Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Oxford Street, de belangrijkste winkelstraat van Londen, is afgezet. Zonder auto’s is er meer ruimte voor winkelende voetgangers. Kleine orkesten spelen kerstliedjes. Het verkeer wordt in een bocht langs de dranghekken geleid, waarachter zo veel mensen lopen dat het lijkt alsof er niets beweegt. De afzetting wordt bewaakt door mannen in fluorescerende hesjes, die joviaal met elkaar lachen.

Ik was te laat voor een afspraak en moest me door de ontspannen winkelende menigte persen, toen ik vanuit de trapingang van een metro een klarinet hoorde. De muzikant was niet te zien. Toch had hij zichzelf en zijn muziek, die zich onder de straat over het plafond van de tunnel verplaatste om rond de schouders van gehaaste mensen neer te dalen, zichtbaar gemaakt.

Een straat is altijd heel veel straten, afhankelijk van het punt waarop je je bevindt. Maar het was in de dubbeldekkerbus dat ik me voor het eerst bewust werd van de lagen boven en onder de grond. Vanaf de bovenste verdieping van de bus trekt een andere stad voorbij. Buitenmuren worden bedekt door schotelantennes en roestige ventilatoren, op platte daken scharrelen kippen onder een hok van gaas. Ik wissel een blik met een man in een kantoor die van z’n bureau opkijkt. Ineens is het mogelijk om in de bouwputten te kijken, die als plotselinge open plekken in een bos, tussen de nauwsluitende gebouwen verschijnen. Nooit zag ik ze, want op de grond neem ik de schuttingen hoger dan mezelf, ongemerkt voor gevels aan.

In Nederland werd ik pas bepaald bij wat er boven of onder me gebeurde als ik een heipaal met geweld de grond in zag slaan. Nooit hoefde ik lang te zoeken naar een plek waar lucht en land elkaar zichtbaar raken. Er is altijd ergens ruimte, waardoor je gemakkelijk een overzichtsopname kan maken.
Hier is dat veel moeilijker. In het labyrint van hoge gebouwen is er altijd iets dat de uitgang blokkeert. Juist omdat alles zo hoog is, wordt de grond veel horizontaler. Elke stap die ik voor- of achteruit doe, is een verplaatsing op een vlakke lijn. Nooit gaat de lijn achteruit, hij stopt hoogstens even als ik ga slapen. De man die tussen de bureaus van z’n collega’s naar de kopieermachine loopt, verplaatst zich op dezelfde lijn, alleen een paar niveaus hoger. Alles is een spel van horizontalen en verticalen, Mondriaan had gelijk, er zijn geen diagonalen.

Vorig jaar was ik op zonvakantie in Portugal. Er waren bijna geen mensen op het kleine strandje, het was een doordeweekse dag. Met mijn oren onder water, lag ik plat op m’n rug in zee. De lucht was egaal blauw, het water lag stil om me heen. Na een tijdje moest ik overeind komen, misselijk omdat ik niet meer wist waar ik in de volgorde was – bodem, lichaam, lucht, water – een stapeling van horizontalen.

Omdat ook een dubbeldekker gaat vervelen, neem ik nu de fiets. Een van de beste ervaringen is het oversteken van de Thames via de Londen Bridge. Met een bocht wordt je vanuit het kluwen gebouwen de brug opgeduwd, waar de overkant zich al onheilspellend aankondigt. Aan beide kanten wordt de horizon herhaald in achter elkaar liggende bruggen. De wind raast over het water en trekt aan mijn fiets. Die paar minuten is het alsof ik even op een bouwterrein mag lopen, waar de zon zonder obstakels inslaat in plaats van voorzichtig door het bladerdak van gebouwen. Maar op een bouwterrein kun je niet blijven, het is een tussenfase. En terwijl de auto’s om de fietsers heen razen en ik mijn blik naar voren gericht probeer te houden, is de brug een vredig interbellum tussen twee stukken stad. Mondriaan had niet helemaal gelijk. Wind is diagonaal.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Een vriendin gaat binnenkort trouwen in de kerk een paar straten van haar huis. Omdat ik te vroeg ben voor ons etentje, ga ik met haar en haar verloofde mee naar een afspraak met de vicar, de predikant, die naast de kerk woont. We steken het aangrenzende plein over. De kerk houdt zich gedeisd in het donker als een uil op een tak die roerloos zijn prooi volgt. De vicar blijkt een tengere vrouw van een jaar of vijftig met pretogen boven haar witte boord. In een bak licht staat ze in de deuropening omringd door kerstkransen, stapels papier en rommeltjes op de grond. Ze laat ons hartelijk binnen. Het is er warm en gezellig. Als ze op een kruk bij de geïmproviseerde kring komt zitten, schuift de split van haar rok omhoog tot ver over haar knie. Mijn vriendin en ik kijken elkaar in een reflex aan. Terwijl de vrouw doorpraat over formaliteiten rond de dienst, trekken haar handen de rok strak. Aan het eind van het gesprek vraagt ze of ik zondag meekom naar de dienst. ‘Het is een hele lieve groep mensen en het zal goed zijn voor je Engels,’ moedigt ze me aan. Ik kom in de verleiding, maar weet ook dat ik niet zal gaan.

Los van een paar stilzwijgende categorieën, — de afgestudeerde, de immigrant, de twintiger — hoor ik hier nog bijna nergens toe. Ik kan zelf m’n groepen kiezen. In een stad als deze, waar iedere dag een wisselende stroom mensen voor de deur langs loopt, lijkt die keuze belangrijker dan op een plek waar je je buren kent en kinderen vanzelfsprekend naar dezelfde basisschool brengt. Studentenfeestjes, de trombosevereniging, de stadstuinvrijwilligers en het hardrockforum, ineens begrijp ik het bestaan ervan. Een groep is je ruggengraat, die je het idee geeft dat je ‘s avonds niet alleen bent als je de deur van het slot draait.

Het ontvangen van de bibliotheekpas was mijn inauguratie in het groepsleven. Nadat de medewerker een verdraaide foto van me had gemaakt met een goedkope webcam, schoof hij het pasje over de desk naar me toe. ‘Welcome, you are now a member of the British Library,’ zei hij zonder intonatie. Ik was ontroerd, maar hij zag het gelukkig niet. Zijn hoofd was alweer naar het beeldscherm gedraaid. Hij zou het die dag nog heel vaak zeggen.

Tegenover metrostation New Cross Gate ligt een pub, waar hoog op de gevel in rode neonletters take courage staat. Elke keer als ik de metro uitstap, kruisen die twee woorden m’n blik. Ze hangen als een titel boven de straat.

Ik heb een baantje dus ik ben deel van de groep die ’s ochtends ergens heen gaat en ik heb mijn bibliotheeklidmaatschap, maar take couragewas de eerste groep waar ik bij hoorde. Het is een stille groep, zo toegankelijk dat iedereen die er z’n oog op laat vallen, er automatisch toe behoort.

Ik verbond de neonletters eerst met de kunstacademie die om de hoek van het station ligt. Ik vond het een mooi kunstwerk, dat een mengsel van aanmoediging en geruststelling teweegbracht. Maar courage blijkt een biermerk, door Heineken beheerd. De twee woorden zijn een reclameslogan die rond de jaren vijftig met blauwe stenen in de gevels van de pubs werd gemetseld. De rode neonletters zijn een moderne vertaling hiervan.

In mijn winkelcentrum bidt elke zaterdagochtend voor openingstijd een groep jongeren hardop in een kring voor de pui van de McDonald’s. Ze houden elkaars handen vast en hebben hun ogen dicht. Een paar minuten lang bestaat de buitenwereld niet. Wat straten verderop bouwt op hetzelfde moment de biologische markt z’n kramen op. Twee meisjes met opgerolde yogamatjes op hun rug haasten zich langs de eerste bezoekers terwijl op station New Cross Gate elke vijf minuten een aantal mensen aankomt, waarvan er een of twee, hun blik gebonden aan take courage, wat langer op het platform blijven staan.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Veel mensen hebben hier van de nacht hun dag gemaakt. De grootste supermarkt bij mij in de buurt, TESCO, is 24 uur per dag open. Ik vond dat eerst vooral overbodig, maar nu is er een vreemd soort geruststelling geslopen in het idee dat er achter het kruispunt, achter de huizenrij, een plek altijd toegankelijk is. Als ik er ’s avonds laat heen loop, ligt het uitgestrekte parkeerterrein er verlaten bij. De lantaarnpalen staan opgesteld als stadionlampen die het veld blijven belichten na een wedstrijd, terwijl het geluid van het gonzende publiek nog om de lege tribunes hangt. In grote rode letters gloeit TESCO boven de hallen, het TL-licht knalt uit de ingang, de portier stapelt er mandjes.

Een tijdje reisde ik met de nachtbus naar Parijs. Na het gekeer en gedraai in de stad, kwam de bus op de snelweg. De chauffeur deed vanaf zijn dashboard de lichten boven de stoelen uit. Hij kon het gaspedaal ingedrukt houden. Met het stabiele geronk van de motor op de achtergrond viel ik in een lichte slaap, om in een donkere bus op te lossen in de nacht.

Omdat de sterrenhemel hier slecht te zien is, wordt er een gemaakt. In kantoren die na sluitingstijd tegen het donker afsteken, wisselen verlichte kamers elkaar af met donkere vlakken. Hoe verder het gebouw naar achter staat, hoe vager de lichtpuntjes. Neonlichten knipperen om de aankondigingen van de grote theaters. Reusachtige zoeklichten tasten gebouwen af, glijden over gevels de nacht in, tot ze weer een nieuwe muur raken.

Volgende zomer worden de Olympische Spelen hier gehouden. Op verschillende plekken in de stad worden kraters geslagen om een stadion of zwembad te bouwen. In de buurtkrant zag ik een foto van een jong meisje dat een stuk karton omhoog hield. ‘With the new stadium,’ had ze er met grote letters opgeschreven ‘we don’t need to switch on the kitchen lights anymore’.

Eerst rekende ik de opheffing tussen dag en nacht tot het talent van de mens natuurwetten in te metselen in onze eigen constructies. Een brug door een gebergte en een tunnel onder water, een dag midden in de nacht. Maar steeds meer bezie ik al dat licht, als een bevestiging ván die nacht. Er is niets gewonnen, elke avond weer zetten mensen zich schrap. Donkere gaten worden vermeden. Een bulk licht wordt uit een emmer omhoog gesmeten.

Van de nachtbus was het vervelendste moment de verplichte pauze. Door de lichte slaap heen, hoorde ik het geluid van de motor zakken, de chauffeur had zijn voet van het gaspedaal gehaald. Een bocht werd ingezet, de afrit die leidde naar het wegrestaurant.  Met de andere passagiers strompelde ik in de richting van het restaurant, geïrriteerd omdat we uit de nacht waren gehaald, de nieuw gemaakte dag in.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor de Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Vorige week moest ik met mijn oppaskinderen naar Mini-Mozart klas. Het is een tweeling van anderhalf jaar. Elke ochtend gaan ze naar een andere activiteit. Mini-Mozart vindt plaats in een gebouw een paar straten verder op, The Young Actors Theatre.

In een volwaardige theaterzaal zit ik met mijn tweeling tussen acht moeders met peuters in een halve cirkel op de grond. Achter een piano ordent een man zijn bladmuziek, een meisje van mijn leeftijd pakt een hoorn uit haar tas. De laatste moeder sluit de deuren, het straatgeluid valt weg. Naast mij geeft een vrouw haar baby borstvoeding, terwijl haar oudste steeds probeert op te staan en weer terugvalt in haar schoot. Andere kinderen rennen rondjes over de zwarte vloer. Als het meisje nadert met een hoorn, zetten m’n oppaskinderen een paar stappen naar achter. Zware, langgerekte tonen blijven hangen in de ruimte. Het meisje heeft haar ogen gesloten, bedeesd drukt ze de knoppen in, de peuters gapen haar aan. Ik voel mijn gewicht naar de grond zakken. Het is een volmaakte hypnose, de stad valt weg, er is alleen nog deze ingedamde plaats.

‘Lovely!’ zegt het meisje enthousiast als ze de hoorn van haar lippen haalt. “So this was a Puccini, now we’ll continue with Bach’. Achter de piano begint de man een friemelige melodie te spelen. Alle peuters staan op, het meisje begint met een stralend gezicht in haar handen te klappen. De peuters doen haar gebaren na, stampen en hupsen om hun moeders heen, laten zich gewillig op hun luiers vallen. ‘’Yes, the mothers too! Lovely, participate!’   

De aanwezigheid van het straatgeluid in mijn kamer heeft door het enkelglas dezelfde sterkte als het gezoem van de koelkast. Alleen sirenes steken erboven uit. Engelse sirenes zijn verontrustend. Een korte opzwepende toon (o-wie o-wie o-wie) wisselt af met lange schrille uithalen die aan het eind met een slinger omhoog zwiepen, waarna een happende pacman wordt afgevuurd. Het geheel wordt steeds onderbroken door een lage, pukkelige toon zoals deze in een quiz bij een fout antwoord klinkt. Geen wonder dat alles op z’n plaats schudt als een ambulance voorbij gaat, de straat in een stuiptrekking achterlatend.

Als ik met de tweeling na Mini-Mozart thuis kom, wijst het meisje op de afstandsbediening van de stereo. Met Chopin op de achtergrond delen we een peer. Ik vraag me af of het een harnas is, waarmee deze ouders hun kinderen willen aankleden en of mijn bovenbuurvrouw haar muziek zo hard aanzet om haar kamer geluidsdicht te maken. Misschien moeten de sirenes met Bach worden vervangen, het zou de criminaliteit positief kunnen beïnvloeden, maar ik betwijfel of dat niet de betutteling zou betekenen van de realiteit. Ook vraag ik me af hoe effectief mijn oordopjes zijn als ik met half succes het buitengeluid vervlak, maar m’n speeksel verdubbeld hard hoor slikken, mijn gedachten hoor touwtrekken in m’n hoofd.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Empires were never built on muesli bars staat op een billboard dat ik tegenkom op weg naar de bibliotheek. Het is een reclame voor een pakje boter. Achter de grote letters is een bord geroosterd brood te zien en een ei dat net door een zwevende hand is opengeslagen. Het eigeel druipt naar beneden, vloeibaar goud, een associatie die stilletjes wordt aangewakkerd door de ring aan de zwevende hand.

Ik heb al een paar weken geen internet dus ben ik aangewezen op bibliotheken en internetcafés. ’s Avonds  zit ik tussen blauwe feestverlichting, plakkerige muizen en opengescheurde stoelbekleding. Om me heen praten mensen in allerlei talen door hun headsets. Een man dramt om nog vijf extra minuten bij de eigenaar. Als ik over mijn computer, over de andere computers naar buiten kijk, wordt het gezicht van een langslopende vrouw belicht door haar telefoon.

Op het plein van de British Library, een verzameling aanmerende terrassen, zit een enorme bronzen man voorovergebogen op een sokkel. Hij heeft een passer in zijn hand, zijn blik is er magnetisch mee verbonden. De man is Isaac Newton. Ik herken het standbeeld van een print van William Blake, waarop Newton in dubbelgeklapte houding op een rots zit, verdiept in de geometrische vorm die hij getekent heeft. Achter zijn rug verwijst de veelkleurig begroeide rots naar de schoonheid van de natuur, waarvoor Newton — in de ban van zijn verklaringen en formules — zich afsluit.

Als ik in de leeszaal tussen de rijen geschakelde bureaus loop, denk ik nog over het beeld na. Dit was waarschijnlijk de laatste plek waar Blake zijn Newton had neergezet. Newton schrijft op een doek, dat rechtstreeks vanuit zijn hoofd op de grond valt. Ik mag alleen papier, een potlood en een laptop in een doorzichtige plastic tas op mijn lichaam dragen. Om me heen is het doodstil, mijn schoenen ploffen op het tapijt. Elke zitplaats heeft een nummer en een eigen stopcontact. Mensen zijn verdiept in boeken of in hun handen op het toetsenbord. Iedereen is bezig met het in kaart brengen van een stukje wereld of met het ontdekken van nieuwe verbanden erin, de passer en het doek vervangen voor een laptop.

En waar keert Newton op het plein van de bibliotheek zijn rug naar toe? Naar Euston Road, een groot verkeersplein waar ongeduldige auto’s over stukjes stoepranden schuiven om bij het volgende stoplicht weer te stollen. Op een rare manier houd ik van deze plek, omdat ik het idee heb deel te nemen aan een groot krachtenspel, waarin twee pijlen mijn voeten op de grond houden. Bussen dragen al het gewicht op hun linkerwielen, gebouwen hellen over als ik naar ze op kijk, het wegdek is dak en drager tegelijk. Het verkeersplein is het lange-afstands gevolg van Newtons gedachtegoed, en Blake’s protesterende onderbuik.

Als ik een pauze neem in de zon op een van de terrastrappen voor de bibliotheek, leest de man naast mij op z’n iPad de krant. Met zijn duim en wijsvinger bekijkt hij de foto’s van dichtbij. Achter het hek rommelt geruststellend Euston Road. Een groot gebouw staat er in steigers en blauwe netten verpakt. Op een billboard wordt het bouwbedrijf vermeld: Romulus Construction Works.