Ineke Riem en Jente Posthuma: de redacteur las deze week twee romans van Nederlandse bodem en stelde zichzelf steeds de vragen: wanneer werkt een vertelling, welke effecten roepen verschillende stijlen steeds op?

*

Daan Stoffelsen: Ineke Riem, Onderwaterverhalen

Ineke Riems vierde boek en eerste verhalenbundel, Onderwaterverhalen, begint met een Amélie Poulain-achtige sfeer: trieste meisjes en een enkele man die er toch wat van maken. Een meisje, verhuisd en ongelukkig, speelt onder een brug antieke filmpjes af met een handprojector. Een bejaarde vrouw vertelt haar schoonmaakster, een kunstacademiestudent, over een eerste liefde. Een Duitse dichter keert terug naar Amsterdam, waar hij kortstondig woonde. Maar we zijn ook in Parijs en Pompeii, en op de Azoren.

Wat mooi is: elementen uit de verhalen keren terug in volgende verhalen, schelpen, plaatsen, personages. Maar ook een andere werkelijkheidsbeleving, waarin dromen verklaard worden uit vorige levens en doden nog rondlopen of -zweven. Er zijn onzichtbare lichamen, oude zielen en zielsverwanten en oude werelden en wouden. Ik merk dat ik daar wat kriegel van word, al vind ik die scepsis moeilijk te rechtvaardigen: ik voel hem niet als mensen om me heen me meenemen in hun zoektochten, en ook als zo’n opvatting van de mens en het leven niet klopt, dan kan het toch wel een goed motief voor fictie zijn? Waarom gun ik deze schrijfster en haar personages niet een verbindend verhaal, bovennatuurlijke verklaringen voor de mysteries in ons?

Maar het voelt wat al te gemakkelijk; de werkelijkheid is in zijn complexiteit nu eenmaal niet sluitend voor de meesten van ons, en dat biedt ook in literatuur ruimte, en het is zonde die ruimte dicht te metselen met nieuwe dogma’s en clichés. Voor mij werden, toen ik deze rode draad opmerkte, de twaalf verhalen een stuk platter.

Ik ontworstel me al een heel leven aan mijn eigen vooroordelen, dus laat dit boek daar niet het slachtoffer van zijn. Riem heeft een prettige stem, en een oog voor onopvallende personages met een interessante blik op het leven. Die eerste twee verhalen zijn goede voorbeelden, maar mijn absolute favoriet is ‘Voorbereidende aardrijkskunde’. De openingszin is al ijzersterk: ‘Ik ben geboren op de bodem van een zee die niet meer bestaat.’ De ik is een scholier, zo’n eenzame, die zich voedt met weetjes over de natuur – ik had een sterke Jenny Offill-associatie, al is de stijl heel anders – en die de sleutel van de zolder van school pikt en daar op oude schoolboeken stuit, zoals Voorbereidende aardrijkskunde.

‘Het idee dat de tijd altijd maar door blijft lopen en nooit een keer ophoudt. Vind jij dat ook erg? Het is zo vermoeiend. Ik ben bang dat ik het niet bij kan houden, alle veranderingen, je moet steeds wennen aan de nieuwe versie van de wereld. Elke dag is er wel een nieuw woord of een nieuw ding. Het is nooit pauze. Toen ik klein was moest ik daar ’s avonds in bed om huilen. Ik zou willen ontsnappen aan de tijd. Ik ben al twee keer terug geweest naar de zolder. Ik wil de oude wereld redden. Het vergeten vreet aan ons als een leger houtwormen.’

‘Elke dag is er wel een nieuw woord of een nieuw ding,’ daar bij stil te staan is overweldigend, net als dat leger houtwormen. Het meisje is gefascineerd door de hersenen van potvissen en verdronken dorpen, maar tijdens een excursie naar de kust is ze wel daar en dan, en deelt ze in de euforie.

‘Het waaide hard op het strand. Door alle lege ruimte om je heen werd je aura opeens twee keer, tien keer zo groot. Het was ook op een vreemde manier stil. Want het was natuurlijk niet stil. De wind. Hoe die raasde. En de brandingsgolven. Rollende slagen. Krijsende meeuwen. Maar toch. Ergens tussen die geluiden hingen de vliegers van de stilte. We moesten in groepjes duinflora determineren en kustvogels observeren. Watermonsters nemen. Maar de opdrachtenstencils waaiden weg, er zat zand in elk schrift. De docenten hadden de grootste moeite om ons in het gareel te houden. Iedereen rende rond, duwde elkaar de zee in. De jongens liepen op blote voeten over de scheermessen. Meisjes gilden om niks. Alles ademde vrijheid. Vonken zonlicht daalden af en lieten zich drijven. Het stralendste wit. Daar bleef je naar kijken.’

Is een zich vergrotend aura al een cliché? Maar die stilte is mooi beschreven, dat herken ik en begrijp ik. De situatie met de leerlingen is goed neergezet (al voelt ‘de grootste moeite’ als een wat al te wijze observatie), en ‘alles ademde vrijheid’, dat is besmettelijk.

Onderwaterverhalen is uitgegeven door De Arbeiderspers.

*

Jan van Mersbergen: Jente Posthuma, Waar ik liever niet aan denk

Direct op bladzijde 19 en 21 van Jente Posthuma’s tweede roman, Waar ik liever niet aan denk, ben ik bijzonder blij dat ik twee elementen tegenkom: sterke beelden zonder uitleg die door mij als lezer vanzelf aan elkaar geknoopt kunnen worden, en haar vader.

Die beelden roept Posthuma in de paar kleine beginhoofdstukjes op: de vertelster heeft een tweelingbroer die ouder is, en vroeger altijd groter, sterker en eigenwijs was. Je weet: dit boek gaat over de verhouding tussen broer en zus. Allebei zijn ze dol op New York. Dat wordt even terloops verteld, om daarna in een kort stukje van tien regeltjes informatie te geven over de twee torens van het WTC, waarvan de een iets kleiner is dan de ander. Posthuma legt niks uit, maar je voelt dat de zus altijd in de schaduw heeft gestaan van de broer. Die ene toren is altijd net iets kleiner geweest.

Dat is schrijven in beelden waarbij de lezer zelf nog iets moet doen, maar de beelden worden zo soepel en vanzelfsprekend geserveerd dat het lezen amper moeite kost. En toch gebeurt er iets in je hoofd. Het is beeldend schrijven zoals Column McCann doet in Apeirogon, waar ik eerder over schreef, maar dan in een andere setting en met andere personages. Posthuma schrijft kleiner, Hollandser, geen politiek, maar met dezelfde scherpe intentie: de lezer indirect overbrengen wat er speelt.

Tweede element is de vader. Voor Posthuma’s debuut verscheen sprak ik haar op een ochtend in mijn vaste koffiehuis over schrijven. Jente had voor de Revisor geschreven en was met een eerste roman bezig. Ze vertelde over haar vader. Die verhalen waren zo goed en treffend, ik zei dat ze dat allemaal op moest schrijven. Dat deed ze niet. In Mensen zonder uitstraling is de vaderfiguur wel belangrijk, Posthuma schreef geen debuut over haar vader. In haar tweede boek gaat het over een tweelingbroer, maar ik lees onderaan bladzijde 21 na een treffende beschrijving van een vader die in de schuur koekblikjes op kleur gesorteerd op plankjes heeft staan: ‘Hij deed alsof, zoals hij ook speelde dat hij een leuke vader was.’
Dat ene zinnetje! De vader, daar is-ie. En hij speelt dat hij een leuke vader is. Meer hoef ik niet te weten.

NRC noemde Waar ik liever niet aan denk een knappe oefening in perspectief. Het is echter geen oefening. De recensent stipte de betrouwbaarheid van de verteller aan. Dat is een belangrijk punt in ieder boek: naast de factoren verteller, tijd en plaats is betrouwbaarheid altijd de afspraak, maar in romans die in de derde persoon worden verteld en waarbij de verteller grotendeels onzichtbaar is en geen rol speelt in het verhaal is de aanname dat de vertelling betrouwbaar is ook onzichtbaar. Het achterhouden en doseren van informatie is de onbetrouwbare factor die de schrijver voor zijn rekening neemt. Ik-vertellers zijn bij voorbaat onbetrouwbaar, ze vertellen hun eigen verhaal, vanuit hun eigen perspectief. De lezer kan niet anders dan geloven dat de vertelling die voorgeschoteld wordt waar is, ook al klopt er misschien niks van als je het vanuit de andere personages bekijkt.

Het mooie van de factor betrouwbaarheid is dat het voor de sympathie van de hoofdpersoon en of je mee kunt leven met de verteller niet uitmaakt. Dat kan voelen als een oefening, het is een van de krachtigste kenmerken van schrijven: zelfs de meest vreselijke vertellers (denk aan de SS-er van De welwillenden) kunnen sympathie en medeleven oproepen. Nu is de vertelster van Posthuma geen vreselijk personage, integendeel, haar manier van vertellen overschaduwt haar onbetrouwbaarheid. En ook die omweg maakt dit proza mooi.

Dat koppelen van die beelden doet Posthuma door nieuwsfeiten vrij droog op te noemen en plots te verbinden met het persoonlijke leven van de vertelster. Dan praat ze over Mengele, die in Brazilië verzeild raakte, net als haar vader. Daar sluit ze een van de korte hoofdstukjes mee af. Of een kleine verhandeling over zelfmoorden van schrijfsters of van mensen die van het WTC sprongen in NY, nadat de vliegtuigen erin waren gevlogen, en dan blijkt opeens de broer zelfmoord te hebben gepleegd. Het maakt de wereld van de vertelster groot, en tegelijk intiem. Het vormt organisch proza, alsof het allemaal vanzelf zo gegroeid is. Vanzelfsprekend. Er zit geen enkele twijfel in de vertelstem, en toch is ze zoekende. Dat betekent: ze zoekt overtuigend, en het vinden is niet het belangrijkst.

Het mag duidelijk zijn, ik hou erg van deze vertelstijl, door de Twentse uitgever Paul Abels gekenmerkt als ‘kwetsbare post-ironie’. Ik vind deze roman niet ironisch, wel kwetsbaar, maar ook hard. Bij een schoolfeest smokkelen broer en zus wodka naar binnen. De broer wordt gesnapt. ‘Mijn broer werd al vroeg met zijn flesje betrapt en de rest van de avond bracht hij woest dansend onder de discobol door, terwijl ik achter de dikke gordijnen in de aula mijn wodka opmaakte en me liet vingeren door een jongen die daar toevallig ook stond.’

Dat is niet alleen een prachtige zin, het is een luchtige en koele vertelling, feitelijk en met een goed ritme, maar ook bot en vrij van emotie. De discobol en de gordijnen zijn zichtbaar, ik ruik die gordijnen zelfs, en die jongen zie ik ook voor me. Altijd was er bij zo’n schoolfeest wel een jongen die ergens toevallig stond. Het fysieke is niet waar het om gaat, de verhouding met de broer staat ver boven dat vingeren. Ik weet niet of dat ironisch is. Het is tragisch en geeft blijk van relativering, en de gebeurtenissen zijn zo in de tijd geplaatst dat ze behapbaar zijn.
Belangrijk zinnetje verderop in de roman: de verteller zegt tegen haar moeder: ‘Je moet homo’s nooit in een kast stoppen.’
Ze heeft het over een foto van haar broer in de boekenkast. Helder.

Waar ik liever niet aan denk is uitgegeven door Pluim.

Gerbrand Bakker: de redacteur las deze week solo een geslaagd Privédomeindeel dat met korte zinnen en tegendraadsheid waaromvragen opwerpt.

*

Daan Stoffelsen: Gerbrand Bakker, Knecht, alleen

Ik ben geen liefhebber van het genre zoals Gerbrand Bakker zelf, van het autobiografische, de dagboeken, de brieven, ik vind het bijna ergerlijker dan dromen in romans, en terwijl ik het opschrijf, denk ik: waarom eigenlijk?

‘Waarom? Ik worstel ermee. Eigenlijk al toen ik het schreef, maar vooral ook nu, achteraf. Ik kan het voor mezelf verzachten door steeds maar aan Jules en Edmond de Goncourt te denken, en dat het me geen reet kon schelen dat ik dagboeken en geen romans las. Maar dat is geen antwoord op die fundamentele vraag. Waarom? Omdat ik blijkbaar geen zin meer heb romans te schrijven, maar niet het werk, het schrijven zelf als ambacht, wil of kan missen? Is dat een afdoende antwoord? Ik ben nu eenmaal schrijver, dus ik schrijf?
Waarom is een heel vervelend, soms verschrikkelijk woord.’

Als lezer denk ik: omdat in de genres die in Privédomein een plek krijgen een bepaald gebrek aan hiërarchie speelt, kan spelen: elke dag, elke gebeurtenis heeft hetzelfde gewicht, alles speelt zich af aan dezelfde oppervlakte. Er zijn ook altijd tientallen namen van onbekenden die amper geïntroduceerd worden. Toch beviel Nicolien Mizees Faxen aan Ger me (Bakker: ‘soms zó goed dat ik, al lezend,
zwetend van schaamte in bed lig als ik aan dit geschrijf
denk’), en nu bevalt dit boek me ook. Dat heeft wel degelijk met ordening te maken, structuur.

Knecht, alleen is namelijk geen dagboek, het is een onderzoek naar een depressie, een reconstructie van een verschrikkelijke vakantie door die depressie, de weg terug, doorspekt met ontmoetingen met honden en andere schrijvers, kleine scènes met buren in de Eiffel, en overwegingen over liefde, seks en literatuur. Het is een boek waarin dat vervelende woord ‘waarom’ meer dan negentig keer valt, meer dan het woord ‘depressie’, en het dus niet alleen autobio is maar ook behoorlijk meta.

‘Waarom dit allemaal opschrijven? Ik vermoed omdat zo’n depressie onzegbaar is. Onuitlegbaar. Dat hindert me. Ik ben toch schrijver? Dan moet ik dat toch onder woorden kunnen brengen?’

Dat is interessant, maar Bakkers toon is ook heel prettig, zijn strakke, korte zinnen (wat niet per se betekent dat het boek strak gestructureerd is, integendeel), zijn lichte ergernis, zijn tegendraadsheid, zijn onderkoelde humor (het was weer een tijd geleden dat ik zoveel zat te lachen), de droge dialogen met de therapeut, zijn ambitie metaforen te mijden. Op een moment dat ik, geen neerlandicus, het niet zie: ‘Ik heb een metafoor gebruikt. Dat was niet de bedoeling.’ En:

‘Wat ik nu ook opschrijf, hoe ik het ook opschrijf, nooit kan het weergeven hoe het toen was. Nu heb ik woorden, nu kan ik nadenken. Maar het denken en al die woorden zijn ontoereikend, al was het alleen maar omdat woorden als “ondenkbaar” of “hoop” geschrapt moeten worden. En met die woorden heel veel andere woorden. Je zou het zo kort mogelijk moeten opschrijven om de betekenisloze woorden te omzeilen. Maar waar kom je dan uit? Een woord als “wachten” kan; wachten gaat vanzelf. Kan “geduld”? Ja, ik geloof het wel, dat gaat ook min of meer vanzelf. Maar bij een woord als leeg heb je alweer iets meer nodig. Definieer “leeg”. Niets. Definieer “niets”. En Niemandsland is een metafoor. Spaarstand is ook een metafoor. Ik had beloofd – mezelf en de lezer – geen metaforen in te zetten. Daarom noem ik ze vergelijkingen, maar dat is als yoghurt vla noemen en tijdens het eten van die “vla” steeds te denken: hm, lekker, hoor, deze yoghurt.’

Raak en geestig. Aan het slot van Knecht, alleen (leve die komma!) weet je niet zeker of Bakkers mantra ‘morgen ben ik er weer’ echt is uitgekomen, maar je vertrouwt het wel. En ik heb me al bijzonder vermaakt, ook met een bonusverhaal ergens halverwege, ‘De leeuwerik’. Dat verscheen in 2011 in De Revisor (na te lezen bij de DBNL), en toen Bakker het 10 mei naar Jan stuurde, nadat we al even om kopij hadden gebedeld, was ik er erg gelukkig ermee. (Nota bene: ik ken Bakker persoonlijk(er) sinds ik hem met Eveline Vink in 2006 interviewde voor Recensieweb. Ik heb hem op het Boekenbal nog een hand gegeven, enkele dagen voor Noord-Brabant in lockdown ging en handen geven taboe werd.) Een heel kort verhaal waarin een man wandelt en een andere man ziet lopen. Het heeft iets rustieks én obsessiefs. ‘Als dit een verhaal van iemand anders zou zijn, zou ik denken: ja, leuk en aardig allemaal, poëtisch ook, maar die schrijver moet eigenlijk een schop onder zijn reet hebben,’ schrijft Bakker, maar hij verbindt er anekdotes aan en analyse, waardoor het sobere verhaal rijker wordt.

Je zou er bijna liefhebber van het genre van worden.

Knecht, alleen werd uitgegeven door De Arbeiderspers. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Dennis Lehane, Joost de Vries: de redactie las een samenhangende verhalenbundel met lekkere zinnen en een eenvoudige thriller die helemaal klopt.

*

Daan Stoffelsen: Joost de Vries, Rustig aan, tijger

Drie romans las ik, en een essaybundel, en toch kost het me moeite om Joost de Vries’ oeuvre te kenschetsen. Zelfbewust, amusant proza, denk ik, avontuurlijk en metaliterair, dat niet altijd de kern lijkt te raken. Ik bedoel: zijn personages waren vaak net iets te succesvol, ik geloofde hun verdriet niet helemaal. Is dat anders in zijn eerste verhalenbundel, Rustig aan, tijger?

(Ik ken Joost de Vries overigens persoonlijk, ik mail hem elke week trouw welke boeken er in De Groene Amsterdammer besproken worden, zodat ik ISBNs en prijzen voor de webredactie kan verzamelen. Mijn boekhandel en zijn tijdschrift zijn partners. Ik spreek hem niet zoveel, als ik hem lees of hoor, word ik geïntimideerd door zijn kennis en zelfvertrouwen, het is niet voor niets dat ik hem herken in de collega van Marja Pruis ‘die ook alles weet van internationale veiligheidsproblematiek’. Joost weet van alles wel iets. Maar misschien is het wel zoals hij in ‘Droomduiding’ een therapeut laat zeggen: ‘Soms, Nadia, heb ik het gevoel dat je de inhoudsopgave van de Groene gebruikt om het niet over jezelf te hebben.’ Dat volstaat inderdaad vaak.)

Over dit boek valt heel veel te zeggen, maar ik heb geen tijd voor een essay en ik weet nog steeds niet of ik het overal even goed vind. De grondtoon is melancholisch, de personages zijn gepriviligeerd, ze hoeven niet over geld na te denken, maar ze zijn heel duidelijk wat verloren en brengen dat sterk onder woorden, en De Vries schrijft soepel, raak en geestig. In het eerste verhaal, over een begrafenis en een affaire, streepte ik een passage aan over een begrafenisrede: ‘Maar hij vertilt zich aan het verdriet, hij denkt dat hij al dáár is, maar hij is nog híer, hij probeert in zijn woorden een afstand te nemen die zijn lijf nog niet heeft gevonden en midden in een zin breekt hij, en dan breken prompt zijn dochters, en dan rij voor rij de rest van de zaal, het spoelt naar achter, niemand houdt het droog.’ Ik vind dat heel goed gezegd: het daar, het hier, de afstand en het spoelen. Later in het verhaal merkt hij op dat ‘dingen van het hart zelden een begin en een eind hebben’.

Op de volgende pagina – oh ja, het verhaal heet ‘Creatief schrijven’ – is de verteller nadrukkelijk schrijver: ‘Ik vind het moeilijk maat te houden met citaten, ik sla te vaak een meta-toon aan, ik raak verveeld met mijn eigen stem, ik weet nooit in te schatten welke kennis je bij je lezers als bekend mag veronderstellen.’ Herkenbaar is dat in De Vries’ oeuvre, al is het voorbeeld van Anna en Wronski wat al te laagdrempelig.

Die al te succesvolle personages kennen elkaar allemaal trouwens, dus dat gevoel klopt, van één sociale laag, mensen in de reclame, nu en over twee decennia als half Nederland opgegeven is aan het water. De laatste verhalen lijken sterk met elkaar samen te hangen. Af en toe is het nogal hyper, in de aard van de zaak (in ‘Het einde van de geschiedenis’ gaan een illustrator en een influencer met elkaar in gesprek in Dubai, en met dat verhaal kon ik weinig) of bedoeld drukdoenerig (aan het begin van ‘Brief uit Menorca’, maar de verteller is zich er bewust van: ‘Dus ik noem namen, ik vul de kamer met feitjes. Ik hield van die mensen.’ Ik vraag me af of dat bewustzijn het dan goedmaakt) maar vaker vult de kamer zich met herinneringen, onderkoelde grapjes, reflecties, correcties.

‘Vind je het heel erg dat ik reageer, en niet zij? Dit is natuurlijk het eeuwig terugkerende probleem van de liefde, het zijn zo vaak de verkeerde mensen op de verkeerde plek,’ opent ‘Brief uit Menorca II’, en de briefschrijver is de verkeerde dode op de verkeerde plek. Maar het zijn lekkere zinnen, op de goede plek, je vergeet bijna te denken: ja, is dat zo? Want dan vervolgt ze: ‘Timing is alles, Diski, en laten we wel wezen: daar was jij buitengewoon slecht in. Ik ook trouwens. Maar goed, nu treffen we elkaar. Ik wil iets zachts tegen je zeggen, je ergens mee omsluiten, ik wil je aanraken.’ En dat doet De Vries ook. ‘Afstand’ is een motief in dit boek, maar de wens aan te raken is dat ook – en het wankele evenwicht daartussen maakt het interessant.

Das Mag geeft Rustig aan, tijger uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Dennis Lehane, Het loket

Voor deze zomervakantie heb ik een flink aantal thrillers op een stapel gelegd. De eerste die ik las: Het loket van Dennis Lehane, een van mijn favoriete misdaadschrijvers (vertaald door Bert Meelker). Het verhaal is zo eenvoudig en klopt helemaal, het was een verademing tussen andere verhalen die ik hoorde, of eigenlijk: die ik zag.

Hoe ze het klaarspelen weet ik niet, maar afgelopen weken zag ik een aantal films van Johan Nijenhuis die op de publieke omroep werden uitgezonden. Zomerfilms, die passen bij het seizoen, maar verder onverklaarbaar waarom juist voor deze films gekozen wordt binnen het prachtige aanbod van Nederlandse films van de afgelopen jaren. Toscaanse bruiloft, zag ik, voor de tweede of derde keer. Iedere keer ben ik weer verbaasd over de keuzes in karakterontwikkeling en verhaal.
Toch wel een mooi gegeven: na het succes van Verliefd op Ibiza borduurt Nijenhuis gewoon door op dat concept: veel personages op een zonnige locatie, met liefde als thema – dit keer het huwelijk. Een man en een vrouw ontmoeten elkaar, letterlijk door een botsing. Hij gooit het portier van zijn auto open, zij loopt er tegenaan, valt op de stoep, haar bloemen vallen ook. Korte dialoog. Ze kennen elkaar, en door. Hij gelooft niet in huwelijken, zij is degene die huwelijken sluit, die gelukkig wordt als anderen gelukkig zijn.
Twee uitersten, die natuurlijk bij elkaar zullen komen – een verhaallijn die mijn dochter van dertien erg spannend vindt om te volgen.
Er zijn nog wat hobbels op de weg, het lukt de twee niet helemaal bij elkaar te komen, dat maakt de film tot een speelfilm van anderhalf uur. De tussentijd wordt opgevuld met andere personages die als boordkartonnen poppetjes over het doek zwalken. Deze personages mogen misschien een hele kleine ontwikkeling doormaken, de meeste ontwikkeling is ingegeven door de scène waarin ze acteren. Het verhaal moet door.
Zo hebben de ouders van de bruid een uitgeblust huwelijk waar de moeder mee omgaat door te drinken en zichzelf te beklagen, de vader probeert de stiefmoeder van het botsende bloemenmeisje te versieren. Beetje ingewikkeld, maar waar het op neerkomt: de oudjes vinden elkaar over en weer leuk, want de vader van het bloemenmeisje krijgt de moeder van de bruid op bezoek.
Dan gebeurt er iets opvallends: als de vader van de bruid de stiefmoeder niet direct kan verleiden verandert hij in een man die tafels door de keuken smijt, die een mes pakt en haar bedreigt, die uiteindelijk met een worst op zijn hoofd geslagen moet worden om hem weg te jagen. De charmante man die in één scène transformeert in een psychopaat, het is wonderlijk maar het gebeurt in deze film.
Het is in ieder geval nog een ontwikkeling. De andere personages zijn platter dan plat. De kok is oud en zal sterven in de film, dus die moet herhaaldelijk aangeven dat hij het aan zijn hart heeft. De kijker mag geen aanwijzing missen. De zus van de bruid is een leeg poppetje zonder interesse in anderen. De Italiaanse jongen is verlegen maar wel zorgzaam en lief – zijn enige ontwikkeling is dat zijn snor eraf gaat. Zijn Italiaanse familie praat zoals Nederlanders denken dat Italianen praten: luid en met gebaren. Alles beantwoordt aan het bestaande beeld van relaties en een specifiek land op een glossy-niveau.
Relaties: verliefd worden, dromen, samenzijn, een beetje ruziën als het wat minder gaat, scheiden. Dat is het traject, hoe persoonlijk de ontwikkelingen kunnen zijn doet er niet toe. Eén emotie is meer dan voldoende. Gaat iemand vreemd, dan is de ander woedend. Geen teleurstelling, geen terugslag, geen zelfinzicht, geen stille reactie. De bedrogene is boos, dus die gaat vechten. Als de portiergooiende jongen met de bruid naar bed is gegaan gaat de bruidegom hem te lijf: een knullig gevecht waarin een bed gesloopt wordt. Even later is het allemaal weer goed, want de portiergooier redt de bruid van een ander akkefietje. Zand erover, komen we nooit meer op terug.
Italië, voor de volledigheid, staat voor: zon, mooie heuveltjes, oude gebouwen, drukke mensen, rood wit groen, lekker eten, tradities, een invloedrijke burgemeester familieperikelen, lelijke moeders en mooie dochters. Ik vertrek geeft een genuanceerde beeld. Een lekkend dak, een bureaucratisch systeem, beklemmende dorpsverhoudingen en ander ongemak passen niet in deze film, dus we doen maar of het niet bestaat. Het Italië van de Toscaanse bruiloft is het Italië van Rio Mare (de blikjes tonijn die gegeten worden op een terras in de zon, blikjes die overigens op tv enorm lijken, maar in werkelijkheid miniem zijn).
En dan nog het aspect toeval. Als de heer en vrouw des huizes (van een kasteel natuurlijk) elkaar toch nog wel leuk blijken te vinden wordt dat opgemerkt door… de vader van de bruid die toevallig net de gang op loopt, zonder enige motief. Het publiek maalt er niet om, hij moest natuurlijk net even naar de wc. Waar het om gaat: de psychopaat moet inzien dat hij een verloren strijd voerde, dus hij moest daar op dat moment zijn, en niemand anders. In het script is hij daar dus ook. Klaar.
Op deze manier, en het is echt verbijsterend, zit ik anderhalf uur te kijken naar ongelofelijke verhaalkeuzes en personages die niks meer mogen zijn dan de eerste indruk.
Bij de publieke omroep wordt geen reclame uitgezonden. Dat is jammer, een slimme commercial zou nog wat diepgang kunnen brengen, of in ieder geval een rustpunt. Aan de andere kant, de manier waarop ongegeneerd partners en sponsoren in beeld gebracht worden maakt van een flink aantal scènes alsnog commercials. Komt het gezelschap aan in Toscane dan prijkt een compleet vliegtuig van de maatschappij in beeld die vanzelfsprekend geld stak in de film, gaat een stel dames autorijden dan karren drie kleine Italiaanse wagentjes ellenlang door de heuveltjes. Voor wat hoort wat.
Er ligt een film op stapel die Carnavalsliefde moet gaan heten. Wat Nijenhuis met Ibiza en Toscane heeft gedaan zal hij met Carnaval ook doen. Het stemt de serieuze Carnavalsvierder bij voorbaat verdrietig.

Terug naar Lehane, want daar gaat het me uiteindelijk om. In Het loket geen toevallige botsingen, geen handelen zonder motief, geen opgeklopt en uitgemolken thema dat iedere scène bepaalt. Wel één sterk idee, dat tot in de finesses uitgewerkt is.
Bob is barman bij zijn neef Marv. Hun bar wordt gebruikt om geld van de onderwereld even te stallen en weer op te laten halen: een doorgeefluik. Als de bar beroofd wordt stelt Marv de overvallers de vraag: ‘Weten jullie wel wie jullie beroven?’ De politieman die de zaak onderzoekt – Bob kent hem uit de kerk – weet van het loket, zoals hij het noemt, maar Marv en Bob mogen daar natuurlijk niks over zeggen. Dat is alles. De spanning schuilt in het zwijgen.
Verder zorgt Bob voor een hondje, leert hij nog een vrouw kennen, ontvouwen zich de patronen van de onderwereld, maar volgen we voornamelijk het verhaal van de kroeg als doorgeefluik. Een schitterende constructie, omdat niet de misdaad centraal staat, maar een zijspoor waarin de menselijke aspecten van betrokkenheid bij de misdaad in een kleine gemeenschap uitgelicht kunnen worden: zoals het zwijgen als de politie iets vraagt terwijl de politie een bekende is.
Dat is alles wat Het loket zo goed maakt, en tegelijk alles wat Toscaanse bruiloft zo tenenkrommend maakt. In de film valt geen moment een stilte, alleen heel soms een kortstondige bezinning, en dat is eigenlijk een groot woord, want bezinning is religieus, menselijk, diepgaand en statisch. In de film is zo’n moment een tijdelijke heldere gedachte. Dan valt het kwartje, eindelijk. Een ‘o, ja!’ Meer niet.
Het loket laat zien dat handeling, betekenis en stilte samen kunnen gaan. Als Bob en Marv beroofd zijn:

‘Ze keken de steeg in. Ze rilden beiden van de kou. Na een tijdje gingen ze weer naar binnen.’

Lees die zinnen nog een keer. De context doet er niet toe. Het gaat om de woordjes.
Als er zulke zinnen bestaan, duidelijk, eenvoudig, sterk, betekenisvol, in zo’n eenvoudig en sterk verhaal, waarom zou je dan ooit een verhaal in elkaar sleutelen zonder deze eenvoud en stilte en bedachtzaamheid en rust, zonder betekenis, zonder gevoel? Als je deze zinnetjes gelezen hebt, en herlezen hebt, en begrepen hebt, hoe kun je dan ooit een film als Toscaanse bruiloft maken?
Stel, je bent een film aan het maken, aan de hand van een script waarin alles dichtgebabbeld wordt, alles uitgelegd. Lees dan deze zinnetjes van Lehane. Je voelt van alles. Probeer heel goed te begrijpen wat er gebeurt. Hij laat de mannen kijken. Hij laat ze rillen van de kou. En hij laat ze ‘na een tijdje’ weer naar binnen gaan.
‘Na een tijdje!’
Dat is alles wat een verhaal nodig heeft. Die tijdsaanduiding. Om te kunnen voelen. Twee mannen die even blijven staan. Een lezer die adem kan halen. De kou. Lehane beschrijft de steeg, de kou, rillende mannen, en toch blijven staan, want er is van alles gebeurt. Daar gaat het over. Daar moet een man over nadenken, dat moet binnenkomen, daar moet iedereen ruimte voor hebben. Personages én lezers. Geen vechten, vallen, botsen, schreeuwen, roepen, een taart in iemands gezicht, een fles op iemand hoofd kapotgeslagen, desnoods een tik met een nagemaakte Italiaanse worst.
Rust.
Die heftigheid komt bij Lehane allemaal wel, en vele malen heftiger dan op een feestje in de Toscaanse heuvels, maak je geen zorgen. Invoelbaar. Want allemaal vanuit deze drie zinnetjes onderaan bladzijde 40, waarvan de laatste is: ‘Na een tijdje gingen ze weer naar binnen.’
Na een tijdje.
Het Loket is verfilmd als The Drop. Dat is niet voor niets. Bijna alle boeken van Lehane zijn geweldige films geworden, en dat is volledig terug te voeren op dat ene moment in die steeg, in de kou.
Na een tijdje.
Wat ben ik blij dat er schrijvers zijn die binnen de onnoemelijke hoeveelheid bagger die overal ter wereld gemaakt wordt, van Hollywoord tot Nederland tot Toscane, zo’n kalme secure schoonheid in vertelkunst weten te produceren.

Jannie Regnerus, Deon Meyer: de redactie las een klein knap boek en een daadwerkelijk literaire thriller.

*

Daan Stoffelsen: Jannie Regnerus, Het wolkenpaviljoen

Met wat voor verwachtingen begin je aan een boek? Het idee is, zo heb ik het bijna twintig jaar geleden geleerd, met zo weinig mogelijk. De flaptekst met een korreltje zout, de auteursreputatie (en uitleggerige interviews) terzijde, de actualiteit (corona, #blacklivesmatter) en eigen omstandigheden (als vader lees je boeken met kinderen anders) negeren, en dan gewoon het boek lezen, je afvragen wat het beoogt, hoe het werkt, en of het goed werkt. En dan schrijf je daar een recensie over.

Verdomde lastig. Of eigenlijk onmogelijk. Hoe kan je lezen zonder jezelf?

Ik heb een leesgeschiedenis met Jannie Regnerus. Toen ze haar eerste reisboeken bij Wereldbibliotheek publiceerde, liep ik daar stage. Ik vond ze prachtig. Haar romans daarna heb ik niet allemaal gelezen, maar volgens mij is de grote gemene deler: klein, verstild, diepgravend. Toen ik aan Het wolkenpaviljoen begon, had ik geen idee van plot of insteek, wel gewoon zin in de novelle. Dat lijkt me een goede basis.

Het verhaal is kort, Regnerus vat het in een kort hoofdstuk summier samen: Luut en Kris zijn verliefd op elkaar geworden, krijgen een kindje, Tessel, en drijven uit elkaar. Luut geeft zichzelf daarvan de schuld, in een continue verbouwing ‘had [Luut] geen tijd om door te vragen’. Luut, architect, besluit terug te gaan naar Japan. ‘Voor Luut verder kan, moet hij terug naar de tempels en tuinen in Japan die hem als jonge architect inspireerden, niet om daar zijn verleden opnieuw te beleven maar om er zijn toekomst terug te vinden,’ schrijft Regnerus. Ik vind dat wat clichématig aandoen, en het rijm (verleden beleven, toekomst terug) iets te veel hameren. Thomas de Veen noemt het in NRC Handelsblad ‘hoogdravend’. Dat is het ook, maar dat is geloof ik de kern van dit personage: iemand die in grote woorden, beelden, idealen denkt, en zichzelf oneindig teleurgesteld heeft.

Maar na dat voornemen wordt het beter, interessanter. Plot is er dus amper. Dialoog ontbreekt. Het wolkenpaviljoen bestaat uit kleine scènes, afgespeeld in Luuts zwaarmoedige hoofd, dat neigt naar het sentimentele maar vooral goed geobserveerd heeft. Mooie beelden, goede vondsten. De plaksterren in de kinderkamer brengen hem bij Eise Eisinga’s planetarium en de vaststelling: ‘In Tessels universum draaien moeder- en vaderplaneet elk in een eigen baan en omloopsnelheid om haar heen. Waar alles in haar leven zich verdubbelde, huizen, bedden en reizen, werd het belangrijkste gehalveerd. Steeds ontbrak er één ouder.’ Elke ouder herkent dit, maar zo had ik het nog nooit geformuleerd: ‘Iets van haar wezen wordt zichtbaar in de inhoud van haar broekzak die als een uilenbal op de wasmachine ligt, takjes vermengd met de plakkerige kruimels van een stroopwafel, een losgeraakte knoop, verfrommeld papier volgekrabbeld met geheimschrift.’

Regnerus verbindt Luuts architecturale denken aan zijn psyche, en komt op mooie combinaties – regelmatig dacht ik: wat zou Pieter Hoexum hiervan zeggen? En op andere momenten: wat zou Joost Baars hierover schrijven? Zelf ben ik het enthousiasts over Regnerus’ vondst om in plaats van een geheugenpaleis (lees Jan van Akens De ommegang!) een gewetenslandschap te bouwen. ‘Luut heeft zijn falen ondergebracht in schimmige stegen, in krotten waarvan hij de ramen en deuren met planken heeft gebarricadeerd. Uitgerekend deze panden hebben zichzelf tot beschermd stadsgezicht verklaard, ze weigeren hun grond af te staan. Het liefst zou hij ze met een sloopkogel neerhalen en de vrijgekomen kavels met koolzaad en papaver inzaaien.’ In één van de vervallen panden is een kindersok met een gat erin.

Ik lees Het wolkenpaviljoen als een kleine studie van een mens die gefaald heeft, die rouwt, die met zichzelf en zijn geliefden in het reine wil komen. Dat is nadrukkelijk klein, er is emotie en ook obligate emotie, spiritualiteit, maar er zijn ook beelden die het groter maken, universeler, verbinden met natuur en kunst en denken. De keuze om verhaal of dialoog (niemand anders dan Luut krijgt een stem) eruit te houden, verbaasde me ook – maar in de doelstelling van de novelle is Regnerus wat mij betreft zeker geslaagd.

De vraag die ik destijds al snel na eerste vraag (‘Hoe beoordeel je een boek?’) moest gaan stellen was: hoe verhoudt dit boek zich tot andere? Dan gaat ook spelen of de ambities interessant genoeg zijn. Is het in deze honderd pagina’s niet té klein? Maar kun je dat echt zeggen van een boek dat in stad en platteland, in Mongolië en Japan verblijft, dat het romantische en het architecturale, het rationele en het spirituele verbindt? Knap boek.

Van Oorschot gaf Het wolkenpaviljoen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Deon Meyer, 7 dagen

Een van de dingen die voor mij thrillers leesbaar maakt: een goed uitgewerkt kwetsbaar personage.
Spannende boeken focussen vaak op heftige gebeurtenissen, op een schok, een klap, op een plot, een wending, nog een wending, op momenten die de lezer niet aan ziet komen en, erger nog, op spanning die gepoogd wordt in beschrijvingen te vangen. Dat leidt vaak tot opgefokt proza waarin iedere handeling hijgerig is en achter alles wat er gezegd wordt een uitroepteken staat, alsof de personages alleen tegen elkaar kunnen schreeuwen.

In 7 dagen (vertaald door Martine Vosmaer en Karina van Santen) geeft Deon Meyer zijn personage Bennie Griessel precies voldoende bagage mee om hem in iedere scène onder druk te zetten. Griessel is rechercheur en onderzoekt een moord, dat is het verhaaltje, de puzzel die uiteindelijk wel tot een oplossing zal leiden. Griessel is daarnaast een man die net een periode van de drank af is en bij het afkicken een zangeres heeft ontmoet met wie hij nu een relatie heeft. Het contact tussen die twee is minstens even spannend dan het moordonderzoek.
De zangeres, Alexa, belt hem op als Griessel aan het werk is. Ze durft het optreden niet te zien. Hij praat haar moed in.

‘Ga koffie voor jezelf zetten. Eet iets. Neem een bad. Ik kom zo snel mogelijk. Ik ben aan het werk…’
Alexa zegt een paar regels verder: ‘Ik had je niet moeten lastigvallen, het spijt me. Bye, Bennie.’

Dit korte gesprek maakt van de politieman een levendig personage. In een eerdere scène was hij al erg nerveus en onhandig omdat hij andere artiesten zou gaan ontmoetten, bij een groot feest. Dat liep mis. Hij werd weggeroepen, liet Alexa achter, waarna zij weer een borrel nam. Het werk kruist steeds het contact, het gewicht van zijn sociale onhandigheid en de kwetsbaarheid van zijn ex-verslaving neemt hij altijd met zich mee.
Nergens benoemt Meyer die onhandigheid of kwetsbaarheid, nergens maakt hij de misstap de psychologie te analyseren. Wel laat hij zien hoe Griessel zich gedraagt en maakt hij het drama van dit personage invoelbaar, en dat tilt alle andere thrillerelementen naar een hoger niveau.

Zo lees ik een zoveelste goed geschreven spannende roman van Deon Meyer, waar met recht ‘literaire thriller’ op staat. Voor mij staat ‘literair’ niet voor het gebruik van grote woorden, het strooien met bloemrijke metaforen, het aan elkaar knopen van allerlei opinies of andere middelen die een tekst literair doen lijken maar die meestal weinig inhoud hebben. Literair in de zin van: spelen met taal of het goochelen met woorden. Literair als synoniem voor imponeren. Literair zoals het gros van de zinnen die de Tzumprijs voor beste literaire zin in de wacht slepen: langdradig, opgebouwd uit slecht gekozen beelden, bladvulling.
‘Literair’ is voor mij het overdrachtelijk maken van wat er bij een personage in een bepaalde tijd, setting, situatie speelt, en dat zo scherp mogelijk uitwerken. Lukt dat, en is het verhaal spannend, met bijvoorbeeld een moord en een politieman, dan is het boek een literaire thriller.

Langzaam vallen in 7 dagen de stukjes samen. Griessel zoekt naar motieven waarom de vrouw vermoord zou kunnen worden, in haar eigen huis, zonder inbraaksporen. De sluipschutter volgen we zijdelings, een goeie schutter die tegelijk erg nerveus is. Ook hij wordt mooi uitgewerkt, een compleet karakter.
Het is vakantie. Boeken lezen die ontspannen, die lekker lezen, die een kleine puzzel in zich hebben, die goed geschreven zijn, die vermakelijk zijn en de menselijke aard onderzoeken, met zulke boeken kom ik de vakantie wel door. Meyer levert dat keer op keer.

A.W. Bruna geeft 7 dagen uit.

Sinan Çankaya, Jaap Scholten, Fiston Mwanza Mujila: de redactie las persoonlijke, sterke non-fictie over racisme en de racismediscussie, een Afrikaans avontuur met een non-fictiegevoel, en een levendige, geestige roman uit Congo.

*

Daan Stoffelsen: Sinan Çankaya, Mijn ontelbare identiteiten, en Jaap Scholten, Suikerbastaard

Een kleine maand geleden, we zaten in het staartje van de intelligente lockdown en het BlackLivesMatter-protest op de Dam was net achter de rug, las ik een opmerkelijk bericht. Nu.nl citeerde de CPNB: ‘Black Lives Matter is een enorm belangrijk onderwerp en het leeft onder de lezer van boeken. Dat bewijzen de drie boeken over het onderwerp die deze week nieuw binnenkomen in de Bestseller 60.’ Het ging om de nieuwe, Ethiopische roman van Jaap Scholten, het debuut van antropoloog Sinan Çankaya, een persoonlijk essay over racisme, en Hallo witte mensen van Anousha Nzume, dat na drie jaar terugkeerde in de bestsellerlijst.

Het verbaasde me dat ze Suikerbastaard noemden. Çankaya en Nzume schrijven over het onderwerp, maar volstaat een Afrikaans decor om een roman bona fide antiracistisch te maken?

Ik heb enorm uitgekeken naar Scholtens nieuwste, ik ben fan van zijn autobiografisch gegronde romans en zijn oost-Europese fictie. ‘Scholten,’ schreef ik in 2008 over De wet van Spengler, zijn vorige roman, ‘kan van die lekker harde zinnen schrijven, met humor, en hij is altijd direct en helder.’ Ik vond ook de contrasten sterk in het boek, tussen sentiment en machismo, tussen ziekte en adel.
Voor Suikerbastaard, een Afrikaans avontuur met een non-fictiegevoel, koos hij dezelfde verteller, Frederik een telg uit een familie van industrie-adel, die door zijn familie erop uitgestuurd wordt om de claims van een Ethiopische man op bloedverwantschap te checken. Want – en daar gaan ook de twee andere delen over – in Ethiopië was ten tijde van Haile Selassie een bloeiende Nederlandse industrie, die ook gemengde relaties opleverde. Heel spannend wordt dat niet, maar vooral de geschiedenis van Martinus Hilbrink, die als pure non-fictie overkomt, intrigeert. Scholten geeft deze jonge man, nog geen 21 als hij in Ethiopië komt werken, een open karakter, een eigen stem en een tragisch verhaal – want hij blijft, en maakt een van de zwartste periodes in de geschiedenis van het land mee.

Eerst nog het antiracisme in deze roman: ‘Ze doen me intens beseffen dat pigment, ras niet veel betekent en cultuur, achtergrond, familie, opvoeding bijna alles. Wat je moeder, je vader, je grootvader je geleerd hebben, dat is waarschijnlijk voor vrijwel iedereen het belangrijkste. In welke godheid mensen geloven of welke huidskleur ze hebben, maakt voor mij geen donder uit. Het gaat erom hoe mensen zich gedragen, hoe ze naar de wereld kijken, hoe barmhartig ze zijn, hoe fundamentalistisch, hoe serieus ze zichzelf nemen, of ze gevoel voor humor hebben en in hoeverre ze anderen de schuld geven van alles wat er mis is in hun leven.’

Dat is duidelijk (‘intens’, ‘geen donder’) en weinig complex, maar niet, beste CPNB, wat ik van deze beweging verwacht, die juist vanuit dat basale gelijkwaardigheidsideaal de cultuur van racisme en racial profiling bevecht.

*

Sinan Çankaya beantwoordt wél aan die verwachting. Çankaya is cultureel antropoloog, hij deed onderzoek naar diversiteit en etnisch profileren bij de politie, en schreef voor De Correspondent. Momenteel is hij universitair docent aan de VU. Het knappe aan Mijn ontelbare identiteiten is dat het heel persoonlijk is én bijna elk thema in de discussie aansnijdt, dat hij zijn ervaringen en (wetenschappelijke) bevindingen heel goed weet te vatten in scènes van straat tot school tot de politie en zijn academische omgeving.

Én dat hij een goede spanningsboog heeft gevonden: zijn oude middelbare school vraagt hem om een praatje te geven bij het veertigjarige jubileum. Zijn eerste reactie: ‘Wat willen jullie dat ik zeg?’ Want er zijn zoveel clichés, zoveel valkuilen voor iemand met een immigratieachtergrond – zeker als die schooltijd sterk verbonden is met de lessen van een zelfverklaarde racist, een van de oprichters van de Centrumpartij. Gaandeweg weet hij de paradoxen in de anti-immigratiediscussie heel goed te verwoorden: &lqsuo;Wie van sociale problemen een integratieprobleem maakt, doet een suggestie voor de oplossing: de net-niet-Nederlanders moeten integreren, wat inmiddels een opdracht tot assimilatie is geworden. Dat wil zeggen: worden zoals de Nederlander denkt dat hij of zij zelf is. Dan mag je erbij horen, is de belofte. We weten inmiddels dat die belofte nauwelijks wordt ingelost. Integratie heeft geen eindstation.’

Korte, heldere zinnen, herhaling – en een goede uitsmijter. En de complexe retoriek van racisme:

‘Onmiddellijk begon hij op zijn stoel te draaien, werd rood en zei net iets te luid: “Je reageert wel erg gevoelig. Ik probeer je alleen maar te helpen.”
Het licht ging op zwart, het geluid stond plots uit, in mijn brein botsten de Legopoppetjes tegen elkaar, het lukte ze niet meer om indrukken te verwerken en informatie naar de juiste laatjes te brengen. De je-reageert-overgevoelig-kaart was samen met de ik-bedoel-het-alleen-maar-goed-troef getrokken. System shutdown. Elke zin die ik hierna zou uitspreken kon alleen mijn “overgevoelighei” bevestigen – ik zat vast in een web van verdenkingen, vage associaties, goede bedoelingen, preventieve aanvallen, censuur, politieke correctheid.’

De beeldspraak is niet heel sterk (licht en geluid zijn weinig oorspronkelijk, de Legopoppetjes en laatjes voelen weer te vergezocht) maar die twee kaarten zijn heel helder, de onmacht is in enkele zinnen neergezet. Hij laat ook zien dat het kleurdenken ook speelt tussen antiracisten onderling (mag je met een Noord-Afrikaanse of, en dat zijn identiteit door veel meer bepaald is dan afkomst. ‘Een deel van mijn verhaal,’ schrijft hij over een lezing die hij op een symposium moet houden, ‘gaat over verschuivende identiteiten, dat identiteit nooit een vast punt heeft. Dat hokjes betrekkelijk, rekkelijk zijn. Dat de situatie bepaalt of je erbij of er niet bij hoort.’

Bij het symposium moet hij zich identificeren.

De uitgeverij noemt dit boek Çankaya’s literaire debuut, en dat begrijp ik: dit is toegankelijke non-fictie, uitstekend gestructureerd, persoonlijk en diepgravend. Als hij in het begin van het boek schrijft: ‘Niet alles is even goed te verklaren. Op mijn zestiende bemoeide een vreemdeling zich met mijn identiteit. De ontmoeting greep in op mijn gehele lijf, keerde me binnenstebuiten en kieperde mij er anders uit. Er was een voor, en een na.’ Dan vind ik dat heel knap. Beknopte, krachtige, nieuwsgierigmakende zinnen – en een weinig oorspronkelijke uitdrukking, dat binnenstebuiten keren. Literaire non-fictie hoeft niet altijd uitsluitend literair proza te bevatten.

*

Maar dat geldt ook voor literaire fictie. Suikerbastaard is wat mij betreft op zijn best in het middenstuk, waarin Scholten op semidocumentaire manier het leven neerzet van Martinus, met brieven waar de komma’s ontbreken, een beetje houterig, de inzet van een doener – maar de potentie van een dromer.

‘Ik geloof dat een machine beter gaat werken als je hem aandacht geeft. […] Het werkt zo bij een mens en bij een paard. Waarom dan niet bij een machine? Ja als ik dat in Hengelo op de stelplaats zeg of tegen sommige jongens hier word ik uitgelachen maar tegen jou kan ik dat wel zeggen vrouwtje een beetje zorg kan nooit geen kwaad.’

Scholten is zelden lyrisch, maar als hij opmerkt hoe alcohol Marinus beïnvloedt, zegt hij dat hij dan veranderde ‘in een paar ogen, hij zei geen woord meer, de vermoeidheid van de wereld kwam over hem’, of als hij een scène nog in Nederland beschrijft: ‘Ze lagen in omhelzing met hun ogen gesloten, een grote raaf vloog over, ze konden zijn vleugels horen wieken in de lucht – een geluid als de ademhaling van een zware hond.’

Zo’n ongerijmd beeld schept ruimte tot contemplatie, iets wat in Suikerbastaard niet de boventoon voert, getuige ook het wat simplistische antiracisme en eenvoudige, ik kom er zo op, beeld van vrouwen. Marinus is een doener, Frederik feitelijk ook, en Mila, de derde hoofdpersoon, een jeugdvriendin die haar vader zoekt in Ethiopië, wil ook niet te veel stilstaan bij wat ze ontdekt. Die vader is natuurlijk Marinus, en als iets dit drietal bindt, dan is het de hopeloze zoektocht naar een geliefd familielid – Frederik denkt aan zijn opa, Marinus’ vrouw en zoon worden door het communistische regime opgepakt, en Mila moet vaststellen dat haar vader enkele jaren geleden overleden is. Maar alle drie moeten ze leven met gemiste kansen; een andere keuze en alles was anders gelopen. Het is mooi hoe een Ethiopisch jurkje waarover Hilbrink zijdelings schrijft, in het slot dat onderstreept.

Het is een personage moeilijk te verwijten, maar zijn denken over vrouwen is generaliserend, tegen het seksistische aan. ‘Vrouwen zijn het aantrekkelijkste wanneer ze heel geconcentreerd met iets bezig zijn. Het maakt eigenlijk nauwelijks uit waarmee. Die vrouwelijke toewijding en ernst is voor mij totaal onweerstaanbaar.’ Ach ja, vrouwen. Mila’s legendarische borsten leiden ook al tot zo’n vaststelling. Een late jeugdherinnering. ‘In een kleine kanten onderbroek stond ze voor me, keek me aan en keuvelde door, alsof het doodnormaal was. Vrouwen zijn magische wezens voor mij, ik kom uit een jongensgezin. Haar borsten hadden de grootte van een halve grapefruit. Rond en krachtig, de tepels iets naar buiten gericht alsof ze loensten. Ze stond een tijdje afwachtend voor me met haar lange afgetrainde lichaam en genadeloze tieten. Ik deed niets.’

‘Ik deed niets.’ Mila’s borsten zijn verantwoordelijk voor de meeste spanning in de contemporaine verhaallijn, maar Frederik blijft zijn echtgenote trouw. Of?

‘Als Mila en ik tegelijk voor de wastafel staan, word ik overvallen door schuldgevoel. Het is niet het spektakel, maar de banaliteit, het gewone, waar ik me voor schaam. Het alledaagse delen met een ander. Dat kan echt niet. Ik kijk met walging naar mijn tandenborstel en knijp tandpasta uit de tube. Tandenpoetsen met een ander is het werkelijke verraad.’

Dat vind ik dan weer heel mooi opgemerkt! Kijk, het contrast en de urgentie ontbreken wat in Scholtens eerste roman in twaalf jaar, maar hij zet wel een interessante good read neer – met af en toe een scherpe observatie.

Mijn ontelbare identiteiten wordt uitgegeven door De Bezige Bij, Suikerbastaard door AFDh en Pluim. Er staan fragmenten van beide op Athenaeum.nl: Çankaya, Scholten.

Jan van Mersbergen: Fiston Mwanza Mujila, Tram 83

Pas na elf bladzijden in de roman Tram 83, van de Congolees Fiston Mwanza Mujila (vertaald door Jeanne Holierhoek, die opvallend genoeg in het colofon zes mensen bedankt voor ‘hun verrijkende inbreng’) krijgt de lezer voor het eerst iets mee dat huidskleur betreft. Een man wordt door een vrouw aangesproken:

‘Pak me eens lekker beet… Weet je ook hoe laat het is? Mijn lichaam is van jou, keten me, maak van mij je slavin, je handelswaar, je privéjachtterrein.’

We zijn in een club die Tram 83 heet: kroeg en bordeel, en je kunt er eten. Er klinkt jazzmuziek. De vrouw is een hoer. Op deze plek wordt constant gevraagd: ‘Weet u ook hoe laat is het?’
De geur is bepalend, de vragen zijn bepalend, de opmerking: ‘In de labyrinten van Stadland luister je niet naar jazz om de geur van suikerriet op te snuiven of om het negerbewustzijn te hervinden of…’
Voor het eerst het woord ‘neger’.

Mwanza Mujila vertelt in zeer levendig proza van binnenuit over deze locatie in dit land – Congo. Tot dat moment zijn de personages niet zwart. Hun kleur wordt niet benoemd. Nu alleen in verband met bewustzijn. En een hoertje spreekt de taal van de slavernij, smeekt om werk, om wat verdienste. Later verschijnt een ‘authentiek postkoloniaal stel.’ Ook zij hebben geen kleur, wel is hun leeftijd onbestemd. Dat is wat dit gebied doet. ‘In dit gedeelte van equatoriaal Afrika zijn de jonge jaren een verspilling.’
Om dan weer te herhalen: ‘Weet u ook hoe laat het is?’

Dat ritme, het ontbreken van huidskleurmoraal, het geschetste beeld van deze plek, de scherpe dialogen, direct wordt de lezer in Tram 83 ondergedompeld in het Afrika waar ik in ieder geval een zeer beperkt beeld van had. Hier zit geen Amerikaan aan een bar in Sierra Leone, zoals Denis Johnson beschreef, hier kronkelen veel personages door elkaar op een volstrekt natuurlijke manier die nergens blijk geeft van politiek, opinie of andere uitvergrootte verschillen en onrecht. Hier wordt de lezer meegevoerd een nieuwe wereld in, waar alles net zo leeft als bij ons, maar de temperatuur, ritme, beelden en woorden net even anders zijn. Het leven is hetzelfde.
Dit is geen roman over de stereotypen van honger en corruptie, dit is een boek waarin een betoog over jazzmuziek de verschillen tussen mijnwerkers en studenten uiteengezet worden en waar een trein dwars door de universiteit rijst, als je erop wilt stappen dan moet je springen en je vastgrijpen – iets wat zowel de studenten als de mijnwerkers doen. Er is verschil, er is geen verschil.

De plaats heet Stadland. Dat woordje maakt dit proza verwant met mijn allereerste proza-idee, toen ik over mijn geboortestreek een roman wilde schrijven en in de beschrijvingen woorden aan elkaar koppelde. De BBA (Brabantse Buurtspoorwegen en Autodiensten) reed in de jaren tachtig met grote gele dieselbussen, ieder uur kwam er een door ons dorp. Ze brachten je naar de stad als het regende. Die bussen beschreef ik als geelbus. Die combinatie van kleur en voertuig was zo bekend, daar wilde ik iets mee doen. Samenvoegen. Eén woord van maken. Misschien zou het werken?
Mwanza Mujila doet dat met Stadland, een combi van stad en land, zonder te benoemen waar het precies is en wat een stad-land is. Het verhaal speelt zich daar af, klaar. En alles buiten deze stad heet Achterland.
Eerder had ik het in de reeks over romans uit Afrika over Afrikaanse logica. Vanzelfsprekend rees de vraag of ik dat wel mag zeggen, vanuit één boek conclusies trekken over hoe er gedacht wordt op een heel continent. De moraal over wat je wel of niet mag zeggen verandert snel. De romans blijven.

Als in deze mooie roman een meisje voor de verandering eerst vraagt: ‘Wensen de heren gezelschap?’ om daarna te onderhandelen over het bedrag, en een man zegt: ‘Je weet dat de beurs van Tokio in vrije val is,’ vind ik erg grappig, dan zegt het meisje: ‘Winst is verkoopprijs plus aankoopbedrag min verpakking.’
Die zinnetjes maken de ontmoeting tussen man en hoertje bijzonder levendig, geestig, beeldend en tegelijk warm. Het contact, daar gaat het om. De schrijver begrijpt dat. Ze hebben contact. Ook in Afrika hebben gewone mensen, een meisje en een man, in hun rollen contact. Ik focus me daarop, want in mijn eigen proza is contact maken het belangrijkste thema, ook al is vaak benadrukt dat mijn personages op de vlucht zijn. Dat wegrennen is een begin, uiteindelijk zoeken ze allemaal contact.

Daarom lees ik romans die in Afrika spelen: om in tegenstelling tot het huidige klimaat en de huidige opinie, waarin conclusies getrokken worden aan de hand van politieke kleur, met huidskleur als argument, te voelen hoe er in dit werelddeel, dat vijf keer zo groot is als Europa, contact gemaakt wordt.
In Tram 83 geniet ik daarvan. Deze roman bewijst dat literatuur uit Congo je een idee kan geven dat je geheel Congo begrijpt. Dat is natuurlijk niet zo, van sommige passages begrijp ik bijna niks, het gaat erom dat dat idee waardevoller is dan het idee dat je vanuit de media toegeworpen krijgt.
Wat Mwanza Mujila ook doet, met name met opsommingen, is imponeren, en dat bedoel ik niet positief. Het is vermoeiend. Als hij twee bladzijden lang alle menstypen, beroepen en andere typeringen noemt van iedereen die in de kroeg komt of als hij voor een van de hoofdpersonen dertig aliassen noemt, dan is het ritme goed en zijn kennis van namen is in orde, maar verhaal, personages, locatie en sfeer verdwijnen omdat de schrijver een stapje naar voren doet en zich nadrukkelijk laat zien: kijk eens hoe ik dit er allemaal uit knal.
Het is knap, maar ik ga bladeren.
Op die grens van zeer sfeervol, levendig vertellen en pochen balanceert Mwanza Mujila voortdurend, en soms slaat hij door. Dan wordt de muziek te ingewikkeld en luister ik niet meer naar een melodie maar naar atonaal gekraak.
Toch weet hij ook veelstemmigheid te gebruiken, door zinnen op te breken en te vullen met lukraak gekozen dialoogzinnetjes. Bijvoorbeeld:

De nieuwkomers met hun opzichtige vertoon van universiteiten, scholen, ziekenhuizen en kerken zorgden er wel voor dat ze in de stad bleven.
‘De Far West?’
‘Hoezo?’
‘Wij zijn van de spoorwegbeschaving.’
‘Wat is er met mijn borsten.’
en verplichtten de anderen, de inheemsen, om in de buitenwijken te gaan wonen.

Dat is verwarrend en brengt tegelijk leven. Je weet totaal niet wie wat zegt, maar dat maakt niet uit, het zijn klanken uit de verte, ze geven aanvullingen op het geschetste decor van verhuizingen, bevolking en stadsplanning. Van deze stad in Afrika dus, met de geluiden van Afrika, al is de vorm eerder te vinden in experimenteel Amerikaans proza van tachtig jaar geleden. Toch is de setting modern, de geluiden ook. De toon is lyrisch, hoekig, ongrijpbaar, soms innemend en persoonlijk, soms afstandelijk en verwarrend.
Toen ik eind jaren negentig aan de Stadhouderskade woonde was Afrikaanse percussie populair. In het plantsoen tegenover mijn huis kwamen groepen bij elkaar, vooral witten, die eindeloos op trommels zaten te rammen. Enige eentonigheid was deze muziek niet vreemd, zeker als de swing ontbrak.
Tram 83 heeft een belofte van Afrikaanse muzikaliteit in zich, maar deze roman veel verder gaat dan percussie.
Tram 83 is jazz.

Tram 83 werd uitgegeven door De Bezige Bij.

Denis Johnson, Arielle Veerman: de redactie las een zeer goed geschreven spionageboek dat speelt in Afrika, en een benauwende roman over scheiding en dood en Joost Zwagerman.

*

Jan van Mersbergen: Denis Johnson, De lachende monsters

Denis Johnson is bekend van Treindromen, een zeer dun boekje over een man die zijn vrouw en dochtertje verliest, en Een zuil van rook, een geweldig dik boek over de oorlog in Vietnam. Diversiteit, dat is zijn kenmerk. En dan bedoel ik niet de diversiteit die nu actueel is, maar de diversiteit die een schrijver met zijn werk kan laten zien.
Met De lachende monsters (vertaald door Peter Bergsma) voegt Denis Johnson daar een roman aan toe, want de roman die speelt in Sierra Leone, en sluit aan bij mijn voornemen om uit ieder land in Afrika een roman te lezen, een voornemen dat overigens dateert van half mei. Een voornemen dat niet begon bij diversiteit, maar bij interesse in een groot werelddeel dat ik wil leren kennen, liefst aan de hand van verhalen.
De lachende monsters is anders dan de boeken van de Afrikaanse schrijvers die ik al gelezen heb. Johnson, Amerikaan, schrijft vol humor en kleur over Sierra Leone, maar de stad is niet veel meer dan een decor en zijn hoofdpersoon Ronald Nair vertelt niet van binnenuit over Afrika. Hij kent Sierra Leones Freetown goed, maar blijft een bezoeker:
‘Elf jaar sinds mijn laatste bezoek en het vliegveld van Freetown was nog steeds een zooitje…’ luidt de eerste helft van de openingszin.

De stroom valt steeds uit, dat is wat we in Europa wel weten over Afrika. Reizigers vertellen daarover, en hoe irritant dat is. De verteller van Johnson doet hetzelfde, maar dit verhaal had dus evengoed in Zuid-Amerika of India kunnen spelen. Toch vult Johnson informatie over Afrika aan die vervlogen is. Als er gedroomd wordt van een eigen plekje, een groot stuk grond met beveiliging en eindeloos veel gedienstige vrouwen, zegt iemand: ‘Een man kan zijn vallei kiezen, eentje met nauwe – verdedigbare toegangen – en het tot zijn land uitroepen, net als Rhodes in Rhodesië.’
Ga me niet vertellen dat u wist dat de Britse diamantenhandelaar Cecil Rhodes, zijn eigen land oprichtte. Ik zocht het op:

‘De British South Africa Company, onder leiding van Cecil Rhodes, kreeg in 1895 ‘eigendomsrechten’ over het Koninkrijk Mthwakazi in het zuiden van Oost-Afrika en startte er met de ontginning van de ertsen. Het land werd veroverd tijdens de Eerste Matabele-oorlog. Hij noemde het gebied naar zichzelf: Rhodesië.’

Zoals vaker in deze reeks Afrikaanse romans kom ik aan informatie die iets extra’s vraagt. Ik lees romans met wikipedia ernaast. De moeilijke namen wennen langzaam, ze doen me nog steeds denken aan Suske en Wiske en Kuifje – ons sterkste referentiepunt. Een compleet werelddeel dat veroverd is, ingedeeld, uitgeput, dat is een deel van de geschiedenis van Afrika die – en dat is dubbel wrang – amper deel uitmaakt van onze Europese geschiedenis.
Alleen al zo’n naam, Mthwakazi levert veel op:

‘Het koninkrijk lag ten noorden van de Limpopo en werd in het zuiden begrensd door de Transvaal, in het oosten door Portugees-Oost-Afrika en in het westen door Beetsjoeanaland.’

Transvaal zal misschien nog een lichtje doen branden, naar de buurt in Amsterdam Oost. Limpopo was mij onbekend. Van die namen maak ik een oude realiteit, geen Kuifje-stripboek.
Johnson haalt in een enkel zinnetje een compleet onbekend land aan, en het is geen fictie, geen sprookjeswereld, het is belangrijke informatie die met ieders leven in het westen gelinkt is.

Nair zit verwikkeld in een spionageachtig verhaal. Toch is dat niet het belangrijkste, De lachende monsters is geen thriller of speurdersroman. In een van de eerste scènes is een Guinness-commercial op tv. Nair beschrijft het filmpje over twee broers. De oudste heeft een succesvol leven in de stad en keert terug naar de jongste broer in de rimboe, zoals Nair het noemt. Ze zitten Guinness te drinken in het licht van lampen ‘die ze niet echt bezitten.’ Dat is belangrijk. De oudste geeft de jongste een buskaartje en zegt: ‘Ben je klaar om aan de mannentafel te drinken?’ De jongste zegt dat hij klaar is. De voice-over zegt: ‘Streef naar het hoogst bereikbare.’
Verderop in de roman komt het filmpje terug, met uitleg: ‘Door de kracht die in deze drank wordt mee gebrouwen bevrijdt de grote broer zijn kleine broertje van een vloek die ze geen van beiden begrijpen, en zij aan zij gaan ze op weg naar het Koninkrijk van de Beschaving.’

Ik begrijp de vloek ook niet. Ik begrijp alleen het verschil tussen stad en platteland, een verschil dat in Afrika net zo bestaat als overal ter wereld. Dit verhaal maakt het leven van Afrikanen herkenbaar en tastbaar. Dat is wat Johnson doet. Of hij nu schrijft over Amerika, Vietnam of Sierra Leone, zijn personages hadden overal vandaan kunnen komen. Dit is juist iets wat Afrikaanse schrijvers niet kunnen: het duiden van een eenvoudige locale bierreclame die iets betekenen kan voor mensen op de gehele aardbol.

Het is zeker de moeite waard: een spionageverhaal dat in Afrika speelt. Johnson, geboren in München, woonachtig geweest op de Filipijnen en in Japan, later Washington, heeft lol gehad in het uiteenzetten van de fictieve spionagegesprekken, de locaties met uitvaldeurtjes, de onderlinge verhoudingen. Bovendien schrijft hij lekker, laat hij Nair lekker vertellen. Maar er is iets wat ik steeds mis: de voeten aan de grond. Aan het stof, zoals ik graag boeken lees die in Nederland spelen en die de klompen in de klei hebben steken. In De lachende monsters voel ik het stof niet, voel ik niet hoe het is om Afrikaan te zijn. Dat is niet zo gek, dat weet Johnson helemaal niet en is slim genoeg om geen poging daartoe te doen. Ik mis het omdat dit het beginsel van mijn leesopdracht was, een maand geleden.

Deze roman kan daar niks aan doen. Dus ik las een zeer goed geschreven spionageboek dat speelt in Afrika, van een sterke Amerikaanse schrijver. Punt.

De Bezige Bij gaf De lachende monsters uit, het boek is nog verkrijgbaar via Boekwinkeltjes.nl.

Daan Stoffelsen: Arielle Veerman, De langste adem

Het literaire wereldje is gesloten door corona, al zijn er literaire prijzen (die een ander nog meer gegund worden) en ongetwijfeld ontmoeten schrijvers elkaar weer. Even geleden alweer reageerde Jan in een uitgebreid blog op de geruchten rondom Arjan Peters. Hij beschreef een gezellige literaire wereld, waarin mensen elkaar beïnvloeden, en stukken gepubliceerd worden ondanks of juist omdat dat je elkaar kent. Dat is bij De Revisor niet anders: ik kom zelden bij een schrijver over de vloer, maar ik schrijf menig schrijver in mijn redactiemails aan met haar of zijn voornaam, en ik kan daarna alsnog over een boek van die schrijver iets schrijven. Twee weken na Jans blog deden hij en ik dat dan ook in deze rubriek. Dat is moeilijk te vermijden en kan heel goed, denk ik ook, als je daarover open kaart speelt, en je je argumentatie technisch houdt. Het is overigens niet vanzelfsprekend: met de meeste auteurs die hier langskomen heb ik nog nooit gesproken of gemaild, en omgekeerd schrijf ik ook niet over elk boek van een bekende.

Of die context de enige juiste is om Arielle Veermans De langste adem te lezen, weet ik niet helemaal zeker. Veerman is de ex van Joost Zwagerman, de moeder van drie van zijn kinderen, en niet lang na een vechtscheiding ontnam hij zich het leven. In dit boek (een roman, zegt het omslag, maar het voelt erg non-fictief aan) beschrijft ze de periode na zijn dood, en het verloop van hun relatie, een benauwend verhaal van advocaten, psychiaters, stalking, depressie. En van schrijvers met invloed, en schrijvers die een kant kiezen.

Veerman is geen literair schrijfster, ze beschrijft dingen vaak, ze toont niet, en dan worden het snel clichés. ‘Later, toen iedereen zich begon terug te trekken omdat mijn moeder steeds verdrietiger werd en vaak ziek op bed lag, werd de sfeer leeg en uitzichtloos.’ ‘Wanneer iemand ergens echt over inzat en bijvoorbeeld sombere gedachten had over zelfmoord of twijfels had over vriendschappen of verliefdheden, kwam dat meestal in een-op-eengesprekken ter sprake.’ ‘De goede jaren waren begonnen, we waren jong en sterk en stevenden af op de teleurstellingen die van ons de mensen zouden maken die we werkelijk zijn. Zoals oorlogen en andere rampen dat konden doen.’ ‘We waren door opgedane ervaringen uitgegroeid tot aanvallige, complete personen; een jonge gedaante om een oude kern, het voelde nieuw en het was ook vertrouwd.’

Het zijn allemaal passages uit de relatieverhaallijn, en misschien is het de neiging tot conclusies trekken die oorspronkelijke verwoording in de weg staat. En misschien zijn er juridische beperkingen om uit stalk-e-mailtjes te citeren, zodat we het nu met de samenvatting moeten doen. Ja, er staan geloofwaardige dialogen in, en scènes die beklijven (een jonge Zwagerman die op haar feestje iedereen aanschiet omdat hij voor het eerst gepubliceerd is, bijvoorbeeld, of een oudere Zwagerman die zijn echtgenote niet naast zich duldt op de rode loper van het Boekenbal. Het bezoek aan het lege huis van de overledene), maar literair is er te weinig te halen om dit boek uit te lezen.

Wel het indringende verhaal, de droevige nasleep waarin enkele vredes gesloten worden, maar waarin vooral blijkt dat bijna het hele kamp-Zwagerman de ex haat en haar de schuld geeft, naast de woelige aanloop naar en afloop van een gelijkwaardige liefdesrelatie waarin de echtgenote tot assistente en huismoeder wordt gedegradeerd. De aaneenschakeling van confrontaties. En misschien toch de bekendheid van Zwagerman.

Veerman schetst als outsider een literair wereldje waarin iedereen elkaar kent en waarin niemand kwaad wil spreken over de dode. Ze beperkt zich tot voornamen, maar ik herken ze, vooral van hun boeken of van mijn werk bij Athenaeum Boekhandel. Ze noemt de nieuwe vriendin van Zwagerman overigens niet bij naam, dat is heel chic, maar Bram Bakker, de schrijver en psychiater die een onduidelijke, zeg maar gerust kwalijke rol in de scheiding en de nasleep speelt, wordt voluit genoemd.

Misschien is De langste adem dus wel van secundair literair belang: we krijgen een inkijkje in een klef wereldje, en in hoe mensen omgaan met roem en het publieke domein. Want ja, mocht ik in een vechtscheiding belanden, dan krijg ik natuurlijk alle verloskundigen tegen me die ik tot dan toe tot mijn vriendenkring rekende, collega’s en oudste vrienden kiezen vanzelfsprekender partij, en het is verfrissend te spreken over schrijvers als mensen met een gewoon beroep, met collega-ZZP’ers, slechtbetalende opdrachtgevers en een jaarlijks netwerkevenement (het Boekenbal) – maar er is een flinke nuance. Schrijvers hebben een podium (Zwagerman had dat zeker, ook op tv), en een vaardigheid (goed met woorden – Veerman schrijft met bewondering over de essays die ze terugvindt) die ze een voordeel geeft, en een aanzien buiten de persoonlijke kring. Veermans relaas roept bij mij de vraag op of die omstandigheid, en het egoversterkende effect ervan, de tragische gebeurtenissen heeft versterkt.

Mijn eigen conclusies zijn vooralsnog: vermijd ongelijkheid in je relatie, mijd televisiepsychiaters en houd afstand. En blijf lezen.

Prometheus gaf De langste adem uit.

Hannah van Binsbergen, Arie Storm, Klaas Knooihuizen: de redactie las een romandebuut dat lekker verteld en grappig is en mooi tempo heeft, en twee proefopstellingen in romanvorm, een vol filosofische dialogen en beschouwingen en een soepele, mijmerende.

*

Jan van Mersbergen: Klaas Knooihuizen, Geel is de kleur van de zomer

Al in de winter, nog voor de corona-ellende, kreeg ik het manscript van de nieuwe Klaas Knooihuizen opgestuurd. Het was een stapel printjes, op A4, met erg brede regels. Misschien dat ik daarom zo lang gewacht heb om het te lezen. Regels waar geen eind aan lijkt te komen nodigen niet uit tot lezen. Misschien liet ik het liggen omdat ik het werkelijke geel van de zomer wilde zien tijdens het lezen, in navolging van de titel: Geen is de kleur van de zomer.
Smoesjes, want uitnodigen tot lezen doet Klaas Knooihuizen altijd.
In december 2017 schreef ik al een keer over zijn bundel Toen wij naar Oostenrijk gingen, liepen er paarden en koeien op de weg. Toen viel het me op dat Knooihuizen over alles kan schrijven, muziek, een gebouw, een dier in de keuken, het maakt niet uit. Mijn conclusie: De vertelling is altijd groter dan het verhaal.

En deze week verscheen dus zijn roman, bij Thomas Rap. Een roman waarvan je bij het omslag al weet: deze vertelling is ook groter dan het verhaal. We lezen over een jongen die in Rotterdam zit opgescheept met een hondje. Het is een beetje een onbeholpen jongen die cool doet en tegelijk dingen verkeerd doet, want anderen lachen om hem, zeker als hij met het kleine hondje buiten is.
Toch vangt de verteller andere personages even makkelijk, zoals een vrouw: ‘De vrouw is ongezond dun en toch heeft ze een onderkin. Wat moet ze veel verdriet hebben.’
Dat zinnetje duwde me door het hele boek heen, want ik was direct weer bij de manier van vertellen die Knooihuizen zo goed beheerst: laconiek, helder, grappig en speels. In de volgende alinea kruizen twee schepen elkaar die allebei hetzelfde vervoeren. Dat is zinloos, want de een brengt zwart grind stroomopwaarts en de ander stroomafwaarts, en Knooihuizen ziet dat en laat op zijn beurt zien dat schrijven vaak niet veel meer is dan goed kijken.

Eigenaardige jongen toch, die hoofdpersoon en verteller. Hij gaat naar een sollicitatie in een trainingsbroek en kan zich niet voorstellen dat er genoeg auto’s zijn om alle files die op de radio bij de verkeersinformatie genoemd worden te kunnen maken. Liefde gaat hem niet aan – denkt-ie.
Hem wordt gevraagd op een hondje te passen, maar ‘toen ik Elmar vertelde dat ik best op die hond van hem wilde passen. Had ik er niet bij nagedacht dat ik in vreemde huizen ’s nachts bang ben.’

Toch begrijpt hij ook veel. Zo is studeren alleen een excuus om je uit verstikkend dorp te bevrijden, meer niet. Een pand dat opgetrokken is uit bakstenen die ooit wit moeten zijn geweest sluit niet aan bij de gemoedelijke sfeer die het bedrijf dat daarin gehuisvest is op probeert te roepen. Meisjes, hij weet wel hoe meisjes zijn.
Als hij hoort dat er in een pretpark in Chili een dak van een spookhuis is gewaaid en een Amerikaan een condoom in een zak sla heeft gevonden zegt hij: ‘Van alles wat er op de wereld gebeurde was er maar weinig wat er werkelijk toe deed.’
Als zijn huisgenoot aan een boot timmert: ‘Ieder ander mens zou er gek van worden, maar ik vond het wel rustgevend.’
Als hij de dokter haar handen ziet wassen: ‘Ze waste haar handen langdurig met desinfecterende zeep, alsof ik een of andere smerige zwerver was.’
Bij een rol vuilniszakken: ‘Het was de twaalfde zak van een rol van twintig. De negende als je van binnen naar buiten telt, maar wie doet dat nou?’
Hij weet dat de vlag van Letland een smallere witte baan tussen twee donkerrode banen heeft en de vlag van Estland heeft een zwarte baan. Die vlaggen staan me helder voor ogen. Ik zag ooit een onweerslucht: de grond was wit, de donkerwolk zwart en daarboven hing het blauw. Het was de vlag van Estland.

Dit soort typeringen kan een nogal lijzig relativerend personage opleveren, een sukkelaar die veelvuldig te zien zijn in de Nederlandse letteren, vooral in debuten en boeken van oudere schrijvers die zich vastbijten in het idee dat hun personages nu eenmaal onbeholpen moeten zijn, nietsnutten, zoals deze schrijvers vaak aangeven: ‘Ik schrijf omdat ik niks anders kan dan schrijven.’
Knooihuizen kan een heleboel dingen, én hij schrijft erg goed. En zijn personage is gelaagder.

Ergens noemt hij een Spaanse schrijver die in een roman een hoofdpersoon na een wilde nacht laat ontwaken naast het levenloze lichaam van de vrouw met wie hij die avond seks heeft gehad. Javier Marías moet dat zijn. Of zijn er naast Denk morgen op het slagveld aan mij meer Spaanse romans die zo beginnen?

Rode draad is, naast het hondje dat voor drama zorgt en op een gegeven vervangen moet worden door een nieuw hondje, Chantal, een meisje dat hij bij zijn werk heeft leren kennen. Ze heeft dreadlocks. Een crusty dus, zouden ze in mijn stamcafé zeggen. De jongen valt voor haar.
‘Chantal leek me het type dat standaard tien minuten te laat op elke afspraak verscheen, maar ze zat al aan het bier toen ik precies om half negen het café binnenstapte.’
Heerlijk zinnetje, net als de andere zinnen die ik hierboven aanhaalde: lekker verteld, grappig en mooi tempo.
Als hij met Chantal naar bed gaat lezen we een echte goeie seksscène. Niet een schrijver die de lezers wil laten zien hoe seks werkt, wat seks allemaal kan doen, welke maatschappelijke factoren spelen: geen romantisch gedweep of gespeelde hardheid, geen machtsspelletjes. Hij gaat met het meisje naar bed. Dat is het. De knieën van de jongen begonnen pijn te doen en hij rook nog de frikandel die ze gegeten had. Knooihuizen durft te benoemen wat er fysiek gebeurt, en dat is als het om seks gaat niet alleen gehijg, gepoch, geveinsde toestanden, en zeker geen metaforen. Een verademing.

Ik las Geel is de kleur van de zomer met veel plezier. Het is precies het boek wat ik van Knooihuizen verwachtte en waar ik naar uitkeek. Nu alleen nog een mooie kaft erom, dan kan mijn stapeltje A4-tjes en het gele mapje waar ik ze ingestopt heb, met behulp van een perforator, bij het oud vuil, en zet ik deze Knooihuizen pontificaal in de kast.

Thomas Rap gaf Geel is de kleur van de zomer uit.

Daan Stoffelsen: Arie Storm, List en leed, en Hannah van Binsbergen, Harpie

Gesprekken tussen een escort/baliemedewerker en de duivel, of een ruilactie tussen auteur en personage: romans zijn altijd kunstmatig, maar debutante (in proza – ze won al de VSB Poëzieprijs met haar poëziedebuut) Hannah van Binsbergen en de door de wol geverfde Arie Storm (in alles behalve poëzie) zetten hun proefopstellingen wel erg aan. En blijkbaar zijn er manieren om het toch vanzelfsprekend te maken, want waar de een met moeite een wat natuurlijker slot bereikte, schreef de ander een soepele roman.

Om met die laatste te beginnen: ik heb me erg vermaakt met List en leed. De premisse is goed gevonden: de schrijver Arie Storm (de ik in de roman) heeft met een roman gerommeld met de werkelijkheid, maar dat kán gerepareerd worden, als Arie Storm van plaats ruilt met zijn personage August Voois (de hij, in parallelle hoofdstukken). Storm heeft namelijk een roman geschreven waarin de hoogleraar die August Voois ontsloeg, stierf en weer opdook. Niet lang daarna overleed de man op wie dat personage gebaseerd was. Een probleem, stellen Chuck Ramkissoon en Holden Caulfield van de firma List & Leed, realiteitsreparaties, vast.

Storm bouwt dat knettergekke gegeven subtiel op, geloofwaardig ook, met twee personages die op elkaar lijken (maar August Voois heeft duidelijk minder geschreven en nagedacht als romanpersonage, die heeft wat in te halen na de ruil), herinneringen aan een Haagse jeugd, een naakt slapende vrouw, allerlei literaire verwijzingen (ik mis de helft, ongetwijfeld) en beschouwingen over wandelen. Wandelen?!

‘Ik dacht de laatste tijd vaak over lopen, of wandelen, na; vaker dan me lief was. Wandelen was tegenwoordig erg in de mode; het was, zoals inmiddels bekend, in mijn opvatting iets wat verveelde oudere dames en heren graag deden – een vorm van kitsch. […] Daar stond tegenover dat lopen, wandelen of flaneren wel degelijk in een literaire traditie paste in de vorm van het type van de slenteraar, gewoonlijk een jonge man die zonder grote haast over straat loopt, kijkend, observerend, reflecterend. Ik had eens gelezen dat hij de wereld in wordt gestuurd als de duif van Noach om er verslag van uit te brengen. Het is een verkenner die nauw verbonden is met iemand anders – in mijn geval: ik als wandelaar was het personage dat op pad was, namens mijzelf, dat wil zeggen de schrijver die thuisbleef en zijn voordeel deed met de indrukken die hij, ik dus, als wandelaar had opgedaan. Zoiets. Ik wist niet of ik dit zelf nog helemaal kon volgen. Het had iets schizofreens.’

Ik ben zelf een fervent wandelaar, en ik heb ook weleens geschreven over hoe wandelen literair vormgegeven kan worden (Sebald, Cole, ik zal die stukken overzetten van de oude site), maar sinds ik in Twan Huys’ Wandellust heb gelezen, begrijp ik Storms punt. Het wordt al snel truttig. En het mooie is, dat Storm hier ook prettig kletserig is, twijfelend, zoekend – en dat hij raakt aan iets wat klopt. Essayistisch, terwijl je ook het gevoel hebt dat er met je gespeeld wordt, en die laatste drie zinnen zou je ook op andere momenten in het boek gebruiken. Het is postmodernistisch spel, en voor een relatief ongeschoolde lezer als ik is dan de referentie Paul Auster, maar dan met humor. Rob van Essen, maar dan beperkt tot de huiselijke sfeer.

Ik ken Arie Storm overigens persoonlijk, hij is de man van mijn redacteur. Dat zou mijn mening kunnen beïnvloeden over dit boek, maar ik geloof dat het boek ook los van Storms persoon lezenswaardig is en interessant. Kijk, ik ken Storms recensies als niet flauw en belezen tegen het intimiderende aan. Ik kende zijn romans nog niet, ik vreesde ze vanwege zijn stukken en de reputatie van doordrenkt te zijn met literatuur, en deze roman verraste me daarom, en hij bevalt me: nadenkend, mijmerend bijna, geestig en afgerond. Zoiets. Ik weet niet of ik dit zelf nog helemaal kan volgen.

*

Hannah van Binsbergen ken ik niet. Wel weet ik dat in Trouw een ongekend felle bespreking van dit boek verscheen, en dat is ongebruikelijk bij een debuut. Ik begrijp wel dat je negatief kan zijn over dit boek: de opstelling is wat houterig, door de nadruk op het amorele wel erg nadrukkelijk moralistisch en dus ouderwets. De dialogen zijn filosofisch, de situaties zijn meteen op de spits gedreven, en het basisgenre is natuurlijk simpelweg de coming-of-age, en daar kan ik moeilijk van houden. Maar dat wil niet zeggen dat de duivel geen geweldig personage is of dat Van Binsbergen onzinnige dingen zegt.

‘Er zijn weinig dingen zo verstikt in betekenis als een vrouwenlijf. Het duizenddingendoekje van de zichtbare wereld. Het beeld van de schoonheid, maar ook het object waarvan de schoonheid het vaakst in de waagschaal ligt. Duizenden blikken per dag vragen zich af of dit een mooi exemplaar is, of dit acceptabel is, hoe dit lijf is ten opzichte van het eigen lijf. Jouw schoonheid schaadt mijn schoonheid. De poses en contexten waarin het naakte vrouwenlijf mag verschijnen zijn altijd hetzelfde. Met de blik van een onverschillige minnaar zien alle blote meisjes er hetzelfde uit, uitgevoerd in verschillende maten en kleuren. Het is onvoorstelbaar hoe weinig je eigenlijk naar de details kijkt.’

Ik vind die tweede zin erg goed getroffen, en de laatste twee, de rest wat serieus en stellig, beschouwend. Het mist de duivelse humor. Het recensentencliché is dan: we kijken uit naar een volgende roman. Maar tot dat moment hebben we een aantal sterke gedachten over vrouwelijkheid.

Prometheus gaf List en leed uit, Pluim gaf Harpie uit.

Jennifer Nansubuga Makumbi, Judith Fanto en Colm Tóibín: de redactie las een feest van een Oegandese roman, een sympathiek debuut en een knappe hervertelling van een Griekse mythe. Onbekende en oude verhalen in nieuwe boeken.

*

Jan van Mersbergen: Jennifer Nansubuga Makumbi, Kintu

In de kast vond ik een oud boekje staan van Alexander McCall Smith, Het geheim van de krokodil (vertaald door Ineke van Bronswijk), de originele titel: The No. 1 Ladies’ Detective Agency. Het is een zeer goed geschreven vlot boek dat speelt in Botswana. Ik las het opnieuw en haalde Google Maps erbij. Als ik een plaatsnaam tegenkwam – Kgale Hill, Gaborone, Mafikeng, Mahalapye – dan zocht ik die plaatsen op en wandelde ik op streetview eerst even door de straten. Opvallend: altijd mensen op straat. Ook opvallend: erg stoffig en gortdroog, dat land.
Botswana is zo’n vijftig jaar onafhankelijk en er wonen iets meer dan twee miljoen mensen, en dat terwijl het veertien keer groter is dan Nederland. Vergelijkbaar dus met Frankrijk, iets groter nog, en maar zo weinig mensen. En erg droog. En warm. je ziet, ik probeer een beeld te krijgen.
De hoofdpersoon van deze roman is Mma Ramotswe, een speurder. In ieder hoofdstukje laat McCall Smith zien wat zij doet en tegelijk laat hij andere personages aan het woord, zeer speels en goed gedaan.

Nu zijn er in Afrika nog veel meer landen waar ik iets van wil lezen. Mijn streven: een roman lezen uit ieder Afrikaans land. Ik heb er al een heleboel gehad, Nigeria, Egypte, Marokko, en Algerije als ik Albert Camus meereken, maar er zijn er nog veel over en het is voor mij totaal onontgonnen terrein, dus ik plaatste op Instagram een oproepje: Tips gevraagd, boeken die spelen in Afrika.
Er kwamen een paar bruikbare tips en het bleek heel fijn dat ik mijn romans uitgeef bij een literaire topuitgeverij die direct in actie kwam. De volgende dag lag er een pakketje voor de deur, met de postbode op corona-veilige afstand, dat niet door de brievenbus paste: een dikke rode roman die speelt in Oeganda: Kintu (vertaald door Josephine Ruitenberg) – veel dank daarvoor!
Het onbekende schrikt af, het onbekende trekt aan. Het begint al bij de naam van de schrijfster: Jennifer Nansubuga Makumbi. Jennifer is haar voornaam, dat begreep ik nog wel, maar bestaat haar achternaam uit Nansubuga en Makumbi, of is Nansubuga misschien haar tweede voornaam? In Engelse interviews gebruiken ze alleen Makumbi, dat is een stuk eenvoudiger, maar waar laat je dan Nansubuga? Ik neem aan dat Jennifer Nansubuga niet haar voornaam is. En net als bij García Márquez weet ik nooit of je zo’n boek nou bij de N van Nansubuga of bij de M van Makumbi in de kast moet zetten.
Veel vragen, en één zekerheid: ik ging deze roman niet in de kast zetten, ik ging direct lezen, en het was een feest.

Kleine moeilijkheid is niet alleen de naam van de schrijfster, de namen van de personages en de benamingen van allerlei gebruiken, rituelen, zaken en verbanden zijn erg moeilijk.

‘Kintu was op weg naar Lubya om eer te bewijzen aan Kyabaggu, de nieuwe kabaka.’


En een alinea verderop: ‘Kintu wist niet wat hij van Kyabaggu moest verwachten, maar het zou roekeloos zijn om een grote groep bambowa mee te nemen.’
Ik moet erg oefenen op de namen, de plaatsnamen, en die laatste woordjes moet ik maar aan zien te vullen, en toch is het heel goed te begrijpen. Het leest zoals bij de Smurfen, zonder een vergelijking te maken tussen Afrika en Smurfenland natuurlijk, je moet als schrijver tegenwoordig heel goed weten wat je wel en niet kunt zeggen, maar als grote Smurf (de kabaka) zegt: ‘We moeten zo snel mogelijk naar de Smurftoren om die laatste koffer te smurfen,’ dan weet ieder kind, geholpen door een paar tekeningen, wat ze moeten gaan doen.

Nu was ik bij Kintu erg gauw over die moeilijke namen heen, behalve bij sommige passages, zoals in: ‘Kyabaggu’s mannen namen Kintu en zijn gezelschap mee via een nieuwe route. Zo hoefden ze niet om te reizen over Nateete, Wakaliga en Lubaga, maar zetten ze direct koers naar Mpiimelebela via Kitunzi, door Bulange aan de voet van de Namirembe-heuvel.’
Op die namen moet ik even hard kauwen als mijn spellingcontrole, die de halve tekst voorziet van rode kringeltjes, zeker als in de volgende zin nog de vlaktes van Kyandondo genoemd worden, die gemakkelijk onder water liepen. Die namen blijven me niet bij, wel het water op de vlakte, en verder blijft er sprankelende literatuur over die me aan het handje meenam, Afrika in, ongeacht de plaatsnamen en de namen van de personages.Allereerst de prachtige levendige zinnetjes die op vrijwel iedere bladzijde te vinden zijn, kort, beeldend, warm, mooi. Ik weet dat er mensen zijn die stellen dat je niet zo maar zinnetjes uit een boek mag halen om iets aan te tonen, maar mijn idee is eerder dat voorbeelden kunnen aantonen hoe proza werkt en dit zijn stuk voor stuk zinnetjes die iedere schrijver in zijn eigen boek zou willen opnemen, of in ieder geval bieden ze een inkijkje in de beeldende manier van vertellen die Nansubuga Makumbi subliem beheerst:

  • ‘Bovendien was seks met een condoom zoiets als op een snoepje zuigen met het papiertje er nog om.’
  • Als iemand een wijd T-Shirt aantrekt: ‘Toen hij zich omdraaide, golfden de Chicago Bulls om zijn schouders.’
  • Als een man net de hersens ingeslagen is: ‘Kamu’s rechteroog keek nog steeds strak voor zich uit.’ Een zin die honderd bladzijden verderop in de roman terugkomt als: ‘Kanu’s rechteroog kijkt strak voor zich uit.’
  • Over grenzen van de zorg van een moeder die vier tweelingen kreeg: ‘Ze gaf de baby’s borstvoeding tot ze gingen rondrennen.’
  • Als een jongen op zijn moeder is gaan lijken; ‘… lang, statig en met het knapste gezicht dat ooit door een baarmoeder was geboetseerd.’
  • Als het wandeltempo wat te laag is zegt een man: ‘De slakken likken aan mijn hielen.’
  • ‘De slaap is een dief.’
  • ‘Hij voelde zich verraden door het rotsblok en de boom.’

Zo kan ik nog wel even doorgaan, na vijftig bladzijden heb ik mijn pen en papier weggelegd en ben ik werkelijk gaan lezen.

Naast die mooie zinnetjes werd ik overvallen door een mooie Afrikaanse logica die dit boek anders maakt dat Westerse literatuur.
In een interview dat ik op internet vond stelde Nansubuga Makumbi dat literatuur niet in Europa is ontstaan. Nou heb ik geen idee waar literatuur ontstaan is, ik denk dat iedere cultuur zo zijn eigen manieren van vertellen heeft. Ik zoek het tegenwoordig bij de spreektaal van de polder waar ik opgegroeid ben, die is even waardevol als de spreektaal van Botswana of Oeganda, maar wel anders.
De vertelcultuur en logica van Afrikaanse verhalen is in ieder geval bijzonder. Een zoon die zojuist doodgeslagen is komt ’s nachts weer terug, en het is geen droom, het is echt. En volstrekt normaal. In plaats van een paginalange droomduiding geeft Nansubuga Makumbi simpelweg het gesprekje weer.

Over een gebied dat o Lwera heet:

‘O Lwera speelde spelletjes met je geest. Zijn wapen was de illusie. Oriëntatiepunten in de verte leken zo aanlokkelijk dichtbij dat naïeve reizigers zichzelf onmogelijke doelen stelden en daardoor de plekken waar je kon uitrusten vaak voorbijliepen. Onervaren reizigers zwoeren dat o Lwera op het moment dat ze hun voeten optilden de grond onder hen zodanig verschoof dat ze terugliepen naar waar ze vandaan kwamen, waardoor ze het beangstigende gevoel kregen dat ze liepen maar niet vooruit kwamen.’

Die logica van verplaatsing en illusie in een uitgestrekt droog Afrikaans gebied doet me direct denken aan de logica van Carnaval. Die is namelijk precies hetzelfde. Maak je een dansje of wil je van de ene plaats naar de andere, dan draait de aarde onder je zware carnavalsschoenen door zodat je op dezelfde plek blijft staan en niks anders kunt dan daar maar even blijven.
Ik denk dat Afrikanen de logica van Carnaval in ieder geval beter kunnen begrijpen dan veel Hollanders.

Die logica zit in ieder hoofdstuk.
Als een man getrouwd is met een jong meisje dat nog in de groei is en hem voorbij groeit, en eigenlijk toch nog kind blijft en geen seks met de oude man wil, zeggen anderen: ‘Hij had haar direct zwanger moeten maken,’ dan was hij van het probleem af geweest.

Kintu zelf is gek van een jonge vrouw die een van een tweeling is, de jongste. Hij moet eerst met de oudste trouwen, dan volgt die jongste vanzelf wel, maar dat wil hij niet. Ze bieden hem de oudste er gratis bij aan, hij wil nog steeds niet. Pas als ze hem kinderen schenkt gaat hij overstag.
Een andere man heeft niet genoeg aan zijn vrouwen en neemt er af en toe een man bij, dat is logisch want het begint bij zijn seksuele drive. Een aannemelijke redenering, die in de roman verkondigd wordt door een zojuist onthoofde legeraanvoerder. Hij waarschuwt wel: ‘Probeer nooit uit nieuwsgierigheid een man. Voor veel mensen is dat net als een rivier: een stroom die maar één kant op gaat en nooit meer terugkomt. Als je eenmaal het diepe gekreun van een man hebt gehoord, zijn vochtige, harige huid hebt gevoeld en de geur van mannelijk zweet hebt ingedronken, wil je nooit meer een vrouw aanraken.’
Het zijn patronen en gedachtegangen die wij heel vaag nog ergens uit een ver verleden herkennen. Oud en verfrissend tegelijk.

Literatuur kan dan niet in Europa uitgevonden zijn, ergens is het wel fijn dat we in Europa heel veel van deze oude gebruiken en stammenrituelen ingewisseld hebben voor gelijke rechten tussen verschillende leeftijden, geslachten, geaardheid. Toch is het wonderlijk erover te lezen, zeker omdat Nansubuga Makumbi geen onderwerp schuwt en er steeds een draai aangeeft die je niet direct doet terugverlangen naar die oude tijd, maar wel je gedachten verbreedt, en dat is de winst van lezen over Afrika, van binnenuit.
Wat ieder boek nodig heeft: een verhaal van a naar b dat buiten landschap, personages en plaatselijke kleur om gaat, en gelukkig begrijpt Nansubuga Makumbi dat. De proloog is een inleiding die in het heden speelt, met een gruwelijke moord. Het eerste hoofdstuk is een reis naar de koning, door Kintu zelf, langs de eerder genoemde moeilijke plaatsnamen. Ergens weet de lezer: Kintu gaat daarheen en hij gaat dit en dit doen. Dat geeft richting. Dat maakt dat je over de moeilijke namen heen leest en wegdroomt en aan Carnaval denkt, tot Kintu werkelijk bij de koning is.
Dit verhaal is een scheppingsverhaal. Geen roman over Afrika zoals we gewend zijn, en zoals buitenlandse uitgevers dat graag zien: over de kolonisatie, over armoede, vluchten, over corruptie, oorlog en honger. Live Aid, maar dan in boekvorm. Het Dave Eggers-perspectief, waarin eigenlijk Amerika centraal staat.
Kintu is van binnenuit. Onze Westerse invloed ontbreekt. Zelfs de complete kolonisatie wordt overgeslagen, want de schrijfster maakt een sprong van 1750 naar onze tijd.
Mooi!

In een interview in de Volkskrant, afgelopen zaterdag, zegt ze:

‘Toen ik aan Kintu begon, bedacht ik: als ik over het kolonialisme ga schrijven, dan gaan mijn Europese lezers weer alleen naar zichzelf kijken. Maar ik wil dat ze ook eens kijken naar ons, de Oegandezen, hoe mooi we zijn, hoe lelijk, hoe wat dan ook. Russische klassiekers gaan ook niet over kolonialisme: als ik die lees, ga ik een Russische wereld binnen. Zoiets wil ik ook.’
Op die manier schrijven Nederlandse schrijvers over Nederland.

In het interview geeft ze tevens uitleg over haar naam:

‘Nansubuga is mijn eigen naam, in mijn clan en volk krijgt iedereen een persoonlijke naam. In Oeganda noemt iedereen me zo. Jennifer is natuurlijk een christelijke naam. Makumbi is een mannennaam, die van mijn grootvader.’

Is me nog niet helemaal duidelijk waar Kintu in de kast moet komen te staan, maar ik zoek zeker een plekje tussen de romans die ik graag nog een keer open zal slaan om passages terug te lezen.

Uitgeverij Cossee gaf Kintu uit.

Daan Stoffelsen: Judith Fanto, Viktor

Kan het goedkomen met een boek dat op de eerste pagina al zo schrijftalig is, dat ‘ofschoon’ opduikt? (‘Ofschoon geen van de andere familieleden mijn grootvaders radicale hartstocht voor Mahler deelde, vervulde de componist, toen toch al zestig jaar dood, in ons dagelijks leven een levendige rol.’) ‘Hetgeen’ volgt twee pagina’s verder. (‘Eindeloos konden we staren naar het smoezelige zwart-witportretje van wat volgens onze grootouders ooit het mooiste meisje van Wenen was, dat wil zeggen: voordat de nazi’s haar met één kogel de dood injoegen, hetgeen zoals gewoonlijk werd samengevat met de woorden: “Laura? Die leeft niet meer.”‘)

Viktor is een roman in twee delen, die parallel aan elkaar verteld worden: de historische roman, de schelmenroman van een fantastische figuur, Viktor, die in het Wenen van de jaren dertig en veertig twaalf ambachten beoefent en elk meisje krijgt dat hij wil, en uitgroeit tot de held van zijn familie, en de coming-of-age-roman in een joodse familie van een ik die veel weg heeft van de auteur (Judith Fanto, ik kende haar niet), die zich ontworstelt aan de a-religieuze zwijgcultuur en in de pijnlijke geschiedenis duikt.

Het is een heel sympathiek boek, zowel Viktor als Geertje die zich Judith gaat noemen zijn aangename figuren met een vlotte babbel en een scherpe geest, en je gunt Geertje haar ontwikkeling en ontdekkingen, en Viktor een uitweg (al geldt ook hier helaas het vaste holocaustantwoord: ‘Viktor? Die leeft niet meer.’). Fanto snijdt goed in de gebeurtenissen, ze vertelt niets te veel, legt niet te veel uit en daardoor blijft de geschiedenis fris. Het is ook wat braaf, en dat zit hem dus in de af en toe schrijftalige stijl (nota bene bij de contemporaine verhaallijn) en de iets te nette uitgeschreven dialogen – die zijn wel scherp, maar ze doen onnatuurlijk ‘af’ aan:

‘”Begrijp je dan niet dat het zionisme de nazi’s in de kaart speelt? Wacht tenminste tot dit alles weer is overgewaaid! Goebbels heeft zelf gezegd: we laten de joden ongemoeid zolang ze zich gedeisd houden.”
“Dat heeft Goebbels helemaal niet gezegd! Hij zei: ‘… zolang zij zich terugtrekken achter hun vier muren en het Duitse volk niet beledigen met de eis gelijk te worden behandeld’. Ik wil me niet onzichtbaar maken en worden gedoogd. Ik wil leven.”
“Ach meisje, dat is toch allemaal retoriek! Jullie zijn zo jong, jullie denken in absolute termen en hebben nog niet de ervaring dat de meeste situaties in werkelijkheid genuanceerder liggen.”
“Jong?” zei Viktor. “Vader, mag ik u erop wijzen dat Schubert op mijn leeftijd en Mozart op de leeftijd van Felix hun levenswerk al hadden voltooid?”‘

Viktor kent bovendien een chronologische opbouw en er zit geen greintje kwaad in de personages, en verwacht een minimum aan bloot en bloed. Dat wreekt zich vooral in het eerste deel, waarin Viktor en Geertje nog heel jong zijn, en als Trouw het boek niet tot Boek van de Week had benoemd, had ik het weggelegd. Maar ik las door – en uit, en dit verhaal is inderdaad de moeite van het vertellen waard. Viktor is een geweldige held, een womanizer en een echte ondernemer, die bescherming tegen antisemitisch geweld aanbiedt en zelfs het bezet houden van je plaats in de wachtrijen voor uitreisvisa, die met uit de wapenverkoop verkregen geld zijn vader loskoopt en zich als de beschermer opwerpt van de familie. Je gunt hem veel meer dan ‘Hij leeft niet meer’. Maar de roman Viktor is enige compensatie voor dat gemis.

Uitgeverij Ambo|Anthos gaf Viktor uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Thomas Heerma van Voss: Colm Tóibín, Het huis van de namen

Kort samengevat komt het hierop neer: Agamemnon gaat zijn dochter Iphigeneia offeren, want er is hem aangezegd dat de wind dan van richting zal veranderen, wat cruciaal is voor de oorlog die hij voert. Zijn vrouw Klytaimnestra wordt woedend, zint direct op wraak en gaat een relatie aan met Aigisthos, en samen plannen ze hoe ze Agamemnon zullen vermoorden als hij terugkomt. Hun zoon Orestes wordt intussen onder niet helemaal duidelijke voorwendselen in ballingschap gestuurd, tijdelijk opgesloten in een niemandsland buiten de stad en zijn weg terug moet te vinden. En dan is er ook nog de andere dochter, Elektra, die op haar beurt weer een sluw moordplan ontwikkelt omdat ze haar vader wil wreken.

Dit is een samenvatting van een mythe die ik op school kreeg onderwezen en de samenvatting van Colm Tóibíns Het huis van de namen. Een wonderlijke roman, waarvoor Tóibín zich heeft gebaseerd op onder meer De Oresteia van Aischylos, Elektra van Sopohocles en ook op werk van Euripides. Dit staat keurig opgesomd in het dankwoord, waarin hij ook benadrukt dat de roman ‘grotendeels ontsproten [is] aan mijn verbeelding’. Ik baalde tijdens het lezen op meerdere plekken dat ik het bronmateriaal niet goed kende, dat ik niet precies kon nagaan waar hij de verhalen naar zijn eigen hand zette, waar hij fantaseerde en waar hij in elk geval qua gebeurtenissen reproduceerde.

Wat ik wel weet: Tóibín doet een paar heel interessante dingen met de klassieke mythes. Zo weert hij eigenlijk alle religieuze of mythische lagen uit het verhaal. Er zijn geen gesprekken met goden, er richten zich geen hogere machten tot de personages, er wordt niet van bovenaf gestuurd – wat de personages iets raar aards krijgt. Zeker door de strakke, opsmukloze stijl die  Tóibín hanteert. Soms beweegt hij als een camera bijna langs mee met de personages. Alsof hij daarmee heeft willen zeggen: de gebeurtenissen spreken voor zich, het offer en de wraak, dat zijn al zulke grootse daden, daar hoeven geen beelden of metaforen bij.

Deze keuze pakt goed uit, om te beginnen omdat Tóibín kernachtig en krachtig schrijft, bijvoorbeeld wanneer er een hond sterft:

‘De hond stribbelde niet tegen toen ze hem optilden. Ze droegen hem naar de plek waar Mitros en de oude vrouw begraven lagen en daar bleven ze bij het dier zitten wachten. Gedurende de dag ging de een of de ander voedsel en water halen, maar de hond taalde er niet naar. Hij jankte alleen zachtjes, maar algauw hield ook dat op. Ze bleven bij het dier zitten wachten, spraken er zachtjes tegen en ook tegen Mitros en de oude vrouw, zelfs nadat de duisternis was ingevallen. Toen bleven ze allebei zwijgend zitten en werd de stilte alleen verbroken door de haperende ademhaling van hond. Totdat het ademen helemaal ophield.’

Mooi, die heldere toon, en die stilistische keuze van Tóibín pakt extra goed uit omdat veel gebeurtenissen hierdoor iets vreemd aards krijgen: dat offer van Agamemnon, sláát het eigenlijk wel ergens op als je alle contact met de goden en poëtische bombast eruit haalt? Hij doet het opdat de windrichting verandert, cruciaal voor de naderende strijd, en inderdaad, die windrichting verandert ook na het offer, maar niet direct; wie zegt dat dit niet gewoon zo ging, dus dat het offer dat dit hele verhaal in beweging. Bij veel gebeurtenissen en wendingen in Het huis van de namen kun je je dit afvragen: welk doel dienen ze, sláán ze weloverwogen wel ergens op?

Fijn is bovendien dat Tóibín geen hapklare antwoorden geeft of zijn personages ergens de maat neemt – zoals hij tegen het einde van de roman ook niet uitschrijft dat Orestes wegkwijnt en, in navolging van zijn vader, niet doorheeft wie er tegen hem samenspannen en wat ze precies in hun schild voeren. Sowieso laat Tóibin fraai zien hoe achterbaks en ondoorgrondelijk de politiek is, vol onbetrouwbare wachten en warrige dwarsverbondjes; elders in de roman toont hij fraai terloops hoe leeg de wereld nog is in deze tijd van Agamemnon, hoe weinig steden en huizen er zijn.

Zo valt er genoeg knaps in Het huis van de namen te ontdekken, ik krijg aldoor de indruk dat Tóibín precies weet wat hij doet, en waarom hij voor een bepaald register of specifieke toon heeft gekozen. Tegelijkertijd kwamen de personages geen van allen helemaal tot leven. De roman wordt beurtelings verteld door de ogen van Klytaimnestra (twee gedeeltes van het boek), Orestes (drie gedeeltes), Elektra (één gedeelte) en voor geen van hen ging ik werkelijk iets voelen, ik leefde mee met wat ze beleefden maar niet met hun leefwereld, hun gevoelens, want die houdt Tóibín min of meer verborgen. De vraag die dit bij mij opriep was: waarom wilde hij uitgerekend dit verhaal vertellen? In de roman zelf geeft hij daar geen antwoord op, en ik vind het prijzenswaardig dat hij dit verhaal over sluwe politiek, offers en scheve familieverhoudingen niet expliciet aan de huidige tijd verbindt. Tegelijkertijd kwam er ook steeds een vraag bij me op die ik niet helder kon beantwoorden: waarom specifiek deze mythes, waarom nu?

De Geus gaf Het huis van de namen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Christine Otten, Richard Yates: de redactie las een gevangenisroman met twee overtuigende vertelstemmen, en herwaardeert een roman met een sterke verhalende stijl én genuanceerde psychologie.

*

Jan van Mersbergen: Richard Yates, Revolutionary Road

Eerst zag ik de verfilmping, op de Vlaamse zender, zonder onderbrekingen, met Leonardo DiCaprio en Kate Winslet in de hoofdrollen: Revolutionary road. Mooie film over een schrijnende scheve relatie. Veel ruzie, veel zwijgen, wat mijn dochter van 12 moeilijk vond. Toen zocht ik in mijn boekenkast naar het boek. Dat had ik er ooit in staan, maar ik kon het niet meer vinden, dus bestelde ik een nieuw exemplaar (vertaald door Marijke Emeis), en afgelopen weken las ik de roman.
Her en der zei ik er al iets over, en de reacties waren allemaal zeer positief: geweldig boek, zo mooi, heerlijk.
Dat klopt allemaal, en steeds had ik het gevoel dat ik dit boek eerder had moeten lezen.
Andere reactie: Heb je dit nog niet gelezen?
Sommige boeken heb je dus simpelweg nog niet gelezen. Ik heb alleen dit jaar al zeker tien boeken gelezen die niemand kent en die minstens zo goed zijn, maar ik begrijp dat lezen geen wedstrijd is. het is wachten op het juiste moment.

Waarom kon ik Revolutionary road twintig jaar geleden niet lezen? Ik denk dat ik het te veel vond, te vol, te slim uitgelegd, te duidend. Nu denk ik er heel anders over en ben ik erg onder de indruk van de verhalende stijl van Yates die toch in iedere alinea de psychologie in duikt. Heel genuanceerd, heel precies, heel beeldend, want meestal duidt Yates niet in theorie maar in handeling gekoppeld aan gevoel.
Zoals in de volgende zin:

‘Hij maakte met zijn vrije hand zijn boord los, zowel om zijn hals af te koelen als geruststelling te ontlenen aan het volwassen gedistingeerde gevoel van een zijden das en een chic overhemd.’

De handeling is eenvoudig: boord los maken. In mijn favoriete proza, Amerikaans proza van buiten de steden, zou de zin hier opgehouden zijn. Yates voegt er nog wat aan toe, en dat is goed te volgen, hoewel het ver van mijn spreektaal af staat. Het gaat om de geruststelling. Dat brengt alles samen. Dat maakt de psychologie van een jasje en een dasje opeens meer dan alleen dat kakpak. Het geeft aan dat de man in dat pak onzeker is, en die kleding nodig heeft voor zijn vertrouwen. Het is duiden, en toch nog ruimte laten. Dat is bijzonder. Woordje als ‘het volwassen gedistingeerde gevoel’ zal ik niet gauw in een verhaal of roman opnemen, hier zijn die woordjes slechts een aanzetje tot net even wat meer, en die meerwaarde brengt Yates in bijna iedere alinea.
Yates beschrijft hoofdpersoon Frank en zijn mannelijkheid, als hij in de tuin stukken rots aan het uithakken is:

‘En als hij bij de ernst van deze gedachte zijn ogen neersloeg kon hij behagen scheppen in de aanblik van zijn eigen gebogen mannendijbeen, dat zich mager spande onder de oude olijfgroene soldatenbroek, en in zijn mannenonderarm die daar hing – die haalde het misschien niet bij de hand van zijn vader maar was toch nuttig en lang niet slecht – zodat zijn slapen nu pijn deden van geestdrift en triomf toen hij een stuk rots uit de zuiging van een holte vol witte wormen tilde en dat over de bevende bladaarde om en om naar beneden liet rollen, want hij was een man.’

Ook hier een heleboel uitleg en details, maar de basis is dat je de handeling net nog voor je ziet, en tegelijk is het getob van deze man volkomen helder. Hij worstelt met de stenen, met zijn vader, diens handen, met zijn eigen fysiek, zelfs met de aarde. Als ik zelf stenen uitgraaf of hout sta te zagen of ander fysiek werk doe – dat gebeurt soms – dan voel ik gelukkig nooit deze piekerige onstopbare gedachten. Als ik Yates lees weet ik: dat is mijn kracht. Er zijn blijkbaar een heleboel mannen in de middenklasse, met huizen en gezinnen, die zich bijzonder moeizaam verhouden tot zo ongeveer alles, en deze schrijver weet dat te vangen in sterk proza.

Dus wat ik ook steeds voel als ik Revolutionary road lees: medelijden. Met de personages en hun machteloosheid en verwrongenheid, maar ook met de schrijver die aan een eenvoudige handeling niet genoeg heeft. Yates kent geen personage dat gaat vissen. Hij zal de visser aan de waterkant laten twijfelen, tobben, nadenken, zwoegen. En dat terwijl vissen nou bij uitstek een moment is waarop mensen tot rust kunnen komen. Die rusteloosheid was het misschien wel die me ruim twintig jaar geleden dit boek weg deed leggen, en die me daar nu aan doet terugdenken. Ik kan deze roman nu goed lezen, ik vind het nog steeds proza dat pijnlijk veel biedt.
Proza dat zo precies en duidend is, dat ik er moe van wordt – is dat een kracht of een gebrek? Het antwoord is al gegeven: het is een gebrek van de lezer, want Yates pakt je met Revolutionary road helemaal in en imponeert op een dusdanig gemakkelijke manier dat het bijzonder is. Het is zoals Roger Federer een onmogelijke bal slaat: waar andere tennissers hijgend en zwetend net die bal zullen raken, ziet dat er bij Federer moeiteloos uit.

Frank en zijn vrouw zijn actuele personages. Als ze ruzie hebben sluit April een lange monoloog af met: ‘Val me niet in de rede.’
Dat zie je in onze tijd ook vaak in discussies gebeuren, vooral op tv: voordat de ander ook maar iets heeft gezegd, of zelfs maar overwogen heeft om iets te gaan zeggen, zegt de eerste al: ‘Laat me uitpraten.’
Dat soort types zijn Frank en April. Ze houden vast aan een betoog, ze trekken redenaties door en denken vooral aan zichzelf. Yates zet ze keihard neer. Alle details, alle kleine woordjes en speldenprikjes die een personage kan zenden weet hij te vangen. De kleinburgerlijke gedachten, het gemopper, de zelfoverschatting, het medelijden, het dromen en de machteloosheid, alles komt samen in een geweldige mix die samen het huwelijk van Frank en April vormen.
Yates houdt van zijn personages, maar hij haat ze net zo veel.
Als het net weer even goed lijkt te gaan tussen die twee, als ze plannen maken om naar Parijs te verkassen, beschrijft Yates de kinderen van Frank en April, in een paar prachtige levendige ritmische zinnen:

‘Er was één troost: ze konden gaan slapen zonder bang te zijn over een uur te worden gewekt door de abrupte, bonkende, hijgende, met deuren slaande geluiden van een ruzie; dat was kennelijk allemaal verleden tijd. Ze konden nu liggen soezen bij het geluid van vriendelijke stemmen in de woonkamer, een geluid waarvan het ingewikkeld ritmisch stijgen en dalen langzaam de vorm van hun dromen zou worden. En als ze later wakker werden en zich omdraaiden om met hun tenen een nieuw koel plekje tussen de lakens te zoeken wisten ze dat het geluid er nog zou zijn – één stem diep en zwaar en de ander zacht en bekoorlijk, die praatten en praatten, even werkelijk en geruststellend als een blauwe bergketen die je van verre ziet liggen.’

Dat is natuurlijk echt genieten: een alinea die aangeeft dat het huwelijk weer op orde lijkt te zijn, er weer plannen en dromen zijn, hoe onrealistisch ook, en waarin het zoeken van een koel plekje onder de lakens door een paar kindertenen verbonden wordt aan het schitterende decor van een blauw bergketen in de verte.
Hoe ver weg en groot, hoe dichtbij en klein dit proza ook is, in alles trekt het de lezer naar zich toe, en dat is een uitzonderlijke kracht die in feite iedere schrijver zoekt.
Redacteuren van literaire tijdschriften zullen in een passage uit Revolutionary road misschien niet vinden wat ze zoeken. Buurman Shep Campbell kreeg in de fabriek de reputatie een snob te zijn en hij maakte zijn eenvoudige vrouw bang ‘want hij was een slechtgehumeurde luisteraar van klassieke muziek en een chagrijnige lezer van literaire kwartaaltijdschriften geworden.’
Daar moest ik hardop om lachen.

De Arbeiderspers geeft Richard Yates uit.

Daan Stoffelsen: Christine Otten, Een van ons

Drie uur over perspectief: als Eva Meijers gemeenschapsmystery een in een groep wisselend perspectief heeft, en bijvoorbeeld Dido Michielsens droevige levensverhaal van een njai, Lichter dan ik, één derdepersoonsperspectief, dan heeft Christine Otten er in Een van ons twee. Twee stemmen, en ze verschillen duidelijk van elkaar, en dat vind ik goed werken.

Eén is Luc, een levenslang gevangene in de gevangenis bij Zutphen. Hij schrijft op momenten ademloos, en op andere momenten met een ruwe lyriek. Ademloos:

‘Wat de opdracht was werd me niet duidelijk, maar op een gegeven moment gingen ze voorlezen wat ze hadden geschreven en hoorde ik J, zijn stem herken ik uit duizenden, hij zit op de B1, die gast heeft een heel eigen stijl van praten, van formuleren, een beetje ingehouden, plechtig, alsof hij over ieder afzonderlijk woord nadenkt voor hij het uitspreekt, hij is een stuk jonger dan ik, hij traint de jonge jongens in de gym hierbeneden, kickboksen, het schijnt dat hij buiten een hele grote was, ik mag hem, maar daar gaat het niet om […]’

Geen nette afgebakende zinnen, maar in één ruk, niet te veel clichés (‘uit duizenden’), licht straattalig (‘die gast’), maar wel precies geformuleerd. En ruwe lyriek, in reactie op het verzoek van een schrijfdocente, Katrien, die in de gevangenis elke woensdagochtend een workshop geeft.

‘Ze wil dat ik mijn verhaal opschrijf. Ze heeft geen idee. […] Maar waarom in hemelsnaam zou ik haar vertellen dat haar uitnodiging aan mijn diepste angst raakt, namelijk: dat er wel degelijk tijd verstrijkt. Dat het alleen buiten mij om gaat. En dat de innerlijke rust waarop ik zo fier ben, het evenwicht dat ik denk gevonden te hebben in de herhaling, in iedere dag hetzelfde doen, in aaneengeregen monotone dagen en nachten als één langgerekte tegenwoordige tijd, berust op een vergissing.’

In die lyrische passages zit meteen een valkuil, of misschien moet ik het in hemelsnaam vanuit mezelf verwoorden: die raken een allergie van mij. Zo expliciet emoties verwoorden, zo’n diepgravende duiding, dat is me snel te sentimenteel en abstract. Onnatuurlijk. En daarmee ongeloofwaardig: wie schrijft dit zo op? Maar vaker is Luc simpelweg stug, beschrijft hij de spanning tussen hem, andere gevangenen, de schrijfdocente, de bewakers, en dat is heel knap gedaan, met een overtuigende toon.

In de alternerende hoofdstukken lezen we Katriens kant van het verhaal. Ze overtuigt Luc niet van deelname aan de workshops, maar krijgt andere gretige leerlingen, waaronder echte talenten, met goede verhalen. Ze lijkt ook te hopen op eigen inspiratie, goed materiaal, maar wordt ook geconfronteerd met haar eigen schuldgevoel.

‘Zeg niet dat hij makkelijk praten heeft, of dat mijn moeders gezondheid te broos is of dat ze gelukkig is in het huis waar ze woont, de kamer die we zo hebben ingericht dat het lijkt of ze in haar oude flat aan de IJssel is, thuis, of dat de zorg daar persoonlijk is, warm, de sfeer gemoedelijk, volks, precies waar mijn moeder van houdt of dat ik iedere week op bezoek ga twee uur heen van deur tot deur twee uur terug, dat ik geniet van iedere minuut dat we samen zijn en dat mijn moeder nooit klaagt en blij is met een verse bos bloemen een bezoekje een kus, dat ze een vechter is net als haar vader, die worstelaar was acrobaat een pistool had in de oorlog, dat ik hoop dat ik op hem lijk en op haar en zoveel van mijn moeder hou dat het soms is of mijn dagen geteld zijn niet de hare. Het boek. Niet mijn moeder, het boek.
“Je boek,” zegt ik.’

Eigenlijk komt Katrien hier net zo ademloos over als in die eerste passage van Luc. De taal is iets meer doorsnee, maar je mist ook bij haar komma’s en toch is het toch leesbaar, en het komt eerlijk over, die omgang met de clichés rond bejaarde ouders en het ongemak.

Otten bouwt een spanning op tussen de twee vertellers; Luc lijkt dwars door Katrien heen te kijken, te zien dat haar intenties niet zuiver zijn, en Katrien verwacht meer van hem. Het decor helpt daarbij, want zoals Luc zegt tegen Katrien: ‘In een bajes is niets vrijblijvend. Het lijkt soms of je dat niet helemaal snapt.’ De spanning zit hem ook in de plotlijn van het geslaagde manuscript van dat ene talent, ‘je boek’, waarover Katrien gemengde gevoelens heeft, en of Lucs geheime dagboek naarbuiten komt. Toch moet ik vaststellen, enkele dagen na lezing, dat het verhaal van Een van ons niet blijft hangen. Wel die vertelstem, en Luc is dan ook een personage dat ik wel een ruimer boek had gegund.

De Geus geeft Een van ons uit.

Eva Meijer, David Vann: de redactie las een moordmysterie dat natuur en mens in gesprek brengt, en een roman die de balans zoekt tussen verbondenheid en op zichzelf staan.

*

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, De nieuwe rivier

Het staat er niet, maar ik dacht het wel: heeft Thomas nou drie uur aan één stuk over perspectiefwisselingen gepraat?

  • Schrijfopdracht 1 bij die column: verwerk er een perspectiefwisseling in, vanuit de kat (‘Waarom praat baard zoveel? Hallo baard! Hier ben ik! Kijk me aan, kijk me aan…’).
  • Schrijfopdracht 2: schrijf de hele column vanuit het perspectief van de kat. Maak hem niet dommer dan hij is.


Drie uur voor perspectief, dat is ook eigenlijk een goede tijdsinvestering; wie een verhaal vertelt, in wiens hoofd je bent, maakt alles uit. Thomas laat het zelf zien in zijn laatste roman, waarin hij van derde naar eerste persoon gaat, en het is vaak een van de eerste grote grepen die Jan voorstelt bij een ingezonden verhaal.

Ik zou mijn drie uur denk ik beginnen met: ik ben allergisch voor alwetende vertellers. En zelfs voor wisselende personale perspectieven, dat de derdepersoonsverteller telkens verandert. Om dat vervolgens af te zwakken: Marijke Schermer heeft een fantastische roman geschreven waarin het wél werkt, Valeria Luiselli ook, en Peter Buwalda heeft voor zijn perspectiefwisselingen een hele set regels opgesteld, en ondanks dat (of juist daardoor) komt het heel natuurlijk voor.

Eva Meijers nieuwe roman, De nieuwe rivier, is wat losser met die perspectiefwisseling. Na een paar hoofdstukken met één duidelijke verteller, beschrijft ze een ontmoeting:

‘ Janet wil net de grote weg op rijden als er een donkere man in een oude groene Volkswagen aankomt. Het is de geoloog die ze eergistermiddag in café De kleine onschuld over de rivier interviewde – iemand die Engels spreekt en met wie ze op een normale manier een gesprek kan voeren. Ze toetert.
Rafel remt af. Hij wrijft over zijn nek. Hij heeft gedroomd dat hij aangeraakt werd door de hand des doods.’

Onze verteller weet zowel over Janet iets als over Rafel (zo’n droom!). Terwijl we over sommige personages niets (of aanvankelijk niets) te weten komen. En van een enkeling komen we niet alles te weten! Perspectiefgevoelig als ik ben, zou ik dan liever van iedereen wat lezen – of van maar één persoon. Maar het verhaal van De nieuwe rivier is het verhaal van een groep mensen rondom een ecologische ramp, overstromingen en een mysterieuze moord, een groep die uitdunt met telkens weer een nieuwe mysterieuze moord, en het klopt: samen tasten ze in het duister.

Mijn aanvankelijke jeuk ebde weg, want Meijer weet dit groepsmysterie – zijn er criminelen aan het werk, of activisten, of is het de natuur zelf die (à la Olga Tokarczuks Jaag je ploeg over de botten van de doden) wraak neemt op de mensen die haar misbruiken? – uitstekend uit te bouwen. Het is vaag, maar het is raak, met flarden journalistiek (die Janet is een Britse journalist) en poëzie (de eerste dode bleek een dichter) en scherpe associaties:

‘Het land was niet bestand tegen de kracht van deze aanhoudende natheid na een lange periode van droogte. Lagen harde aarde waren zo droog dat ze het water tegenhielden dat ze goed konden gebruiken. Zo gaat het vaak. Je wenst iets en als het in je schoot valt kun je er niet mee omgaan, weiger je het te ontvangen, zodat alles blijft zoals het was, hooguit wat treuriger.’

Die laatste zin is prachtig, een vermenselijking van de natuur, of vice versa, en in die zin is haar nieuwe roman een mooie voortzetting van de strijd met een ander genre (de ecothriller, zegt Das Mag, die dit boek bij uitzondering uitgeeft) die ze met Dagpauwoog, Het vogelhuis, Dierentalen en De soldaat was een dolfijn al voerde. Voorwaarts past er ook goed bij: een doorgaand gesprek tussen mensen en de natuur.

Das Mag geeft De nieuwe Rivier uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: David Vann, Caribou Island

Als een echtpaar in de roman Caribou Island van David Vann (vertaald voor Arjaan van Nimwegen) naar een verlaten plek gaat om daar een hut te bouwen en daar te gaan leven, gaat alles mis. Typerend voor de hyper-modus waar de personages van Vann in verkeren. De man, Gary, had een wild plan, zijn vrouw Irene doet mee. Ze doet niet mee omdat ze een stel zijn dat gingen samen doet.

‘Irene ging erin mee omdat zij kon straffen zodra ze het ondergaan had. haar beurt kwam nog. En zo hadden ze elkaar dat al decennialang aangedaan, onweerstaanbaar. Mooi, dacht ze dan. En dat betekende: wacht maar af.’

Op het moment waarop Irene dat denkt laden ze een boot vol boomstammen om die naar een eiland ergens in een meer te brengen. Ze laden de boot vol als die op het strand ligt en door het gewicht krijgen ze de boot niet meer in het water geduwd. Gary besluit de boot met zijn auto een zetje te geven. Dat lukt, maar de boot raakt beschadigd. Het regent vreselijk, ze hebben het koud. Ze bereiken toch het eiland. Ze stuiten op een rotskust, veel te hard. Het blijft regenen, alles gaat mis. Toch blijft dit stel in de laatste fase van hun relatie bij elkaar. Ze ploeteren. Het verhaal is tragisch, duidelijk en grappig.

David Vann was de verrassingsgast bij de eerste editie van De Vertellers van Helmers, in november 2018. Hij logeerde bij vrienden. Ik had hem daarvoor al een keer ontmoet. Toen hij een jaar later weer bij de vrienden in Amsterdam op bezoek was zocht ik hem weer op en spraken we lang over schrijven, vertellen, vissen, over wonen aan het water, over boten. Vann is een vermakelijke verteller. Als je hem leert kennen dring je beter door tot de stem die in al zijn boeken zit: die wordt grappiger.
Als Irene zich schrap zet in de boot omdat ze al voorziet dat Gary in zijn onhandigheid veel te hard vaart en ze knallen op de rotsen, dan zegt ze alleen: Jezus, Gary.
Dat kenmerkt hun relatie. Vloeken, maar er toch in blijven hangen.
Het liefst wil Irene alles opgeven, of opnieuw beginnen, met Gary. Wat er gekozen wordt maakt niet zo veel uit, alsof er geen verschil is tussen het opgeven van een relatie of het opnieuw beginnen in een relatie. Dat herken ik van de gesprekken met Vann. Keuzes zijn er, maar de richting is altijd onzeker. Daarom ook een wild plan: een hut bouwen, ergens. Grond kopen, gaan jagen en vissen, ondanks de kou. Vuurtje stoken.

Ik trok Caribou Island uit de kast uit de kast omdat ik de laatste tijd veel lees over zelfgekozen eenzaamheid, misschien een thema van een nieuw boek. Deze roman vult die ideeën op een rijke manier aan. Alle personages zijn verbonden, maar ook op zichzelf. De balans daartussen, daar gaat het om.
Vann laat zien en verklaart, en doet dat is een treffende balans. Als er net wat informatie bij de handeling moet dan geeft hij uitleg, maar in een paar woorden. geen uitgebreide psychologie, alleen een aanvulling. Dan weer een bladzijde of twee met een scène die als een film laat zien wat de personages doen. Het echtpaar verstrikt in elkaar, met eigen motieven, de dochter die bedrogen wordt, haar broer die een slap figuur is. Om beurten komen de personages langs in mooie filmische scènes die allemaal voldoende ruimte laten om de beelden er zelf bij te laten ontstaan, in je hoofd.
Ik had deze roman al gelezen en denk nu weer: wat goed gedaan.
Een boek om op geschikte momenten uit de kast te halen, om rustig te lezen, om je eraan te herinneren hoe je proza doseert, hoe je verschillende personages net voldoende meegeeft om ze tot leven te wekken, hoe je tempo bepaalt en soms sprongen kunt maken, hoe het verhaal logisch blijft en alle motieven in elkaar grijpen.

De Bezige Bij gaf Caribou Island uit.