer. Hij zucht, geen idee. Goed, zijn zuster dan, die hij nauwelijks meer ziet, dat ze samen een step hadden die meeging op vakanties, altijd in de duinen waar je er toch weinig aan had, bedenkt hij nu pas. Ook dat levert dus niets op, evenmin als de gedachte dat hij over een jaar of wat met pensioen zal moeten, welke ziektes hem wachten, een eenzame dood zelfs misschien… leuk is anders maar wat hij ook verzint: geen klem op zijn borst, geen hete druk achter zijn ogen, niets niemendal. – Kijk eens aan, dit moet het toch zo’n beetje zijn en misschien is het daarmee opgelost, anders had hij het toch al lang en breed te kwaad gekregen; het besluit alleen al om er aan toe te geven is blijkbaar voldoende geweest. Hoor je wel vaker, zoiets; hij gaat opgelucht slapen.

De volgende dag is hij mooi op tijd wakker, hij neemt een douche, zet koffie en staat met zijn beker tussen twee handen rustig naar buiten te kijken; over vijf minuten de deur uit. Hij ziet de straat, heel stil nog, de boom voor zijn raam met een hekje er omheen, zijn fiets schuin tegen dat hekje. Alles is compleet, probleemloos in orde en straks zal hij daar staan, bij die boom, naast zijn fiets, hij zal zijn fiets van het slot halen … zijn maag spant zich aan, zijn hart krimpt onder zijn ribben en hij leunt met zijn voorhoofd tegen het koude glas – o nu, kon hij nu urenlang huilen.

 

Beeld Albert Herring, SA. Early Spring at James River State Park, licht aangepast.

In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. We openen met ‘Huisje’, een kleine idylle – precies wat je zoekt, al jaren.

*

Ongelooflijk wat mooi hier – deze landweg met hoge bermen, een strook gras in het midden en achter de sloot warempel een echt korenveld met papavers langszij, winde, iets geels ook, wat is het. Maar vooral daarginds, aan het eind: een eenzaam, vervallen boerenhuisje. Precies wat ze zoekt, al jaren. Eropaf, meteen, voeten verstrikt in het lange, natte gras en slierten kleefkruid. Het strodak is plukkig donkergrijs en er heeft zich een vlier in verankerd die bloeit in de warmte, je ruikt hem hier al. Overal bramen en brandnetels, een oude waterput met opnieuw een bloeiende vlierstruik en verderop Oost-Indische kers, een rek met vergeelde tuinbonen. Rechts een hokje zonder deur waar een wc-pot in staat met een reservoir erboven van gietijzer en kijk nou eens, aan de ketting een echt porseleinen trekker. Daarachter zo’n strooien hooibergdak, scheef op vier palen, er staat een kar onder met de dissels omhoog en ook een roestig fornuis en een ijskast. Wat doen die hier. Weg ermee straks, het allereerste dat weggaat. Tussen de brandnetels is een bakstenen paadje vrijgebleven tot aan de voordeur; daarnaast vlak boven de grond een bergluik, schuin, met een roestig hangslot. Benieuwd wat daaronder zit.

Dit is schitterend. Zo mooi, zo alleen, ze was al een tijdje op zoek maar dit zal het worden, zomaar bij toeval ontdekt. Wat een geluk. Ze loopt naar de voordeur van vaalgroen hout, links en rechts de meest stoffige ruiten ooit; met de zijkant van haar hand veegt ze een plekje schoon en een baan zonlicht schiet loodrecht naar binnen, het donker in. Valt op een rond tafeltje met een kanten kleed erover, een houten kast rechts en daarnaast, in een leunstoel met hoge kussens, een heel oude vrouw die nu traag haar hoofd opheft, de mond half open.

Na tien jaar vertrekt Jan van Mersbergen als redacteur van De Revisor. Als afscheid zijn korte verhaal ‘Groen‘, dat in twee delen op de website zal verschijnen. Lees deel één, en vandaag het tweede deel.

*

Als ze bij de eethoek gaat staan zie ik dat hij op blote voeten loopt. Jezus. Ik heb altijd koude voeten. Volgens mij hield ik toen op die boot in de winter mijn sokken gewoon aan.
Vera merkte er niks van, dat is zeker.
Ze hebben het over de tafel. Hij wilde een grote tafel waar je met tien man aan kunt zitten, zij zegt dat die vaak niet zou mooi zijn. Nou, ze zijn er wel uitgekomen zo te zien.
We deden het zonder condoom, dat weet ik nog. We waren allebei dronken. Dat heeft meestal het effect dat het lang duurt.
Hij zegt: ‘Uiteindelijk heb ik mijn zin gekregen en is dit onze tafel geworden.’
Misschien ligt ze nu wel te bevallen?
Vera zegt: ‘Maar gewoon tweedehands gevonden, zodat-ie ook weer makkelijk weg kan.’ Ze grinnikt kort.
Paul lacht om haar grapje. Dat-ie weer weg kan. ‘Ik ben er heel blij mee,’ zegt hij.
Ik staar naar het scherm. Nog nooit zag ik zo’n aflevering met een huis zonder het huis te zien.
Ze is mooi. Precies een vrouw waar ik op hoop als het praatwerk achter de rug is en er nog wat gedronken wordt. Filmposter signeren? Ja natuurlijk. Voor wie is het?
Voor Paul.
Hoe schrijf je dat?
Nu kan ik het echt zien: haar buikje. Vijf maanden, schat ik.
Ze staat iets gedraaid bij de eettafel en vertelt over het uitzicht en de glazen pui die erin moest en dat het in de zomer daar wel vijfendertig graden wordt, want de tuin is op het zuiden, en dan begint het muziekje en zegt de voice-over: ‘Dat zie je zo.’
Vera. Ze dronk stevig door in dat grote café, met die schrijver met het verwaaide kapsel aan tafel en die andere twee. Volgens mij was er ook dichter die kort daarna overleden is. Ze zat naast me op een gegeven moment, na wat schuiven en een bezoekje aan de wc. Tafelschikking is bepalend.
De dichter liet zich in de hoek schuiven, of eigenlijk zei hij toen ik eruit moest: ‘Natuurlijk, ga je gang.’ Hij stond voor me op. Die andere schrijver bleef breed en handig zitten, maar die was druk in gesprek met een regisseur uit Utrecht.
Er komt een item over het telen van groentes. Heerlijk, trotse mensen met hobby’s.
Tot de voice-over zegt: ‘Op een prachtige plek in Noord-Holland zijn Paul en Vera de trotse eigenaren…’
Daar is ze weer.
Maar eerst haar man. Zijn naam komt onder in beeld. Hij begint weer te praten, geeft een rondleiding, een trap op, de trap weer af.
Dan neemt Vera het over. Onder in beeld komt haar achternaam erbij te staan en: interieurstylist.
Facebook biedt uitkomst. Met trillende vingers zoek ik de site erbij op mijn telefoon, druk op het vergrootglas en tik haar naam in. Er verschijnen vier Veras, ik zie direct dat ik de bovenste moet hebben. Een zwart-wit profielfoto, met dezelfde lach.
‘We gaan hier uiteindelijk nog een mooie houten vloer in leggen,’ zegt ze.
Ik klik op de profielfoto. De foto wordt vergroot en zie ik een pasgeboren baby met een mutsje op en het oudste kind dat schuin zijn gezicht voor het beeld duwt.
‘Dit is onze badkamer,’ zegt ze.
Stralende lach.
Die boot bij het station van Groningen, de lange reis terug. Waar was ze toen? Met de trein terug, geloof ik. Samen reizen wilde ik niet.
Die ochtend kwam de man die zijn boot aan het festival had verhuurd veel te vroeg een kijkje nemen. Alle deuren stonden open, overal lagen kleren. Vera sloeg de dekens voor haar borsten.
‘O sorry,’ zei de man.
We kleedden ons aan. Er was geen tijd voor koffie. We namen afscheid en dat was het. Nooit meer iets van haar gehoord of gezien.
De datum, van wanneer is die foto?
Waarom zag ik dat niet meteen: juli.
Ze laat de badkamer zien. In de boot zat de douche aan de andere kant: de slaapkamer in de boeg, de douche achter. We hebben nog wel samen gedoucht, volgens mij, en op de terugweg was het kleren zoeken.
Ze heeft het over tegels. Vloertegels. ‘In de badkamer mocht er wel effe wat meer gebeuren.’
Ik word rustig nu. Ze heeft haar kindje. Ik zit te kijken naar een vervlogen avond, een stipje in een agenda waar geen van ons over een tijdje nog aan denkt.
Paul laat de slaapkamer zien. Achter hem op een geborduurd stukje stof staat de naam van hun dochter en de geboortedatum, samen met Janneke, van Jip.
15 september 2017.
Dat is de eerste.
Weer begint-ie over vertrouwen. ‘Ik vertrouw je altijd.’ Mensen die dat zeggen moet je altijd wantrouwen.
Ze zit op een bed dat zo te zien van een paar pallets gemaakt is, met een deken erover. Ze vertelt dat ze buiten woont en dat ze dan ook diertjes wilde. ‘Kipjes, een hond, een poes. Dus.’
Dat was allemaal dik in orde.
‘Dat maakt het wel af.’
Die avond in december wordt steeds duidelijker. Ze droeg een lange rok. Ze deed die rok niet uit. Ze hees hem gewoon omhoog.
Hun kindje was er al in juni. In het voorjaar was ze zwanger. In december ging ze met mij een stukje varen. Ze was toen al zwanger.
Vandaar dat ze niet bang was. Nergens voor. Zwangere vrouwen zijn niet bang. Is dat een conclusie?
Ze zitten onder de pergola, voor het uitzicht, tussen de groene planten en de gele en witte voorjaarsbloemen. Vera heeft een kindje op schoot.
Hij zegt: ‘Als je dan hier zit zo met elkaar dan is het meer dan de moeite waard.’
Vera zegt: ‘Absoluut.’

Na tien jaar vertrekt Jan van Mersbergen als redacteur van De Revisor. Als afscheid zijn korte verhaal Groen, dat in twee delen op de website zal verschijnen. Vandaag het eerste deel.

*

Het scherm van de tv is nog zwart maar het geluid klinkt al: ‘Vera en Paul gaan in hun oude boerderij voor groen.’
Vera, denk ik. Groen.
Ze verschijnen in beeld. Vera en Paul. Zie je wel.
Afgelopen winter moest ik in een café in Groningen een lezing geven over Film noir. Nergens in het land willen de mensen er nog iets van weten, maar in het noorden liep de zaal vol.
Ik bleef daar slapen. Wat Vera daar moest doen weet ik nog steeds niet. In ieder geval was ze in Groningen.
Paul zegt: ‘De groene vloer zag ik eh… echt wel zitten…’ Hij heeft een hoge stem.
Vera vult aan: ‘… en toen zijn we doorgeslagen. Groene tegels. Groene vensterbanken.’
Paul zegt: ‘Alles groen.’
Het is een aankondiging van het programma dat zo meteen op net 2 te zien is.
Ik bleef slapen op een boot die ergens bij het station in het water lag. Ik weet nog goed hoe ze me voorging over de loopplank, hoe ze het trapje afdaalde het ruim in.
Ik wacht tot het programma begint, tot Vera weer in beeld zal komen, met haar klassieke gezicht, blosjes op haar wangen.
De begintune. De trompetten schallen, er komt een huis in beeld en de voice-over zegt:
‘In een rustig Noord-Hollands dorpje wonen Paul en Vera, samen met hun dochtertje Suus in een oude boerderij.’
Ik wist niet dat ze in Noord-Holland woonde. Ze vertelde me destijds dat ze uit Amsterdam kwam.
‘Als ze het huis in 2014 voor het eerst zien, zijn ze meteen verkocht.’
Vera was die avond een beetje dronken, en ook toen vrij vlot verkocht.
Paul doet de voordeur open. ‘Welkom,’ zegt hij. Aardig. Hij heeft een soort ringbaardje.
Op de achtergrond staat Vera met het kindje in haar armen. De cameraman schuift langs haar naar binnen. Ze draagt een jurk. Gebroken wit met dikke zwarte knopen.
In het ruim van die boot, om nog wat te drinken. Ik had het smalle deurtje nog niet achter me dichtgetrokken of Vera duwde haar lijf tegen me aan en kuste me. Niet meer alleen een hand op mijn been of even langs mijn gezicht strelen, dat kon allemaal toeval zijn of alleen een spel voor deze avond. Ze was direct.
Ik zie de keuken, ik zie de woonkamer, inderdaad veel groen: planten met enorme bladeren, een leesstoel, achter grote ramen de tuin.
Ik zie cactussen, vetplantjes op de groene vensterbank. Een weiland waar een vrachtwagen doorheen rijdt. Hadden ze die er niet uit kunnen knippen?
‘We zochten al een hele tijd een huis om onze eigen draai aan te geven,’ zegt Paul. Ze staat naast hem in de keuken, voor een wand met groene tegeltjes. Haar mond iets vertrokken alsof ze ook iets wil zeggen. Een stel. Samen een oude boerderij gekocht.
Hij praat maar door, zij wacht af. Een hand op het aanrecht. Hij vertelt over hun zoektocht naar een huis en zij onderbreekt hem weer: ‘… het duurde ook echt heel lang.’ Dan zwijgt ze weer.
Een oude foto van het huis. Ze vonden toch iets. Dan komt ze close-up in beeld. ‘Koop het maar.’ Ze heeft glinsterende ogen. Niks veranderd.
‘We moesten het hebben,’ zegt ze.
Doortastend was ze toen al. Dat zei ze niet veel later in de kleine slaapcabine ook, in het bed met de schuine randen.
De voice-over vertelt dat het huis eerst nog niet echt leefbaar was en dat ze veel moesten verbouwen. ‘Paul en Vera moesten flink aan de bak.’
Dat ken ik van haar, ja. Een dieseltje.
‘En nu, vijf jaar later, met een nieuwe baby op komst, zijn er nog altijd nieuwe klussen.’
Ik moet slikken. Ze hebben dus een kindje. Maar die nieuwe baby? Gaan ze nog iets zeggen over die nieuwe baby?
Ze is dan zeker twaalf weken zwanger, anders zeg je zoiets niet. Maar aan haar buik is niets te zien. Dus meer dan vier of vijf maanden zal ze niet zwanger zijn.
Ik tel koortsachtig.
Wanneer was dat festival? Het was erg koud. Het staat in mijn agenda, maar ik wil dat niet opzoeken, ik wil niet weg van de tv.
Het was in december.
De beelden verklappen dat het nu voorjaar is, alle planten in de tuin zijn groen en staan in bloei. Het is natuurlijk al een tijdje geleden opgenomen. Het is nu augustus.
De voice-over: ‘Ja, er moest heel veel verbouwd worden.’
‘We hebben besloten eigenlijk ieder jaar één groot project aan te pakken,’ zegt mijn Vera, ‘zodat het een beetje overzichtelijk blijft.’
Paul staat naast haar te knikken.
Overzichtelijk. Kolere zeg.
‘We zijn begonnen met de uitbouw.’
Nu ik haar zo zie staan tegen dat aanrecht denk ik toch iets aan haar buik te kunnen zien. Ze is wat forser geworden. Haar heupen. Haar gezicht.
Ze heeft half lang haar, tot haar schouders. Dik bruin haar. Mooie ogen. Ik herinner me vooral die ogen. Haar haar was toen langer. Ik kon eraan trekken.
Paul zegt: ‘Twee jaar later zijn we hier beneden begonnen.’
Ze zegt nog iets over de vloer, over de uitbouw of een opbouw. Ik luister gespannen maar hoor de helft niet.
Het was ergens tussen Sinterklaas en Kerst. Daar passen meestal twee weekenden tussen en dit soort avonden of filmfestivals doen het meestal niet zo goed in die tijd, als iedereen druk is met de feestdagen, toch kon ik die avond naar Groningen. Vierhonderd euro, exclusief reiskosten.
De laatste trein terug is een drama, dus ik had gevraagd of ik ergens kon overnachten. Dat kon geregeld worden, geen probleem.
‘De opbouw is de grootste klus geweest.’
In het grote café zat ik met twee schrijvers en een andere regisseur die ook hun kunstje gedaan hadden. Een van de schrijvers, een grote man met warrig haar, trok veel publiek, en aandacht na afloop. De andere schrijver was relatief onbekend.
Vera zegt: ‘We konden een groene vloer nemen.’
De voice-over: ‘Gelukkig is Paul heel handig en Vera, vanwege haar werk als interieurstylist, heel creatief. Dus een ideale combi. Nu, vijf jaar later, met een nieuwe baby op komst, hoeven ze zich nog steeds niet te vervelen, want er zijn altijd weer nieuwe klusprojecten.’
Waarom herhalen ze alles?
Paul verschijnt in close-up in beeld. ‘Ik heb echt honderd procent vertrouwen in Vera…’
Hij is een beetje grijs bij de slapen. ‘…maar toen je zwanger werd merkte ik opeens dat ik er niet meer zo veel vertrouwen in had want de keuzes voor de kinderkamer…’ Hij kletst maar door. Vera lacht. Ze heeft mooie rechte tanden. Dat zei ze toen nog tegen me. Dat mijn tanden scheef staan, dat ze dat sexy vindt.
Hoe staan de tanden van dat baardje?
Het stukje uit het voorfilmpje wordt herhaald.
‘Toen zijn we doorgeslagen.’
Ik kan een glimlach niet onderdrukken maar blijf tegelijk bezorgd. December. Augustus. Voorjaar.
‘Eigenlijk kwamen we er later achter dat de vloer helemaal duurzaam gemaakt wordt,’ zegt ze.
Eigenlijk. Dat zei ze toen ook. Eigenlijk wel een leuke plek. Die boot. Eigenlijk wel een mooie avond zo. Eigenlijk kan voorlezen best leuk zijn.
Alles was eigenlijk wel leuk.
‘Alles is van gerecycled materiaal.’
Paul vult aan: ‘Dat is wel een prettig idee.’
Ze recyclen alles, denk ik.

[…]

Deel 2 volgt donderdag 29 oktober.

Nieuw proza op DeRevisor.nl: lees Joep Stapels ‘Schaapskop’, een verhaal over een kater, een café en een verdwenen gitaar.

*

Ik ben hier te oud voor, dacht Kazimir toen hij lang genoeg naar het systeemplafond had geknipperd om de coördinaten op een rijtje te krijgen. Vlakbij klonk gesnurk. Mat licht viel door de grote ramen, gordijnen waren er niet. De centrale verwarming loeide. Lege flessen, borden met etensresten en peuken. Hij had geslapen in een nest van kussens. Zijn rug zeurde. Zijn geeuw ontaardde in een hoestbui.
Het schaap keek hem recht aan. De ogen glansden. Iemand had een damesonderbroek over de viltige kop gesjord, respectloos eigenlijk, al leek het dier zich er weinig van aan te trekken.
Kazimir kleedde zich aan, dronk water uit een vettige mok die hij drie keer vulde, stommelde tussen de lichamen door de kamer uit, hielp in het trappenhuis een Noord-Afrikaanse man met een kinderwagen, liep door straten die hij aan de lopende band herkende en belde aan bij de karakteristieke buitenlamp.
Een kale man met plukjes tattoo uit de boorden van zijn shirt deed open en zei dat hij aan het verkeerde adres was. De vriendelijkheid van de kale man ten spijt ervoer Kazimir dat als een opluchting.
Hij bestelde zwarte koffie in een café dat absoluut hetzelfde café was als gisteravond, de ronde bar, de mozaïekvloer, en deed navraag bij de bediening. De vrouw die zijn koffie bracht veegde haar handen af aan haar schort, blies nadenkend een lok uit haar gezicht en zei dat ze haar collega zou vragen.
Het café was nagenoeg leeg, in de hoek zat een groepje scholieren te kaarten, een verlopen kerel in een vettig colbertje leek vergroeid met de bar. Aan de muur hingen posters van Le Chat Noir, maar hij was niet in Parijs.
Hij nam een slok koffie. Het schaap was nogal hardhandig van de muur getrokken, waarschijnlijk iets te ruw om nog ludiek te zijn. Hij overwoog de jongens een bericht te sturen, breng dat ding even terug, maar een andere serveerster naderde zijn tafeltje, trok een stoel naar achter en ging zitten.
‘Heeft zij je gestuurd?’
‘Niemand heeft mij gestuurd.’
‘Dat geloof ik niet.’
‘Dan geloof je het niet.’
‘Er zijn mensen bóós.’
‘Ja, ik zorg dat ze dat ding terugbrengen.’
‘Heb je mij gezien?’
‘Dat weet ik niet meer.’
‘Ik was er niet.’
‘Dan zal ik je wel niet gezien hebben.’
De serveerster boog voorover en keek hem strak aan.
‘Volgens mij zit je uit je nek te lullen,’ zei ze. Ze stond zo bruusk op dat haar stoel omviel.
Iedereen in het café draaide zich naar zijn tafeltje, behalve de stamgast, die met zijn hoofd in het bakje servetten op de toog in slaap was gevallen.
De serveerster zette de stoel recht en verdween.
Toen ze even later kwam afrekenen, een geheimzinnige gloed in haar gezicht, tikte ze met haar lange rode nagel op het bonnetje, net zo lang tot hij expliciet te verstaan gaf dat hij het gezien had, ja, het adres dat erop was geschreven, waarna ze geschrokken een vinger tegen haar lippen legde.

Het huis leek exact op dat van de kale met de tatoeages, maar nu deed iemand anders open. Zulke lantaarns waren kennelijk in de mode.
‘Ik heb mijn gitaar laten staan,’ zei hij.
In de deuropening stond een zwarte man in een blauw kostuum met gouden manchetknopen. Er stak een boek onder zijn arm. Kazimir had hem vannacht ook gezien, naakt en geblinddoekt, in een rollenspel.
‘Er is hier geen gitaar,’ zei de man.
‘Jawel, ik heb hem achter de bank gezet.’
‘Het spijt me.’
‘Kun je even kijken?’
‘Ben je een vriend van Miss Lily?’
‘Ik ken geen Miss Lily. Ik wil alleen mijn gitaar.’
‘Waarom heb je hem dan laten staan?’
‘Ik ging een frisse neus halen met een van je andere gasten. Toen we terugkwamen was alles donker.’
‘Je bent aan het verkeerde adres, kameraad. Dit is alleen met uitnodiging.’
‘We konden gewoon doorlopen. We gingen mee met een kerel, Tomek geloof ik. Of Olaf. Komt hier vaker.’
‘Zegt me niks.’
‘Klein, dik. Louche type. Eerst gingen we naar een café en toen kwamen we hier. Misschien weet hij het.’
De man keek hem koeltjes aan. Hij deed de deur dicht.
De plek achter de bank.
Tomek. Olaf. Had hem erop gewezen.
Kazimir wreef in zijn gezicht. Hij was echt te oud voor deze onzin.
De deur ging open, met een olijk rolletje van zijn hand gebaarde de man naar de hal.
Kazimir wierp een blik achter de bank. Pas de guitare, zouden ze in Parijs zeggen. De man ging hem voor naar een stalen wenteltrap, de treden waren bekleed met hoogpolige beige vloerbedekking, en de bovenverdieping ook, als een vacht. Beige gordijnen tot op de vloer.
‘Laarzen uit.’
Kazimir trok zijn laarzen uit en volgde de man door een lange smalle gang. Hij telde elf deuren, de bovenverdieping strekte zich uit over meerdere panden. De vloerdekking was heerlijk zacht. Door een kier ving hij een glimp op van een naakt lichaam dat aan kettingen hing. Er klonk barokmuziek. Aan het einde van de gang was weer een wenteltrap.
De man liet hem binnen in een luxueus ingericht vertrek, met beige vloerbedekking en een hemelbed.
‘Miss Lily,’ zei hij.
Op de rand van het bed zat een vrouw in een roze peignoir, met krulspelden onder een haarnetje. In haar armen lag een beige poes. Ze droeg een roze legging. Kazimir schatte haar tussen de vijfendertig en de vijfenzestig.
‘Dus Timon heeft jou meegenomen.’
‘Timon, dat was het. Een zelfvoldaan, zweterig ventje, lult je de oren van je kop.’
‘Timon is mijn zoon. En beoogd opvolger. Hij was erg boos vanochtend.’
‘Anders ik wel. Hij heeft mijn gitaar gejat.’
‘Het is geen makkelijke jongen. Ik laat hem oefenen met het café. Timon heeft talent voor rode cijfers, ondanks mijn kapitaalinjecties.’ Het zag er obsceen uit, zoals ze haar ogen samenkneep. ‘En nu beweer jij dat hij een dief is.’
‘Ik wil alleen mijn gitaar terug. Bel hem maar, ik wacht wel.’
Miss Lily viste een zilveren sigarettendoos en een zilveren sigarettenhouder op tussen de kussens.
‘Je meent het, van die gitaar.’ Ze hield hem het geopende doosje voor. ‘Leroy.’
Kazimir nam een sigaret. Zijn telefoon ging, hij drukte de oproep weg.
Leroy, die verderop zat te lezen, kwam overeind, richtte een klein pistooltje op Kazimirs gezicht en gaf hem vuur.
‘Wat lees je?’
Leroy hield het boek omhoog, op de kaft stonden rare letters.
‘Is het wat?’
‘Dostojevski.’
‘Aanrader?’
Leroy zei iets dat onvriendelijk bedoeld leek, in een taal die klonk als Russisch.
Miss Lily keek hem door de rookdampen langdurig aan. Kazimir zag de uitgroei op haar haargrens. De foundation vertoonde barsten. Maar haar ogen sprankelden.
‘Schaam jij je voor je dromen?’
‘Mijn dromen? Moet je luisteren –’
‘Sluimeren er verlangens in je buik waarvan je schrikt? Heb je weleens iets in je anus gestopt dat over de grens ging, over je eigen grenzen? Welke ontkenning draag je met je mee?’
‘Ik weet vrij zeker dat ik hem niet mijn anus heb gestopt, Miss Lily.’
‘Wat zou je als laatste verklappen, onder druk?’
‘Is dat een dreigement?’
‘Je ziet er beroerd uit. Ongelukkig. Niets heilzamer dan je uitleveren aan de wil van iemand anders. Vrij in je hoofd zijn, zoals Leroy.’
‘Hou toch op.’
Zijn telefoon ging opnieuw. Hij besteedde er geen aandacht aan en prikte met zijn wijsvinger in Leroys richting. ‘Je bent een vrij mens, kameraad Leroy. Vergeet dat niet.’
‘Je bedoelt dat mijn seksuele psychodrama je ongemakkelijk maakt omdat ik zwart ben,’ zei Leroy.
‘Ik bedoel dat je deze flauwekul niet hoeft te slikken.’
‘Ik ben haar slaaf. Er is een contract. Ik sta volledig tot haar beschikking.’
Kazimir wilde nog iets zeggen, maar hij wist niet wat. Zijn telefoon ging nog steeds en hij nam op.
‘De motor loopt, Kaz. Waar zit je?’
Het was Dennis, de tourmanager.
‘Een of andere klootzak heeft mijn gitaar gejat.’
‘Welke gitaar?’
‘De Gibson.’
‘De Gibson staat al in de bus. Waar ben je?’
‘Weet je dat zeker?’
‘Anders krijg je een nieuwe van me.’
‘Een Gibson waar Wes Montgomery op heeft gespeeld?’
‘Als je maar opschiet.’
Ergens in dit land was een zaaltje waar een stel onbekenden op hem wachtte. Een man of twintig. Ze kenden zijn teksten uit hun hoofd. Na afloop kochten ze drank voor hem. Het was voorspelbaar, het was teleurstellend, maar hij had geleerd hen dankbaar te zijn.
Ja, een vrij man.
‘Pik me maar op bij dat café van gisteren.’
‘Zorg dat ze je niet zien. We hebben een verrassing. Een plastictas vol briefjes van vijftig, Kaz. Als in een film. Zat in die schapenkop.’
Kazimir borg zijn telefoon op, drukte zijn peuk uit en keek Miss Lily aan. Haar glimlach was verdwenen. Hij draaide zich om en liep naar de deur, voelde aan de knop. De deur zat op slot.
‘De deur zit op slot.’
‘Nee toch,’ zei Miss Lily.
‘Zou je hem willen openmaken?’
‘Leroy.’
Leroy klapte zijn boek dicht, zuchtte en staarde dromerig voor zich uit.

Nieuw proza op DeRevisor.nl: lees Martijn van Liths ‘Het eiland’, een scène uit een jeugd. Zomers en droevig.

*

We dronken ananasbreezers, die eindeloze snikhete zomer dat Merel doodging. Elke dag fietsten we naar het eiland dat eigenlijk geen eiland was, maar met een smal bruggetje aan het vasteland vastzat. Zij altijd voorop, op die knalrode fiets met balletjes in de spaken. Handen los, tot aan het bruggetje altijd de handen los. Raoul en ik er een stukje achter – kletsend, lachend, kijkend. Het bandje van haar spaghettishirt, de moedervlekken die ik soms probeerde te tellen als Raoul met één hand aan zijn fiets een peuk uit zijn broekzak graaide. Van zijn broer gejat.
Op het eiland lieten we onze fietsen en onszelf in het gras vallen. Daar lagen we, te kijken naar de luchten, de koeien, het water. Merel praatte, wij luisterden. Gaven haar antwoord wanneer ze iets vroeg. Lachten wanneer ze een grap maakte. Bloosden wanneer ze wilde weten hoe vaak we ons aftrokken. Aan het eind van zo’n middag fietsten we elk onze eigen weg naar huis. We aten, sliepen en wachtten tot het weer tijd was om naar het eiland te gaan.

*

De laatste vrijdag van de vakantie, Raoul is er niet. Zijn moeder zegt dat hij morgen weer komt. Ik fiets door naar het huis van Merel.
‘Jammer’, zegt ze.
We fietsen naast elkaar. Op haar gezicht heeft ze geen moedervlekken.
‘Wat kijk je?’
Ik kijk weg.

We liggen al een tijdje in het gras als Merel opstaat. Zonder waarschuwing trekt ze haar T-shirt uit, dan haar broek.
‘Ik ga zwemmen. Ga je mee?’
Ik durf nauwelijks haar kant op te kijken. Een zwembroek heb ik niet bij me.
Ze lacht, trekt een sprint naar het strandje en loopt zo het water in. Even houdt ze haar pas in, dan stort ze zich voorover in de plas. Ze strijkt door haar blonde haar dat nu donkerder is en zwaait naar me. Merel, in haar ondergoed, zwaaiend naar mij. Wachtend op mij.
En ik blijf zitten.

Samen drinken we de breezers leeg die ze in een Albert Heijn-tas heeft meegenomen.
‘Ik ben een beetje verkouden,’ zeg ik. ‘En ik heb ook geen zwembroek bij me.’
Ze lacht. ‘Het is goed, hoor.’ Is ze vrolijker dan anders?
Na twee flesjes komt ze wat dichter bij me zitten. Haar T-shirt en broek heeft ze weer aangetrokken. Ze legt haar hoofd tegen mijn schouder, haar blonde haar is weer bijna blond. Ik strijk erdoorheen, zachtjes. Ze kijkt op en glimlacht. Dan sluit ze haar ogen.
Maandag begint het nieuwe schooljaar.

*

De volgende dag ben ik weer op het eiland, met Raoul. Merel is bij haar oma op de camping twee dorpen verder.
We liggen in het gras, nu met z’n tweeën. Raoul haalt een draagbare cd-speler uit zijn moeders fietstas. Pioneer, staat erop. We hebben één cd: Blink 182, Enema of the State. Een blonde verpleegster in een kort jurkje met een grote spuit in haar hand.
‘Lekker wijf, toch?’ Hij geeft me een stomp.
‘Zeker. Ja, man.’
Blink 182, heel die eindeloze stikhete zomerdag lang uit de boxen van die ouwe Pioneer, tot de ananas onze neuzen uitkomt en we rozig onze fietsen pakken.
Ik krijg de mijne niet van het slot, gooi hem boos op de grond en laat me opnieuw in het gras vallen. Raoul schudt zijn hoofd, pakt mijn fiets op en draait in een soepele beweging het slot open. Hij zet de fiets op de standaard en maakt een buiging. Ik knijp hem in zijn arm, die stevig aanvoelt.
Morgen begint het nieuwe schooljaar.

*

‘Heb je lekker geslapen?’ vraagt mijn moeder. Ik knik. Mijn vader is aan het bellen. Hij zegt dat ik er zal zijn, dat Raoul mee kan rijden. Zijn zinnen klinken ingestudeerd. Mijn moeder schenkt thee voor me in en vraagt nog een keer of ik goed heb geslapen.
‘Mam, is er iets?’
Ze kijkt naar buiten en blijft het zakje in mijn thee dompelen tot het koffie wordt.
‘Mam. Wat is er?’
Ze kijkt eerst naar mijn vader, die knikt, en dan naar mij.
‘Ga even zitten, schat. Er is iets gebeurd. Iets ergs.’

*

We komen op school aan, waar iedereen normaal doet. Alleen Raoul en ik weten er nog van. En Fieke waarschijnlijk, het enige meisje uit haar klas waar ze mee kan opschieten. Daar komt ze het plein op lopen. Raoul zegt dat haar tieten groter zijn geworden in de vakantie. Ik geef hem een stomp. We lopen het lokaal in, waar meneer Heinz al klaarstaat. Onze  mentor. Voor hem op het bureau staat een doos tissues van Euroshopper.
Heinz wipt heen en weer op zijn brede Mephisto-schoenen en plukt aan het zakje van zijn bruine geruite overhemd, dat aan het eind van iedere schooldag vol zit met krijtvlekken. Hij wacht tot iedereen een plek heeft gevonden en kucht. Naast hem staat een vrouw die hij voorstelt als ‘de vertrouwenspersoon’. Een vrouw met kort haar en een fleecetrui, die we weleens door school zien lopen. Om de een of andere reden noemen we haar altijd Wim. Ik kijk naar Raoul, maar hij zit met zijn hoofd naar beneden.
Heinz neemt het woord. Hij laat steeds een pauze vallen voor het woord ‘dood’, alsof hij nog op een beter te aanvaarden synoniem wacht. De klas is stilgevallen, leerlingen kijken elkaar verbaasd aan. Heinz kijkt rond en knikt naar Wim.
Ze doet een paar stappen naar voren. We moeten weten dat haar deur altijd voor ons openstaat. Dat het niet raar is om hulp te vragen. Haar trui, de haren die ik er vanaf de achterste rij op zie liggen, de serieuze blik: ze nodigen niet uit tot een warme omhelzing, maar misschien kan ze heel goed luisteren.
Heinz vraagt of er nog vragen zijn.
Stilte. Tranen.
Fieke loopt de klas uit, Wim erachteraan.
Raoul en ik kijken elkaar aan. Hij slaat zijn arm om mijn schouders en ik probeer te glimlachen.

*

Het kerkje propvol. Tot aan het hek met de leeuwen staan mensen onder paraplu’s. Ik zie Merels oma, bij wie we vroeger weleens pannenkoeken hebben gegeten. We maakten er een wedstrijd van en ik won. Een halve emmer kots en eeuwige roem. Oma heeft een doorzichtige paraplu in haar hand. Ze ziet me en glimlacht. Oma pannenkoek.
Haar moeder spreekt. Haar moeder breekt. Er klinkt trage, dromerige muziek die Merel ‘werkelijk prachtig had gevonden’. Ik kijk opzij, Raoul haalt zijn schouders op. Het kan. Bij ons luisterde ze naar Slipknot en Korn; riep ‘pussymuziek’ wanneer wij Green Day opzetten, maar natuurlijk, het kan.
Na een stukje Mahler dat Merel ook ‘schitterend had gevonden’, is het de beurt aan een meisje dat ik niet ken. Ze heet Sophie en wordt aangekondigd als Merels beste vriendin. Ze kennen elkaar van de vioolles waar Merel na een jaar mee was gestopt. Sophie leest een gedicht voor van Guido Gezelle. Dan kijkt ze plechtig de zaal in, neemt nog een slok water en loopt weer richting haar stoel. Onderweg omhelst ze Merels vader, de volgende spreker. Hij heeft het steeds over ‘mijn dochter’, alsof hij haar naam al is verloren.
Sophie speelt nog viool en daarna mag iedereen langs de kist lopen. Raoul en ik blijven even staan, naast elkaar. We buigen tegelijk ons hoofd alsof we het hebben geoefend.            

*

Pauze. Raoul en ik samen in de klas, ons mentorlokaal. Door de open ramen horen we horen onze klasgenoten voetballen. Buiten is het half oktober, binnen ruikt alles naar augustus. Ananas. Alcohol. Kokosijs. Jongenszweet en stilstaand water.
Merels foto hangt aan de muur, haar tafeltje is leeg, haar kaarsje brandt. Een engel die een vlam vasthoudt. Het brandt van acht uur ‘s ochtends tot iets na vieren. Heinz heeft een doos waxinelichtjes in zijn la liggen, de la die hij vorig schooljaar soms hard dichtgooide als het te rumoerig werd.
Gejuich van buiten, iemand heeft een doelpunt gemaakt. Raoul wrijft in zijn ogen, doet zijn mond langzaam open. ‘Was jij….’ Hij kijkt naar zijn tafeltje. ‘Was jij ook verliefd op haar?’
Ik kijk naar de etui in de hoek van mijn tafel en dan langzaam omhoog. Zijn bruine ogen, zijn mooie bruine ogen waar altijd iets zachts in ligt.
We kijken elkaar aan, ik schud mijn hoofd en kijk weer naar beneden, naar ons eiland van glanzend beukenhout. Een verdieping hoger verschuift iemand een tafel.
‘Nee, ik was niet verliefd op haar.’
De bel gaat en nog heel even is het stil in ons lokaal.