Jenny Offill (en ook Dik van der Meulen en Claudia Rankine, Deon Meyer: de redactie las een hyperactueel boek in flarden en spannend proza dat vertellend, beeldend, metaforisch en tegelijk spannend en eenvoudig is.

*

Daan Stoffelsen: Jenny Offill, Weersverwachting

Mijn leesplan in het kader van #withuiswerk is nog niet van de grond gekomen, door een eerdere leesverplichting: Dik van der Meulens Dr. Hendrik Muller, over zo’n eind-achttiende-eeuwse, vroeg-negentiende-eeuwse man die alles (zo’n beetje) kon: hij was zakenman en consul-generaal van Oranje-Vrijstaat net voor dat land ophield te bestaan, bereisde alle continenten en sprak met menig staatshoofd, schreef populaire reisboeken, werd ambassadeur – en daar ben ik nu, op zestig pagina’s van het einde. Van der Meulen, een van onze beste non-fictieschrijvers, heeft een mooie biografie geschreven, die van een kleurrijk historisch figuur een mooi personage heeft gemaakt, en een beeld geschetst van een wereld die niet meer bestaat. Ook is het vooral een degelijke biografie, die na een spannende tocht over de Zambezi gewoon begint bij Mullers familie en jeugd, en die zeker in het eerste deel af en toe gewoon saai is, en waarin ik veel minder dan in Van der Meulens wolvenboek de neiging had strepen te zetten en geeltjes te plakken. Wel als Van der Meulen zelf even van zich laat horen, tussen haakjes:

‘(Alsof de tijd stil had gestaan – wat bij Marie misschien ook wel het geval was, want in dezelfde brief klaagde ze over een werkmeisje dat haar pols had gebroken “en dus buiten gebruik” was.)’

Dat blijkt ook bij de vele antisemitische en racistische opmerkingen. Van der Meulen heeft er duidelijk moeite mee, hij licht ze er telkens uit, al tekent hij terecht aan dat Muller een kind van zijn tijd was. Als Muller eind 1938 in discutabel (zeg maar gerust: fascistisch) gezelschap zit met onder anderen Hendrikus Colijn, merkt hij op: ‘En toch, het is bijna ondoenlijk de kennis uit te schakelen van wat er later zou gebeuren.’

Daardoor geeft hij zijn biografie van een Kuifje met het ego van Kapitein Haddock een extra verdieping, en onderstreept hij dat hij een wereld beschrijft die allang niet meer bestaat – en dat dat niet alleen maar erg is.

*

Ik wilde dus alsnog wat schrijven over een van de weinige vertaalde romans die ik dit jaar las, Jenny Offills Weersverwachting (Weather, vertaald door Roos van de Wardt), toen ik op Twitter las over Claudia Rankines gelijknamige gedicht op de cover van de New York Times Book Review. Een geweldig statement: de bekroonde Jamaicaans-Amerikaanse schrijfster op de voorkant, geen beeld, slechts poëzie. ‘On a scrap of paper in the archive is written / I have forgotten my umbrella. Turns out / in a pandemic everyone, not just the philosopher, / is without,’ schrijft ze, en van het coronavirus gaat ze naar de details en de leuzen en de rellen rond George Floyd, om verderop het beeld op te pakken: ‘There’s an umbrella / by the door, not for yesterday but for the weather / that’s here.’ Het voelt wat slap om te zeggen, maar de beschrijving van de rellen is me iets te concreet, maar door de herhalingen in het gedicht wordt het zwart op wit meeslepender, luider, waarachtiger. Lezen dus, herlezen.

*

De voorvorige urgente situatie was de klimaatverandering, en met Offills roman zijn we terug bij een eindtijd veeleer dan een omwenteling. De titel wijst op iets wat niet te beïnvloeden is, iets wat je ondergaat, en dat is zowel fysiek (het klimaat) als politiek – in Rankines gedicht heet het ‘I say weather but I mean / a form of governing that deals out death / and names it living. I say weather but I mean / a November that won’t be held off.’

Maar ook je privéleven kan stormachtig zijn, en voor Lizzy, die een hechte band heeft met haar verslaafde broer (een vriendin zegt: ’emotionele verstrengeling’) geldt dat zeker. Eerder brak ze haar promotieonderzoek af om voor hem te zorgen, en nu lijkt het wonderbaarlijk genoeg goed met hem te gaan, én met haar. Ze werkt als bibliothecaris en als assistente van Sylvia, haar voormalige promotiebegeleidster, die wijze dingen zegt over mensen, milieu, economie – en hoe beroerd het allemaal gaat. Als Lizzie een lezing bezoekt, stelt ze vast: ‘Achter haar is een diagram te zien met de vorm van een hockeystick.’ De bizarre temperatuurstijging van de laatste eeuw dus – maar Sylvia kiest voor een menselijker beeldspraak.

‘”Wat het inhoudt om een goed mens te zijn, een fatsoenlijk mens, wordt in crisistijd anders berekend dan onder normale omstandigheden”, zegt ze. Ze klikt een slide tevoorschijn van mensen die aan een meertje zitten te picknicken. Blauwe luchten, groene bomen, witte mensen.’

In coronatijden begrijp je waar het naartoe gaat – afstand! -, maar nee:

‘”Stel, je gaat met een paar vrienden in het park picknicken. Deze handeling is in moreel opzicht natuurlijk neutraal, maar als je een groep kinderen in het meertje ziet verdrinken en je blijft gewoon zitten eten en kletsen, ben je op slag onmenselijk geworden.”‘

Niets is normaal meer, als je een ramp laat gebeuren. Maar wat dan? ‘Die avond zit er een deskundige in de podcast [die Sylvia presenteert – DS] die advies geeft over het overleven van rampen, zowel veroorzaakt door mensen als natuurrampen. Hij zegt dat het een verzinsel is dat mensen in noodgevallen in paniek raken. Tachtig procent verstart gewoon. De hersenen weigeren te registreren wat er gebeurt. Dat is de ongeloofreactie. “Maar degenen die in beweging komen blijven leven”, zegt hij.’

Weersverwachting is een uitwerking van iets wat tussen die twee reacties inzit: verstarring en beweging. Het is een boek in flarden, in fragmenten, anekdotes, inzichten, alinea’s van soms maar twee regels gescheiden door witregels, een verhaal dat af en toe enorme stappen zet (het is ruim tweehonderd pagina’s, maar er zitten geen tijdsaanduidingen in – al zit er een hele zwangerschapsperiode in) en ook af en toe gewoon blijft hangen. Het is een boek als een mens, en net als in Offills eerdere boeken, waar de ramp uitsluitend persoonlijk was, werkt dat geweldig goed. Je denkt: veel wit, lekker doorlezen. Maar zoals dat bij poëzie gaat, vergen Offills alinea’s concentratie.

Ze gaat alle kanten op, en hoewel de weersverwachting niet veel goeds beloofd, is ze soms licht, zelfs geestig, maar vaak raak.

  • Een anekdote, een gesprek met een Iraniër na 9-11: ‘Jouw volk is eindelijk in de geschiedenis beland, zei hij. De rest van ons is daar al.’ (Definieer geschiedenis – maar weinig (witte) Amerikanen zullen zich tot dat moment als slachtoffers hebben beschouwd.)
  • Een halfslachtige affaire met een oorlogscorrespondent die wilderniskampen organiseert.
  • Een zoektocht naar schuilplaatsen voor de apocalyps.
  • Analyses: ‘Na elke ramp volgt een periode waarin de meeste mensen maar wat rondlopen en proberen te achterhalen of het echt een ramp is. Rampenpsychologen gebruiken de term ronddarren [daarvoor]. Dat is wat we nu doen, zegt Sylvia.’
  • Angst voor de tandarts.
  • Weetjes uit de boeken die bij haar in de bibliotheek ingeleverd worden.
  • Twijfels: ‘Hoelang zou het duren voordat hij ontdekte dat ik niet kan houthakken, geen vuur kan maken? Ben is gewend aan mijn niet-poetsen-maar-lullenhouding, maar het heeft lang geduurd om al die welwillendheid bij elkaar te sprokkelen.’

Ik citeer ruimhartig, en ik merk dat dat veel te maken heeft met hoe scherp ik Offill vind, of hoe geestig, niet per se met de taal (‘niet-poetsen-maar-lullenhouding’ is wel een geweldige vondst (van Roos van de Wardt?), ik vraag me af wat daar in het Engels stond) maar wát ze zegt. En met hoe actueel het voelt. Het gaat over het klimaat, over familieverhoudingen, maar ook over de periode-Trump, en op een gegeven moment vraagt Lizzie aan die oorlogscorrespondent: ‘Voelt dit als een land in oorlogs- of in vredestijd. Ik bedoel het half als grapje,
maar hij geeft serieus antwoord. Hij zegt dat het voelt alsof het elk moment kan losbarsten.’

Verstarren we nu? Of darren we rond?

De Geus geeft Weersverwachting uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Ook uit Dr. Hendrik Muller trouwens (Querido).

Jan van Mersbergen: Deon Meyer, Feniks

In een van de eerste hoofdstukken van Feniks van Deon Meyer (vertaald door Jacqueline Caenberghs) gaat het over geïmporteerde spullen, uit Amerika. Ik vond het een rare zin want ik was er op dat moment van overtuigd dat het verhaal zich in Amerika afspeelt, dus waarom dan spullen uit datzelfde land importeren.
Feniks speelt in Zuid-Afrika, en daar heb je alleen erg in als je de Hollandse namen of plaatsnamen tegenkomt. Het boek is heel sterk geschreven en wat wel vaker bij politiethrillers gebeurt: dan maakt mijn lezershoofd de slag: dit moet wel in Amerika spelen.
Zuid-Afrika is niet alleen literair sterk, met Coetzee, Van Niekerk en Gordimer, ook worden er kwalitatief goede thrillers geschreven, met een van de bekendste vertegenwoordigers van dat genre Deon Meyer.
Al jaren laat Deon Meyer zien dat hij zorgvuldig een verhaal op kan bouwen, dat hij zijn karakters erg goed uitwerkt en dat hij overtuigend een puzzel bij elkaar weet te brengen. In dit boek is Mat Joubert de hoofdpersoon, collega van de andere hoofdpersoon die Meyer vaker op laat draven Bennie Griessel. Al op de achterflap staat dat Joubert levensmoe is, en daarin schuilt een groot gevaar. Lezers willen geen hoofdpersoon die niks meer wil. Zelfmoord, als dat het enige is wat een personage nog wil, dan blijft er geen verhaal over, laat staan een spannend verhaal.
Meyer begrijpt dat en laat Joubert nog net voldoende wil in zich hebben, in deze thriller wordt het ‘vuur’ genoemd. De vaak gebruikte term bij schrijflessen is: ‘een strevend personage’. Beginnende schrijvers zullen veelvuldig met die term geworsteld hebben, ervaren schrijvers gaan automatisch met dit gegeven aan de slag. Waar het op neerkomt: een personage moet willen leven.
Mat Joubert heeft twee jaar terug zijn vrouw verloren. Dat sloopt hem, nog steeds. Als hoofdofficier van politie behandelt hij moordzaken, maar hij is niet fit en weinig gemotiveerd. De nieuwe korpschef De Wit wil daar iets aan doen, stuurt erop aan dat Joubert bijvoorbeeld stopt met roken en gaat sporten. Daarnaast is de tienerdochter van de buurman verliefd op hem en vraagt Joubert zich af wat hij daarmee moet. Dat buurmeisje heeft ‘het tere vlammetje van lust aangestoken,’ waardoor Joubert merkt dat hij nog wel iets wil. Hij leeft.
En toch, de dood van zijn vrouw Lara draagt hij met zich mee, bijvoorbeeld als hij van het buurmeisje wegloopt. het is op oudjaarsdag en hij heeft een paar biertjes op.

‘Hij loopt als een vluchteling naar zijn huis, zijn gedachten op zijn bestemming geconcentreerd, niet op wat er achter hem ligt. Het gejuich van het nieuwe jaar klinkt op. Voetzoekers, zelfs een trompet.
Zijn huis. Hij loopt tussen de bomen en struiken, de perken die Lara heeft aangeplant, worstelt met de sleutel, loopt de gang door tot in de slaapkamer. Daar staat het bed waarin hij met Lara sliep. Daar is haar kleerkast, nu leeg. Daar hangt het schilderij dat zij op een vlooienmarkt in Groenpunt heeft gekocht.’

Dat zijn mooie zakelijke zinnetjes die heel secuur vertellen wat er met deze man aan de hand is. Soms is Meyer beeldender, bijvoorbeeld als Joubert in het mortuarium is om een slachtoffer van een moord te bekijken.

‘Lara’s dood heeft zijn muur neergehaald, want hij weet dat zij ook hier heeft gelegen. Beelden, opgediept uit zijn ervaring, hebben geholpen om de scène te reconstrueren. Naakt, op haar rug, schoon en steriel, haar slankheid voor de wereld ontbloot, maar zonder effect.’

Hier benoemt Meyer een beeld dat hoofdpersoon Joubert niet zelf heeft gezien maar dat hij zich voorstelt omdat hij dit wekelijks ziet, en Lara overkwam dit ook.
Weer iets verderop gebruikt Meyer een vergelijking.

‘Hij weet opeens dat hij de afgelopen twee jaar een drenkeling was. Hij dobberde aan het oppervlak van zijn bewustzijn, te bang om in het donkere water te duiken.’

Of het nou beschrijvend is, in gedachten of aan de hand van een vergelijking, Meyer weet het personage van Joubert op al deze manieren diepte te geven die je zelden in thrillers tegenkomt. Meestal hebben de personages een eigenschap, zien ze eruit zoals politiemensen in films eruit zien, de laatste jaren hebben ze vaak een gek trekje of een bizarre hobby, en dat is het dan wel. Joubert is een zeer geslaagd personage, en Meyer weet zijn geestestoestand zelfs expliciet te benoemen, zoals wanneer hij in therapie moet op last van de korpschef, want hij is al een tijde in de war en moet hier zelf over nadenken, en nog past dit in zijn sterke proza.

‘De hemel weet dat zijn hoofd in de war was. Was? Kan iemand zijn eigen geestestoestand correct beoordelen? Hoe normaal was hij toen hij bij Macassar naar drie verbrande lijken keek en hun stem in zijn oren kon horen? De hoge, schrille oergil die de geest uitschreeuwt wanneer hij het lichaam tegen zijn zin moet verlaten; zijn volume versterkt door de schreeuw van het vlees tegen de pijn van de vuurdood, van iedere pijnreceptor die door de intense hitte wordt verzwolgen.
Is dit normaal?’

En iedere lezer begrijpt zijn gemoedstoestand, die ver heen is, en toch invoelbaar en te begrijpen. Dus je leeft het gehele boek met Joubert mee.
Als Joubert gaat zwemmen, bij een zwemgroepje dat de businessclub wordt genoemd, laat Meyer subtiel zien dat hij wat dikker is geworden:

‘Hij is het enige lid van de businessclub die zaterdagochtend. De kleedkamer is stil en leeg. Hij kan het pompen van het zwembad buiten horen. Hij trekt zijn Speedo aan en merkt dat die te krap zit. Hij moet vanmorgen nog een andere gaan kopen. Hij loopt door het pierenbad en de geuren en geluiden woelen herinneringen los, brokstukken uit zijn jeugd. Het voelt goed aan om hier terug te zijn.
Het water strekt zich rimpelloos oor hem uit. Hij duikt erin en begint te zwemmen, vrije slag. Na dertig meter is hij uitgeput.’

Er zijn moorden, er zijn bankroven, maar ik lees een erg sterk boek over een man die toevallig politieman lijkt. Ik lees thrillers vaak niet om de spanning, om de angst, om de horror, dat zijn vaak erg opgeklopte elementen en ook vaak nog heel beroerd opgeschreven. De Vrij Nederland Detective & Thrillergids staat ook dit jaar weer vol thrillers waarin het om die lege spanning gaat, en waarin de lezer struikelt over erbarmelijke zinnen, platte personages en een hijgerige toon.
Feniks is een beetje thriller, het is veel meer een roman over verlies. Dat is al spannend genoeg.
Mat Joubert is een verliezer, hij weet het.

‘Misschien heeft De Wit het bij het rechte eind. Misschien is hij een verliezer. Het tegenwicht voor voorspoed. Misschien is hij een vuilnisbelt van de goden, waar alle donkere gedachten en ervaringen, tegenspoed en ongeluk als kernafval worden begraven. Geprogrammeerd om als een spons de schaduwen op te zuigen opdat er licht zou zijn. De Dood, dit grote roofdier, volgt het bloedspoor van Mat Joubert met kwijl dat van zijn slagtanden druipt en in de zwarte aarde verdwijnt. Opdat de mensheid vrij zal zijn.’

Ik hou van proza dat vertellend, beeldend, metaforisch en tegelijk spannend en eenvoudig is en toch lagen raakt die je als lezer niet zo snel voor je ziet maar wel opgeroepen worden. Cormac McCarthy kan dat, tijdens het lezen van deze thriller van Deon Meyer moest ik vaak aan McCarthy denken, die de beelden soms ook over elkaar heen laat tuimelen maar altijd controle houdt.
Na honderdvijftig bladzijden worden de moorden en bankroven aan elkaar gelinkt, komen er meer verdachten, kortere passages, en zoals dat in een thriller hoort gaat het tempo omhoog en wordt het raadsel opgelost. Ondertussen probeert Joubert aan zijn gezondheid te werken, eet hij groenten en fruit, gaat meer en meer baantjes zwemmen, bouwt hij een boekenkast voor de science-fictionpockets die hij leest en wordt hij verliefd. Hij ontdekt: hij wil nog heel graag leven.
Ontwikkeling van personage gaat samen met het oplossen van de misdaden. Bekenden van de slachtoffers maken een netwerk en de oplossing komt dichter en dichterbij.
Feniks is een voorbeeld van een geslaagde literaire thriller. Straks is het juli en zomervakantie, voor die tijd schaf ik alvast nog een paar Deon Meyers aan. Dan heb ik de zekerheid van een geslaagde leeszomer.

A.W. Bruna gaf Feniks uit.

Run the Jewels, Teju Cole, Chinua Achebe: de redactie las antiracistische en Afrikaanse literatuur, indringende hiphopteksen, pijnlijke vragen en wrange clichés, en een ijzersterke klassieker uit Nigeria.

*

Thomas Heerma van Voss: Run the Jewels, RTJ4

Elk genre heeft te maken met vooroordelen, binnen en buiten de muziek, maar rondom hiphop lijken de vooroordelen vaak net iets hardnekkiger dan elders. Dat valt deels te begrijpen: er verschijnt nu eenmaal veel nogal prominente én oppervlakkige hiphop, die hoofdzakelijk draait om geld, vrouwen en feesten en die ook nog eens tientallen miljoenen keren wordt gestreamd. Wie alleen gelikte snippers van Lil Kleine of van Drake hoort, zal het lastig vinden om in hiphop het genre te zien dat regelmatig ‘poëzie van de straat’ is genoemd en dat door de legendarische rapper Chuck D (van de groep Public Enemy) ‘the black CNN’ werd gedoopt.

In deze weken waarin Black Lives Matter prominenter is dan ooit tevoren, en waarin de beweging via de ene overtuigende demonstratie na de andere van zich laat horen, wordt voor mij de kracht van hiphop weer eens onderstreept. In Nederland is er veel te doen om Akwasi, al jaren een van de slimste, meest betrokken rappers die we hebben. Helaas wordt er meer gesproken over hoe hij zijn boodschap op de Dam verkondigde – en over één citaat dat al vaak genoeg is aangehaald – dan over het racistische systeem dat hij benoemde. (Waarom gaat het niet net zo veel of zelfs veel meer over de mensen die hem bij Veronica Inside herhaaldelijk de ‘verbindpiet’ noemden en juist een deel van het probleem illustreerden?) Te midden van alle commotie nam hij ook nog het half gezongen en half gerapte nummer Geen wedstrijd op, waarin hij sterk spreekt over zijn positie als achtergestelde zwarte jongere in Nederland: ‘We komen van een achterstand / En uit een achterstandswijk / Want ze willen dat die achterstand blijft.’

Nog meer indruk maakte het ook net verschenen album RTJ4 van Run the Jewels, een Amerikaans duo bestaande uit El-P en Killer Mike. Mike, een Afro-Amerikaanse veertiger uit Atlanta, zoon van een politieagent, laat zich vaak van zijn activistische kant zien. Zo spande hij zich actief in voor de Bernie Sanders-campagne en hield hij na de moord op George Floyd een aangrijpende, viral toespraak over zijn woede (Youtube) rondom het politiegeweld. Nog krachtiger is het nummer Walking through the snow, dat pal daarop verscheen en waarop hij ingaat op de kwalijke wijze waarop zenders als Fox News werken, op de geestdodende patronen van stelselmatige onderdrukking:

The way I see it, you’re probably freest from the ages one to four 
Around the age of five you’re shipped away for your body to be stored
They promise education, but really they give you tests and scores
And they predictin’ prison population by who scoring the lowest
And usually the lowest scores the poorest and they look like me
And every day on the evening news, they feed you fear for fre
And you so numb, you watch the cops choke out a man like me
Until my voice goes from a shriek to whisper, ‘I can’t breathe’

Het heeft altijd iets geks om rapteksten zo uit te schrijven, omdat ze zijn geschreven om hardop te horen, en omdat – zeker bij Killer Mike, een bijzonder bevlogen rapper – een deel van de kracht zit in de manier waarop ze worden uitgesproken. Maar ook op papier is dit een indringend fragment, des te meer omdat het niet geschreven is naar aanleiding van de actualiteit: het nummer was al ruim voor de dood van George Floyd opgenomen. Oftewel: dit is geen modieuze gril, maar een persoonlijke hartenkreet. Dat Floyds ‘I can’t breathe’ hier woordelijk terugkomt is geen gek toeval, maar dat komt omdat andere Afro-Amerikanen vóór hem al zijn gestorven bij het uitspreken van dat ene zinnetje (denk aan de dood van Eric Garner).

Natuurlijk ben ik zelf een buitenstaander bij veel van wat zich nu afspeelt, ik heb de luxe om weg te kunnen kijken wanneer ik wil, volgens sommigen zal ik als witte man al snel verdacht zijn. Maar via hiphopmuziek kom ik in deze weken, meer dan via romans of poëzie, wel enigszins in de buurt van wat zich allemaal afspeelt, en de pijn die daar achter schuilgaat.

Daan Stoffelsen: Teju Cole, Open stad en Vertrouwde en vreemde dingen

De eerste reflex is herlezen. Een secundaire reflex. Maar een vertrouwde: ik heb in mijn leven zelden actie gevoerd, en als witte man heb ik geen eerste recht van spreken. Hierna komt het nieuwe lezen (Abdelkader Benali’s essay De vreemdeling ligt klaar, ik verwacht Mijn ontelbare identiteiten van Sinan Çankaya deze week met de post) en het alsnog lezen (Wekker, Essed, De Kom, Nzume). En daarna: wat kunnen we als tijdschrift betekenen.

Maar nu herlees ik stukken uit de romans en essays van Teju Cole. In 2012 schreef ik over Open stad (Open City, vertaling Paul van der Lecq), zijn Amerikaanse debuut (zijn Nigeriaanse debuut werd daarna heruitgebracht) voor NRC Handelsblad en ook voor De Revisor. Mijn herinneringen eraan waren vervaagd, maar het boek trok me aan door de stijl, met lange geschakelde zinnen, door de eruditie en de eenzaamheid van de hoofdpersoon, een jonge Afrikaanse arts-assistent psychiatrie, en door de thema’s die hij al wandelend en peinzend aansnijdt, de met bloed doortrokken geschiedenis van New York bijvoorbeeld. De depressie van de hoofdpersoon heeft een morele achtergrond, hij verzwijgt iets, hij zit met iets – dat is ook sterk. Maar ik was vergeten dat er een Brussels deel is, dat een Arabische component toevoegt aan de zwart-witte lijn in de roman, en er was één passage die ik maar niet kon terugvinden, maar die qua toon en sfeer heel treffend is. Ja, hier:

‘Die middag, waarin ik steeds in en uit mezelf glipte, waarin tijd een rekbaar begrip werd en stemmen uit het verleden doordrongen tot in het heden, leek het centrum van de stad in de greep van een oproer uit vroeger tijden. Ik was bang verzeild te raken in rellen die gericht leken tegen de dienstplicht. Ik zag alleen mannen en zij haastten zich onder kale bomen door, weken uit voor het omgevallen dranghek waar ik bij in de buurt stond en een eindje verder voor andere. Zo’n tweehonderd meter verderop in de straat vond een soort knokpartij plaats, vreemd genoeg ook al geruisloos, en toen het opeengepakte kluitje mannen uiteenging, kwamen twee ruziemakers in beeld die met elkaar op de vuist wilden, maar uit elkaar werden getrokken. Wat ik daarna zag, joeg me de stuipen op het lijf: verder weg, voorbij de apathische menigte, bungelde het lijk van een gelynchte man aan een boom. Het was een tengere gestalte die geen licht reflecteerde, van top tot teen in het zwart. Maar al snel veranderde hij in iets minder onheilspellends: een donkere doek aan een bouwsteiger, wervelend op de wind.’

Lange zinnen, vage emoties en observaties, geen geluid maar wel veel associatie – het roept rumoer op, en rellen, en duisternis. En toch begint het boek heel rustig, nieuwsgierig, met oog voor detail. Cole schreef ook essays en recensies, die samengebracht werden in Vertrouwde en vreemde dingen, in de vertaling van Ton Heuvelmans, René Kurpershoek, Van der Lecq, Hien Montijn en Menno Grootveld. In het kader van #withuiswerk is ‘Het zwarte lichaam’ (‘Black Body’ ook in The New Yorker), Coles essay over James Baldwin in Zwitserland en white supremacy en Afrikaanse kunst, een aanrader. Cole reist zelf naar Baldwins schrijfdorp toe, en bekijkt de Verenigde Staten vanuit een Europees en wit perspectief. Het is het openingsessay, en het eindigt zo:

‘“Mensen die hun ogen sluiten voor de werkelijkheid roepen hun eigen vernietiging over zich af, en iedereen die vasthoudt aan een staat van onwetendheid, lang nadat die onwetendheid dood is gegaan, maakt van zichzelf een monster.” Het nieuws van de dag (oud nieuws, maar rauw als een vleeswond) is dat het leven van zwarte Amerikanen vanuit het oogpunt van de politie, de rechterlijke macht, het economisch beleid en talloze vreselijke vormen van onachtzaamheid nog steeds niets waard is. Er wordt een beroep gedaan op onwetendheid, maar er is feitelijk geen onwetendheid meer mogelijk. De morele wijzer staat nog steeds zo ver in het rood dat we ons niet eens kunnen buigen over de kwestie van schadevergoeding. Baldwin schreef Stranger in the Village ruim zestig jaar geleden. Wat nu?’

Die slotwoorden zijn hamerslagen, een vraag na zoveel pijnlijke feitelijkheid. Wrang geestig daarnaast is ‘In plaats van te denken’ (‘In Place of Thought’), waarin Cole een alfabetische opsomming van clichés maakt. Wrang, geestig, raak:

‘afrika. Een land. Arm maar gelukkig. In ontwikkeling. amandel. Ogen zijn altijd amandelvormig. ambachtsman. Een timmerman uit Brooklyn. american. Met het voorvoegsel “all” verwijzend naar een blonde vrouw. […] chocolade. Term ter omschrijving van de huidskleur van een zwarte vrouw. Andere betekenissen onbekend. […] diversiteit. Lovenswaardig, natuurlijk, binnen zekere grenzen. Vertel over het werk dat je hebt verricht voor het Peace Corps. […] fascisme. Altijd laten voorafgaan door “sluipend”. feministen. Fantastisch, in principe. gemeenschap. Dient vooraf te worden gegaan door “zwarte”. Blanken moeten het bij gebrek aan gemeenschap van hun eigendommen hebben. […] karamel. Term ter omschrijving van de huidskleur van een zwarte vrouw. Andere betekenissen onbekend. kinderen. De enige rechtvaardiging voor welk beleid dan ook. Verwijs altijd naar “onze kinderen”. Mensen zonder kinderen hebben geen belang bij het verbeteren van de samenleving.’

Etcetera: een gentle reminder dat taal niet onschuldig is. Overigens geldt ook voor anti-racistische teksten, dat kinderen belangrijk zijn (Baldwin, Coates) – en niet onterecht, denk ik als ouder, maar misschien spreken ze me wel extra aan vanwege het mechanisme dat Cole beschrijft. Vertrouwde en vreemde dingen is veel meer dan deze twee stukken, het sterke is dat – net als in Open stad – kleur en antiracisme even vaak de kern als een bijkomstigheid zijn in mooie en doordachte essays over kunst en maatschappij. Dat zegt iets over Cole, een zwarte schrijver, maar net zozeer over kunst en maatschappij: systemisch racisme bestaat, en of het je raakt of niet, of je het dagelijks ziet of niet: blanco kun je niet meer zijn.

De Bezige Bij geeft de boeken van Teju Cole uit.

Jan van Mersbergen, Chinua Achebe, Een zoon van zijn volk

De afgelopen week heeft mijn voornemen om uit ieder Afrikaans land een roman te lezen een andere wending gekregen, een kleur vooral. Nu Black Lives Matter trending is zal ieder boek dat ik over Afrika lees gaan over de roots van zwarten. Voor het lezen maakt het niet veel uit. Proberen Afrika te begrijpen is geen trend, het is iets dat iedereen aan te raden is, om de kwaliteit van de boeken, om de diepte van het continent en de verdieping die het je schenkt.
In de jaren tachtig, een tijd die ik me nog wel herinner maar inmiddels steeds verder en verder weg is, gaf uitgeverij In de Knipscheer een uitgebreide reeks romans uit die de Afrikaanse bibliotheek heet, een uitkomst voor lezers die dit complete continent willen lezen.

Naast Wole Soyinka kende ik geen Nigeriaanse schrijvers, tot ik in de Afrikaanse bibliotheek een boek van Chinua Achebe tegenkwam dat overal veel waardering oogstte en door Anthony Burgess gerangschikt werd onder de 99 beste Engelse romans sinds 1939: Een zoon van zijn volk (vertaald door Paul Dirken). Het is een zeer soepel verteld verhaal over politiek en macht in Nigeria.
Aan het woord is Odili Samalu, die aanvankelijk nog leraar is, een onbeduidend baantje, tot een oud-leraar de school bezoekt die inmiddels opgeklommen is tot minister van Cultuur: Nanga. In cultuur heeft hij amper interesse, hij weet niks van de beroemdste roman die in Nigeria ooit verschenen is, The Song of the Black Bird, maar heeft wel voldoende charisma en handigheid om zich in de politiek staande te houden.
Manga nodigt Samalu uit op zijn verblijf, hij schijnt kans te maken op een studiebeurs, en zo kan de verteller me meenemen achter de schermen van de politiek in het Nigeria van de jaren zestig.
Achebe weet hoe je een verhaal moet vertellen en welke afstanden er tussen schrijver, verteller en lezer bestaan. Zo vertelt Samalu over Elsie:

‘Waar moet ik beginnen over haar te vertellen? De moeilijkheid met het schrijven van dit soort verhalen is dat de schrijver beschikt over alle mogelijke kennis achteraf, wat niet het geval was toen de oorspronkelijke gebeurtenissen plaatsvonden. Wanneer hij een figuur als bij voorbeeld Elsie introduceert, heeft hij is zijn achterhoofd al een totaalbeeld van haar; haar opkomst, haar rol en haar verdwijnen van het toneel. En dit heeft de neiging zelfs de eerste woorden die hij schrijft een bepaalde kleur te verlenen. Ik kan alleen maar hopen dat het bewustzijn van dit gevaar me erin heeft doen slagen het op een afstand te houden.’

Heel slim: een schrijver die geen schrijver opvoert die zit te dubben en piekeren over zijn boek, maar een schrijver die weet dat wanneer hij over een vrouw vertelt hij de gehele geschiedenis kent, en die ook weet dat hij moet doseren. De lezer kent Elsie nog niet. Daarom vertelt Samalu in het vervolg op zijn gemak over deze vrouw, het enige meisje waarmee hij nog dezelfde dag waarop hij haar leerde kennen naar bed is geweest – en wel binnen een uur.
Die informatie zegt meer over de mooie vertelwijze van Samalu dan de interessante beschouwing over schrijven, dus lezers hoeven niet bang te zijn dat dit een roman is over het schrijven van een roman. Slechts zelden komt Achebe daarop terug, zoals aan het begin van hoofdstuk zes: ‘Ieder die dit verhaal nauwkeurig heeft gevolgd, zal zich stellig afvragen wat er van Elsie geworden is…’
Af en toe een speldenprikje over hoe je vertelt, schrijft en leest, alleen als extraatje voor de schrijver die graag boeken leest waarin andere schrijvers daar bewust mee spelen.
Een zoon van zijn volk is vooral een roman die laat zien hoe in een Afrikaans land als Nigeria een andere modus heerst, hoe de logica anders is dan die bij ons, zonder dat tot een onoverbrugbare afstand of onderwerp te maken, en dat is knap.
Ik lees niet over folklore, ik lees op welke manier gedachten en cultuur het dagelijks leven bepalen.

‘Maar dat overkomt mij dikwijls: een erg onzinnige gedachte of een vulgair melodietjes, dat ik me gewoonlijk zou schamen te fluiten waar anderen bij zijn, zoals die radiodreun die een middel om lintwormen te verdwijnen aanprijst, komt in me op en blijft me achtervolgen.’

Ik denk dat iedereen zich zo’n liedje voor kan stellen, reclame werkt zo, maar reclame voor een anti-lintwormenmiddel vertelt net even wat meer over de plaats waar dit verhaal speelt. Bovendien is het grappig.
De minister vraagt een nieuwe kok of hij een beetje kan koken. Hij eet het liefst de Afrikaanse keuken, maar de nieuwe kok wil Europees koken: nierragoût, kippepuree en cake omelette. Daar zit een verfijnd idee achter dat terug gaat naar de basale man-vrouwverhoudingen, want koken is een beroep, maar:

‘Zolang een man zich beperkte tot het klaarmaken van buitenlandse hapjes, kon hij de behaaglijke illusie blijven koesteren dat hij zich niet echt inliet met een zo onmanlijke bezigheid als koken.’

De man-vrouwverhoudingen komen veelvuldig terug in de vermakelijke passages op het ministerie. Als er na een lange reis een nieuwe vrouw verschijnt:
‘Ik vond haar in onverfriste staat knap genoeg en dacht aan een grappig gezegde in mijn dorp over een bepaalde vrouw wier dochter om haar schoonheid geprezen werd en die zei: U hebt haar nog niet gezien; wacht maar tot ze in bad is geweest.’
De Amerikaanse vrouw kent de gebruiken van Afrika, want als ze met de verteller gaat dansen:
‘Onder het dansen deed ik snel wat psychologie op. Klaarblijkelijk was het Jean onder het praten aan tafel opgevallen dat ik met mijn benen zat te trillen, wat betekende dat ik dringend met een of andere vrouw naar bed wilde.’
Bijzonder geestige redenering, die vooral gemaakt wordt door de woordjes ‘dringend’ en ‘een of andere’, wat verraadt hoe hoog de nood is en hoe weinig kieskeurig een man met een trillend been nog hoeft te zijn.
Bij een boektentoonstelling, niemand weet precies wat dat is maar de minister van Cultuur moet de opening verrichten, is een opvallende man aanwezig, vanwege zijn kleren:
‘Zijn gewaad was gemaakt van een of ander duur uitziende, Europese wollen stof – wat in die dagen niet zo heel vreemd was. Maar wat me verbaasde was, dat de kleermaker de smalle, gele zelfkant van de stof had laten zitten, waarop de fabrikant onafgebroken met duidelijke zwarte letters adviseerde: 100% WOOL: MADE IN ENGLAND. Hij had deze reclame als extra versiering op beide mouwen gebruikt. Eens te meer trof het me hoe eindeloos vindingrijk men bij ons is, vooral waar het kleren betreft.’
Let wel, dit is bijna vijfenvijftig jaar geleden geschreven, toen er nog geen exposities in Europa waren die laten zien hoe vindingrijk ze in Afrika met kleding zijn. Achebe kijkt van binnenuit naar zijn land, en hij kijkt scherp, dat is alles.

Naast de grap en de schets laat Achebe ook een diepgravende Afrikaanse logica zien, zoals de passage over troost:

‘Als men bij ons een vrouw gaat troosten wier baby bij de geboorte of spoedig daarna is overleden, zegt men haar dat ze haar tranen moet drogen, omdat het beter is dat het water wegloopt dan dat de kan breekt. Dat is gebaseerd op de gedachte dat je met een kan weer naar de rivier terug kunt gaan.’

Zo duidelijk geredeneerd over verdriet, dat zie je in het Westen zelden. Daar is de basis van literatuur juist het onvermogen met verdriet om te gaan. Tranen worden gedroogd, maar alleen om weer verder te kunnen. De knop moet om. Achebe voedt zijn verhaal met een volstrekt natuurlijke en sterke gedachtegang, die voor mij bij de logica van Afrika hoort.
Op verschillende momenten bouwt Achebe dat uit. De staat van zijn land is pril, kwetsbaar, gevaarlijk kwetsbaar zelfs. Hij vindt een mooie metafoor:

‘Iemand die juist uit de regen is binnengekomen, zich gedroogd heeft en droge kleren heeft aangetrokken zal minder zin hebben om weer naar buiten te gaan dan iemand die steeds binnen is geweest. De moeilijkheid met onze nieuwe natie was – zoals ik het toen zag, liggend in bed – dat niemand van ons lang genoeg binnen had gezeten om te kunnen zeggen: Wat kan het mij ook verdommen.’

Opeens begrijpt de lezer Afrika.
Een Amerikaans echtpaar duikt op in de roman, een flirterige vrouw en een man die stelt dat Amerika niet volmaakt is, ‘maar vergeet niet dat wij het enige machtige land in de hele wereldgeschiedenis zijn, het enige dat de kracht had anderen te veroveren maar dit niet deed.’
Dat laat Achebe voelen: de macht van Amerika en hoe dat voor een doodgewone Nigeriaan is. Amerika, het land waar wit en zwart zo veel meer vermengd zijn, maar daar heeft Achebe het niet over. Amerika is een grootmacht die zich bekommert om staten in Afrika.
De man geeft in een heel klein tussenzinnetje nog even een beeld van de geschiedenis en de zwarte bevolking in Amerika. Hij ziet geen wanhoop en stelt dat we moeten doorzetten, niet verslappen:

‘We moeten niet weer slapend op de zweep worden aangetroffen.’

Natuurlijk is dat het zinnetje waar de hele buitenlandse verhoudingen om draaien, en tegelijk vertelt het dat deze Amerikaan zelf zwart is, dat hij zijn geschiedenis in Amerika kent, en dat hij een rol heeft in Nigeria.
Niet verslappen, niet gaan slapen op de schijnveiligheid van een werkloze zweep waarop je een dutje kunt doen. Een geweldig sterk beeld.

Halverwege de roman slaat de verteller een andere weg in. De minister heeft hem een poets gebakken, en wat nu?
De hoofdpersoon komt in verzet, maar op een subtiele manier.
Een zoon van zijn volk is niet voor niets een zeer goed gewaardeerde Afrikaanse roman, een boek dat verder uitnodigt om over Afrika te lezen, al is het wel moeilijk selecteren, want niet iedere roman kan zo goed zijn als deze – dat is het enige nadeel van een ijzersterk boek: alles wat daarna komt zal dit boek moeilijk overtreffen.

Een zoon van zijn volk is nog verkrijgbaar via Boekwinkeltjes.nl.

Hannah van Binsbergen, Arie Storm, Klaas Knooihuizen: de redactie las een romandebuut dat lekker verteld en grappig is en mooi tempo heeft, en twee proefopstellingen in romanvorm, een vol filosofische dialogen en beschouwingen en een soepele, mijmerende.

*

Jan van Mersbergen: Klaas Knooihuizen, Geel is de kleur van de zomer

Al in de winter, nog voor de corona-ellende, kreeg ik het manscript van de nieuwe Klaas Knooihuizen opgestuurd. Het was een stapel printjes, op A4, met erg brede regels. Misschien dat ik daarom zo lang gewacht heb om het te lezen. Regels waar geen eind aan lijkt te komen nodigen niet uit tot lezen. Misschien liet ik het liggen omdat ik het werkelijke geel van de zomer wilde zien tijdens het lezen, in navolging van de titel: Geen is de kleur van de zomer.
Smoesjes, want uitnodigen tot lezen doet Klaas Knooihuizen altijd.
In december 2017 schreef ik al een keer over zijn bundel Toen wij naar Oostenrijk gingen, liepen er paarden en koeien op de weg. Toen viel het me op dat Knooihuizen over alles kan schrijven, muziek, een gebouw, een dier in de keuken, het maakt niet uit. Mijn conclusie: De vertelling is altijd groter dan het verhaal.

En deze week verscheen dus zijn roman, bij Thomas Rap. Een roman waarvan je bij het omslag al weet: deze vertelling is ook groter dan het verhaal. We lezen over een jongen die in Rotterdam zit opgescheept met een hondje. Het is een beetje een onbeholpen jongen die cool doet en tegelijk dingen verkeerd doet, want anderen lachen om hem, zeker als hij met het kleine hondje buiten is.
Toch vangt de verteller andere personages even makkelijk, zoals een vrouw: ‘De vrouw is ongezond dun en toch heeft ze een onderkin. Wat moet ze veel verdriet hebben.’
Dat zinnetje duwde me door het hele boek heen, want ik was direct weer bij de manier van vertellen die Knooihuizen zo goed beheerst: laconiek, helder, grappig en speels. In de volgende alinea kruizen twee schepen elkaar die allebei hetzelfde vervoeren. Dat is zinloos, want de een brengt zwart grind stroomopwaarts en de ander stroomafwaarts, en Knooihuizen ziet dat en laat op zijn beurt zien dat schrijven vaak niet veel meer is dan goed kijken.

Eigenaardige jongen toch, die hoofdpersoon en verteller. Hij gaat naar een sollicitatie in een trainingsbroek en kan zich niet voorstellen dat er genoeg auto’s zijn om alle files die op de radio bij de verkeersinformatie genoemd worden te kunnen maken. Liefde gaat hem niet aan – denkt-ie.
Hem wordt gevraagd op een hondje te passen, maar ‘toen ik Elmar vertelde dat ik best op die hond van hem wilde passen. Had ik er niet bij nagedacht dat ik in vreemde huizen ’s nachts bang ben.’

Toch begrijpt hij ook veel. Zo is studeren alleen een excuus om je uit verstikkend dorp te bevrijden, meer niet. Een pand dat opgetrokken is uit bakstenen die ooit wit moeten zijn geweest sluit niet aan bij de gemoedelijke sfeer die het bedrijf dat daarin gehuisvest is op probeert te roepen. Meisjes, hij weet wel hoe meisjes zijn.
Als hij hoort dat er in een pretpark in Chili een dak van een spookhuis is gewaaid en een Amerikaan een condoom in een zak sla heeft gevonden zegt hij: ‘Van alles wat er op de wereld gebeurde was er maar weinig wat er werkelijk toe deed.’
Als zijn huisgenoot aan een boot timmert: ‘Ieder ander mens zou er gek van worden, maar ik vond het wel rustgevend.’
Als hij de dokter haar handen ziet wassen: ‘Ze waste haar handen langdurig met desinfecterende zeep, alsof ik een of andere smerige zwerver was.’
Bij een rol vuilniszakken: ‘Het was de twaalfde zak van een rol van twintig. De negende als je van binnen naar buiten telt, maar wie doet dat nou?’
Hij weet dat de vlag van Letland een smallere witte baan tussen twee donkerrode banen heeft en de vlag van Estland heeft een zwarte baan. Die vlaggen staan me helder voor ogen. Ik zag ooit een onweerslucht: de grond was wit, de donkerwolk zwart en daarboven hing het blauw. Het was de vlag van Estland.

Dit soort typeringen kan een nogal lijzig relativerend personage opleveren, een sukkelaar die veelvuldig te zien zijn in de Nederlandse letteren, vooral in debuten en boeken van oudere schrijvers die zich vastbijten in het idee dat hun personages nu eenmaal onbeholpen moeten zijn, nietsnutten, zoals deze schrijvers vaak aangeven: ‘Ik schrijf omdat ik niks anders kan dan schrijven.’
Knooihuizen kan een heleboel dingen, én hij schrijft erg goed. En zijn personage is gelaagder.

Ergens noemt hij een Spaanse schrijver die in een roman een hoofdpersoon na een wilde nacht laat ontwaken naast het levenloze lichaam van de vrouw met wie hij die avond seks heeft gehad. Javier Marías moet dat zijn. Of zijn er naast Denk morgen op het slagveld aan mij meer Spaanse romans die zo beginnen?

Rode draad is, naast het hondje dat voor drama zorgt en op een gegeven vervangen moet worden door een nieuw hondje, Chantal, een meisje dat hij bij zijn werk heeft leren kennen. Ze heeft dreadlocks. Een crusty dus, zouden ze in mijn stamcafé zeggen. De jongen valt voor haar.
‘Chantal leek me het type dat standaard tien minuten te laat op elke afspraak verscheen, maar ze zat al aan het bier toen ik precies om half negen het café binnenstapte.’
Heerlijk zinnetje, net als de andere zinnen die ik hierboven aanhaalde: lekker verteld, grappig en mooi tempo.
Als hij met Chantal naar bed gaat lezen we een echte goeie seksscène. Niet een schrijver die de lezers wil laten zien hoe seks werkt, wat seks allemaal kan doen, welke maatschappelijke factoren spelen: geen romantisch gedweep of gespeelde hardheid, geen machtsspelletjes. Hij gaat met het meisje naar bed. Dat is het. De knieën van de jongen begonnen pijn te doen en hij rook nog de frikandel die ze gegeten had. Knooihuizen durft te benoemen wat er fysiek gebeurt, en dat is als het om seks gaat niet alleen gehijg, gepoch, geveinsde toestanden, en zeker geen metaforen. Een verademing.

Ik las Geel is de kleur van de zomer met veel plezier. Het is precies het boek wat ik van Knooihuizen verwachtte en waar ik naar uitkeek. Nu alleen nog een mooie kaft erom, dan kan mijn stapeltje A4-tjes en het gele mapje waar ik ze ingestopt heb, met behulp van een perforator, bij het oud vuil, en zet ik deze Knooihuizen pontificaal in de kast.

Thomas Rap gaf Geel is de kleur van de zomer uit.

Daan Stoffelsen: Arie Storm, List en leed, en Hannah van Binsbergen, Harpie

Gesprekken tussen een escort/baliemedewerker en de duivel, of een ruilactie tussen auteur en personage: romans zijn altijd kunstmatig, maar debutante (in proza – ze won al de VSB Poëzieprijs met haar poëziedebuut) Hannah van Binsbergen en de door de wol geverfde Arie Storm (in alles behalve poëzie) zetten hun proefopstellingen wel erg aan. En blijkbaar zijn er manieren om het toch vanzelfsprekend te maken, want waar de een met moeite een wat natuurlijker slot bereikte, schreef de ander een soepele roman.

Om met die laatste te beginnen: ik heb me erg vermaakt met List en leed. De premisse is goed gevonden: de schrijver Arie Storm (de ik in de roman) heeft met een roman gerommeld met de werkelijkheid, maar dat kán gerepareerd worden, als Arie Storm van plaats ruilt met zijn personage August Voois (de hij, in parallelle hoofdstukken). Storm heeft namelijk een roman geschreven waarin de hoogleraar die August Voois ontsloeg, stierf en weer opdook. Niet lang daarna overleed de man op wie dat personage gebaseerd was. Een probleem, stellen Chuck Ramkissoon en Holden Caulfield van de firma List & Leed, realiteitsreparaties, vast.

Storm bouwt dat knettergekke gegeven subtiel op, geloofwaardig ook, met twee personages die op elkaar lijken (maar August Voois heeft duidelijk minder geschreven en nagedacht als romanpersonage, die heeft wat in te halen na de ruil), herinneringen aan een Haagse jeugd, een naakt slapende vrouw, allerlei literaire verwijzingen (ik mis de helft, ongetwijfeld) en beschouwingen over wandelen. Wandelen?!

‘Ik dacht de laatste tijd vaak over lopen, of wandelen, na; vaker dan me lief was. Wandelen was tegenwoordig erg in de mode; het was, zoals inmiddels bekend, in mijn opvatting iets wat verveelde oudere dames en heren graag deden – een vorm van kitsch. […] Daar stond tegenover dat lopen, wandelen of flaneren wel degelijk in een literaire traditie paste in de vorm van het type van de slenteraar, gewoonlijk een jonge man die zonder grote haast over straat loopt, kijkend, observerend, reflecterend. Ik had eens gelezen dat hij de wereld in wordt gestuurd als de duif van Noach om er verslag van uit te brengen. Het is een verkenner die nauw verbonden is met iemand anders – in mijn geval: ik als wandelaar was het personage dat op pad was, namens mijzelf, dat wil zeggen de schrijver die thuisbleef en zijn voordeel deed met de indrukken die hij, ik dus, als wandelaar had opgedaan. Zoiets. Ik wist niet of ik dit zelf nog helemaal kon volgen. Het had iets schizofreens.’

Ik ben zelf een fervent wandelaar, en ik heb ook weleens geschreven over hoe wandelen literair vormgegeven kan worden (Sebald, Cole, ik zal die stukken overzetten van de oude site), maar sinds ik in Twan Huys’ Wandellust heb gelezen, begrijp ik Storms punt. Het wordt al snel truttig. En het mooie is, dat Storm hier ook prettig kletserig is, twijfelend, zoekend – en dat hij raakt aan iets wat klopt. Essayistisch, terwijl je ook het gevoel hebt dat er met je gespeeld wordt, en die laatste drie zinnen zou je ook op andere momenten in het boek gebruiken. Het is postmodernistisch spel, en voor een relatief ongeschoolde lezer als ik is dan de referentie Paul Auster, maar dan met humor. Rob van Essen, maar dan beperkt tot de huiselijke sfeer.

Ik ken Arie Storm overigens persoonlijk, hij is de man van mijn redacteur. Dat zou mijn mening kunnen beïnvloeden over dit boek, maar ik geloof dat het boek ook los van Storms persoon lezenswaardig is en interessant. Kijk, ik ken Storms recensies als niet flauw en belezen tegen het intimiderende aan. Ik kende zijn romans nog niet, ik vreesde ze vanwege zijn stukken en de reputatie van doordrenkt te zijn met literatuur, en deze roman verraste me daarom, en hij bevalt me: nadenkend, mijmerend bijna, geestig en afgerond. Zoiets. Ik weet niet of ik dit zelf nog helemaal kan volgen.

*

Hannah van Binsbergen ken ik niet. Wel weet ik dat in Trouw een ongekend felle bespreking van dit boek verscheen, en dat is ongebruikelijk bij een debuut. Ik begrijp wel dat je negatief kan zijn over dit boek: de opstelling is wat houterig, door de nadruk op het amorele wel erg nadrukkelijk moralistisch en dus ouderwets. De dialogen zijn filosofisch, de situaties zijn meteen op de spits gedreven, en het basisgenre is natuurlijk simpelweg de coming-of-age, en daar kan ik moeilijk van houden. Maar dat wil niet zeggen dat de duivel geen geweldig personage is of dat Van Binsbergen onzinnige dingen zegt.

‘Er zijn weinig dingen zo verstikt in betekenis als een vrouwenlijf. Het duizenddingendoekje van de zichtbare wereld. Het beeld van de schoonheid, maar ook het object waarvan de schoonheid het vaakst in de waagschaal ligt. Duizenden blikken per dag vragen zich af of dit een mooi exemplaar is, of dit acceptabel is, hoe dit lijf is ten opzichte van het eigen lijf. Jouw schoonheid schaadt mijn schoonheid. De poses en contexten waarin het naakte vrouwenlijf mag verschijnen zijn altijd hetzelfde. Met de blik van een onverschillige minnaar zien alle blote meisjes er hetzelfde uit, uitgevoerd in verschillende maten en kleuren. Het is onvoorstelbaar hoe weinig je eigenlijk naar de details kijkt.’

Ik vind die tweede zin erg goed getroffen, en de laatste twee, de rest wat serieus en stellig, beschouwend. Het mist de duivelse humor. Het recensentencliché is dan: we kijken uit naar een volgende roman. Maar tot dat moment hebben we een aantal sterke gedachten over vrouwelijkheid.

Prometheus gaf List en leed uit, Pluim gaf Harpie uit.

Jennifer Nansubuga Makumbi, Judith Fanto en Colm Tóibín: de redactie las een feest van een Oegandese roman, een sympathiek debuut en een knappe hervertelling van een Griekse mythe. Onbekende en oude verhalen in nieuwe boeken.

*

Jan van Mersbergen: Jennifer Nansubuga Makumbi, Kintu

In de kast vond ik een oud boekje staan van Alexander McCall Smith, Het geheim van de krokodil (vertaald door Ineke van Bronswijk), de originele titel: The No. 1 Ladies’ Detective Agency. Het is een zeer goed geschreven vlot boek dat speelt in Botswana. Ik las het opnieuw en haalde Google Maps erbij. Als ik een plaatsnaam tegenkwam – Kgale Hill, Gaborone, Mafikeng, Mahalapye – dan zocht ik die plaatsen op en wandelde ik op streetview eerst even door de straten. Opvallend: altijd mensen op straat. Ook opvallend: erg stoffig en gortdroog, dat land.
Botswana is zo’n vijftig jaar onafhankelijk en er wonen iets meer dan twee miljoen mensen, en dat terwijl het veertien keer groter is dan Nederland. Vergelijkbaar dus met Frankrijk, iets groter nog, en maar zo weinig mensen. En erg droog. En warm. je ziet, ik probeer een beeld te krijgen.
De hoofdpersoon van deze roman is Mma Ramotswe, een speurder. In ieder hoofdstukje laat McCall Smith zien wat zij doet en tegelijk laat hij andere personages aan het woord, zeer speels en goed gedaan.

Nu zijn er in Afrika nog veel meer landen waar ik iets van wil lezen. Mijn streven: een roman lezen uit ieder Afrikaans land. Ik heb er al een heleboel gehad, Nigeria, Egypte, Marokko, en Algerije als ik Albert Camus meereken, maar er zijn er nog veel over en het is voor mij totaal onontgonnen terrein, dus ik plaatste op Instagram een oproepje: Tips gevraagd, boeken die spelen in Afrika.
Er kwamen een paar bruikbare tips en het bleek heel fijn dat ik mijn romans uitgeef bij een literaire topuitgeverij die direct in actie kwam. De volgende dag lag er een pakketje voor de deur, met de postbode op corona-veilige afstand, dat niet door de brievenbus paste: een dikke rode roman die speelt in Oeganda: Kintu (vertaald door Josephine Ruitenberg) – veel dank daarvoor!
Het onbekende schrikt af, het onbekende trekt aan. Het begint al bij de naam van de schrijfster: Jennifer Nansubuga Makumbi. Jennifer is haar voornaam, dat begreep ik nog wel, maar bestaat haar achternaam uit Nansubuga en Makumbi, of is Nansubuga misschien haar tweede voornaam? In Engelse interviews gebruiken ze alleen Makumbi, dat is een stuk eenvoudiger, maar waar laat je dan Nansubuga? Ik neem aan dat Jennifer Nansubuga niet haar voornaam is. En net als bij García Márquez weet ik nooit of je zo’n boek nou bij de N van Nansubuga of bij de M van Makumbi in de kast moet zetten.
Veel vragen, en één zekerheid: ik ging deze roman niet in de kast zetten, ik ging direct lezen, en het was een feest.

Kleine moeilijkheid is niet alleen de naam van de schrijfster, de namen van de personages en de benamingen van allerlei gebruiken, rituelen, zaken en verbanden zijn erg moeilijk.

‘Kintu was op weg naar Lubya om eer te bewijzen aan Kyabaggu, de nieuwe kabaka.’


En een alinea verderop: ‘Kintu wist niet wat hij van Kyabaggu moest verwachten, maar het zou roekeloos zijn om een grote groep bambowa mee te nemen.’
Ik moet erg oefenen op de namen, de plaatsnamen, en die laatste woordjes moet ik maar aan zien te vullen, en toch is het heel goed te begrijpen. Het leest zoals bij de Smurfen, zonder een vergelijking te maken tussen Afrika en Smurfenland natuurlijk, je moet als schrijver tegenwoordig heel goed weten wat je wel en niet kunt zeggen, maar als grote Smurf (de kabaka) zegt: ‘We moeten zo snel mogelijk naar de Smurftoren om die laatste koffer te smurfen,’ dan weet ieder kind, geholpen door een paar tekeningen, wat ze moeten gaan doen.

Nu was ik bij Kintu erg gauw over die moeilijke namen heen, behalve bij sommige passages, zoals in: ‘Kyabaggu’s mannen namen Kintu en zijn gezelschap mee via een nieuwe route. Zo hoefden ze niet om te reizen over Nateete, Wakaliga en Lubaga, maar zetten ze direct koers naar Mpiimelebela via Kitunzi, door Bulange aan de voet van de Namirembe-heuvel.’
Op die namen moet ik even hard kauwen als mijn spellingcontrole, die de halve tekst voorziet van rode kringeltjes, zeker als in de volgende zin nog de vlaktes van Kyandondo genoemd worden, die gemakkelijk onder water liepen. Die namen blijven me niet bij, wel het water op de vlakte, en verder blijft er sprankelende literatuur over die me aan het handje meenam, Afrika in, ongeacht de plaatsnamen en de namen van de personages.Allereerst de prachtige levendige zinnetjes die op vrijwel iedere bladzijde te vinden zijn, kort, beeldend, warm, mooi. Ik weet dat er mensen zijn die stellen dat je niet zo maar zinnetjes uit een boek mag halen om iets aan te tonen, maar mijn idee is eerder dat voorbeelden kunnen aantonen hoe proza werkt en dit zijn stuk voor stuk zinnetjes die iedere schrijver in zijn eigen boek zou willen opnemen, of in ieder geval bieden ze een inkijkje in de beeldende manier van vertellen die Nansubuga Makumbi subliem beheerst:

  • ‘Bovendien was seks met een condoom zoiets als op een snoepje zuigen met het papiertje er nog om.’
  • Als iemand een wijd T-Shirt aantrekt: ‘Toen hij zich omdraaide, golfden de Chicago Bulls om zijn schouders.’
  • Als een man net de hersens ingeslagen is: ‘Kamu’s rechteroog keek nog steeds strak voor zich uit.’ Een zin die honderd bladzijden verderop in de roman terugkomt als: ‘Kanu’s rechteroog kijkt strak voor zich uit.’
  • Over grenzen van de zorg van een moeder die vier tweelingen kreeg: ‘Ze gaf de baby’s borstvoeding tot ze gingen rondrennen.’
  • Als een jongen op zijn moeder is gaan lijken; ‘… lang, statig en met het knapste gezicht dat ooit door een baarmoeder was geboetseerd.’
  • Als het wandeltempo wat te laag is zegt een man: ‘De slakken likken aan mijn hielen.’
  • ‘De slaap is een dief.’
  • ‘Hij voelde zich verraden door het rotsblok en de boom.’

Zo kan ik nog wel even doorgaan, na vijftig bladzijden heb ik mijn pen en papier weggelegd en ben ik werkelijk gaan lezen.

Naast die mooie zinnetjes werd ik overvallen door een mooie Afrikaanse logica die dit boek anders maakt dat Westerse literatuur.
In een interview dat ik op internet vond stelde Nansubuga Makumbi dat literatuur niet in Europa is ontstaan. Nou heb ik geen idee waar literatuur ontstaan is, ik denk dat iedere cultuur zo zijn eigen manieren van vertellen heeft. Ik zoek het tegenwoordig bij de spreektaal van de polder waar ik opgegroeid ben, die is even waardevol als de spreektaal van Botswana of Oeganda, maar wel anders.
De vertelcultuur en logica van Afrikaanse verhalen is in ieder geval bijzonder. Een zoon die zojuist doodgeslagen is komt ’s nachts weer terug, en het is geen droom, het is echt. En volstrekt normaal. In plaats van een paginalange droomduiding geeft Nansubuga Makumbi simpelweg het gesprekje weer.

Over een gebied dat o Lwera heet:

‘O Lwera speelde spelletjes met je geest. Zijn wapen was de illusie. Oriëntatiepunten in de verte leken zo aanlokkelijk dichtbij dat naïeve reizigers zichzelf onmogelijke doelen stelden en daardoor de plekken waar je kon uitrusten vaak voorbijliepen. Onervaren reizigers zwoeren dat o Lwera op het moment dat ze hun voeten optilden de grond onder hen zodanig verschoof dat ze terugliepen naar waar ze vandaan kwamen, waardoor ze het beangstigende gevoel kregen dat ze liepen maar niet vooruit kwamen.’

Die logica van verplaatsing en illusie in een uitgestrekt droog Afrikaans gebied doet me direct denken aan de logica van Carnaval. Die is namelijk precies hetzelfde. Maak je een dansje of wil je van de ene plaats naar de andere, dan draait de aarde onder je zware carnavalsschoenen door zodat je op dezelfde plek blijft staan en niks anders kunt dan daar maar even blijven.
Ik denk dat Afrikanen de logica van Carnaval in ieder geval beter kunnen begrijpen dan veel Hollanders.

Die logica zit in ieder hoofdstuk.
Als een man getrouwd is met een jong meisje dat nog in de groei is en hem voorbij groeit, en eigenlijk toch nog kind blijft en geen seks met de oude man wil, zeggen anderen: ‘Hij had haar direct zwanger moeten maken,’ dan was hij van het probleem af geweest.

Kintu zelf is gek van een jonge vrouw die een van een tweeling is, de jongste. Hij moet eerst met de oudste trouwen, dan volgt die jongste vanzelf wel, maar dat wil hij niet. Ze bieden hem de oudste er gratis bij aan, hij wil nog steeds niet. Pas als ze hem kinderen schenkt gaat hij overstag.
Een andere man heeft niet genoeg aan zijn vrouwen en neemt er af en toe een man bij, dat is logisch want het begint bij zijn seksuele drive. Een aannemelijke redenering, die in de roman verkondigd wordt door een zojuist onthoofde legeraanvoerder. Hij waarschuwt wel: ‘Probeer nooit uit nieuwsgierigheid een man. Voor veel mensen is dat net als een rivier: een stroom die maar één kant op gaat en nooit meer terugkomt. Als je eenmaal het diepe gekreun van een man hebt gehoord, zijn vochtige, harige huid hebt gevoeld en de geur van mannelijk zweet hebt ingedronken, wil je nooit meer een vrouw aanraken.’
Het zijn patronen en gedachtegangen die wij heel vaag nog ergens uit een ver verleden herkennen. Oud en verfrissend tegelijk.

Literatuur kan dan niet in Europa uitgevonden zijn, ergens is het wel fijn dat we in Europa heel veel van deze oude gebruiken en stammenrituelen ingewisseld hebben voor gelijke rechten tussen verschillende leeftijden, geslachten, geaardheid. Toch is het wonderlijk erover te lezen, zeker omdat Nansubuga Makumbi geen onderwerp schuwt en er steeds een draai aangeeft die je niet direct doet terugverlangen naar die oude tijd, maar wel je gedachten verbreedt, en dat is de winst van lezen over Afrika, van binnenuit.
Wat ieder boek nodig heeft: een verhaal van a naar b dat buiten landschap, personages en plaatselijke kleur om gaat, en gelukkig begrijpt Nansubuga Makumbi dat. De proloog is een inleiding die in het heden speelt, met een gruwelijke moord. Het eerste hoofdstuk is een reis naar de koning, door Kintu zelf, langs de eerder genoemde moeilijke plaatsnamen. Ergens weet de lezer: Kintu gaat daarheen en hij gaat dit en dit doen. Dat geeft richting. Dat maakt dat je over de moeilijke namen heen leest en wegdroomt en aan Carnaval denkt, tot Kintu werkelijk bij de koning is.
Dit verhaal is een scheppingsverhaal. Geen roman over Afrika zoals we gewend zijn, en zoals buitenlandse uitgevers dat graag zien: over de kolonisatie, over armoede, vluchten, over corruptie, oorlog en honger. Live Aid, maar dan in boekvorm. Het Dave Eggers-perspectief, waarin eigenlijk Amerika centraal staat.
Kintu is van binnenuit. Onze Westerse invloed ontbreekt. Zelfs de complete kolonisatie wordt overgeslagen, want de schrijfster maakt een sprong van 1750 naar onze tijd.
Mooi!

In een interview in de Volkskrant, afgelopen zaterdag, zegt ze:

‘Toen ik aan Kintu begon, bedacht ik: als ik over het kolonialisme ga schrijven, dan gaan mijn Europese lezers weer alleen naar zichzelf kijken. Maar ik wil dat ze ook eens kijken naar ons, de Oegandezen, hoe mooi we zijn, hoe lelijk, hoe wat dan ook. Russische klassiekers gaan ook niet over kolonialisme: als ik die lees, ga ik een Russische wereld binnen. Zoiets wil ik ook.’
Op die manier schrijven Nederlandse schrijvers over Nederland.

In het interview geeft ze tevens uitleg over haar naam:

‘Nansubuga is mijn eigen naam, in mijn clan en volk krijgt iedereen een persoonlijke naam. In Oeganda noemt iedereen me zo. Jennifer is natuurlijk een christelijke naam. Makumbi is een mannennaam, die van mijn grootvader.’

Is me nog niet helemaal duidelijk waar Kintu in de kast moet komen te staan, maar ik zoek zeker een plekje tussen de romans die ik graag nog een keer open zal slaan om passages terug te lezen.

Uitgeverij Cossee gaf Kintu uit.

Daan Stoffelsen: Judith Fanto, Viktor

Kan het goedkomen met een boek dat op de eerste pagina al zo schrijftalig is, dat ‘ofschoon’ opduikt? (‘Ofschoon geen van de andere familieleden mijn grootvaders radicale hartstocht voor Mahler deelde, vervulde de componist, toen toch al zestig jaar dood, in ons dagelijks leven een levendige rol.’) ‘Hetgeen’ volgt twee pagina’s verder. (‘Eindeloos konden we staren naar het smoezelige zwart-witportretje van wat volgens onze grootouders ooit het mooiste meisje van Wenen was, dat wil zeggen: voordat de nazi’s haar met één kogel de dood injoegen, hetgeen zoals gewoonlijk werd samengevat met de woorden: “Laura? Die leeft niet meer.”‘)

Viktor is een roman in twee delen, die parallel aan elkaar verteld worden: de historische roman, de schelmenroman van een fantastische figuur, Viktor, die in het Wenen van de jaren dertig en veertig twaalf ambachten beoefent en elk meisje krijgt dat hij wil, en uitgroeit tot de held van zijn familie, en de coming-of-age-roman in een joodse familie van een ik die veel weg heeft van de auteur (Judith Fanto, ik kende haar niet), die zich ontworstelt aan de a-religieuze zwijgcultuur en in de pijnlijke geschiedenis duikt.

Het is een heel sympathiek boek, zowel Viktor als Geertje die zich Judith gaat noemen zijn aangename figuren met een vlotte babbel en een scherpe geest, en je gunt Geertje haar ontwikkeling en ontdekkingen, en Viktor een uitweg (al geldt ook hier helaas het vaste holocaustantwoord: ‘Viktor? Die leeft niet meer.’). Fanto snijdt goed in de gebeurtenissen, ze vertelt niets te veel, legt niet te veel uit en daardoor blijft de geschiedenis fris. Het is ook wat braaf, en dat zit hem dus in de af en toe schrijftalige stijl (nota bene bij de contemporaine verhaallijn) en de iets te nette uitgeschreven dialogen – die zijn wel scherp, maar ze doen onnatuurlijk ‘af’ aan:

‘”Begrijp je dan niet dat het zionisme de nazi’s in de kaart speelt? Wacht tenminste tot dit alles weer is overgewaaid! Goebbels heeft zelf gezegd: we laten de joden ongemoeid zolang ze zich gedeisd houden.”
“Dat heeft Goebbels helemaal niet gezegd! Hij zei: ‘… zolang zij zich terugtrekken achter hun vier muren en het Duitse volk niet beledigen met de eis gelijk te worden behandeld’. Ik wil me niet onzichtbaar maken en worden gedoogd. Ik wil leven.”
“Ach meisje, dat is toch allemaal retoriek! Jullie zijn zo jong, jullie denken in absolute termen en hebben nog niet de ervaring dat de meeste situaties in werkelijkheid genuanceerder liggen.”
“Jong?” zei Viktor. “Vader, mag ik u erop wijzen dat Schubert op mijn leeftijd en Mozart op de leeftijd van Felix hun levenswerk al hadden voltooid?”‘

Viktor kent bovendien een chronologische opbouw en er zit geen greintje kwaad in de personages, en verwacht een minimum aan bloot en bloed. Dat wreekt zich vooral in het eerste deel, waarin Viktor en Geertje nog heel jong zijn, en als Trouw het boek niet tot Boek van de Week had benoemd, had ik het weggelegd. Maar ik las door – en uit, en dit verhaal is inderdaad de moeite van het vertellen waard. Viktor is een geweldige held, een womanizer en een echte ondernemer, die bescherming tegen antisemitisch geweld aanbiedt en zelfs het bezet houden van je plaats in de wachtrijen voor uitreisvisa, die met uit de wapenverkoop verkregen geld zijn vader loskoopt en zich als de beschermer opwerpt van de familie. Je gunt hem veel meer dan ‘Hij leeft niet meer’. Maar de roman Viktor is enige compensatie voor dat gemis.

Uitgeverij Ambo|Anthos gaf Viktor uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Thomas Heerma van Voss: Colm Tóibín, Het huis van de namen

Kort samengevat komt het hierop neer: Agamemnon gaat zijn dochter Iphigeneia offeren, want er is hem aangezegd dat de wind dan van richting zal veranderen, wat cruciaal is voor de oorlog die hij voert. Zijn vrouw Klytaimnestra wordt woedend, zint direct op wraak en gaat een relatie aan met Aigisthos, en samen plannen ze hoe ze Agamemnon zullen vermoorden als hij terugkomt. Hun zoon Orestes wordt intussen onder niet helemaal duidelijke voorwendselen in ballingschap gestuurd, tijdelijk opgesloten in een niemandsland buiten de stad en zijn weg terug moet te vinden. En dan is er ook nog de andere dochter, Elektra, die op haar beurt weer een sluw moordplan ontwikkelt omdat ze haar vader wil wreken.

Dit is een samenvatting van een mythe die ik op school kreeg onderwezen en de samenvatting van Colm Tóibíns Het huis van de namen. Een wonderlijke roman, waarvoor Tóibín zich heeft gebaseerd op onder meer De Oresteia van Aischylos, Elektra van Sopohocles en ook op werk van Euripides. Dit staat keurig opgesomd in het dankwoord, waarin hij ook benadrukt dat de roman ‘grotendeels ontsproten [is] aan mijn verbeelding’. Ik baalde tijdens het lezen op meerdere plekken dat ik het bronmateriaal niet goed kende, dat ik niet precies kon nagaan waar hij de verhalen naar zijn eigen hand zette, waar hij fantaseerde en waar hij in elk geval qua gebeurtenissen reproduceerde.

Wat ik wel weet: Tóibín doet een paar heel interessante dingen met de klassieke mythes. Zo weert hij eigenlijk alle religieuze of mythische lagen uit het verhaal. Er zijn geen gesprekken met goden, er richten zich geen hogere machten tot de personages, er wordt niet van bovenaf gestuurd – wat de personages iets raar aards krijgt. Zeker door de strakke, opsmukloze stijl die  Tóibín hanteert. Soms beweegt hij als een camera bijna langs mee met de personages. Alsof hij daarmee heeft willen zeggen: de gebeurtenissen spreken voor zich, het offer en de wraak, dat zijn al zulke grootse daden, daar hoeven geen beelden of metaforen bij.

Deze keuze pakt goed uit, om te beginnen omdat Tóibín kernachtig en krachtig schrijft, bijvoorbeeld wanneer er een hond sterft:

‘De hond stribbelde niet tegen toen ze hem optilden. Ze droegen hem naar de plek waar Mitros en de oude vrouw begraven lagen en daar bleven ze bij het dier zitten wachten. Gedurende de dag ging de een of de ander voedsel en water halen, maar de hond taalde er niet naar. Hij jankte alleen zachtjes, maar algauw hield ook dat op. Ze bleven bij het dier zitten wachten, spraken er zachtjes tegen en ook tegen Mitros en de oude vrouw, zelfs nadat de duisternis was ingevallen. Toen bleven ze allebei zwijgend zitten en werd de stilte alleen verbroken door de haperende ademhaling van hond. Totdat het ademen helemaal ophield.’

Mooi, die heldere toon, en die stilistische keuze van Tóibín pakt extra goed uit omdat veel gebeurtenissen hierdoor iets vreemd aards krijgen: dat offer van Agamemnon, sláát het eigenlijk wel ergens op als je alle contact met de goden en poëtische bombast eruit haalt? Hij doet het opdat de windrichting verandert, cruciaal voor de naderende strijd, en inderdaad, die windrichting verandert ook na het offer, maar niet direct; wie zegt dat dit niet gewoon zo ging, dus dat het offer dat dit hele verhaal in beweging. Bij veel gebeurtenissen en wendingen in Het huis van de namen kun je je dit afvragen: welk doel dienen ze, sláán ze weloverwogen wel ergens op?

Fijn is bovendien dat Tóibín geen hapklare antwoorden geeft of zijn personages ergens de maat neemt – zoals hij tegen het einde van de roman ook niet uitschrijft dat Orestes wegkwijnt en, in navolging van zijn vader, niet doorheeft wie er tegen hem samenspannen en wat ze precies in hun schild voeren. Sowieso laat Tóibin fraai zien hoe achterbaks en ondoorgrondelijk de politiek is, vol onbetrouwbare wachten en warrige dwarsverbondjes; elders in de roman toont hij fraai terloops hoe leeg de wereld nog is in deze tijd van Agamemnon, hoe weinig steden en huizen er zijn.

Zo valt er genoeg knaps in Het huis van de namen te ontdekken, ik krijg aldoor de indruk dat Tóibín precies weet wat hij doet, en waarom hij voor een bepaald register of specifieke toon heeft gekozen. Tegelijkertijd kwamen de personages geen van allen helemaal tot leven. De roman wordt beurtelings verteld door de ogen van Klytaimnestra (twee gedeeltes van het boek), Orestes (drie gedeeltes), Elektra (één gedeelte) en voor geen van hen ging ik werkelijk iets voelen, ik leefde mee met wat ze beleefden maar niet met hun leefwereld, hun gevoelens, want die houdt Tóibín min of meer verborgen. De vraag die dit bij mij opriep was: waarom wilde hij uitgerekend dit verhaal vertellen? In de roman zelf geeft hij daar geen antwoord op, en ik vind het prijzenswaardig dat hij dit verhaal over sluwe politiek, offers en scheve familieverhoudingen niet expliciet aan de huidige tijd verbindt. Tegelijkertijd kwam er ook steeds een vraag bij me op die ik niet helder kon beantwoorden: waarom specifiek deze mythes, waarom nu?

De Geus gaf Het huis van de namen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Christine Otten, Richard Yates: de redactie las een gevangenisroman met twee overtuigende vertelstemmen, en herwaardeert een roman met een sterke verhalende stijl én genuanceerde psychologie.

*

Jan van Mersbergen: Richard Yates, Revolutionary Road

Eerst zag ik de verfilmping, op de Vlaamse zender, zonder onderbrekingen, met Leonardo DiCaprio en Kate Winslet in de hoofdrollen: Revolutionary road. Mooie film over een schrijnende scheve relatie. Veel ruzie, veel zwijgen, wat mijn dochter van 12 moeilijk vond. Toen zocht ik in mijn boekenkast naar het boek. Dat had ik er ooit in staan, maar ik kon het niet meer vinden, dus bestelde ik een nieuw exemplaar (vertaald door Marijke Emeis), en afgelopen weken las ik de roman.
Her en der zei ik er al iets over, en de reacties waren allemaal zeer positief: geweldig boek, zo mooi, heerlijk.
Dat klopt allemaal, en steeds had ik het gevoel dat ik dit boek eerder had moeten lezen.
Andere reactie: Heb je dit nog niet gelezen?
Sommige boeken heb je dus simpelweg nog niet gelezen. Ik heb alleen dit jaar al zeker tien boeken gelezen die niemand kent en die minstens zo goed zijn, maar ik begrijp dat lezen geen wedstrijd is. het is wachten op het juiste moment.

Waarom kon ik Revolutionary road twintig jaar geleden niet lezen? Ik denk dat ik het te veel vond, te vol, te slim uitgelegd, te duidend. Nu denk ik er heel anders over en ben ik erg onder de indruk van de verhalende stijl van Yates die toch in iedere alinea de psychologie in duikt. Heel genuanceerd, heel precies, heel beeldend, want meestal duidt Yates niet in theorie maar in handeling gekoppeld aan gevoel.
Zoals in de volgende zin:

‘Hij maakte met zijn vrije hand zijn boord los, zowel om zijn hals af te koelen als geruststelling te ontlenen aan het volwassen gedistingeerde gevoel van een zijden das en een chic overhemd.’

De handeling is eenvoudig: boord los maken. In mijn favoriete proza, Amerikaans proza van buiten de steden, zou de zin hier opgehouden zijn. Yates voegt er nog wat aan toe, en dat is goed te volgen, hoewel het ver van mijn spreektaal af staat. Het gaat om de geruststelling. Dat brengt alles samen. Dat maakt de psychologie van een jasje en een dasje opeens meer dan alleen dat kakpak. Het geeft aan dat de man in dat pak onzeker is, en die kleding nodig heeft voor zijn vertrouwen. Het is duiden, en toch nog ruimte laten. Dat is bijzonder. Woordje als ‘het volwassen gedistingeerde gevoel’ zal ik niet gauw in een verhaal of roman opnemen, hier zijn die woordjes slechts een aanzetje tot net even wat meer, en die meerwaarde brengt Yates in bijna iedere alinea.
Yates beschrijft hoofdpersoon Frank en zijn mannelijkheid, als hij in de tuin stukken rots aan het uithakken is:

‘En als hij bij de ernst van deze gedachte zijn ogen neersloeg kon hij behagen scheppen in de aanblik van zijn eigen gebogen mannendijbeen, dat zich mager spande onder de oude olijfgroene soldatenbroek, en in zijn mannenonderarm die daar hing – die haalde het misschien niet bij de hand van zijn vader maar was toch nuttig en lang niet slecht – zodat zijn slapen nu pijn deden van geestdrift en triomf toen hij een stuk rots uit de zuiging van een holte vol witte wormen tilde en dat over de bevende bladaarde om en om naar beneden liet rollen, want hij was een man.’

Ook hier een heleboel uitleg en details, maar de basis is dat je de handeling net nog voor je ziet, en tegelijk is het getob van deze man volkomen helder. Hij worstelt met de stenen, met zijn vader, diens handen, met zijn eigen fysiek, zelfs met de aarde. Als ik zelf stenen uitgraaf of hout sta te zagen of ander fysiek werk doe – dat gebeurt soms – dan voel ik gelukkig nooit deze piekerige onstopbare gedachten. Als ik Yates lees weet ik: dat is mijn kracht. Er zijn blijkbaar een heleboel mannen in de middenklasse, met huizen en gezinnen, die zich bijzonder moeizaam verhouden tot zo ongeveer alles, en deze schrijver weet dat te vangen in sterk proza.

Dus wat ik ook steeds voel als ik Revolutionary road lees: medelijden. Met de personages en hun machteloosheid en verwrongenheid, maar ook met de schrijver die aan een eenvoudige handeling niet genoeg heeft. Yates kent geen personage dat gaat vissen. Hij zal de visser aan de waterkant laten twijfelen, tobben, nadenken, zwoegen. En dat terwijl vissen nou bij uitstek een moment is waarop mensen tot rust kunnen komen. Die rusteloosheid was het misschien wel die me ruim twintig jaar geleden dit boek weg deed leggen, en die me daar nu aan doet terugdenken. Ik kan deze roman nu goed lezen, ik vind het nog steeds proza dat pijnlijk veel biedt.
Proza dat zo precies en duidend is, dat ik er moe van wordt – is dat een kracht of een gebrek? Het antwoord is al gegeven: het is een gebrek van de lezer, want Yates pakt je met Revolutionary road helemaal in en imponeert op een dusdanig gemakkelijke manier dat het bijzonder is. Het is zoals Roger Federer een onmogelijke bal slaat: waar andere tennissers hijgend en zwetend net die bal zullen raken, ziet dat er bij Federer moeiteloos uit.

Frank en zijn vrouw zijn actuele personages. Als ze ruzie hebben sluit April een lange monoloog af met: ‘Val me niet in de rede.’
Dat zie je in onze tijd ook vaak in discussies gebeuren, vooral op tv: voordat de ander ook maar iets heeft gezegd, of zelfs maar overwogen heeft om iets te gaan zeggen, zegt de eerste al: ‘Laat me uitpraten.’
Dat soort types zijn Frank en April. Ze houden vast aan een betoog, ze trekken redenaties door en denken vooral aan zichzelf. Yates zet ze keihard neer. Alle details, alle kleine woordjes en speldenprikjes die een personage kan zenden weet hij te vangen. De kleinburgerlijke gedachten, het gemopper, de zelfoverschatting, het medelijden, het dromen en de machteloosheid, alles komt samen in een geweldige mix die samen het huwelijk van Frank en April vormen.
Yates houdt van zijn personages, maar hij haat ze net zo veel.
Als het net weer even goed lijkt te gaan tussen die twee, als ze plannen maken om naar Parijs te verkassen, beschrijft Yates de kinderen van Frank en April, in een paar prachtige levendige ritmische zinnen:

‘Er was één troost: ze konden gaan slapen zonder bang te zijn over een uur te worden gewekt door de abrupte, bonkende, hijgende, met deuren slaande geluiden van een ruzie; dat was kennelijk allemaal verleden tijd. Ze konden nu liggen soezen bij het geluid van vriendelijke stemmen in de woonkamer, een geluid waarvan het ingewikkeld ritmisch stijgen en dalen langzaam de vorm van hun dromen zou worden. En als ze later wakker werden en zich omdraaiden om met hun tenen een nieuw koel plekje tussen de lakens te zoeken wisten ze dat het geluid er nog zou zijn – één stem diep en zwaar en de ander zacht en bekoorlijk, die praatten en praatten, even werkelijk en geruststellend als een blauwe bergketen die je van verre ziet liggen.’

Dat is natuurlijk echt genieten: een alinea die aangeeft dat het huwelijk weer op orde lijkt te zijn, er weer plannen en dromen zijn, hoe onrealistisch ook, en waarin het zoeken van een koel plekje onder de lakens door een paar kindertenen verbonden wordt aan het schitterende decor van een blauw bergketen in de verte.
Hoe ver weg en groot, hoe dichtbij en klein dit proza ook is, in alles trekt het de lezer naar zich toe, en dat is een uitzonderlijke kracht die in feite iedere schrijver zoekt.
Redacteuren van literaire tijdschriften zullen in een passage uit Revolutionary road misschien niet vinden wat ze zoeken. Buurman Shep Campbell kreeg in de fabriek de reputatie een snob te zijn en hij maakte zijn eenvoudige vrouw bang ‘want hij was een slechtgehumeurde luisteraar van klassieke muziek en een chagrijnige lezer van literaire kwartaaltijdschriften geworden.’
Daar moest ik hardop om lachen.

De Arbeiderspers geeft Richard Yates uit.

Daan Stoffelsen: Christine Otten, Een van ons

Drie uur over perspectief: als Eva Meijers gemeenschapsmystery een in een groep wisselend perspectief heeft, en bijvoorbeeld Dido Michielsens droevige levensverhaal van een njai, Lichter dan ik, één derdepersoonsperspectief, dan heeft Christine Otten er in Een van ons twee. Twee stemmen, en ze verschillen duidelijk van elkaar, en dat vind ik goed werken.

Eén is Luc, een levenslang gevangene in de gevangenis bij Zutphen. Hij schrijft op momenten ademloos, en op andere momenten met een ruwe lyriek. Ademloos:

‘Wat de opdracht was werd me niet duidelijk, maar op een gegeven moment gingen ze voorlezen wat ze hadden geschreven en hoorde ik J, zijn stem herken ik uit duizenden, hij zit op de B1, die gast heeft een heel eigen stijl van praten, van formuleren, een beetje ingehouden, plechtig, alsof hij over ieder afzonderlijk woord nadenkt voor hij het uitspreekt, hij is een stuk jonger dan ik, hij traint de jonge jongens in de gym hierbeneden, kickboksen, het schijnt dat hij buiten een hele grote was, ik mag hem, maar daar gaat het niet om […]’

Geen nette afgebakende zinnen, maar in één ruk, niet te veel clichés (‘uit duizenden’), licht straattalig (‘die gast’), maar wel precies geformuleerd. En ruwe lyriek, in reactie op het verzoek van een schrijfdocente, Katrien, die in de gevangenis elke woensdagochtend een workshop geeft.

‘Ze wil dat ik mijn verhaal opschrijf. Ze heeft geen idee. […] Maar waarom in hemelsnaam zou ik haar vertellen dat haar uitnodiging aan mijn diepste angst raakt, namelijk: dat er wel degelijk tijd verstrijkt. Dat het alleen buiten mij om gaat. En dat de innerlijke rust waarop ik zo fier ben, het evenwicht dat ik denk gevonden te hebben in de herhaling, in iedere dag hetzelfde doen, in aaneengeregen monotone dagen en nachten als één langgerekte tegenwoordige tijd, berust op een vergissing.’

In die lyrische passages zit meteen een valkuil, of misschien moet ik het in hemelsnaam vanuit mezelf verwoorden: die raken een allergie van mij. Zo expliciet emoties verwoorden, zo’n diepgravende duiding, dat is me snel te sentimenteel en abstract. Onnatuurlijk. En daarmee ongeloofwaardig: wie schrijft dit zo op? Maar vaker is Luc simpelweg stug, beschrijft hij de spanning tussen hem, andere gevangenen, de schrijfdocente, de bewakers, en dat is heel knap gedaan, met een overtuigende toon.

In de alternerende hoofdstukken lezen we Katriens kant van het verhaal. Ze overtuigt Luc niet van deelname aan de workshops, maar krijgt andere gretige leerlingen, waaronder echte talenten, met goede verhalen. Ze lijkt ook te hopen op eigen inspiratie, goed materiaal, maar wordt ook geconfronteerd met haar eigen schuldgevoel.

‘Zeg niet dat hij makkelijk praten heeft, of dat mijn moeders gezondheid te broos is of dat ze gelukkig is in het huis waar ze woont, de kamer die we zo hebben ingericht dat het lijkt of ze in haar oude flat aan de IJssel is, thuis, of dat de zorg daar persoonlijk is, warm, de sfeer gemoedelijk, volks, precies waar mijn moeder van houdt of dat ik iedere week op bezoek ga twee uur heen van deur tot deur twee uur terug, dat ik geniet van iedere minuut dat we samen zijn en dat mijn moeder nooit klaagt en blij is met een verse bos bloemen een bezoekje een kus, dat ze een vechter is net als haar vader, die worstelaar was acrobaat een pistool had in de oorlog, dat ik hoop dat ik op hem lijk en op haar en zoveel van mijn moeder hou dat het soms is of mijn dagen geteld zijn niet de hare. Het boek. Niet mijn moeder, het boek.
“Je boek,” zegt ik.’

Eigenlijk komt Katrien hier net zo ademloos over als in die eerste passage van Luc. De taal is iets meer doorsnee, maar je mist ook bij haar komma’s en toch is het toch leesbaar, en het komt eerlijk over, die omgang met de clichés rond bejaarde ouders en het ongemak.

Otten bouwt een spanning op tussen de twee vertellers; Luc lijkt dwars door Katrien heen te kijken, te zien dat haar intenties niet zuiver zijn, en Katrien verwacht meer van hem. Het decor helpt daarbij, want zoals Luc zegt tegen Katrien: ‘In een bajes is niets vrijblijvend. Het lijkt soms of je dat niet helemaal snapt.’ De spanning zit hem ook in de plotlijn van het geslaagde manuscript van dat ene talent, ‘je boek’, waarover Katrien gemengde gevoelens heeft, en of Lucs geheime dagboek naarbuiten komt. Toch moet ik vaststellen, enkele dagen na lezing, dat het verhaal van Een van ons niet blijft hangen. Wel die vertelstem, en Luc is dan ook een personage dat ik wel een ruimer boek had gegund.

De Geus geeft Een van ons uit.

Eva Meijer, David Vann: de redactie las een moordmysterie dat natuur en mens in gesprek brengt, en een roman die de balans zoekt tussen verbondenheid en op zichzelf staan.

*

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, De nieuwe rivier

Het staat er niet, maar ik dacht het wel: heeft Thomas nou drie uur aan één stuk over perspectiefwisselingen gepraat?

  • Schrijfopdracht 1 bij die column: verwerk er een perspectiefwisseling in, vanuit de kat (‘Waarom praat baard zoveel? Hallo baard! Hier ben ik! Kijk me aan, kijk me aan…’).
  • Schrijfopdracht 2: schrijf de hele column vanuit het perspectief van de kat. Maak hem niet dommer dan hij is.


Drie uur voor perspectief, dat is ook eigenlijk een goede tijdsinvestering; wie een verhaal vertelt, in wiens hoofd je bent, maakt alles uit. Thomas laat het zelf zien in zijn laatste roman, waarin hij van derde naar eerste persoon gaat, en het is vaak een van de eerste grote grepen die Jan voorstelt bij een ingezonden verhaal.

Ik zou mijn drie uur denk ik beginnen met: ik ben allergisch voor alwetende vertellers. En zelfs voor wisselende personale perspectieven, dat de derdepersoonsverteller telkens verandert. Om dat vervolgens af te zwakken: Marijke Schermer heeft een fantastische roman geschreven waarin het wél werkt, Valeria Luiselli ook, en Peter Buwalda heeft voor zijn perspectiefwisselingen een hele set regels opgesteld, en ondanks dat (of juist daardoor) komt het heel natuurlijk voor.

Eva Meijers nieuwe roman, De nieuwe rivier, is wat losser met die perspectiefwisseling. Na een paar hoofdstukken met één duidelijke verteller, beschrijft ze een ontmoeting:

‘ Janet wil net de grote weg op rijden als er een donkere man in een oude groene Volkswagen aankomt. Het is de geoloog die ze eergistermiddag in café De kleine onschuld over de rivier interviewde – iemand die Engels spreekt en met wie ze op een normale manier een gesprek kan voeren. Ze toetert.
Rafel remt af. Hij wrijft over zijn nek. Hij heeft gedroomd dat hij aangeraakt werd door de hand des doods.’

Onze verteller weet zowel over Janet iets als over Rafel (zo’n droom!). Terwijl we over sommige personages niets (of aanvankelijk niets) te weten komen. En van een enkeling komen we niet alles te weten! Perspectiefgevoelig als ik ben, zou ik dan liever van iedereen wat lezen – of van maar één persoon. Maar het verhaal van De nieuwe rivier is het verhaal van een groep mensen rondom een ecologische ramp, overstromingen en een mysterieuze moord, een groep die uitdunt met telkens weer een nieuwe mysterieuze moord, en het klopt: samen tasten ze in het duister.

Mijn aanvankelijke jeuk ebde weg, want Meijer weet dit groepsmysterie – zijn er criminelen aan het werk, of activisten, of is het de natuur zelf die (à la Olga Tokarczuks Jaag je ploeg over de botten van de doden) wraak neemt op de mensen die haar misbruiken? – uitstekend uit te bouwen. Het is vaag, maar het is raak, met flarden journalistiek (die Janet is een Britse journalist) en poëzie (de eerste dode bleek een dichter) en scherpe associaties:

‘Het land was niet bestand tegen de kracht van deze aanhoudende natheid na een lange periode van droogte. Lagen harde aarde waren zo droog dat ze het water tegenhielden dat ze goed konden gebruiken. Zo gaat het vaak. Je wenst iets en als het in je schoot valt kun je er niet mee omgaan, weiger je het te ontvangen, zodat alles blijft zoals het was, hooguit wat treuriger.’

Die laatste zin is prachtig, een vermenselijking van de natuur, of vice versa, en in die zin is haar nieuwe roman een mooie voortzetting van de strijd met een ander genre (de ecothriller, zegt Das Mag, die dit boek bij uitzondering uitgeeft) die ze met Dagpauwoog, Het vogelhuis, Dierentalen en De soldaat was een dolfijn al voerde. Voorwaarts past er ook goed bij: een doorgaand gesprek tussen mensen en de natuur.

Das Mag geeft De nieuwe Rivier uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: David Vann, Caribou Island

Als een echtpaar in de roman Caribou Island van David Vann (vertaald voor Arjaan van Nimwegen) naar een verlaten plek gaat om daar een hut te bouwen en daar te gaan leven, gaat alles mis. Typerend voor de hyper-modus waar de personages van Vann in verkeren. De man, Gary, had een wild plan, zijn vrouw Irene doet mee. Ze doet niet mee omdat ze een stel zijn dat gingen samen doet.

‘Irene ging erin mee omdat zij kon straffen zodra ze het ondergaan had. haar beurt kwam nog. En zo hadden ze elkaar dat al decennialang aangedaan, onweerstaanbaar. Mooi, dacht ze dan. En dat betekende: wacht maar af.’

Op het moment waarop Irene dat denkt laden ze een boot vol boomstammen om die naar een eiland ergens in een meer te brengen. Ze laden de boot vol als die op het strand ligt en door het gewicht krijgen ze de boot niet meer in het water geduwd. Gary besluit de boot met zijn auto een zetje te geven. Dat lukt, maar de boot raakt beschadigd. Het regent vreselijk, ze hebben het koud. Ze bereiken toch het eiland. Ze stuiten op een rotskust, veel te hard. Het blijft regenen, alles gaat mis. Toch blijft dit stel in de laatste fase van hun relatie bij elkaar. Ze ploeteren. Het verhaal is tragisch, duidelijk en grappig.

David Vann was de verrassingsgast bij de eerste editie van De Vertellers van Helmers, in november 2018. Hij logeerde bij vrienden. Ik had hem daarvoor al een keer ontmoet. Toen hij een jaar later weer bij de vrienden in Amsterdam op bezoek was zocht ik hem weer op en spraken we lang over schrijven, vertellen, vissen, over wonen aan het water, over boten. Vann is een vermakelijke verteller. Als je hem leert kennen dring je beter door tot de stem die in al zijn boeken zit: die wordt grappiger.
Als Irene zich schrap zet in de boot omdat ze al voorziet dat Gary in zijn onhandigheid veel te hard vaart en ze knallen op de rotsen, dan zegt ze alleen: Jezus, Gary.
Dat kenmerkt hun relatie. Vloeken, maar er toch in blijven hangen.
Het liefst wil Irene alles opgeven, of opnieuw beginnen, met Gary. Wat er gekozen wordt maakt niet zo veel uit, alsof er geen verschil is tussen het opgeven van een relatie of het opnieuw beginnen in een relatie. Dat herken ik van de gesprekken met Vann. Keuzes zijn er, maar de richting is altijd onzeker. Daarom ook een wild plan: een hut bouwen, ergens. Grond kopen, gaan jagen en vissen, ondanks de kou. Vuurtje stoken.

Ik trok Caribou Island uit de kast uit de kast omdat ik de laatste tijd veel lees over zelfgekozen eenzaamheid, misschien een thema van een nieuw boek. Deze roman vult die ideeën op een rijke manier aan. Alle personages zijn verbonden, maar ook op zichzelf. De balans daartussen, daar gaat het om.
Vann laat zien en verklaart, en doet dat is een treffende balans. Als er net wat informatie bij de handeling moet dan geeft hij uitleg, maar in een paar woorden. geen uitgebreide psychologie, alleen een aanvulling. Dan weer een bladzijde of twee met een scène die als een film laat zien wat de personages doen. Het echtpaar verstrikt in elkaar, met eigen motieven, de dochter die bedrogen wordt, haar broer die een slap figuur is. Om beurten komen de personages langs in mooie filmische scènes die allemaal voldoende ruimte laten om de beelden er zelf bij te laten ontstaan, in je hoofd.
Ik had deze roman al gelezen en denk nu weer: wat goed gedaan.
Een boek om op geschikte momenten uit de kast te halen, om rustig te lezen, om je eraan te herinneren hoe je proza doseert, hoe je verschillende personages net voldoende meegeeft om ze tot leven te wekken, hoe je tempo bepaalt en soms sprongen kunt maken, hoe het verhaal logisch blijft en alle motieven in elkaar grijpen.

De Bezige Bij gaf Caribou Island uit.

Colum McCann: de redactie las een indrukwekkende roman over een onderwerp waar je beter niet over kunt schrijven en dat leverde een geweldig boek op.

*

Jan van Mersbergen: Colum McCann, Apeirogon

Er zijn onderwerpen waar je maar beter niet over kunt schrijven. Ze zijn te ver weg of juist te bekend, er is al genoeg over geschreven, ze zijn te moeilijk, je kunt er geen partij in kiezen, het conflict is onmogelijk en onoplosbaar, als je erover schrijft verandert het leed bij ieder woord in sentiment. Onderwerpen waar je ver vandaan moet blijven.
De Tweede Wereldoorlog is erg moeilijk, want hoe voeg je daar vijfenzeventig jaar en duizenden romans later nog iets aan toe? Onderwerpen waar moraal aan kleeft zijn moeilijk: activisme, politieke achtergronden, de hippietijd. De beste boeken gaan hierover, maar een nieuw goed boek hierover maken lijkt een onmogelijke opgave.
De Palestijns-Israëlische kwestie is misschien wel het allermoeilijkste onderwerp, want daar komen moraal, partijdigheid, keuzes, politiek, onoplosbaarheid en onmogelijkheid, blinde koppigheid en idiote vastheid samen. Colum McCann schreef er toch een boek over: Apeirogon (vertaald door Frans van der Wiel), een onmogelijke titel maar wel een schitterend gelaagd, fragmentarisch en raak boek. Een prestatie van formaat.

Schrijven over twee personages, de een Palestijn, de ander Israëli, die vrienden worden. Mijn eerste gedachte is: Neem je moeder in de maling. Het verhaal is echter waargebeurd, en het leed van deze twee werkelijk bestaande figuren is ook echt. Dan blijft nog steeds de vraag over hoe je dat leed, dat inmiddels al in vele kranten is beschreven, in een roman verpakt.
McCann begrijpt hoe dat moet. Met lef. Met beelden. Met woorden die langs het sentiment schuren. Met ruimte die doorgaans in het conflict ontbreekt omdat het conflict totaal dichtgetimmerd is, iets wat bij een roman wel kan maar wat een vreselijk boek oplevert.
Hij begint met trekvogels. Doet denken aan het liedje van Klein orkest. Alleen de vogels vliegen van Oost naar West-Berlijn. Het is allemaal bekend, maar gesitueerd in Israël zijn de vogels anders, massaler in aantal, kleurrijker, lichter, blinkend in de zon.
Een jongen moet de gevangen vogel ringen en besluit twee ringen aan een ketting om zijn hals te hangen. Twee ringen, twee mannen van verschillende afkomst, aan een ketting, bij elkaar. Daar loert het sentiment.
McCann sluit dit korte hoofdstukje over Tarek, de jongen, echter af met: ‘Tarek voelde de ringen tegen zijn keel tikken toen hij twee maanden later met zijn oudere broer naar de Maagd Mariastraat ging om stenen te gooien.’
Dan volgt een witregel.

Het volgende korte hoofdstukje komt gauw, maar eerst kan de lezer tijdens die witregel nog even genieten van die mooie heldere zin waarin McCann vertelt wie die jongen is, een Palestijn, een stenengooier, met een broer, waarin hij de locatie aangeeft, het conflict nergens benoemt, maar klein maakt als een ring aan een ketting, als twee ringen samen aan een ketting. Die witregel was nodig. De lezer kan op adem komen.
Alles staat er, en toch is het proza bondig, zit er handeling en richting in de zin, wordt het personage groter, wordt Israël kleiner. Precies wat het conflict nodig heeft.
En dit is nog maar het begin. Deze zin staat op bladzijde 18, en ik weet nu al: McCann gaat niet alleen het complete Palestijns-Israëlische conflict slopen, hij gaat mij ook slopen, met deze krachtige woorden.
Ik leg het boek even weg. Duizend-en-één hoofdstukjes, dat heb ik al gezien. Van 1 naar 500, en dan 1001, en dan terugtellen van 499 naar 1. Lieve hemel, ik ben pas bij 10.
Even daarvoor heeft hij beschreven hoe kleine zangvogeltjes trekken, hoe ze kwetsbaar zijn, hoe ze in Frankrijk gegeten worden, zoals door François Mitterrand, de oud-president die volgens een bizar ritueel dat doet denken aan de Zonnekoning, die een vogeltje met botjes en al opeet, een ortolaan, en anderhalf jaar daarna sterft.
Ik ben nog maar bij het vijftiende hoofdstukje en McCann pakt direct uit op een manier die William Faulkner toepaste in As I Lay Dying, door korte fragmentjes onderling te koppelen, want er iets echt wel iets aan de hand met die mensen in Israël, met de trekvogels, met de snelweg en de tijd die verspringt van zomer- naar wintertijd zodat Israël en Palestina voor een paar dagen een uur ongelijk lopen, ik heb gelezen over een man op de snelweg, over vliegende vogels en eetbare vogels, over kogels die in Noord-Ierland knieën verbrijzelden, over Mitterrand die een vogeltje at, de andere aanwezigen hoorden de botjes kraken, en dan volgt bikkelhard hoofdstuk 15:

‘De kogel die Abir doodde, reisde vijftien meter door de lucht voor hij in haar achterhoofd sloeg en haar schedelbot kraakte alsof het een kleine ortolaan was.
Ze was naar de kruidenier gegaan om snoep te kopen.’

Ik heb hier zelf weer een witregel nodig. Ik zit nu al stuk. De samengeraapte beelden doen hun werk. Het sentiment was nergens te bekennen, het zit nu wel in mijn hoofd en lijf. Ik tril ervan. Het leed van een vader die zijn dochter verloren heeft, daar kunnen geen woorden tegenop, dat kan alleen op papier gezet worden in een verzameling beelden die in het hoofd van de lezer moeiteloos aan elkaar gekoppeld worden.
Krakende botjes. Een kogel die doel treft. Verlies. Een meisje dat naar de kruidenier loopt om snoep te kopen.
McCann laat me voor het eerst voelen hoe het Palestijns-Israëlische conflict in elkaar zit. Ik begrijp er nog steeds helemaal niks van, maar ik moet wel bijna huilen.

Ik wil weten hoe hij dat doet. Hoe hij een ingewikkeld, oneindig, wereldlijk probleem persoonlijk maakt en het leed van dat probleem bij de lezer neerlegt, niet als beklag of statement of als manifest, enkel en alleen het leed.
Ik weet al lang hoe je dat kunt doen, in mijn eigen romans pas ik dezelfde technieken toe, maar ik ging een dergelijk onderwerp uit de weg. McCann niet. Hij dook in een oneindige verzameling beelden en persoonlijke verhalen en voert die op met losse draadjes en hij geeft de lezer de kans deze gewelddadige wereld te ontvouwen zodat die wereld verandert in een wonder.
Dat is de kracht van literatuur. Dit is de grootste taak die een schrijver op zich kan nemen.
Dat is wat Colum McCann aangegaan is, en hij laat zien dat het kan. Na dit begin gaat deze anekdotische verbindende roman nog heel lang door. Ik weet nu al: dit is goud.
Geen wollige blatende metaforen opdreunen die niks meer dan leegte overbrengen, maar de zwaarst mogelijke materie omtoveren tot een ballon, zoals die van kunstenaar Banksy op het omslag van Apeirogon.
Ik zou wil alleen nog maar verder lezen, ademloos, want ik weet dat er nog heel veel moois gaat komen en dat ik niet moet proberen dat allemaal in een stuk over deze roman moet zien te pakken. Deze aanzet is genoeg. Ik sluit af met een witregel.

Ik haal adem en lees verder, een eindeloze rij korte hoofdstukjes die pauzes nodig hebben en samen toch een in elkaar gedrukt verhaal vormen dat je bang maakt, want dit wereldlijke onoplosbare probleem voel je opeens tot in je tenen.

Jeanine Cummins, Sandro Veronesi: de redactie las de heisa en vervolgens de middelmatige roman waarover de heisa ging, en een kochiaanse klassieker van twintig jaar gelezen.

*

Thomas Heerma van Voss: Jeanine Cummins, Wie omkijkt

Nee, ik las American Dirt niet wegens de commotie, waar veel anderen al zinnige dingen over hebben geschreven, ook in Nederland – Arjen van Veelen voerde de roman op in zijn mooie essay over de dreiging van literaire zuivering. Toch was het boek zonder die commotie vermoedelijk niet onder mijn aandacht gekomen. Ik las het afgelopen weken in de Nederlandse vertaling (door Carola van der Kruk-de Boer en Annet Niewold-de Boer) met de weinig geslaagde titel Wie omkijkt; dat haalt het niet bij hoe Cummins het boek zelf heeft genoemd. Ook vreemd: de ondertitel die op het omslag van de Nederlandse editie is gezet door uitgeverij Mozaïek: ‘Een wanhopige moeder en haar zoontje op de vlucht voor de wraak van het drugskartel.’

Die zin dekt de lading wel van dit verhaal van een kleine vijfhonderd pagina’s, dat van begin tot eind draait om die vlucht. Ook klinkt het nogal thrillerachtig: wanhoop, op de vlucht, wraak, een drugskartel. Van zulk groot taalgebruik bedient Cummins zich in dit romandebuut ook steeds. Op zich is er niets tegen een beetje een voortrazend verhaal, er is zelfs niets mis met af en toe een thrillerelement in een roman, alleen vinkt American Dirt wel nagenoeg elk thrillercliché af in dit rommelige, weliswaar vlot lezende maar uiteindelijk vreemd lege geheel.

Voortdurend wordt er in American Dirt van perspectief gewisseld, niet alleen van die inderdaad wanhopige moeder Lydia (al word ik geen moment echt onderdeel van haar wanhoop) naar haar ongeloofwaardig wijze zoontje Luca (hoe oud is die jongen? ik kreeg er maar geen beeld bij), maar ook naar passanten door heel Mexico; iemand op een vliegveld, mensen met wie ze samen door Mexico vluchten en bovenop een trein springen. Sowieso heeft Cummins de neiging om alles uit te leggen over de drugsoorlogen in Mexico: hoe de onderlinge verhoudingen liggen, wie er allemaal corrupt zijn, hoe gevaarlijk het is, wanneer het geweld verhevigt. Vaak bedient ze zich daarbij van de taal van een journalist, die passages invoegt om de lezer op de hoogte te stellen; het is niet de taal van een romanschrijver die zich inleeft in haar romanpersonages, en zeker niet van een personage dat op de vlucht is.

Zo worden voortdurend dingen uitgelegd: ‘Omdat het in hun cultuur heel gebruikelijk is dat volwassen kinderen voor hun bejaarde ouders zorgen, is het überhaupt al redelijk ongewoon dat Lydia’s moeder een spaarrekening had.’ Alle Mexicaanse tekstjes die in het boek voorkomen, worden vervolgens vertaald. De peso’s waarmee Lydia betaalt worden keurig omgerekend in dollars. Alsof Lydia en Luca zulke zaken eens rustig overdenken terwijl ze opgejaagd worden. Alsof alle informatie over drugsoorlogen niet vanzelfsprekend is voor de personages, aangezien ze er al jaren door wordt omringd.

Interessant zou het juist worden als je dingen – gewoontes, geweldsuitbarstingen – te lezen krijgt die als gewoon worden gezien waarvan je als lezer denkt: dit ben ik helemaal niet gewend, dan creëer je spanning. Maar Cummins lijkt zich hebben voorgenomen niks verwarrend of dubbelzinnig te maken voor de lezer. En dan is er ook nog de rest van haar stijl. Die had veel goed kunnen maken: niet alles qua perspectief of informatiedosering hoeft immers helemaal te kloppen als je dit boek gewoon beschouwt als een spannende easy read, en niet als een fijnbesnaarde, psychologisch afgewogen karakterstudie of iets dergelijks. Maar stilistisch rammelt American Dirt: ik zette voortdurend streepjes in de kantlijn, het ene moment geïrriteerd en het andere vooral verbaasd, want Cummins had toch, meldde de achterflap, tien jaar in de uitgeverswereld gewerkt, ze zat bij een agentschap en er was een miljoen dollar voorschot voor dit boek betaald, dan had er toch wel fatsoenlijke redactie op losgelaten kunnen worden?

Een paar voorbeelden. Lydia voelt iemands ergens ‘bezorgdheid als een vloek in de ruimte hangen’ (wat betekent dat?), waardoor haar hart ‘als een razende tekeer’ gaat én ze zich opgejaagd voelt; angst ‘slaat haar om het hart’; een paar regels later ‘treft [iets] haar als een donderslag bij heldere hemel’. Elders treft iets haar ‘als een mokerslag’; er klinkt ‘oorverdovende stilte’, als ze rondrijden, ziet Luca een rij huizen ‘langs flitsen als kaarten in een kaartspel’ (hoe werkt dat?), vlak daarna registreert hij ‘een baldakijn van schaduwrijke bomen [die] de straat overwelft’ (welk kind praat of denkt in hemelsnaam zo?). En dit zijn alleen nog maar voorbeelden van de eerste honderd bladzijdes, waarna Cummins overigens zelf eens opmerkt: ‘Hoeveel ze ook houdt van taal, in sommige gevallen is geen enkel woord toereikend.’ 

Je kunt zeggen: het is flauw om zulke zinnen te citeren, iedereen formuleert weleens ongelukkig. Maar deze taal is niet alleen clichématig, hij onderstreept ook hoe Cummins haar verhaal heeft opgebouwd: alles voor de nadrukkelijke emotie en het grote gebaar, alles voor de thrillerachtige vaart, alles voor de begrijpelijkheid. Rondom alle commotie was ik nog wel geneigd haar bij te vallen, of tenminste om te denken: iedereen moet over alles kunnen schrijven. (Wat overigens ook niet echt werd betwist, zelfs niet door criticasters.) Maar nu ik American Dirt heb gelezen denk ik vooral: dit is een erg middelmatige roman, geen enkele heisa waard.

Jan van Mersbergen: Sandro Veronesi, In de ban van mijn vader

Het zal voor de Nederlandse markt een beter titel zijn: In de ban van mijn vader (vertaald door Rob Gerritsen), maar de originele Italiaanse titel van de roman van Sandro Veronesi was: La forza del passato, en voor zover ik weet is forza Italiaans is voor kracht en passato staat voor passé, voor het verleden. De kracht van het verleden is de titel die ik dit keer bij het herlezen van deze roman in mijn hoofd had. Die titel past goed.
De manier van vertellen van Gianni Orzan, de hoofdpersoon die Veronesi opvoert, deed me denken aan hoe Herman Koch zijn verhalen vertelt: in duidelijke strakke zinnen maar wel met de nodige twijfel, zonder dat het ergens twijfelachtig wordt. Dat is een belangrijk verschil. Sommige vertellers zijn warrig, andere vertellers zoeken maar laten zich niet door de mogelijkheden en keuzes tijdens dat zoeken overmeesteren waardoor de vertelling strak blijft. Zoals bijvoorbeeld de scène waarin Gianni op aandringen van een van zijn gasten beneden bij de voordeur aan de intercom luistert wat de anderen die nog boven zijn over hem zeggen, nu hij het huis uit is. Een typische Kochiaanse scène, trouwens. Gianni besluit te luisteren, en wat hij opvangt doet hem geen goed:
‘Het valt me moeilijk dit te vertellen, zwaar zelfs, maar ik geloof dat het belangrijkste is: die twee waren vrienden van me, en het feit dat ze zo over mij, mijn vrouw, mijn huis en mijn gasten konden spreken heeft me zeer geschokt.’
Het is moeilijk te vertellen, valt hem zwaar, hij gelooft iets, het belangrijkste… Je hoort deze verteller een zin in elkaar zetten die zijn twijfel laat zien, maar het is wel een zin die de vertwijfeling van de vertelling voor is. Het blijft helder en te volgen. Nergens heb ik het idee dat deze verteller meer weet dat wat hij vertelt of boven zijn zoektocht in woorden staat. Zijn twijfel wordt ook geen pose.
Hij is wel expliciet, want even verderop staat: ‘Het zijn dingen die je uit het lood slaan.’ Hij weet wat er gebeurt, hij volgt de stapjes. Hij laat de lezer echter niet vertwijfeld achter, hij maakt de lezer alleen deelgenoot van zijn verhaal.
Dus met veel plezier luisterde ik naar Gianni, die erachter komt dat zijn vader, die net overleden is, geen gewone Italiaanse conservatief was maar een Russische contraspion. In vlotte scènes brengt een taxichauffeur hem dit nieuws, nadat de taxirit in een angstrit overging omdat Gianni een pistool zag, als de chauffeur hem de tas later terug komt brengen maakt het nieuws hem minder bang maar zet het wel zijn leven op zijn kop. Die flaptekstzin uit de jaren negentig staat ook op deze flap: ‘Gianni’s wereldbeeld begint te wankelen.’
Dat kleine verhaal pakt natuurlijk groot uit, zit verstopt in mooie persoonlijke verhalen, met een overzichtelijk tijdsbesef en een slim schakelen tussen verteltijd en de tijd die geweest is, zoals de eerste zinnen van de roman na de vraag of Gianni een droevig mens is: ‘Dat vroeg ze aan me, die journaliste. Het is de laatste vraag.’
Met de vraag begint het boek, wie de vraag stelde staat in de verleden tijd, Gianni geeft zelf aan dat het de laatste vraag is waarna hij over de prijsuitreiking vertelt en het hoofdstuk afsluit met het antwoord op de vraag: ‘Niet meer.’
Bijzonder slim en speels gedaan. Dat doet Veronesi steeds: het verhaal zijn beloop laten maar daar wel af en toe van afwijken, een zijpad zoeken, soepel weer terugkeren naar het hoofdverhaal. Het levert levendig proza op. Het duurt even voor ik de zinnen die de hoofdstukjes aaneenrijgen kan laten varen en meer ga voor de zinnen die de sfeer neerzetten, die de verteltoon van Gianni markeren: ‘Hij steekt een sigaret op, de ellendeling,’ is een korte alinea die los in een lang betoog van de taxichauffeur staat als ze in een restaurant een enorme hoeveelheid spaghetti eten die door een meisje op rolschaatsen voor hen op tafel is gezet.
Ik weet: Gianni is negen maanden gestopt met roken. En die man rookt. Die sigaret doet me meer dan het verhaal dat de tafel over gaat, over de vader van Gianni. Hij moet dat verhaal horen, het is een verrassende wending, maar zijn stoppen met roken is zijn eigen korte verleden dat ook een rol speelt.
Daarom: De kracht van het verleden, in plaats van de vader. En het fijne aan boeken waarin alles samenkomt is dat, wanneer je ze leest, alles ook daadwerkelijk samenkomt. Net als in de restaurantscène een Kochiaanse vraag opdoemt omdat hij de rolschaatsende ober slecht behandelde – hoeveel spuug van obers zullen we in ons leven gegeten hebben? – komt de titel letterlijk terug aan het einde van die scène, als Gianni vertelt dat de schrijver Giorgio Bassani ooit de stem van Orson Welles deed in een film, waarna een gedicht van Bassani aangehaald wordt: De kracht van het verleden. Niks vader, al gaat het gedicht wel over geboren worden, maar volstrekt indirect.
Het vervolg van deze roman waaiert uit. Gianni ziet zijn zekerheden hem ontglippen. Ergens jammer dat hij kinderboekenschrijver is en dat hij de gebeurtenissen gebruikt in zijn nieuw te schrijven kinderboek over Pizzano Pizza, zijn kinderboekenheld, die stukken kan ik missen. Wel mooi dat de vertwijfeling in zijn leven groter wordt maar het proza helder blijft. Dat was de opdracht die Veronesi zichzelf opgelegd heeft, en daarin is hij zeer goed geslaagd. Altijd fijn om een boek dat inmiddels al weer twintig jaar oud is te herlezen en te zien dat de klassieke status die het boek destijds is toegedicht terecht is.

Sebastian Barry, Wytske Versteeg: de redactie las een rustige roman met een soepele, sobere verteller, en een indringend essay over misbruik, kwetsbaarheid en taal.

*

Jan van Mersbergen: Sebastian Barry, Duizend manen

Een samengesteld gezin in een tijd waarin je dat niet verwacht, op een plek waar je dat niet verwacht. Sebastian Barry combineert in zijn nieuwe roman Duizend manen, vertaald door Jan Willem Reitsma, een gezinssituatie die je verwacht bij een hedendaagse sitcom zoals Modern family of Two and a Half Men met het wilde westen. Het werkt goed, vooral omdat hij Winona, de hoofdpersoon van Indiaanse afkomst, heel soepel laat vertellen.

‘Nou, ik barste gewoon in tranen uit toen ik hem zag aanrijden want zo was de toestand waarin ik verkeerde.

Winona vertelt. In de zin staan geen komma’s. Ze vertelt wat ze voelt. Het is expliciet. Ze is duidelijk. Ze probeert te beschrijven wat ze voelt, en het aangeven dat ze tranen had helpt.

De laatste weken heb ik mopperende reacties gekregen op de manier waarop ik op mijn site over boeken schrijf. Abdelkader Benali noemde het ‘close reading’, en hij gaf aan dat hij daar erg van houdt. Hij is een schrijver, en eigenlijk pluis ik proza na voor lezers die de technische kant van het schrijven interessant vinden, en schrijvers vinden dat interessant, daar zijn ze dagelijks mee bezig.
Een boekverkoper vond dat ik erg veel woorden nodig had om te zeggen dat het een kutboek is. Dat is nou precies het verschil tussen een kwalificatie en een analyse met daarbij hopelijk een uitleg die aangeeft waarom het boek een kutboek is, zonder die term natuurlijk te gebruiken. Schrijvers vinden kwalificaties niet prettig. Lezersreacties die aangeven wat het boek met de lezer doet kunnen ze over het algemeen wel waarderen. Die doen, als het goed is, recht aan het werk van de schrijver, omdat het lezen daarna ook gezien wordt als werk.
Een andere typische reactie was dat ik enkele zinnen uit een boek haal, uit de context, en aan de hand van die zinnen een heel boek kwalificeer. Dat doe ik wel, zinnen als voorbeeld gebruiken, want enkel roepen dat het hele boek geweldig is heeft voor mij minder waarde dan die ene zin die geweldig is, of juist niet geweldig. Het gaat echter niet om het complete boek, het gaat om de stijl, om de toon, om de vertelling, om de stelligheid, om de kracht van de vertelling, om de keuzes die een schrijver maakt, om de afstand tussen ik-verteller en lezer, tussen schrijver en personages, tussen schrijver en lezer. Dat spel, dat beschrijf ik.

De verteller van Barry heeft een groot minderwaardigheidscomplex. Interessante tegenstelling. Haar is van jongs af aan, als Indianenwees, duidelijk gemaakt dat ze niks is. Ze telt niet mee. Ze weet het. Ze is nog minder dan de slaven die nu weliswaar vrij zijn maar nog niks te zeggen hebben. Oud-slaven worden in de stad in elkaar geslagen. Nu ze bij twee mannen woont, een landlord, en twee oud-slaven, is Winona nog altijd de laagste in de rangorde. Ze weet het, ze kent haar positie.

Winona overkomt hetzelfde, ze wordt mishandeld en verkracht. Daar vertelt ze over. Niet in beschouwende passages, niet aan de hand van filosofische referenties, want die heeft ze niet. Ze vertelt hoe ze van onder vernield is.

Als in een roman een verteller opgevoerd wordt, en dat is een keuze van de schrijver, die totaal twijfelachtig is, zoals Johan Harstad doet in Max, Mischa & het Tet-offensief dan is iedere zin die hij formuleert op die keuzes terug te voeren. Zijn verteller twijfelt en houdt de lezer aan een lijntje. Hij is vertwijfeld, maar dat hoeft de vertelling nog niet twijfelachtig te maken. Een verteller kan heel goed iets stelligs zeggen, vanuit vertwijfeling, op een manier die de lezer doet geloven dat hij juist twijfelt. Die gradaties schuilen in een enkel woordje. Dat doseren is wat een schrijver doet, zodat de lezers iets voelen wat aansluit bij het verhaal, de personages, de leeservaring op zich.

Winona twijfelt niet, ze weet echter tegelijk niet wat er precies met haar gebeurd is. Dat is een ander soort twijfel dan het geharrewar van Harstad, dat bladzijden duurt. Barry kiest ervoor een Indianendochter het heft in eigen handen te laten nemen. Nu doet het verhaal er weinig toe, de vertelling is het belangrijkste, daarmee brengt Barry de lezer bij het gevoel dat verstopt zit in deze mooie roman. Mooi, omdat de lezer de kans krijgt iets te voelen.

Barry laat zijn hoofdpersoon vertellen over de slavenhutten, via het oud-slavenmeisje. ‘Er waren drie dozijn geweest. Daarbinnen, zei ze, was de mensheid een boek zonder omslag.’
De alinea houdt hier op. Geen sentiment, alleen het beeld van een boek zonder omslag. Dat is fladderig, dat valt uit elkaar, dat is kwetsbaar, dat is naamloos. De lezer heeft hier eigenlijk een witregel nodig om dit beeld even in te laten werken. Om zelf het beeld af te kunnen maken in je hoofd. Het is niet helemaal duidelijk, maar ergens in je hersenen ontstaat iets wat Barry vaag voor ogen heeft.
Geen losse vertelling die maar doordramt en de lezer overdondert met lege zinnetjes, zoals Harstad doet. Sla het vuistdikke boek maar open en je vindt altijd zo’n zinnetje.

Wacht even, dat doe ik.

‘Omdat ik hoe dan ook een spoor wilde achterlaten, rookte ik een laatste sigaret terwijl ik rondjes door de kamer liep en ik blies uit alle macht de rook tegen de muren, probeerde met mijn hand de nicotine voor eeuwig en altijd in het behang te wrijven.’

Daar hebben we Max weer, de verteller van Harstads opgehemelde roman. Lukraak een zinnetje. Scrollen door het boek op internet, stoppen, cursor stil. Daar istie. Een zonde, maar wel weer een zin die me direct duidelijk maakt dat ik te maken heb met een acteur die een pose aanneemt, die effect wil, van zijn eigen handelen. Ik verzin het niet hoor, het staat er. Een ik-verteller die een sigaret opsteekt omdat hij een spoor wilde achterlaten. Het is geen roker, hij wil iets bereiken met het roken van een sigaret. Terwijl hij rondjes door de kamer liep blies hij de rook uit. Uit alle macht, ook nog. Tegen de muren. Ik zie hem draven. Blazen. Een scène, jawel. Hij zet het nog even aan door de nicotine, niet de rook, het behang in te wrijven. Doe je best maar. lastig om de nicotine van de rook te scheiden, maar dat terzijde.

Ik bedoel maar, de ene schrijver brengt zijn beelden op een andere manier dan de andere schrijver. Het mannetje dat Harstad opvoert brengt iets anders over als de verteller van Barry. Mijn voorkeuren geef ik graag aan. Niet om lezers op een of ander spoor te zetten. Lezen is altijd lezen, maar wel hoop ik dat de technieken achter een boek, achter een hoofdstuk, zelfs achter een enkel zinnetje, op een of andere manier meegenomen worden in een analyse van het boek.

Laatst werd een recensent geïnterviewd. Hij zei dat het objectief analyseren van een boek onzin is. Nu heeft hij zeer sprekende persoonlijke voorkeuren, vooral voor vrouwelijke schrijvers, zelfs zo sterk dat wanneer er een nieuw boek verschijnt van een vrouw en je weet dat hij het gaat bespreken, het bijna mogelijk is die recensie al te schrijven voor hij verschenen is. Toch spreekt het idee van persoonlijk over boeken schrijven me erg aan.
Waarom bevalt dit boek van Sebastian Barry me zo goed, en dat van Harstad niet? Waarom denk ik bij de ene verteller: stel je niet aan, en neemt de andere verteller mij moeiteloos mee haar verhaal in? Dat is het verhaal dat ik als lezer en als schrijver hier graag wil vertellen.
Vanzelfsprekend heeft dat te maken met wie ik ben, met wat ik kan waarderen, met de manier waarop er vroeger in de polder tegen me gepraat werd, welke waarden daar belangrijk waren, welke waarden me naar de stad dreven, waarom ik wel voor schrijven kon kiezen en niet voor muziek maken. Het heeft te maken met mijn reactie om mijn omgeving, want een roman is een zelfgekozen andere omgeving die ik op bepaalde momenten binnenlaat. Is dat in de winter en de dagen zijn kort en donker, dan leest een boek al anders dan in de schaduw op een zonnige dag met een koud drankje naast je. Dat speelt ook mee. Maar vooral kunnen romans en vertellingen aangeven wie je bent, als lezer, als mens.
Dat ontdekken, dat uitpluizen, dat is een andere manier van lezen dan enkel vluchten voor wie je bent door te verdrinken in een dik boek. Dat sla je dicht, onder de indruk, maar over jezelf heb je niks geleerd.

Terug naar Duizend manen, en dat andere boek.
De stellige manier van vertellen van Winona, die op geen enkel moment een pose aanneemt of vreemde handelingen verzint om haar gevoel over te brengen, die zeg maar geen nicotine in het belang wrijft om wanhopig aan anderen, die er op dat moment niet eens bij zijn, maar die pas later als toehoorders / lezers de pineut zijn, te laten zien welke gevoelens er in haar borrelen, neemt het heft in eigen handen.
Dat doet ze. Direct. Ze kronkelt niet honderd bladzijden met dat besluit in haar hoofd en reacties in haar lijf, al vertelt ze wel dat ze nadat ze verkracht was over haar hele lichaam trilde. Dat trillen draagt bij aan het overbrengen van wat haar overkomen is zonder toneel te spelen, dat voelt de lezer meteen. Ze schaamt zich bijna dat ze trilde, zo vertelt ze het. Als de jongen op wie ze misschien een oogje had bij de boerderij komt aanrijden en Winona hem niet wil zien, dan beschrijft ze het trillende oude paard waar hij op zit. Dat trillen is precies hetzelfde beschreven.
Ik blijf denken aan de verteller van Harstad die nicotine in het behang wrijft. Sorry hoor, maar wat zou Barry van zo’n personage en zo’n handeling gemaakt hebben?

‘Je kunt niet je hele leven een tranenfontein zijn,’ zegt Winona.
Winona is zo veel sterker, de vertelling is zo veel sterker. Ondanks die tranen, ondanks dat trillen in haar beschadigde lijf. Wat Duizend manen zo veel sterker maakt is de overdrachtelijkheid. Waar Harstad zijn verteller schreeuwend en poserend voor je zet laat Barry zijn vertelster onder je huid kruipen. De ene wil je het liefst wegsturen, als een verkoper die aan de deur staat, deze Winona wil ik vasthouden en beschermen. Een romanpersonage waar je voor wilt zorgen, als lezer. Is dat niet het mooiste compliment? Is dat niet wat schrijvers moeten zien te bereiken?

Soms is het taalgebruik van Winona erg formeel, overdreven formeel. Zo noemt ze advocaat Briscoe steeds ‘de advocaat Briscoe’, en formuleert ze: ‘Ik had de indruk dat de advocaat Briscoe vanaf zijn eerste verschijning vreugde in hem schepte.’ Briscoe vond iemand leuk, maar ze zegt het wat stijfjes. Een manier van spreken die me in De ondergrondse spoorweg van Colson Whitehead erg tegenstond, niet ontoevallig ook een boek over slaven in Amerika, maar hier begrijp ik het wel, voel ik het wel, past het bij de verteller. Het grote verschil: Barry laat een ik-verteller dit zeggen, van binnenuit. Whitehead vertelt zelf zo.

‘Ze spraken over hun opleiding aan de jongensacademie in Paris die ze allebei in verschillende jaren hadden bijgewoond.’

Dat zijn geen vertaalfoutjes, dat is de stem van Winona zoals Barry hem bedacht heeft, de stem van een Indianenmeisje tussen slaven. Die volgen geen opleiding, in hun beleving woon je een opleiding bij. Die afstand tot opleiding zit compleet in haar stem. Mooi.

Had ik al verteld dat in deze roman, Duizend manen, de twee oude mannelijke personages die voor Winona zorgen dezelfde mannen zijn als die in Dagen zonder eind, de roman van Barry die in drie jaar geleden las? Ik kwam er pas achter toen ik al zestig pagina’s op weg was in deze nieuwste. Barry legt niet de nadruk op die mannen, op hun verleden, op hun relatie die duidelijk homoseksueel is, maar dus niet dusdanig benoemd.
Het verschil tussen de vertellers is zo opvallend en eenvoudig, en een gevoelskwestie. Dat kan iedereen. Over het vertellen en opschrijven zeggen beide vertellers iets. Vergelijk de Max van Johan Harstad met de Winona van Sebastian Barry.
Max: ‘Ik schrijf dit tenslotte voor jullie, voor ons, voor mezelf. Ik schrijf dit voordat ik het vergeet.’
Winona: ‘Ik weet die dingen dus ik schrijf ze op.’
Bepaal zelf maar welke insteek, toon en zegswijze je voorkeur heeft.

Duizend manen vraagt wel iets van de lezer. Het vraagt niet achterover te leunen en je te laten overrompelen, het vraagt een traag leestempo, aandacht voor zinnetjes, een pauze, en weer verder op pad met Winona.
Ze weet: alle rivieren komen uit in de zee. Ze had de sheriff kunnen doodschieten, maar ze deed het niet. ‘Maar net als de rivier, later, kwam het allemaal op hetzelfde neer.’ Daarmee sluit ze het zesde hoofdstuk af nadat ze verteld heeft dat ze de sheriff dood had kunnen schieten en ‘dan een verhaal had gehad dat door een plotse wending was geraakt.’
Dat heeft het boek wel, maar dat weet ze zelf niet.
Ik besteed weer erg veel woorden, ruim tweeduizend, aan een roman die waarschijnlijk de zestigduizend woorden maar net haalt. De verhouding bespreking : roman is één op dertig. Dat zou een eis voor boekbesprekingen in kranten moeten zijn, in plaats van driehonderd lovende woorden over een boek van duizend maal zoveel woorden.
Dat zijn de Duizend manen uit de titel.
Mocht je niks te doen hebben, deze weken, thuis, lees dan dit boek. Lees het heel rustig, dit boek, want het zit vol indringend gevoel.

Querido gaf Duizend manen uit. Lees een fragment op Athenaeum.nl.

Daan Stoffelsen: Wytske Versteeg, Verdwijnpunt

Het nieuwe boek van Wytske Versteeg, een essay, Verdwijnpunt, begint prachtig, met een beeldspraak die duisternis en kwetsbaarheid oproept:

‘Misschien zou dit boek stekels moeten hebben. En ook een kaft niet van gewoon karton, maar van een materiaal met het soort rotsachtige hardheid waaraan je je kunt stoten en bezeren. Of ik zou het in waterverf moeten maken in een huidkleur die bijna doorzichtig is, of anders van glas dat breekt als je het aanraakt.’

En dat klopt, dit boek is openhartig en hard, gegroeid vanuit een geschiedenis van misbruik en aanranding, van depressie ook, verwijdering van geliefden, zelfmutilatie, zelfmoordverlangen. De autobiografische gegevens die Versteeg aanreikt, hakken erin of schrijnen, ze raken je. De feiten zijn verschrikkelijk. Maar Versteeg mijdt sentiment (‘niet zonder me af te vragen of die woorden niet al te groot, te melodramatisch zijn voor iets wat zo vaak voorkomt als seksueel geweld’), ze zoekt naar taal die past, naar hoe het schrijverschap bij haar past ook. Ze bevraagt taal. Wat is ‘trauma’, vraagt ze zich bijvoorbeeld af:

‘Een traumatische gebeurtenis doorboort de huid – de grens tussen mijzelf en de wereld buiten mij – en verstoort de samenhang van levend weefsel. Het is een moment als een klap of een snee of een schok, waardoor een plotselinge scheiding ontstaat. Als ik mezelf tijdens het koken per ongeluk in mijn duim snijd, zal ik mijn beweging staken zodra ik de pijn van de snee voel. […] Een onhandige beweging met een keukenmes beschadigt de huid van mijn vinger, maar er zijn ook ongerechtigheden die schade toebrengen aan mijn “tweede huid”: mijn reputatie, waardigheid of zelfbesef.’

Wat een grote woorden, dacht ik: waardigheid, zelfbesef. Maar Versteeg illustreert het overtuigend. Ze verdiept de metafoor die ‘trauma’ is in psychische zin, en laat zien hoe het een mens kan beïnvloeden, en deel is van een maatschappij. Of de lichamelijkheid van ons ik, daar schrijft ze ook over: ‘Stay in touch, zeggen de Engelsen, keep in touch, blijf zo dicht bij mij dat ik je kan aanraken, dat ik mijn arm kan uitstrekken om de contouren van je lichaam af te tasten, er zeker van te zijn dat jij het nog steeds bent, al liggen er jaren en kilometers tussen ons in. […] Out of touch, dat ben ik, niet meer in staat om aangeraakt te worden, ook niet als de fysieke afstand opgeheven wordt en we weer in dezelfde kamer zijn.’

Minder dan Manon Uphoff, die met Vallen is als vliegen een monument oprichtte voor het misbruikte kind én een geweldige roman schreef, tast Versteeg de gebeurtenissen zelf amper af – nu doe ik het ook, het ontwijken (‘Waar ik vermeed, en nog altijd vermijd, een naam te geven aan wat er gebeurd was, zocht ik wel naar de meest passende woorden om de pijn te beschrijven die ermee samenhing.’) – maar kijkt ze naar de tijd daarna. Hoe het tussen jou en de omstanders (haar ouders) komt te staan, hoe het je zelfvertrouwen beschadigt, je vertrouwen in anderen, hoe het je schokt en doet wankelen en omver werpt. Hoe uiteindelijk één persoon je kan helpen, misschien zelfs helen (waarom die term passend is, weet ze ook overtuigend te zeggen).

Maar dat dit boek niet per se de afsluiting is. (‘We willen niet dat iemand uit de afgrond terugkeert zonder iets voor ons mee te nemen; we willen helemaal niet horen dat het er gewoon alleen maar zwart is. Maar als er al iets is wat je kunt meenemen, als er iets is wat je kunt leren van ervaringen die je net niet doden, dan is dat niet in woorden uit te drukken, niet zonder onmiddellijk te verschrompelen tot een cliché, iets wat duizenden mensen al duizenden keren eerder hebben gezegd.’)

Dit alleen al, beschreven in een zuivere stijl, is een prestatie. Maar Verdwijnpunt is, in de persoonlijke, zoekende vorm die ik het liefst zie, ook een essay. Versteeg heeft zich ingelezen, en verwerkt soepel citaten uit de wetenschappelijke literatuur en de filosofie, uit romans, gedichten en memoires. Ik moest denken aan Manon Uphoff dus, maar ook aan Eva Meijer, die in De grenzen van mijn taal haar depressies onderzocht, en dat verbond met literatuur, taal, filosofie, psychologie.
Verdwijnpunt is net als dat essay literaire non-fictie: niet de plot, die is triest genoeg een verhaal van velen, maar de verwerking doet ertoe: die is gevoelig en intelligent. En prachtig geschreven. Ik heb veel geleerd en hoop meer te leren na herlezing over pijn, geweld, verdriet, kwetsbaarheid, taal.

Querido gaf Verdwijnpunt uit. Lees een fragment op Athenaeum.nl.

Henry Roth, Teju Cole: de redactie las een roman van 85 jaar geleden met trage uitgebreide scènes waarin van alle personages een mooi beeld geschetst wordt en waarin steeds bijzonder scherpe tekenende zinnetjes terugkomen, en een essay over vertalers en hulpverleners aan de grens – en hoe ze beide groepen De oversteek verzorgen.

*

Jan van Mersbergen: Henry Roth, Noem het slaap

Ruim vijfentachtig jaar oud is Noem het slaap, de oorspronkelijke titel Call it sleep klinkt een stuk beter, de bildungsroman van Henry Roth, en nog steeds leest het boek ontzettend goed. We volgen David, een jonge Pools-Oostenrijkse immigrant die in 1907 als tweejarige in New York aankomt. Zijn Joodse familie bestaat uit zijn liefdevolle moeder en geschifte vader.
Meteen in een van de eerste scènes moet de jongen als hij een jaar of zeven is het kantoor binnengaan waar de vader gewerkt heeft om diens spullen op te halen: wat kleren en het geld dat hij nog tegoed heeft. De jongen wordt vriendelijk ontvangen, krijgt de spullen vrij soepel mee, wat de vader later erg tevreden stemt, maar de jongen komt er ook achter dat zijn vader in het kantoor mensen met een hamer heeft bedreigd. Hij verzwijgt het incident, draagt het vervolgens als een last met zich mee.
Dat zal David vaker doen. Als een meisje dat hij hem in het gebouw in een ander appartement woont hem in een kast duwt en kust en aan hem wil zitten, een MeToo-scène van bijna honderd jaar oud met een meisje als dader en een jongen als slachtoffer, probeert hij het meisje voortaan te ontlopen. Hij denkt er wel heel vaak aan.

Een bildungsroman, dan weet je: dat verhaal begint in de jongste jeugd en de schrijver gaat de tijd nemen. Dat gebeurt in Noem het slaap ook. Roth – geen familie van de bekendere Philip Roth – schrijft trage uitgebreide scènes waarin van alle personages een mooi beeld geschetst wordt en waarin steeds bijzonder scherpe tekenende zinnetjes terugkomen.
Als de vader de jongen naar zijn voormalige kantoor stuurt en de jongen hetgeen hij moet zeggen herhaalt en probeert te onthouden zegt de vader: ‘Zeg het in het Engels, idioot.’
Als de moeder vertelt over haar jeugd in Oost-Europa blijkt ze uit een zeer welgestelde familie te komen. Ze hadden wel vijf bedienden. Ook vertelt de moeder over mensen die dood gaan: ‘Ze sluiten hun ogen voor een slaap van eeuwige jaren.’ Die mensen worden begraven, en het is voor altijd. Alles wat de moeder daarna vertelt dringt niet meer echt tot David door. Hij blijft in zijn hoofd maar herhalen: ‘Donker. In het gras. Eeuwige jaren…’

Pijnlijk is het als David zich niet lekker voelt en zijn vader hem tijdens het eten beschimpt. Er is een huisvriend op bezoek. Een vreemde man, Luter. De jongen is misselijk, zegt iets geks, de vader zegt dat hij de soep moet eten: ‘Nou komt er nog wat van?’
En verderop: ‘Gedurende de rest van de maaltijd at David heel voorzichtig, zo nu en dan heimelijk opkijkend om te zien of hij soms iets deed wat zijn vader mishaagde. Naar Luter waagde hij het geen moment te kijken, uit angst dat alleen het zien al van die man hem zo in verwarring zou brengen dat hij nog meer blunders zou begaan. Toen zijn moeder het dessert voor hem neerzette, was hij al met zichzelf aan het overleggen of er niet een manier was om zich terug te trekken, een plekje waar hij zich verstoppen kon terwijl ze toch dachten dat hij er was, of tenminste niet anders verwachtten.’

Die arme jongen. Roth beschrijft precies zijn gedachten en overwegingen, in een huiselijke scène die levendig en rustig tegelijk is. Roth vertelt erg veel, doet niet aan show, don’t tell, maar schenkt je wel een beeld van deze jongen met genoeg informatie en tempo zodat je zelf dat beeld kunt vormen. Het laatste stukje, inleving, laat hij aan de lezer over. Dat lukt hem erg goed.
Zijn vader is een ellendeling, de vriend van zijn vader een waardeloos figuur, jongens in de buurt pesten hem, jagen hem op. Je hoopt steeds dat David iemand vindt die aardig voor hem is, zo simpel is de emotionele lading van dit boek. De verwachting en de hoop die Henry Roth bij de lezer dumpt komt neer op mededogen. Een klein menselijk omzien naar deze jongen. Het is een harde manier van schrijven en een verhaal vertellen: zo’n ventje allerlei ellende mee laten maken zodat de lezer op dat spoor gezet wordt.

Daan Stoffelsen: Teju Cole, ‘Carrying a Single Life: On Literature and Translation’

Alsnog was ik op het Boekenbal, om mensen handen te geven en te zoenen en te spreken en mee te dansen (ik zit nu in provinciale quarantaine, op advies van de overheid), en als illustratiemateriaal bij Gilles van der Loo‘s blog bij Tirade. Dank daarvoor aan onze uitgeverij! Natuurlijk zette het gesprek zich voort over het Boekenweekessay, en op het nippertje liep ik Arie Storm tegen het lijf, die vond dat ik vier dingen veel explicieter en zwaarder had moeten zeggen, en zijn laatste punt heeft duurzame waarde voor elk Boekenweekessay: maar het ís helemaal geen essay!

Nu is die genreaanduiding swoieso sterk gedevalueerd (Sjoerd de Jong merkte afgelopen weekend op dat het ‘zo langzamerhand een parapluterm voor alle stukken waarin de pen wat losjes wordt gevoerd’ is), maar ik denk dat Arie en ik het wel eens zouden worden over dat een persoonlijk perspectief, een onderzoekende geest (en blijk van onderzoek) en twijfel als basis horen bij het essay. Rancune, een oppervlakkige overtuiging en belediging zijn dan een wat beperkte invulling.

Je zou, in lijn met Gerwin van der Werfs pleidooi voor betere, bijzonderder Boekenweekgeschenken met meer experiment – ‘Sta toe dat het mislukt (dat doet het nu ook, vaak zelfs) -, hopen op échte essayisten, die hebben we toch nog wel, de Hanlo Essayprijs kan elk tweede jaar weer een mooie shortlist samenstellen, en we hebben waardige P.C. Hooftprijswinnaars in dat genre.

Maar ik vrees dat dit een stap te ver is: de Boekenweek is voor elk boek en elke lezer (en niet-lezer), en de wendbaarheid op tv van iemand als Akyol lijkt voor het bereik onontbeerlijk. Daarom stel ik voor dat De Revisor volgend jaar het thema volgt en opdracht geeft tot twee of drie essays. Dit speciale themanummer – ik hoop op ‘Mijn beste vriend. Boeken over honden’ of ‘Kedengedeng. Literatuur en seks’, maar democratie, Scandinavië en de Noordzee mogen ook – vullen we verder met vertaalde literatuur en de tien grootste ongepubliceerde talenten van de Nederlandse literatuur. We laten het nummer de dag voor de Boekenweek verschijnen en maken het € 15,-, je krijgt het bij aankoop het Boekenweekgeschenk, en de redactie verzorgt in het voorprogramma van het Boekenbal een mimevoorstelling.

(Noot aan de redactie: niet alles in bovenstaande alinea is een grap.)

Nu is de Boekenweek bijna klaar, en dan komt het volgende hoogtepunt: ons nieuwe nummer! ‘De oversteek‘ is ‘een nummer over water en land, eiland en overkant, beweging en isolatie, standpunt en migratie’, met Jeroen van Kan, Mathijs Deen, A.L. Snijders, Jan van Mersbergen, Emily Kocken, Marjolijn van Heemstra, Cynan Jones, Laura Broekhuysen, Miek Zwamborn, Roberta Petzoldt, Iduna Paalman, Ocean Vuong, Bart Koubaa en Erik Lindner. Mooie line-up, vind ik, maar zoals bij elk nummer kwam op het laatste moment iets langs wat zó goed had gepast… Vorig nummer, ‘Huid’, was dat Naomi Rebekka Boekwijts verhaal ‘Psychiatrische dagen‘, dat we toen online hebben gepubliceerd.

Nu is het een essay van Teju Cole. Teju Cole is een van mijn favoriete schrijvers, een stilist, een sombere romancier, met oog voor schoonheid en onrecht – ik heb zijn Open stad als een van de vijf beste romans van de afgelopen twee decennia genoemd. Dit stuk, een bewerking van een ‘keynote address’ bij het Haus der Kulturen der Welt, Berlijn, 18 juni 2019, trekt vertaling in ons thema: ‘The translator, then, is the ferry operator, carrying meaning from words on that shore to words on this shore.’

Jona Hoek (voor Cynan Jones) en Astrid Staartjes (voor Ocean Vuong) deden dat natuurlijk ook al impliciet, maar Cole wijst op de inventiviteit van vertalers. Het persoonlijke perspectief: zijn Italiaanse vertaalster heeft een woord verzonnen, ‘nerità’, om de volle betekenis van ‘blackness’ recht te doen in zijn essay, zijn Duitse worstelde met een eerste zin van Open City. Ik vind dat geweldige verhalen, ik verzamel ze niet voor niets op Athenaeum.nl, ze wijzen je op de beweeglijkheid en starheid tegelijk van taal, en Cole doet nog meer. Hij stapt over naar veermannen en -vrouwen in een concretere zin van het woord: de reddingswerkers in de Middellandse Zee en aan de Mexicaanse grens. (Het is bemoedigend dat de aanklacht tegen Scott Warren, vanwege zijn hulp aan de Amerikaanse grens, is ingetrokken – dat haalde deze publicatie niet.) En dan stelt hij een verrassende vraag:

‘Can we draw a link between the intricate and often modest work of writers and translators, and the bold and costly actions of people like Pia Klemp and Scott Warren? Is the work of literature connected to the risks some people undertake to save others? I believe so—because acts of language can themselves be acts of courage, just as both literature and activism alert us to the arbitrary and essentially conventional nature of borders.’

Een voorbeeld is een Turkse filmmaker en hoogleraar die protesteerde tegen het geweld tegen de Koerden, en nu door de overheid aangeklaagd is. Hier gaat een intellectueel standpunt over in een levensbedreigende, of althans een-leven-in-vrijheid-bedreigende situatie. En: ‘My friend finds herself in great danger for her stand, and so now it is her turn to be ferried to greater safety, because she did the right thing, and we must, too.’

‘What we can go to literature for is both larger and smaller than any cliché about how it makes us more empathetic.’ Nee: ‘Literature does not stop the persecution of humans or the prosecution of humanitarians. It does not stop bombs.’ Maar: ‘I offer this: literature can save a life. Just one life at a time.’

Is dat zo? Coles intentie is zuiver (maar ja, dat beweerde Akyol ook, nadat hij alle kleine kinderen van het literaire schoolplein had weggepest), dat is evident, en intentie en de langere-termijngevolgen zijn denk ik ook wat de oversteek mogelijk maakt tussen het schrijven en vertalen op je thuiswerkplek en het levensgevaarlijke werk bij de grenzen. ‘Contrary to the general noise of the culture around us, writing has reminded me in some modest but essential way of things that people don’t want to be reminded of. Inside this modest thing called literature, I have found reminders to myself to negate frontiers and carry others across, and reminders of others who carry me, too.’

We hebben mensen nodig om ons te redden, te dragen, en mensen om ons eraan te herinneren dat er mensen gered moeten worden – dit essay is zo’n herinnering.

‘Carrying a Single Life: On Literature and Translation’ verscheen bij The New York Review of Books.