Nieuwe korte verhalen en iets langer proza bij literair tijdschrift De Revisor, sinds 1974.

Sarwar Seyed kwam uit een boerenfamilie die van oudsher hun gewassen verbouwde op het vruchtbare land langs de oevers van de Helmand in de regio Hazarajat. Hij vluchtte op zijn 37ste uit Mazar-I-Sharif voor de etnische zuiveringen van de Taliban na de Hazara-opstand in 1997. Seyed wist dat hij moest vertrekken toen het gele kussentje voor het raam van zijn huis was verdwenen. Via de bergen stak hij, begeleid door een gids, lopend de grens over naar Pakistan. Met de bus kwam hij in Karachi aan. De Pakistaanse afdeling van zijn politieke groepering huurde van een man die Abdul heette een vals paspoort met geldig visum dat op naam stond van ene Basir Andaryas (een samentrekking van de namen van twee Hazara-schrijvers). In zijn relaas staat over zijn reisroute vermeld: ‘De vliegtuigstoelen waren lichtblauw. Mijn valse paspoort moest ik nadat we het vliegveld hadden verlaten afgeven aan de reisagent die Abdul heette.’ Sarwar werd toegelaten als verdragsvluchteling.

Dit is een van de zes vluchtverhalen die Florimond Wassenaar schreef bij zijn grote ‘Vluchtverhaal’ in Revisor14. De komende dagen volgen de andere vijf.

Drie nieuwe korte verhalen van Robin Kramer. Vandaag de tweede: ‘Paradijsvariatie’.

*

Voor het hotel staan twee politieagenten, mitrailleurs over hun borst gekruist. Ik zeg tegen haar dat ze me aan engelen doen denken, de cherubs die voor het paradijs stonden na de zondeval. Ze zegt nou ja, het is hier wél een soort van paradijs. (Op de recensiewebsites wordt er voornamelijk geklaagd over het imitatiemarmer en dat de impressiefoto’s uit perspectieven zijn geschoten die het allemaal veel ruimer laten lijken. De tuinstoelen zijn te hard, de bedden te klein.)

Maar, zegt ze, als dit het paradijs is, en er staan al engelen voor de deur, dan betekent dat dat Adam en Eva al weg zijn. Dat wij ons niet meer in het paradijs begeven, maar eerder op de plek waar ooit het paradijs moet zijn geweest. We zwijgen. Tegen elkaar en naar alles wat maar naar onze stilte wil luisteren. De tijd trekt de veters van ons vermoeden strakker: de dag daarna staat er politielint rondom het zwembad getrokken en beginnen de liften te haperen, totdat ze helemaal niet meer werken. Er is steeds minder variatie in het ontbijtbuffet. Na ongeveer een week horen we ook onze buren niet meer. Dan zie ik op de krant dezelfde foto als de dag ervoor.

Drie nieuwe korte verhalen van Robin Kramer. Vandaag: ‘Bruiloft #1’.

*

Ze staat op een leeg strand. De oceaan ligt voor haar, ogenschijnlijk eindeloos, en als ze achterom kijkt ziet het zand er hetzelfde uit: geen duinen, geen paviljoenen, geen douches – niets. Ze heeft de handvatten van een vlieger over haar knokkels geschoven. Het bijna onzichtbare touw flikkert in het licht en als ze naar boven kijkt ziet ze het hoofd van haar aanstaande echtgenoot in de lucht zweven: kolossaal hangt hij aan het uiteinde van het touw, wapperend in de wind en zuigend aan haar spieren. A. probeert hem naar de grond te krijgen. Ze gaat op haar knieën zitten en trekt haar armen richting het zand. Maar meteen wordt ze weer omhoog getrokken, tot een staande positie. Op dat moment weet ze dat er twee mogelijkheden zijn: of ze laat zich mee omhoog voeren met het zwevende hoofd, of ze laat hem los om hem alleen achter de wolken te zien verdwijnen.

Na de bruiloft, in een motelletje dicht bij de feestlocatie, ritst haar echtgenoot haar bruidsjurk open. A. is bang dat hij niet alleen haar jurk, maar ook haar rug open ritst – dat haar ruggengraat en al dat vlees en weefsel nu aan hem ontbloot zullen worden. Dat hij álles kan zien. Terwijl hij dit doet, vertelt hij haar over een droom die hij heeft gehad. Hij zag haar op een strand staan, vanuit vogelperspectief. Er waren allemaal glinsterende lijnen die vanaf hem naar haar toe naar beneden leidden.
A. vraagt hoe het eindigde.
Je liet me los, zegt hij, en toch zakte ik naar beneden.

Foto © Joel Hatfield

Jette staat met haar rug naar mij toe, ze tuurt naar de kleine tuin. Er staat nog een oude schommel, half verzonken in het gras, en een stenen bankje tegen de heg.
Wat is het leeg, zegt ze. Haar blote schouders gaan een even op en neer en ik weet niet of dat door haar ademhaling of door wat anders komt.
Ik vraag of ze dat erg vindt, van die leegte en ik zeg dat het mij weinig kan schelen.
Ze schudt haar hoofd en ze zegt dat ze wel weet hoe ik erover denk en in plaats van zich om te draaien doet ze een paar stappen vooruit, tot aan de vensterbank. Ze drukt haar hand tegen het raam en ze kijkt naar boven, naar het huis van onze nieuwe achterburen en de slaapkamers die daar zijn.
Ik hoor hoe haar broer spullen op het parket in de gang neerzet, een boekendoos of een tas met kleren misschien, en ik ga nog even naast haar staan, aan het raam en ik leg mijn hand op haar schouder. Ik zeg dat het vanzelf als thuis gaat voelen. Na een tijdje geef ik haar een kus op het plekje onder haar oor waar haar huid heel zacht is en ik wijs de tuin in. Daar komen tegels, zeg ik, daar de barbecue en daarnaast een loungeset, zo-een die we laatst zagen.
Ze knikt naar waar de barbecue straks komt en nu nog die oude schommel staat. Zou die nog te repareren zijn, vraagt ze. Ze vraagt het alsof er vanalles vanaf hangt.
De touwen zijn groen en ik betwijfel of het droge hout haar gewicht aankan, laat staan dat van mij en omdat ik niet het verkeerde antwoord wil geven zeg ik: dat moeten we aan je vader vragen, die heeft er verstand van. Ik kus haar een tweede keer op hetzelfde plekje en ik zeg dat we binnenkort ook een nieuwe kunnen kopen, wanneer we hem nodig hebben.
Ze draait haar gezicht, van onder naar boven, en ze kijkt mij door haar wimpers aan.
Ze zegt dat ze niet weet of ze wel een nieuwe schommel wil en daarna, iets zachter: ik weet niet of ik het nog een keer wil proberen.
Ik zeg dat ik dat ik het begrijp en dat het tijd nodig heeft. Ook wil ik zeggen dat het niet te lang moet duren maar dat doe ik niet, dat weten we allebei.
Ze legt haar oor tegen mijn sleutelbeen dat zo erg uitsteekt sinds ik geen bier meer drink en met haar hand op mijn rug drukt ze zich in mijn wollen trui. Ze fluistert dat ze het fijn vindt dat ze mij heeft. Met mijn hand strijk ik door haar rode haren en ik doe heel even mijn ogen dicht. Zij verstopt zich dieper in mijn trui en zo blijven we een tijdje staan, als man en vrouw, terwijl haar broer in de gang steeds meer spullen neerzet en in de achtertuin een schommel staat die misschien wel nooit vervangen wordt.
Op straat kijk ik naar haar vader die in de cabine van de verhuiswagen een sigaret rookt en help ik haar broer met het uitladen van het babybedje waar zijn eigen kinderen in geslapen hebben. Wij hebben er genoeg, zei hij toen Jette nog zwanger was en hij het ding onze oude flat in droeg. Sindsdien is het ons babybedje.
Ik geef hem een ovale plank met gaatjes aan en ik grinnik om de grote B die ze meteen met viltstift op het ding schreef. Ze deed dat om aan te geven wat de bovenkant was.
Haar broer vraagt wat er te lachen valt.
De B van Baby: voor de duidelijkheid, zeg ik, anders gaan we er zelf in liggen.
Hij schudt zijn hoofd en klemt de plank onder een arm terwijl hij met de ander een bundeltje spijlen in bedwang houdt. Zo loopt hij het hele bedje behendig richting de voordeur. Halverwege draait hij zich om. Of het naar de kleine kamer moet, vraagt hij kortaf.
Ik zeg dat hij het in de gang mag zetten, bij de andere spullen, en dat doet hij.
In de zijspiegel van de wagen zie ik haar vader mijn kant opkijken. Hij is uitgerookt en steekt zijn hand uit het raam. Met het kleine matrasje zwaai ik terug, ik had verwacht dat het zwaarder zou zijn. Haar vader wijst naar mij en biedt aan het ding naar binnen te dragen.
Ik roep dat hij aan zijn rug moet denken en dat hij maar lekker blijft zitten.
Hij schudt ook zijn hoofd en ik loop ons matrasje naar binnen.
Ik zet het de gang neer, naast de plank en de spijlen en de Ikea-tassen vol babykleertjes. Het is er koud, kouder dan zo-even. Er komt tocht vanuit de woonkamer.
Waar ik net met Jette stond, aan het raam, staat ze niet meer.
De achterdeur is open en Jette zit in de tuin, op de oude schommel. Ze heeft haar handen op de groene touwen en met haar tenen steunt ze op het natte gras. Alles beweegt een beetje. De schommel beweegt omdat hij elk moment in kan storten, de heg beweegt omdat het waait en Jette beweegt haar blote schouders omdat ze het koud heeft.
Ik heb het koud schatje, zegt ze.  
Terwijl ik mijn trui over mijn hoofd trek zeg ik dat ik het zelf ook niet warm heb maar dat hoort ze niet en dat is prima. Soms is het belangrijker hoe zij zich voelt.
Als ze mijn trui om zich heen laat vallen blijft haar haar onder de gebreide kraag steken. Het is net alsof je een capuchon op hebt, zeg ik en ik leg mijn hand op haar hoofd zoals ik dat ook ooit bij ons kleintje zal doen, als we samen naar het voetbal of de kermis gaan. Daarna zak ik iets door mijn knieen en ik fluister dat ze mijn roodkapje is en dat er een grote boze wolf in de verhuiswagen zit. Daar lachen we om en volgens mij vinden we dat allebei fijn,samen lachen.
Voordat ik terug de woonkamer inloop duw ik haar zachtjes tegen haar schouders. Ze haalt haar tenen uit het gras en blijft heel stil zitten. Zo wiegt ze van voor naar achter, met mijn wollen trui over haar lange rode haren, op de oude schommel die misschien wel of misschien niet ieder moment in kan storten.
Haar vader staat half in de kamer. Achter hem leunt de ovale plank met de gaatjes tegen gestucte muur. Hij steunt het ene eind van mijn houten bureaublad op zijn knie en met zijn hand grijpt hij krampachtig aan de deurpost. Waar moet deze heen, hijgt hij. Ik kijk naar hem, dan door het glas naar Jette, die al bijna bewegingsloos op de schommel zit, en dan weer naar hem. Naar boven, zeg ik, naar de kleine kamer, naast de badkamer. Zet hem daar maar zo lang neer.
Hij wipt het uiteinde verrassend eenvoudig van zijn knie onder zijn arm en vanuit de gang hoor ik haar broer zeggen dat hij alleen hoeft te sturen, hij houdt hem wel in bedwang. Ze dragen samen het bureaublad naar boven. Halverwege laat haar vader zich met zijn heup tegen de leuning zakken. Rustig aan pa, zegt haar broer, we hebben tijd genoeg.
Daar heeft hij gelijk in. Het is september en voor je het weet is het weer april.
Als haar vader zijn bril heeft recht gezet en het zweet op zijn voorhoofd aan zijn blote onderarm afveegt vraag ik het hem. Heb je die oude schommel in de tuin heeft zien staan, zeg ik. Hij gromt en zijn zoon gromt ook.
Zouden jullie daar zo eens naar kunnen kijken, zeg ik, we willen hem graag een beetje opknappen.

Ik sta op het perron, sluit mijn ogen en doe één pas naar voren.
Nu is het goed. Het zonlicht schijnt precies onder het stationsdak door op mijn gezicht. Ik voel hoe de koelte op mijn wangen langzaam verdwijnt.
Links komt een kinderwagen aangerold, vergezeld door het getik van naaldhakken.
De baby huilt hard, maar zonder uitroepteken. Een goede schrijver heeft geen extra overdrijving nodig om duidelijk te maken wat een personage bedoelt. Een goede vertaler hoeft hier alleen maar naar te luisteren.
Mijn moeder vindt het vak van literair vertaalster het op een na meest deugdzame beroep ter wereld. Alleen artsen staan hoger in aanzien omdat zij levens kunnen redden. Vertalers zorgen voor orde in een wereld waar iedereen maar schrijft om een mening over vrijheid, gelijkheid of voetbal te geven. Mensen hebben nu wel genoeg gezegd en geschreven, het is tijd om naar elkaars verhalen te luisteren.  
Voor het gemak vergeet mijn moeder dat vertalers ook iets dood kunnen laten gaan.

Ik houd Sanin vast en streel de kaft. Honderd jaar geleden verzocht minister Sta Juppin het Kremlin onderzoek te doen naar de geruchten dat Russische jongeren – geïnspireerd door de daden van Sanin – ’s nachts in donkere kelders samenkwamen om wilde seks te hebben. Het leek een grote grap waar Artsybasjev waarschijnlijk hard om had gelachen. Niemand kon zijn boek toen goed hebben gelezen. Niemand dacht toch dat hij meende wat Sanin zei – of wel?
Over ruim een uur vertel ik de uitgever of ik de opdracht aanneem. In ons eerste gesprek zei hij dat het verhaal een gegarandeerd succes zou worden. Lezers zitten te wachten op ‘de aantrekkelijke leegte achter de zielloze hoofdpersoon’. Ik weet nog steeds niet wat de uitgever daarmee bedoelde toen hij dat zei met extra nadruk op de twee bijvoeglijke naamwoorden. Probeerde hij de druk op te voeren? Of wilde hij mij geruststellen en maakt de kwaliteit van mijn vertaling weinig uit voor de verkoopcijfers?
Op een van de perrons achter mij hoor ik een trein het station binnenrijden. Die van mij zal zo ook wel komen.
‘Dames en heren. De intercity – naar – Amsterdam Centraal – en – Alkmaar – van acht uur achtendertig – vertrekt over ongeveer – tien minuten. Herhaling. De intercity…’
De monotone computerstem galmt door het station. Of je goed of slecht nieuws te vertellen hebt, alles draait om het vinden van de juiste toon. Alleen dan weet je wat je mag verwachten. Alleen dan blijf je luisteren.
Op internet wemelt het van de vergelijkingen voor het vak van vertaler. Vertalen is als het lijmen van een vaas die je zojuist in duizend stukken kapot hebt laten vallen. Vertalen is als dansen – met boeien om je polsen. Vertalen is als schoonmaken, je ziet het alleen maar als het slecht is gedaan.
De vergelijkingen zijn allemaal verzonnen door vertalers die klagen over een gebrek aan erkenning voor hun werk van de lezer. Dat hebben ze aan zichzelf te danken. Ze moeten betere, mooiere woorden voor hun vak bedenken. En dan nog. Op dit station weet ook niemand wie de spoorwegverkeersleider is die het dagritme van de honderdduizenden passagiers bepaalt en die met één wisselwijziging de intercity uit Leiden kan laten botsen op de sneltrein naar Amsterdam. Dat jij verantwoordelijk kan zijn voor een catastrofaal ongeluk, is je motivatie om het ongeluk te voorkomen.
‘Dames en heren. De ICE Internationaal naar – Osnabrück – en – Berlijn – van – acht uur negenenvijftig – vertrekt van spoor – elf. Voor deze trein is een reservering verplicht.’
Twee jongens van ongeveer zestien jaar oud lopen de wachtruimte in en gaan zitten. Nu zijn alle bankjes bezet. Door de glazen wanden van het wachthok heen bestudeer ik hoe zij hun tijd uitzitten. De alwetende verteller die Artsybasjev in Sanin opvoert zou de wachtenden typeren als izobretátelj. Letterlijk zijn dat ‘uitvinders’, maar die vertaling past eigenlijk niet. Sanin zelf is ook een izobretátelj. Hij doet niets, want als intellectueel moet je je niet inspannen voor de strijd van het volk tegen de tsaar. Je kan volgens Sanin beter van het leven genieten. ‘Uitvinder’ kan dus niet, er moet meer achteloosheid in doorklinken, alsof de uitvinder heel zijn leven wacht op uitvindingen.
Misschien heb ik meer tijd nodig. Ik blader door het boek en probeer me een voorstelling te maken van de zinnen die ik zou opschrijven. De stem van Sanin kan ik inmiddels dromen wanneer hij de zoveelste vrouw voor één nacht aanspreekt, maar die van de alwetende verteller blijft vager. Het is een hele zachte, bijna bedwelmende stem. Wanneer hij Sanins grillen beschrijft, lijkt daar een diepe minachting in door te klinken voor zijn levenswijze.
‘Ben je geboren om te dromen of om met dromen te leren leven – leren overleven? Je weet dat je zonder dromen geen leven hebt en zonder leven geen kans om je dromen waar te maken. Is dat de manier waarop je wilt overleven?’
De stem houdt op. Was dat Artsybasjev die een oordeel velt over zijn personage? Of hoorde ik een stem die eigenlijk onzichtbaar moet zijn?
Het is geen ramp, zal mijn moeder zeggen. Dat mijn naam niet op de cover maar in het colofon zou komen, dat de liefde van de lezer rechtstreeks naar Artsybasjev gaat of dat ik voor de vertaling van driehonderd-en-drie bladzijdes een uurloon van vijftien euro krijg, maakt volgens haar allemaal niet uit. Een vertaling is als een vrouw: ze is mooi of ze is trouw.
Daarbij vergeet ze dat vrouwen en mannen altijd allebei proberen te zijn – zelfs als ze dan een stukje van zichzelf verbergen.

Wanneer het perron begint te trillen open ik mijn ogen. De trein komt tot stilstand. Tientallen passagiers vormen een trechtervormige erehaag naar de openzwaaiende treindeuren toe. Ik sta vooraan, bij het smalste gedeelte. Mensen duwen in mijn rug, ik voel schoenen op mijn hakken trappen. Het looppad moet blijkbaar nog smaller. Ik weiger mee te doen en laat iedereen uitstappen.
Een man met een rode hoed probeert voorlangs te schuifelen, in een ultieme poging als eerste een zitplek in de trein te bemachtigen. Ik steek een arm uit. De man kijkt mij gejaagd aan, maar mijn arm blijft als een hefboom voor hem hangen.
Wie kan bepalen hoe de wereld beweegt, is soms zichtbaar.
De man zegt iets, maar ik versta hem niet. Hij houdt een telefoon tegen zijn oor geklemd. Met een achteloos gebaar duwt de man de hefboom weg en glipt de trein in. Nog twee mannen in zwartleren jassen volgen het voorbeeld en wringen zich langs mij.
Verdringing dreigt. Iedereen probeert in te stappen, ook al moeten de laatste passagiers uit de tweedeklascoupé er nog uit, ook al komt iedereen zo stil te staan. Ik kan geen andere kant uit en gooi mijn volle gewicht naar achteren. Het werkt niet, twee handen pakken mijn schouders vast en proberen mij naar voren te bewegen. Ik weiger en schop met mijn voet naar achteren. Twee keer, drie keer, want het is genoeg geweest.
Het werkt. Voeten schuifelen langzaam naar achteren, tot er een klap klinkt.
Twee vrouwen naast mij slaken verontwaardigde kreten – met uitroeptekens.
Ik draai me om. In een plas van melk ligt een vrouw met kinderwagen op de grond. Ze houdt haar armen om de huilende baby en fluistert zachtjes troostende woorden. 
De trein vertrekt met een vertraging van vijftien minuten.

Er lopen wolven door mijn huis. Ik hoor de deur piepen, de trap kraken. Ik hoor hun poten op de vloer tikken. Beeld ik me dingen in? Nee. Er is heel wat nodig op me op de kast te krijgen. Is er een kans dat er daadwerkelijk wolven door mijn huis lopen?  Ja. Die kans is groot.

Al dagen dwalen er wolven door de wijk. Niet twee of drie. Een roedel. In de krant staat een foto van een wolf die voor mijn huis een driewieler besnuffelt. Twee straten verderop heeft een wolf een oude man in zijn kuit gebeten. Mijn katten zijn al dagen niet meer thuisgekomen. De wijk is bang. Zodra het begint te schemeren, lopen buurtbewoners met zaklampen over straat. Een paar keer per nacht dringt zo’n lichtbundel mijn kamer binnen.
Hoe lang hoor ik al geluiden? Het is drie uur en ik lig als een koelkastmagneetje op bed. Mijn spieren spannen zich stuk voor stuk aan. Beneden klinkt chipszakgeritsel. Even is het stil. Dan maakt het piepen kraken ritselen plaats voor een ander, bekender geluid. Pianoklanken. Op een onregelmatig tempo, als water uit een slecht dichtgedraaide kraan, druppelen de tonen mijn oren binnen. Na een uitgesponnen intro komen er meer instrumenten bij: een saxofoon, een contrabas. Ik stap uit bed, druk mijn rechteroor tegen de vloer en constateer dat het geluid van beneden komt. In die houding word ik me bewust van de situatie. Er lopen wolven door mijn huis. En die wolven houden, blijkbaar, van mooie, kalme jazz.
Omdat ik te nieuwsgierig ben geworden om weer in bed te gaan liggen, sluip ik op mijn sokken naar de slaapkamerdeur. Ik draai het slot eraf, leg mijn hand op de koude, metalen klink en trek de deur een paar centimeter naar me toe. Ik doe het voorzichtig, me voorbereidend op het moment dat ik de deur tegen de snuit van een wolf moet smijten. In de overloop zwelt de muziek aan. Gelukkig zijn de wolven niet naar de eerste verdieping gelopen. Bovenaan de trap blijf ik stilstaan. Ik ga op mijn buik liggen en kijk door een kier tussen de ballusters naar de woonkamer. Zo lag ik ook toen ik vroeger, na bedtijd, mijn ouders bespiedde. Steeds hoopte ik iets te ontdekken wat ze in mijn bijzijn verborgen hielden en steeds ging ik na vijf minuten weer in bed liggen, omdat ze, naast zwijgzaam televisie kijken, niets bijzonders deden. Nu is het anders. Wat ik zie is zo mooi, zo bijzonder, dat de angst plaatsmaakt voor verwondering. Het voelt alsof er om mijn buik een touw zit waar de wolven aan trekken. Weerloos daal ik de trap af.
Onderaan de trap voel ik me veiliger dan ik me bovenaan de trap voelde. Een saxofoonsolo verwarmt de woonkamer. De wolven staan oog in oog tegenover elkaar, op hun achterpoten. Ze zien me niet. Beter gezegd: ze schenken geen aandacht aan mijn aanwezigheid. Met hun voorpoten houden ze elkaar staande. Ze bewegen hun onderlijf. De een begraaft zijn kop in de hals van de ander. Ik neem het waar en sla het op: hun golvende haren, de manier waarop ze elkaar overeind houden, willekeurig naar links en rechts bewegen, onhandig dansen. Prachtige sneeuwwitte halzen.
Ik ga op de vloer zitten, in kleermakerszit. Nooit eerder had ik zo weinig behoefte iets te verklaren. Laat het maar zo zijn, dacht ik. Laat het maar voor altijd zijn wat het nu is.
Op dat moment klinkt er getik. Iemand staat voor de deur. Waarschijnlijk een politieman. Om zijn vinger moet een ring zitten. Als een kogel schiet een bundel licht door het groene deurglas. En daarna nog een, en nog een. Dat licht zoveel kabaal kan maken.
De wolven, helemaal wit nu, dansen onwankelbaar door. Dit is waarschijnlijk het laatste moment dat ze vrij kunnen bewegen, de laatste keer dat ik zoiets bijzonders zie. Ze boezemen me geen angst meer in. Meer vrees ik voor de mannen die voor de deur staan. Ze hebben geen idee. De vredige dans, de jazzmuziek. Wie buiten staat, zal nooit geloven hoe mooi het binnen is.
Het licht doorboort nu ook het keukenraam. Ik loop naar de gang met mijn handen voor mijn ogen. Zoveel licht. De wanden en de meubels en de wolven. Alles glanst als zilverfolie.
Als een bejaarde, bang voor overvallers, blijf ik een paar seconde voor de deur staan. De lichten doven. Iemand drukt zijn voorhoofd tegen het glas.
‘Goedenavond, meneer. Kunt u de deur voor me openen?’
Ik open de deur.
‘En kan de deur ook verder open?’
De deur kan verder open.
‘Dank je wel. Ik zal me even voorstellen.’
De man reikt me zijn rechterhand aan.
‘Johan, wijkagent. Mag ik vragen waarom u op dit tijdstip nog muziek luistert?’
Vluchtig, bijna onmerkbaar, werpt de man een blik op de woonkamer. Ik draai mijn hoofd als een uil die een onverwacht geluid hoort.
‘Muziek?’
‘We hebben klachten ontvangen.’
Opnieuw kijkt de wijkagent over mijn schouder naar de woonkamer. Ik weet niet wat hij heeft gezien, maar er verandert iets in zijn blik. Tussen zijn ogen tekenen zich twee plooien af.
‘Luister, meneer. Kunt u rustig met me naar buiten lopen? Ik vraag dit voor uw eigen veiligheid.’
In de tuin maakt de man een gebaar naar zijn collega’s. Als een zwerm wespen vliegen ze voorbij. Aan de andere kant van de voortuin is de buurman het tafereel aan het bekijken. Sigaret in de hand, badjas aan. De politieman opent het portier en gebiedt me in te stappen. Ik weiger en vraag wat er met de wolven gaat gebeuren.
‘Daar kan ik op dit moment niets over zeggen.’
‘Maar u bent toch de wijkagent?’
‘Dat klopt, maar dat betekent niet dat ik elke week een wolf vang. Kom, stap de wagen in. Ik ben zo bij je terug.’
Minutenlang blijf ik op de achterbank zitten. Door de condens op de ramen zie ik alleen wat lichten en bewegende contouren. Het is koud in de auto. Te koud om zo lang te moeten wachten. Als ze me nog tien minuten laten zitten, loop ik terug naar binnen.
En ze laten me tien minuten zitten. Ik stap uit de auto en ruik de frisse najaarslucht. Waar is iedereen? Voor mijn voeten blaast de sigaret van de buurman zijn laatste adem uit. De blauwe ochtend neemt een hijs en zuigt het laatste wolkje rook in zich op. De muziek blijft doorgaan. Via de openstaande voordeur waaien de klanken naar buiten. Jazzmuziek. Herhalend. Bezwerend. Alsof geen mens, natuurwet of god het geluid kan stoppen. Behoedzaam loop ik naar mijn eigen huis.
Eenmaal binnen, in de gang, ontdek ik wat er aan de hand is. Er zijn geen doden gevallen. Niemand is gewond geraakt. In de maanverlichte kamer heeft zich een kring gevormd. Een grote zilveren armband. De politiemannen zwijgen. Vervoeren zich niet. Aanschouwen de wolven met glimmende ogen. Ik voeg me bij de groep en kijk de mensen vragend aan. Voordat er een woord uit mijn mond valt, legt de buurman zijn wijsvinger op mijn lippen. Stil maar, kijk maar.

28 april werd Laura Broekhuysens nieuwe boek Winter-IJsland gepresenteerd, dat voortkomt uit haar reeksen op Revisor.nl (Winter-IJsland & Zomer-IJsland). Met Laura vroegen we Bernke Klein Zandvoort en Richard de Nooy hún IJsland te beschrijven in een kort verhaal. Bij gelegenheid van de tweede druk is dit ‘Struinen op IJsland’, Klein-Zandvoort-IJsland.

*

In de bibliotheek vond ik het boek Struinen op IJsland. Op weg ernaar toe had ik de met kermis gevulde Dam gekruist. De bratwürsten, een geel-rode Churroswagen en een met chocoladedakpannen belegd houten huisje brachten me moeiteloos naar andere landen, maar IJsland, dat is een leegte in mijn hoofd. Een leeg land. Ik moest gedachten lenen om het te vullen. Een vriendin die er ooit met vakantie was geweest, de video’s op haar telefoon, boeken, internet, films.

Het boek had grote foto’s en korte bijschriften:

Dikke grijze mosdekens langs de kust.
Van water geschrokken lava.
Trollenwapens.
Goed gevoerde schapen.
Verenkleed van bergeend, verenkleed krakeend.
Groepje wandelaars kijkt over de rand.
Lichamen onmossig en kaal, bekleed met lagen Fjällräven.

Struinen, daar zit iets doelloos in, iets van wel zien waar je terechtkomt, iets van een kater en mul zand, van een landweg maar ook een drukke markt. Er zit iets in van op zoek zijn, maar niet goed weten naar wat. Stelen, gappen, betekende het gek genoeg heel lang in het noord-oosten van dit land. Alsof de ervaring had geleerd dat wandelaars die geen zichtbaar doel op hun gezicht hadden staan, de appels uit de boomgaard gristen in een handomdraai, dezelfde waarmee ik nu de Googleresultaten naar mijn bureaublad sleep. Plek waar het rookt, bubbelt en stoomt. Roze schuimpjes stappen uit warmwaterbaden. Een kudde echte IJslandse schapen, die als je met ze achteruit lopen zou, over Vikingen uit zouden weiden.

Is ons hoofd niet voor het grootste deel gevuld met sporen van anderen? Zinnen en beelden die zich naar verloop van tijd stilletjes inpassen tussen eigen gedachten. De omheiningen niet meer zo stellig zichtbaar, worden ze deel van hetzelfde landschap van informatie en zwarte gaten, een bijna binaire code. Ik maak mijn IJsland uit de eenheden gletsjeroversteek, slaapzakaccomodatie en pseudokrater. Algennotities op een rotswand. Uit spaarzame plukjes schapenvacht, achtergelaten in een leeg landschap. Uit de korstmossen op de tuintegels, waarin ik de vorm van het land met haar onregelmatig gekartelde randen, steeds tegenkom. Het is een krakkemikkig plaatje, hangt met stukjes tape aan elkaar. Maar ik zou zweren dat ook het noorderlicht, zoals het zich bewoog op de foto’s en over het telefoonscherm van de vriendin, iets zoekends leek te hebben.

28 april wordt Laura Broekhuysens nieuwe boek Winter-IJsland gepresenteerd, dat voortkomt uit haar reeksen op Revisor.nl (Winter-IJsland & Zomer-IJsland). Met Laura vroegen we Bernke Klein Zandvoort en Richard de Nooy hún IJsland te beschrijven in een kort verhaal. Dit is ‘De vier laatsten’, Nooy-IJsland.

*

Omdat je ooit in een druk café gekscherend verklaarde dat je een hekel hebt aan gelukzoekende IJslandse spitsen, die zich enkel en alleen in Nederland vestigen om lokale keepers te vernederen en onze eigen spitsen het brood uit de mond te stoten, wordt je gevraagd iets te vertellen over IJsland. ‘Kon Ronald Giphart niet,’ vraag je nog aan de redacteur, die dat iets te stellig ontkent en het bovendien geen bezwaar lijkt te vinden dat je nog nooit in IJsland bent geweest. Dat zou een probleem kunnen zijn, ware het niet dat je een aantal troeven in handen hebt, die jou de uitgelezen persoon maken om deze geiser te dempen, dit zeehondje te wassen, deze Finnbogason te tackelen.

♠ A — Je bent blogger geweest voor een grote luchtvaartmaatschappij en hebt, zonder je bureaustoel te verlaten, reisverhalen geschreven over tientallen landen. Kortom, je bent frequent flyer bij Internet Airlines.
♠ H — Je bent een roman aan het schrijven die zicht afspeelt in een vijftiental landen. De helft daarvan ken je alleen via het journaal, verhalenbundels en Google Streetview.
♠ V — Je bent ooit begonnen aan een verhaal bestaande uit louter openingszinnen, maar kwam er al snel achter dat dit veel weg heeft van een voetbalwedstrijd waarbij steeds opnieuw wordt afgetrapt, met alle spanning en belofte van dien, maar zonder doelpunt of uitslag.

Dat laatste geldt eigenlijk alleen als troef binnen de IJslandse context omdat je tijdens je onlinezoektocht een wonderbaarlijke ontdekking doet: IJsland heeft al eeuwenlang een heuse beginzinnencultuur.

IJsberend van schots naar schots ontdek je dat deze Opnun Setningar Menning ooit uit nood is geboren. Omdat er vroeger bijna geen bomen op het eiland groeiden was er vaak papierschaarste. Ook de toevoer vanaf het vasteland was onbetrouwbaar, waardoor er regelmatig ruzies ontstonden tussen IJslandse dichters en schrijvers, die meestal uitmonden in vechtpartijen waarbij de zwakkere, minder goed bewapende letterbroeders aan het kortste eind trokken. Hierdoor was er in IJsland lange tijd sprake was van een krijgersliteratuur.

Aan deze ongelijke strijd kwam in 1536 een eind toen de verlichte krijgsheer Gunnar Skallagrímsson de eerste Vetur Fundur organiseerde in Reykjavik. Deze Winterbijeenkomst werd daarna jaarlijks gehouden zodra de eerste sneeuw was gevallen. Alle schrijvers trokken dan naar de hoofdstad met hun beste beginzin op zak en troffen elkaar in de Rithöfundar Sal, alwaar de beste beginzinnen werden gekozen om te bepalen welke boeken in het voorjaar gedrukt zouden worden.

Hongerig naar meer duik je steeds dieper onder het ijs en komt terecht op de site van schrijversgroep Nýtt Upphaf (Nieuw Begin), die de traditie in ere houdt met een jaarlijks festival waar schrijvers nog steeds hun openingszinnen uitspreken zodra de eerste sneeuw is gevallen. Onder het kopje ‘Nice to know’ staat een negental fascinerende feiten.

  1. Sommige schrijvers huurden predikanten en later acteurs in om hun zin uit te laten spreken.
  2. Nadat alle beginzinnen waren uitgesproken, mochten de aanwezigen een zogenaamde kjörseðilinn invullen met de namen van hun vijf favorieten.
  3. Omdat alle schrijvers hun eigen naam bovenaan hun stembiljet zetten, ging het vooral om de zogenaamde Síðustu Fjórum — de Vier Laatsten.
  4. Traditioneel werden de stemmen geteld door de burgemeester, de predikant van de Lutherse Kerk en de hoogste rechter van Reykjavik.
  5. Tijdens het tellen werden de schrijvers getrakteerd op een feestmaal, waarbij stevig werd gedronken en gespeculeerd over de uitkomst.

Je leest dit alles met stijgende verbazing en stelt je voor hoe de stoere schrijvers in hun dampende bontjassen aan tafel zitten — zingend, schransend en drinkend uit de bovenmaatse schedels van hun gevallen kameraden. Je hoort hoe hun beginzinnen zich nestelen tussen de zware scheepsbalken in de nok van de Rithöfundar Sal

  1. Tot op de dag van vandaag komen de Síðustu Fjórum nog steeds met hun namen in de krant en staan ze in hoog aanzien bij boekhandelaren en lezers.
  2. De IJslandse staat koopt een deel van de eerste druk op en distribueert die aan lokale bibliotheken en scholen.
  3. De namen van de Vier Laatsten worden nog steeds bijgeschreven in een eeuwenoud register.
  4. Nýtt Upphaf tracht de IJslandse literatuur te ontsluiten door alle winnende beginzinnen sinds 1536 te vertalen in het Engels.

‘Click here to download the full list.’

Je ruikt je prooi. Tergend langzaam sluipt het downloadbalkje zich vol. Dan is het klik-klik-dubbelklik en ineens sta je, brullend van genot, middenin de zeehondenkolonie. Het liefst zou je alle beginzinnen hieronder in Nederlandse vertaling willen weergeven, maar je besluit de IJslandse traditie in ere te houden door je te beperken tot je vier favorieten — je eigen Síðustu Fjórum.

  • ‘Omdat hij al zoveel had verwoest, werd Ragnar Olafsson aangewezen om de Snæfellsjökull het zwijgen op te leggen.’ (Einar Magnusson, 1613)
  • ‘De walvis hing als een donderwolk boven hun roeiboot.’ (Halldór Eiríksson, 1848) | Bedenk hierbij dat Moby Dick van Herman Melville in 1851 verscheen.)
  • ‘Er is een vrouw onder ons!’ (Ingólfur Pétursson, 1805 | Deze uitspraak mondde uit in een heftige discussie en er verschenen in het daaropvolgende jaar een vijftal boeken waarin dichters en schrijvers zich probeerden voor te stellen waar vrouwen over zouden schrijven.)
  • ‘Toen de mannen terugkeerden van de jachtwateren ontdekten zij dat de Verdwaalde Hollander vanuit zijn ziekbed de vrouwen van Reyðarfjörður met handen en voeten had leren liegen.’ (Magnus Hallgrímsson, 1667)

Dat het in je hoofd pikdonker is valt ’s nachts pas op. Je laveert als vleermuis door het huis; wordt er een kruk verschoven, stoot je je, vloek je, of je hoort dat je vader zich stoot en vloekt. Of was je het nou toch zelf?
Je voelt een glas langs je knokkels glijden, je hoort het kantelen en breken. Het heeft geen zin een hand uit te steken naar iets dat zojuist versplinterde, toch doe je het.
‘Mijn vader griste elk glas vlak na de laatste slok van mijn lip om af te wassen.’ Het is niet gelogen, toch had je het niet moeten zeggen. Of had je het juist wel moeten zeggen en zei je het niet?

Het meisje naast je geeft geen antwoord. Je kent haar, maar niet goed. Ze kan doof zijn.
De radio vangt lubberend licht waar de rek uit is. Niemands geheugen, een onophaalbare herinnering met frambozensmaak en de geur van rotjes. ‘Dus zo klinkt verstand waar geen pan omheen zit.’ Je grinnikt.
‘Wat zeg je?’ Het meisje buigt zich naar je toe.
Je zegt: ‘Ik denk steeds dat het toch een feestje is.’
‘Dat komt door het vuurwerk.’
‘Wie steekt dat af?’
Ze weet het niet.
‘Mijn vader hield niet van vuurwerk,’ hoor je jezelf vertellen. ‘Hij was bang dat ik een oog zou verliezen.’
Ze lacht. Dan zegt ze: ‘O ja, gecondoleerd nog.’
Je draait op je stoel van links naar rechts.
Je brein, inert, rolt in je schedel van rechts naar links.
Op de radio blijft het sneeuwen. Je zoekt een stem die je geruststelt – geroezemoes ruik je niet, kleuren versta je niet, dit kom een oog in, dit je oor, hoor je, proef je het verschil? Dat je het gebroken glas niet hoort terugveranderen in een ongebroken glas verbaast je niet: je hebt een vorm want je hebt een duur, je duurt.
Het meisje vraagt: ‘Kan ik iets voor je doen?’
Leg een microscoop op je kruin en je ziet de buitenste duisternis. Loer je door een telescoop, neem je een kijkje in je kop. Je oog snijdt langs een vluchtlijn het krioelen in gelijke stukken. Het kleinste donker hak je nog doormidden.
Je schraapt je keel. ‘Geef me je jas.’
‘Het heeft geen zin om iets kouds in een jas te stoppen.’
‘Een halve jas is ook goed.’
‘Denk aan limonade in een thermoskan.’
Je klappertandt. ‘Wist je dat het in de ruimte naar goedkope kauwgom smaakt?’
‘Kom, we gaan buiten kijken.’ Ze trekt je de straat op.
Je mompelt je door de menigte. Kijk je over je schouder dan schampt je koon langs spanrib, stoplicht, vloeibaar hout.
Je hoort haar zeggen: ‘Ik heb nog precies vijf uur om heel rustig te zijn.’
Samen kijk je naar het vuurwerk.
Je vraagt je af of er ergens in die explosie, per abuis, een mensheidje gedijt, in een picoseconde evoluerend van aap tot geek, met een ander perspectief op de tijd, klem op een schaal waarin de dagen lengte krijgen, een maantje aan hun bloed trekt, vloed en eb.
Hardop zeg je: ‘Denkt een eendagsvlieg: opschieten, ik heb maar een dag?’
‘Geef me je hand, we staan niet goed.’
Vliegt er in die knal een draaiende kloot met daarop een speeddomino van zich te slapen leggende insomniakken, een golf van gestrekte nekken, een canon van gapen, een stroom van vallen en opstaan, van mensjes die met lijm, tape, soldeerbout, lak, hun uit elkaar vallende van zichzelf wegvliegende wereld proberen te vernissen, van pannenkoeken bakkende vaders met hartklachten die zich tegen de klok in beschaven, blauwe maandagen vullen met dertien ambachten, een knallend stuk heelal in rugzak over de schouder geslagen, die wat aan draden hangt naar de poppendokter brengen, uit het ene lijf een lever trekken, rambimmel rabammel rabom, om het in derden te laten slaven, die gat met gat dichten, harten ontfutselen uit afgestorvenen om het in andere rompen te laten pompen, die ranglijsten opstellen van wie wat mist en wie de liefste is, wie de roe krijgt, wie de gard, een mensheidje op de fiets met een leeglepelverbod op zak?
Een flits, een trilling, je hoort een knal, gepruttel. Wat ruik je, zwavel, salpeter? De webbige rookafdruk vervaagt al.
‘O ja, ik ben donor,’ hijgt ze, ‘dat wilde ik nog zeggen.’
Je lacht: ‘Ik bel je als ik een nier nodig heb.’
Wat nadert – alles – nadert rap. Mens dromt. Je zoekt op de tast een horizon, je kent hem van horen zeggen, de verhaallijn waarvan je kantelende randen spot, glimmende leidmotiefjes. De plot ontglipt je – al had je ogen in je ellebogen, oren in elke porie.
Je hebt schaduwen van zwaluwen over de muren zien flitsen, je hebt het gegier gehoord. Misschien een glimp van buurkinderen, die met rooie wangen hun vliegers de lucht ingooien. Later een vader met een steelpan bij een vuurkorf, zijn ogen dichtgeknepen tegen de rook. Straks zul je hem horen mompelen: ‘Verwacht niet dat ze gaar worden.’ En hij zal een wat te dik flensje naar je toe frisbeeën, je zult uit het raam hangen om de flens te vangen, je hoort je moeder: ‘Kiep niet!’ Uit je vuist stuift poedersuiker.
Je betast je achterhoofd, je huid, zeven ruiten tussen buitenste en binnenste baaierd. In een bal te zitten die je niet ziet aankomen: je vader blijft Pas op! roepen.

*

Naast poëzie en beschouwend proza brengt de Revisor ook nieuwe fictie exclusief online. Een kort verhaal in 500 à 1000 woorden, dat vragen we onze schrijvers. Geen column, geen blogpost, geen dagboeknotitie: fictie, op een voor internet geschikte lengte. Laura Broekhuysen publiceerde al proza, poëzie en een feuilleton voor de Revisor.

In De Revisor 2007-4 publiceerde de vorige redactie een verhaal van Gustaaf Peek, nu redacteur van dit tijdschrift. ‘Cocon’ heet het, het verhaal van twee meisjes, het is op derevisor.nl te lezen. In het jubileumjaar 2014 benaderden we auteurs om verhalen uit de Revisor van een vervolg te voorzien. Gilles van der Loo schreef een vervolg op dit verhaal: ‘De oversteek’.

*

Wenda liet de motor lopen. Ze gooide haar telefoon in het vakje naast de asbak en staarde minutenlange seconden naar haar sleutelbos, die onder het contactslot bungelde; naar de kleurige labels en hangers en elastiekjes die er met de jaren aan vast waren gegroeid. Afzettingen, koralen en anemonen die een gezonken ring met schreeuwerig leven hadden bekleed.
Een schaduw viel over het dashboard. Toen Wenda opkeek stond haar dochter naast de wagen, haar hand tot een knuistje geperst. Wenda leunde over de bijrijdersstoel, trok aan de hendel en duwde de deur van zich af. Masha’s gewicht – alles waaruit haar dochter bestond – was niet genoeg om de vering van een tien jaar oude Civic te doen meegeven. Haar rugtas zakte op haar schoot ineen.

‘Als jij dat wilt,’ had Arthur gezegd toen de Civic nieuw was, en hij hun pasgeboren kind in zijn wildbehaarde armen hield, ‘dan wordt het Anna.
‘Nee,’ had ze gezegd.
‘Lief, je hebt alle tijd om erover na te denken.’
Toen pas had Wenda gehuild, en ze vroeg Arthur hun dochter even mee te nemen. Haar kindje, dat zo vredig sliep, mocht niet wakker worden bij het snikken van haar moeder. Wenda zou alles anders doen. En anders begon nu.
Masha van Hees, werd het na drie dagen. Dat hun dochter uiteindelijk Masha Anna van Hees heette, kwam door Arthur.
‘Ik wil niet dat ze zo begint,’ had Wenda gezegd. ‘Met een dode tante in haar naam.’ Ze had hun dochter in haar armen opgestuwd alsof ze haar voor het eerst aan hem liet zien. ‘Ik wil dat ze vrij is.’
Arthurs bruine ogen, waarin – Wenda had er jaren naar gezocht, moest het absoluut zeker weten – niets dan zachtheid te vinden was, liepen over. Hij knikte, en zijn handen trilden toen hij Masha van haar overnam. Samen hadden ze gehuild totdat de zuster binnenkwam en luchtig en respectvol deed wat er gedaan moest worden voordat ze met een knipoog weer vertrok. Het is goed, liet ze merken, haar jas schoon en stijf als gebleekt karton. Het is de gewoonste zaak van de wereld.
Maar dat is het niet, dacht Wenda bij het dichtzuchten van de brede deur. Niet voor mij.
Die middag had Arthur hun dochter aangegeven, en later zou Wenda zich afvragen of hij getwijfeld had toen hij in dat stadhuishokje Anna opschreef. Of hij bereid was geweest de gevolgen te accepteren.
‘Als je van iemand houdt,’ zei hij voordat hij haar het uittreksel liet zien, ‘dan doe je wat goed voor die ander is. En niet wat ze zegt dat ze het liefste wil.’ Hoe had hij kunnen weten dat Wenda vlak na zijn vertrek al van gedachte was veranderd? Dat ze haar zusje er wél bij wilde hebben. En dat ze daarna wéér van gedachte was veranderd. En wéér. En morgen werd Masha tien.
Wenda reed achteruit de weg op en keerde de Civic. De moeder van een klasgenootje – was het Kristel? – kwam aanfietsen en zwaaide.
‘Dikke koe,’ zei Masha, en zwaaide terug.
Wenda trapte hard op de rem; de motor sloeg af en de wagen dobberde als een bootje. Glimlachend reed de fietsmoeder langs, waarbij haar bel langs het raam scheerde. ‘Waarom zeg je zoiets?’
Masha haalde haar schouders op en zakte onderuit. Achter hen begon een andere moeder – in een terreinwagen zo hoog dat Wenda met geen mogelijkheid kon zien wie erin zat, misschien was het wel een vader – te toeteren.
Wenda startte de motor weer en reed de drempels over, haar schouders opgetrokken bij de laatste en hoogste voor de onvermijdelijke klap van uitlaat op straatsteen, en sloeg af. Als Masha zo stil werd, was het beter niet door te vragen. Vanmiddag, als ze thee gedronken hadden – altijd mangothee, altijd met een Nizzakoekje – zou Wenda haar vragen waarom ze zo onaardig deed tegen de moeder van Kristel. Waarom ze het nodig vond iemand te kwetsen.
Ze reden langs de weilanden die achter de hockeyclub lagen, passeerden de gele poort met het clubhuis-op-palen erachter en wachtten bij het stoplicht, dat meer dan vijf minuten lang voorrang verleende aan niemand. Masha draaide aan de zenderzoeker van de radio.
‘Wil je muziek?’ vroeg Wenda, en leunde voorover om de knop in te drukken.
Masha schudde haar hoofd, ze trok een elastiekje uit haar haar en kamde het blond met gekromde vingers. Waar het bijeengebonden was geweest zat nu een watergolf. Een meander, eerder, dacht Wenda. Een bocht in de rivier.
Terwijl haar baby tot een dreumes en daarna een peuter groeide, het vet onder haar huid langzaam in lange spieren veranderde en haar neus steeds smaller werd, was Wenda blijven zoeken, speuren naar tekenen van Anna’s gezicht in Masha’s uithardende trekken.
‘Dat is Arthurs neus,’ had Arthurs moeder gezegd. ‘Indisch. Je blijft het terugzien.’ Wenda was er niet gerust op geweest. Voor het slapengaan, als ze haar dochters haar kamde, tuurde ze in Masha’s pupillen, dieper en verder dan ze ooit in die van Arthur had gestaard om te bepalen of hij te vertrouwen zou blijken, of er geen Jack in hem woonde. Maar Anna was weggebleven.
Arthur was geen Jack en Masha was geen Anna.
Niemand zou niemand uit een raam laten vallen.
Haar kind was vier geworden en daarna vijf. Zes, twee keer zo oud als Anna ooit geworden was. Waarom wist Wenda niet precies, maar morgen zou een nieuwe tijd aanbreken. Morgen zou ze erin geslaagd zijn Masha ondanks de sterke stroming, de roofvissen en het messcherpe koraal veilig aan wal te zetten.
‘Wat denk je dat ik morgen krijg?’ zei Masha toen ze bij de rotonde wachtten. Een vrachtwagenchauffeur had moeite met de draai en reed zich klem. Om vrij te komen moest hij een aantal meter terugsteken, waardoor alle auto’s achter hem dat ook moesten. Vanwaar Wenda zat leek het er even op dat de woensdagochtend achterwaarts zou worden afgespeeld. Voor ze het wist zou ze weer zitten wachten buiten het hek van Masha’s school, haar moeder weer aan de lijn hebben.
‘Ik wilde vragen of je het goed vindt als ik Masha op haar verjaardag bel,’ had Leonne gezegd. ‘Om haar te feliciteren. Ik dacht: ik bel jou eerst even.’ Het was goed dat ze het vroeg, maar Wenda wist niet of ze Leonne veel minder haatte als ze woorden als overleggen en communiceren gebruikte; als ze zo vreselijk haar best deed. ‘Het is aan jou, natuurlijk. Wat jij denkt dat het beste voor Mas is. Ik wil me daar niet mee bemoeien. Hallo? Lieverd? Ben je daar?’
De vrachtwagen was vrijgekomen en kon de bocht nu maken. Na een paar seconden baste het grijze staal van het onderstel langs haar ruit: buizen en drukcilinders en wielenwielenwielen. Wenda deed het raampje dicht om de dieselwalm buiten te houden en dacht aan de blanke longen van haar dochter, aan schoonwitte blaasjes die frisse zuurstof aan haar bloedbaan toevertrouwden.
‘We zullen zien wat je voor je verjaardag krijgt,’ zei ze, en raakte bij het schakelen licht Masha’s knie. Ze dacht aan het IKEA-bed dat in het schuurtje wachtte om door Arthur in elkaar gezet te worden. Vanavond, als Masha sliep, zouden ze samen zijn werkkamer ombouwen tot een echte meidenkamer, met alles erop en eraan. Hun dochter zou naar de bovenverdieping verhuizen en haar nieuwe kamer had een raam, maar dat was oké. Het was tijd. Misschien zou ze op een gegeven moment parachute willen springen, of bergbeklimmer worden.
Hun huis stond op de kop van hun straat. Dat had Wenda er het meest in aangetrokken: als je aan kwam rijden leek het je op te wachten, en de ramen van de eerste verdieping stonden vriendelijk in de gevel. Vanaf morgen zou Masha achter het linker slapen. Ze zou puberposters ophangen, muziek draaien en met de deur slaan als ze ruzie had. Voor je het wist zou ze te lang worden voor haar nieuwe bed, een grotemensenbed krijgen en daarin zoenen met een buurjongen. In dat raam zou ze met vriendinnen haar eerste jointje roken: zachte ellebogen, aangezette wimpers en golvend haar, uitvloeiend over de vensterbank.