Nieuwe korte verhalen en iets langer proza bij literair tijdschrift De Revisor, sinds 1974.

28 april werd Laura Broekhuysens nieuwe boek Winter-IJsland gepresenteerd, dat voortkomt uit haar reeksen op Revisor.nl (Winter-IJsland & Zomer-IJsland). Met Laura vroegen we Bernke Klein Zandvoort en Richard de Nooy hún IJsland te beschrijven in een kort verhaal. Bij gelegenheid van de tweede druk is dit ‘Struinen op IJsland’, Klein-Zandvoort-IJsland.

*

In de bibliotheek vond ik het boek Struinen op IJsland. Op weg ernaar toe had ik de met kermis gevulde Dam gekruist. De bratwürsten, een geel-rode Churroswagen en een met chocoladedakpannen belegd houten huisje brachten me moeiteloos naar andere landen, maar IJsland, dat is een leegte in mijn hoofd. Een leeg land. Ik moest gedachten lenen om het te vullen. Een vriendin die er ooit met vakantie was geweest, de video’s op haar telefoon, boeken, internet, films.

Het boek had grote foto’s en korte bijschriften:

Dikke grijze mosdekens langs de kust.
Van water geschrokken lava.
Trollenwapens.
Goed gevoerde schapen.
Verenkleed van bergeend, verenkleed krakeend.
Groepje wandelaars kijkt over de rand.
Lichamen onmossig en kaal, bekleed met lagen Fjällräven.

Struinen, daar zit iets doelloos in, iets van wel zien waar je terechtkomt, iets van een kater en mul zand, van een landweg maar ook een drukke markt. Er zit iets in van op zoek zijn, maar niet goed weten naar wat. Stelen, gappen, betekende het gek genoeg heel lang in het noord-oosten van dit land. Alsof de ervaring had geleerd dat wandelaars die geen zichtbaar doel op hun gezicht hadden staan, de appels uit de boomgaard gristen in een handomdraai, dezelfde waarmee ik nu de Googleresultaten naar mijn bureaublad sleep. Plek waar het rookt, bubbelt en stoomt. Roze schuimpjes stappen uit warmwaterbaden. Een kudde echte IJslandse schapen, die als je met ze achteruit lopen zou, over Vikingen uit zouden weiden.

Is ons hoofd niet voor het grootste deel gevuld met sporen van anderen? Zinnen en beelden die zich naar verloop van tijd stilletjes inpassen tussen eigen gedachten. De omheiningen niet meer zo stellig zichtbaar, worden ze deel van hetzelfde landschap van informatie en zwarte gaten, een bijna binaire code. Ik maak mijn IJsland uit de eenheden gletsjeroversteek, slaapzakaccomodatie en pseudokrater. Algennotities op een rotswand. Uit spaarzame plukjes schapenvacht, achtergelaten in een leeg landschap. Uit de korstmossen op de tuintegels, waarin ik de vorm van het land met haar onregelmatig gekartelde randen, steeds tegenkom. Het is een krakkemikkig plaatje, hangt met stukjes tape aan elkaar. Maar ik zou zweren dat ook het noorderlicht, zoals het zich bewoog op de foto’s en over het telefoonscherm van de vriendin, iets zoekends leek te hebben.

28 april wordt Laura Broekhuysens nieuwe boek Winter-IJsland gepresenteerd, dat voortkomt uit haar reeksen op Revisor.nl (Winter-IJsland & Zomer-IJsland). Met Laura vroegen we Bernke Klein Zandvoort en Richard de Nooy hún IJsland te beschrijven in een kort verhaal. Dit is ‘De vier laatsten’, Nooy-IJsland.

*

Omdat je ooit in een druk café gekscherend verklaarde dat je een hekel hebt aan gelukzoekende IJslandse spitsen, die zich enkel en alleen in Nederland vestigen om lokale keepers te vernederen en onze eigen spitsen het brood uit de mond te stoten, wordt je gevraagd iets te vertellen over IJsland. ‘Kon Ronald Giphart niet,’ vraag je nog aan de redacteur, die dat iets te stellig ontkent en het bovendien geen bezwaar lijkt te vinden dat je nog nooit in IJsland bent geweest. Dat zou een probleem kunnen zijn, ware het niet dat je een aantal troeven in handen hebt, die jou de uitgelezen persoon maken om deze geiser te dempen, dit zeehondje te wassen, deze Finnbogason te tackelen.

♠ A — Je bent blogger geweest voor een grote luchtvaartmaatschappij en hebt, zonder je bureaustoel te verlaten, reisverhalen geschreven over tientallen landen. Kortom, je bent frequent flyer bij Internet Airlines.
♠ H — Je bent een roman aan het schrijven die zicht afspeelt in een vijftiental landen. De helft daarvan ken je alleen via het journaal, verhalenbundels en Google Streetview.
♠ V — Je bent ooit begonnen aan een verhaal bestaande uit louter openingszinnen, maar kwam er al snel achter dat dit veel weg heeft van een voetbalwedstrijd waarbij steeds opnieuw wordt afgetrapt, met alle spanning en belofte van dien, maar zonder doelpunt of uitslag.

Dat laatste geldt eigenlijk alleen als troef binnen de IJslandse context omdat je tijdens je onlinezoektocht een wonderbaarlijke ontdekking doet: IJsland heeft al eeuwenlang een heuse beginzinnencultuur.

IJsberend van schots naar schots ontdek je dat deze Opnun Setningar Menning ooit uit nood is geboren. Omdat er vroeger bijna geen bomen op het eiland groeiden was er vaak papierschaarste. Ook de toevoer vanaf het vasteland was onbetrouwbaar, waardoor er regelmatig ruzies ontstonden tussen IJslandse dichters en schrijvers, die meestal uitmonden in vechtpartijen waarbij de zwakkere, minder goed bewapende letterbroeders aan het kortste eind trokken. Hierdoor was er in IJsland lange tijd sprake was van een krijgersliteratuur.

Aan deze ongelijke strijd kwam in 1536 een eind toen de verlichte krijgsheer Gunnar Skallagrímsson de eerste Vetur Fundur organiseerde in Reykjavik. Deze Winterbijeenkomst werd daarna jaarlijks gehouden zodra de eerste sneeuw was gevallen. Alle schrijvers trokken dan naar de hoofdstad met hun beste beginzin op zak en troffen elkaar in de Rithöfundar Sal, alwaar de beste beginzinnen werden gekozen om te bepalen welke boeken in het voorjaar gedrukt zouden worden.

Hongerig naar meer duik je steeds dieper onder het ijs en komt terecht op de site van schrijversgroep Nýtt Upphaf (Nieuw Begin), die de traditie in ere houdt met een jaarlijks festival waar schrijvers nog steeds hun openingszinnen uitspreken zodra de eerste sneeuw is gevallen. Onder het kopje ‘Nice to know’ staat een negental fascinerende feiten.

  1. Sommige schrijvers huurden predikanten en later acteurs in om hun zin uit te laten spreken.
  2. Nadat alle beginzinnen waren uitgesproken, mochten de aanwezigen een zogenaamde kjörseðilinn invullen met de namen van hun vijf favorieten.
  3. Omdat alle schrijvers hun eigen naam bovenaan hun stembiljet zetten, ging het vooral om de zogenaamde Síðustu Fjórum — de Vier Laatsten.
  4. Traditioneel werden de stemmen geteld door de burgemeester, de predikant van de Lutherse Kerk en de hoogste rechter van Reykjavik.
  5. Tijdens het tellen werden de schrijvers getrakteerd op een feestmaal, waarbij stevig werd gedronken en gespeculeerd over de uitkomst.

Je leest dit alles met stijgende verbazing en stelt je voor hoe de stoere schrijvers in hun dampende bontjassen aan tafel zitten — zingend, schransend en drinkend uit de bovenmaatse schedels van hun gevallen kameraden. Je hoort hoe hun beginzinnen zich nestelen tussen de zware scheepsbalken in de nok van de Rithöfundar Sal

  1. Tot op de dag van vandaag komen de Síðustu Fjórum nog steeds met hun namen in de krant en staan ze in hoog aanzien bij boekhandelaren en lezers.
  2. De IJslandse staat koopt een deel van de eerste druk op en distribueert die aan lokale bibliotheken en scholen.
  3. De namen van de Vier Laatsten worden nog steeds bijgeschreven in een eeuwenoud register.
  4. Nýtt Upphaf tracht de IJslandse literatuur te ontsluiten door alle winnende beginzinnen sinds 1536 te vertalen in het Engels.

‘Click here to download the full list.’

Je ruikt je prooi. Tergend langzaam sluipt het downloadbalkje zich vol. Dan is het klik-klik-dubbelklik en ineens sta je, brullend van genot, middenin de zeehondenkolonie. Het liefst zou je alle beginzinnen hieronder in Nederlandse vertaling willen weergeven, maar je besluit de IJslandse traditie in ere te houden door je te beperken tot je vier favorieten — je eigen Síðustu Fjórum.

  • ‘Omdat hij al zoveel had verwoest, werd Ragnar Olafsson aangewezen om de Snæfellsjökull het zwijgen op te leggen.’ (Einar Magnusson, 1613)
  • ‘De walvis hing als een donderwolk boven hun roeiboot.’ (Halldór Eiríksson, 1848) | Bedenk hierbij dat Moby Dick van Herman Melville in 1851 verscheen.)
  • ‘Er is een vrouw onder ons!’ (Ingólfur Pétursson, 1805 | Deze uitspraak mondde uit in een heftige discussie en er verschenen in het daaropvolgende jaar een vijftal boeken waarin dichters en schrijvers zich probeerden voor te stellen waar vrouwen over zouden schrijven.)
  • ‘Toen de mannen terugkeerden van de jachtwateren ontdekten zij dat de Verdwaalde Hollander vanuit zijn ziekbed de vrouwen van Reyðarfjörður met handen en voeten had leren liegen.’ (Magnus Hallgrímsson, 1667)

Dat het in je hoofd pikdonker is valt ’s nachts pas op. Je laveert als vleermuis door het huis; wordt er een kruk verschoven, stoot je je, vloek je, of je hoort dat je vader zich stoot en vloekt. Of was je het nou toch zelf?
Je voelt een glas langs je knokkels glijden, je hoort het kantelen en breken. Het heeft geen zin een hand uit te steken naar iets dat zojuist versplinterde, toch doe je het.
‘Mijn vader griste elk glas vlak na de laatste slok van mijn lip om af te wassen.’ Het is niet gelogen, toch had je het niet moeten zeggen. Of had je het juist wel moeten zeggen en zei je het niet?

Het meisje naast je geeft geen antwoord. Je kent haar, maar niet goed. Ze kan doof zijn.
De radio vangt lubberend licht waar de rek uit is. Niemands geheugen, een onophaalbare herinnering met frambozensmaak en de geur van rotjes. ‘Dus zo klinkt verstand waar geen pan omheen zit.’ Je grinnikt.
‘Wat zeg je?’ Het meisje buigt zich naar je toe.
Je zegt: ‘Ik denk steeds dat het toch een feestje is.’
‘Dat komt door het vuurwerk.’
‘Wie steekt dat af?’
Ze weet het niet.
‘Mijn vader hield niet van vuurwerk,’ hoor je jezelf vertellen. ‘Hij was bang dat ik een oog zou verliezen.’
Ze lacht. Dan zegt ze: ‘O ja, gecondoleerd nog.’
Je draait op je stoel van links naar rechts.
Je brein, inert, rolt in je schedel van rechts naar links.
Op de radio blijft het sneeuwen. Je zoekt een stem die je geruststelt – geroezemoes ruik je niet, kleuren versta je niet, dit kom een oog in, dit je oor, hoor je, proef je het verschil? Dat je het gebroken glas niet hoort terugveranderen in een ongebroken glas verbaast je niet: je hebt een vorm want je hebt een duur, je duurt.
Het meisje vraagt: ‘Kan ik iets voor je doen?’
Leg een microscoop op je kruin en je ziet de buitenste duisternis. Loer je door een telescoop, neem je een kijkje in je kop. Je oog snijdt langs een vluchtlijn het krioelen in gelijke stukken. Het kleinste donker hak je nog doormidden.
Je schraapt je keel. ‘Geef me je jas.’
‘Het heeft geen zin om iets kouds in een jas te stoppen.’
‘Een halve jas is ook goed.’
‘Denk aan limonade in een thermoskan.’
Je klappertandt. ‘Wist je dat het in de ruimte naar goedkope kauwgom smaakt?’
‘Kom, we gaan buiten kijken.’ Ze trekt je de straat op.
Je mompelt je door de menigte. Kijk je over je schouder dan schampt je koon langs spanrib, stoplicht, vloeibaar hout.
Je hoort haar zeggen: ‘Ik heb nog precies vijf uur om heel rustig te zijn.’
Samen kijk je naar het vuurwerk.
Je vraagt je af of er ergens in die explosie, per abuis, een mensheidje gedijt, in een picoseconde evoluerend van aap tot geek, met een ander perspectief op de tijd, klem op een schaal waarin de dagen lengte krijgen, een maantje aan hun bloed trekt, vloed en eb.
Hardop zeg je: ‘Denkt een eendagsvlieg: opschieten, ik heb maar een dag?’
‘Geef me je hand, we staan niet goed.’
Vliegt er in die knal een draaiende kloot met daarop een speeddomino van zich te slapen leggende insomniakken, een golf van gestrekte nekken, een canon van gapen, een stroom van vallen en opstaan, van mensjes die met lijm, tape, soldeerbout, lak, hun uit elkaar vallende van zichzelf wegvliegende wereld proberen te vernissen, van pannenkoeken bakkende vaders met hartklachten die zich tegen de klok in beschaven, blauwe maandagen vullen met dertien ambachten, een knallend stuk heelal in rugzak over de schouder geslagen, die wat aan draden hangt naar de poppendokter brengen, uit het ene lijf een lever trekken, rambimmel rabammel rabom, om het in derden te laten slaven, die gat met gat dichten, harten ontfutselen uit afgestorvenen om het in andere rompen te laten pompen, die ranglijsten opstellen van wie wat mist en wie de liefste is, wie de roe krijgt, wie de gard, een mensheidje op de fiets met een leeglepelverbod op zak?
Een flits, een trilling, je hoort een knal, gepruttel. Wat ruik je, zwavel, salpeter? De webbige rookafdruk vervaagt al.
‘O ja, ik ben donor,’ hijgt ze, ‘dat wilde ik nog zeggen.’
Je lacht: ‘Ik bel je als ik een nier nodig heb.’
Wat nadert – alles – nadert rap. Mens dromt. Je zoekt op de tast een horizon, je kent hem van horen zeggen, de verhaallijn waarvan je kantelende randen spot, glimmende leidmotiefjes. De plot ontglipt je – al had je ogen in je ellebogen, oren in elke porie.
Je hebt schaduwen van zwaluwen over de muren zien flitsen, je hebt het gegier gehoord. Misschien een glimp van buurkinderen, die met rooie wangen hun vliegers de lucht ingooien. Later een vader met een steelpan bij een vuurkorf, zijn ogen dichtgeknepen tegen de rook. Straks zul je hem horen mompelen: ‘Verwacht niet dat ze gaar worden.’ En hij zal een wat te dik flensje naar je toe frisbeeën, je zult uit het raam hangen om de flens te vangen, je hoort je moeder: ‘Kiep niet!’ Uit je vuist stuift poedersuiker.
Je betast je achterhoofd, je huid, zeven ruiten tussen buitenste en binnenste baaierd. In een bal te zitten die je niet ziet aankomen: je vader blijft Pas op! roepen.

*

Naast poëzie en beschouwend proza brengt de Revisor ook nieuwe fictie exclusief online. Een kort verhaal in 500 à 1000 woorden, dat vragen we onze schrijvers. Geen column, geen blogpost, geen dagboeknotitie: fictie, op een voor internet geschikte lengte. Laura Broekhuysen publiceerde al proza, poëzie en een feuilleton voor de Revisor.

In De Revisor 2007-4 publiceerde de vorige redactie een verhaal van Gustaaf Peek, nu redacteur van dit tijdschrift. ‘Cocon’ heet het, het verhaal van twee meisjes, het is op derevisor.nl te lezen. In het jubileumjaar 2014 benaderden we auteurs om verhalen uit de Revisor van een vervolg te voorzien. Gilles van der Loo schreef een vervolg op dit verhaal: ‘De oversteek’.

*

Wenda liet de motor lopen. Ze gooide haar telefoon in het vakje naast de asbak en staarde minutenlange seconden naar haar sleutelbos, die onder het contactslot bungelde; naar de kleurige labels en hangers en elastiekjes die er met de jaren aan vast waren gegroeid. Afzettingen, koralen en anemonen die een gezonken ring met schreeuwerig leven hadden bekleed.
Een schaduw viel over het dashboard. Toen Wenda opkeek stond haar dochter naast de wagen, haar hand tot een knuistje geperst. Wenda leunde over de bijrijdersstoel, trok aan de hendel en duwde de deur van zich af. Masha’s gewicht – alles waaruit haar dochter bestond – was niet genoeg om de vering van een tien jaar oude Civic te doen meegeven. Haar rugtas zakte op haar schoot ineen.

‘Als jij dat wilt,’ had Arthur gezegd toen de Civic nieuw was, en hij hun pasgeboren kind in zijn wildbehaarde armen hield, ‘dan wordt het Anna.
‘Nee,’ had ze gezegd.
‘Lief, je hebt alle tijd om erover na te denken.’
Toen pas had Wenda gehuild, en ze vroeg Arthur hun dochter even mee te nemen. Haar kindje, dat zo vredig sliep, mocht niet wakker worden bij het snikken van haar moeder. Wenda zou alles anders doen. En anders begon nu.
Masha van Hees, werd het na drie dagen. Dat hun dochter uiteindelijk Masha Anna van Hees heette, kwam door Arthur.
‘Ik wil niet dat ze zo begint,’ had Wenda gezegd. ‘Met een dode tante in haar naam.’ Ze had hun dochter in haar armen opgestuwd alsof ze haar voor het eerst aan hem liet zien. ‘Ik wil dat ze vrij is.’
Arthurs bruine ogen, waarin – Wenda had er jaren naar gezocht, moest het absoluut zeker weten – niets dan zachtheid te vinden was, liepen over. Hij knikte, en zijn handen trilden toen hij Masha van haar overnam. Samen hadden ze gehuild totdat de zuster binnenkwam en luchtig en respectvol deed wat er gedaan moest worden voordat ze met een knipoog weer vertrok. Het is goed, liet ze merken, haar jas schoon en stijf als gebleekt karton. Het is de gewoonste zaak van de wereld.
Maar dat is het niet, dacht Wenda bij het dichtzuchten van de brede deur. Niet voor mij.
Die middag had Arthur hun dochter aangegeven, en later zou Wenda zich afvragen of hij getwijfeld had toen hij in dat stadhuishokje Anna opschreef. Of hij bereid was geweest de gevolgen te accepteren.
‘Als je van iemand houdt,’ zei hij voordat hij haar het uittreksel liet zien, ‘dan doe je wat goed voor die ander is. En niet wat ze zegt dat ze het liefste wil.’ Hoe had hij kunnen weten dat Wenda vlak na zijn vertrek al van gedachte was veranderd? Dat ze haar zusje er wél bij wilde hebben. En dat ze daarna wéér van gedachte was veranderd. En wéér. En morgen werd Masha tien.
Wenda reed achteruit de weg op en keerde de Civic. De moeder van een klasgenootje – was het Kristel? – kwam aanfietsen en zwaaide.
‘Dikke koe,’ zei Masha, en zwaaide terug.
Wenda trapte hard op de rem; de motor sloeg af en de wagen dobberde als een bootje. Glimlachend reed de fietsmoeder langs, waarbij haar bel langs het raam scheerde. ‘Waarom zeg je zoiets?’
Masha haalde haar schouders op en zakte onderuit. Achter hen begon een andere moeder – in een terreinwagen zo hoog dat Wenda met geen mogelijkheid kon zien wie erin zat, misschien was het wel een vader – te toeteren.
Wenda startte de motor weer en reed de drempels over, haar schouders opgetrokken bij de laatste en hoogste voor de onvermijdelijke klap van uitlaat op straatsteen, en sloeg af. Als Masha zo stil werd, was het beter niet door te vragen. Vanmiddag, als ze thee gedronken hadden – altijd mangothee, altijd met een Nizzakoekje – zou Wenda haar vragen waarom ze zo onaardig deed tegen de moeder van Kristel. Waarom ze het nodig vond iemand te kwetsen.
Ze reden langs de weilanden die achter de hockeyclub lagen, passeerden de gele poort met het clubhuis-op-palen erachter en wachtten bij het stoplicht, dat meer dan vijf minuten lang voorrang verleende aan niemand. Masha draaide aan de zenderzoeker van de radio.
‘Wil je muziek?’ vroeg Wenda, en leunde voorover om de knop in te drukken.
Masha schudde haar hoofd, ze trok een elastiekje uit haar haar en kamde het blond met gekromde vingers. Waar het bijeengebonden was geweest zat nu een watergolf. Een meander, eerder, dacht Wenda. Een bocht in de rivier.
Terwijl haar baby tot een dreumes en daarna een peuter groeide, het vet onder haar huid langzaam in lange spieren veranderde en haar neus steeds smaller werd, was Wenda blijven zoeken, speuren naar tekenen van Anna’s gezicht in Masha’s uithardende trekken.
‘Dat is Arthurs neus,’ had Arthurs moeder gezegd. ‘Indisch. Je blijft het terugzien.’ Wenda was er niet gerust op geweest. Voor het slapengaan, als ze haar dochters haar kamde, tuurde ze in Masha’s pupillen, dieper en verder dan ze ooit in die van Arthur had gestaard om te bepalen of hij te vertrouwen zou blijken, of er geen Jack in hem woonde. Maar Anna was weggebleven.
Arthur was geen Jack en Masha was geen Anna.
Niemand zou niemand uit een raam laten vallen.
Haar kind was vier geworden en daarna vijf. Zes, twee keer zo oud als Anna ooit geworden was. Waarom wist Wenda niet precies, maar morgen zou een nieuwe tijd aanbreken. Morgen zou ze erin geslaagd zijn Masha ondanks de sterke stroming, de roofvissen en het messcherpe koraal veilig aan wal te zetten.
‘Wat denk je dat ik morgen krijg?’ zei Masha toen ze bij de rotonde wachtten. Een vrachtwagenchauffeur had moeite met de draai en reed zich klem. Om vrij te komen moest hij een aantal meter terugsteken, waardoor alle auto’s achter hem dat ook moesten. Vanwaar Wenda zat leek het er even op dat de woensdagochtend achterwaarts zou worden afgespeeld. Voor ze het wist zou ze weer zitten wachten buiten het hek van Masha’s school, haar moeder weer aan de lijn hebben.
‘Ik wilde vragen of je het goed vindt als ik Masha op haar verjaardag bel,’ had Leonne gezegd. ‘Om haar te feliciteren. Ik dacht: ik bel jou eerst even.’ Het was goed dat ze het vroeg, maar Wenda wist niet of ze Leonne veel minder haatte als ze woorden als overleggen en communiceren gebruikte; als ze zo vreselijk haar best deed. ‘Het is aan jou, natuurlijk. Wat jij denkt dat het beste voor Mas is. Ik wil me daar niet mee bemoeien. Hallo? Lieverd? Ben je daar?’
De vrachtwagen was vrijgekomen en kon de bocht nu maken. Na een paar seconden baste het grijze staal van het onderstel langs haar ruit: buizen en drukcilinders en wielenwielenwielen. Wenda deed het raampje dicht om de dieselwalm buiten te houden en dacht aan de blanke longen van haar dochter, aan schoonwitte blaasjes die frisse zuurstof aan haar bloedbaan toevertrouwden.
‘We zullen zien wat je voor je verjaardag krijgt,’ zei ze, en raakte bij het schakelen licht Masha’s knie. Ze dacht aan het IKEA-bed dat in het schuurtje wachtte om door Arthur in elkaar gezet te worden. Vanavond, als Masha sliep, zouden ze samen zijn werkkamer ombouwen tot een echte meidenkamer, met alles erop en eraan. Hun dochter zou naar de bovenverdieping verhuizen en haar nieuwe kamer had een raam, maar dat was oké. Het was tijd. Misschien zou ze op een gegeven moment parachute willen springen, of bergbeklimmer worden.
Hun huis stond op de kop van hun straat. Dat had Wenda er het meest in aangetrokken: als je aan kwam rijden leek het je op te wachten, en de ramen van de eerste verdieping stonden vriendelijk in de gevel. Vanaf morgen zou Masha achter het linker slapen. Ze zou puberposters ophangen, muziek draaien en met de deur slaan als ze ruzie had. Voor je het wist zou ze te lang worden voor haar nieuwe bed, een grotemensenbed krijgen en daarin zoenen met een buurjongen. In dat raam zou ze met vriendinnen haar eerste jointje roken: zachte ellebogen, aangezette wimpers en golvend haar, uitvloeiend over de vensterbank.

In De Revisor 2007-4 publiceerde de vorige redactie een verhaal van Gustaaf Peek, nu redacteur van dit tijdschrift. ‘Cocon’ heet het, het verhaal van twee meisjes. In het jubileumjaar 2014 benaderden we auteurs om verhalen uit De Revisor van een vervolg te voorzien. Gilles van der Loo koos voor ‘Cocon’. Morgen publiceren we zijn verhaal ‘De oversteek’, vandaag Peeks verhaal.

Hun dag begint eerder.
Wenda, vijf jaar, wordt elke ochtend op dezelfde tijd wakker. Ze hoort de vogels in de achtertuin. Ze stapt uit bed en wekt haar zusje. Anna, drie jaar, opent haar ogen. Ze lacht en gaat rechtop zitten. De twee meisjes doen hun groet. Een soort handjeklap, maar hun handen maken geen contact. Het ritueel is zwijgend en vrolijk. Daarna trekken ze hun pyjama’s uit en wijzen ze naar elkaar, naar de donkere plekken, alsof het onweerswolken zijn.
Kijk, daar, een schaap. Kijk, een vlinder.

*

Ze had niet eens gedacht dat ze op zoek was naar een nieuwe vader voor haar kinderen. Gewoon, in de kroeg, daar hadden ze elkaar ontmoet. Hij was aardig en zei intelligente dingen. Ze merkte dat ze luisterde. Hij dronk niet zoveel. Ze raakte onder de indruk van hem. Het voelde alsof hij haar kietelde. Ze kon het niet uitleggen.
Ondanks de muziek en het lawaai van andere mensen hadden ze de hele avond gepraat. Ze nodigde hem uit om nog iets te gaan drinken in haar huis. Het was laat. Een fles en glazen schoven de salontafel op en af. Ze zaten op de bank, dronken, zoenden. Hij wilde haar kinderen zien. Ze vond het lief. Hun kleine hoofden waren nauwelijks zichtbaar boven de dekens in de duistere slaapkamer. Hij vroeg, is het moeilijk in je eentje. Ze zei ja. Hij zei, ik help je wel. Ze kon het niet geloven.
Na twee maanden kwam hij bij haar wonen. Leonne, drieëndertig jaar, had weer een man in haar leven. Een goede, deze keer. Hij kreeg de kinderen ’s ochtends uit bed en in hun kleren. Hij kon ze stilhouden wanneer ze last had van haar migraine. Het gezeur ’s avonds aan de eettafel hield eindelijk op. Hij werkte, deed boodschappen. Ze gingen uit in het weekend. Hij stelde voor dat ze stopte met haar baan. Ze zei ja, ja, ja.

*

De dokter zei, ik kan niets bij ze vinden. Leonne was verbaasd. De dokter zei, mijn praktijk is vol, ik verwijs u door naar een andere arts.

*

Hij was een onopvallende werknemer. Collega’s noemden hem stil, humeurig, zakelijk en gewoon. Hij werkte nog niet erg lang op de afdeling Orders, maar als hij vreemd gedrag had vertoond hadden ze het wel gemerkt. De laatste tijd had hij een paar keer gesproken over zijn thuissituatie. Hij zei dat hij het nooit had moeten aanleggen met een vrouw met twee kinderen, herinnerden zijn collega’s. Nu wisten ze allemaal de naam van zijn vriendin, maar toen, niemand had ernaar gevraagd. Niemand was ooit bij hen thuis geweest, niemand had ze ooit ergens voor uitgenodigd. Hij was altijd een beetje in zichzelf. Hij liet zich maar moeilijk kennen. Vrouwelijke collega’s konden zich niet herinneren dat hij flirtte. Hij was rustig. Behalve die ene keer toen hij het over zijn vakantie had. Spanje. Stierenvechten. Dat was het. Hij rende en brieste door kantoor met vingers als horens boven zijn hoofd. Dat was wel raar toen. Verder niet over nagedacht.
1. Hij kwam altijd op tijd op zijn werk.
2. Hij had geweigerd bij te dragen aan het afscheidscadeau van een collega.
3. Hij had verteld dat hij pas 39 was.
4. Hij had geen vrienden op kantoor.
5. Hij had moeite met vriendin en twee kinderen.
6. Zwijgzaam.
7. Stierenvechten.
8.

*

Wenda en Anna kruipen terug in bed. Wakker en wachtend houden ze de geluiden van het huis in de gaten. Ze horen het wekkeralarm in de verte. Daarna stilte. Gehoest en gemompel. Vanaf dit moment tellen ze alle deuren af, als coupletten van een kinderlied.
Open en dicht. Het eerste licht schijnt onder hun deur. Wenda ziet dat Anna zich onder de dekens heeft verstopt. Geluiden van voetstappen kruipen hun kamer in als spinnen, maken de ruimte rond hun bedden onbegaanbaar. Wenda hoort iemand de badkamer binnengaan. De douche brult en echoot naast hen. Een schaduw staat stil voor hun deur. Wenda houdt haar adem in.
De deur gaat open en ze ziet een lange geklede gestalte met het gezicht van haar moeder. Wenda springt op uit bed. Ze omhelst haar moeder, haar korte armen als een klem om de hoge benen, haar wang gedrukt op de weeïge stof.
Plotseling voelt ze de armen van Anna, trillend en warm, om haar middel. Het doet bijna pijn.

*

– Hij sloeg haar met gebalde vuist, alsof ze een volwassen man was.

*

Het was warm. Campinggasten dronken in de schaduwen van parasols, stuurden hun kinderen naar winkels voor ijs. Leonne hield een vlam bij het lage gasstel en zette een pan met water op. In het dorp had ze een pak poedersoep gekocht, maar ze herkende alleen het woord agua op het glanzende karton. Ze keek naar Jack, die zwetend en uitgezakt op een oude strandstoel zat. Hij dronk bier en knikkebolde.
Vlak bij de vouwwagen speelden Wenda en Anna. Leonne zag dat haar kinderen gebaren maakten. Toen de bewegingen een vast patroon vertoonden, besefte ze dat Wenda en Anna een zelfverzonnen spel deden. Anna was blij. Ze kirde en lachte steeds harder om haar zus die een of ander dier leek na te doen. Ze probeerde net zo te waggelen. De meisjes gromden en giechelden naar elkaar. Leonne zag Jack wakker worden, zag zijn hoofd draaien naar het geluid. Leonne liep naar haar dochters, greep naar hun armen.
– Hou daarmee op.
Ze stond voorovergebogen en schudde hun verstarde en tengere lichamen.
– Hij begrijpt niet wat jullie doen. Hou je rustig, we gaan zo eten.
Leonne keek om en zag het bezwete lichaam zich weer ontspannen. De blik dwaalde af. Ze liet haar dochters los.
Wenda en Anna zaten stil op de grond. Hun vingers herinnerden zich hun spel en werden kleine dieren in het warme gras.

*

Hij had haar een boek gegeven.
– Als ik terugkom moet je het uit hebben.
’s Avonds laat hoorde ze de voordeur en ze was nog niet op de helft. Het boek ging over maatschappelijke dingen, theorieën, complotten. Sommige dingen kwamen haar bekend voor, Jack had het er wel eens over gehad. Maar op papier, in lange, onbegrijpelijke zinnen raakte ze de draad vaak kwijt. Liever dat hij ze zei, zodat ze kon knikken en zwijgen. Hij kwam de kamer binnen.
– En, heb je het uitgelezen?
– Nog niet helemaal.
Hij kwam dichterbij staan en Leonne schrok van zijn zure, metalen adem. Zijn handen rustten op de rug van haar stoel. Hij zuchtte.
– Wanneer leer je nou ’s nadenken?
Hij sloeg het boek dat open voor haar op tafel lag dicht, bracht het met beide handen boven haar hoofd.
Wenda werd wakker van het gebons. Ze liet haar zusje slapen.

*

Leonne was bijna achtentwintig toen Wenda geboren werd, en het leven was goed. Ze waren net in het grotere huis getrokken. De kinderkamer was al klaar. Ze had alle kleuren zelf uitgezocht. Wenda was gezond en huilde weinig. Ze groeide. De eerste woordjes, haar eerste stappen in de zomer. Leonne hield het kind in het licht. Haar man maakte foto’s. Leonne die de bolle en verbaasde wangen kust. Leonne die lacht naar de camera. Wenda’s grote ogen. De laatste zomerende dagen voor haar eerste verjaardag.
Anna kwam later. De camera uit. Ze werd een maand te vroeg geboren. Wenda zag haar zusje in de couveuse. Anna was zwak, haar moeder moe. Ze kreeg haar zusters eerste bed. Ze huilde het legere huis wakker.

*

Geduldig en gesloten tikt de school naar drie uur – kookpunt. Auto’s met moeders rijden aan, de vrouwen stappen uit, praten, wisselen tips en zorgen uit. Leonne staat niet bij hen. Ze spreekt niet meer met de andere moeders. Ze kijkt op haar horloge, bijt op haar onderlip, schuifelt op de stoep bij het hek. Bijna een jaar zijn ze samen. Leonne heeft de hele dag in de keuken gestaan. Haar gedachten zijn bij haar oven. Ze ziet twee vrouwen naar haar kijken en wijzen. Leonne verzwaart haar blik. Ze is alleen. Vandaag durfde ze Anna niet mee te nemen.
De bel gaat. Wenda is zoals altijd de eerste op het plein. Leonne zwaait niet. Wenda weet waar ze staat. Ze rent naar haar moeder.
– Waar is Anna?
Leonne antwoordt niet, maar probeert Wenda zo stil mogelijk in de auto te krijgen.
Ze houdt het achterportier open. Haar dochter blijft staan.
– Waar is Anna?
Meer vrouwen kijken nu.
– Anna is thuis, schat.
Ze pakt Wenda bij de schouders en duwt en sleept haar langzaam in de richting van de geluiddichte auto.
– Thuis? Snel, we moeten naar huis!
Wenda komt los van haar moeders handen en springt in de auto. Leonne gooit het portier dicht. Zonder op te kijken kruipt ze achter het stuur. Haar dochter roept dat ze moet opschieten. Wat heeft dat kind? Ze start de auto en rijdt weg.
Het is druk in de stad. Moeders met kinderen, woon-, werkverkeer, oneindig veel fietsers. Asfalt wordt smal en schaars, mensen blokkeren de doorgang. Tegenliggers. Haar handpalmen zweten, maken het stuur glad. Haar dochter gilt onophoudelijk. Het verkeer begint te schreeuwen, te wijzen. Trottoirs worden tribunes.
– Snel! Snel!
Ze slaat verkeerde straten in. Leonne kan haar huis niet vinden.