Nicolien Mizee, Anneleen van Offel: de redactie las deze week de lichte, scherpe faxen van een vakvrouw en een erg sterk debuut.

*

Jan van Mersbergen: Anneleen van Offel, Hier is alles veilig

Ik voorspel dat in veel recensies over van Hier is alles veilig, van de Vlaamse Anneleen van Offel, terug zal komen: ‘Schitterend van taal.’
Dat klopt en is heel mooi, maar tegelijk is het een leeg oordeel dat niet meer zegt over het proza dan: het is mooi. Mooi van taal. Dat is een kwalificatie, maar evengoed kan een ander zeggen: ‘Dit is niet mooi van taal.’
In recensies, die tegenwoordig vaak maar 300 woorden beslaan, zal zo’n leeg zinnetje niet misstaan, als aanvulling op deze voorspelling wil ik graag laten zien waarin de schoonheid van dit proza schuilt, wat er gebeurt met de lezer, meteen op de tweede pagina:

‘De schemer verzacht de contouren van het bed, van het roltafeltje ernaast en het boek op het tafelblad. Hij vaagt de vlekken in de vloertegels weg, het stof op de vensterbank, de afbladderende verf op het houten kozijnen, de weerschijn op de ramen. Daarachter zakt Haifa weg in de avond.
Ik neem een foto van hem. De flits gaat per ongeluk af. Uitgelicht ligt hij op het bed. In de kamer hiernaast begint het te stortregenen. Iemand roept iets, het klinkt als in een badkamer, iemand anders antwoordt. Gelach.’

We zijn in een ziekenhuis, en geen florissant ziekenhuis. Precies het ziekenhuis dat ik me voorstel bij een ziekenhuis in Haifa. Bij heel Haifa, dat ligt in Israël. Iedere zin heeft handeling. De zon gaat niet onder, Haifa zakt weg in de avond. Mooie omkering. Bijna zintuiglijk hoe die kamer beschreven wordt. Het woordje ‘ziekenhuis’ staat nergens, maar ik voel: ziekenhuis. Bijzonder. Een gebouw voelen zonder dat te benoemen, alleen details oprakelen. Een roltafeltje met een boek, dat is een ziekenhuis. De geluiden vanuit een andere kamer, misschien in een andere taal, onpersoonlijk, behalve het gelach. Een foto nemen is opeens heel persoonlijk, en dan een flits, per ongeluk.
Er gebeurt veel. Mijn leestempo moet omlaag, want ik moet al deze beelden zien te plaatsen, zien te linken met mijn eigen beelden, van ziekenhuizen die ik helaas maar al te goed ken, maar nu in een land ver weg. Een eng en afstandelijk politiek gekleurd land waar wel veel over bekend is, maar niet hoe de ziekenhuizen daar zijn. Daar zijn ook die roltafeltjes. Net als hier dus. Overal zijn mensen ziek, overal liggen overleden mensen in ziekenhuisbedjes, maar voor hoe lang?
Van Offel schudt de beelden uit haar pen. Achter elkaar, in zinnen die verband hebben, die in elkaar grijpen als stenen in visgraat.
‘In de kamer hiernaast begint het te stortregenen.’ Ik denk: er begint iemand te huilen, maar ik weet niet zeker of dat klopt. Dus ik lees verder op zoek naar de bevestiging van mijn waarheid, en die komt niet. Ik moet het als lezer doen met de beelden die in mijn hoofd allerlei wendingen nemen, vervormen, in de hoop ergens weer bij elkaar te komen.
Dit is niet alleen schitterend van taal, dit is proza dat erg beeldend is, spannend, weinig duiding geeft en toch je zin na zin voortstuwt het verhaal door, want er is ook een locatie en af en toe handeling, net voldoende, dus die beelden komen uiteindelijk wel ergens binnen, in mijn hoofd.
Meteen na deze passage een witregel, en dan een zin waarin het licht niet aangaat, maar ‘De tl-lampen schieten bliksemend aan.’
Wat mooi, het aanflikkeren van een tl-buis als de bliksem. Ik knik. Ja.
En dan een verpleegster, het verhaal wordt weer persoonlijk.
Zo lees ik Hier is alles veilig. Iedere zin brengt me verder Israël in, dichterbij deze vrouw, Lydia, want haar volgen we op deze trip door het beloofde land: Israël.
Dat is meteen een moeilijk deel van deze roman: de locatie en het immense probleem dat daaraan kleeft.
Jeroen Olyslaegers stelt in een quote op de cover al dat Van Offel ‘met haar zinnen en gedachten door de complexiteit van een conflict snijdt en toont zo wat het betekent om alsnog een mens te blijven’.
Ik weet niet of dit een verwijzing is naar Is dit een mens, van Primo Levi. Ik weet wel dat ik veel weerstand heb tegen dit land, het conflict, beide partijen, de onoplosbaarheid ervan. Wat gaat een roman daaraan toevoegen, of veranderen? Dat laatste zal nooit het doel of streven van een roman zijn, het eerste is gezien de keuze voor deze locatie wel de bedoeling. ‘Van Offel sprak tientallen Israëli’s, soldaten en hun families,’ meldt de achterflap. Waarom zou je dat doen? Sprak ze ook Palestijnen? Waarom zou je al die mensen eigenlijk gaan spreken?
Dat is mijn persoonlijke weerstand. Ik sta zo ver buiten dit conflict dat ieder woord erover me vreemd aandoet. Dus als Van Offel al in het eerste hoofdstukje, dat zo mooi van taal begint, schrijft over de Gazastrook en de woestijn en Hebron, dan blader ik gauw door de zinnen heen op zoek naar de hoofdpersoon die mij misschien enig houvast in dit dorre gebied kan geven. En dan bedoel ik dor in de zin van: zo ver weg dat ik er geen enkele voorstelling bij heb. Ik ga op zoek naar het roltafeltje.
Dat komt snel, een vriendschapsverzoek via facebook van de moeder aan haar overleden zoon na zijn dood, en dat verzoek wordt geaccepteerd. Op zo’n moment vergeet ik Israël en wordt het verhaal universeel menselijk, zoals facebook universeel is en de gebruikers tot elkaar komen, soms zelfs nu de dood.
Wat er, zoals gezegd, daarna gebeurt: de vertelster gaat op pad om het verhaal van haar zoon Immanuel te zoeken, maar ze verschuilt zich soms achter de vreemde gebeurtenissen, personages en locatie van de vertelling.
Ze zegt niet: ‘Ik zocht zijn vriendin op.’
Een vriendin die zij als moeder niet eens kende, dus de vreemde ontmoeting spreekt voor zich. Lydia begint vanuit het niets aan het begin van een hoofdstuk ene Ofra te beschrijven. De woonkamer van Ofra, het licht in die kamer. Foto’s. ‘Ofra omringd door schattige Aziatische kinderen. Ofra op een olifant…’
Ik heb geen idee wie Ofra is. Dat bedoel ik met een verteller die zich verstopt.
Waarom vertelt Lydia niet wat ze gaat doen, maar geeft ze achter elkaar beelden, zelfs van mensen die de lezer niet kent? Dat is iets anders dan een ziekenhuis.
Op die momenten botsen schrijfster Van Offel met de vertelster van haar verhaal. Die laatste is ondergeschikt want Lydia praat in de mooie taal van Van Offel. Terwijl de zoektocht een soort dagboek is, beschrijvingen van de mensen die haar zoon kende. Plaatsen waar hij was.
Ook in dialogen heeft deze Lydia de neiging zich te verstoppen als vertelster.

‘IJs op?’
‘Nee hoor, gaat wel.’

Hier is geen verteller aan het woord die mij direct haar verhaal vertelt, dat is Van Offel die in een uitgebeende show, don’t tell laat zien wat Lydia allemaal meemaakt in dat verre vreemde land waar haar zoon omgekomen is.
Het beste is Van Offel op dreef als ze Lydia werkelijk aan het woord laat en haar de tijd geeft voor een beschouwing of analyse, want dat heeft een vertelster die op reis is. Alle tijd om na te denken. Als ze bijvoorbeeld een truc benoemt die haar uit haar lichaam doet stappen, iets wat soms werkte, en daarbij het bewustzijn: ‘Het was maar een trucje en het trucje is uitgewerkt.’ Dat is een mooie analyse. Bewust, vanuit zichzelf, relativerend.
Tijdens het lezen moest ik denken aan de toneelschool. Mijn ex bracht daar een jaartje door. Achttien of negentien jarige meisjes moesten Medea spelen, een vrouw die haar twee kinderen heeft verloren. Dat spelen is voor een meisje van die leeftijd erg moeilijk, want ze delen die ervaring niet.
Nu hoef je niet alles wat je in kunst omzet zelf meegemaakt te hebben, het is wel handig de lading van de gebeurtenis om te kunnen zetten in beelden die bij de toehoorder of lezer aan kunnen komen.
Actrices kunnen geen gebruik maken van de beeldende kracht van woorden waar Anneleen van Offel wel gebruik van maakt. In die zin voelt dit boek dubbel: een debutante die zich opscheept met de enorme lading van dit personage, dat is al gauw hoog gegrepen en tegelijk bewonderenswaardig, want Van Offel verschuilt zich wat dat betreft niet.
Lydia worstelt met de Pools-Joodse achtergrond van haar man, de vader van Immanuel, en met de mensen in Israël. Dat zit in kleine dingen: met Joodse kinderen in een speeltuin kun je maar beter niet spelen, ‘dat hebben ze niet graag’. Die afstand is voelbaar, een afstand die iedereen buiten Israël zal herkennen en voelen. Als Van Offel dat haar vertelster laat benoemen kom ik juist dichter bij die vrouw. Dan begrijp ik haar, en indirect begrijp ik Van Offel.
In een begeleidend mailtje dat ik kreeg over dit boek, van de uitgeverij, stond: ‘Een debuut dat zich afspeelt in Israël en dat níet over haarzelf gaat.’
Die nadruk op ‘níet’ geeft houvast en vertelt me het voornemen van de schrijfster om juist die afstand te gebruiken.
Na een bladzijde of vijftig schrijft Van Offel: ‘En zo verdwijnt hij weer in een leven waar ik niet bij kan.’
Dat is het leed van de vertelster, hoofdpersoon, moeder, maar ook de moeilijkheid van de roman, want de lezer krijgt het gevoel dat de tocht door Israël zinloos is: deze vrouw kan daar nooit dichtbij komen.
Lydia aan het bed bij haar overleden zoon was prachtig, schrijnend en aandoenlijk, als Lydia op onderzoek uit gaat komt er een component bij: de wens van de lezer om haar aan dat bed te houden en vanuit gedachten te vertellen.
De vertelster, en dat is misschien wel het lastigste van de romanopzet, heeft haar zoon verloren en komt om in haar verdriet. Tegelijk vertelt ze. Van Offel laat Lydia verzinken in haar leed, natuurlijk, de vrouw heeft geen andere optie, maar wil de lezer ook daarin verzinken? Ik lees en wil het verdriet voelen. Dat kan aan de hand van de beelden, zoals die in het ziekenhuis in Haifa. Een derde persoonsverteller met meer afstand tot het leed kan die beelden misschien beter oproepen dan de vrouw die het leed zelf draagt.
Dat gevoel bekroop me steeds tijdens het lezen, en ik denk dat Van Offel daar zeker over nagedacht heeft en voor deze vertelster heeft gekozen omdat de derde persoon ook zijn nadelen heeft. In ieder geval miste ik soms die beeldende afstandelijke verteller die onzichtbaar is, in tegenstelling tot de hoofdpersoon nu.
‘Kiezels snerpen onder de poten van zijn tuinstoel.’
Zintuiglijk mooi zinnetje – ik hoor het geluid, dat me evengoed door de schrijfster verteld kan worden. Zo’n zin heeft geen ik-verteller nodig.
Dit zijn allemaal kritische punten die alleen bij me opkomen omdat Hier is alles veilig een erg sterk debuut is maar dat door mijn persoonlijke afstand tot de locatie en sommige vertelkeuzes een negen en een half is, en net geen tien. Vergeleken met de boeken die een krappe voldoende scoren, die met stapels tegelijk verschijnen, heeft dit debuut als het over ambitie, techniek, daadkracht en sfeer gaat een enorme voorsprong.
Dus is het uitkijken naar het vervolg van Van Offels schrijverschap, en dat belooft veel moois.

Lebowski gaf Hier is alles veilig uit. Lees op Athenaeum.nl een fragment.

Daan Stoffelsen: Nicolien Mizee, Allesverpletterende

Trilogieën, reeksen in het algemeen, zijn lastig: wat valt er te zeggen over deel 3 als je deel 1 en 2 gemist hebt? Nicolien Mizees faxenboeken zijn stilletjes aan me voorbijgegaan, tót ze tot mijn grote genoegen – en verbazing van anderen – de shortlist van de Bookspot Literatuurprijs behaalde. Sindsdien ben ik fan, en het liefst zou ik dit oeuvre nu gaan teruglezen. (Dat gaat niet, twee dozen juryboeken staren me verwijtend aan vanuit een hoek.) Wat een fijne, lichte toon, een scherpe pen en grote inzichten. Een vakvrouw.

Die faxenboeken, die sinds 2017 bij Van Oorschot verschijnen, laten zien hoe ze die vakvrouw is geworden, ze gaan vooraf aan haar romandebuut. Mizee kreeg les in scenarioschrijven van Ger Beukenkamp, en haar ontzag voor de man ontsteeg de normale omgang. Haar scenarioschrijfgod werd de standaard-geadresseerde van haar faxen: haar platonische ‘allesverpletterende’, ‘mijn speelkwartier van het leven’, die zelden antwoordt maar wel degelijk met haar samenwerkt – althans, dat vermoedt de lezer. Die faxen vormen een dagboek, een aaneenschakeling observaties, anekdotes en analyses, dat in dit derde deel Mizees debuut, Voor God en de Sociale Dienst aankondigt.

Mizee heeft scherpe analyses (‘We rotzooien maar wat aan, we denken rationele beslissingen te nemen maar dat is alleen om onze groeiende onzekerheid en paniek te beheersen. Pas later overzien we wat we gedaan hebben. En dan nóg zullen de meningen daarover verschillen.’), geestige inzichten (‘Wat is het toch eigenaardig dat mannen nooit menstrueren! Zoiets als landen die geen seizoenen kennen, je mist de pieken en de dalen.’ Ook op andere vlakken moest ik aan Daan Borrel denken, zij het wat gedoseerder openhartig), en ze komt naar voren als iemand buiten de orde, die begrijpt waarom:

‘Volstrekt onmachtige mensen. Maar ik voelde me er als kind altijd erg bij op m’n gemak.
En nu, op de begrafenis, zag ik ook waarom.
Omdat ik iets herken: die onmacht om aan enigerlei verwachting te voldoen. Nee, ik zou mijn kind net niet ergens achterlaten, maar ik zou de hele dag moeten vechten tegen de gedachte daaraan – die mij dan ook totaal niet vreemd voorkomt. Voor mij is het onbegrijpelijk dat iemand die permanente zorg aan zou kunnen. Ik ben bang voor alle mensen, omdat ze zoveel kunnen.’

Zeer menselijk dit, maar de Nicolien uit deze faxen is consequent menselijk, en kan niet anders dan strijden tegen de maatschappelijke verwachtingen. Maakt dat haar gek? Onaangepast wellicht, en arbeidsongeschikt blijkbaar. Die ongeschiktheid is een achtergrond bij haar verhalen, maar ze kan liefhebben, vriendschappen onderhouden, haar nichtjes bemoederen, haar ouders afweren, oordelen over theater en tv-drama – en schrijven. En dat doet ze heel precies. Ze overdrijft met smaak en mate:

‘Met groot ontzag bezie ik hoe je er telkens opnieuw in slaagt me die kopieën niet te sturen. ’t Is duidelijk: de enige oplossing is bij je aan te bellen, je een kaakslag te verkopen, naar boven te rennen, ze van je bureau te ratsen en dan door het raam te ontsnappen terwijl jij op de achtergrond roept: “Hier komen! Mag niet! Van mij!”
Duizend kussen, zie je morgen, verheug me zeer.’

De overdrijving klopt precies. Groot ontzag, een kaakslag, uitroeptekens, maar de scène gaat niet buiten de kaders van een stripgrapje.

Ik heb me zeer vermaakt met dit slotdeel van de Faxen aan Ger, met die aantekening dat het ongemak dat brievenboeken brengen (je krijgt vaak de tegenbrieven niet te lezen) versterkt wordt door de vervreemding dat al deze personages nog onbekenden zijn. Mijn advies aan de lezer zou dus mijn eigen voornemen zijn: begin bij het begin, want dit oeuvre is de moeite waard.

Van Oorschot gaf Allesverpletterende uit. Op Athenaeum.nl is een fragment te lezen.

Alex Boogers, twee tweets over de Libris Literatuurprijslonglist: de redactie zocht dromen, afkomst, zonen, schrijven en Bruces, en legde een identiteitslijstje op de longlist van de Libris Literatuurprijs.

*

Jan van Mersbergen: Alex Boogers, De zonen van Bruce Lee

Bij de boekpresentatie van De zonen van Bruce Lee van Alex Boogers sprak ik een paar woorden:

Ik las De zonen van Bruce Lee nog niet helemaal uit. Geeft niet. Bij Alex weet je: ze gaan op een gegeven moment kickboxen.
Ik zocht vooral overeenkomsten. Als schrijver zoek ik overeenkomsten, zeker met een schrijver met wie ik me verwant voel, zoals Alex Boogers.
Ik vond er zes:

  • Droom
  • Afkomst
  • Zoon
  • Schrijven
  • Bruce

In willekeurige volgorde ga ik ze langs.
Bruce. We hebben allebei bewondering voor een Bruce. Alex voor de vechter Bruce Lee, ik voor de verteller Bruce Springsteen.
Frans Pollux vertaalde Born to Run. Een stukje daaruit:

We renne weg van ut bestaon
Dus doot dien auge toe,
en druim um d’r vandoor te gaon!

Er vandoor gaan. Ontsnappen. Vastzitten en toch willen ontsnappen. Daarmee heb ik meteen het schrijven en de droom te pakken. ik weet zeker dat jij, Alex, heel vaak je ogen dicht hebt gedaan en gedroomd hebt van net even iets anders dan waar je in zat.

‘Elke week werd ik door een oom of een tante wel uitgemaakt voor een werkeloze, een lui varken, een dwaas, of een raar ventje, ook al kon ik na de brugklas naar de havo. Ik zou nooit de dokter, nooit de advocaat, nooit een Belangrijke Meneer worden. Ik kon dat soort waanideeën maar beter uit mijn hoofd zetten. Ik wist nooit goed wat ik erop moest zeggen, want ik koesterde zulke dromen niet, maar ook dat zei ik maar niet. Ik wist dat ze dan zouden willen weten wat ik later dacht te worden, en daar durfde ik mij niet over uit te laten.
Ik heb nooit echt nagedacht over wat ik wilde worden. Ik wist wie ik wilde worden…’

En daar is-ie weer: Bruce.

‘Ik wist wie ik wilde worden toen ik Bruce Lee zag. Ik wilde worden zoals hij. Natuurlijk imiteerde ik hem, maar het ging me niet alleen om wie hij was, maar ook om wat hij deed. Hij kon vechten en pikte van niemand iets. Hij geloofde in wat hij deed, en hij liet zich niet van de wijs brengen. Ik wist dat ik het op zo’n manier moest aanpakken, maar ik wist ook dat ik het daar met niemand over kon hebben, en al helemaal niet met mijn familie.’

Je hoeft niks speciaals te dromen, je afkomst houdt je wel op je plek.
Dat wil je niet doorgeven. Dat brengt me bij de zoon. Als jij tekeningen op Facebook post van je zoon Kai dan voel ik in alles: Alex wil die jongen de kans geven zich te ontwikkelen, zichzelf te zijn, niets zal hem tegenhouden, en zeker ikzelf niet.
Dat hebben wij ook gemeen. Afkomstig uit families waar het niet normaal is te schrijven, bij uitgeverijen naar binnen te lopen, aan tafel te zitten in een tv-studio, mee te praten over Belangrijke Zaken, collega te zijn van Echte Schrijvers.
Het is nu eenmaal zo. Ik laat alleen mijn kinderen denken dat dit wel normaal is.

In De zonen van Bruce Lee schrijft Alex verder: ‘Er was geen kwade opzet in het spel…’
Dat klopt. Het is verwrongen liefde, en aan jou zie ik liefde voor je zoon.

Bruce zong, Frans Pollux vertaalde Born to run, en dat past bij jou en jouw Bruce.
Dit is dialect, je moet alleen weten dat luimen slapen is.

De tunnels toé en alle helden die gevluch zien zitte vas
Ut is of idderein juus vannach vertrok en noow neet door die tunnels pas
Weej blieven achter met un bed vol druime
Al kin ik vannach neet luime
Ik druim door.

Ik ben heel blij dat dit boek er is. Het laat zien dat Alex Boogers verder droomt.

Inside gaf De zonen van Bruce Lee uit.

Daan Stoffelsen: een tweet van Ger Groot

Dit is een onmogelijke fase: ik lees een handvol boeken tegelijk. Ik lees Mizee, Heerma van Voss en Grunberg (op de Grunberg-app, met Canto Ostinato op de achtergrond) door elkaar en dan ligt er ook nog een mooi boek over zwemmen van een Brit, Charles Sprawson, en af en toe lees ik over een vergeten voetballer van Frank Heinen. Maar ook een uitstekend antwoord op de vraag Wat lezen jullie zoal, is: Twitter.

Toen ik namens Athenaeum – zo onafhankelijk dat we zelfs geen Librisboekhandel zijn – twitterde over de Libris Literatuurprijs, tekende ik enthousiast aan dat de helft van de genomineerden vrouw was. Het leverde me twee geërgerde reacties op. Eén was dat we daarmee suggereerden dat er niet zuiver op literaire kwaliteit geselecteerd zou zijn, en daarmee de genomineerden onrecht deden.

Ik ging er al voor mijn bestaan als jurylid vanuit dat longlists niet alleen uit winnaars bestaan. Het is niet voor niets dat zulke lijsten, die vaak tussen de 15 en 25 titels bevatten (ik heb het hier niet over de Dublin Literary Award, op hun longlist staan al snel 150 titels), in het verleden ook wel ‘tiplijst’ werden genoemd: behalve de echte kanshebbers staan er boeken op die bijna net zo goed zijn, maar toch mooi genoeg zijn om aan te raden. De jury tipt.

(Tussen haakjes: de vraag is natuurlijk of een shortlist dan wel altijd alleen maar absolute kanshebbers bevat, en zelfs of er elk jaar een absolute winnaar is – de oefening om van elk van de afgelopen twintig jaar het beste boek te noemen of überhaupt een goed boek, een variant op de vraag van De Groene Amsterdammer, is een frustrerende, kan ik je zeggen. Maar dat terzijde.)

Nu wil het geval, ik ben nog steeds bij tweet één, dat de literaire productie in Nederland eigenaardig genoeg voor eenderde door vrouwen, en tweederde door mannen wordt geschreven. Dat is iets verschoven, als je de groslijst van de Librisprijs bekijkt; ik kom op 41% vrouw (waarbij de twee duo’s voor de helft meegerekend worden, als je dat voor de longlist doet, kom je op 9,5 vrouw en 8,5 man). Dat is eigenaardig, ook omdat het bij literaire debuten nog fifty-fifty is. Er zijn allerlei verklaringen voor te bedenken, die variëren van de standaardverklaringen voor de relatieve minderheid voltijds werkende vrouwen tot vooringenomenheid bij de gatekeepers: de uitgevers. Of ze zijn bevooroordeeld jegens het andere geslacht. Je kunt je voorstellen dat bepaalde thema’s of motieven – ouderschap, intieme relaties, psychologie – minder interessant zijn voor zulke poortwachters dan andere – leven en dood, vijandschappen, morele kwesties – en dat dat ook voor juryleden geldt. Vaak genoeg immers volgden longlists de eenderde-tweederde verhouding (vorig jaar nog, en de Bookspotjury deed het ook), terwijl je toch mag aannemen dat je zonder piemel ook goede kunst kunt maken. Ik vind dat vanzelfsprekend, althans.

(Je kunt bijvoorbeeld een ijzersterke 50-50-shortlist maken met de romans van Manon Uphoff, Marijke Schermer, Niña Weijers en Oek de Jong, Stephan Enter, Peter Buwalda. Totaal verschillende boeken, maar stuk voor stuk erg goed.)

Deze jury besloot anders dan haar voorgangers, en trakteerde ons op meer tips van vrouwelijke auteurs. Of kanshebbers!

Veel interessanter vond ik de reactie van Ger Groot, criticus, columnist, schrijver, filosoof.

Daarmee stelt hij deze verdeling – die inderdaad eigenlijk doodnormaal is en niets zegt over de inhoud of kwaliteit van de boeken – gelijk aan allerlei identiteitspolitieke versnipperingen. Maar interessanter dan de schrijvers zijn de boeken, en misschien valt met dit lijstje iets te zeggen over de Nederlandse literatuur nu. Er zitten boeken namelijk tussen die inderdaad dat soort scheidingslijnen onderzoeken. LGBTIQ+ bijvoorbeeld: Niña Weijers en Saskia de Coster schreven elk een roman waarin (onder veel andere zaken) lesbische liefde naast heteroseksuele, en het vrije leven naast het ouderschap staat. Op literaire wijze onderzoeken zij de grenzen en overeenkomsten in gender en seksuele voorkeur. Dat is interessant en relevant – en goed gedaan. In de T is voorzien door debutant Thomas van der Meer, met een zachte, soepele roman over een jonge vrouw die een man wordt.

‘De huisarts had er net zoveel zin in als ik. “Zullen we dan maar?”
[…]
Dit was het begin, het lentepunt. De zon kruiste de evenaar van mijn wereld, hierna werden de dagen langer.
De huisarts drukte de spuit leeg in mijn been. “Nu gaan we het beleven,” zei hij.’

Soepele dialogen, niet te veel pogingen tot literair doen (maar dat lentepunt is mooi), ietwat groteske kantoorscènes en een chronologisch verhaal, heel overzichtelijk. Je vermoedt enige autobiografie (de hoofdpersoon gaat Thomas heten), en je denkt dat het boek geslaagd is in zijn doel: subtiel een duidelijk beeld te geven van een transitie vanbinnenuit. Welkom in de club zou het begin van een oeuvre kunnen worden, een mooie tip. Ja, er zijn in deze rubriek genoeg spannender, interessantere, diepgravender romans van mannen langsgekomen – en de geweldige Nicolien Mizee, van wie met Herman Brusselmans als enige twee boeken werden ingezonden, ontbreekt ook. Dat is zonde, maar elke jury maakt goddank zijn eigen afwegingen.

Identiteiten, ik kan er een lijstje van maken: Stephan Enter over gelovigen, Sander Kollaard over ouderen, Wessel te Gussinklo over een naoorlogse jongere, Ronald Giphart over jongeren (die ouder worden) en Niña Weijers over vroeg-dertigers, Hanna Bervoets over zieken, Elvis Peeters en Oek de Jong over de niet-randstedeling? Ik kan wijzen op de Surinaamse roman van Astrid Roemer en de Nederlands-Indische van Dido Michielsen. En ik kan vaststellen dat de boeken van Buwalda en De Jong zich niet aan Groots lijstje lijken te houden, en dat Uphoffs roman de schema’s overstijgt. Althans, tenzij je de verborgen aanname bij zulke identiteitslijstjes expliciteert: die mensen voelen zich een minderheid, slachtoffers. Uphoffs roman onderstreept dat je slachtoffer én overlever kan zijn, haar boek is een veelzijdige triomf.

Vrouwen, Vlamingen, debutanten: dat zegt weinig over de inhoud of de stijl of de kwaliteit. Eigenlijk zou je, heel merlynistisch, moeten stellen: dat geldt ook voor die andere categorieën auteurs. Maar als je de rest van Groots snipperlijstje samenneemt voor hun personages – en niet zelden lijken die op hun auteurs -, kun je wel vaststellen dat de Nederlandse literatuur breder is geworden, diverser. Ik zou hier graag de longlist van de eerste Librisprijs uit 1994 naast leggen, maar behalve dat ik die zeker niet allemaal gelezen heb, vind ik die nergens. Dus je moet het met mijn aanname doen dat het vroeger alleen maar over jeugd, geloof en Nederlands-Indië ging.

Oh en liefde en seks – en dat is niet veranderd. Literatuur blijft over intimiteit gaan – hoe oud of jong, vrij of zuur je ook bent.

Daan Borrel, Carlo Groot: de redactie las deze week een charmant, rafelig boek over intimiteit en relaties en een verhaal dat iedere lezer stil maakt.

*

Daan Stoffelsen: Daan Borrel, Jaar van het nieuwe verhaal

Het voelt wat als mosterd na de maaltijd, om dit stukje te schrijven ná Athenaeum vs. De Revisor: Daan Borrel vs. Thomas Heerma van Voss, maar het is zonde om niet te schrijven over dit frisse, openhartige boek. Kort het uitgangspunt: Borrel schrijft over het jaar ná de breuk met de Ex waarin ze aan zelfonderzoek deed, zich vragen stelde over liefde, vriendschap, seksualiteit en intimiteit, binnen één maand van haar cyclus, en dus zegt ze ook dingen over het vrouwelijk lichaam, energie en emotie, kinderwens en dochterszorgen. En over wat we (wij mannen, zij moeders, wijzelf) allemaal verwachten van vrouwen. Dat is heel veel, en af en toe mis je focus, denk je: dit dagboekfragment had ook samengevat of: moet dit interview integraal, maar Borrel verbindt haar overwegingen, scènes uit dat ‘tussenjaar’, seksscènes en menstruatietwijfels soepel met elkaar. Eén jaar vertelde tijd, één maand verteltijd, één vrouw, één boek, dat werkt wel.

Ze geeft handreikingen (ja, laten we praten over wat we fijn vinden – in de omgang, het gesprek, de seks, en wat aardig, om de cyclus in vier seizoenen op te delen) en werpt vragen op (wie verwacht dat eigenlijk allemaal van vrouwen? En wat kunnen mannen dan doen? En hebben we wel een verhaal nodig om onze gevoelens te begrijpen). Ze is geestig (de eerste zin van het eerste echte hoofdstuk is: ‘Het is nog geeneens half negen en ik heb nu al zin om iemand neer te knuppelen.’), en verderop, de stemming zit er nog niet helemaal in: ‘Buiten is de lucht al de hele dag blauw. De eenden voor mijn deur schateren hard, ze lachen me uit. Wij zitten buiten, en jij binnen. Sukkel. Je bent zo’n sukkel.’

Ze raakt (denk ik) universele verwachtingspatronen:

‘Mijn hele leven is mij al verteld welk leven ik moet leiden om intimiteit te krijgen: dat van een “goede” vrouw:

  • dienstbaar maar opgewekt,
  • mysterieus maar bereikbaar,
  • bereikbaar maar niet direct,
  • gevoelig maar niet irrationeel of boos,
  • heteroseksueel maar wel in voor een ‘geintje’; onderdanig maar niet té,
  • aantrekkelijk maar niet té,
  • kritisch maar niet té,
  • monogaam en trouw maar niet saai of afgesloten,
  • lichamelijk zolang het begrijpelijk en nuttig lichamelijk is.

Erotisch zolang het íets pornografisch heeft, zichtbaar en uitgesproken maar wel vriendelijk of verontschuldigend. Intiem maar niet met onbekenden of mijzelf. Familiaal maar alleen met de bloedband. Sportief maar niet sterk, passief maar niet lijdzaam. Aanwezig maar niet actief. Ik weet niet wie de samenhang van dit gezapige construct bedacht heeft en waarom de mensen er zoveel baat bij hebben dat ik dit narratief dagelijks naleef, ik weet alleen dat het voor een flinke portie maandelijkse zelfhaat zorgt. En ik wil dat niet meer. Dus volgens mij is het tijd dat ik nu eens flink mag doordouwen. Ik ga graag door de modder voor een nieuw verhaal dat geen zelfhaat meer als consequentie heeft.’

Ze schrijft sexy (‘De gedachte dat alles mogelijk is vandaag, windt me op. Diep in mijn vagina trekt iets om aandacht. Als ik met de vingers van mijn niet-schrijvende hand tegen de zijkant van mijn schaamheuvel aanduw, voel ik daar een hard staafje, mijn ochtenderectie.’) en is dus openhartig, soms op het exhibitionistische af. Dat schrikt misschien af, en dinsdag bleek ook wel dat Borrel zich wel realiseerde dat het wel heel erg over haar ging. Maar we hebben concrete verhalen nodig om het gesprek te voeren, en Daan Borrels verhaal roept ongetwijfeld reacties op. Laten we praten over patronen en verwachtingen, over gevoel en gedachten, en laten we dit charmante, rafelige boek als uitgangspunt nemen.

De Bezige Bij gaf Jaar van het nieuwe verhaal uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment, en ook wat links naar de neerslag van de avond. En er is een podcast gemaakt!

Jan van Mersbergen: Carlo Groot, Izar

‘Het aangrijpende ivf-verhaal van een man die zichzelf nooit als vader zag,’ staat direct onder de titel van het eerste boek van Carlo Groot geschreven: Izar. Dat type genreduiding komt vaker voor en geeft de lezer direct inzicht in wat het boek brengen zal. Dit is geen roman die hogere literatuur wenst te zijn, en soms is het heel fijn een boek in handen te hebben zonder die pretentie. Dit boek is persoonlijk, gaat over de verandering die de hoofdpersoon en schrijver onderging en mikt op het aangrijpende van het verhaal. Helder.
Schrijven over dit boek betekent dus eigenlijk alleen een antwoord zoeken op de vraag: Lukt dit?

Natuurlijk lees ik ieder boek met de wens een sterke dominante verteller te ontmoeten die mij meeneemt in het verhaal, of dat nou de schrijver is die zich onzichtbaar waant of een ik-verteller die midden in het verhaal staat, maar dat zijn literaire kwalificaties waar ik doorgaans erg streng op ben, maar die ik net zo makkelijk kan laten vallen als een boek me bij het oppakken al duidelijk maakt wat er gaat gebeuren. Dit is Carlo’s verhaal, ik wil dat verhaal weten. Lezen dus.
Dat er vervolgens hoofdstukjes terugkomen die in de ik-vorm zijn afgewisseld met hoofdstukjes met dezelfde ik maar dan volledig in dialoog dan voel ik steeds wel het schipperen van de verteller, maar ik voel ook dat Groot al deze middelen inzet om zijn eigen verhaal over te brengen.
In Komt een vrouw bij de dokter gebruikt Kluun allerlei stijlmiddelen om het verhaal van Stijn te vertellen, zelfs kleine inzetjes over de Amsterdamse horeca, straten, hypes. Het werkt, het draagt bij aan de vertelling. Lezers gaan voor de bijl.
Carlo Groot gebruikt ook beelden en verbanden die de lezer moet koppelen. Als Carlo en Lisette in Canada net gehoord hebben dat zij zwanger is – haar wens – varen ze langs…:

‘Op de terugweg varen we langs een zeeleeuwenkolonie, waarvan vooral de ondraaglijke stank indrukwekkend is. Een groot mannetje richt zich op en laat een paar grote littekens op zijn buik zien. Hij opent zijn bek en geeuwt zijn tanden bloot. Een gaap aan het einde van de paartijd.’

Er is voldoende informatie gegeven om die koppeling moeiteloos te maken, maar dat is dan ook de opzet. We gaan richting de ontroering, het ivf-gevecht van een stel dat daar midden in zit. Het woord ‘ondraaglijk’ komt trouwens vaker terug, en liever voel ik dat woord zonder dat het er staat. ‘De stilte was ondraaglijk.’ Ik weet ook dat die duiding hoort bij een ziekenhuis, bij het verhaal van deze twee geliefden, bij hun wens en worsteling. Dat maakt dit woordje effectief. Alleen die stilte, en het boek was een vreemd soort literaire roman geworden. Juist zonder duiding wordt een ander gevoel geraakt.
Wat iedere twijfel wegneemt: Groots directheid en onverbloemdheid:

‘Het is donderdag en het is twee dagen geleden dat Izar is geboren. Wakker worden is zo verschrikkelijk dat ik niet meer wil slapen. Een gevoel dat direct herinnert aan iets minder dan een jaar geleden. Je zou denken dat een dode baby het verdriet van een miskraam relativeert, maar nieuw verdriet laat zich prima optellen bij oud zeer.’

Of je bekend bent met deze verhalen, ooit zelf zoiets hebt meegemaakt, van geboorte, tot miskraam, tot dood, het doet er allemaal niet meer toe. Bij deze passages, waar het boek onverbiddelijk op af dendert, wordt iedere lezer stil.
Een antwoord op de vooringenomen vraag of het dit boek lukt aangrijpend te zijn zal geen lezer meer kunnen geven. Het verhaal heeft die vraag verdrongen. Er is alleen aan toe te voegen: Bedankt voor het delen.

Uitgeverij Podium gaf Izar uit.

Herman Koch, Arthur van den Boogaard, Charles-Ferdinand Ramuz: de redactie las een iconisch sportboek, een herontdekte klassieker die daadwerkelijk spannend is, en een autobiografisch spel dat toch interessant uitpakt.

*

Jan van Mersbergen: Arthur van den Boogaard, Het laatste seizoen

Sportboeken hebben vaak iets simpels. Een biografie van een succesvolle sporter leest vaak als een succesverhaal zonder veel reflectie. Het ene mooie verhaal na het andere, vaak al wel bekend, uitslagen, de lagere schooltijd, een paar familieleden en vrienden die vertellen hoe geweldig de sporter is. Het is vlek op vlek. Er zijn wel sportbiografieën die verrassend zijn. Dat komt vooral door onthullingen, zoals het boek over het verborgen verslavingsleven van Wim Kieft.

In het geweldig goed geschreven boek van Arthur van den Boogaard over Johan Cruijff worden prestaties gekoppeld aan onzekerheid, spelletjes achter de schermen, financiële motieven. Het levert een iconisch sportboek op.

Van den Boogaard vertelt in de eerste plaats erg goed. Hij schakelt tussen de jaren zestig en zeventig, het verleden van Cruijff, en het heden waarin hij in 1983 bij Feyenoord gaat spelen. Van den Boogaard vertelt in verschillende tijden: verleden en tegenwoordig, alles door elkaar, ongemerkt. Heel knap.
‘Op 4 juni…’ staat er aan het begin van een alinea. Het lijkt een gewone tijdsaanduiding in een biografie, waarna een feitje komt, in dit geval het afscheid van Willem van Hanegem.  Van den Boogaard voegt eraan toe: ‘Op 4 juni, nu elf dagen geleden, nam die Kromme op zijn 39e afscheid als voetballer.’
Het terugkoppelen naar het nu, dat ergens in 1983 ligt, dat is een mooi idee, en het werkt goed. De lezer loopt rond in die tijd.
Verderop staat er: ‘Hij kijkt om zich heen, zijn ogen schieten van links naar rechts en weer terug.’ De vertelling is volledig in het nu. Dat is speels en slim.

Een tweede opvallend punt: het boek gaat regelmatig over geld verdienen. Dat is nu eenmaal belangrijk in profvoetbal, maar wordt vaak vergeten. Zaken, contracten. Als ik denk aan die overstap, ik was twaalf en zeer verbaasd, dan denk ik voornamelijk aan sentimenten. Clubliefde. Een van de motieven was, volgens dit boek: in de Kuip verdien je meer dan in De Meer. Dat maakt de overstap naar Feyenoord in 1983 logisch. Zelfs voor keeper Joop Hiele is de komst van Cruijff naar Feyenoord financieel gunstig.

Derde punt: twijfel.
De beste Nederlandse voetballer ooit twijfelde veel, in dat opzicht leek hij op zijn moeder. Die twijfel ging samen met een streven naar het recht van de sterkste, dat heerste in het voetbal. Wilde hij macht dan moest hij de sterkste zijn, dan mocht hij geen zwakte tonen. Al midden jaren zestig liep Johan Cruijff op zijn tenen. Hij was het grootste talent, dus voetbal was nier het probleem. Hij wilde zakelijk en persoonlijk de machtigste zijn, anders regeerden anderen over hem. Hij was de beste, hij was een nagelbijter.

Zoals vaker in boeken waarbij de periode keurig afgewisseld worden is de voorspelbaarheid het grootste gevaar. Van den Boogaard weet dat op te vangen door in iedere korte passage over de periode voor 1983 en dat ene jaar van Feyenoord voldoende interessante informatie te geven. Het staccato om-en-om van de vertellingen deed me denken aan Dit zijn de namen waarin Tommy Wieringa steeds om beurten een groep volgt die door de woestijn trekt en een enkele man die een grenspost bewaakt. Bij iedere laatste alinea weet de lezer: nu komt dat andere verhaal weer. In Het laatste seizoen gebeurt dat ook, maar Van den Boogaard koos voor een afwisseling met korte wedstrijdschetsen waarin de opstelling van Feyenoord staat vermeld, de tegenstander, wie de doelpunten maakten en de stand. Dat maakt het boek weer echt een spannend sportboek, zeker voor een Eredivisievolger als ik die voornamelijk teletekst als bron gebruikt. Ik hou van die feitjes, in een verhaal kan ik zonder.
Van den Boogaard begrijpt dat erg goed. Als hij die feitjes noemt is hij duidelijk, als hij het eigenlijke verhaal vertelt brengt hij sfeer in zijn proza.

Het dualisme van de beste voetballer die een neuroot was, dat is de winst van dit boek. De lob tegen Haarlem, de penalty met Olsen, het roken, de eigenwijsheid, het competitieverloop waren me allemaal bekend, de psyche van Cruijff krijgt door dit sportboek opeens een volledigheid die het altijd gemist heeft.

Er is maar één ander sportboek dat dat voor elkaar kreeg: de autobiografie van Lance Armstrong, waarin de wielerkampioen vanzelfsprekend niet over zijn dopingregime vertelde, maar wel liet zien hoe hij van een renner voor de klassiekers een ronderenner werd, volledig in samenhang met zijn ziekte, en zoals later zou blijken, ook met zijn geestestoestand.

De enige woordjes die uit dit boek hadden gekund, de korte aanvullingen, als commentaar op wat er zojuist verteld is of als opmerking: ‘Tja’.

Daar zal Van den Boogaard vast over na hebben gedacht, gewikt en gewogen, en besloten om ze te laten staan. Ik las de passages en voelde steeds al: Tja. Als het woordje er dan staat, op de volgende regel, dan begrijp ik de bevestiging van dat gevoel, maar voelt het tegelijk als een overbodig woordje in een verder uiterst belangrijk sportboek.

Thomas Rap gaf Het laatste seizoen uit.

Thomas Heerma van Voss: Charles-Ferdinand Ramuz, De grote angst in de bergen

De afloop van De grote angst in de bergen ligt eigenlijk al besloten in het korte, krachtige openingshoofdstuk: dit is een roman die slecht zal eindigen. In die proloog wordt er, aan het einde van een vergadering van een dorpsraad in Zwitserland, namelijk gestemd: moet er met de koeien een expeditie ondernomen worden naar Sasseneire, een braakliggende alpenweide waar twintig jaar eerder vreemde ongelukken hebben plaatsgevonden? De oude generatie stemt fel tegen: die alpenweide is vervloekt en daarmee roept het dorpje onheil over zichzelf af. De jongeren echter stemmen voor: ‘Kom, kom, dat zijn verhalen. […] minstens zeventig stuks vee zouden zo de hele zomer lang kunnen worden ondergebracht, en dat terwijl we al niet meer weten hoe we ze hier moeten voeden, met al dat gras dat daarboven groen wordt, groeit, rijpt, verdort, en niemand die er wat aan heeft…’ Iedereen die vóór de expeditie is moet zijn hand opsteken. Er zijn 91 mensen aanwezig. Zodra er 58 handen omhoog gaan, weet je als lezer: oef, die expeditie gaat fout aflopen.

Maar wanneer precies, en hoe erg, dat blijft lang onduidelijk, en op die spanning drijft De grote angst in de bergen deels. We volgen zowel de groep die op pad gaat als het dorp dat achterblijft, en met name de passages over de expeditie zelf zijn spannend, knap geschreven ook. We lezen hoe de groep steeds verder vervreemd raakt van de buitenwereld, en zich per dag ietsje meer afzondert in de nogal precies beschreven natuur:

‘Ze leggen heel die lange weg af, die lange weg bergop; eerst in het gras, waarin bloemen overal bonte vlekken vormen, dan tussen de dennen door, over het naaldentapijt, dat ook gevlekt is met ronde, goudgerande vlekken – de weiden, het bos, de zon, de zon en de schaduw; dan de grote bergkloof en dan alleen nog de schaduw; dan het rotspuin dat begint, de steenlawines, daarna weer de zon – en daarboven zie je de lange rij van mensen en dieren, die heel klein was geworden, dwars door de onmetelijke grijze helling voortrekken […]’

Alsof een camera de boel van buitenaf volgt. Dat perspectief werkt, omdat het de thrillerachtige spanning vergroot (waar zit het onheil precies? Op wie moeten we letten? Wat betekent dat virus dat plotseling uitbreekt? Lijkt dit inderdaad op twintig jaar geleden?) en omdat het een prettige, bijna sprookjesachtige ondertoon aan het verhaal geeft: dit is niet een roman over één mens, maar over een Zwitsers dorpje dat generationeel verdeeld is en waar mensen nauwelijks weten hoe ze met verandering moeten omgaan. Dit dorpje moet zich plots verhouden tot een buitenwereld die zich niet laat vatten, tot de natuur die van zich laat horen, tot de enorme angst die steeds nadrukkelijker aanwezig is.

De grote angst in de bergen verscheen bijna een eeuw geleden: in 1926. Auteur Charles-Ferdinand Ramuz – toen ik hem googlede was het eerste wat ik las: zijn beeltenis staat afgebeeld op het biljet van 200 Zwitserse frank, en Céline bleek groot bewonderaar van zijn stijl – overleed in 1947. De onvermijdelijk vraag bij zulke ‘herontdekte’ boeken, die zo lang na verschijnen (voor het eerst) vertaald worden: waarom nu alsnog? Een beetje plat gezegd: wat voegt het boek nu nog toe?

Het – of in elk geval een – antwoord: in De grote angst in de bergen wordt iets gedaan waar bijna geen enkele auteur in slaagt. De roman, voortreffelijk vertaald door Rokus Hofstede, vertelt een werkelijk spannend verhaal zonder dat er ergens op voorspelbare suspense of cliffhangers wordt geleund. Het boek schurkt aan tegen magisch-realisme, en toch ga je er helemaal in mee. De Zwitserse natuur komt voluit tot leven: niet eens primair door die uitgebreide beschrijvingen ervan, maar vooral doordat veel personages zich er uiteindelijk geen raad mee weten. Natuurlijk vallen daarmee parallellen te trekken met de huidige wereld, je kunt de quarantaine waarin het vee en de herders worden ondergebracht gerust koppelen aan de huidige corona-crisis, maar met zulke links doe je De grote angst in de bergen tekort: deze roman staat op zichzelf, los van makkelijke haakjes, en doet zelfs verrassend toegankelijk, eigentijds aan.

Het enige wat ietwat ouwelijk overkomt, overigens zonder dat dat me ergens stoorde, is het gehanteerde perspectief: De grote angst in de bergen is een klassieke vertelling. Ramuz zoomt soms doelbewust niet in op een van zijn personages en hun afwegingen, en doet juist in plaats daarvan al vertellende soms een stap naar achteren. ‘Ondertussen ging het leven beneden in het dal zijn gewone gangetje,’ staat er dan aan het begin van een hoofdstuk – en elders: ‘Meteen waren ze begonnen hun leven daar hoog op de berg te leiden, dat drie maanden lang hetzelfde leven zou zijn.’ Niet vanuit de personages zelf waargenomen, kortom, maar vanuit Ramuz, alsof hij zich direct tot ons, lezers, richt – en tegen ons spreekt. Het voorkomt dat je een diepe, persoonlijke band met deze mensen krijgt, maar het draagt wel bij aan deze beklemmende sfeer van een donker sprookje, van en onontkoombaar onheil waarvan je voelt dat het nog generaties zal worden naverteld: die ene groep mensen die dacht de natuur naar zijn hand te kunnen zetten en daar hardhandig voor wordt afgestraft.

Van Oorschot gaf De grote angst in de bergen uit.

Daan Stoffelsen: Herman Koch, Finse dagen

Ik volg Herman Koch niet, en dat terwijl hij, volgens de DBNL, ooit bij ons debuteerde, en we nog drie jaar geleden een mooi kort verhaal van hem publiceerden in onze Hermans-special. Ik moet zijn eerste roman Red ons, Maria Montanelli hebben gelezen in mijn middelbare-schooljaren, en natuurlijk las ik Het diner en het Boekenweekgeschenk. Op de een of andere manier waren er altijd andere boeken.

Nu is er Finse dagen, dat ik niet wilde bespreken omdat ik niet bepaald enthousiast was. (Kleine tip van de sluier: het is veranderd, vandaar dat je dit leest.) Ik vond het vlak, stilistisch niet bijzonder. Oninteressant. Ja, het waren mooie anekdotes – een rare geschiedenis inclusief liefdesgeschiedenis in Finland, het dramatische verhaal van zijn moeders ziekte, vlucht en vakanties en verwijdering, bekend terrein voor wie zijn debuutroman kent, maar genoeg om door te lezen -, ik begreep hoe Koch zijn herinneringen en zijn gecensureerde, ongecensureerde en aangedikte verhalen inzette, hoe hij iets wilde zeggen over betrouwbaarheid en authenticiteit. Maar dát kwam me nogal evident voor. Als hij schrijft…

‘Fictieschrijvers hebben vaak hun mond vol van de waarheid, maar de enige waarheid is die van het boek, niet de waarheid van de gebeurtenissen zoals die zich in werkelijkheid hebben afgespeeld.’

… dan brengt die trap in een open deur me amper uit evenwicht. Als Koch bovendien zijn eigen herinneringen en verhalen bevraagt, dan komt er een afstand tussen mij en de gebeurtenissen, ik beleef het niet, want Koch, of wacht: de verteller, staat ertussen.

Die nuance is cruciaal. Heel makkelijk nam Koch mijn argwaan weg: door over versies en hiaten te schrijven, over een ik die Herman heet, krijgt Finse dagen de schijn van een autobiografie. Maar net voor bovenstaand citaat schrijft hij iets anders evidents, wat ik niettemin vergat:

‘In dit hele boek, Finse dagen, heb ik niet alleen de feiten gevolgd, maar er ook fictie van gemaakt op plekken waar me dat beter uitkwam. Soms heb ik fictie gebruikt om losse onderdelen beter aan elkaar te lijmen, op andere plekken heb ik de feiten aangedikt om er een beter verhaal van te maken.’

Net als bijvoorbeeld in zijn Boekenweekgeschenk speelt Koch een spel met ons, terwijl hij ook eerlijk is. Dat gaat samen, dat is het andere ware cliché dat in de literatuur rondgaat. Daarin trof Koch me. Je mag je afvragen of wat hij te vertellen heeft, deze verteller-die-veel-van-Herman-Koch-wegheeft, daadwerkelijk interessant is, maar dat is niet helemaal fair. Zelfs over de Holocaust is een saai verhaal te vertellen, of een bizar verhaal over de Birmaspoorlijn, zoals Koch zelf memoreert:

‘Vaak voelde ik me als die oom die in de oorlog nog aan de Birmaspoorlijn had gewerkt, en dan vooral op het moment waarop hij elke keer opnieuw vertelde hoe hij bij zijn ontsnapping twee Jappen eigenhandig de keel had doorgesneden. Tussen mijn vijfde en vijftiende heb ik het verhaal waarschijnlijk wel een keer of dertig aangehoord, en al die keren probeerde ik het blotebillengezicht van de oom te combineren met de wél tot de verbeelding sprekende, heftig uit hun doorgesneden kelen bloedende, Japanse soldaten. Ik kon de grijns van ongeloof op mijn eigen gezicht niet zien, maar ik voelde hem wel, ik moest mijn hand voor mijn mond houden om hem voor de ongeloofwaardige oom te verbergen.’

Je kunt omgekeerd ook iets oninteressants oppoetsen tot grootse, meeslepende literatuur. En de tragiek van de jonge Herman, het Finse avontuur, de romance: het had de helft van deze roman opgeleverd, en het was een goed verhaal geweest. Koch heeft er echt wel meer van gemaakt. Hij heeft mij voor de gek gehouden – en in welke mate, dat is onweetbaar – en introduceert in het slot nog twee ontwikkelingen die de hele roman kantelen. Zo’n verrassing kan ik ook waarderen. Dus ongetwijfeld blijven er bezwaren staan – maar deze roman is wél interessant. Genoeg om door te lezen, erover door te praten en dus erover te schrijven.

AmboAnthos gaf Finse dagen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Koen Peeters, Oek de Jong, Milan Kundera: de redactie las twee mooie zwemscènes en een met sprongen verteld verhaal dat toch goed te volgen is.

*

Daan Stoffelsen: Koen Peeters, Leer mij zwemmen, en Oek de Jong, Zwarte schuur

Het is geen perfect boek, maar Oek de Jongs roman Zwarte schuur heeft zich een positie als ijkpunt verworven in deze periode. Ik lees Koen Peeters Confituurgeschenk Leer mij zwemmen, een novelle die een leven samenvat als momenten in zee en zwembad, begonnen in de baarmoeder. Dat vind ik een cliché, maar het is wel mooi dat hij daar een hartslag traceert die hij terug laat komen als zijn leven zich ontwikkeld tot dat van een geoefende zwemmer, type Sam Fittipaldi uit Adriaan Jaeggi’s Held van beroep maar inmiddels ouder, een gezin, een schrijver. Dan daagt hij zichzelf uit, en zwemt de baai uit, ‘de zee in, alleen’. Zwemmersgedachten komen op, Haydn, maar hij komt een onvermoede tegenstander tegen.

‘Er is geen ontkomen aan. Zwem maar voort, zwemmer.
Toe-doek. Toe-doek.
Het klinkt als het gedonder van een kanon dat de lucht openscheurt. Een of ander geweld wacht hem op en wil hem pakken. Hij voelt een angst die hij niet kan benoemen. Wat als dat ritme stopt, gewoon omdat het stopt? Hij roept, maar om wie roept hij? Het is het water zelf dat hem bedreigt. Hij verdedigt zich, maar tegen wie?
Toe-doek. Toe-doek.
Hij schreeuwt met een rauwe stem die hij zelf niet herkent. Hij verslikt zich weer, en weer. In het water is er slechts één vijand: het water? Nee, de zwemmer zelf.
Hij is de enige die zichzelf kan redden.
Toe-doek. Toe-doek.’

Mooi, die strijd zonder het al te nadrukkelijk uit te spellen dat zijn lichaam het opgeeft. Of zijn geest. Het terugkerende ritme, de duiding waarbij de zee geen schuld krijgt, alleen de zwemmer. Mooi en inzichtrijk. Het is ook gewoon een goed motief, dat Peeters nu in deze novelle naar de voorgrond brengt, maar dat ik ook tegenkwam in Vincent Van Meenens We houden zo van Anthi: ‘We willen om het eiland zwemmen. We zien niet hoe groot het is.’ Overschatting, het toch halen. Nog een tikje irrationeler is Maris Coppoolse in Zwarte schuur, die naar een zeiljacht toe wil zwemmen.

‘Aanvankelijk zwom hij moeiteloos. Hij was een goede zwemmer. Zijn vader had hem leren zwemmen in het ondiepe water bij de zeedijk, er tot zijn middel in staand, zijn armen onder de buik van zijn zesjarige zoon. Maris herinnerde zich het moment waarop zijn vader hem losliet en hij zich voor het eerst een paar slagen lang drijvend wist te houden. […] Met een lome borstcrawl gleed hij door de baai. Het geluid van de stemmen op het strand vervaagde, de mensen daar werden stippen. Onder hem lag de diepte en ergens ver weg in zijn leven lag de misdaad. Hij kwam er niet van af. Hij zag een kleine, bruine man voor zich die uit een prauw in glashelder water dook en tot onder een grote haai zwom, hij zag de kleine man omhoogkomen en met één stoot en één haal van zijn mes de buik van de haai openhalen. Bloed kringelde uit de langgerekte wond naar buiten, eerst nog weinig. Hij zelf werd nu, terwijl hij hier zwom, van onder tot boven opengehaald met een mes. Dat was zijn straf. Hij zwom wat harder, boog af, boog nog eens af, als om te ontwijken.’

Ja, dat is toch wel erg sterk hoor, hoe De Jong de misdaad die het hele boek overschaduwt, nu ook hier bijzinsgewijs oproept, en verbindt met die haai. Een diffuus beeld, met bloed en dood en straf, terwijl de taal verder heel simpel is, kaal beschrijvend. Het wordt iets expressiever in het tweede deel. Hij bereikt de tweemaster, rust even uit, en merkt op de terugweg hoe zwaar het is, hoe peilloos diep, hoe groot de dreiging, hoe klein hijzelf.

‘Toen hij ophield met zwemmen, zag hij in de verte op de horizon de besneeuwde top van de vulkaan op Tenerife. Hij kon het niet geloven en wachtte tot een golf hem nogmaals optilde. Het was El Teide die hij zag, besneeuwd en wel. Hij nam niet de tijd om er lang naar te kijken. De dreiging was te groot. Hij hoorde hier niet, hij moest hier weg. Op de terugweg moest hij vaker rusten. Zijn vingers werden koud en wit. Hij zag tijdens het rusten zijn benen woelen in het peilloos diepe blauw. Het leken hem de pootjes van een insect – zo nietig voelde hij zich. Hij ploeterde, moest zichzelf toespreken. Het duurde lang voordat hij het doffe geluid van brekende golven weer hoorde, het gejoel van zwemmers, en terugkeerde in de mensenwereld.’

Ik wilde iets zeggen over ‘hij kon het niet geloven’, dat vind ik wat slap, maar vooral valt me op dat het eigenlijk heel staccato is, al in dat eerste deel van het citaat, hier nog meer. Dat doet, samen met de sobere taal, niet zo verzorgd aan – en tegelijk geeft het de hijgerigheid wel weer.

Begrijp ik nu het zwemmen beter door De Jong of door Peeters? De dreiging in het algemeen door De Jong, maar Peeters laat zien hoe de beweging, de herhaling, een deel van je leven kan zijn. Ik lees er verder niets over bij de Vlaamse onafhankelijke boekhandels, waar het cadeau werd gedaan, óf er nog exemplaren te krijgen zijn – maar ik kan je het aanraden.

Leer mij zwemmen werd uitgegeven door De Bezige Bij in opdracht van Confituur.

Jan van Mersbergen: Milan Kundera, De ondraaglijke lichtheid van het bestaan

De eerste twee korte hoofdstukjes van De ondraaglijke lichtheid van het bestaan heb ik al heel vaak gelezen. Het boek is uit 1983, ik kocht het in 1994, en dat voelt nog steeds volkomen logisch, want een roman als deze moet je eigenlijk voor je 25ste lezen.
Die eerste twee stukjes vormen de basisideeën van deze roman.

‘Zou elke seconde van ons leven zich oneindig herhalen, dan zijn we vastgenageld aan de eeuwigheid zoals Jezus Christus aan het kruis. Dat is een verschrikkelijk vooruitzicht. In de wereld van de eeuwige terugkeer rust op elke handeling het gewicht van een ondraaglijke verantwoordelijkheid. Daarom noemde Nietzsche de idee van de eeuwige terugkeer de zwaarste last.’

Nu heb ik doorgaans Nietzsche niet nodig in een roman en ben ik blij dat Kundera een bladzijde verder begint over Tomas, op een manier die persoonlijk is: ‘Ik denk al vele jaren aan Tomas, maar pas in het licht van deze overpeinzingen zie ik hem helder voor me.’
Dat is een slimme en bijzondere manier voor een verteller om het verhaal te beginnen. Hij maakt een afspraak met je: ik denk en ik vertel. En het gaat over Tomas. Ik ga jou vertellen over die man, maar geef je mijn gedachten mee. Niet de gedachten van alleen Tomas.

Alles wat de personages doen valt terug te voeren op deze beginselen en op deze manier van vertellen, al gebruikt Kundera verder in de roman zelden de ik-vorm. Ik ken geen boek dat zo’n duidelijke uiteenzetting heeft waarna het verhaal met sprongen verteld wordt maar toch erg goed te volgen is. Het vertrekpunt is filosofisch, maar duidelijk.

Lichtheid versus zwaarte, wat is te verkiezen? Veel mensen zullen lichtheid zien als beter, mooier, prettiger. Kundera legt uit dat die lichtheid waar hij zijn hoofdpersoon Tomas mee opscheept helemaal niet zo fijn is. Het maakt het leven wankel. Soms hebben mensen gewicht nodig, betekenis, vastigheid. Tomas wil geen relatie, wil een ander niet tot last zijn, hij wil vrijheid en kan zich niet aan een enkele vrouw binden. Maar als hij Tereza vaarwel zegt blijkt ze in zijn hoofd te zitten. Hij kan niet anders dan aan haar denken. Hij leeft met Tereza mee, en medeleven is zwaar.

‘Tijdens het weekeinde voelde hij hoe de zoete lichtheid van het bestaan hem uit de diepte van de toekomst tegemoet kwam. ’s Maandags werd hij getroffen door een zwaarte die hij nog niet eerder had gekend. Alle tonnen ijzer van de Russische tanks waren niets in vergelijking met deze zwaarte. Niets is zwaarder dan medeleven. Ook je eigen pijn is niet zo zwaar als de pijn die je voelt met iemand, voor iemand, namens iemand, vele malen vermenigvuldigd in je fantasie, weerkaatst door honderden echo’s.’

Een ideeënroman heeft vaart nodig, een paar handelingen die het verhaal body geven, een sterke verteller die de touwtjes continu in handen houdt, en vooral een vertrouwde vertelstem die de lezer van het ene idee naar een handeling leidt en van een handeling weer terug naar gedachten. Daarin is Kundera een meester.
Als hij dan weer vertelt over Tereza gebruikt hij dezelfde ideeën, maar gekoppeld aan de jonge vrouw.

‘Ze probeerde dwars door haar lichaam zichzelf te zien. Daarom ging ze zo vaak voor de spiegel staan.’

Het fysieke van deze zinnen zit verstopt in het kijken naar haar eigen lichaam, in de spiegel. Jezelf zien maar je lichaam zien; Kundera kent de lagen van denken en fysiek, hij mengt ze maar sluit de een noch de ander uit, een belangrijke samenkomst. In veel ideeënromans wordt het lichamelijke totaal overboord gezet. Wat er dan overblijft: lucht die af en toe een beetje verplaatst wordt.

‘Tereza’s moeder snuit luid haar neus, vertelt over haar seksuele leven en toont haar kunstgebit.’

Weer die samenkomst van fysiek, vertellen over seks, wat vanzelfsprekend lichamelijk is en zeker ook uit gedachten bestaat, de afstand die geschapen wordt door dat juist niet te laten zien maar te laten vertellen door haar moeder, en een nepgebit dat een deel van het lichaam vervangen kan.

Een fysieke roman met aan de basis sterke ideeën. Ieder kort hoofdstukje voegt hier iets aan toe. De lezer moet aan de bak als het gaan om de ratio, de lezer voelt mee met Tomas en Tereza. Een unieke prestatie, die om herlezen vraagt en keer op keer niet teleurstelt.

AmboAnthos geeft Kundera uit.

Nico Walker, Jeroen van Kan: de redactie las een goed vertelde, levendige, harde oorlogsroman en een verhalenbundel die het literaire spel viert.

*

Daan Stoffelsen: Jeroen van Kan, Hoe Matt een dode vis werd

Het prozadebuut van Jeroen van Kan is een voorbeeldige tweede stap in de literatuur, een bundel experimenten, een poging de mogelijkheden van fictie te onderzoeken en uit te breiden. Een bundel bovendien, die een zekere thematische hechtheid heeft: Van Kans personages veranderen – en niet ten goede. Een van de motto’s is niet voor niets van Ovidius (Metamorfosen) – maar ik moest ook aan Kafka denken, en aan Belcampo.

Twee verhalen vallen op door hun novellelengte van bijna honderd pagina’s: ‘Kwispelen met de ketting’, waarin een autobiografisch schrijver van marginale literatuur met grote L afwijkt van zijn patroon, door seskuele aberraties en een zelfmoord te beschrijven. Het verhaal is afwisselend geschreven vanuit die auteur en zijn echtgenote, een succesvolle theater- en tv-schrijfster, en het is aardig dat allerlei opvattingen over literatuur langskomen, over feit en fictie, herkenbaarheid en exotisme; ik moest aan de poëticale verschillen tussen Arie Storm en Arthur Japin denken. ‘Je moet je juist op terreinen begeven die je niet kent. Gebruik je verbeelding. Daar is fictie voor bedoeld,’ schrijft de echtgenote, om meteen het alternatief te beschrijven: ‘Je moet juist schrijven vanuit onmiddellijke ervaring en die fictionaliseren.’
De familie heeft Van der Heijden-achtig ongewone voornamen, en de schrijver vindt ‘zijn innerlijke Arthur Japin’ in titelkeuzes, en als hij het eerste boek van de Japinachtige Michiel Saquelle leest: ‘Al na dertig bladzijden wenste Michalis [het schrijverspersonage – DS] het hoofdpersonage […] dood. Helaas moest hij op dat uiterst tragische, bij zijn familie tot overvloedig en overdadig en uitvoerig en uitzinnig betraande wangen leidende en bij zijn vriendin radeloos voortrazend verdriet opwekkende moment nog ruim tweehonderd bladzijden wachten.’ Herkenbaar.

Het wrange gebied waarop schrijver Calix van Gestel een compromis zoekt, is zelfmoord. Dat blijft nog wat nadrukkelijk een literair spel (ik las kort hiervoor het onevenwichtige, schrijnende en ernstige Kleinzeer van Nadia de Vries, een essay dat twee zelfmoordpogingen beschrijft, in een trein die een ‘aanrijding met persoon’ had gehad. Dat (toegegeven, niet beoogde) gewicht mist dit verhaal). Het spel voelt meer op zijn plek in het andere grote verhaal, het titelverhaal.

Daarin staat een ‘metamorfoseur’ centraal. (Nee, Jan, ook in dit boek komt geen gewoon mens voor. Wel een gewone dode vis.) Matt is iemand die zich op afroep kan veranderen in wat je maar wil, en de hele bijna-honderd-paginalange geschiedenis is wat er vooorafging aan ‘Hoe Matt een dode vis werd’. Veel sterker dan in ‘Kwispelen met de ketting’ haalt Van Kan alles uit de kast: een circusgeschiedenis, een meeslepend obscuur Italiaans sprookje met een transformerende prins, een tragische schipbreuk en, ten slotte, een speciaal optreden voor een gezelschap van Haagse vissers. (En u weet, dat is geen zachtzinnig volk.)

Ook hier alternerende hoofdstukken: ‘Hoe hij eindigt’ (het eerste hoofdstuk eindigt omineus met ‘De badkamer, de ochtendjas, de wekker, het ontwaken. Bij die eerste stap uit bed – eerst op een stoofje, toen pas op de grond – had hij het al gevoeld. Het was er vanaf het eerste moment. Een dwerg met zeemansbenen.’) en ‘Hoe het zo kwam’ (in het tweede hoofdstuk is de vader van Matt in het circus: ‘Hij kon er niet van genieten, voelde zich misplaatst als een vis in een bloembed.’). Van Kan bespeelt ook stilistisch alle registers: bovenstaande sobere zinnen, die absurde beeldspraak, en deze bloemrijke beschrijving van een essentieel moment is weer heel anders:

‘Het moment dat Giancarlo naar boven keek, naar het meisje dat verlegen een buiging maakte voor ze haar geringe gewicht aan de trapeze toevertrouwde en inderdaad door het luchtruim suisde alsof geen enkele natuurwet haar leek te deren, werd hij door de bliksem getroffen. De schok verlamde hem. Niets leek nog te bestaan, alleen dat sierlijk zwevende wezen boven zijn hoofd, fragiel, roomblank, omspoeld door een golf blonde lokken, alsof Venus was losgekomen van haar schelp en nu hier door de tent zweefde, alsof de frêle gestalte van Botticelli door Zephyros tot hier was voortgeblazen en haar nu toestond op de golven van zijn adem vrijelijk in de lucht rond te zwieren.’

Sierlijk, fragiel, roomblank, omspoeld?! Van Kan speelt met ons! En dat doet hij virtuoos. In deze bundel zit ook nog een dubbelganger, en een zelfmutilatie-door-roken (Belcampo dus, al is Van Kan echt een betere stilist), een uit de hand lopende tandartsgeschiedenis, een restaurantscène (die ik niet helemaal doorgrond: hoe verhouden de ik en het te jonge meisje zich tot elkaar?), en een klassiek verhaal van orde-en-vernietiging. Heerlijk absurd, amusant collegemateriaal voor literatuurwetenschappers in spe, spel dat ook literatuur mag zijn – een opvatting die los van vragen naar fictie en werkelijkheid zeer verfrissend is.

Querido gaf Hoe Matt een dode vis werd uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Nico Walker, Cherry

Van een vriend kreeg ik een leestip. Hij stuurde me een lijstje van de beste boeken die hij las afgelopen jaar en daar sprongen drie boeken uit die ik nog niet gelezen had. Direct bestelde ik een van die boeken, omdat ik zijn leestips vertrouw. Het was een roman van een jonge Amerikaan die nog tot november in de gevangenis moet zitten omdat hij aan de heroïne verslaafd was en een aantal bankovervallen had gepleegd. Ook had hij in Irak gevochten. De titel, ook in vertaling: Cherry.
Wat een verhaal, denk ik dan. En direct daarachteraan: Oppassen: dat kan een opgeklopt verhaal zijn.
Totaal niet terecht, die angst. Cherry is een geweldig boek en allerminst opgeklopt. Eerder koeltjes en geinig.
Pas in het laatste deel, als hij daadwerkelijk die bankovervallen gaat plegen omdat hij geld nodig heeft om drugs te kunnen kopen, wordt het een beetje een vervelend verhaal, maar dat is vooral omdat ik een hekel heb aan junkenverhalen. Ze zijn eentonig en uitzichtloos, terwijl ik hoop dat het nog wel goed gaat komen. Met deze Nico Walker kwam het niet meer goed. Hij raakte verstrikt in zijn verslaving, belandde in de bak en schreef daar Cherry.
Mooi nawoord trouwens, waarin Walker vertelt hoe het boek na lange tijd ploeteren gepubliceerd werd. Het kostte hem jaren en de redactie verliep via een paar schijven.
Met Walker kwam het niet goed, met het boek op zich kwam het zeker wel goed. Het is heel goed verteld, levendig, hard, die verteller is echt een vreselijk mannetje. De roman geeft een beeld van de tweede Irakoorlog dat je alleen in goeie oorlogsromans kunt treffen (zoals bij Phil Klay en Kevin C. Powers), en het is bovendien erg grappig. Dat laatste is belangrijk: Walkers toon geeft lucht aan de vreselijke gebeurtenissen zonder ze af te zwakken, en bepaalt veelal het verteltempo. Walker vertelt kort, sterk en geestig, onverschillig soms.
Als Walker in zijn ballen is getrapt door een andere soldaat, geintje, op de eerste hulp is beland komt hij daar een kletsende moeder tegen:

‘Op de spoedeisende hulp legden ze me op zo’n brancard op wielen, en toen reed het ziekenhuispersoneel een vent naar binnen die van de straat was geplukt. Hij was behoorlijk toegetakeld en snotterde. Ze legden hem naast mij neer. Ik hoorde de verpleegsters achter het gordijn praten. Ze zeiden dat de man een hersenschudding had, een paar tanden had ingeslikt en een paar gebroken ribben had, en dat iemand bleekmiddel in zijn ogen had gegoten.
Ze belden zijn moeder.
Zijn moeder kwam langs.
Ze bleef maar praten.
‘Wie heeft je dit aangedaan, lieverd?… Lieverd, hebben ze je portefeuille gestolen?… Hebben ze je portefeuille gestolen? Nou? Lieverd, hebben ze je portefeuille gestolen?’
Jezus.’

In een paar heldere zinnetjes vertelt Walker hoe hij daar ligt. Je ziet hem daar liggen. De zinnen maken ook direct duidelijk hoe hij zich voelt. Lamgeslagen, afwachtend, rustig. Het hele boek door heeft hij die toon. Onverschillig. En dan komt daar de moeder van zo’n arme kerel en die begint te mekkeren omdat misschien zijn geld gejat is. Het ‘Jezus’ is een mooie afsluiting. Het is oordelend, maar ook grappig van onverschilligheid.
Op die manier komen het junkenleven van Walker en de oorlog in Irak op dezelfde manier dichtbij. Het is allemaal onzinnig. Een heleboel mensen doen erg gewichtig, maar het is een grote grap, die tegelijk over leven en dood gaat.
In Irak heeft Walker een gesprekje met een officier waarbij hij ‘of zo’ gebruikt, precies wat deze jongen zou zeggen in zo’n gesprekje, en houdt de boel een beetje in de gaten:

‘Sergeant-majoor Castro vroeg of ik een rijkeluiszoontje was.
Niet echt, zei ik, maar we kwamen nooit om van de honger of zo.
De volgende ochtend zat ik in de achtertuin, waar ik zoals wel vaker de boel in de gaten hield. Het werd al later in de ochtend, want er vlogen strontvliegen rond. De strontvliegen landden op je lippen en liepen daar een beetje rond. Vervolgens vertrokken ze voor wat nieuwe stront aan hun poten. Overal lag stront, dus dat was geen probleem, en dan kwamen ze terug en liepen ze nog een beetje heen en weer over je lippen. Op een gegeven moment merkte je het alleen nog maar als ze er niet waren.’

Een oorlog in een ver land terugbrengen tot strontvliegen die over je lippen lopen en soms nog even wat nieuwe stront gaan halen. Dat verstrijken van de ochtend. Dat is Cherry.

De Bezige Bij gaf Cherry uit.

Annie Proulx, Maartje Wortel en Bregje Hofstede in Geïl, en Filosofie Magazine: de redactie las fysiek proza, voelende en voorbereidende verhalen en denkers over het lichaam.

*

Daan Stoffelsen: Geïl en Filosofie Magazine

Uiteindelijk bereidde ik geen welkomstwoord voor voor de presentatie van #24, ‘Huid’, waarin we, zoals we de auteurs schreven, het fysieke schrijven wilden onderzoeken. We wilden het hoofd uit, literatuur voelen, maar toen we alle bijdragen binnen hadden, zagen we dat de opdracht veel breder opgevat was: we onderzoeken nu het fysieke, schrijven fysieke literatuur, en literatuur waarin het fysieke een cruciale rol speelt. Zelf hadden we bovendien al gemerkt dat je overal ‘huid’ ziet (en daarna ‘de oversteek’, ons volgende thema), en ook dat je de kwaliteit uiteindelijk toch met je hoofd beoordeelt.

En zo is elk nummer, ook al hebben het thematisch nog zó ingekaderd, een verrassing. Ook voor ons.

Dat had ik maandag kunnen zeggen. Maf genoeg werd ik ook die avond weer verrast, want als een verhaal voorgelezen wordt, hoor je andere dingen. Er vielen me andere dingen op aan Ivo Victoria’s verhaal, en Daan Borrels essay, dat ik in vele redactierondes doodgeredigeerd heb alvorens het als deze brief aan Stella Bergsma reïncarneerde, bracht me plotseling in verlegenheid. Hadden we het nu opeens over masturbatie?

*

Vorige week ontdekte ik dat ons nummer, dat over het lichaam gaat, maar ook over masturbatie (een antwoord op Daans brief staat nu online), menstruatie, zelfmutilatie (online), discriminatie (deels online), aantrekkingskracht en kunstenaarschap, in goed gezelschap is van andere tijdschriften. Geïl wordt deze week gelanceerd, een vrolijk oversekst blaadje op initiatief van Mick Johan, die ook de illustraties maakte (‘you can’t spell geïllustreerd without Geïl’), met bijdragen van onder anderen Maartje Wortel, Alma Mathijsen, Pepijn Lanen, Elfie Tromp, Mick Johan zelf, Marten Mantel, Bregje Hofstede en Heere Heeresma (een oud, maar nog steeds sterk verhaal, facsimile gepubliceerd). Absurdisme en doelgerichte seks overheersen, afgewisseld met Johans geestige beeld.

Wortels openingsverhaal is sterk, een beetje ruw, maar ook met een goed verhaal over de aanloop: de verteller en haar minnares ontmoeten elkaar in de file.

‘Ik was onderweg naar zee. En zij naar huis. We stonden ongeveer twintig minuten in de file naast elkaar stil. En dan keken we naar elkaar. Als in: echt kijken. Ik wist nooit wat mensen daarmee bedoelden. Ik bedoel, je kijkt toch altijd echt? Maar nu zij en ik elkaar zo in de ogen keken dacht ik: echt kijken betekent simpelweg niet wegkijken.’

Simpele, doeltreffende zinnen, die door die overweging over ‘echt kijken’ even de druk afhalen van de geilheid van de vertelster. Ook in Geïl wordt er overigens vooral met elkaar gesekst, weinig zelfbeminning, Daan, sorry.

Wel geeft Bregje Hofstede nog een mooi voorbeeld van echt kijken, naar hoe de vagina voelt. Haar mannelijke verteller zegt:

‘Soms had ik het gevoel dat ik, ook al was het steeds met haar, telkens een ander neukte, niet alleen omdat ze veranderde als mens, maar ook gewoon vanwege haar kut die even veelvormig was als haar stemming. Soms drukte het zachte vel van haar schaamlippen zich in piepkleine blokjes door het raster van het kantwerk van haar favoriete string, vingertjes rond de tralies, grijpgraag, reikend. Soms moest ik diezelfde huid met moeite tevoorschijn lokken uit een grote zwarte slip. Of neem schaamhaar waar ik mijn vingertoppen over liet glijden, en dat nu eens de vorm had van krulletjes, nat nog van de douche, en dan weer stug was en in pieken overeind stond als het een dag lang opgesloten had – pet-haar.’

Dat raster van het kantwerk van haar favoriete string is me iets te langdradig, maar de opsomming van beelden – als voorbereiding op een date – is goed gevonden, een pleidooi voor voelen en het verschil voelen. En voor voorbereiding, voor verhaal, want hoe goed of slecht geschreven de bijdragen aan dit tijdschrift ook, seks heeft een verhaal nodig.

*

Aan het andere eind van het spectrum zit Filosofie Magazine, waar het hoofd overheerst. Ik lees het vooral voor de interviews. Aldo Houterman, auteur van Wij zijn ons lichaam, zegt bijvoorbeeld: ‘In mijn boek laat ik zien dat onze huid niet louter een omhulsel is zoals een handschoen, maar ons juist met de wereld in contact brengt. Onze huid is eigenlijk ons eerste zintuig of eerste brein, en is veel subtieler en fijnzinniger dan vaak gedacht wordt.’ En hij haalt Michel Serres aan: ‘Turners trainen volgens Serres hun ziel door zichzelf eromheen te buigten; hoogspringers gooien zich boven hun ziel uit.’ Mooie taal!

Het essay van Leon Heuts, over fitnessidealen, is me iets te stijf en rommelig, maar wijst me er wel op dat de ethische politiek van de afgelopen jaren, van euthanasie, donorregistratie en babysterftebeperking, over het lichaam gaat – en niet over de geest. Daar denk ik over door, en over Jenny Slatmans (Vreemd lichaam. Over medisch ingrijpen en persoonlijke identiteit) twijfel over hoe om te gaan met onduidelijke ziektebeelden. Interessant en relevant.

Plus naast de onvermijdelijke Descartes mooie leestips: Merleau-Ponty, Serres dus en de alomgeprezen Caroline Criado Perez. Misschien is 2020 een jaar voor (iets meer) filosofie naast de literatuur.

Jan van Mersbergen: Annie Proulx, ‘55 mijl naar de benzinepomp’

Ik las maar weer eens het verhaal ‘55 mijl naar de benzinepomp’ voor, van Annie Proulx. Het was bij de presentatie van de nieuwe Revisor. Ik weet niet eens meer hoe vaak ik dat verhaal aangestipt heb, gebruikt in workshops, voorgelezen bij avonden, presentaties.
Nog steeds verandert het verhaal. In het begin vertelt Proulx over een mevrouw genaamd Croom, die steeds verandert naarmate de tijd verstrijkt en ik het verhaal vaker gelezen heb. Nu verruilt ze de zaag voor een beitel en een hamer. Eerder ontdekte ze de lichamen van meisjes op de zolder van haar man, die trouwens ook steeds verandert, want eerst was dat een vreselijk enge psycho en nu is hij een lichtvoetige danser, dat staat ook in het verhaal.
Hoe is dat mogelijk?
Dat twee personages in een verhaal van amper één bladzijde toch steeds groter worden, vervormen, veranderen?
En dat vervangen van die zaag? Ze heeft dus eerst gezaagd, en nu gaat ze beitelen. De eerste zin van het tweede deel van het verhaal is: ‘Mevrouw Croom die op het dak een gat in de zolder zaagt.’ Als je op het dak zit kun je niet zomaar beginnen met zagen, je moet een beginnetje hebben, en dat maak je met een beitel.
Ik ga dit verhaal nog voor het einde van het jaar nog een keer lezen, op een onbewaakt moment, misschien op de wc, en dan zal het weer anders zijn. De beste literatuur heeft dat in zich: het is als een veelvormige kameleon.

‘55 mijl naar de benzinepomp’ is opgenomen in Brokeback Mountain en andere verhalen, dat door De Geus uitgegeven is.

De redactie redigeert en schrijft en leest kopij — maar ook tientallen, soms meer dan honderd boeken. Elke week rapporteerden we daarover. En in 2017 en 2018 kozen we dan vervolgens de beste boeken. Dit jaar schreven Manon Uphoff, Dore van Duivenbode, Olivier Guez, Robin Robertson, Siri Hustvedt, Ivo Victoria, Lesley Nneka Arimah, Valeria Luiselli, Stephan Enter, Geir Gulliksen, Iduna Paalman en Evelien Vos de beste boeken volgens de redactie.

*

Bernke Klein Zandvoort

Wat het betekent wanneer er een man uit de lucht valt is het debuut van Lesley Nneka Arimah. Het omhelst twaalf verhalen, waarin hardvochtige realiteit en een soort magisch absurdisme elkaar afwisselen of in elkaar verstrikt raken. Zo zijn er hondsbrutale pubers, strenge regimes van tantes of grootvaders, is er de Biafra-oorlog, moeders die hun dochters via Skype proberen op te voeden, vaders die er alleen voor staan: ‘Toen Enebli Okwara zijn dochter de wijde wereld in stuurde, had hij geen idee wat de wijde wereld met dochters deed’.

Maar ook: verhalen waarin baby’s gemaakt van haarstrengen tot leven gewekt kunnen worden en wiskundigen die treurnis kunnen opeten (‘de vergelijking van een persoon kunnen oplossen’). Het sterkst vind ik de verhalen waarin de werkelijkheden in elkaar overlopen:

‘Bij de kassa droeg de jongen die haar boodschappen scande en in draagtasjes stopte een naamkaartje waar MARTIN opstond, wat misschien wel en niet zijn naam was. De Britten hadden het liefst dat hun dienstverleners namen droegen die ze konden uitspreken, en de meeste bedrvijven maakten het dragen van westerse namen tot hun beleid. De tatoeage op zijn pols gaf zijn nationaliteit weer – een oorspronkelijke Biafraan – en zijn klasse, de derde.’ 

Bijna alle verhalen spelen zich af in Nigeria of Amerika, bijna altijd is de hoofdpersoon een vrouw tussen de 12 en 35 jaar, bijna altijd mist er een ouder. En steeds opnieuw is het pijnlijk, bitter, wreed. Uitzichtloze situaties worden nooit uitzichtrijker, er zijn geen goede eindes.
Waarom dan toch doorlezen? vroeg ik me op een gegeven moment af. Het zit in Arimahs zinnen. Die zijn waanzinnig goed, zó sprankelend, gevat, grappig en onverwacht. Daarnaast experimenteert Arimah met vertelvormen, zoals in het openingsverhaal ‘De toekomst ziet er rooskleurig uit’, dat in zichzelf lijkt te verdwijnen. Het verhaal eindigt bij het slot. Letterlijk en figuurlijk, omdat we met hoofdpersoon Enzinma bij het slot van een deur staan. Voor ze die kan openen, gaan we steeds een stap terug in de tijd om haar familieleden te leren kennen:

‘Enzinma zoekt op de tast met de sleutel naar het slot en ziet niet wat haar van achteren nadert: haar vader als klein jongetje…’ waarna het verhaal van de vader, beknopt maar levendig, uit de doeken wordt gedaan tot het punt waarop hij zijn vrouw ontmoet: ‘… en dat is hoe zijn vrouw zal ontmoeten en waarom Enzinma, die met de sleutels op de tast naar het slot zoekt, niet ziet wat haar van achteren nadert: haar moeder op haar tweeëntwintigste, niet knap, maar met de frisse blik van iemand die nooit honger heeft gehad’ 

Alle terugblikken leiden uiteindelijk naar de laatste alinea, waarin we in het heden uitkomen, opnieuw bij het slot staan, en we door de ontmoetingen met haar naasten van een personage zijn gaan houden, dat helaas geen goed einde is gegund. 

*

Fluitsignaal: 
Schotklok tikt: 
Nummer 1:
De waarheid is: 
Het is makkelijk:
Dan komt het aanraken: 
Daarna begint het vertellen:
Voel:

Zinnen als vingerknippen, ben ik alert? Ik lees de gedichten van Iduna Paalman in De grom uit de hond halen als vellen die uit een typemachine worden getrokken en waarin steeds opnieuw de balans lijkt te worden opgemaakt. Verwoed, vel na vel, worden pogingen gedaan om iets in bedwang te houden, veilig te stellen, gecontroleerd te weten – met tegelijkertijd die vernuftige realisatie dat het allemaal maar lucht is, want hoe kan je grip krijgen als de wereld een plek is 

waar nattigheid wordt drooggedept/ met doorweekte doeken?

Paalman doet dat door heel secuur te zijn. Haar gedichten zijn fijnmazige bouwwerken waarin niets over het hoofd wordt gezien. Het ene moment lijk ik deel van iets manisch, waarin alles en iedereen veilig gehouden moet:  

mijn borstkas deel ik als het even kan/ 
met wie er adem vindt, mijn ribben
omklemmen alle troost, gevangen bal
tussen de palen

Op andere momenten mag ik even ontspannen in de schoonheid van de kleinste, vaak over het hoofd geziene dingen – een vermoeide middenberm, tondeuses als optrekkende legertanks, de zee op ruikafstand gelegd, een aanraking die tegelijk een huisvesting is – zolang ik •vingerknip!• mijn waakzaamheid maar niet verlies.

*

The Long Take is de oorspronkelijke titel van Robin Robertsons Hier maak ik mijn stad. Het origineel valt mooi samen met de vertelvorm: een langgerekte, poëtische vertelling die maar doordendert. De Nederlandse titel sluit goed aan bij mijn leeservaring, waarin ik als lezer, door de gefragmenteerde vertelvorm, zelf aan het maken werd gezet.  

Walker, een getraumatiseerde oorlogsveteraan, kan na de Tweede Wereldoorlog niet terug naar huis en belandt voor het eerst in zijn leven in de grootstad. In een serie grootsteden eigenlijk, waarin we met hem dagbaantjes aannemen, kamers huren, oorlogsbeelden verdringen en van daklozen tot penthouses, de gelaagdheid van het begrip ‘thuis’ in kaart proberen te brengen. En vooral is er de stad, de stad als wezen, waar Walker het hele boek grip op probeert te krijgen, vanaf de allereerste zin:

‘En daar verrees zij dan,/ glinsterend als een staande golf –  […] terwijl de wereld er op deze herfstochtend/ uiterst traag/ omheen draaide, in opperste verbazing.
Die focus op de stad wordt nog eens extra aangezet wanneer Walker, totaal onervaren, als journalist bij een krant gaat werken. De chef vraagt waar hij over wil schrijven.

‘Steden?’ 
‘Ja. Amerikaanse steden.’
‘Wat is er dan met Amerikaanse steden?’
‘Ze mislukken’. 

Het verhaal wordt verteld in een aanschakeling van fragmenten, door sterretjes gescheiden. Verschillende lettertypen duiden wisselingen in toon en tijd aan. Soms is er iemand aan het woord, soms praat de stad, dan vallen we weer midden in een dialoog of bestaat het fragment uit een zin die is blijven hangen, terwijl de rest van het gesprek lijkt te zijn weggewaaid. Cursieve stukken dienen niet alleen als terugblik, maar ook als een soort innerlijke dialoog van de tekst. Alsof de tekst in zichzelf praat, alsof ze denkt. Na twee bladzijden merkte ik dat ik me er al volledig bij had neergelegd, de gaten, het heen-en-weer-springen, de tekst die over zichzelf denkt. Prachtig hoe Robertson poëzie en vertelling heeft laten samenvallen. Ik hoop dat er een nieuw genre opstaat. 

Jan van Mersbergen

In 2019 las ik bijna iedere week een boek om op vrijdag een stukje over te schrijven. Wat er echt uit sprong, en in mijn ogen de beste Nederlandse roman van dit jaar: Vallen is als vliegen van Manon Uphoff. Persoonlijk, direct, beeldend en schrijnend, op een manier opgeschreven dat het tegelijk beklemt en ontroert. Echt een prestatie.

Een ander Nederlands boek dat opviel was van Dore van DuivenbodeMijn Poolse huis, voor mij het beste debuut maar non-fictie, dus niet het beste fictiedebuut van het jaar. In die categorie drie kanshebbers:

  • Irma Maria Achten, Augustus
  • Sacha Bronwasser, Niets is gelogen
  • Evelien Vos, Niemand keek omhoog

De eerste twee romans gaan over kunst, daar zal ik niks meer over zeggen. In ieder geval is Nederland twee sterke vrouwelijke schrijvers rijker, van Achten en Bronwasser gaan we nog veel moois lezen. Toch vond ik Niemand keek omhoog van Evelien Vos het beste debuut, vooral omdat de beelden sterk zijn, de toon dwingend en de zinnen eenvoudig. Een debuut dat eigenlijk al de schwung en doeltreffendheid van een ervaren schrijver heeft. Vertaalde literatuur was de hoofdmoot dit jaar, en daar zaten veel sterke romans tussen. De beste vijf:

  • Tommy Orange, Er is geen daar daar
  • Oliver Guez, De verdwijning van Josef Mengele
  • Cynan Jones, De wetten van water
  • Beppe Fenoglio, Dag van vuur
  • Euclides da Cunha, De binnenlanden

Dat laatste boek van Da Cunha biedt een onovertroffen leeservaring, maar is een oudje dat alleen nog in stoffige tweedehands zaakjes te vindenn is. Het mooie kleine boekje van Fenoglio is wel in druk, maar ook van een tijdje geleden. Het boek van Tommy Orange is indrukwekkend en schrijnend vanwege het onderwerp: de Natives in Amerika die alles afgepakt is, waaronder hun identiteit. Cynan Jones kwam met een erg sterke eco-roman, volgens de hem bekende witregelstructuur, en toch met een nieuwtje, want hij volgt in dit boek een flink aantal personages in losse verhalen die samen een geheel vormen. Het boek waar ik echt aan vastgezogen zat, vanwege het verhaal, het personage dat werkelijk bestaan heeft en gruwelijk was, de uitgebeende zakelijke stijl, het geweldige tempo en de vertelkeuze wat betreft de tijd waarin het verhaal speelt, was De verdwijning van Josef Mengele. Een bekend persoon met een vreselijke rol in het verleden enkel beschrijven in zijn periode in Zuid-Amerika, waar hij naartoe vluchtte en waar hij zijn daden probeerde te ontlopen. Uiteindelijk stierf Mengele in een treurige toestand in Brazilië. Je zou kunnen zeggen dat hij zijn straf ontlopen is want veroordeeld is hij nooit. De angst die hij dagelijks voelde en zijn venijnige kinderachtige jaloerse blik op zijn collega nazi’s die gewoon in het Duitsland van na de oorlog arts konden zijn, doen de lezer wel voelen dat Mengele in feite iedere dag gestraft werd. Dat geeft de lezer genoegdoening.

Thomas Heerma van Voss

Het afgelopen jaar las ik veel en ongestructureerd. Tenminste, ik las nauwelijks nog zoals ik jaren geleden deed en misschien ook wel het allerliefst lees: helemaal afgaand op mijn eigen belangstelling, aangewakkerd door een enthousiaste recensie, het oeuvre van een auteur of ongegronde interesse, kortom: op intrinsieke zin om een boek te lezen. Dat kwam deels omdat ik in de jury zat voor de Bob den Uyl-prijs (bestaat die nu nog?) en de Europese Literatuurprijs, taken die me bevielen maar ook tijdrovender bleken dan gedacht. Ook besprak ik elf romans voor De Groene Amsterdammer: veelal eigen keuzes, maar hoe dan ook uitsluitend buitenlands werk, dat maar net recent in vertaling verschenen moest zijn. (Aan goede voornemens doe ik niet, hoewel ik me regelmatig van alles voorneem, ook nu ik dit stuk schrijf: volgend jaar meer boeken lezen waar niks mee moet, en zodoende ook vaker een bijdrage leveren aan onze wekelijkse leesrubriek – dat voelde vaak vreemd met boeken waar ik in een andere hoedanigheid al iets mee moest.) Een voordeel van zulk jurylezen is dat er interessante boeken op je radar komen die je anders vermoedelijk over het hoofd zou hebben gezien. Zo las ook ik Dore van Duivenbode’s Mijn poolse huis, en ik was ontzettend gecharmeerd van dit boek. Een grappige, ontluisterende mengeling van memoir, reisverhaal, levensgeschiedenis – van Duivenbode schetst de Poolse afkomst van haar familie, hoe ze zich als kind schaamde wanneer haar oma weer eens iets onbeschaamds Pools zei, de lange busreizen die ze vroeger naar Polen maakte, het afgebladderde huis van de familie dat daar nu over is, hoe ze zich noch in Nederland noch in Polen helemaal thuis voelde. Boeiende geschiedenis, vaardig geschreven, en knap opgebouwd: het feit dat ze nu terug moet naar Polen geeft het verhaal een dwingende, overkoepelende structuur en de nodige vaart, dit boek wordt allemaal nergens te uitgebreid of zwelgend. Een aanrader. (Al is het boek geloof ik strikt genomen al uit 2018, maar ja, het werd in 2019 bekroond, dus dan past het hierbij.) Een andere favoriet uit Nederland: Manon Uphoffs geweldige Vallen is als vliegen. Over die roman hebben twee mede-redacteuren in deze rubriek al veel moois geschreven, aan die woorden heb ik weinig toe te voegen, maar wat een knap geschreven, bijzondere roman. Andere favoriet: Ivo Victoria’s Alles is OKÉHierover schreef ikzelf al eerder in onze leesrubriek, en ik had het genoegen om tijdens de presentatie ook een woord te mogen zeggen. Wat ik vooral knap vind is Victoria’s stijl – die trouwens ook opvalt in ons laatste nummer van dit jaar, daarvoor schreef hij een prachtig kort verhaal: hij schrijft scherp, soms bijna laconiek, onderkoeld komisch, en ondanks de vele beelden nergens overdadig. Het zorgt ervoor dat dit verhaal over een dementerende moeder beklijft, schrijnt, en af en toe – een moeilijkheid in het genre moederboek – werkelijk verrast. Want Alles is OKÉ is niet alleen het verhaal geworden over een vrouw wiens leven zich slechts nog op de vierkante meter afspeelt en haar naderende dood, het is zelfs niet alleen het verhaal van een zoon die zich eigenlijk geen raad weet met wat er gebeurt – het is ook een roman over dat schrijven zelf, over literatuur als middel om iets vast te houden wat onherroepelijk wegglipt. Dan merkt hoofdpersoon Hans bijvoorbeeld heel terloops op: ‘Aha! Ja, ik geef nu plots iets prijs wat ik zelf nog niet wist maar het lijkt te kloppen.’ Elders staat de veelzeggende passage: ‘Ik heb een volmacht, niet alleen om haar bankzaken te regelen, desnoods zelfs aar huis te verkopen, maar ook om maar hele leven vorm te geven in een verhaal dat iedereen zal troosten, alleen haar niet. Een verhaal dat alles de moeite waard maakt, voor mij.’ En dat verhaal is deze fraaie roman geworden. Vergelijkbare reflecties op schrijven zitten ook in Siri Husvedts Herinneringen aan de toekomst, een van mijn favoriete vertaalde romans van dit jaar, tevens het boek dat ik voor De Groene Amsterdammer heb aangedragen als favoriet van het jaar. Hoofdpersonage S.H., een 61-jarige Amerikaanse auteur, vindt in deze roman een oud dagboek van zichzelf terug en daarop ontvouwt zich een heel fraai, gelaagd verhaal: we krijgen sommige dagboekfragmenten zelf onder ogen, dus beschreven vanuit de jonge, ambitieuze S.H., en ook beschrijft Hustvedt de context van die fragmenten – waarbij we vanzelf merken hoe afstandelijk de hoofdpersone vanuit het heden op haar vroegere zelf terugblikt. En tussendoor wijst ze, à la Ivo Victoria zullen we maar zeggen, bijna nonchalant op haar macht als verteller: ‘Hier staat het me vrij om over decennia heen te wippen in de smalle witte ruimte tussen twee alinea’s’. En: ‘Ik heb beelden in mijn hoofd die beklijven, maar ik kan niet instaan voor hun betrouwbaarheid.’ Typisch een zinnetje waarmee Hustvedt haar vertelling onder extra spanning zet. Een boek dat niet gemaakt is om te pleasen, dit Herinneringen aan de toekomst, al lezende moet je je een beetje naar binnen vechten, door alle lagen heen, maar het loont zonder meer. Een andere vertaald werk dat me beviel, nee, zeg gerust die me overrompelde, was Geir Gulliksens Het verhaal van een huwelijkReeds verschenen in 2018, maar afgelopen jaar kwam de roman bovendrijven bij de Europese Literatuurprijs. Een geweldig boek, waarin een man van middelbare leeftijd het verval van zijn huwelijk ontleedt: precies, schrijnend, zonder verwijten of gescheld. Wat hij beschrijft voelt eerder als een onontkoombaar proces van twee geliefdes die uit elkaar groeien, en zoals de hoofdpersoon zelf jaren geleden wegging bij zijn toenmalige geliefde, geleidelijk en toen plotseling, verlaat zijn vrouw hem gedurende dit boek. Geweldig beschreven. Het was lang geleden dat ik zo opging in een roman – en er zo veel bij voelde. In al min enthousiasme raadde ik dit boek de afgelopen maanden overigens aan iedereen aan die het maar horen wilde en ik leende mijn exemplaar meerdere keren uit, maar inmiddels heb ik geen idee waar het gebleven is (gericht citeren gaat dus lastig) terwijl ik het eigenlijk alweer wil herlezen. Tips zijn welkom en worden beloond. Toch nog een voornemen voor het volgende jaar: dit prachtige boek opnieuw aanschaffen.

Daan Stoffelsen

Voor juryleden is het anders. Het voelt alsof ik mijn eindejaarslijstje al ingeleverd heb met de shortlistvergadering voor de Bookspot Literatuurprijs, en ik alweer bijna in de winterstop voor een nieuw seizoen zit. De Bookspot, of voorlopig Nederlandse Literatuurprijs, is net als de Booker Prize (het voorbeeld voor literaire prijzen in andere landen) en de Deutscher Buchpreis een zomerprijs. Zo kon mijn winterkampioen van vorig jaar, Marente de Moors Foon, op de shortlist belanden. Wat mij betreft mag die rijke roman over verhalen, vluchten en vergeten wel Europees door – maar het buitenland heeft nog niet gehapt, lijkt het. Wel bij Manon Uphoffs Vallen is als vliegen (Pushkin Press gaat het uitgeven!), dat voor mij net als bij Jan erboven uitsteekt dit jaar. Ik gun Jans warme puzzelroman wel de tweede plaats bij de NRC Lezersprijs, maar dan achter Uphoffs boschiaanse, Andersensprookje van misbreuk en overleving. Grimmige, oorspronkelijke beelden wisselen soberder beschrijvingen af – en dat is al bijzonder. Dit aspect neigt naar een buitenliteraire kwaliteit: in een conventionele geschiedenis van afkomst en jeugd, onconventioneel verteld, sluipt de misbruik binnen. Het knappe van Uphoffs roman is dat ze niet zwelgt in slachtofferschap, verklaart maar niet verontschuldigt, en dat ze meer doet dan een verhaal vertellen: ze onderzoekt de herinnering, de verdringing, het geweld en het overleven. Ik las veel meer dit jaar, en ook al in de tweede helft. Mijn buitenlandse uitstapjes uit een zee van verplicht Nederlands lezen waren traditionele favorieten: Sarah Hall en Valeria Luiselli. De een een koningin van het korte verhaal, de ander een telkens verrassende schrijfster, ditmaal van een uiterst intelligent én empathisch onderzoek naar migratie en scheiding. Luiselli brengt in Archief van verloren kinderen de stemmen van een moeder, haar kinderen, en een groep vluchtelingen in een schurende balans, roept emotie op en reflectie, en geeft op het slot nog een superieur lesje perspectiefwisseling in één enorme zin. Ik merk dat naast de technische kwaliteiten van zo’n roman, de betrokkenheid die ik krijg bij personages en verhaal, de maatschappelijke kant voor mij ook meetelt. Iets wat in de voortreffelijke essaybundels van Laura Broekhuysen (migratie en inburgering) en Charlotte Van den Broeck (kunst en zelfmoord) al ingebakken zit, maar wat Luiselli en Uphoff onderscheidt van andere geweldige romans van dit voorjaar, en wat ook mijn grotere enthousiasme bepaalt voor Stephan Enters bescheiden roman Pastorale boven het fysiekere Zwarte schuur van Oek de Jong. Enter heeft een rustige, subtiele roman geschreven die in karaktertekening, dialoog, enscenering en plot overtuigt, maar ondertussen de breuklijnen in een dorp blootlegt. Zijn de verschillen te overbruggen? Hoe dan? Het zijn relevante vragen, niet alleen voor een fictief Barneveld van enkele decennia terug.

Laura Esquivel, Sanneke van Hassel, Niels ‘t Hooft: de redactie las een klassieke roman met een op het eerste oog eenvoudig liefdesverhaal, een sterke verhalenbundel en een app waarin je je onderdompelt.

*

Daan Stoffelsen: Sanneke van Hassel, Nederzettingen, en Niels ‘t Hooft, Lotus

Het heeft iets gevaarlijks, dat heeft Jan hier ook vaak genoeg benadrukt, om een schrijver als hoofdpersoon op te voeren. Iets gemakkelijks ook, misschien. Maar in ‘In onze straat’, het openingsverhaal van haar nieuwe bundel Nederzettingen maakt Sanneke van Hassel er heel handig gebruik van. Sowieso zet de titel het decor en ook het thema van de bundel goed neer: we zijn in de stad, in onze stad, en ons leven strekt zich uit buiten ons huis naar onze straat.

Bijvoorbeeld als de scooter van een jongen om is gegaan door het balspel van twee buurjongetjes.

‘Nu ik dit opschrijf denk ik: een Marokkaanse Nederlander, geen Marokkaan. En vervolgens dat ik eigenlijk zou moeten zeggen: een Nederlander, want zover zijn we inmiddels wel – wat het niet makkelijker maakt als je als schrijver even losjes een personage wilt neerzetten,’ denkt de ik. En even later over een van de buurjongetjes: ‘Nu denk ik: wat doet het ertoe waar al die mensen en hun voorouders vandaan komen? Maar voor de verwachtingen en het gedrag van de vrouwelijke hoofdpersoon deed het ertoe. En dit verhaal is character driven, wat betekent dat haar ontwikkeling in grote mate bepaalt hoe het verder gaat.’

Door dit soort overwegingen wordt de verteller méér dan een bezorgde buurvrouw, méér dan een personage dat toevallig een schrijver is; ze twijfelt over hoe ze zich verhoudt tot de ander én tot de lezer. Ze begeeft zich dubbel in de publieke ruimte. Het is een vorm van essayistiek binnenin een verhaal, dat deze vrouw diepte geeft, een bredere reikwijdte dan die van zomaar een buurvrouw. 
Verderop vraagt de vader van een van de buurjongetjes of zij het schadeformulier voor hem wil invullen:

‘”Ja hoor,” zei ik. “Ik weet niets van scooters, maar wat er allemaal gebeurd is opschrijven, dat kan ik wel.” Als ik straks zou gaan opschrijven wat er vlak bij mijn huis was voorgevallen, zou daar dan een verhaal in zitten? Wist ik genoeg van deze mensen om geloofwaardige personages van ze te maken en ze enige diepte te geven? En wat was precies het conflict?’

Misschien is het mijn literaire bubbel, maar ik vind zulke overwegingen niet alleen zinnig (zijn mensen in de dagelijkse omgang dan wel meer dan oppervlakkig, zijn ze geloofwaardig?) maar ook erg geestig. Want in deze fase van het verhaal weten we: dit zijn realistische personages, die voorbij de clichés van hun achtergronden treden, en dát is het conflict. Tussen de aannames van het dozijn personages (‘Als ik een schrijfcursus geef, adviseer ik om in een kort verhaal het aantal personages beperkt te houden.’) namelijk.

Wees gerust: in de rest van het zestiental verhalen (twee ervan werden, waaronder het titelverhaal, werden ook in De Revisor gepubliceerd) zijn ook niet-schrijvers de verteller. Al zit er een prachtig verhaal in waarin de ik over haar kind schrijft – en dat lijkt geen fictie te zijn, en zijn het overwegend vrouwen in de culturele hoek. Een Kaap-Verdiaanse buschauffeur, een advocate, een Amerikaanse toerist met Rotterdamse wortels, veel freelancers. Maar allemaal verblijven ze in die tussenwereld die we burgerlijk noemen: gebonden aan gezin en werk, half geworteld in een huis, in een straat, betrokken bij de wereld maar uiteindelijk stellen ze vast: ‘Maar ‘s avonds ben ik te moe, misschien omdat het eerder donker wordt.’ Ze willen verder reiken, ze zoeken vluchtmogelijkheden, maar eigenlijk is het ook gewoon wel goed.

Dat suggereert een bepaalde grijsheid, een middelmaat, maar het conflict in de verhalen van Van Hassel zit in de psychologie, in aannames en verwachtingen. (Lees dat titelverhaal!) Dat de werkelijkheid daar niet aan beantwoordt, is bijna een gegeven – maar de spanning is er niet minder om. 
Stiekem geloof ik – en dat geeft diepte aan de bundel – ook dat Van Hassel met de titel van haar openingsverhaal, en met een songtekst in het mozaïekachtige slotverhaal, speelt met twee liedjes waarvan ik de teksten vaak door elkaar haal: ‘Our House’ van Madness (‘in the middle of our street’), dat vrolijk is, maar vooral sociaal-realistisch is, en het romantische ‘Our House’ van Crosby, Stills, Nash & Young. Tussen het werkelijke huis, mooi maar ook vol (‘Mother’s tired, she needs a rest’), en het droomhuis. En daar dan – zoals in dat slotverhaal ‘Juni’ – op het randje van leven en dood uitgetakeld worden.

*

Het is dat volgende week niet ‘Deze week gelezen’ maar ‘Dit jaar gelezen’ op deze site komt te staan, anders had ik nog even de tijd genomen voor het nieuwe werk van Niels ‘t Hooft. Want je kunt Lotus in een avond in zijn geheel ervaren, lezen, beluisteren, het is een ‘meditatieve novelle’, het is een app met verschillende achtergrondkleuren en -geluiden en -muziek, waarin het verhaal in porties wordt opgediend, gemaakt door ‘t Hooft, kunstenaar Saskia Freeke, gamestudio Codeglue en audiostudio SonicPicnic. Dat is een ervaring, iets waar je in opgaat, zelfs als je, zoals ik, de app nog gefragmenteerder leest tijdens mijn forensenuurtjes naar Amsterdam. Maar daardoor vind ik het moeilijker er iets over te zeggen dan over een roman in folio.

Lotus is het verhaal van Luc Numan, een jonge programmeur die succes zoekt op een gamebeurs in L.A. Luc is het talent, zijn compaan Brent is de verkoper, maar allebei zijn ze niet erg goed in hun ideeën voor het voetlicht brengen. In negen korte hoofdstukken leidt ‘t Hooft je door de aanloop, het verloop en de afloop van hun kansloze missie. Want ze hebben ideeën, maar geen afspraken, plannen maar geen strategie – en hoewel ze onwaarschijnlijk interessante mensen ontmoeten, lukt niets.

Lotus is een soepele app, die het verhaal heel vloeiend brengt met mooie beeldeffecten (de bloembladeren van de lotus verbeelden de opbouw van het verhaal) maar geen beeld, en ‘t Hooft schrijft goed. Ik heb screenshots gemaakt: ‘Als pelgrims die weten dat ze morgen Mekka zullen bereiken vallen ze in slaap, verbroederd en vastberaden.’ Iets langer:

‘Er trekt een wolk voor de zon. Geritsel van jacks, truien, hoodies op het duinterras. Dan trekt de wolk verder en herhaalt de verkleedpartij zich, in omgekeerde richting. Een versleten luxaflex die ongelijkmatig opent en sluit, met Smith als roerloos middenpunt. Geen moment heeft hij overwogen zijn kabeltrui uit te trekken.’

Dat zie je voor je, toch? Geestig beeld. Maar het supermeisje Yumi roept een wat vergezocht beeld en een paar moeizame zinnen op:

‘Yumi duikt op. Felkleurig jurkje, strakke paardenstaart, felkleurige en strakke lipstick. Ze staat midden in het gewoel, het lijkt alsof iedereen met een boog om haar heen loopt, de toverboom op de open plek van het magische woud. Luc en zij maken oogcontact en Yumi komt haar belofte na om te kijken of ze iets kan doen. Sterker nog, ze doet iets.’

Die laatste twee zinnen zijn eigenaardig, daar wordt een hele scène veel te kort samengevat. En dit soort duidende opmerkingen – ‘Gepriegel met details om de kern niet te hoeven raken’ – terwijl we middenin de gebeurtenissen zitten, vind ik minder sterk. Die komen meer tot hun recht aan het einde van elk hoofdstuk, waar de vertellers met bijna essayistische opmerkingen over games, verhaal, simulatie en werkelijkheid de simpele handeling verdiepen: ‘Achteraf is alles helder, de bloem laat het in één oogopslag zien. Het is een naaf-en-spaaksysteem van herinneringen.’

Dat is mooi gezegd, al kan ik die ene oogopslag minder makkelijk reproduceren, het lezen in porties werkt wel – ik ga mee in het verhaal – en werkt niet – ik wil terugbladeren, ik mis overzicht. Ik stuit op mijn eigen beperkingen. Maar ‘t Hooft slaagt er dus wel in me onder te dompelen in het verhaal. Ik bén in deze even exotische als unheimliche nepwereld van zon en games, ik deel de fascinatie van Luc voor Yumi, en voor de Japanse programmeurstweeling, en ik baal ervan dat het klaar is.

Ja, misschien is dat mijn voornaamste bezwaar: Lotus is een geheel, het is af zonder alles prijs te geven, maar die personages verdienen meer, een Peter Buwalda-achtige opzet (Yumi heeft wat Isabelle Orthel-achtigs) en reikwijdte. Tegelijk: is dat niet wat literatuur vermag? De luxaflex openen en net genoeg zien van de werkelijkheid of een simulatie van de werkelijkheid.

De Bezige Bij gaf Nederzettingen uit. Lees daar ook een fragment (PDF). Immer geeft Lotus uit, met steun van het Letterenfonds.

Jan van Mersbergen: Laura Esquivel, Rode rozen en tortilla’s

Als de stapel nog te lezen boeken klein is en de ruggen me weinig aanspreken wil ik nog wel eens een boek uit de kast halen dat ik jarenlang bewaard heb, maar waarvan ik bijna vergeten ben hoe goed en waardevol dat boek eigenlijk is. Zo haalde ik afgelopen week de dunne gele Rainbowpocket van Laura Esquivels Rode rozen en tortilla’s uit de kast.
Tijd om te herlezen, want herlezen brengt nu eenmaal nog meer dan gewoon lezen. Niet de eerste ervaring, die gaat over de verrassing van het nieuwe, over meegezogen worden, over het leren kennen van personages, verhaal, verteltrant. Herlezen gaat over verdieping. Tijdens het herlezen ontdek je pas echt waarom een roman goed is.

De oorspronkelijke titel is Como agua para chocolate. Dat zou letterlijk ongeveer zijn: Als water voor chocolade. Mijn dochter heeft sinds kort Google Translate ontdekt en zocht het voor me op. Komt dichter in de buurt van het verhaal, maar toch koos destijds uitgeverij Arena, onderdeel van Meulenhoff, de grootste Latijns-Amerikaanse uitgever in Nederland, voor de rode rozen.
Mijn dochter vroeg: Waarom die titel?
Ik wist dat niet zeker maar vermoed dat een roman van een Mexicaanse schijfster bij de Nederlandse lezer het beste direct iets van Mexico op kan roepen. Dat weet de lezer: we gaan iets exotisch lezen. Dus ik vroeg mijn dochter: Waar denk je aan bij tortilla’s?
Lekker eten, zei ze. Mexicaans eten.
Dat is precies waar het boek over gaat. En die rode rozen dan? vroeg ik. Waar staan die voor?
Voor liefde, giechelde ze.

Al met al dus een perfect vertaalde titel, als een meisje van twaalf met behulp van een vertaalprogramma en een paar sturende vragen kan komen tot de eerste indrukken die een boek helpen om in de winkel van de plank gepakt te worden. In ieder geval beter dan: Als water voor chocolade. Dat klinkt eerder Hollands, of desnoods Frans, dan Mexicaans.
Slim dus, zoals dit hele dunne boek slim is opgezet en geschreven. Het familieverhaal is helder, omvangrijk, dwingend en maakt perfect onderscheid tussen de personages. Een op het eerste oog eenvoudig liefdesverhaal, dat toch ingewikkelde wendingen kent. En de recepten die de basis van de verschillende hoofdstukken vormen zijn speels en interessant.
Hoofdpersoon Tita is veroordeeld om ongehuwd te blijven, zoals de flaptekst meldt. Haar zus kan wel trouwen en wordt door de moeder uitgehuwelijkt aan de man waar Tita verliefd op is. Mooi simpel gegeven. Wat gebeurt er dan met zo’n vrouw, die verder in de keuken opgegroeid is en erg bedreven is in koken? Ze maakt de maaltijd voor de bruiloft, maar met zo’n verdriet dat haar tranen mengen met het eten. Dat heeft een bijzonder effect op de gasten van de bruiloft. Ze kan niet alleen eten bereiden, als haar zus een baby krijgt en er zelf zo slecht aan toe is dat ze het kindje niet kan voeden lukt Tita dat wel. Ze blijft contact houden met de man, Pedro, die Tita wel de liefde beloofd heeft maar ook klem zit in dit huwelijk.

Een voorbeeld van een andere dwingende gebeurtenis die logisch volgt uit hoe de personages verweven zijn: de moeder van Tita is streng en leidt de hacienda. Tita zorgt voor haar moeder en voor de baby van haar zusje die met haar geliefde getrouwd is. De dokter van het dorp is verliefd op Tita. De baby moet elders ondergebracht en komt zonder Tita om. Tita verzet zich eindelijk tegen haar moeder, die besluit dat haar dochter gek geworden is. De dokter brengt haar naar het gekkenhuis, maar houdt haar thuis. Alle wendingen kloppen precies en toch zijn ze als verhaal moeilijk te verzinnen. De gemeenschap is klein, de familie dominant, de motieven zijn liefde en dood.

Zo gebeurt er in ieder hoofdstuk voldoende om de aandacht vast te houden, om mee te gaan in de recepten die de basis van het verhaal vormen, en om over de soms wat expliciete uitdrukkingen en uitroepen met uitroeptekens heen te lezen die het gevoel van Tita moeten verwoorden. ‘Ze miste Nacha verschrikkelijk. Ze haatte iedereen.’ Bij deze roman duwt het verhaal me over die zinnetjes heen, min of meer omdat ik ook dertig jaar nadat dit boek verscheen nog denk: dat zal wel de Mexicaanse insteek zijn.
Dat is een mooi effect van goede vertaalde boeken (door Francine Mendelaar en Harriet Peteri): ze kunnen door hun bekendheid en manier van vertellen en het onderwerp staan voor een compleet land waar we in Nederland vrijwel niks van weten. Wonderlijke gebeurtenissen in dit verhaal neemt de Nederlandse lezer achteloos aan. Hopelijk werkt dat andersom ook, dat lezers in Mexico met een vertaald Nederlands boek in handen denken: dit is nou het echte Holland.

Boekerij geeft Rode rozen en tortilla’s uit.

Stephan Enter, Richard Osinga: de redactie las een mooie, broeierige roman die subtiel grote verschillen aanraakt, en een mozaïekroman met mindere en ijzersterke verhalen.

*

Daan Stoffelsen: Stephan Enter, Pastorale

Het was de ochtend na de winnaarsvergadering in Leeuwarden, mijn ontbijtgezelschap was nog niet op, maar ik was al buiten geweest, het was al licht en vijf graden. Dus ik schoof de lekkere stoel naar het raam en pakte mijn boek. Ik begon aan Stephan Enters roman Pastorale, een zomer ontplooide zich. De vijfde, weer een titel van één woord, en net als bij zijn vorige romans deed hij er ongeveer vier jaar over. Uit zulke termijnen spreekt al een zekere ambachtelijkheid, en misschien impliceert dat saaiheid – dat is in Enters geval onterecht. Hij schept sfeer, creëert heel precieze scènes, natuurlijke dialogen, maar ook drama, een wereld van conflicten, die in Pastorale althans van de hoofdpersonen afglijdt. Een erg mooi en goed boek.

Zo begint het: ‘Oscar liet de woorden van de leraar los – hij wist alles al. De hele klas wist het al, van het ongeluk.’

*

Het lijkt alsof ik hier een voorschot neem op de Bookspot Literatuurprijs 2020. Dat is niet helemaal zo. In de eerste plaats: wat in de jury gezegd wordt, blijft in de jury. Zo hoort het. Je kunt hier gissen naar mijn smaak (een afgrijselijk woord, een gevoel dat suggereert dat argumenten ontbreken) en poëtica (iets vergelijkbaars, maar dan iets wat schrijvers én lezers kunnen hebben, iets waar je wel over kunt praten), maar wat hier staat, is slechts een beginpunt, en een van de zeven – een jurylid is nooit alleen. 
En ten tweede: de organisatie is helemaal niet mijn zaak. Ik ben even een jurylid zonder literaire prijs, althans een prijs zonder prijzengeld en naam (mijn voorstel: de Boekprijs, parallel aan beroemde najaarsprijzen als de Buchpreis en de Booker. Misschien de Losse Boekprijs, om het onderscheid met de Vaste Boekenprijs te onderstrepen), en dat voelt vertrouwd, als een recensent zonder krant, misschien is dat mijn functieomschrijving.
Maar wat mij opviel, afgelopen week bij de uitreiking, een week na de eerste zin van Pastorale, was dat 1. de schrijvers net als hun boeken heel aardig en slim waren, wat mij betreft zetten we ze vaker bij elkaar, voor langere gesprekken, en 2. het jurywerk als een corvee werd benoemd. Dat is onzin. Honderden boeken beoordelen is een klus, vooral omdat de paar mooiste en beste boeken de vele mindere boeken wel erg veel minder laten lijken, en dat kost tijd en ruimte (ca. twintig dozen boeken zoeken een andere plek). Maar een winnaar is nooit alleen, je treft auteurs die je niet eerder las, proeft debuten en leest je in in onderwerpen die nooit op je pad kwamen. Ik ben een ontdekker zonder Nieuwe Wereld, en dat voelt heel comfortabel.

Ook in die zin is Enter lezen geen jurywerk, net als mijn andere leeservaringen van de afgelopen weken, zijn boeken zijn van het Oude Continent, gekende kwaliteit. Maar ongetwijfeld gaat dit boek mee, als de jury weer aan de slag gaat.

*

Die eerste zinnen van de roman zijn al erg sterk: we leren meteen Oscar kennen als een goede, afwezige leerling (5-VWO), en het verhaal begint. Dat ongeluk is de katalysator van de roman, van Oscars deel van de roman, dan. Want zijn zus, Louise, een overtuigd atheïst en studente Engels die besloten heeft te stoppen met haar minnaar en haar studie, volgen we in de andere helft. Ze spreken elkaar amper, ze leven deze hele landerige zomer langs elkaar heen in Brevendal, het dorp waarin dat sowieso de standaard is.

Want Jonkie heeft een ongeluk gekregen, en Jonkie is een Molukker, en die gemeenschap leeft totaal gescheiden van de Nederlanders in Brevendal (Enter groeide op in Barneveld, ik herken als streekgenoot een aantal locaties). En Brevendal wás al gesegregeerd langs de lijnen van kerkgenootschappen. ‘Er werd gegroet en begroet, zij het vooral naar leden van gelijke gemeente – ten opzichte van andersgezinden werden blikken discreet ontweken; naar de al te gehaaste fietser en de te frivool gekleden werd wel weer gekeken maar met afkeuring,’ schrijft Enter. 
In dat dorp is het wonderbaarlijk dat Oscar bevriend raakt met Jonkie – hij moet hem zijn huiswerk thuisbrengen – en verliefd raakt op diens zus, en dat Louise vriendschap sluit met Maarten, de zoon van de nieuwe dominee. Maar het gebeurt, en het levert mooie scènes op, confrontaties die geen pijn doen maar wel broeien – de ontmoeting met die Molukse zus, een etentje daar, Louises roeitochtje met Maarten, de familiemomenten in het versleten landhuis waar ze wonen. En in toenemende mate pijnlijke scènes die Enter bijna zakelijk afhandelt, het is helemaal niet zo’n pastorale, dat Brevendal.

Enter doet dat heel knap, in afwisselende hoofdstukken. Broeien is wel het juiste woord, al heeft een goed verstaander genoeg aan een half beeld. Direct na de eerste twee zinnen lijkt de in geloofs- en dorpsgemeenschap gevangen Brevendaller in beeld te komen:

‘Zijn aandacht zwenkte – via de formules op het krijtbord, de reikende vinger van een jongen links vooraan – en kwam tot stilstand bij de uit zonlicht gegoten vensterbank naast hem, waar een bromvlieg zich woedend stukvloog op het raam. Oscar hoorde zichzelf zuchten; er was een groot verschil tussen hem en het insect – want dat was onvermoeibaar, het stortte zich keer op keer met blinde haat op de transparante barrière die het van de vrijheid scheidde.’

‘De uit zonlicht gegoten vensterbank’, ja. Het loopt niet goed af met deze vlieg. En er zijn meer momenten dat je Pastorale symbolisch kan lezen. De roeiscène is een pure idylle:

‘Hij knikte, scheen zich nu op zijn gemak te voelen. Ze bracht de sigaret naar haar mond, hield hem daar, voelde zich opgaan in de trage voortgang van de boot en van het landschap dat haar steeds opnieuw omsloot en dan opeens weer achter haar wegdreef. Het bos trok zich terug, de hemel spande zich weids en leeg boven haar. Aan weerszijden schoven de oevers kalm voorbij, vol gezoem en vlinders en bloeiende kruiden en zo dichtbegroeid dat alles wat zich erachter bevond verborgen bleef. Ze sloot haar ogen even. Luisterde naar het zachte ritmische geklok en geplons van de riemen en ver in de hoogte het ijle gegil van gierzwaluwen. Het leek lang geleden dat ze dit had ervaren – dat de wereld nergens zo vredig was als op een boot in het water. De zon drong met een karmozijnen gloed door haar gesloten oogleden; soms veranderde de tint – als ze door de koele schaduw onder overhangende takken schoven.’

Verfijnde natuurlyriek, waarin het gesprek kabbelt en langzaam de wind opsteekt. ‘De zon verdween achter een wolk.’ En dan: ‘Aan de horizon welden blauwgrijze wolken. Daarboven leek de zon weg te zinken in een parelmoeren holte.’ Ik twijfel, Jan, of karmozijn en parelmoer in jouw categorie van zilverig en theegroen passen, maar het klopt wel, Enter schept hier een onbezorgde sfeer, ver van de omgeving die Louise en haar nieuwe vriend beklemt. Heel makkelijk kan Louise hem zeggen dat ze stopt met haar studie. Moeizamer gaat het als Louise hem wat vraagt:

‘“Geloof je nog?” vroeg ze.
Hij lachte, schudde kort zijn hoofd zonder zijn roeibeweging te onderbreken.
“Heb ik iets geks gezegd?”
“Nou – dat nog verraadt al alles.”
“Zoals?”
“Dat jij het normaal vindt om niet te geloven.”’

(Een heel natuurlijke dialoog, tussen gelijken.) En dan zet het onweer in, bij de terugtocht komen ze vast te zitten, drijfnat komen ze thuis. Het lijkt dus even met elkaar op te gaan: het oneens zijn en het verslechterende weer. Maar het is eigenlijk een boek lang bijna uitsluitend lekker weer. En wat verwacht je anders in een Pastorale dan dit idyllische landleven? Alleen dwalen de schaapjes af. De idylle is bedrieglijk, als je de zon volgt (24 x in het boek, 11 x zonlicht) stuit je op het gewelddadige dieptepunt van het boek: ‘Op dat moment stompte iemand hem vol in zijn gezicht en werd alles om hem heen helwit – alsof hij op een mooie middag achterover in het gras lag en in de zon staarde.’

Het is ook de laatste zin van een hoofdstuk, punt, waarna Enter Oscar wat tijd gunt om te herstellen. Het gaat daarna amper over de pijn, en zowel broer als zus blijken in de roman ijzersterk in het wegredeneren van moeilijke episodes, en over de vervelende dingen heenpraten, wat een bedrieglijke oppervlakkigheid geeft. (Tegelijk spreken ze elkaar amper, wat nog tot nieuwe misverstanden en een laatste ongemakkelijke confrontatie lijkt, en waarna alles weer terug lijkt in zijn oude groeven.) Bedrieglijk, want juist door de verbroedering tussen Oscar en Jonkie en tussen Louise en Maarten zie je de grote verschillen, de onmogelijkheid die te overbruggen, de eindigheid van deze zomer die op zich al in al die scènes het einde in zich herbergde. Op pagina één, Oscar: ‘En hij wist, met grote innerlijke zekerheid, dat het leven dan iets wonderbaarlijks voor hem in petto had – dat ergens in de toekomst, op een onbekende plek, een heel bijzonder geluk op hem wachtte.’

En halverwege, Louise: ‘Maar je kon nog zo veel terughalen – en ze doorzag opeens dat dit het was, dat dit het wezenlijke was waardoor die herinneringen haar vanochtend ontoereikend en armzalig hadden toegeschenen: er zou altijd iets aan ontbreken en dat was de verwachting, de eindeloze mogelijkheden naar de toekomst die elk moment in zich had meegedragen. Herinnering had geen hoop, geen fantasie, geen spanning. Zelfs al lukte het je alles weer voor de geest te krijgen, elke beweging, kleur en geluid en elke geur van een bepaalde situatie, dat ene, de verwachting, was er voorgoed uit verdwenen – dat zou je, behalve misschien soms in een droom, nooit meer terugkrijgen.’

Maar is er überhaupt een toekomst? Deze broer en zus denken na over het open einde waarmee Enter dreigt – maar ze hebben geen antwoord. Dat is even hoopvol als droevig.

Van Oorschot gaf Pastorale uit.

Jan van Mersbergen: Richard Osinga, Wie de rechtvaardigen zoekt

Aan de basis van de nieuwe roman van Richard Osinga — Wie de rechtvaardigen zoekt — staat het idee van de rechtvaardigen, zesendertig mensen die door de eeuwen heen op aarde zijn en zonder wie de aarde vergaat. Of zoals Alexander Süßkind het in de dertiende eeuw verwoordde: ‘Die personen, die elkaar niet kennen, houden de wereld in stand.’
Loopt er nog een rechtvaardige rond, dan zitten we goed. Schitterend idee, want wie zijn die rechtvaardigen? Osinga zoekt ze op, in zesendertig hoofdstukken die terugtellen naar één.

Rechtvaardig, dat ben je door kleine dingen.
Borges beschreef ze: wie een slapend dier aait, wie met plezier de wortel van de boom ontdekt, de pottenbakker die een kleur en vorm bedenkt. Heel mooi idee.
Helaas is de laatste rechtvaardige in Auschwitz vermoord. Of zijn er nog rechtvaardigen?

In een sterke beschrijvende derde persoon vertelt Osinga over de verschillende personages, en over de linken die zij wellicht hebben met elkaar, als rechtvaardigen.
Opvallend aan de manier van vertellen zijn de uitgebreide gesproken dialogen, die Osinga volledig weergeeft, en de lengte van de gesproken tekst. In het eerste stukje wordt ene Xin gevolgd die met haar vriendje Vasili een gesprek voert over slimme algoritmes en over technische manieren om het aantal kliks die een krantenkop gaan krijgen te voorspellen. In het gesprek neemt Xin zestien regels het woord, zonder dat de ander reageert, iets vraagt, knikt of afhaakt, en ze is nog niet klaar, want: ‘Ze kijkt naar haar gelakte nagels en vervolgt voordat Vasili weer iets vriendelijks kan zeggen.’ En weer praat ze zes regels.
Dat is een monoloog van ruim tweehonderd woorden, over een interessant onderwerp, zeker voor de lezer, maar de dynamiek die een gesprek tussen twee personages kan hebben is ver te zoeken. Bovendien is het heden waarin het gesprekje plaatsvindt op die gelakte nagels na onzichtbaar. Veel informatie dus, en zelfs de personages lijkt dit te beseffen:

‘De conclusie is het dat niet werkt, zegt Vasili droog.’

De jongen met Oost-Europese roots heeft wel door dat Xin doorratelt, en gelukkig weet Osinga het ook. Hij schakelt snel verder, terug naar de rechtvaardigen en Borges, waar Xin van op de hoogte is. Xin gaat zoeken. Ook heeft ze nog een plan uitstaan waarbij alle informatie die in boeken aanwezig is op een Google Translate-achtige manier wordt bijeengeraapt. Spannend inventief idee, dat ver van mij en van het personage afstaat. Ik wil die rechtvaardigen zien die een slapend dier aaien of een pot bakken. Maar dat is natuurlijk wat Xin doet, in onze tijd. Even nadenken, en het cirkeltje is rond.

In het tweede stukje komt Terzin Kamilov in beeld. Hij gaat direct dood en zijn zoon stoort zich aan de gebrekkige internetverbinding. In vier korte alinea’s zet Osinga weergaloos de wereld van deze vader en zoon neer. Verder in dit mooie hoofdstuk wordt iedere paragraaf begonnen met dezelfde eerste zin: Terzin die zijn laatste adem uitblaast. Die truc maakt het verhaal wat op zichzelf staand en vormelijk, het vraagt wel iets om door te lezen. Toch is het verhaal van deze mannen helder, strak en aangrijpend. Ook afstandelijk, en juist dat is mooi gedaan. Koel vertellen brengt meer over op de lezer dan het invullen van de emoties van Xin in het vorige hoofdstuk.
Het teruggrijpen op een verleden werkt minder soepel. Ik wil die vader zijn laatste adem uit zien blazen, en wellicht is het een kapstok om zijn verleden en dat van zijn zoon aan op te hangen, wanneer er nog verder terug in de tijd gekeken wordt, en scènes grotendeels in de voltooid verleden tijd geschreven zijn, moet de lezer te ver terug. Dat is te ver weg. De adem van Terzin was zijn laatste, een adem zo ver weg is niet voelbaar.
Vertellen over een handeling in 1307 is geen probleem: ‘Hij stierf op Yom Kipoer in 1307.’ Prima, maar in het hoofdstukje over de Russen wordt net het moment voor zo’n gebeurtenis verteld: ‘De jongen had de kamer verlaten voor Terzin zijn uitleg had kunnen geven.’ Had verlaten en had kunnen geven, dat zijn vijf werkwoordvormen, terwijl drie voldoende zijn: ‘De jongen verliet de kamer voor Terzin zijn uitleg kon geven.’ Gezien de tijd klopt het wel, het leest alleen zo stroperig.

Heerlijk, als Osinga in het volgende hoofdstukje de tegenwoordige tijd aanhoudt. In ieder geval de eerste bladzijde. Dan lees ik de film van wat er nu gebeurt, en dat is een mooie film. Dan sla ik de bladzijde om en is daar weer het verleden van de opgevoerde Mirza, en na een witregel schuif ik weer verder weg in de voltooid verleden tijd. Ik wil die Mirza nu volgen. Het is dus even zoeken naar het nu, dat verderop weer terug komt. Het geschuif met tijden maakt het wel moeilijk constant mee te leven met deze mensen. Het is Back to the future, maar dan op iedere bladzijde heen en weer terug.
Jammer, want de beelden en verhalen en de verteltrant in het nu zijn heel goed. ‘Ze kijken naar de sneeuw,’ sluit een passage af. En verderop wordt een stukje beëindigd met: ‘Ze slenteren verder door de sneeuw.’ Laat me lekker met die mensen naar de sneeuw kijken en slenteren. Dat is voldoende, dan leef ik mee, dan voel ik mee. De lading die het verleden moet geven doet de sneeuw vervagen en leidt mij als lezer naar mijn hoofd. Naar Zwitserland, de herfst, een concern met een deeltjesversneller. Sneeuw, dat zijn voldoende deeltjes.

Die lange monologen, verpakt als dialogen, past Osinga vaker toe. Dat leest stroef. Neemt niet weg dat er ook erg sterk geschreven stukken in staan, die kernachtig zijn en een eenvoudig idee omvatten, zoals het verhaal van de dronken tangodanser in Bangkok, een mooie combinatie van plaats, tijd en personage, en het verhaal van de man die voor Buitenlandse Zaken moet beoordelen of asielaanvragen in orde zijn.
Hij verzint een bepaald kenmerk van een geloof, zoals dat het verboden is om krukjes met drie poten te fabriceren, en als er dan in Nederland een man asiel aanvraagt omdat hij in zijn thuis land dat soort krukjes maakte, dan is direct duidelijk dat het verhaal onzin is. Het verspreiden van verzinsels om de waarheid te achterhalen. Het verzinsel is ter plekke een geloof geworden, want zonder dat de gelovigen weten waarom bidden ze richting Jeruzalem. Het is gebaseerd op een oud verhaal. Het verzinsel heeft de realiteit achterhaald. Bijzonder mooi verhaal, en bovendien strak opgeschreven en verweven met de gezinsvorming van deze man, die gezien de achtergrond van Osinga (diplomatiek) sterk op de schrijver zelf lijkt.

Zo wisselen sterke passages en hoofdstukken die erg op afstand zijn en die vooral opgebouwd zijn volgens de stugge vertelvorm waarin een van de personages uitgebreid het woord neemt, als een monoloog of preek, elkaar af. De derde persoon werkt goed als het verhaal klein, persoonlijk en kernachtig is. Niet als personages de ruimte nemen bladzijden lang te vullen met hun ideeën. Een hoofdstuk over revolutionairen zit vol theorie over geloof en het verlies van God en vertrouwen, en wordt afgesloten met een zin over een vader en een zoon: ‘Hij leidt hem naar de moestuin en legt de hand van zijn zoon op de bloesem van de komkommer.’
Dat voelen en het contact tussen vader en zoon vertelt meer dan de eindeloze monoloog die de vader daarvoor afstak over het bestaan van God, de Koran, moslimjongeren en bloesem. Een monoloog is moeilijk te voelen.

Op deze manier, met deze vertelvormen en de op het eerste oog lukraak gevonden personages die over de hele wereld opduiken – een Zweedse, een Serviër, eentje met een moeilijke Arabische naam, personages op Calabrië, Japan, in Ethiopië waar opeens een ik-verteller het woord neemt, in India – is het moeilijk mee te leven. De lezer weet dat er een verband moet zijn, en de afzonderlijke hoofdstukjes geven sporadisch aanwijzingen, ze nemen niet weg dat de lezer ze inwisselbaar vindt. Zesendertig personages met hun plaats, tijd, verhaal, dat gaat op elkaar lijken.
En dus bladert de lezer door de pagina’s op zoek naar een bondig kernachtig stukje proza dat zo klein en persoonlijk is dat het wel medeleven oproept, dat groter is dan het kleine verhaaltje. En aan het einde, terug in de tijd, vindt de lezer wellicht de missende link en komt de lezer tevens uit bij het mooiste hoofdstuk waarin ook herhalende beginzinnen voor komen: over Söyembikä, een van de vele moeilijke namen uit de roman, die afstand suggereren, en iets werelds. Maar deze vrouw is groots en innemend. Ze is de Penelope van Kazan. Osinga beschrijft haar leven en haar liefdes in bondige alinea’s, ijzersterke flarden. Söyembikä. Ze springt de dood tegemoet. Ze kan de stad overzien. Zij is elke vrouw.

Wereldbibliotheek gaf Wie de rechtvaardigen zoekt uit.