Drie nieuwe korte verhalen van Robin Kramer. Vandaag de tweede: ‘Paradijsvariatie’.

*

Voor het hotel staan twee politieagenten, mitrailleurs over hun borst gekruist. Ik zeg tegen haar dat ze me aan engelen doen denken, de cherubs die voor het paradijs stonden na de zondeval. Ze zegt nou ja, het is hier wél een soort van paradijs. (Op de recensiewebsites wordt er voornamelijk geklaagd over het imitatiemarmer en dat de impressiefoto’s uit perspectieven zijn geschoten die het allemaal veel ruimer laten lijken. De tuinstoelen zijn te hard, de bedden te klein.)

Maar, zegt ze, als dit het paradijs is, en er staan al engelen voor de deur, dan betekent dat dat Adam en Eva al weg zijn. Dat wij ons niet meer in het paradijs begeven, maar eerder op de plek waar ooit het paradijs moet zijn geweest. We zwijgen. Tegen elkaar en naar alles wat maar naar onze stilte wil luisteren. De tijd trekt de veters van ons vermoeden strakker: de dag daarna staat er politielint rondom het zwembad getrokken en beginnen de liften te haperen, totdat ze helemaal niet meer werken. Er is steeds minder variatie in het ontbijtbuffet. Na ongeveer een week horen we ook onze buren niet meer. Dan zie ik op de krant dezelfde foto als de dag ervoor.

Drie nieuwe korte verhalen van Robin Kramer. Vandaag: ‘Bruiloft #1’.

*

Ze staat op een leeg strand. De oceaan ligt voor haar, ogenschijnlijk eindeloos, en als ze achterom kijkt ziet het zand er hetzelfde uit: geen duinen, geen paviljoenen, geen douches – niets. Ze heeft de handvatten van een vlieger over haar knokkels geschoven. Het bijna onzichtbare touw flikkert in het licht en als ze naar boven kijkt ziet ze het hoofd van haar aanstaande echtgenoot in de lucht zweven: kolossaal hangt hij aan het uiteinde van het touw, wapperend in de wind en zuigend aan haar spieren. A. probeert hem naar de grond te krijgen. Ze gaat op haar knieën zitten en trekt haar armen richting het zand. Maar meteen wordt ze weer omhoog getrokken, tot een staande positie. Op dat moment weet ze dat er twee mogelijkheden zijn: of ze laat zich mee omhoog voeren met het zwevende hoofd, of ze laat hem los om hem alleen achter de wolken te zien verdwijnen.

Na de bruiloft, in een motelletje dicht bij de feestlocatie, ritst haar echtgenoot haar bruidsjurk open. A. is bang dat hij niet alleen haar jurk, maar ook haar rug open ritst – dat haar ruggengraat en al dat vlees en weefsel nu aan hem ontbloot zullen worden. Dat hij álles kan zien. Terwijl hij dit doet, vertelt hij haar over een droom die hij heeft gehad. Hij zag haar op een strand staan, vanuit vogelperspectief. Er waren allemaal glinsterende lijnen die vanaf hem naar haar toe naar beneden leidden.
A. vraagt hoe het eindigde.
Je liet me los, zegt hij, en toch zakte ik naar beneden.

Foto © Joel Hatfield

Jette staat met haar rug naar mij toe, ze tuurt naar de kleine tuin. Er staat nog een oude schommel, half verzonken in het gras, en een stenen bankje tegen de heg.
Wat is het leeg, zegt ze. Haar blote schouders gaan een even op en neer en ik weet niet of dat door haar ademhaling of door wat anders komt.
Ik vraag of ze dat erg vindt, van die leegte en ik zeg dat het mij weinig kan schelen.
Ze schudt haar hoofd en ze zegt dat ze wel weet hoe ik erover denk en in plaats van zich om te draaien doet ze een paar stappen vooruit, tot aan de vensterbank. Ze drukt haar hand tegen het raam en ze kijkt naar boven, naar het huis van onze nieuwe achterburen en de slaapkamers die daar zijn.
Ik hoor hoe haar broer spullen op het parket in de gang neerzet, een boekendoos of een tas met kleren misschien, en ik ga nog even naast haar staan, aan het raam en ik leg mijn hand op haar schouder. Ik zeg dat het vanzelf als thuis gaat voelen. Na een tijdje geef ik haar een kus op het plekje onder haar oor waar haar huid heel zacht is en ik wijs de tuin in. Daar komen tegels, zeg ik, daar de barbecue en daarnaast een loungeset, zo-een die we laatst zagen.
Ze knikt naar waar de barbecue straks komt en nu nog die oude schommel staat. Zou die nog te repareren zijn, vraagt ze. Ze vraagt het alsof er vanalles vanaf hangt.
De touwen zijn groen en ik betwijfel of het droge hout haar gewicht aankan, laat staan dat van mij en omdat ik niet het verkeerde antwoord wil geven zeg ik: dat moeten we aan je vader vragen, die heeft er verstand van. Ik kus haar een tweede keer op hetzelfde plekje en ik zeg dat we binnenkort ook een nieuwe kunnen kopen, wanneer we hem nodig hebben.
Ze draait haar gezicht, van onder naar boven, en ze kijkt mij door haar wimpers aan.
Ze zegt dat ze niet weet of ze wel een nieuwe schommel wil en daarna, iets zachter: ik weet niet of ik het nog een keer wil proberen.
Ik zeg dat ik dat ik het begrijp en dat het tijd nodig heeft. Ook wil ik zeggen dat het niet te lang moet duren maar dat doe ik niet, dat weten we allebei.
Ze legt haar oor tegen mijn sleutelbeen dat zo erg uitsteekt sinds ik geen bier meer drink en met haar hand op mijn rug drukt ze zich in mijn wollen trui. Ze fluistert dat ze het fijn vindt dat ze mij heeft. Met mijn hand strijk ik door haar rode haren en ik doe heel even mijn ogen dicht. Zij verstopt zich dieper in mijn trui en zo blijven we een tijdje staan, als man en vrouw, terwijl haar broer in de gang steeds meer spullen neerzet en in de achtertuin een schommel staat die misschien wel nooit vervangen wordt.
Op straat kijk ik naar haar vader die in de cabine van de verhuiswagen een sigaret rookt en help ik haar broer met het uitladen van het babybedje waar zijn eigen kinderen in geslapen hebben. Wij hebben er genoeg, zei hij toen Jette nog zwanger was en hij het ding onze oude flat in droeg. Sindsdien is het ons babybedje.
Ik geef hem een ovale plank met gaatjes aan en ik grinnik om de grote B die ze meteen met viltstift op het ding schreef. Ze deed dat om aan te geven wat de bovenkant was.
Haar broer vraagt wat er te lachen valt.
De B van Baby: voor de duidelijkheid, zeg ik, anders gaan we er zelf in liggen.
Hij schudt zijn hoofd en klemt de plank onder een arm terwijl hij met de ander een bundeltje spijlen in bedwang houdt. Zo loopt hij het hele bedje behendig richting de voordeur. Halverwege draait hij zich om. Of het naar de kleine kamer moet, vraagt hij kortaf.
Ik zeg dat hij het in de gang mag zetten, bij de andere spullen, en dat doet hij.
In de zijspiegel van de wagen zie ik haar vader mijn kant opkijken. Hij is uitgerookt en steekt zijn hand uit het raam. Met het kleine matrasje zwaai ik terug, ik had verwacht dat het zwaarder zou zijn. Haar vader wijst naar mij en biedt aan het ding naar binnen te dragen.
Ik roep dat hij aan zijn rug moet denken en dat hij maar lekker blijft zitten.
Hij schudt ook zijn hoofd en ik loop ons matrasje naar binnen.
Ik zet het de gang neer, naast de plank en de spijlen en de Ikea-tassen vol babykleertjes. Het is er koud, kouder dan zo-even. Er komt tocht vanuit de woonkamer.
Waar ik net met Jette stond, aan het raam, staat ze niet meer.
De achterdeur is open en Jette zit in de tuin, op de oude schommel. Ze heeft haar handen op de groene touwen en met haar tenen steunt ze op het natte gras. Alles beweegt een beetje. De schommel beweegt omdat hij elk moment in kan storten, de heg beweegt omdat het waait en Jette beweegt haar blote schouders omdat ze het koud heeft.
Ik heb het koud schatje, zegt ze.  
Terwijl ik mijn trui over mijn hoofd trek zeg ik dat ik het zelf ook niet warm heb maar dat hoort ze niet en dat is prima. Soms is het belangrijker hoe zij zich voelt.
Als ze mijn trui om zich heen laat vallen blijft haar haar onder de gebreide kraag steken. Het is net alsof je een capuchon op hebt, zeg ik en ik leg mijn hand op haar hoofd zoals ik dat ook ooit bij ons kleintje zal doen, als we samen naar het voetbal of de kermis gaan. Daarna zak ik iets door mijn knieen en ik fluister dat ze mijn roodkapje is en dat er een grote boze wolf in de verhuiswagen zit. Daar lachen we om en volgens mij vinden we dat allebei fijn,samen lachen.
Voordat ik terug de woonkamer inloop duw ik haar zachtjes tegen haar schouders. Ze haalt haar tenen uit het gras en blijft heel stil zitten. Zo wiegt ze van voor naar achter, met mijn wollen trui over haar lange rode haren, op de oude schommel die misschien wel of misschien niet ieder moment in kan storten.
Haar vader staat half in de kamer. Achter hem leunt de ovale plank met de gaatjes tegen gestucte muur. Hij steunt het ene eind van mijn houten bureaublad op zijn knie en met zijn hand grijpt hij krampachtig aan de deurpost. Waar moet deze heen, hijgt hij. Ik kijk naar hem, dan door het glas naar Jette, die al bijna bewegingsloos op de schommel zit, en dan weer naar hem. Naar boven, zeg ik, naar de kleine kamer, naast de badkamer. Zet hem daar maar zo lang neer.
Hij wipt het uiteinde verrassend eenvoudig van zijn knie onder zijn arm en vanuit de gang hoor ik haar broer zeggen dat hij alleen hoeft te sturen, hij houdt hem wel in bedwang. Ze dragen samen het bureaublad naar boven. Halverwege laat haar vader zich met zijn heup tegen de leuning zakken. Rustig aan pa, zegt haar broer, we hebben tijd genoeg.
Daar heeft hij gelijk in. Het is september en voor je het weet is het weer april.
Als haar vader zijn bril heeft recht gezet en het zweet op zijn voorhoofd aan zijn blote onderarm afveegt vraag ik het hem. Heb je die oude schommel in de tuin heeft zien staan, zeg ik. Hij gromt en zijn zoon gromt ook.
Zouden jullie daar zo eens naar kunnen kijken, zeg ik, we willen hem graag een beetje opknappen.

Ik sta op het perron, sluit mijn ogen en doe één pas naar voren.
Nu is het goed. Het zonlicht schijnt precies onder het stationsdak door op mijn gezicht. Ik voel hoe de koelte op mijn wangen langzaam verdwijnt.
Links komt een kinderwagen aangerold, vergezeld door het getik van naaldhakken.
De baby huilt hard, maar zonder uitroepteken. Een goede schrijver heeft geen extra overdrijving nodig om duidelijk te maken wat een personage bedoelt. Een goede vertaler hoeft hier alleen maar naar te luisteren.
Mijn moeder vindt het vak van literair vertaalster het op een na meest deugdzame beroep ter wereld. Alleen artsen staan hoger in aanzien omdat zij levens kunnen redden. Vertalers zorgen voor orde in een wereld waar iedereen maar schrijft om een mening over vrijheid, gelijkheid of voetbal te geven. Mensen hebben nu wel genoeg gezegd en geschreven, het is tijd om naar elkaars verhalen te luisteren.  
Voor het gemak vergeet mijn moeder dat vertalers ook iets dood kunnen laten gaan.

Ik houd Sanin vast en streel de kaft. Honderd jaar geleden verzocht minister Sta Juppin het Kremlin onderzoek te doen naar de geruchten dat Russische jongeren – geïnspireerd door de daden van Sanin – ’s nachts in donkere kelders samenkwamen om wilde seks te hebben. Het leek een grote grap waar Artsybasjev waarschijnlijk hard om had gelachen. Niemand kon zijn boek toen goed hebben gelezen. Niemand dacht toch dat hij meende wat Sanin zei – of wel?
Over ruim een uur vertel ik de uitgever of ik de opdracht aanneem. In ons eerste gesprek zei hij dat het verhaal een gegarandeerd succes zou worden. Lezers zitten te wachten op ‘de aantrekkelijke leegte achter de zielloze hoofdpersoon’. Ik weet nog steeds niet wat de uitgever daarmee bedoelde toen hij dat zei met extra nadruk op de twee bijvoeglijke naamwoorden. Probeerde hij de druk op te voeren? Of wilde hij mij geruststellen en maakt de kwaliteit van mijn vertaling weinig uit voor de verkoopcijfers?
Op een van de perrons achter mij hoor ik een trein het station binnenrijden. Die van mij zal zo ook wel komen.
‘Dames en heren. De intercity – naar – Amsterdam Centraal – en – Alkmaar – van acht uur achtendertig – vertrekt over ongeveer – tien minuten. Herhaling. De intercity…’
De monotone computerstem galmt door het station. Of je goed of slecht nieuws te vertellen hebt, alles draait om het vinden van de juiste toon. Alleen dan weet je wat je mag verwachten. Alleen dan blijf je luisteren.
Op internet wemelt het van de vergelijkingen voor het vak van vertaler. Vertalen is als het lijmen van een vaas die je zojuist in duizend stukken kapot hebt laten vallen. Vertalen is als dansen – met boeien om je polsen. Vertalen is als schoonmaken, je ziet het alleen maar als het slecht is gedaan.
De vergelijkingen zijn allemaal verzonnen door vertalers die klagen over een gebrek aan erkenning voor hun werk van de lezer. Dat hebben ze aan zichzelf te danken. Ze moeten betere, mooiere woorden voor hun vak bedenken. En dan nog. Op dit station weet ook niemand wie de spoorwegverkeersleider is die het dagritme van de honderdduizenden passagiers bepaalt en die met één wisselwijziging de intercity uit Leiden kan laten botsen op de sneltrein naar Amsterdam. Dat jij verantwoordelijk kan zijn voor een catastrofaal ongeluk, is je motivatie om het ongeluk te voorkomen.
‘Dames en heren. De ICE Internationaal naar – Osnabrück – en – Berlijn – van – acht uur negenenvijftig – vertrekt van spoor – elf. Voor deze trein is een reservering verplicht.’
Twee jongens van ongeveer zestien jaar oud lopen de wachtruimte in en gaan zitten. Nu zijn alle bankjes bezet. Door de glazen wanden van het wachthok heen bestudeer ik hoe zij hun tijd uitzitten. De alwetende verteller die Artsybasjev in Sanin opvoert zou de wachtenden typeren als izobretátelj. Letterlijk zijn dat ‘uitvinders’, maar die vertaling past eigenlijk niet. Sanin zelf is ook een izobretátelj. Hij doet niets, want als intellectueel moet je je niet inspannen voor de strijd van het volk tegen de tsaar. Je kan volgens Sanin beter van het leven genieten. ‘Uitvinder’ kan dus niet, er moet meer achteloosheid in doorklinken, alsof de uitvinder heel zijn leven wacht op uitvindingen.
Misschien heb ik meer tijd nodig. Ik blader door het boek en probeer me een voorstelling te maken van de zinnen die ik zou opschrijven. De stem van Sanin kan ik inmiddels dromen wanneer hij de zoveelste vrouw voor één nacht aanspreekt, maar die van de alwetende verteller blijft vager. Het is een hele zachte, bijna bedwelmende stem. Wanneer hij Sanins grillen beschrijft, lijkt daar een diepe minachting in door te klinken voor zijn levenswijze.
‘Ben je geboren om te dromen of om met dromen te leren leven – leren overleven? Je weet dat je zonder dromen geen leven hebt en zonder leven geen kans om je dromen waar te maken. Is dat de manier waarop je wilt overleven?’
De stem houdt op. Was dat Artsybasjev die een oordeel velt over zijn personage? Of hoorde ik een stem die eigenlijk onzichtbaar moet zijn?
Het is geen ramp, zal mijn moeder zeggen. Dat mijn naam niet op de cover maar in het colofon zou komen, dat de liefde van de lezer rechtstreeks naar Artsybasjev gaat of dat ik voor de vertaling van driehonderd-en-drie bladzijdes een uurloon van vijftien euro krijg, maakt volgens haar allemaal niet uit. Een vertaling is als een vrouw: ze is mooi of ze is trouw.
Daarbij vergeet ze dat vrouwen en mannen altijd allebei proberen te zijn – zelfs als ze dan een stukje van zichzelf verbergen.

Wanneer het perron begint te trillen open ik mijn ogen. De trein komt tot stilstand. Tientallen passagiers vormen een trechtervormige erehaag naar de openzwaaiende treindeuren toe. Ik sta vooraan, bij het smalste gedeelte. Mensen duwen in mijn rug, ik voel schoenen op mijn hakken trappen. Het looppad moet blijkbaar nog smaller. Ik weiger mee te doen en laat iedereen uitstappen.
Een man met een rode hoed probeert voorlangs te schuifelen, in een ultieme poging als eerste een zitplek in de trein te bemachtigen. Ik steek een arm uit. De man kijkt mij gejaagd aan, maar mijn arm blijft als een hefboom voor hem hangen.
Wie kan bepalen hoe de wereld beweegt, is soms zichtbaar.
De man zegt iets, maar ik versta hem niet. Hij houdt een telefoon tegen zijn oor geklemd. Met een achteloos gebaar duwt de man de hefboom weg en glipt de trein in. Nog twee mannen in zwartleren jassen volgen het voorbeeld en wringen zich langs mij.
Verdringing dreigt. Iedereen probeert in te stappen, ook al moeten de laatste passagiers uit de tweedeklascoupé er nog uit, ook al komt iedereen zo stil te staan. Ik kan geen andere kant uit en gooi mijn volle gewicht naar achteren. Het werkt niet, twee handen pakken mijn schouders vast en proberen mij naar voren te bewegen. Ik weiger en schop met mijn voet naar achteren. Twee keer, drie keer, want het is genoeg geweest.
Het werkt. Voeten schuifelen langzaam naar achteren, tot er een klap klinkt.
Twee vrouwen naast mij slaken verontwaardigde kreten – met uitroeptekens.
Ik draai me om. In een plas van melk ligt een vrouw met kinderwagen op de grond. Ze houdt haar armen om de huilende baby en fluistert zachtjes troostende woorden. 
De trein vertrekt met een vertraging van vijftien minuten.

Er lopen wolven door mijn huis. Ik hoor de deur piepen, de trap kraken. Ik hoor hun poten op de vloer tikken. Beeld ik me dingen in? Nee. Er is heel wat nodig op me op de kast te krijgen. Is er een kans dat er daadwerkelijk wolven door mijn huis lopen?  Ja. Die kans is groot.

Al dagen dwalen er wolven door de wijk. Niet twee of drie. Een roedel. In de krant staat een foto van een wolf die voor mijn huis een driewieler besnuffelt. Twee straten verderop heeft een wolf een oude man in zijn kuit gebeten. Mijn katten zijn al dagen niet meer thuisgekomen. De wijk is bang. Zodra het begint te schemeren, lopen buurtbewoners met zaklampen over straat. Een paar keer per nacht dringt zo’n lichtbundel mijn kamer binnen.
Hoe lang hoor ik al geluiden? Het is drie uur en ik lig als een koelkastmagneetje op bed. Mijn spieren spannen zich stuk voor stuk aan. Beneden klinkt chipszakgeritsel. Even is het stil. Dan maakt het piepen kraken ritselen plaats voor een ander, bekender geluid. Pianoklanken. Op een onregelmatig tempo, als water uit een slecht dichtgedraaide kraan, druppelen de tonen mijn oren binnen. Na een uitgesponnen intro komen er meer instrumenten bij: een saxofoon, een contrabas. Ik stap uit bed, druk mijn rechteroor tegen de vloer en constateer dat het geluid van beneden komt. In die houding word ik me bewust van de situatie. Er lopen wolven door mijn huis. En die wolven houden, blijkbaar, van mooie, kalme jazz.
Omdat ik te nieuwsgierig ben geworden om weer in bed te gaan liggen, sluip ik op mijn sokken naar de slaapkamerdeur. Ik draai het slot eraf, leg mijn hand op de koude, metalen klink en trek de deur een paar centimeter naar me toe. Ik doe het voorzichtig, me voorbereidend op het moment dat ik de deur tegen de snuit van een wolf moet smijten. In de overloop zwelt de muziek aan. Gelukkig zijn de wolven niet naar de eerste verdieping gelopen. Bovenaan de trap blijf ik stilstaan. Ik ga op mijn buik liggen en kijk door een kier tussen de ballusters naar de woonkamer. Zo lag ik ook toen ik vroeger, na bedtijd, mijn ouders bespiedde. Steeds hoopte ik iets te ontdekken wat ze in mijn bijzijn verborgen hielden en steeds ging ik na vijf minuten weer in bed liggen, omdat ze, naast zwijgzaam televisie kijken, niets bijzonders deden. Nu is het anders. Wat ik zie is zo mooi, zo bijzonder, dat de angst plaatsmaakt voor verwondering. Het voelt alsof er om mijn buik een touw zit waar de wolven aan trekken. Weerloos daal ik de trap af.
Onderaan de trap voel ik me veiliger dan ik me bovenaan de trap voelde. Een saxofoonsolo verwarmt de woonkamer. De wolven staan oog in oog tegenover elkaar, op hun achterpoten. Ze zien me niet. Beter gezegd: ze schenken geen aandacht aan mijn aanwezigheid. Met hun voorpoten houden ze elkaar staande. Ze bewegen hun onderlijf. De een begraaft zijn kop in de hals van de ander. Ik neem het waar en sla het op: hun golvende haren, de manier waarop ze elkaar overeind houden, willekeurig naar links en rechts bewegen, onhandig dansen. Prachtige sneeuwwitte halzen.
Ik ga op de vloer zitten, in kleermakerszit. Nooit eerder had ik zo weinig behoefte iets te verklaren. Laat het maar zo zijn, dacht ik. Laat het maar voor altijd zijn wat het nu is.
Op dat moment klinkt er getik. Iemand staat voor de deur. Waarschijnlijk een politieman. Om zijn vinger moet een ring zitten. Als een kogel schiet een bundel licht door het groene deurglas. En daarna nog een, en nog een. Dat licht zoveel kabaal kan maken.
De wolven, helemaal wit nu, dansen onwankelbaar door. Dit is waarschijnlijk het laatste moment dat ze vrij kunnen bewegen, de laatste keer dat ik zoiets bijzonders zie. Ze boezemen me geen angst meer in. Meer vrees ik voor de mannen die voor de deur staan. Ze hebben geen idee. De vredige dans, de jazzmuziek. Wie buiten staat, zal nooit geloven hoe mooi het binnen is.
Het licht doorboort nu ook het keukenraam. Ik loop naar de gang met mijn handen voor mijn ogen. Zoveel licht. De wanden en de meubels en de wolven. Alles glanst als zilverfolie.
Als een bejaarde, bang voor overvallers, blijf ik een paar seconde voor de deur staan. De lichten doven. Iemand drukt zijn voorhoofd tegen het glas.
‘Goedenavond, meneer. Kunt u de deur voor me openen?’
Ik open de deur.
‘En kan de deur ook verder open?’
De deur kan verder open.
‘Dank je wel. Ik zal me even voorstellen.’
De man reikt me zijn rechterhand aan.
‘Johan, wijkagent. Mag ik vragen waarom u op dit tijdstip nog muziek luistert?’
Vluchtig, bijna onmerkbaar, werpt de man een blik op de woonkamer. Ik draai mijn hoofd als een uil die een onverwacht geluid hoort.
‘Muziek?’
‘We hebben klachten ontvangen.’
Opnieuw kijkt de wijkagent over mijn schouder naar de woonkamer. Ik weet niet wat hij heeft gezien, maar er verandert iets in zijn blik. Tussen zijn ogen tekenen zich twee plooien af.
‘Luister, meneer. Kunt u rustig met me naar buiten lopen? Ik vraag dit voor uw eigen veiligheid.’
In de tuin maakt de man een gebaar naar zijn collega’s. Als een zwerm wespen vliegen ze voorbij. Aan de andere kant van de voortuin is de buurman het tafereel aan het bekijken. Sigaret in de hand, badjas aan. De politieman opent het portier en gebiedt me in te stappen. Ik weiger en vraag wat er met de wolven gaat gebeuren.
‘Daar kan ik op dit moment niets over zeggen.’
‘Maar u bent toch de wijkagent?’
‘Dat klopt, maar dat betekent niet dat ik elke week een wolf vang. Kom, stap de wagen in. Ik ben zo bij je terug.’
Minutenlang blijf ik op de achterbank zitten. Door de condens op de ramen zie ik alleen wat lichten en bewegende contouren. Het is koud in de auto. Te koud om zo lang te moeten wachten. Als ze me nog tien minuten laten zitten, loop ik terug naar binnen.
En ze laten me tien minuten zitten. Ik stap uit de auto en ruik de frisse najaarslucht. Waar is iedereen? Voor mijn voeten blaast de sigaret van de buurman zijn laatste adem uit. De blauwe ochtend neemt een hijs en zuigt het laatste wolkje rook in zich op. De muziek blijft doorgaan. Via de openstaande voordeur waaien de klanken naar buiten. Jazzmuziek. Herhalend. Bezwerend. Alsof geen mens, natuurwet of god het geluid kan stoppen. Behoedzaam loop ik naar mijn eigen huis.
Eenmaal binnen, in de gang, ontdek ik wat er aan de hand is. Er zijn geen doden gevallen. Niemand is gewond geraakt. In de maanverlichte kamer heeft zich een kring gevormd. Een grote zilveren armband. De politiemannen zwijgen. Vervoeren zich niet. Aanschouwen de wolven met glimmende ogen. Ik voeg me bij de groep en kijk de mensen vragend aan. Voordat er een woord uit mijn mond valt, legt de buurman zijn wijsvinger op mijn lippen. Stil maar, kijk maar.