Uiteenlopende boeken die in feite over hetzelfde probleem gaan: depressie. Een slim essay over sombere mensen en een roman over de natives in Oakland, Californië.

*

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, De grenzen van mijn taal

Ik ben geen somber mens. Ik beleef plezier aan mijn verschillende werkkringen, aan het filteren en begeleiden, het opkweken en opsteken van literatuur, en aan mijn leven in gezinsverband. Ik ken depressie niet persoonlijk. Eva Meijer wel, en ze is erin geslaagd om in De grenzen van mijn taal haar eigen ervaringen, haar wetenschappelijke vaardigheden, en haar kwaliteiten als kunstenaar samen te ballen tot een rijk essay over de ziekte. Ze laat me kennismaken met iets wat moeilijk inleefbaar is. ‘Op strijd als metafoor voor ziekte, ook populair bij depressie, is terecht al veel kritiek gekomen,’ schrijft ze, maar ook:

‘Metaforen zijn natuurlijk niet nutteloos. Stel je voor dat je in je lichaam een zee meedraagt. Bij elke stap beweegt die, net genoeg om te voelen dat je uit water bestaat. Je weet dat het water gevaarlijk is, dat er mensen in verdronken zijn, dat je onder water niet kunt leven. Je weet ook dat je nu eenmaal met die zee zit, dat er niet aan te ontsnappen valt. Soms stijgt het water, dan zakt het weer, als de getijden, hoewel niet zo regelmatig. Tot het op een dag stijgt en stijgt en je langzaam in paniek raakt. Je kunt er niet aan ontsnappen, want het zit in je. Niemand ziet het aan je buitenkant, hoewel je ogen vaker tranen dan normaal. Je kunt maar beter gaan liggen en wachten tot het water zakt en je weer kunt bewegen. Je kunt maar beter niet gaan liggen, want voor hetzelfde geld verdrink je. (En ondertussen stijgt het water en hou je al een minuut je adem in.)
[…]

Of stel je voor dat je in een bos loopt. Het is een mooie dag, je bent er niet voor het eerst maar bent er ook niet heel vaak geweest, en je kiest een nieuwe route. Dat kan wel, je weet ongeveer hoe de paden zich vertakken. Je gaat links en weer links en rechts en wil nu wel weer terug naar huis. Als je je omdraait, weet je niet meer van welk pad je kwam. Er zijn geen aanknopingspunten – je denkt een boom te herkennen, bent even opgelucht, maar dan blijkt het toch een andere te zijn. Je versnelt je pas, het gaat over een uur schemeren. Je telefoon heeft geen bereik. Dit kan een mooi verhaal opleveren, denk je om jezelf gerust te stellen – straks zit je lekker weer binnen. Het is niet koud, je zult niet doodvriezen als je niet op tijd thuis bent, ze zullen je missen en komen zoeken. Toch kruipt de paniek je buik in, je benen. De ruimte om je heen verandert, wordt groter, jij wordt kleiner. Achter bomen kunnen onbekenden staan. Je oren gaan verder open, net als je ogen, je ademhaling is snel, je hartslag ook. De geur van het bos is beklemmend, niet langer rustgevend. Het begint al te schemeren. Je komt niet meer thuis, je blijft voor altijd in dit moment hangen.’

De kleur grijs, het oneindige, het verlammende: Meijer beschrijft het mooi, precies en overtuigend. Ze vertelt uit eigen ervaring, en neemt filosofische, psychotherapeutische en medische inzichten mee, over pillen, therapie en genezing – en in hoeverre dat wel mogelijk is. Ze betoogt dat ziekte en tegenslag niet zonder waarde zijn. Ze maakt duidelijk hoe sociale omgang moeilijk wordt en vermoeiend voor de zieke, maar nog steeds waardevol. Dat huisdieren, maar ook werk, wandelen, hardlopen, kunnen helpen om je sombere gevoelens in te kaderen.

Het voelt wat vlak om te zeggen (want in hoeverre is dat mijn zwakte, in welke mate de kracht van het boek?), maar ik heb veel geleerd van dit boek, juist door Meijers vermogen dieper te graven, andere perspectieven te zoeken, te verrassen. Het voelt ook wat wrang bij een onderwerp dat zovelen ongelukkig maakt, maar ik heb ook genoten van dit boek. Vanaf de eerste zinnen (er staat een fragment op Athenaeum.nl uit de Inleiding) merk je dat Meijer haar woorden met zorg kiest, waardoor de kracht van de literatuur naast die van de ervaring en de analyse komt te staan. De grenzen van haar taal bieden ruimte te over aan haar verhaal. Mooie zinnen, rake zinnen, pijnlijke herinnering en terechte twijfel naast doortastend reiken naar de waarheid. Eva Meijer is een van onze beste romanciers en essayisten, dit boek is een noodzaak voor eenieder die de kleur grijs van dichtbij of veraf heeft leren kennen.

Uitgeverij Cossee gaf De grenzen van mijn taal uit.

Jan van Mersbergen: Tommy Orange, Er is geen daar daar

Overdonderend boek. Daar kan ik kort over zijn. There there van Tommy Orange is vertaald, als: Er is geen daar daar. Ik was huiverig voor de Wat is de wat-achtige titel, maar vanaf de eerste bladzijde vertelt dit boek me hoe de natives, de Indianen in Amerika, denken, kijken, bewegen, keuzes maken. Niet het beeld van de gevederde Indiaan schetst Orange, dat beeld is een icoon, net zoals het powwow-dansen en de huidskleur en symbolen die overal in Amerika te vinden zijn maar weinig vertellen over de Indianen zelf.

Orange laat een hele rits natives uit Oakland, Californië aan het woord of laat ze simpelweg zien. Een grote sterke jongen die een misvormd hoofd heeft omdat zijn moeder dronk toen ze zwanger van hem was. Hij ziet zijn eigen hoofd in de tv weerspiegeld. Hij heeft een syndroom, hij heeft alleen onthouden: droom. Dat beeld is zijn droom.​

‘Ik haalde mijn kostuum tevoorschijn en trok het aan. In de woonkamer ging ik voor de tv staan. De enige plek in het huis waarin ik me in de volle lengte kon zien. Ik schudde en tilde een voet op. Ik zag de veren fladderen op het scherm. Ik stak mijn armen uit, liet mijn schouders zakken en liep naar de tv toe. Ik trok het bandje onder mijn kin aan. Ik keek naar mijn gezicht. De Droom. Ik zag hem niet. Ik zag een Indiaan. Ik zag een danser.’​

Een andere jongen kalkt tags op busbankjes, muurtjes, wc’s. Hij legt een plan voor aan een subsidiecommissie; hij wil een film over de Indianen maken, zonder invulling of oordelen. Het gaat hem lukken, hoop je steeds, zoals de hoofdpersoon uit De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst het ook moet lukken dat boek te schrijven.​

Of het uiteindelijk lukt is niet het belangrijkste aan deze roman. In het verdere verloop volgt Orange eerst een andere jongen die zijn verhaal voor de camera vertelt en steeds hijgerig vraagt: ‘Krijg ik nu tweehonderd dollar?’ Het is een goed verhaal, maar het geld is de werkelijke motivatie.​

Een moeder gaat met haar twee dochters op Alcatraz wonen. De moeder is ziek maar kiest niet voor de reguliere behandelingen.​ ‘Ze werd almaar kleiner.’​ Dat is een mooie manier om te zeggen dat ze sterven zal – wat ook gebeurt. Een van de twee dochters raakt zwanger, het gezin valt uit elkaar, de meisjes zijn totaal verknipt.​

De zus heet Jacquie. De zussen proberen bij elkaar te blijven – letterlijk.​

‘We kwamen bij een stoplicht. Toen het groen werd, pakte Jacquie mijn hand. Toen we de straat overgestoken hadden, liet ze hem niet los.’​

Een dikke jongen heeft zijn game- en internetverslaving ingewisseld voor eten. Al bijna een week kan hij niet meer poepen – totaal verstopt. Hij weet dat hij minder moet eten – hij spuugt cola uit. Dappere poging. Hij weet dat hij meer moet bewegen, dus hij doet oefeningen. Hij is een Cheyenne, hij geeft niet op. Hij zet ‘die woede om in een poging tot een sit-up’. Dat lukt, en bovendien:​

‘Maar de blijdschap dat mijn eerste sit-up is gelukt, gaat gepaard met een explosie, mijn trainingsbroek vult zich met een vochtige stinkende hoop ontlasting. Ik zit buiten adem, zwetend, in mijn eigen stront. Ik ga weer liggen, spreid mijn armen, de handen geopend naar boven. Dank je, hoor ik mezelf zeggen.’​

Dat is smerig proza waar je de schrijver toch voor wilt bedanken.​

Hij schetst een flink aantal onbekenden waar je direct mee meeleeft. Natives waar wij niks vanaf weten worden personages die niet veel verschillen van andere hedendaagse Amerikaanse personages, zoals in Mijn allerliefste schat of Montana of uit het werk van Paul Harding of David Vann. Harde heldere literatuur waar Orange zijn verhalen en zijn roots opvallend makkelijk tussen schuift. Het is nieuw. Het was er niet niet. We hadden wel de Indiaan die met Jack Nicolson in het gekkenhuis zat, de Indiaan die naast Mel Gibson mocht staan, of die op een buffel reed in Dances with wolves. Allemaal treurige vlakke iconen.​

Op de pyjamabroek van mijn jongste zoon staan cactussen en wigwams afgebeeld. Wat betekent dat?​

Tijdens het lezen moest ik vaak denken aan Klukkluk, ons Indianenclowntje met zijn scheve gezicht – niet doordat zijn moeder zoop tijdens haar zwangerschap, maar voor de grap. André van Duin met een tooi. Ik weet zeker dat er nooit een filmpersonage zal komen zoals Klukkluk dat een scheve mond heeft door het zuipen van zijn pa. Onze Indiaantjes zijn om te lachen, om een pyjama op te vrolijken. Daar lenen Indianen zich voor, en hoe dat voel je bij Tommy Orange in iedere zin.​

De proloog laat zien hoe stammen afgeslacht werden, hoe er met Indianenhoofden gevoetbald werd in de straten. De verdere hoofdstukken laten de worstelingen zien van Steden-Indianen. Dat is hun landschap. En toch blijven de ontheemd, onzeker, angstig, minderwaardig. De verschillende personages die volgen geven hetzelfde beeld, maar dan in het Oakland van nu, en de verhalen zijn verweven, dat merk je als de stiefvader van de dikke jongen ook een hoofdstuk krijgt toebedeeld.​

Als de Efteling een attractie aanpast omdat naast het tergende muziekje racistische symboliek uitgedragen wordt, wat niet meer van deze tijd is, zijn de reacties op facebook uit vooral uit zuiden van het land opvallend: belachelijk, het moet niet gekker worden, die poppen doen de kinderen geen kwaad, de omgekeerde wereld. Er is geen daar daar laat heel schrijnend zien dat racisme niet alleen in symbolen zit. Die moeten natuurlijk aangepast, hoe zeer behoudzuchtige blanke zenders dat plots ook zien als ‘hun cultuur’, de Eftelingpoppen met neusringen en spleetogen staan gelijk aan Zwarte Piet. Tommy Orange vertelt over natives die nu leven en zich totaal geen raad weten met de symboliek die hen in de grote wereld neer moet zetten: de dappere onverschrokken Indianen van vroeger, die dansten met wolven en ook wel eens zwijgend een cowboy tegen durfden te vergezellen. Ze hebben psychische problemen, alcoholproblemen, drugsproblemen, ze weten helemaal niet wie ze zijn.​

Er zijn veel zelfmoorden over natives. Geen wonder: ‘Je kon moeilijk propageren dat het leven zo mooi was wanneer dat een leugen was.’​ Als een vrouw die net gestopt is met drinken kijkt naar een oude Indiaan met een honkbalpet op die zijn hand in de lucht steekt alsof hij aan het bidden is, en in zijn andere hand heeft hij een flesje water waarmee hij het publiek besprenkelt: ‘Zoiets had ze nog nooit eerder gezien.’ Een ritueel van natives dat even bekend als onbekend is, dat in stand behouden wordt door het beeld en hetgeen het beeld vertegenwoordigt – de riten van de oude Indianen – maar het staat nergens meer voor, het is volkomen los van de natives zelf. Dat moet bizar zijn. Alsof een lang vervlogen icoon uit het verleden door je eigen mensen wordt uitgevoerd om anderen te plezieren (en om wat geld te verdienen), in alle oprechtheid van een culturele act. Een klompendans in een Brabants gabberdorp.​

Een zelfmoordpreventiemedewerker sprak collega’s in South Dakota die zo veel zelfmoorden meegemaakt hadden dat ze geen tranen meer hadden. Op. Hij zelf verloor vijftien familieleden aan zelfmoord. Zijn vergelijking: er is veel zelfmoord, het zijn kinderen die springen uit brandende gebouwen. En wat we doen: we stellen dat het probleem in de eerste plaats is dat ze springen. We zeggen ze dat ze beter in het brandende gebouw kunnen blijven zitten.​

De vrouw die dit hoort tijdens een conferentie vlucht. Ze heeft genoeg ellende meegemaakt, genoeg gedronken ook. De vrouw kent het verhaal van Veho, de spin die staat voor de witte man die de wereld door zijn ogen liet kijken. ‘Eerst geven jullie me al je land, dan slok ik jullie aandacht op tot je je er niks meer van herinnert.’ Dat is een belangrijk zinnetje: de natives zijn een rad voor ogen gedraaid, en ze weten het. Hoe ze ook zoeken naar hun roots, het blijft even vaag als een dronken bui.​

Je kunt blijven citeren uit deze roman – is het wel een roman? Het is een scherpe analyse van onrecht. De verhalen gaan over onrecht. De Indianen, hoeveel namen ze ook dragen, is alles afgepakt. Orange stelt dat als Indianen hun verhaal vertellen vaak de reactie is: ‘Laat toch gaan. Jullie zijn slechte verliezers. Hou op en speel het spel mee.’ Maar het is geen spel. Het bloeden van de wond is nooit gestopt. Mensen alles afpakken en dan zeggen: ‘Jullie zijn toch wel veerkrachtig.’ als verdienste. Dat is een misdaad. ‘Je noemt het slachtoffer van een poging tot moord toch ook niet veerkrachtig.’​

Deze kraakheldere beangstigende analyses maken dit een groots boek, want in het volgende hoofdstuk gaat er toch weer een jongen van Indiaanse afkomst een dansje doen. Schrijnend, invoelbaar, en vooral roept het schaamte op. Over de privileges van witte mensen die volkomen in de watten zijn gelegd en die toch doen alsof hun leven net zo’n zware strijd is. Over de Efteling die hun symbolen niet mag afpakken, dat moet zo blijven, daar voelen wij ons gelukkig bij. Inderdaad: het zijn gekaapte treurige witte symbolen geworden.​

Volgende week donderdag: lezing van Tommy Orange door het John Adams Institute, in de Amstelkerk.

Ilja Leonard Pfeijffer, Antoine de Saint-Exupery: de redactie las de kleine favoriet van toeristen (wie immers verzamelt niet alle vertalingen?), sober en beeldend, en een groots opgezette roman over toerisme en Europa die niet verrast. *

Jan van Mersbergen: Antoine de Saint-Exupery, De kleine prins

‘Het belangrijkste is onzichtbaar.’ Klein zinnetje dat het kleine boekje De kleine prins (vertaling L. de Beaufort-van Hamel) samenvat. Nog geen honderd bladzijden, met tekeningen, over vinden en zoeken. Een kleine mythische tekst over een prinsje van een kleine planeet en een piloot in de woestijn. Ze vinden elkaar.

Wat zocht de kleine prins in de woestijn? Dat ontdekt de piloot en tevens verteller pas aan het einde, als de kleine prins water drinkt. In het begin tekent de piloot een olifant die opgegeten wordt door een boa constrictor. Hij tekent echter alleen de buitenkant zodat het lijkt op een hoed. Niemand ziet er een olifant in die opgegeten is door de slang. Het belangrijkste is onzichtbaar. De kleine prins heeft één roos. ‘Bij jou kweken de mensen vijfduizend rozen in één tuin, en ze vinden daarin niet wat ze zoeken.’ Het boekje gaat over de ruimte, over tijd, over kinderlijke verlangens en dwaze volwassenen. Moeilijke materie, want al snel wordt zo’n opzet simpel en komt het niet over. Antoine de Saint-Exupéry kiest voor een sobere beeldende taal die de vertelling wel kan dragen. Nergens sentiment of uitgekauwde metaforen. Wel verhaaltjes die totaal onmogelijk zijn maar die je door de manier van verteller direct gelooft. ‘Je moet ’s nachts naar de sterren kijken. De mijne is te klein om te wijzen waar ze is. Dat is ook beter zo.’

Daan Stoffelsen: Ilja Leonard Pfeijffer, Grand Hotel Europa

Onder de vele plagen die plaatsen als Amsterdam, Venetië en Giethoorn teisteren, is toerisme het meest in het oog springend. Veel meer dan klimaatproblemen en de duurzamere migratie uit arme landen, althans. Daarom gaat Ilja Leonard Pfeijffers enorme roman Grand Hotel Europa ook minder dan La Superba over migratie, als wel om toerisme, het vluchtige broertje van de volksverhuizing. Een belangrijk onderwerp, en niet eens zo’n enorm boek, als je ziet dat Pfeijffer de aantrekkingskracht van het verleden van ons continent voor de Europeanen, maar zeker ook voor de Amerikanen en Chinezen, en niet in de laatste plaats voor hoofdpersoon Ilja zelf, in verschillende verhaallijnen laat zien. De kracht van die oude verhalen is al een belangrijke aanname, die Pfeijffer opvoert in het verbroken liefdesverhaal van Ilja en zijn Clio, de kunsthistorica met beroerde baantjes die jaagt op een verdwenen Caravaggio, en in de geschiedenis van het hotel en zijn piccolo. Net als het belang van stijl in leven en schrijven: Pfeijffers protagonist kleedt zich en soigneert zich perfect, formuleert precies en zeer uitgebreid, en er staan paginalange alinea’s betoog in die elk verband met een realistische dialoog verloren hebben.

‘“Ik verzoek u mij te corrigeren als ik het bij het verkeerde eind heb,” zei ik, “maar ik heb niet de indruk dat ik mijn toevlucht neem tot overhaaste gevolgtrekkingen als ik concludeer dat uw antwoord op mijn eerdere vraag ontkennend zou zijn en dat u niet van oordeel bent dat reizen de blik verruimt.” “Ik zie geen noodzaak om u te corrigeren,” zei hij.’

Het gaat over de kunst van Caravaggio en Damien Hirst, over musea, over hoe het continent sterft. Het gaat over hoe Europa in zichzelf gekeerd is. En over hoe toeristen een niet te stoppen ramp zijn. Had ik dat al gezegd? Dat zal zijn omdat Pfeijffer er ook op hamert. Hij herhaalt het nogal eens. Ik deel Pfeijffers literatuuropvatting niet – ik overdrijf even: kunst hoort kunstmatig te zijn, en daarop te reflecteren, tot in een weelderige stijl en een ironische toon over the top -, maar ik zie dat hij die consequent doorzet, mooie verhalen combineert, zichzelf als overtuigend personage neerzet. Zelfs de manier waarop hij met vrouwen en meisjes omgaat, de pornografische scènes, past. Alleen mist de centrale lijn van dit boek – en ik mis misschien een ironische twist – verrassingen. Hij verrast me met een inzicht in de verhaalstructuur in de Dave Eggers-achtige getuigenis van piccolo Abdul. Hij verrast me met de reflecties op moderne kunst (de tweede helft van de roman heb ik niet voor niets gelezen). Hij verrast me (en zijn hoofdpersoon) met de plotwendingen aan het slot. Maar niet met het gegeven dat toerisme het oude Europa kapotmaakt, en dat Europa vastzit in het verleden. Dat is zo’n Nexus Instituut-stelling die onbetwistbaar is, die veel analyse en weinig oplossingen toelaat, lange gesprekken oplevert, maar geen ontwikkeling. Het is niet iets voor op de voorgrond van een boek, het is decor, zoals in Rob van Essens De goede zoon (waarin Hirst ook een rol speelt, en musea, en carnavalstoeristen, en het verleden). Ja, ontwikkeling, misschien is dat mijn bezwaar. Het lijkt wel alsof Pfeijffers alter ego, een corpulente, charmante snob, vast blijft zitten. In zijn relatie met Clio veranderde er weinig, in Hotel Grand Europa evenmin. Ja, het slot biedt hoop – maar dat is te weinig en te laat. Dan is Europa al overleden.

Maria Vlaar, John Fante, Rob van Essen: de redactie las een ingehouden, intrigerend verhaal, helder en koortsachtig proza en een geweldige toekomstroman.

*

Daan Stoffelsen: Rob van Essen, De goede zoon

Wat blijft er van waarde over als iedereen een basisinkomen heeft? Wat is nog eigen aan de mens als zelfs robots en auto’s ironisch zijn? Herinneringen. Dat is een wat abstracte samenvatting van Rob van Essens geweldige nieuwe roman De goede zoon. Een samenvatting ook die geen recht doet aan de innovativiteit, de humor, de stijl en de ontroerende materie. Want deze roman, een van de meest genoemde boeken in de Nederlandse eindejaarslijstjes, is een licht dystopische road novel down memory lane over dementie en moederliefde, ironie, kunst – en dus herinnering.

Wat begint met een geweldsfantasie naar aanleiding van een incident in de Albert Heijn (waar cassières gesubsidieerd zijn om jonge mensen van de straat te houden, want ja, wat kan een mens wat een robot niet kan) en substantie krijgt door mijmeringen over de zojuist overleden moeder van de verteller – na twintig jaar dementie en een leven bedrukt door streng religieuze overtuigingen – (ja deze zin kan echt nog langer), krijgt vaart door een telefoontje van een oude bekende: Lennox.

‘Alsof we elkaar gisteren nog gesproken hebben. Tenminste, zo klinkt hij. Ik ben vooral verbaasd. Dat het Lennox is hoor ik pas als hij zich voorstelt, het nummer zei me niets. Waar belt hij voor? Niet om me een wapen aan te bieden, dat zou mooi zijn, Lennox leest je gedachten en vervult je wensen, en hij werkte toen ook met De Meester, dus waarom niet, maar daar belt hij dus niet voor, hij belt om me te vertellen dat Bonzo zijn geheugen kwijt is en dat wij naar hem toe moeten om daar wat aan te doen. Nog steeds erg toevallig trouwens, want Bonzo en De Meester zijn een en dezelfde persoon. Niet zijn hele geheugen, zegt Lennox, alleen dat deel van zijn leven dat wij voor hem hebben verzonnen. Nou ja, wij – jij vooral; we hebben je nodig.’

De twee gaan op reis, eerst met een toeristenbus langs voor toeristen speciaal gebouwde dorpjes als Mersbergen (‘Carnaval twaalf maanden per jaar.’), later met een ouderwetse benzineauto, en ten slotte wordt Lennox ziek en regelt hij voor de ik een zelfrijdende auto, een prototype dat doorvraagt, ironie beproeft en zelfs seks heeft met de ik. Om ten slotte aan te komen in een klooster waar de schedel van de ik gelicht wordt – virtueel dan.

Wat maakt dit boek geweldig? Veel is ontzettend geestig: de geluiden van de sta-op-stoel die de ik van zijn overleden moeder overnam, die seksscène, woedende yoga, de observaties en gesprekken onderweg (ik moest denken aan de sfeer van P.F. Thoméses J. Kessels-romans, maar dan een stuk minder plat), het feit dat de ik een schrijver van plotloze thrillers is (is De goede zoon een plotloze thriller? Het lijkt erop), de musicalideeën van de ik en zijn auto over een plichtsgetrouwe, ‘goede’ zoon van een dementerende moeder.

Er is toch iets van een plot, waarin het Archief een rol speelt, en de Dienst, en een Holleeder-achtige figuur (Bonzo/de Meester dus). Er zijn ook inzichtrijke observaties, over herinnering, hoe die verdwijnt, hoe je die kan construeren en weghalen (al is dat in deze toekomstroman toekomstmuziek). En over hoe kunst onttoverd is voor de ik, over toerisme dus, zelfs over moslims, over robots en ironie.

‘Ooit was ironie van ons, de leden van de geletterde middenklasse, een niet al te kostbaar en overal te verkrijgen middel om het leven ongevaarlijker te maken, om het te verkleinen zodat wij er beter in pasten, een middel ook om hiërarchie aan te brengen in onze eigen groep; maar nu beschikt kunstmatige intelligentie er ook over. Misschien heeft ze het zelf ontwikkeld, wie weet is het een onvervreemdbaar, onvermijdelijk onderdeel van een zich ontwikkelend bewustzijn, straks blijkt ironie de drijvende kracht achter alles. Dat zou me eigenlijk niet eens verbazen. Maar de zorgeloze manier waarop ze er gebruik van maakt! Het is inderdaad een nieuwe wereld, alles wat ik zojuist over mijn leven heb gehoord is alweer achterhaald na de confrontaties met ironische receptierobo’s en liftdeuren. Soms denk ik dat er met tijdmachines wordt gewerkt, dat ze vanuit de toekomst hun plannen trekken en ons langzaam aan hun regime willen laten wennen; daarom sturen ze ons eerst vriendelijke, behulpzame receptierobo’s met ironische gimmicks en glimlachjes. Maar die ironie moet er ingeslopen zijn, die kan nooit de bedoeling zijn geweest, want ze geven zichzelf ermee weg: hun ironie is te triomfantelijk, het is de ironie van iemand die de ander niet serieus kan nemen, hoezeer hij ook zijn best doet; die ander is gewoon te onbelangrijk, te efemeer, te sterfelijk. Het is niet eens ironie, het is vrolijkheid, ze maken zich vrolijk over ons omdat we vermakelijk zijn zonder dat we ertoe doen.’

De stijl raast maar door, maar je ontsnapt er niet aan, je raast mee, het leest niet als een trein, maar als het landschap daarbuiten, niet te beïnvloeden maar indrukwekkend, continu veranderend maar onontkoombaar. En er is een ontroerend zelfonderzoek naar die moeder, haar dementie, de rol van de ik.

De goede zoon is een ontdekking, en ik ben blij dat ik een oeuvre kan teruglezen. Dat kende ik amper, realiseerde ik me toen ik de podcast BoekenFM terugluisterde, maar ik heb wel wat om naar uit te zien, bleek. Want wat las ik nu helemaal? We hebben in De Revisor Van Essens verhaal ‘Dit is wat ik je beloof’ in 2011 gepubliceerd (een van zijn beste, begreep ik ook van de podcast), en ik las voorvorig jaar Winter in Amerika, waarvan ik in de war raakte.

De verwarring lijkt helemaal Van Essens bedoeling te zijn geweest, en nu heeft de verwarring meer substantie, raakt hij meer onderwerpen en graaft hij dieper. Lezen dus. Ik ga herlezen.

Thomas Heerma van Voss: Maria Vlaar, Diepe aarde

In het verhaal ‘De ongeborene’, een hoogtepunt uit Maria Vlaars debuutbundel, volgen we een stel. Hij heet Jeroen en is schoenenmaker. Zij heet Renske en gaat zich bemoeien met zijn zaak, soms betuttelend, soms ronduit sturend, soms dominant en soms ook afwezig. Allebei worden ze in de derde persoon gevolgd, en we komen heel terloops toch dichtbij hun beider leefwerelden. Knap gedaan, dit is sowieso een knap, enigszins onbestemd verhaal, omdat het heel concrete elementen combineert met een onbestemde laag – ‘De ongeborene’ gaat om veel meer dan het aanvankelijk lijkt, zonder dat al te duidelijk uit te leggen is waar dat meer allemaal precies in zit; Diepe aarde heet Vlaars bundel uiterst toepasselijk, een titel die uit dit verhaal stamt. In de schoenenwinkel komt een jongen langs met ‘een paar handgemaakte Greve-herenschoenen’ en tussen hem en Jeroen ontvouwt zich een veelzeggende dialoog:

‘Ik heb iets met machines,’ zegt de jongen, ‘ik wil weten hoe alles in elkaar steekt in de wereld.’
‘Alles, alles. Ben je een studiebol?’
‘Ik studeer aardwetenschappen,’ zegt de jongen, ‘richting Diepe Aarde.’
‘Diepe Aarde?’ vraagt Jeroen, terwijl hij de schoenen op zijn werktafel netjes twee aan twee orden. Vooral veel sandalen nu, met dit mooie weer.
‘Ja, over wat in de aardkern gebeurt, daar waar we niet bij kunnen. Waar het te heet is om te meten en te donker om te kijken.’

In het klein gebeurt hier wat Vlaar tijdens dit hele verhaal behendig doet: afwisselen tussen enerzijds concrete zaken, namelijk heel toegankelijke, ogenschijnlijk eenvoudige taal, een praktisch beroep als schoenenmaker dat subtiel en toch heel sfeervol wordt beschreven, en anderzijds juist de achterliggende, meer onbewuste lagen: dat waar we niet bij kunnen, inderdaad. Dat wat we maar half zelf ervaren. Want het is voelbaar dat er, hoe praktisch en soms banaal de zaken ook zijn waar Renske en Jeroen het vooral over hebben, meer op het spel staat, veel meer. Bijvoorbeeld wanneer er rondom Renske’s zwangerschap een terloopse passage aan namen gewijd wordt:

‘Als het een jongen wordt gaat hij Ernst heten, van Max Ernst, van wie Renske in Berlijn schilderijen heeft gezien. Jeroen vindt de naam Ernst mooier dan Max. Als het een meisje wordt gaat ze Fanny heten, naar Renskes lievelingsfilm. Jeroen moet die nog eens gaan zien, vindt ze.’

Mooi, juist omdat het zo ingehouden is, omdat je over een dergelijke passage makkelijk heen leest – die woorden ‘vindt ze’ geven de passage iets schrijnends, en tegelijk wordt dat verschil in hun leefwerelden niet al te veel uitgevent: dit zou erop kunnen wijzen dat ze fundamenteel andere karakters hebben, dat zij iets van hem verlangt wat hij niet geeft – want eerlijk is eerlijk: niets wijst erop dat hij die film ooit zal zien, het enige waarover hij werkelijk begeestering toont in het verhaal is zijn zaak, en later ook min of meer zijn kind. Jeroen zelf verzandt in dezelfde pagina, als zijn kind eenmaal geboren is, ook nog in een even korte, zij het iets nadrukkelijker opgeschreven gedachte over zijn kind, over erfelijkheid, over het voortleven van voorliefdes en gebreken: ‘Als het kindje begint te krijsen en de vroedvrouw haar duim opsteekt naar Renske aait Jeroen de rimpelige handjes. De huid is zacht en dun als vloeipapier. Zonder te weten dat hij niets te zeggen heeft over de loop van het leven vraagt Jeroen zich af of het later ook schoenmakershanden zullen worden.’

Intrigerend verhaal dit, dat bij herlezing alleen maar beter wordt.

Jan van Mersbergen: John Fante, Vraag het aan het stof

In Vraag het aan het stof (vertaald door Mea Flothuis, jammer dat de roman in de Nederlandse titel veel meer woorden nodig heeft dan in het Amerikaanse Ask The Dust) weet John Fante opnieuw heerlijk te vertellen. Nu is zijn alter ego Arturo Bandini aan het woord. Zijn huurbaas wil geld zien.

‘Het liep op als de nationale schuld, ik moest betalen of vertrekken – tot de laatste cent, vijf weken achterstallige huur, twintig dollar, en zo niet, dan zou ze beslag leggen op mijn koffers; maar ik had helemaal geen koffers, ik had maar één valiesje en dat was van karton zonder zelfs een riem erom, want de riem zat om mijn buik teneinde mijn broek op te houden, maar dat was niet zo moeilijk omdat mijn broek ook al weinig meer voorstelde.’

Van een huurbaas naar geld, naar koffers, een riem, een broek, en zelfs die schamele broek stelt weinig meer voor. De weg van armoede en ellende, verteld door een kerel die schrijver wil worden. Je weet meteen dat hij dat zal worden, hij is een schrijver. Het moet alleen even mee zitten.
Schitterend is ook het gevecht dat Bandini aangaat met zijn schrijven, dat lukt totaal niet meer na een positieve reactie van een uitgever. Hij zit in zijn gehuurde hotelkamer naar een palmboom te kijken…

‘… maar het ging niet, het was het langste gevecht van keihard doorzetten van zijn leven, en er kwam geen regel, niet één, alleen maar één woord dat steeds weer, over de hele bladzijde stond: palmboom, palmboom, palmboom, een gevecht op leven en dood tussen de palmboom en mij, en de palmboom won: kijk, daar stond hij buiten in de blauwe licht te wuiven, zoetjes te kraken in de blauwe lucht. De palm won na twee dagen strijd, en ik klom naar buiten en ging onder de boom zitten. De tijd ging voorbij, een minuut of wat, en ik viel in slaap terwijl kleine bruine mieren carnaval vierden in het haar op mijn benen.’

Lees dat nog maar eens terug. Herhalingen, ritme, beelden, even helder als koortsachtig.
De passages waarin Fante zijn alter ego laat zwelgen in zelfmedelijden zijn minder. ‘Ik was Gods meest deerniswekkende schepsel…’ Dat geloof ik wel. Dat soort opmerkingen maken Bandini passief. Als hij ‘denkt aan spaghetti, zwemmend in de heerlijkste tomatensaus’ zie ik wel zijn leed en de heimwee voor me.

Vaker gezien, een roman over een man die schrijver wil worden. In De helaasheid der dingen laat Dimitri Verhulst zeer overtuigend zien hoe een jongen zich ontworstelt aan zijn armoedige gezin, door het schrijven. De slotscène van de verfilming is ontroerend: hij rijdt op zijn brommer als hij weet dat zijn boek gepubliceerd gaat worden.
Het is niet vreemd dat Charles Bukowski er geen geheim van maakte dol op Fante te zijn, ook Bukowski schreef vaak over een schrijver die aan het aanklugelen was, vanuit een woede tegen de klippen op tikken.
Toch hebben deze schrijvende hoofdpersonages een nadeel: het proza wordt zo naar binnen gekeerd. Een schrijver die vertelt over een schrijver die vertelt… Ik heb het nooit goed aangedurfd en gaf mijn hoofdpersonages al gauw een behapbaar beroep. Of moet je hier juist lef voor hebben? Gewoon schrijven over een schrijver? Die vraag houdt me bezig terwijl ik deze tweede roman van John Fante lees dit jaar. Het sluit ook aan bij mijn nieuwe roman, met daarin een grote rol voor een schrijfster. Niet de hoofdrol, die heb ik vergeven aan de vrouw van een vijverbouwer.

Marieke Lucas Rijneveld, Willy Vlautin: de redactie las een fonkelende roman met interessante beeldspraak en de zachte taal van een bokser.

*

Daan Stoffelsen: Marieke Lucas Rijneveld, De avond is ongemak

Vandaag wordt het romandebuut van oud-collega Marieke Lucas Rijneveld gepresenteerd: De avond is ongemak. En volgende week – vrijdag 16, 19.00, gratis maar aanmelden verplicht – spreekt Jan haar bij Athenaeum Boekhandel over het boek. Het is een indrukwekkend, fonkelend en schurend boek, kan ik op eenderde al zeggen.

De omstandigheden – de oudste zoon is bij het schaatsen verdronken, de achterblijvers verzuipen in hun eigen rouw – zijn indringend, de beeldspraak is bijna zonder uitzondering zeer oorspronkelijk, en af en toe is het echt pijnlijk. ‘Heeft vader dan een hart, denk je,’ vraagt het jongere zusje op enig moment. Wreed en geïsoleerd en vreemd worden de kinderen.

Het is een vervelende debutantenneiging in te zetten op gevatte beeldspraak; ik struikel daar altijd over. Waarom slim doen als je een verhaal moet vertellen? Rijnevelds beelden zijn niet gevat, ze zijn aards en fysiek en origineel. En alomaanwezig, op een manier die haar proza tegelijk stroperig en stroef, en heel oorspronkelijk maakt. Een heel ontroerende scène is deze:

‘Hanna had de eerste dag met haar knokkels op het glas geklopt en met een klein stemmetje gezegd: “Nu vind ik het niet meer leuk, doe normaal, Matthies.” Even bewoog ze zich niet, alsof ze bang was dat hij fluisterde en ze hem niet zou horen als ze niet voor even alles stil liet vallen. Toen er niets werd teruggezegd, ging ze weer met haar poppen achter de bank spelen, haar dunne lijfje rillend als een waterjuffer, ik had haar tussen duim- en wijsvinger vast willen houden en haar warm willen blazen.’

Een waterjuffer! Een mooie maar ongrijpbare libelle, absoluut niet knuffelbaar – bij Rijneveld kan het. Maar dan die komma, daarna gaat het een heel andere kant op, dat is eigenlijk een zelfstandige zin, maar door het aan de vorige vast te haken wordt het stroef. Had een punt geholpen? Haar dunne lijefje rilt. Een waterjuffer, die ik tussen duim- en wijsvinger vast wilde houden, ik wilde haar warm blazen.

Nog zo’n beeld. Hier herinnert de ik zich een droom:

‘Ik trek het dekbed over mijn schouders heen en denk aan de nachtmerrie die ik had waarin vader en moeder onder het ijs lagen, als twee ingevroren palingen die we weleens van boer Evertsen krijgen, gewikkeld in het Reformatorisch Dagblad. Daarover zei vader altijd: ‘Ingepakt in Gods woord smaken ze nog beter.”’

Nog nooit twee ingevroren palingen gezien, en zeker niet die van boer Evertsen (die de oudste broer gevonden heeft, lees het fragment op Athenaeum.nl), maar je kunt je er iets bij voorstellen, en door dat particuliere blijf je gevangen in de sfeer die Rijneveld schept: grijs, bruin, zwart. Vaders opmerking kan ik vervolgens niet anders dan heel geestig lezen – dat hart zit er echt wel.

Ook zo’n debutantending: beelden stapelden, en Rijneveld doet dat ook. Gek genoeg werkt dat wel en niet tegelijk. Het houdt op, maar het is niet zo dat je verdwijnt uit het hoofd van de ik, uit de sfeer, de omgeving. Het vervolg van de nachtmerrie:

‘Plat was ik op het ijs gaan liggen, als een sneeuwengel die zo uit de hemel was gedonderd, en keek naar mijn ouders – ze leken op de dinofiguurtjes in een potje die ik eens voor mijn verjaardag kreeg en in een soort gelachtige gelei vastzaten. Obbe en ik hadden die een keer met een appelboor uit de gelei gedraaid. Eenmaal eruit vonden we er niets meer aan, de onaantastbaarheid en de afstand maakten ze interessant, zoals mijn vastgevroren ouders. Ik tikte op het ijs, legde mijn oor erop en hoorde een zingend geluid van schaatsen; ik wilde naar ze roepen maar er kwam geen geluid uit mijn keel.’

Stapeling: sneeuwengel, dinofiguurtjes (dat ken ik echt niet, ik kan me er niets bij voorstellen), dan de anekdote, dan de analyse (‘onaantastbaarheid en afstand’), samen wordt het stroever, maar inhoudelijk en sferisch klopt alles.

AtlasContact gaf De avond is ongemak uit.

Jan van Mersbergen: Willy Vlautin, Laat me niet vallen

In de roman Laat me niet vallen (oorspronkelijke titel: Don’t Skip Out On Me) van Willy Vlautin staat een heel mooi zinnetje. Wanneer de bokser de oude man waarvoor hij gewerkt heeft opbelt om te zeggen dat hij terug wil komen of eigenlijk om te zeggen dat hij helemaal niet terug wil komen, hij weet het echt niet meer, maar hij belt toch op en dan zegt deze Horace: ‘U moet mij maar vergeten, meneer Reese.’

Vooral dat ‘meneer Reese’ erbij maakt indruk. Geen harde taal van het stereotype bokser, dit zijn de woorden van een jongen die zich vreselijk minderwaardig voelt en die de ouwe baas niet tot last wil zijn. Hij wil verdwijnen.

Meneer Reese praat op de jongen in, dat hij trots moet zijn op zijn boksprestaties, dat hij altijd goed voor hem gewerkt heeft, dat hij dingen helemaal zelf bereikt heeft die niemand zou kunnen, dat hij er alleen voor stond zonder vader en zonder moeder, en dat deze jongen als een zoon voor hem is.

Aangrijpende slotpassage. Zo staat Laat me niet vallen vol met mooie scènes die afstandelijk lijken maar die erg intens zijn. Als de moeder van de jongen hem naar zijn oma brengt wil ze zich verantwoorden, maar dat lukt haar niet. Ze praat en praat, en ze huilt. ‘Zei steeds dezelfde dingen,’ zegt Vlautin. Hij begrijpt die herhaling. Dat hopeloze.

De eerste paar scènes van Laat me niet vallen zijn wat traag en gaan over het boerenleven, als de jongen daadwerkelijk gaat boksen en zijn droom najaagt komt er vaart in de roman, en ook gevoel. Mooi opgebouwd. Fijn dat dit boek Boek van de Maand bij DWDD is geworden.

Meulenhoff gaf Laat me niet vallen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Jan heeft Vlautin geïnterviewd, de weerslag daarvan staat binnenkort in NRC Handelsblad.

Daniel Kehlmann, Colum McCann, Thomas Heerma van Voss: de redactie las deze week een mooie openingsscène en een intrigerend vervolg, een boekje met tips voor jonge schrijvers dat voorbijgaat aan het benoemen van praktische keuzes, en scherpe gedachten over kunst, schaamte en onzichtbaarheid.

*

Thomas Heerma van Voss: Daniel Kehlmann, Tijl

De roman Tijl heeft de beste openingsscène die ik in tijden heb gelezen. Hoofdpersoon Tijl Uilenspiegel – een bekend personage uit de Nederlands-Duitse folklore van de veertiende eeuw, een typische deugniet die in allerlei klassieke verhalen opduikt en door auteur Daniel Kehlmann nu is gesitueerd in het Europa tijdens de Dertigjarige oorlog (1612-1642) – komt aan in een gemeenschap waar men direct al ontzettend tegen hem opkijkt, ze kennen de roemruchte verhalen over zijn acrobatische kunsten en over zijn grootse krachten, en van die voorsprong maakt hij behendig steeds meer gebruik. Hij wint iedereens vertrouwen, hij laat de massa doen wat hij ze opdraagt – terwijl aanvankelijk bijna niemand in zijn buurt durft te komen.

‘Hoe heet jij?’ vroeg hij aan een meisje. 
Het kind zei niets, want ze begreep niet hoe het kon dat iemand die beroemd was met haar praatte. 
‘Ik vraag je iets!’ 
Toen ze hakkelde dat ze Martha heette, lachte hij alleen even, alsof hij dat allang wist. Daarna vroeg hij aandachtig, alsof hij het belangrijk vond: ‘En hoe oud ben je?’ 
Ze schraapte haar keel en vertelde het. In de twaalf jaar dat ze leefde had ze nog nooit ogen gezien als de zijne. Dat soort ogen had je misschien in de vrije steden in het Rijk of aan de hoven van de groten der aarde, maar bij ons was nog nooit iemand met zulke ogen geweest. Martha wist niet dat een mensengezicht zoveel kracht en geestelijke bezieling kon uitstralen. Later zou ze haar man vertellen, en nog veel later haar ongelovige kleinkinderen, voor wie Uilenspiegel een wezen uit oude sagen was, dat ze hem met eigen ogen had gezien.

In dit fragment komt veel naar voren van wat de scène als geheel (tientallen pagina’s) zo krachtig maakt: het enorme ontzag voor Tijl, de wijze waarop mensen zo door hem bedwelmd raken, en ook zijn overtuigingskracht. Meteen schakelt hij over van een beleefde, aftastende vraag naar een vrij directe uithaal, die overkomt als een bevel. En op die manier krijgt hij steeds meer gedaan – niet alleen van dit kind, maar van de hele gemeenschap, die hij op den duur allemaal een schoen laat uittrekken en naar voren laat gooien, waarna hij ze in hun gezicht uitlacht. Dit mechanisme van de grote groep die bedwelmd en geactiveerd wordt deed me denken aan Roman Helinski’s roman De Wafelfabriek, die gaat over een eveneens zeer charismatische man die eveneens een kleine groep mensen volledig puur met retoriek tot dubieuze handelingen overbrengt (in het geval van De Wafelfabriek gaat het om het trekken van tanden).
 
Wat overigens ook opvalt aan dit Tijl-fragment is het alwetende perspectief, dat hier vrijwel geheel bij Martha ligt (die in de rest van de roman niet voortkomt) en ook moeiteloos schakelt tussen het heden en andere tijden (Tijls reputatie die in het verleden is opgebouwd, wat ze later in de toekomst aan haar man vertelt). Dat past goed bij het soort klassieke verhaal dat hier verteld wordt, het mythische dat om Tijl heen hangt – al begon het me op den duur ook enigszins te storen. Tijl is ook na de geweldige openingsscène intrigerend, zeker, bijzonder sterk geschreven, maar ik kreeg gaandeweg het idee dat er iets ontbrak. Of dat het boek gewoonweg niet voor mij geschreven was, dat mij iets ontging wat alle andere jubelende lezers wel hadden opgemerkt. Daarover binnenkort meer in een recensie voor De Groene Amsterdammer. En wie benieuwd is geworden naar de openingsscène kan hier alvast een fragment lezen.

Uitgeverij Querido gaf Tijl uit. 

Jan van Mersbergen: Column McCann, Brieven aan een jonge schrijver

‘Vaak weet een schrijver de werkelijke reden voor het schrijven pas lang nadat het werk voltooid is.’ Een opmerking uit het boekje Brieven aan een jonge schrijver van Column McCann, een Ierse schrijver die ik zeer bewonder door zijn verhalen en romans, vooral Laat de aarde draaien en Vissen in een nachtzwarte rivier. Afstandelijk, helder, sober proza, steeds heel goed verteld.

McCann is docent Creative Writing in New York en nu brengt hij een boekje over schrijven, gericht aan jonge schrijvers, met vooral tips en helaas ook heel erg veel opmerkingen die wel een kern van waarheid bevatten (‘Geen enkel verhaal torent boven een ander verhaal uit,’ wat natuurlijk klopt en wat eigenlijk wil zeggen dat iedere schrijver vertrouwen moet hebben in het verhaal waar hij op dat moment aan werkt, want niks is beter of slechter dan dat verhaal, als het maar jouw verhaal is), maar werkelijke praktische schrijftips zijn het niet.
Halverwege het boekje stelt McCann dat het goed is om er soms even tussenuit te gaan. Ook dat is een juiste opmerking, maar een tekst wordt er niet beter van. Net als ‘schrijven is amuseren’ of ‘read Joyce’. Toch is het mogelijk om door die obligate opmerkingen heen enigszins in de buurt van schrijftips te komen die wel iets met jouw eigen schrijven kunnen doen. McCann zegt dat je alles moet lezen wat je te pakken kunt krijgen, dat het verhaal eigenlijk pas net begonnen is als jij denkt dat het af is (juist!) en dat je gewoon iedere dag moet gaan zitten en tikken. Gewoon doen. Wat je dan vervolgens moet doen en de vele technieken die je echt kunnen helpen komen in dit boekje niet aan bod. Te moeilijk om over te schrijven, denk ik.

McCann houdt het bij: ‘Sla stuk die spiegel.’ Hij zegt dat je iets kunt schrijven dat pijnlijk is en waar andere mensen last van kunnen hebben. Niks van aantrekken. Makkelijk gezegd en ook juist, maar hoe vertel je dat verhaal?
Schrijven heeft altijd te maken met keuzes, en als je voor het ene kiest en het andere niet ziet, dan gaat het mis, of kan het beter. Voorbeelden verduidelijken meer dan opmerkingen als ‘er zijn geen regels,’ zoals McCann doet.
Natuurlijk zijn er geen regels, maar als een compleet hoofdstuk van zes pagina’s in de voltooid verleden tijd verteld wordt terwijl dat (en dat is de keuze) evengoed in de verleden tijd verteld kan worden zo lang je maar in een paar woordjes aangeeft dat die hele scène daarvoor gebeurde, dan trekt het de tekst dichter naar de lezer toe. Wil je dat niet, dan hou je gewoon vast aan die afschuwelijke voltooide verleden tijd, dan heeft iedere zin een paar woorden meer, wordt de tekst stroperig en haken lezers af. Er zijn schrijvers die gewoon op die manier vertellen, prima. Maar weet de consequentie voor de tekst en de lezer. De tekst is verder weg, de lezer haakt sneller af. De keuze is aan de schrijver.
Een opmerkingen als ‘draag je aantekeningenboekje bij je,’ is een soort basisbeginsel. Schrijf je dat boekje vol met voltooid verleden tijd dan kun je dat boekje beter thuis laten.
Zo zijn er geen regels maar wel heel veel keuzes. Als je kiest voor een beschrijvende derde persoonsverteller, laat dan zo min mogelijk gedachten zien waarbij je in dat hoofd kruipt van de persoon die je beschrijft, daar word je alwetend van en dat schept de verkeerde afstand. Dat neemt ruimte bij de lezer weg en heeft nog veel meer gevaren in zich die je bijna in ieder boek tegenkomt. Weer afstand dus, dat is geen toverwoord maar een omschrijving van overdrachtelijkheid. En soms werkt afstand averechts: hoe meer afstand de verteller, hoe groter de overdracht. Dat lijkt ook zo’n loze stelling maar ook daarvan zijn voorbeelden te noemen. Pak een verhaal van Hemingway en hij speelt met afstand, doet als verteller bijna altijd een stap terug, is erg beschrijvend en heel precies, laat bijna alle gedachten en gevoelens weg, en daardoor komt juist het gevoel van zijn vertelling hard aan.
Afstand nemen, ruimte laten, overdracht. Allemaal zaken waar keuzes aan voorafgaan.

McCann wijdt een klein hoofdstuk aan het wie wat waar wanneer hoe en waarom van een vertelling, maar dat zet hij kort onder elkaar zonder de gevolgen van die keuzes te benoemen. ‘Wie vertelt het verhaal? Dat is misschien wel de gemakkelijkste. Je besluit tot een verteller en begint er leven in te blazen: waag je aan dat avontuur.’
Dat is de ene open deur na de andere, geen enkele schrijver heeft hier iets aan en schrijflessen die dit verkopen zijn oplichters die schrijven in de hoek van de ongrijpbare magie willen duwen, liever een esoterisch of therapeutische kreet dan een werkelijke tip. Avontuur. Schrijven benoemen als avontuur is het in stand houden van het romantische schrijven, van het beeld van de zwoeger met proppen papier onder zijn werktafel. McCann doet daaraan mee.

Waarom de werkelijke schrijfkeuzes niet benoemen?
Vertel je in de ik-vorm in de verleden tijd, dan is het echt zaak details te doseren. Je kunt ze vergroten maar als daardoor het verteltempo omlaag gaat dan werkt dit op de lezer in omdat hoofdpersoon en verteller nu eenmaal weten wat er allemaal gebeurt en wat er gaat gebeuren. Dat is het gevolg van de perspectiefkeuze. Doe je te lang over die vertelling dan voelt de lezer steeds dat er met hem gespeeld wordt, net zoals het achterhouden van informatie vervelend kan zijn met zo’n verteller. De lezer laat niet met zich sollen, om in de trant van McCann af te sluiten. Die gevolgen mis ik in de tips van McCann, terwijl hij zich heel goed bewust is van deze gevolgen want in zijn romans speelt hij hier feilloos mee.
Ooit ontmoette ik McCann, bij zijn boekpresentatie in Utrecht waar ik gevraagd was een paar woordjes te zeggen over zijn sterke romans. Aardige man, een schrijver waarmee ik heel goed over die keuzes bleek te kunnen praten, na die presentatie in een klein café in onder de Dom. Hij heeft daar echt gevoel voor, is slim en heeft aandacht. Jammer dat hij dit boekje niet doortrekt naar werkelijke tips. Het lijkt erop dat er een uitgever tussen McCann en zijn boekje met tips zat die heeft gezegd: niet te ingewikkeld, Column, laat die aspirant-schrijvers maar in de waan.
Ik hoop dat McCann in zijn lessen bij Creative Writing de studenten laat schrijven, dat hij ze laat praten, en vooral dat hij niet doceert als een schoolmeester die zijn leerlingen een tijdje in de schoolbanken houdt, zijn college afdraait en die studenten thuis laat tobben met de ‘praktische en filosofische adviezen’ die de ondertitel van dit boekje dragen.

Uitgeverij De Harmonie gaf Brieven aan een jonge schrijver uit.

Daan Stoffelsen: Thomas Heerma van Voss, Plaatsvervangers

Ik las de afgelopen week veel non-fictie. Over Maarten Asschers essaybundel Toch zit het anders schrijf ik hier over enkele weken, dat verschijnt dan pas, en over Pieter Waterdrinkers Tsjaikovskistraat 40 kan ik mijn eerdere opmerking herhalen dat het zeer geslaagde non-fictie is. Waterdrinker roept de Russische revoluties heel levendig op, juist door zijn eigen persoon in te zetten. Daardoor wordt het ook geen roman – of er nog meer duizenden euro’s in de zeilschool van zijn zwager moeten, komen we niet te weten, en de dilemma’s van de schrijver-die-stopt-met-schrijven krijgen geen verdere uitdieping of een inbedding in een ruimere plot. Maar dat is geen bezwaar.

Een andere kijk op literaire non-fictie geeft Plaatsvervangers, van collega Thomas Heerma van Voss. Een boek dat ik lang heb laten liggen, bij gebrek aan een fysiek exemplaar maar vooral door enige huiver over het veronderstelde onderwerp: rappers en hiphopartiesten. En nog steeds heb ik geen enkele behoefte om te luisteren naar de muziek van de meeste van zijn personages – maar Thomas (ik mag Thomas zeggen) snijdt interessante kunstkritische onderwerpen aan, poëticale kwesties, persoonlijke zaken. In de dingen die hij over muziek zegt (en engagement, en originaliteit, en herkenbaarheid), schijnen scherpe gedachten over literatuur door, en hij lijkt met schaamte en onzichtbaarheid bepalende thema’s te hebben gevonden voor een oeuvre.

(Terzijde: dat durf ik te zeggen terwijl ik nog niet zoveel van hem gelezen heb, dat is niet netjes, maar misschien tekent dit wel zijn oeuvre. Mocht het project Revisor nog eens stranden, dan hoop ik dat Thomas de chroniqueur zal zijn van de ondergang. De tragiek van onzichtbaarheid, liefdewerk en oud papier, dat is wel aan hem besteed. Tweede terzijde: ik realiseer het me zelden in onze dagelijkse omgang, maar Thomas is tien jaar jonger dan ik, en het was bizar vast te stellen dat hij de zanger van Blur eerder kende door diens act Gorillaz dan door Blur. Dat de Spice Girls zijn basisschoolband was. Derde terzijde: in de tijd dat ik Recensieweb bouwde, vulde Thomas Hiphopleeft.nl. Ideale voortrajecten voor een literair tijschrift.)

Ja, schaamte en onzichtbaarheid. Thomas zoekt zijn helden op, maar houdt afstand, moet zichzelf ertoe zetten om ze te benaderen. Hij staat op een paar stappen afstand van Skunk Anansie’s Skin, maar loopt niet naar haar toe, en als hij in het slotessay zijn held Master P moet interviewen, zijn de zenuwen bijna onhoudbaar. Hij stelt die ontmoeting in zijn verhaal dan ook telkens uit, door verder terug te grijpen op zijn beweegredenen, zijn verleden als hiphopfan te onderzoeken. En hij denkt na over waarom hij deze figuren zo bewondert. Waarom Master P, die een muziekfabriekje heeft opgezet om miljoenen binnen te harken? Waarom Tim Dog, die zich in niets ontwikkelt behalve het oplichten van anderen? Dat zoekende is fascinerend, juist omdat zijn tastende antwoorden zo tegen-intuïtief zijn. En daardoor worden die personen alsnog sympathiek. Niet alleen de geweldige Rob van den Aker, met wie Thomas het Recensiewebachtige Hiphopleeft.nl vulde, en de wendbare kunstenaar Damon Albarn, maar ook kitschkoning Hans Zimmer, en dus die akelige opportunistische gangsterrappers.

Nog even wat zinnige opmerkingen citeren: 

  • Het is de ziekte van veel hedendaagse kunstkritiek: engagement wordt gezien als belangrijkste, soms zelfs enige werkelijke beoordelingscriterium.
  • Net zoals het me onzinnig lijkt om van een artiest engagement te willen, zie ik geen reden om te verlangen naar vernieuwing. Alsof iemand pas werkelijk talent heeft als hij meerdere registers beheerst. Ik heb meer affiniteit met kunstenaars die tot op zekere hoogte bij ieder project hetzelfde doen dan met degenen die zichzelf constant opnieuw willen uitvinden. Volgens mij komt de interessantste kunst ook uit die eerste groep, degenen die één specifieke toonsoort perfectioneren.
  • Ja, we leven in een tijd waarin mensen makkelijker traceerbaar en bereikbaar zijn dan ooit tevoren, en ja, daardoor wordt er afstandelijker en anoniemer gecommuniceerd dan onze ouders deden. Maar als er iets genoemd moet worden wat mijn generatie kenmerkt, denk ik eerlijk gezegd zelden aan digitale afstandelijkheid, ik denk eerder aan digitale nabijheid, en de abrupte verandering die internet teweegbracht bij mensen van mijn leeftijd.

Hear, hear. Lezen, mensen.

Plaatsvervangers werd uitgegeven door Thomas Rap. Op Athenaeum.nl staat een fragment.