In de reeks 500-1.000 woorden vandaag het verhaal ‘Dieren die je niet op kunt tillen’ van Jordi Lammers, een verhaal dat ruim 1.700 woorden telt maar zoals het in deze reeks gaat: is een verhaal goed dan plaatsen we het, dan is lengte ondergeschikt. Update 29 juni 2020: Jordi Lammers wint de schrijfwedstrijd Write Now! 2020!

*

Chris kon zich niet voorstellen dat hij zich ooit gelukkiger zou voelen dan vandaag. De zon gloeide in de achteruitkijkspiegel, de airco woei in zijn gezicht en het jachtgeweer lag op de achterbank. Alles was goed.
Zijn vader reed met tachtig kilometer per uur door het bos terwijl het ene na het andere nummer van Tom Petty de revue passeerde. Zijn vader was fan van hem, groot fan, misschien wel de grootste ter wereld. Hij had alle platen en bootlegs en was op de dag van zijn overlijden helemaal van slag geweest. Met een fles whiskey en een pakje sigaretten had hij zich teruggetrokken op de veranda, waar hij om de zoveel tijd zijn naam mompelde alsof het om een oude vriend van hem ging. Daarna heeft hij er nooit meer een woord over gesproken en Chris gaf hem daar groot gelijk in. Dood is dood, daar valt geen reet meer aan te doen.
Chris liet zijn ogen over zijn vader glijden en was jaloers op zijn outfit: een spijkerbroek die naar kampvuur rook, een zwart shirt zonder mouwen en een versleten legerpet die hij zo nu en dan optilde om het zweet van zijn voorhoofd te vegen. Zijn vader was niet zomaar een man, hij was een man die in de twintig jaar dat ze in het dorp woonde nog nooit een potje armpje drukken had verloren, een legende in de ogen van de oude garde en een voorbeeld voor alle jongens die ook zo sterk wilde worden. En bovenal: zijn vader. Hij week van de weg af, reed een vergeelde grasvlakte op en parkeerde de wagen in de schaduw.
Eindelijk, dacht Chris, we kunnen beginnen.
Hij stapte uit de auto en nam de omgeving in zich op. Veel was er niet te zien. Een lantaarnpaal, een slipper en een dixie die een deur miste, dat was alles. Chris raapte de slipper op, trok het teenstukje uit het rubberen voetbed en besefte hoe ver ze van de bewoonde wereld verwijderd waren. Mocht de wagen straks niet meer opstarten, zouden ze hier in het beste scenario pas morgen ontdekt worden. Maar goed, dat waren zorgen voor later. Nu moest hij zich op de jacht focussen. Zijn verwachtingen waren gedurende de rit alleen maar gegroeid en het stelde hem daarom extra teleur dat zijn vader bij aankomst alles op zijn dode gemakje deed.
Zijn vader zette een koffiekan op de motorkap, legde een krant ernaast, en haalde een pak shag uit zijn broekzak. Langzaam, alsof de herten vanzelf naar hen toe zouden huppelen, liet hij het vloei tussen zijn vingers glijden en Chris wilde het liefst de hele handel uit zijn handen pakken om het zelf twee keer sneller te doen. Hij sloot zijn ogen, telde tot tien en snoof de dennengeur in zich op. Een paar seconde hielp het, maar toen hij zijn ogen weer opende werd zijn blik automatisch naar de achterbank gezogen. Het wapen lag er prachtig bij. De loop glinsterde in de zon en de houten hals leek gladder dat ooit tevoren. Hij ging op de hete motorkap zitten, in het zicht van zijn vader, en vroeg waarom het geweer nog in de auto lag.
Omdat we het nu nog niet nodig hebben, zei zijn vader zonder op te kijken.
Maar we wachten al zo lang, zei Chris.
Dan wacht je nog iets langer.
Zijn vader sloeg een bladzijde van de krant om en las schijnbaar onverstoord verder. Met grote, snelle passen liep Chris weg van de auto, terwijl het ene net het andere scheldwoord door zijn hoofd gierde. Hij tastte naar zijn broekzak, haalde een mes tevoorschijn, klapte het open en ramde het in de eerste boom die hij tegenkwam. In een keer gleed alle frustratie uit zijn lichaam: de jongens die zijn schooltas elke pauze in de prullenbak gooide, de puistjes die zich over zijn gezicht verspreidden en zijn moeder die sinds het ongeluk de hele dag achter de laptop patience speelde. Even was het allemaal weg, maar al snel troepten de boze gedachtes weer samen omdat hij het mes niet meer uit de boom kreeg. Hij trok en trok maar het mes bleef klemvast zitten. Nog een poging, besloot hij, daarna zou zijn vader hem een handje moeten helpen. Hij zette zijn rechtervoet tegen de boom, leunde met zijn hele gewicht naar achteren en trok zo hard als hij kon.
Het volgende moment lag hij met zijn rug op het gras. Hij raapte het mes op en zag aan de blik van zijn vader dat hij alles had meegekregen.
Je moet dat ding niet in de boom steken, zei hij met een frons tussen zijn ogen. Zijn stem, daarentegen, klonk nog even beheerst als altijd.
Sorry, zei Chris, maar ik wacht al uren tot we gaan jagen. Ik kan niet meer. 
Zijn vader zette de beker op de motorkap en sloeg zijn armen over elkaar.
Ik ben bang dat het vandaag niet gaat lukken, Chris.
Hoezo niet?
Het is er de juiste dag niet voor.
Maar wanneer is dan wel de juiste dag?
Dat is lastig uit te leggen aan mensen die niet jagen.
Chris keek met een verwarde blik om zich heen.
Maar, waarom zijn we hier dan?
Zijn vader krabde aan zijn bovenarm en staarde naar een willekeurig punt in de verte. 
Oké dan, we kunnen best een uurtje het bos ingaan. Maar blijf een meter achter me lopen. Begrepen?
Chris knikte en even later zag hij hoe het zonlicht vlekken maakte op het bospad. Op een normale dag had hij van deze wandeling genoten, maar nu lette hij vooral op het geritsel in de struiken. Af en toe stak er een konijntje over. Een prima prooi voor jagers die met weinig genoegen nemen, maar niet voor hem. Hij wilde alleen op grote dieren schieten. Dieren die je niet op kunt tillen.
Voor een open veld hield zijn vader halt. Hij draaide zich om en gebaarde dat ze zich klein moesten maken.
We zijn heel dichtbij nu, fluisterde hij, vanaf hier kunnen we ze goed bekijken.
Zijn vader verschuilde zich achter een struik, haalde een schietstok uit zijn tas en draaide onbeholpen aan wat schroefjes en boutjes om het ding op de juiste hoogte af te stellen. Toen hij klaar was, legde hij zijn jachtgeweer op het steunstuk. Nu kon het niet lang meer duren, dacht Chris, en terwijl zijn vader naar het veld tuurde, bracht het gezang van de vogels hem terug naar de middag dat hij een duif van de schutting had geschoten. Zijn vrienden waren erbij geweest en hadden het beestje even later achter de schutting gevonden, badend in een plasje bloed. Iedereen had het de rest van die dag over het schot gehad, behalve Chris zelf. Het enige dat hij gevoeld had was honger. Honger om elke vogel ter wereld uit de lucht te knallen.
Zie je al iets, vroeg hij aan zijn vader.
Nee, antwoordde hij, niks.
Zijn vader boog voorover om het veld te bekijken en op dat moment zag Chris iets vreemds aan hem. Tussen de plukken die onder zijn pet vandaan glipten zaten een paar grijze haren. Niet meer dan tien, maar toch, dit was het begin van het eind, vanaf nu zou het alleen maar erger worden. Hij deed een stap naar voren om de haartjes beter bekijken en dacht aan zijn opa die eerst grijs was geworden, daarna in een rolstoel was beland en op dit moment elke dag door een zuster werd verschoond. Zo snel kon het gaan.  
Chris zette het uit zijn hoofd en vroeg aan zijn vader of hij ook een keer mocht kijken. Omdat er geen reactie volgde, probeerde hij het nog een keer, nu minder geduldig: kom op pap, ik wil ook.
Zijn vader draaide zich om en in plaats van boos te worden, keek hij met grote ogen naar iets dat vlak achter zijn zoon stond. Daarna draaide ook Chris zich om een zag hij, nog geen vijf meter voor hem, de vijand staan, de prooi waar ze op gewacht hadden. Volledig bevroren, als een wassen beeld, staarde het in de loop van het jachtgeweer.
Schiet, siste Chris met zijn tanden op elkaar.
Wat zeg je?
Dat je moet schieten!
Nu?
Ja, riep Chris, nu!
Zijn vader zette een pas naar achter, keek naar zijn voeten, verloor zijn evenwicht en haalde in zijn val de trekker over.
Er klonk een knal door het bos, gevolgd door het gefladder van wat vogels. Het hert vluchtte de bosjes in en Chris strekte zijn hand uit om zijn vader overeind te helpen. De man die voor hem op de grond lag, was niet de spierbundel die afgelopen zomer met zijn blote handen een vis had gevangen. Integendeel. Dit was een oud mannetje dat in de hal van het bejaardenthuis op zijn bek was gegaan. Niet meer en niet minder.
Dat lukt zelf wel, zei zijn vader. Hij krabbelde op, raapte zijn pet van de grond en zette die scheef op zijn hoofd. Vervolgens liep hij in een rechte lijn naar de schietstok. Hij klapte het ding dicht en stopte het in de tas.
We zijn klaar voor vandaag.
Zonder om te kijken liep hij weg en Chris slenterde met tegenzin achter hem aan. Als ze straks thuiskwamen, zou alles nog hetzelfde zijn. De koeien zouden nog steeds met hun domme koppen in de wei staan, zijn broertjes zouden nog steeds de hele dag achter elkaar aan rennen en zijn moeder zou nog steeds met een chipszak voor de laptop zitten. Daar was geen zak aan veranderd.
Zijn vader zat al in de auto toen Chris bij de grasvlakte aankwam. Hij had zijn vingers om het stuur geklemd en richtte zijn blik op de bosrand die door de koplampen in een spotlight werden gezet. Chris stapte in en ging naast zijn vader zitten, die hem tot zijn verbazing een peuk aanbood. Chris schudde zijn hoofd. Zo makkelijk liet hij zich niet afkopen.
Je kan helemaal niet jagen, viel hij met de deur in huis.
Zijn vader knikte.
Maar waarom zei je dat dan?
Geen idee, zei zijn vader, soms zeg je iets en kun je het niet meer terugdraaien. Zo gaat dat.
Hij tilde zijn pet op waardoor er vlak onder zijn haargrens een witte streep tevoorschijn kwam. Pas nu zag Chris hoe verbrand de rest van zijn gezicht was. 
Ik snap het niet, zei Chris, waarom rijd je dan hierheen?
Rust, zei zijn vader, dat is alles. Thuis moet ik het eten koken, de afwas doen, jullie naar school brengen en ook nog de hele dag op het land werken. Soms ben ik zo moe dat ik niet eens meer een kopje koffie op kan tillen.
Zijn vader hield het vlammetje van de zippo onder zijn peuk en nam een flinke hijs. Chris snoof de rook op die zich door de auto verspreidde. Zo kon hij toch een beetje meedoen. 
Je lag er echt dom bij net, zei hij na een poosje.
Dat zal wel ja, antwoorde zijn vader.
Net een bejaarde.
Zijn vader glimlachte flauwtjes, tikte de peuk af en kneep Chris vervolgens in zijn bovenbeen.
Niet te lang boos zijn. Ik probeer er ook het beste van te maken.
Met die woorden sloot zijn vader het gesprek af. Hij startte de auto, reed de weg op en trommelde de rest van de rit ieder liedje van Tom Petty mee – zelfs de nummers waar geen drumpartij in voorkwam. Chris legde zijn hoofd op het raam en dacht aan zijn moeder die op dit moment in de woonkamer zat te wachten tot ze thuiskwamen. Straks zou zijn vader haar een kus geven en vragen hoe haar avond was, daarna zou hij haar uit de rolstoel tillen en op de traplift zetten die haar iedere avond met een brommend geluid naar boven bracht. Zo zou het de komende jaren gaan en het enige dat hij nu kon doen was stilzitten, zijn hand op het dashboard leggen en het ritme zachtjes meetikken.

Het is bijna donker, een zomeravond rond een uur of tien. Het water reflecteert gebroken licht, ik weet niet waar het vandaan komt, ik zie geen maan en er staan hier geen lantaarnpalen, alleen verderop, langs de weg. Het grindpad is ongeveer een halve meter breed, je kunt hier niet naast elkaar lopen, mijn vader loopt een meter of drie voor me uit. Hij heeft een kwartier geleden een auto tegen een boom geparkeerd. Een paarse Mercedes, de Mercedes van de vrouw van zijn beste vriend.

Ik zat ook in de auto. Nu loop ik achter hem, op het dunne pad langs de Vecht. Ik kijk naar mijn vader, hij loopt langzaam, hij heeft moeite met lopen. Hij is straalbezopen. De trefzekerheid die zijn woorden hebben als hij gedronken heeft, heeft zijn lichaam niet. Ik houd mijn passen in, ook als hij stilstaat zorg ik dat ik afstand bewaar.

Een verkeerde stap, een voet die wegglijdt, een rare draai met zijn lijf en hij flikkert het water in. En dan? Duik ik hem dan achterna? Probeer ik mijn armen om dat logge lijf te slaan om vervolgens samen met hem weer naar de kant te zwemmen? Ik kan beter het water niet ingaan maar op de kant blijven, door mijn knieën zakken of gaan liggen en proberen zijn hand, zijn onderarm te pakken te krijgen zodat ik hem weer op het gras kan hijsen. Ik zal de kraag van zijn overhemd grijpen, maar de stof zal scheuren en hij zal terug het water in vallen en ik zal daar zitten met dat stuk katoen in mijn hand. Ik moet de band van zijn spijkerbroek pakken. Of mijn handen onder zijn oksels duwen en hem zo de kant op sjorren. Hoe zwaar zal dit lichaam zijn als het niet meegeeft? Als ik hem, ons, niet boven water krijg en hij weigert los te laten? Wij gaan niet alle twee naar de bodem zinken. Ik kijk naar zijn benen, de schoenen die wankelend hun weg zoeken. Gewoon recht vooruit man, loop door.

We laten de hond uit. De hond van mijn vaders beste vriend. Mijn vader kent zijn verantwoordelijkheid, de hond van zijn vriend moet uitgelaten worden.

Ik zat naast mijn vader in de auto toen hij op de snelweg de vangrail schampte en een kwartier later de auto op de oprit van het huis tegen een boom aan reed.

De hond loopt voor ons uit, soms wacht ze tot mijn vader op gelijke hoogte met haar komt, om dan weer weg te springen. Ze rent vooruit, op het pad, en blaft. Ze heeft net geplast, tegen de eerste boom die ze zag, ze had op ons gewacht.

‘Het was een ongeluk,’ zei mijn vader toen hij de sleutel uit het slot haalde. De motor was afgeslagen door de klap.

ʻAls ze ernaar vragen, het was een ongeluk.ʼ

Ik zei niks, ik knikte niet, ik schudde mijn hoofd niet.

ʻGaat het?ʼ vroeg hij. Hij legde zijn hand op mijn knie. Ik duwde het portier open en stapte de auto uit.

Sommige verhalen zijn te groot voor één iemand. Wat er gebeurde in het leven van mijn vader was te groot voor hem. Was hij een schrijver geweest, had hij erover kunnen schrijven. Was hij een prater geweest, had hij erover kunnen praten. Maar mijn vader is geen schrijver en ook geen prater, mijn vader is een drinker.

Sommige verhalen kennen zo veel meer vertakkingen dan we vermoeden. Ze zijn niet te ontrafelen en daardoor niet deelbaar maar de wortels en vertakkingen zoeken hun eigen ongeleide weg naar buiten. Ze moeten ergens heen.

Mijn vader staat stil, heeft het pakje shag uit zijn borstzak gepakt. Deze verfijnde motoriek laat zich door geen enkele hoeveelheid alcohol belemmeren, zijn vingers plukken, verdelen, rollen gedachteloos. Hij steekt zijn sjekkie aan, even is er licht. Ik kijk weg, wil zijn gezicht niet zien.

We reden via omwegen van Loenen naar Amsterdam, de toeristische route, zei mijn vader. We hadden de ramen helemaal naar beneden gedraaid. Met acht vingers rolde hij zijn shag, zijn pinken hield hij voor de vorm tegen het stuur aan. Ik had hem een sigaret aangeboden maar die wilde hij niet. We reden veel langs water. Mijn vader wees zo nu en dan naar een boot. ʻToeristen,ʼ zei hij. We rookten, bliezen de rook door onze mondhoeken naar buiten. Hij roffelde met zijn rechterhand het ritme van het liedje op de radio op het stuur. De zon scheen op mijn arm die ik half naar buiten liet hangen. Zacht zong ik mee met de muziek.

Ik stond erbij en keek ernaar. De vrouw die een paar jaar zijn vrouw was geweest, was ook op het feest. Het huis was bij lange na niet groot genoeg voor deze twee mensen om elkaar een avond lang te ontwijken. En hé, we zijn volwassen, en laten we niet kinderachtig doen, laat onze vrienden zich niet in bochten hoeven te wringen.

Ik weet hoe ik mezelf in moet zetten als golfbreker, als pion, me schrap zetten en tegelijkertijd lichtvoetig door de ruimte bewegen. Glimlachen. Ik trok mijn oliejas aan, liet alles van me afglijden. Daar stond ik, een prachtige namiddag in juni, vierentwintig graden, zwetend in die veel te zware jas op dit feest, tussen al die volwassenen en hoewel ik al bijna geen kind meer ben voelde ik me wel zo.

ʻPap,ʼ zei ik toen hij zijn zesde biertje openmaakte. Daarna deed ik een zonnebril op en zette de kraag van de jas omhoog.

Mensen feliciteerden me met het havodiploma dat ik een paar weken daarvoor had gehaald. Mensen vroegen wat ik nu ging doen. Mensen vroegen of ik vakantieplannen had. Hoe het met mijn zusje ging. Waarom zei niemand iets toen deze man zich genadeloos vol liet lopen? Waarom legde niemand een hand op zijn schouder? Waarom was er niemand die de autosleutels afpakte? Waarom trok niemand mij uit die auto? Het is zijn leven, het is privé, wij zijn zijn beste vrienden maar bemoeien ons daar niet mee.

Iemand zei: ʻWees voorzichtig.ʼ

ʻZe heeft gepoept,ʼ zegt mijn vader. ʻWe kunnen terug.ʼ

Ik draai me om, nu loop ik voorop. Ik hoor de hond aan komen rennen, ze haalt me in, stopt, draait zich om, kijkt, wacht. Wat wil je beest, de roedel bij elkaar houden? Ik kijk naar de hond. Achter me hoor ik mijn vader zwaar ademen, af en toe hoesten.

Sommige verhalen dringen zich op. Bij sommige verhalen heeft het geen zin je handen tegen je oren te drukken omdat ze niet van buitenaf komen.

Als de hond nu blaft, nu een paar keer heel hard blaft, zal ik niet horen hoe het lichaam van mijn vader het water raakt. Het laatste licht is weg, ik zal niet kunnen zien waar precies hij viel. Alleen wat kleine golven in het water, vanaf een onzichtbaar centrum naar de kant.

Maar het beest houdt zich stil, en ik hou me stil, en mijn vader houdt zich stil en dan rochelt hij en spuugt in het water en ik schop tegen een steen en de steen schiet langs de hond en de hond blaft.

Dit verhaal werd afgelopen zaterdag voorgelezen op het Tilt-festival in Tilburg.

Voor de gratis uitgave De onbekende Hermans liet Laura Broekhuysen zich inspireren door een verhaal van W.F. Hermans.

*

‘En zie je dat verschil dan niet, heb je geen onderscheidingsvermogen.’
W.F. Hermans, uit ‘Cascaden en riolen’

De winkel is je vertrouwd, blind laveer je tussen de schappen. Je bent vergeten dat het een ander filiaal is. Alles ligt waar het hoort, maar centimeters uit het lood. Je blijft misgrijpen, zoals je valsspeelt op een viool met een afwijkende mensuur, je wankelt als de muur een fractie te laat, te vroeg op je afkomt, slaat hellend hoeken om die graden stomper, scherper zijn.
Of komt het door je haast?

De vrouw naast de vrieskist, levensgroot, is je achterop gekomen. Je herkent haar niet; het geluid van haar schoenzolen blijft stilstaan in je oren, als water in verstopte trechters. Kijk maar over je schouder, ze zal zeggen dat je niets veranderd bent – materiaal met een geheugen, dat terug zal floepen in de oorspronkelijke staat zodra zij het cellofaan eraf trekt, ratst – je schrikt als ze haar handen voor je ogen vouwt.
Ra-ra! Ze laat haar vingers dwarrelen. Mijn handen, hoor je haar zeggen, of je haar handen dan niet herkent?
Je hebt je die stem voor de geest gehaald, in ditzelfde register, hooguit een microtoon ernaast.
Ze stuurt haar boodschappenkar om je heen – je schuift in een tijdschaal waarin een uur een etmaal is, zoals men in slow motion botst. Nu kijkt ze je aan. De wereld draaide, om haar as, rond de zon, maar zelf ben je, snel als het licht, zeventien gebleven.
Ze zegt: Ik kom hier nooit. Ze heeft het kapsel van een tweelingzus, gespeeld door dezelfde actrice. Ze lijkt wat minder ruimte te beslaan, maar of het nu geldt van links naar rechts of van boven naar beneden?
Je zegt dat je hier dagelijks boodschappen doet, herinnert je dan dat dat niet zo is, maar rectificeert je uitspraak niet.
Ze zet een stap dichterbij en wil je omhelzen, je staat net iets verder van haar af dan ze dacht, of stond je juist wat dichterbij – je proeft haren.
Ze vraagt hoe het gaat.
Het gaat je goed. Je hebt kinderen. Je noemt ze op.
Haar filtrum herinner je je rimpelloos, de contouren van neusbrug en bovenlip scherp, gestift vermiljoen, de spatielengtes tussen haar woorden – je was vergeten
hoe minutieus je haar in kaart hebt gebracht. Ze laadt twee liter karnemelk in haar kar. Ze vertelt waar ze werkt.
Daar fiets je wel eens langs.
Ze vraagt nog, je staat al bij de kassa, of je zou afstappen als je haar zou zien.
Op straat herken je niets. Als je ter oriëntatie je hoofd in je nek legt, vang je een laatste glimp van een maan die afneemt, opraakt, een sikkel zo dun als een schrikkelseconde.

Anton Patrick zoekt zonder licht te maken naar het kladblok waarop hij zijn boekhouding bijhoudt, scheurt er een stuk papier af en schrijft in afhellende letters Uitzonderlijk gesloten wegens een gelukkig voorval. Hij buigt zich over de enorme pinguïn die voor de deur staat, maakt voorzichtig het portret van zijn grootvader los en plakt het papier op die plaats tegen het glas. 
De honderden beren, kalkoenen, marters en miereneters kijken hem na terwijl hij het portret naast de paraplubak op de grond legt.
Ici on remplace les mauvaises têtes.
Het komt uit een andere tijd. Niemand herstelt nog, iedereen koopt nieuw. Hij gaat er prat op de grootste biodiversiteit aan pluchen dieren te bezitten. Het komt zelden voor dat hij een kind moet teleurstellen. (Natuurlijk heeft hij niet iedereen blij kunnen maken in zijn leven en niet alles wat stuk is, valt te herstellen, maar) hij duwt die gedachte snel weg, neemt zijn jas en hoed van de kapstok en wanneer hij het geluid van de klingelende belletjes hoort wegvallen achter het dichtslaan van de deur, weet hij dat dit een goed idee is.

De gouden woorden kijken hem na. Pelucci d’Anton. Zijn grootvader noemde zijn zoon Anton en op zijn beurt gaf zijn vader de verwachting door, door hem dezelfde naam te geven. Anton diende ertoe om iets in stand te houden, hij kon niets anders worden dan een kopie van zijn vader. Een reproductie is zelden beter dan het origineel. (Even verwacht hij dat het verdriet nu de kop zal opsteken, zoals het de voorbije maanden steeds bij hem is geweest, met een overspoelende kracht maar het komt niet en) hij haalt adem, loopt de Rue Raymond Losserard verder in. Sinds 1903 is de sluitingsdag op zondag. Vandaag zal hij zijn eigen regels voor het eerst overtreden.

Zijn wijk ontvouwt zich in het leven zelf, niet in plekken van grote betekenis. Achter elke hoek kan een volkomen ander gezicht van de stad opduiken. Brede boulevards naast smalle gangetjes, statige gebouwen met onduidelijke functies naast met mos overgroeide overblijfselen van iets wat ooit statig was geweest. Wat er zich al van toeristische bezienswaardigheden bevindt, heeft te maken met de dood. Een kerkhof waar enkele beroemdheden liggen maar dat niet kan concurreren met Père Lachaîse. De ingang van de catacomben.
De kans om hier toeristen tegen het lijf te lopen, is kleiner dan elders in de stad. Hij wordt ongemakkelijk van ze. Ze zien iets wat hij niet ziet. Hoewel ze naast hem op dezelfde stoep lopen, wandelen ze toch in een andere straat dan hij. Een straat die beschreven staat in een gidsje dat heeft samengevat hoe de straat moet zijn. (Er valt natuurlijk helemaal niets vast te leggen, geluk is vaak het voorstadium van verlies, altijd dezelfde snijdende gedachte) schiet weer door zijn hoofd terwijl hij tussen de auto’s door de straat oversteekt. Hij mijdt oogcontact met de passanten, hij zou zichzelf te zeer vastgelegd zien in hun blik. Een deftig mannetje in een tabaksbruin pak met een hoed, meneer Patrick van het winkeltje, overblijfsel uit een andere tijd. Ziet er ouder uit dan hij is, wordt desondanks dikwijls als verkleinwoord aangesproken, niet waar meneertje Patrick?
Iemand die hij vandaag niet is, want het is dinsdag en toch is de winkel gesloten.

Vietnam ligt hier schouder aan schouder met Libanon, China en Algerije. Midden in zijn buurt ruikt het naar werelden die hij niet kent. Bij het zien van de opgeblazen pekingeenden, aan hun nek opgehangen en blinkend oranje, moet hij zijn blik afwenden.
Rul, kaal vlees.
Een koud lichaam, hangend hoofd.
Even lijkt het alsof hij op een hellend plateau staat. Hij concentreert zich om het beeld weg te krijgen (de onmogelijkheid om contact te maken met iemand die zo vaak haar armen rond zijn hals heeft geslagen, hem zoende op zijn slaap, het zou nooit anders zijn), tast dan naar zijn schoudertas.
Mensen lopen langs hem heen, een jonge vrouw stoot hem per ongeluk aan. Ze kijkt haastig om en hij ziet haar lippen een verontschuldiging vormen, meteen loopt ze verder, tussen alle andere lichamen op weg naar een andere plek. (Dat alleen hij het ziet: alles kan meteen ophouden, deze verzameling huid en water, er is niet veel nodig. Zijn schoudertas weegt licht, te licht voor het gewicht van zijn plan. Driehonderd gram, niet meer. Zelfs wie echt naar hem zou kijken zou alleen een man zien die zijn tas weegt.)
Hij loopt snel voorbij de eettentjes, slaat een zijstraat in, voelt hoe zijn ademhaling weer vertraagt.

Hij heeft zijn grootvader vaak helpen zoeken naar de juiste nieuwe huid, in de lade met verschillende velletjes. De bokalen met ogen stonden naast de bokalen met voorpoten. Hij raakte elke keer begeesterd door de concentratie waarmee de oude man de beren openlegde met een vlijmscherp mes, hen van een nieuwe vulling voorzag, hoe hij hen zorgvuldig weer dichtnaaide, steeds met de hand en zo onzichtbaar mogelijk. De zucht van tevredenheid wanneer zijn grootvader de nieuwe teddybeer tegen het licht hield, stond in schril contrast met de teleurstelling die vaak gepaard ging met het overhandigen van het genezen knuffeldier aan de kinderen. 
Ze hechtten vaker dan volwassenen dachten aan afgeknabbelde oren, aan ontbrekende ogen, aan kaalgestreelde buiken. Omdat Anton nauwelijks boven de toonbank uitkwam, keek hij recht in hun ogen en zag dat ze beseften dat iets wat verdwenen was, nooit meer terug kon komen.

Veel van wat hij in het leven heeft geleerd, heeft hij van klanten in de winkel. De grootste wijsheden komen op fluistertoon, tussen de zwijgende steenarenden en poolvossen. Ook het licht is gedempt, het gaat verloren tussen de bonobo’s en de wombats, tussen de nachtvlinders en de bidsprinkhanen. In zijn winkel houdt alles zijn adem in.
Een van de dingen die hij gehoord heeft en dat hem steeds bijgebleven is, is dat in het begin van een liefde al het einde besloten ligt. Bescherming kan verstikking worden, wie iemand redt wil eigenlijk zelf worden gered, hij had het moeten weten, hij heeft niet goed geluisterd. Langs de laan staan oude platanen, er zijn annonces in de stam geprikt. In internettijden zoekt Parijs nog steeds contact via de melancholie (en zelfs dat stemt hem niet meer hoopvol, wie elkaar per toeval vindt, verliest elkaar zo, per ongeluk. Alsof ook zij slechts toevallige passanten waren geweest die tegen beter weten in iets anders hadden geloofd en alleen getrouwd waren om het lot een pootje te lichten, hij had het moeten weten), hij wendt zich af van de stammen. Het portret van zijn grootvader herinnert aan de tijd waarin er werd geloofd in herstel, ici on remplace les mauvaises têtes. Nu verkoopt hij replica’s van de werkelijkheid. Een betere versie ervan. Vachten zonder schurft. Iets waarvoor gezorgd kan worden en dat bij verwaarlozing toch niet zal sterven.

Wat hem zo kwaad maakt weet hij niet. Er drukt iets op hem, iets wat ouder is dan hijzelf, alleen in de winkel wordt hij rustig. Het begint met een plek op zijn borstbeen dat begint te gloeien tot het schroeit wanneer hij de rij aan de catacomben nadert (het maakt hem van streek, zou hij willen vertellen aan iedereen die hij passeert. Hoe levens elkaar maar zijdelings raken, het is ondraaglijk, vindt u ook niet en uiteraard zwijgt hij want hun reacties zouden exact zijn wat hij bedoelde, dus) schuift hij niet aan, maar loopt een eindje verder. Focus op de straatstenen, focus op het zetten van de ene voet voor de andere, tot Parijs verkleint tot zijn eigen hartslag.

Naast de rij staan is de beste manier om jezelf iemand te voelen. Hij wacht een paar momenten. Ziet hoe niemand echt opschiet, iedereen is bereid desnoods eeuwig daar te blijven, het wachten op zich volstaat. Onder hen de schedels, de gangen, de knoken die de fundamenten vormen van de stad.
Terwijl hij het mes uit zijn tas haalt ziet hij zichzelf staan, hij wordt deel van de rij en toch weer niet, hij ziet zich verbaasd naar het ding in zijn handen kijken. Hier behoort het toe aan iemand die hij niet is. Dat moment duurt zo lang dat hij merkt dat er toch iets is veranderd, er is onrust, paniek, hij heeft nog steeds de tijd om traag te ademen, weer samen te vallen met zichzelf en het lemmet tegen zijn linkerpols te drukken (hij heeft de tijd om aan de dode dieren in de winkel te denken, aan het portret van zijn grootvader, hij heeft de tijd om eraan te denken dat hij zo erg op zijn grootvader lijkt dat het klanten verwart, hij heeft gewonnen van de tijd, hij heeft de tijd om op te kijken en alle hoofden te zien, en daarboven alle gedachten, alle intenties en alle herinneringen, ongrijpbaar, zoals waarom iemand op een ochtend die zo veilig begonnen was een beslissing neemt die het leven kantelt, hij heeft de tijd om daar allemaal aan te denken terwijl) hij naar het mes kijkt en voelt hoe vertrouwd het tegen zijn ader ligt, ook buiten de winkel.

Deze tekst ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.

Aisha woonde met haar man, haar jongere broer Omar en nichtje Miryam eind maart 2009 nog in Mogadishu. Haar vader was in februari van dat jaar doodgeslagen door de rebellen van Al Shabaab omdat hij weigerde een deel van zijn inkomsten aan hen af te dragen. Haar zus, de moeder van Miryam, was een jaar eerder naar Puntland vertrokken om de vader van Miryam te zoeken. Sindsdien is niets meer van haar vernomen. Aisha vluchtte naar Ethiopië omdat de mannen van Al Shabaab alsnog het geld kwamen innen dat haar vader aan hen verschuldigd zou zijn. Ze stak liggend in de laadbak van een pick up truck de grens over richting Addis Abeba. Met hulp van een reisagent aan wie ze vijfduizend euro betaalde kreeg ze een vals paspoort met een visum en een vliegticket naar Amsterdam. Ze kreeg na negen maanden een asielstatus.

Toen ze een aanvraag indiende voor haar man, haar nichtje en haar broer om haar achterna te mogen komen reizen, werden die alle drie afgewezen. De aanvraag voor hun nareis was door een fout niet binnen drie maanden na de statusverlening aan Aisha ingediend.

Dit is het laatste van de zes vluchtverhalen die Florimond Wassenaar schreef bij zijn grote ‘Vluchtverhaal’ in Revisor14.

Njin-Tsu werd in 2000 geboren in Nederland. Zijn moeder, een weeskind, groeide op bij twee mensen die ze tot haar tiende opa en oma mocht noemen. Ze had een groot litteken op haar linkerarm, maar ze ontkende dat het van mishandeling kwam. Ze zweeg als gevraagd werd of ze geld had moeten betalen aan de slangenkoppen voor haar reis in 1990 naar Nederland. De moeder van Njin-Tsu vertelde hem niets over zijn vader. Als het kon, zou ze ontkennen dat hij er een had.

Ze vroeg nooit een vergunning aan. In 2009 probeerde ze het pas.

Er ging een gerucht rond in de Chinese gemeenschap dat er vergunningen werden uitgedeeld aan Chinezen. De moeder van Njin-Tsu meldde zich met een groep van ruim honderd landgenoten bij het aanmeldcentrum in Ter Apel. Haar asielaanvraag werd afgewezen omdat de Chinese justitie zelf bescherming bood tegen mishandeling en dwangarbeid. Ze vertelde bij haar aanvraag niet over het bestaan van Njin-Tsu. In 2013 vroeg ze vanwege het kinderpardon voor hem een vergunning aan. Hij werd afgewezen omdat hij en zijn moeder voor april 2001 onbekend waren bij de vreemdelingenpolitie. Njin-Tsu zit nu in havo-4. Omdat hij een late leerling is, zal hij geen examen mogen doen omdat hij dan 18 is. Een illegale volwassene heeft geen recht op onderwijs.

Dit is een van de zes vluchtverhalen die Florimond Wassenaar schreef bij zijn grote ‘Vluchtverhaal’ in Revisor14.

Foto Drakenfruit CC Eliazar Parra Cardenas

Servet Nderi werd op zijn achtste wees toen zijn vader door een telg uit de familie Sjellja werd vermoord. Zijn moeder was op zijn derde gestorven aan kanker. Hij scharrelde rond in het dorp Mes vlak bij de provinciestad Shköder in de noordelijkste provincie van Albanië. Servet werd in huis genomen door een boerenfamilie waar hij als huisslaaf werd gebruikt. Vlak voor zijn zestiende werd hij op straat gezet omdat hij volgens de wetten van de kanun een waardig slachtoffer werd voor de bloedwraak van de Sjellja’s. De boeren zouden volgens diezelfde kanun ook doelwit worden van eerwraak als ze Servet zijn zestiende verjaardag bij hen lieten vieren. De Sjellja’s eisten vijfmannelijke Nderi’s om de bloedschuld te delgen van Servets overgrootvader die ooit een Sjellja zou hebben vermoord door hem in een ravijn te gooien.

Servet vluchtte door zich te verstoppen in een vrachtwagen met fruit  op de veerdienst van Durrës naar Bari. In verschillende treinen reisde hij naar het noorden. Hij kreeg eerst een AMA-status en uiteindelijk werd hem een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend vanwege langdurig tijdsverloop in de asielprocedure. Doordat Servet sinds zijn achtste niet meer naar school was gegaan, verder alleen geleerd had om te overleven en deze eigenschap alleen als talent geldt in het criminele milieu, ging hij stelen, afpersen en drugs dealen. Op zijn 22ste stierf hij aan een overdosis.

Dit is een van de zes vluchtverhalen die Florimond Wassenaar schreef bij zijn grote ‘Vluchtverhaal’ in Revisor14.

Foto jujube © Eric Weiser

De ouders van Frederica Sanchez Toledo werden in 1995 afgeperst door de FARC. Zo kwam het dat ze tegen haar zin moest gaan werken als kapster in Europa. Ze reisde met een vals Spaans paspoort naar Madrid. Daar stapte ze over op een vlucht naar Amsterdam. Ze werd begeleid door ene Paco die een snor had en de hele tijd zijn zonnebril met spiegelglazen ophield. Na aankomst werd Frederica naar een huis gebracht met een rieten dak.

Ze verbleef twee weken met drie andere vrouwen uit Colombia op de boerderij die bewaakt werd door Paco. Toen Frederica nieuw ondergoed had gekregen en naar haar werk werd gereden met de andere dames, bleek de kapsalon een raam te zijn in Amsterdam. Ze vluchtte toen de gordijnen net gesloten waren. Ze duwde Paco, die in de deuropening stond te roken, weg en vluchtte de drukke steeg in, een brug over, langs een kanaal, nog een brug over en een plein op met een grote kerk. Ze vond uiteindelijk op aanwijzen van een man met een baard een politieburo.

Haar aanvraag als slachtoffer van mensenhandel werd afgewezen omdat niemand met het signalement van Paco kon worden opgespoord in de hoerenbuurt. Na vijf jaar procederen kreeg ze alsnog een verblijfsvergunning.

Dit is een van de zes vluchtverhalen die Florimond Wassenaar schreef bij zijn grote ‘Vluchtverhaal’ in Revisor14.

Foto passievrucht © flagstaffotos.com.au Canon 20D + Sigma 150mm f/2.8 – eigen werk, GFDL 1.2

Mathew Mayew. Afkomstig uit Liberia (de taaltest wees eenduidig op het pidgin Engels dat in Ghana wordt gesproken) vluchtte op zijn vijftiende na de moord op zijn ouders. Zij werden volgens zijn zeggen omgebracht omdat ze openlijk in opstand waren gekomen tegen Charles Taylor. In Freetown kreeg Mathew van een tante geld en zo kon hij zich met hulp van smokkelaars op een vrachtschip verstoppen. Hij verbleef twee weken lang in een ruimte zonder licht nabij het gebrom van de machinekamer waar elke dag een blanke man met een zaklamp hem eten kwam brengen. Hij werd tot zijn achttiende toegelaten als alleenstaande minderjarige asielzoeker (AMA). Zijn asielclaim werd afgewezen omdat zijn verhaal te weinig details bevatte en innerlijk tegenstrijdig werd gevonden. Op zijn achttiende werd hij illegaal.

Het andere verhaal van Mathew is dat hij Collin Askah heette en zo goed kon voetballen, dat hij op zijn vijftiende op aanraden van een neef via Duitsland naar Nederland kwam, met de bedoeling om door Ajax te worden gescout. Omdat de Duitsers destijds een zeer liberaal visumbeleid voerden, kreeg Mathew een vakantievisum. Hij voetbalde twee maanden bij een amateurclub in de buurt van Velsen maar omdat zijn neef de contributie niet betaalde moest Mathew met voetbal stoppen. Op zijn drieëntwintigste werd Mathew aangehouden vanwege fietsen zonder licht. 

Na een jaar vreemdelingendetentie en fysiek verzet bij twee uitzettingspogingen werd hij bij de derde poging alsnog uitgezet.

Dit is een van de zes vluchtverhalen die Florimond Wassenaar schreef bij zijn grote ‘Vluchtverhaal’ in Revisor14.

Foto ramboetan door Zuanzuanfuwa – eigen werk, CC BY-SA 3.0

Sarwar Seyed kwam uit een boerenfamilie die van oudsher hun gewassen verbouwde op het vruchtbare land langs de oevers van de Helmand in de regio Hazarajat. Hij vluchtte op zijn 37ste uit Mazar-I-Sharif voor de etnische zuiveringen van de Taliban na de Hazara-opstand in 1997. Seyed wist dat hij moest vertrekken toen het gele kussentje voor het raam van zijn huis was verdwenen. Via de bergen stak hij, begeleid door een gids, lopend de grens over naar Pakistan. Met de bus kwam hij in Karachi aan. De Pakistaanse afdeling van zijn politieke groepering huurde van een man die Abdul heette een vals paspoort met geldig visum dat op naam stond van ene Basir Andaryas (een samentrekking van de namen van twee Hazara-schrijvers). In zijn relaas staat over zijn reisroute vermeld: ‘De vliegtuigstoelen waren lichtblauw. Mijn valse paspoort moest ik nadat we het vliegveld hadden verlaten afgeven aan de reisagent die Abdul heette.’ Sarwar werd toegelaten als verdragsvluchteling.

Dit is een van de zes vluchtverhalen die Florimond Wassenaar schreef bij zijn grote ‘Vluchtverhaal’ in Revisor14. De komende dagen volgen de andere vijf.